HOOFDSTUK 3.
Rechtspleging


Afdeling 1.
Bepalingen die van toepassing zijn op het [handhavingscollege (verv. decr. 25 april 2014, art. 143)], de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad voor Verkiezingsbetwistingen


Art. 13.

De partijen kunnen bestuursrechters die zich over het beroep of bezwaar moeten uitspreken schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken voor de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De redenen, vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de redenen tot wraking, vermeld in het eerste lid.

De eerste voorzitter of, als die wordt gewraakt, de oudste kamervoorzitter doet zo spoedig mogelijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt de gewraakte bestuursrechter vervangen.

De bestuursrechter die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen.


Art. 14.

Het beroep of bezwaar heeft geen schorsende werking, tenzij de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, dat anders bepalen.


Art. 15.

Een Vlaams bestuursrechtscollege kan zaken over hetzelfde of over een verwant onderwerp ter behandeling samenvoegen en de behandeling over samengevoegde zaken achteraf weer splitsen.


Art. 16.

De behandeling van het beroep of bezwaar geschiedt schriftelijk en op tegenspraak.

Partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Een Vlaams bestuursrechtscollege kan, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, getuigen of deskundigen horen en een beroep doen op tolken. Een Vlaams bestuursrechtscollege kan ook andere onderzoeksmaatregelen bevelen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld.

De zittingen van een Vlaams bestuursrechtscollege zijn openbaar, behalve als de kamer in geval van gevaar voor de orde of goede zeden anders beslist.

Bij regelmatige oproeping belet de afwezigheid van een partij de geldigheid van een zitting niet. De zaak wordt in dat geval geacht op tegenspraak behandeld te zijn.

Tenzij een Vlaams bestuursrechtscollege anders beslist kunnen partijen in onderling overleg afzien van de behandeling van het beroep ter zitting.

Een Vlaams bestuursrechtscollege beraadslaagt achter gesloten deuren over zijn uitspraken.


Art. 17.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de vormvereisten en ontvankelijkheid van de verzoekschriften en voor de rechtspleging voor de Vlaamse bestuursrechtscolleges, waaronder de regels betreffende:

1° de stukken die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd;

2° de registratie van het verzoekschrift en de voorwaarden waaronder het verzoekschrift kan worden geregulariseerd;

3° de wijze waarop en de personen aan wie een afschrift van het verzoekschrift wordt bezorgd;

4° de wijze van toezending en uitwisseling van de processtukken;

5° de bijstand of vertegenwoordiging door een raadsman;

6° het beroep op getuigen, deskundigen en tolken, met inbegrip van de regeling voor het getuigengeld, de kosten en erelonen van de deskundigen en de kosten van de tolken;

7° de wijze van de berekening van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk;

8° de voorwaarden waaronder een vergoeding kan worden gevraagd voor afschriften of uittreksels.


Afdeling 2.
Bepalingen die van toepassing zijn op het [handhavingscollege (verv. decr. 25 april 2014, art. 143)] en de Raad voor Vergunningsbetwistingen


Art. 18.

De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), stellen de personen vast die beroep kunnen instellen tegen een bestreden beslissing, alsook de daarvoor geldende termijnen.


Art. 19. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de behandeling van verzoekschriften die in aanmerking komen voor een verkorte procedure.

Afdeling 3.
Bepalingen die van toepassing zijn op de Raad voor Vergunningsbetwistingen


Art. 20.

Elke belanghebbende kan tussenkomen in een hangende procedure.

De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen, die niet korter mogen zijn dan twintig dagen, behalve bij vervaltermijnen die betrekking hebben op de verzoeken tot tussenkomst in de vorderingen, ingesteld conform artikel 40, § 2.


Art. 21.

§ 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 200 euro.

Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 100 euro.

Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot tussenkomst, bedraagt 100 euro per vordering waarin een verzoek tot tussenkomst is ingediend, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 en § 2.

§ 2. De leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of het Agentschap Innoveren en Ondernemen, of bij hun afwezigheid hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, § 2, respectievelijk 5° tot en met 7°, van het -decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.

§ 3. De verzoekende partij of tussenkomende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.

De verzoekende partij of tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met het indienen van haar verzoekschrift.

In het geval van het ontbreken van de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, vraagt de griffier die op bij de verzoekende of tussenkomende partij. De griffier vraagt deze bewijsstukken evenwel niet op in het geval het een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 2, betreft.

De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het derde lid.

Bij het niet-tijdig bezorgen van de bewijsstukken, vermeld in het vierde lid, wordt de verzoekende of tussenkomende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.

De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand.

§ 4. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekende partijen zijn.

Collectieve verzoekschriften tot tussenkomst geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn.

§ 5. De griffier brengt, bij een vordering tot vernietiging en een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1, de verzoekende partij of de tussenkomende partij schriftelijk op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht.De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in paragraaf 6.

De storting gebeurt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid.

Als het bedrag niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is gestort door de verzoekende partij, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Als het bedrag niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is gestort door de tussenkomende partij, wordt het verzoekschrift tot tussenkomst niet-ontvankelijk verklaard.

De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.

§ 6. Bij een vordering tot schorsing, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag.

Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht, vermeld in het eerste lid, wordt overgelegd op de zitting waarop de vordering, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt behandeld.

Als het rolrecht niet binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag na de betekening van de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag is betaald, is de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft, niet ontvankelijk.

Als de verzoekende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen, die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, § 2, en artikel 41, opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, § 13.

Als de tussenkomende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, kan ze geen voortzetting vragen van de rechtspleging.

De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.

§ 7. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die ten gronde in het gelijk wordt gesteld.

De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op gemotiveerde wijze, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt hij rekening met:
1° de financiėle draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
2° de complexiteit van de zaak;
3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.

Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt de Raad voor Vergunningsbetwistingen zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.

Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tussen de partijen verdeeld.

De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten.

Geen partij kan worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten, als de procedure, vermeld in artikel 42, leidt tot een bekrachtigd bemiddelingsakkoord.


Afdeling 4.
Bepalingen die van toepassing zijn op de Raad voor Verkiezingsbetwistingen


Onderafdeling 1.
Rechtspleging in de procedures voor bezwaren tegen de verkiezing en bezwaren op grond van de schending van de regelgeving inzake de verkiezingsuitgaven door kandidaten en lijsttrekkers, alsmede de procedures voor de verkiezing en benoeming van de schepenen en de verkiezing van de opvolgers


Art. 22.

Alleen de kandidaten zijn gerechtigd bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen bezwaar in te dienen tegen de verkiezing en tegen de verkiezingsuitgaven die werden gedaan door de lijsttrekkers en de kandidaten. Het bezwaar wordt ingediend bij wijze van verzoekschrift.


Art. 23.

Het bezwaar wordt binnen een termijn van vijfenveertig dagen ingediend, te rekenen vanaf de dagtekening van het proces-verbaal van de verkiezingen.

Een nieuwe termijn van vijftien dagen wordt geopend met ingang van de datum van de uitspraak van de definitieve veroordeling, gesteund op een klacht die is ingediend met toepassing van artikel 201 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.


Art. 24.

Iedereen die een bezwaar heeft ingediend dat ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat het is ingediend met het oogmerk om te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro.

De opbrengst van de geldboete wordt gestort op rekening van het fonds voor de dienst van de Bestuursrechtscolleges.


Art. 25.

De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over het bezwaar binnen veertig dagen na de indiening ervan. Als binnen die termijn geen uitspraak is gedaan, wordt het bezwaar als verworpen beschouwd en is de uitslag van de verkiezing, zoals die door het hoofdstembureau is afgekondigd, definitief, met behoud van de toepassing van artikel 23, tweede lid, en de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State.


Art. 26.

De griffie geeft binnen drie dagen kennis van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of van het uitblijven van enige beslissing binnen de voorgeschreven termijn aan de betreffende gemeente-, stadsdistricts- of provincieraad. De bezwaarden worden hiervan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht. Bovendien wordt:
1° als de verkiezing geheel of gedeeltelijk ongeldig verklaard is, de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen op dezelfde wijze meegedeeld aan het aftredend raadslid, vermeld in artikel 69, eerste lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, of aan de persoon die de voordrachtsakte van kandidaten aan de voorzitter van het hoofdbureau overhandigt, conform artikel 70 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;
2° van de beslissing waarbij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, al dan niet uitspraak doende op een bezwaar, de zetelverdeling tussen de lijsten, de rangorde van de gekozen raadsleden of die van de opvolgers wijzigt, op dezelfde wijze kennis gegeven aan de gekozen raadsleden, die hun hoedanigheid van gekozene verliezen, en aan de gekozen opvolgers, die hun rang van eerste of tweede opvolger verliezen.

Van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen waarbij de verkiezingen geheel of gedeeltelijk ongeldig worden verklaard of de zetelverdeling wordt gewijzigd, wordt tegelijkertijd naar de eerste voorzitter van de Raad van State een eensluidend verklaard afschrift van de uitspraak, van het administratief dossier en van de procedurestukken gestuurd.

Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de betrokkenen binnen acht dagen nadat is kennisgegeven van de beslissingen van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, op de griffie inzage nemen in het dossier.


Art. 27.

§ 1. Behalve in de gevallen, vermeld in dit decreet, bedraagt de termijn voor het instellen van een bezwaar bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen dertig dagen.

§ 2. Artikel 16 en 22 tot en met 26 zijn van overeenkomstige toepassing op de verkiezing en benoeming van de schepenen, vermeld in artikel 45 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, met dien verstande dat alleen de gemeenteraadsleden een bezwaar mogen indienen en dat een termijn van dertig dagen begint te lopen vanaf de installatievergadering van de gemeenteraad na de volledige vernieuwing ervan.

§ 3. Bij gebrek aan opvolgers wordt in een of meer vacatures in de gemeenteraad of de stadsdistrictsraad voorzien. De aanwijzing van de verkozenen geschiedt conform de bepalingen van deel 3, titel 5, of artikel 219, eerste lid, 2°, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.

Als bij de verkiezing van het te vervangen raadslid kandidaten van dezelfde lijst met toepassing van artikel 169 of 175 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, tot opvolger zijn gekozen, treedt degene die volgens deze artikelen de eerste opvolger is, in functie, na onderzoek van zijn geloofsbrieven.

Als er bezwaren worden ingediend tegen de beslissing van de gemeenteraad of stadsdistrictsraad of tegen zijn weigering om de opvolger aan te stellen als gemeenteraadslid, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak met toepassing van artikel 16 en 25 van dit decreet, en artikel 204, tweede lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.

De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak binnen veertig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het bezwaarschrift bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen is aangekomen. De betrokken opvolger en, in voorkomend geval, degenen die bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen bezwaren hebben ingediend, worden van die beslissing op de hoogte gebracht. Zij kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.

Het nieuwe raadslid voleindigt het mandaat van zijn voorganger.


Art. 28.

De personen die op de hoogte moeten worden gebracht van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, kunnen, met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), binnen acht dagen na de kennisgeving of de mededeling van het feit dat de termijn van veertig dagen is verstreken inzage nemen in het dossier op de griffie en binnen diezelfde termijn beroep instellen bij de Raad van State.

De Raad van State doet uitspraak binnen een termijn van zestig dagen. De verkiezing kan door de Raad van State alleen geheel of gedeeltelijk ongeldig worden verklaard op grond van onregelmatigheden die de zetelverdeling tussen de verschillende lijsten kunnen beļnvloeden.

De gehele ongeldigverklaring van de verkiezing heeft tot gevolg dat de verkiezingen ab initio hernomen worden met toepassing van de bepalingen opgenomen in het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011. Als de Raad van State oordeelt dat de verkiezingen gedeeltelijk worden vernietigd, duidt hij de bepalingen aan van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 die bij de herverkiezing opnieuw moeten worden uitgevoerd.

Het raadslid dat door de Raad van State van zijn mandaat vervallen is verklaard met toepassing van artikel 205 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, wordt in de gemeenteraad vervangen door de eerste opvolger van de lijst waarop hij werd verkozen.

Het beroep bij de Raad van State is niet opschortend, behalve als het beroep gericht is tegen een beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen die een gehele of gedeeltelijke ongeldigverklaring van de verkiezingen of een wijziging in de zetelverdeling inhoudt.

Als vóór de uitspraak van de Raad van State de Vlaamse Regering de burgemeester van de gemeente in kwestie benoemt, heeft die benoeming uitwerking vanaf de betekening van het arrest van de Raad van State dat de verkiezingen niet geheel of gedeeltelijk ongeldig verklaart of de zetelverdeling niet wijzigt.


Art. 29.

Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de griffie onmiddellijk ter kennis gebracht van de provinciegouverneur, de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen en van de gemeente-, stadsdistricts- of provincieraad in kwestie.


Onderafdeling 2.
Rechtspleging voor overige betwistingen


Art. 30.

Voor de geschillen, vermeld in artikel 13, 44, § 6, 60, 218bis en 273, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak binnen veertig dagen na de indiening van het bezwaar, behalve in de geschillen over het verval van het mandaat, vermeld in artikel 10 en 13 van het voormelde decreet.

Voor de geschillen, vermeld in artikel 13, 44, § 4, en artikel 211bis van het Provinciedecreet van 9 december 2005, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak binnen veertig dagen na de indiening van het bezwaar, behalve in de geschillen over het verval van het mandaat, vermeld in artikel 10 en 13 van het voormelde decreet.

Voor de geschillen, vermeld in artikel 22 en 57 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak binnen veertig dagen na de indiening van het bezwaar, behalve in de geschillen over het verval van het mandaat, vermeld in artikel 19 en 22 van het voormelde decreet.


Art. 31.

§ 1. In de gevallen, vermeld in artikel 15 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zijn alleen de gemeenteraadsleden en de personen die voorkomen op de voordrachtsakte, vermeld in artikel 10, § 1, en in artikel 14 van het voormelde decreet, gerechtigd om bezwaar in te dienen. Het bezwaarschrift wordt op straffe van onontvankelijkheid uiterlijk ingediend op de vijfde dag die volgt op de afkondiging van de verkiezingsuitslag.

Het is verboden, op straffe van een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar, het bewijs van ontvangst van het bezwaarschrift te antidateren.

§ 2. Iedereen die een bezwaar heeft ingediend dat ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat het is ingediend met het oogmerk om te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro.

De opbrengst van de geldboete wordt gestort op de rekening van het fonds voor de dienst van de Bestuursrechtscolleges.

§ 3. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak, als er bezwaar wordt ingediend binnen veertig dagen na de ontvangst van het dossier, over de geldigheid van de verkiezingen. Hij herstelt, in voorkomend geval, de vergissingen die begaan zijn bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag. Als binnen die termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.

§ 4. De beslissing van het rechtscollege heeft op zijn vroegst uitwerking na het verstrijken van de termijnen, vermeld in paragraaf 5, om beroep in te stellen bij de Raad van State.

§ 5. De gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, de opvolgers van wie de verkiezing is vernietigd en de opvolgers van wie de verkiezingsrang is gewijzigd, alsook de personen die bezwaren hebben ingediend, kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of de mededeling van het feit dat de termijn van veertig dagen is verstreken. Het beroep schorst de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen tot vernietiging of tot wijziging van de verkiezingsuitslag of van de zetelverdeling.

De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de provinciegouverneur, aan het betrokken Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, aan de gemeente, aan de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen en aan de verkozenen van wie de verkiezing of verkiezingsrang wordt betwist. De Raad van State doet uitspraak binnen een termijn van zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de verzoeker, de provinciegouverneur, het betrokken Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, de gemeente en de verkozenen van wie de verkiezing wordt vernietigd of van wie de verkiezingsrang wordt gewijzigd.

Als een vernietiging definitief geworden is, wordt binnen twintig dagen, vanaf de dag na de kennisgeving van de vernietiging aan de betrokken gemeente, tot een nieuwe verkiezing overgegaan op basis van de ontvankelijke voordrachtsakte voor de vernietigde verkiezing, ingediend conform artikel 10, § 1, en 14, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Ingeval van onvoldoende voordrachten is artikel 14, tweede lid, van het voormelde decreet, met behoud van artikel 13 van het voormelde decreet, van toepassing, met dien verstande dat de termijn van twintig dagen geldt.

Tot de installatie van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn kunnen alleen dringende zaken worden behandeld.

Een vernietiging of een herstel van de verkiezingsuitslag tast de geldigheid niet aan van de beslissingen van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn die genomen zijn voor de kennisgeving van de definitieve uitspraak.


[Afdeling 5.
Bepalingen die van toepassing zijn op het (ing. decr. 9 december 2016, art. 8, I: 24 april 2017)] [handhavingscollege (verv. Decr. 25 april 2014, art. 143, I: 1 maart 2018)]


Art. 31/1.

§ 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 100 euro.

 

§ 2. De verzoekende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.

 

De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het handhavingscollege, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.

 

Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende partij.

 

De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het derde lid.

 

Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het vierde lid, wordt de verzoekende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.

 

De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand.

 

§ 3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.

 

§ 4. De griffier brengt de verzoekende partij bij beveiligde zending op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht. De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in het derde lid.

 

Het bedrag wordt gestort binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid.

 

Als het bedrag niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is gestort door de verzoekende partij, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

 

De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.