Art. 21.

§ 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 200 euro.

Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 100 euro.

Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot tussenkomst, bedraagt 100 euro per vordering waarin een verzoek tot tussenkomst is ingediend, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 en § 2.

§ 2. De leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of het Agentschap Innoveren en Ondernemen, of bij hun afwezigheid hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, § 2, respectievelijk 5° tot en met 7°, van het -decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.

§ 3. De verzoekende partij of tussenkomende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.

De verzoekende partij of tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met het indienen van haar verzoekschrift.

In het geval van het ontbreken van de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, vraagt de griffier die op bij de verzoekende of tussenkomende partij. De griffier vraagt deze bewijsstukken evenwel niet op in het geval het een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 2, betreft.

De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het derde lid.

Bij het niet-tijdig bezorgen van de bewijsstukken, vermeld in het vierde lid, wordt de verzoekende of tussenkomende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.

De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 4. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekende partijen zijn.

Collectieve verzoekschriften tot tussenkomst geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn.

§ 5. De griffier brengt, bij een vordering tot vernietiging en een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1, de verzoekende partij of de tussenkomende partij schriftelijk op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht.De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in paragraaf 6.

De storting gebeurt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid.

Als het bedrag niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is gestort door de verzoekende partij, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Als het bedrag niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is gestort door de tussenkomende partij, wordt het verzoekschrift tot tussenkomst niet-ontvankelijk verklaard.

De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.

§ 6. Bij een vordering tot schorsing, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag.

Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht, vermeld in het eerste lid, wordt overgelegd op de zitting waarop de vordering, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt behandeld.

Als het rolrecht niet binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag na de betekening van de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag is betaald, is de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft, niet ontvankelijk.

Als de verzoekende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen, die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, § 2, en artikel 41, opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, § 13.

Als de tussenkomende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, kan ze geen voortzetting vragen van de rechtspleging.

De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.

§ 7. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die ten gronde in het gelijk wordt gesteld.

De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op gemotiveerde wijze, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt hij rekening met:
1° de financiėle draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
2° de complexiteit van de zaak;
3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.

Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt de Raad voor Vergunningsbetwistingen zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.

Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tussen de partijen verdeeld.

De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten.

Geen partij kan worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten, als de procedure, vermeld in artikel 42, leidt tot een bekrachtigd bemiddelingsakkoord.