Art. 2.3.6.3.

§ 1.

Een opvangsysteem voor stedelijk afvalwater dient voorzien:

uiterlijk op 31 december 1998 voor agglomeraties met meer dan 10.000 inwonerequivalenten;
uiterlijk op 31 december 2005 voor agglomeraties met minder dan 10.000 inwonerequivalenten;

 

§ 2.

Wanneer de aanleg van de in § 1 bedoelde opvangsystemen niet verantwoord is omdat het vanuit milieuoogpunt geen voordeel zou opleveren of omdat het buitensporig duur zou zijn, moet gebruik worden gemaakt van afzonderlijke of andere passende systemen waarmee dezelfde graad van milieubescherming wordt bereikt;

 

§ 3.

De in § 1. bedoelde opvangsystemen moeten worden ontworpen, gebouwd, aangepast en onderhouden overeenkomstig de beste beschikbare technieken, met name ten aanzien van:

volume en eigenschappen van het stedelijk afvalwater;
voorkoming van lekkages;
beperking van verontreiniging van de ontvangende wateren door overstorting van hemelwater;

 

De Vlaamse minister kan op voorstel van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, vermeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het Integraal Waterbeleid, een Code van goede praktijk vaststellen voor het ontwerp en de aanleg van de openbare riolering.

 

§ 4.

De plaatsen voor lozing van stedelijk afvalwater moeten voor zover mogelijk zodanig worden gekozen dat het effect op de ontvangende oppervlaktewateren zo gering mogelijk is.