Afdeling 5.
Tuchtregeling en ordemaatregel


Art. 58.

Tegen een effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter die zijn ambtsplichten verzuimt of door zijn gedrag afbreuk doet aan de waardigheid van het ambt, kunnen de volgende tuchtstraffen worden uitgesproken:
1 blaam;
2 inhouding van salaris;
3 tuchtschorsing;
4 ontslag van ambtswege;
5 afzetting.

De inhouding van salaris wordt toegepast gedurende ten hoogste drie maanden en mag niet meer bedragen dan een vijfde van de nettobezoldiging.

De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden en kan aanleiding geven tot een inhouding van salaris die niet hoger mag liggen dan een vijfde van de nettobezoldiging.

Tijdens de tuchtschorsing bevindt de effectieve bestuursrechter zich in de administratieve toestand non-activiteit met behoud van salaris, met behoud van de toepassing van het eerste lid.

Het ontslag van ambtswege en de afzetting hebben het verlies van de hoedanigheid van bestuursrechter tot gevolg.


Art. 59.

De tuchtoverheid, die bevoegd is om een tuchtprocedure in te stellen en een van de tuchtstraffen, vermeld in artikel 58, eerste lid, op te leggen, is:

1 de eerste voorzitter ten aanzien van de effectieve bestuursrechters;

2 het tuchtcollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, ten aanzien van de eerste voorzitter.


Art. 60.

De effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter kunnen op straffe van verval binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van de uitgesproken tuchtstraf daartegen gemotiveerd beroep instellen bij de beroepscommissie.

De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie. De eerste voorzitter en de leden van het tuchtcollege die de tuchtstraf in eerste instantie hebben uitgesproken kunnen geen deel uitmaken van de beroepscommissie.


Art. 61.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de tuchtprocedure, waaronder ten minste de wijze waarop de tuchtprocedure wordt ingesteld en gevoerd, de wijze waarop beroep kan worden ingesteld en de beroepsprocedure wordt gevoerd, en de regels voor de doorhaling van de tuchtstraffen.


Art. 62.

Als de eerste voorzitter of een effectieve bestuursrechter wordt vervolgd wegens een misdaad of wanbedrijf of tuchtrechtelijk wordt vervolgd, kan hij in het belang van de dienst bij wijze van ordemaatregel uit zijn ambt worden geschorst voor de duur van de vervolging en tot de eindbeslissing is genomen.

De eerste voorzitter spreekt de schorsing van de effectieve bestuursrechter uit. Het tuchtcollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, spreekt de schorsing uit ten aanzien van de eerste voorzitter.

De effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter kunnen op straffe van verval binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van de ordemaatregel daartegen gemotiveerd beroep instellen bij de beroepscommissie.

De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie. De eerste voorzitter en de leden van het tuchtcollege die de schorsing in eerste instantie hebben uitgesproken kunnen geen deel uitmaken van de beroepscommissie.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de schorsing, waaronder ten minste de wijze waarop beroep kan worden ingesteld en de beroepsprocedure wordt gevoerd, alsook de gevolgen die verbonden zijn aan de schorsing.