Afdeling 2.3.6.
Beleidstaken


Art. 2.3.6.1.

§ 1.

Ter uitvoering van artikel 5, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid kan een vergunning tot lozing van bedrijfsafvalwater dat een of meer gevaarlijke stoffen bevat, alleen worden verleend met inachtneming van alle van de volgende voorwaarden:

de verontreiniging van de wateren door de prioritair gevaarlijke stoffen die als PGS aangemerkt zijn in de kolom “Europese context”, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1, wordt beëindigd overeenkomstig dit besluit;
de verontreiniging van de wateren door de andere gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, wordt verminderd overeenkomstig dit besluit;
de toepassing van dit besluit mag er in geen geval toe leiden dat de verontreiniging van de wateren direct of indirect toeneemt.

 

§ 2.

Ter vermindering van de verontreiniging van de wateren door de gevaarlijke stoffen, vermeld in paragraaf 1, worden maatregelen voorgesteld in de maatregelenprogramma’s conform artikel 64, 65 en 66, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

 

§ 3.

Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.1 en artikel 4.2.3.1, worden, ter uitvoering van de maatregelenprogramma’s, vermeld in artikel 64, 65 en 66 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op te leggen bijzondere lozingsvoorwaarden, berekend aan de hand van de vastgestelde milieukwaliteitsnormen. Dat gebeurt overeenkomstig de volgende uitgangsprincipes:

voor alle gevaarlijke stoffen is sanering aan de bron, progressieve vermindering en het halen van de milieukwaliteitsnormen het uitgangspunt. Als concrete debietsgegevens van het ontvangende oppervlaktewater ontbreken, kan met het oog op het halen van de milieukwaliteitsnormen, standaard de tienvoudige verdunning worden toegepast. Als nadere debietsgegevens beschikbaar zijn, kan deze tienvoudige verdunning bijgesteld worden. In geval van beperkte oppervlaktewaterdebieten is een lagere verdunningsfactor aangewezen zijn. Voor niet-persistente gevaarlijke stoffen kan in geval van grote ontvangende debieten en met behoud van een goede kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater, een grotere verdunning overwogen worden.
voor de stoffen aangeduid als “PGS” en “VS” in de laatste kolom van artikel 3 van bijlage 2.3.1 en andere stoffen die vanwege persistentie, bio-accumulatie en toxiciteit zorgwekkend zijn, is daarenboven het voorkomen of beëindigen van verontreiniging het uitgangspunt. Gelet op het persistente karakter en het risico van bio-accumulatie wordt elke vorm van verdunning vermeden.

          

Om de doelstellingen van de maatregelenprogramma’s te realiseren kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, naast lozingsvoorwaarden, ook beperkingen op het gebruik van gevaarlijke stoffen worden opgelegd, als die aanleiding zouden kunnen geven tot een rechtstreekse of onrechtstreekse lozing in het oppervlaktewater.


Art. 2.3.6.2.

Overeenkomstig de bepalingen van de Richtlijn 91/271/EEG:

- worden de controlegegevens met betrekking tot de naleving van de door dit reglement aan stedelijke waterzuiveringsinstallaties gestelde eisen bewaard en binnen 6 maanden na ontvangst van een verzoek daartoe door de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen ter beschikking gesteld van de EU-Commissie;
- wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen aan de EU-Commissie uiterlijk op 1 januari 1996 informatie verstrekt over het programma dat voor de tenuitvoerlegging van de Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater dient opgesteld.
- dient de Vlaamse Milieumaatschappij om de twee jaar een rapport te publiceren over de situatie inzake de afvoer van stedelijk afvalwater en slib in het Vlaamse Gewest. De in art. 32 septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap moet hiertoe aan de Vlaamse Milieumaatschappij de nodige informatie betreffende de afvoer van slib verstrekken. Deze rapporten worden beschikbaar gehouden voor overmaking aan de Commissie.
- stelt de Vlaamse Milieumaatschappij om de twee jaar het programma voor de behandeling van stedelijk afvalwater voor het Vlaamse Gewest op overeenkomstig de tabellen in Beschikking 93/481/EU. Deze informatie wordt conform artikel 17 van de richtlijn via de geëigende kanalen aan de Commissie ter beschikking gesteld telkens uiterlijk op 30 juni en het volgende programma uiterlijk op 30 juni 1996.
- moet de Vlaamse Milieumaatschappij het net voor het meten van de waterkwaliteit van de oppervlaktewateren permanent afstemmen op de lozingen van de zuiveringsinstallaties en op de rechtstreekse lozingen van bedrijven wanneer mag worden verwacht dat het ontvangende milieu significant zal worden beïnvloed, en dit indien het lozingen betreft van installaties die tenminste 4.000 i.e. vertegenwoordigen (onder rechtstreekse lozing wordt verstaan elke lozing die niet via openbare waterzuiveringssystemen in ontvangende wateren wordt geloosd).
- organiseert de Vlaamse Milieumaatschappij, indien het Vlaams Gewest in kennis wordt gesteld van een nadelige beïnvloeding van wateren die onder de jurisdictie van een Lidstaat van de EU of de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse Gewest vallen door lozingen van stedelijk afvalwater uit het Vlaamse Gewest, het nodige overleg om na te gaan om welke lozingen het gaat en welke maatregelen aan de bron moeten worden genomen om de getroffen wateren te beschermen.
- worden alle oppervlaktewateren van het Vlaamse Gewest overeenkomstig art. 5, lid 1 van Richtlijn 91/271/EEG aangeduid als "kwetsbaar gebied". In het Vlaamse Gewest worden geen "minder kwetsbare gebieden" als bedoeld in art. 6, lid 1 van dezelfde Richtlijn, aangewezen.
- wordt op het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest een minimumpercentage van de vermindering van de totale vracht voor de totaliteit van de openbare waterzuiveringsinstallaties vastgelegd van tenminste 75 % voor de totale fosfor en tenminste 75 % voor de totale stikstof.
- indien de in artikel 32septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap gebruik wenst te maken van de uitzonderingsbepaling opgenomen in voetnoot (5) bij bijlage 5.3.1.a. van titel II van het VLAREM, is deze vennootschap gelast op basis van een wetenschappelijke studie aan te tonen dat hiermee op jaarbasis hetzelfde beschermingsniveau wordt verkregen; in dit geval stelt de Vlaamse Milieumaatschappij, via de geëigende kanalen, de Commissie hiervan in kennis.

Art. 2.3.6.3.

§ 1.

Een opvangsysteem voor stedelijk afvalwater dient voorzien:

uiterlijk op 31 december 1998 voor agglomeraties met meer dan 10.000 inwonerequivalenten;
uiterlijk op 31 december 2005 voor agglomeraties met minder dan 10.000 inwonerequivalenten;

 

§ 2.

Wanneer de aanleg van de in § 1 bedoelde opvangsystemen niet verantwoord is omdat het vanuit milieuoogpunt geen voordeel zou opleveren of omdat het buitensporig duur zou zijn, moet gebruik worden gemaakt van afzonderlijke of andere passende systemen waarmee dezelfde graad van milieubescherming wordt bereikt;

 

§ 3.

De in § 1. bedoelde opvangsystemen moeten worden ontworpen, gebouwd, aangepast en onderhouden overeenkomstig de beste beschikbare technieken, met name ten aanzien van:

volume en eigenschappen van het stedelijk afvalwater;
voorkoming van lekkages;
beperking van verontreiniging van de ontvangende wateren door overstorting van hemelwater;

 

De Vlaamse minister kan op voorstel van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, vermeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het Integraal Waterbeleid, een Code van goede praktijk vaststellen voor het ontwerp en de aanleg van de openbare riolering.

 

§ 4.

De plaatsen voor lozing van stedelijk afvalwater moeten voor zover mogelijk zodanig worden gekozen dat het effect op de ontvangende oppervlaktewateren zo gering mogelijk is.


Art. 2.3.6.4.

De sanering van het collectief te optimaliseren buitengebied gebeurt door middel van een gescheiden stelsel en binnen de timing zoals die in het uitvoeringsplan is bepaald.

 

Bij aanleg en heraanleg van een openbare riolering, ongeacht het gebied, moet een gescheiden stelsel worden aangelegd, tenzij anders bepaald in het uitvoeringsplan.


Art. 2.3.6.5.

De overstromingsrisicobeheerdoelstellingen en de oppervlaktewatertekortbeheerdoelstellingen worden bepaald aan de hand van de criteria, vermeld in artikel 2 en 3 van bijlage 2.3.6, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de beoordeling van het overstromingsrisico en het watertekort wordt gebruikgemaakt van afwegingskaders als vermeld in artikel 4 van bijlage 2.3.6.