Afdeling 3.
Bepalingen die van toepassing zijn op de Raad voor Vergunningsbetwistingen


Art. 40.

§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 14, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen van de bestreden beslissing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:

1° de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging;

2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.

 

§ 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:

1° de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing als vermeld in paragraaf 1;

2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.

 

In voorkomend geval kan deze schorsing, op verzoek, bij wijze van voorlopige maatregel worden bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.

 

§ 3. Het verzoekschrift, ingediend conform dit artikel, omschrijft de redenen op grond waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verzocht.

 

§ 4. Met behoud van de toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, wordt het schorsingsarrest, uitgesproken conform dit artikel, gewezen nadat de partijen zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen.

 

Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.

 

§ 5. De Raad voor Vergunningsbetwistingen houdt, bij een vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel, op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij rekening met de waarschijnlijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het algemeen belang, en hij kan besluiten de schorsing niet te bevelen als de nadelige gevolgen ervan op een klaarblijkelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.

 

§ 6. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering alleen worden ingediend als die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid ervan rechtvaardigen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing kan worden ingediend als het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.

 

§ 7. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, en een vordering tot vernietiging aanhangig worden gemaakt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en als de verzoeker, in de loop van de schorsingsprocedure, afstand doet van het door hem ingediende beroep of als de bestreden beslissing wordt ingetrokken, zodat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen in een en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over de vordering tot vernietiging.

 

§ 8. De schorsing bevolen met toepassing van dit artikel wordt onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.

 

§ 9. Een verzoekschrift tot schorsing dat met toepassing van de procedure vermeld in dit artikel wordt ingesteld buiten de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), kan geen middelen bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging.

 

§ 10. Een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, stuit de vervaltermijnen voor de indiening van de nota's in het kader van de vordering tot vernietiging vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot de dag na de betekening van het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. De griffier brengt de partijen daarvan onmiddellijk op de hoogte.

 

§ 11. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het administratieve dossier en hun nota's indienen. Die vervaltermijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen bij vorderingen die ingesteld zijn conform de procedure, vermeld in paragraaf 1.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van de vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel.

 

§ 12. Het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing beveelt, conform dit artikel, kan op verzoek van een partij een dwangsom opleggen aan een andere partij ten voordele van de partij die om de oplegging van de dwangsom heeft verzocht. In dat geval is artikel 38, § 2 tot en met § 4, van overeenkomstige toepassing.

 

§ 13. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, conform dit artikel, op verzoek van de partijen of op eigen initiatief opheffen.

 

De opheffing is alleen mogelijk als nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of als de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.

 

De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de opheffing van arresten, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de zittingen, vermeld in dit artikel.


Art. 41.

Als bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen conform artikel 40 een vordering tot schorsing of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig wordt gemaakt kan hij als enige, op verzoek, bij voorraad en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 40, § 1, § 2 en § 5, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.

Deze maatregelen worden, nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk zijn opgeroepen, bij een gemotiveerd arrest bevolen.

Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen verworpen.

Wanneer een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid van deze vordering rechtvaardigen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.

In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen voorlopige maatregelen worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen gehoord worden. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige maatregelen beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de handhaving van de maatregelen die niet zouden zijn uitgevoerd.

De maatregelen die bevolen zijn met toepassing van dit artikel worden onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 40, § 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.

Artikel 40, § 12 en § 13, zijn van overeenkomstige toepassing op de krachtens dit artikel uitgesproken arresten.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure met betrekking tot de in dit artikel bedoelde maatregelen.


Art. 42.

§ 1. Ter oplossing van een voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen gebrachte betwisting kan die op gezamenlijk verzoek van de partijen of op eigen initiatief maar met akkoord van de partijen met een tussenuitspraak tot bemiddeling beslissen zolang het beroep niet in beraad is genomen.

§ 2. Bij inwilliging van het verzoek tot bemiddeling zendt de griffier onmiddellijk een afschrift van het tussenarrest, vermeld in paragraaf 1, aan de partijen en aan de bemiddelaar.

De volgende personen kunnen door de Raad voor Vergunningsbetwistingen als bemiddelaar worden aangewezen: een personeelslid van de dienst van de Bestuursrechtscolleges derden die door de partijen gezamenlijk worden voorgesteld.

De bemiddelaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° hij heeft een grondige kennis van en nuttige ervaring in het betreffende domein van het Vlaamse recht betreffende de ruimtelijke ordening of van het Vlaamse milieurecht;
2° hij geeft blijk van een vorming die passend is voor de bemiddelingspraktijk;
3° hij biedt de noodzakelijke waarborgen voor een onafhankelijke en onpartijdige bemiddeling;
4° hij heeft geen strafrechtelijke veroordelingen of tuchtrechtelijke sancties opgelopen die onverenigbaar zijn met de uitoefening van de functie van bemiddelaar.

Tijdens de bemiddeling probeert de bemiddelaar een directe dialoog tot stand te brengen tussen de partijen en verleent hij ondersteuning voor een goed verloop van de dialoog. De bemiddeling verloopt volgens de volgende principes:
1° vrijwilligheid;
2° onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bemiddelaar;
3° vertrouwelijkheid.

De bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddeling betrekken.

§ 3. Als de bemiddeling tot een bemiddelingsakkoord leidt, kunnen de partijen of een van hen de Raad voor Vergunningsbetwistingen verzoeken dat akkoord te bekrachtigen.

Als het bemiddelingsakkoord wordt bekrachtigd, worden in afwijking van artikel 33, eerste lid, de kosten zoals vermeld in artikel 33, derde en vierde lid, gelijk verdeeld over de partijen, tenzij anders bepaald wordt in het bemiddelingsakkoord.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan de bekrachtiging alleen weigeren als het akkoord strijdig is met de openbare orde, de regelgeving of stedenbouwkundige voorschriften.

Bij het ontbreken van een bemiddelingsakkoord of als de Raad voor Vergunningsbetwistingen vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, wordt bij tussenarrest de voortzetting van de jurisdictionele procedure bevolen.

§ 4. Een verzoek tot bemiddeling schorst de proceduretermijnen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot:
1° de datum van bekrachtiging van het bemiddelingsakkoord, vermeld in paragraaf 3, eerste lid;
2° de dag na de betekening van het tussenarrest, vermeld in paragraaf 3, vierde lid.

§ 5. De Vlaamse Regering stelt de vormvereisten vast waaraan een verzoek tot bemiddeling moet voldoen, de mogelijkheid tot regularisatie van deze vereisten en de termijnen van de bemiddeling en alle aanvullende maatregelen betreffende de organisatie van de bemiddeling, alsook de kosten die voortvloeien uit de bemiddeling.


Art. 43.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan ambtshalve een geldboete opleggen wegens kennelijk onrechtmatig beroep.

De geldboete bedraagt minimaal 125 euro en maximaal 2500 euro, met dien verstande dat die bedragen door de Vlaamse Regering kunnen worden gewijzigd ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

De opbrengst van de geldboete wordt gestort op de rekening van het fonds voor de dienst van de bestuursrechtscolleges.

De Vlaamse Regering stelt de regels vast voor het opleggen en innen van de geldboete.