Art. 31/1.

1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 100 euro.

2. De verzoekende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.

De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het handhavingscollege, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.

Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende partij.

De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het derde lid.

Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het vierde lid, wordt de verzoekende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.

De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand.

3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.

4. De griffier brengt de verzoekende partij bij beveiligde zending op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht. De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in het derde lid.

Het bedrag wordt gestort binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid.

Als het bedrag niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is gestort door de verzoekende partij, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.