Art. 54.

§ 1. De effectieve bestuursrechters en de eerste voorzitter krijgen een gemotiveerde schriftelijke en beschrijvende evaluatie.

De evaluatie omvat geen einduitspraak, behalve als de evaluator oordeelt dat de geëvalueerde de uitspraak `onvoldoende' krijgt.

De evaluatie van de effectieve bestuursrechter vindt de eerste keer plaats binnen drie maanden na het verstrijken van één jaar na de eedaflegging en vervolgens binnen drie maanden na het verstrijken van de evaluatieperiode van drie jaar. Er kan vroegtijdig een nieuwe tussentijdse evaluatie gehouden worden als zich sedert de laatste evaluatie bijzondere negatieve feiten hebben voorgedaan of als bijzondere negatieve vaststellingen zijn gedaan.

De evaluatie van de eerste voorzitter vindt de eerste keer plaats binnen drie maanden na het verstrijken van een jaar na de eerste aanstelling en vervolgens binnen drie maanden na het verstrijken van de evaluatieperiode van drie jaar. Er kan vroegtijdig een nieuwe tussentijdse evaluatie gehouden worden als zich sedert de laatste evaluatie bijzondere negatieve feiten hebben voorgedaan of als bijzondere negatieve vaststellingen zijn gedaan.

§ 2. De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening en wordt gehouden op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten, met in begrip van de kwaliteit van de geleverde prestaties zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de bestuursrechter. De Vlaamse Regering stelt de evaluatiecriteria vast na het advies van de algemene vergadering te hebben gevraagd.

De eerste voorzitter evalueert de effectieve bestuursrechter. Het evaluatiecollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, evalueert de eerste voorzitter.