Art. 38.

1. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1, a) en b), kan in het vernietigingsarrest, op verzoek van een partij, een dwangsom opleggen aan de verwerende partij, zolang die niet voldoet aan een bevel, gegeven met toepassing van artikel 37, ten voordele van de partij die om de oplegging van een dwangsom heeft verzocht.

De dwangsom kan niet worden verbeurd voor het arrest waarbij ze is vastgesteld, wordt betekend.

2. Een Vlaams bestuursrechtscollege kan de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding vaststellen. In de laatste twee gevallen kan een Vlaams bestuursrechtscollege eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.

3. De kamer die de dwangsom heeft opgelegd kan op vordering van de partij, aan wie een dwangsom is opgelegd, de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende een door haar te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de partij, aan wie een dwangsom is opgelegd, om aan het bevel gegeven met toepassing van artikel 37 te voldoen. Voor zover de dwangsom verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad, kan de kamer haar niet opheffen of verminderen.

De partij op wiens verzoek reeds een dwangsom werd opgelegd kan vragen om een bijkomende dwangsom op te leggen of om de opgelegde dwangsom te verhogen als de partij, aan wie een dwangsom is opgelegd, manifest in gebreke blijft uitvoering te geven aan het bevel, gegeven met toepassing van artikel 37.

4. De bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek die op het beslag en de tenuitvoerlegging betrekking hebben, zijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van het arrest waarbij een dwangsom is opgelegd.