Hoofdstuk 2.4.
MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR BODEM EN GRONDWATER EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE


Art. 2.4.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld in uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer.


Afdeling 2.4.1.
Milieukwaliteitsnormen voor grondwater


Art. 2.4.1.1.

§ 1.

Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand.

 

§ 2.

Als milieukwaliteitsnormen voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwater gelden de minst strenge van de volgende richtwaarden:

1°  de grondwaterkwaliteitsnormen, vermeld in artikel 1 van bijlage 2.4.1.;  
2°  de achtergrondniveaus, eigen aan het grondwaterlichaam en niet beïnvloed door lozingen, vermeld in artikel 2 van bijlage 2.4.1. 

 

De Vlaamse Regering zal op gezette tijden en minstens bij de herziening van de stroomgebiedbeheerplannen de milieukwaliteitsnormen evalueren en in voorkomend geval aanpassen, zoals bepaald in artikel 2.2.3, §4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 3.

Drempelwaarden worden per grondwaterlichaam zodanig vastgesteld dat, als de meetresultaten in een representatief meetpunt de drempelwaarden overschrijden, dat wijst op een risico dat er niet is voldaan aan een of meer van de voorwaarden voor een goede chemische toestand van het grondwaterlichaam.

 

Als drempelwaarden gelden de richtwaarden, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.4.1.

 

§ 4.

De ligging en de grenzen van de grondwaterlichamen worden door de Vlaamse Regering vastgesteld, ter uitvoering van artikel 60 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

 

§ 5.

De achtergrondniveaus en drempelwaarden zullen worden gewijzigd als dat noodzakelijk is op basis van nieuwe informatie over verontreinigende stoffen, groepen van verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging, die voortvloeit uit de analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 60 van hetzelfde decreet, of uit de meetprogramma’s, vermeld in artikel 67 van voormelde decreet.

 

Voor de beschermde gebieden, vermeld in artikel 71 van hetzelfde decreet, kunnen strengere milieukwaliteitsnormen vastgesteld worden in de stroomgebiedbeheerplannen.

 

Er kan alleen van de milieukwaliteitsnormen worden afgeweken in de stroomgebiedbeheerplannen, overeenkomstig artikel 53, 54 en 56 van hetzelfde decreet.

 

§ 6.

De kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam wordt bepaald door de criteria, vermeld in artikel 4 van bijlage 2.4.1.

 

De Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu stelt nadere regels vast voor de beoordeling van die criteria, zodat bepaald kan worden wanneer een grondwaterlichaam zich in een goede kwantitatieve toestand bevindt.


Afdeling 2.4.2.
Milieukwaliteitsnormen voor bodem


Art. 2.4.2.1.

Als milieukwaliteitsnormen voor bodem gelden als streefwaarden de normen, opgenomen in bijlage 2.4.2.


Afdeling 2.4.3.
Beleidstaken


Behandeling van aanvragen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor handelingen die een indirecte lozing van gevaarlijke stoffen in het grondwater tot gevolg hebben of kunnen hebben.


Art. 2.4.3.1.

Handelingen, zoals bedoeld in de rubrieken 52.1.1.3°, 52.1.2. en 52.2.3°, kunnen slechts vergund worden indien uit een voorafgaand onderzoek blijkt dat alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze stoffen geen aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere eco-systemen.


Art. 2.4.3.2.

Een vergunning voor de indirecte lozing in grondwater van stoffen van lijst II van bijlage 2B kan enkel worden verleend mits alle vereiste voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat de lozing:

a) de gezondheid van de mens of de watervoorziening niet in gevaar kan brengen;
b) het leven en de eco-systemen in het water niet kan schaden;
c) een ander rechtmatig gebruik van het water niet kan hinderen.

Art. 2.4.3.3. De toepassing van de krachtens dit besluit genomen maatregelen mag in geen geval leiden tot directe of indirecte verontreiniging van het grondwater.

Art. 2.4.3.4.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor een indirecte lozing van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst II van bijlage 2B of voor een andere handeling die een indirecte lozing tot gevolg kan hebben als bedoeld in de rubrieken 52 en 2 van de indelingslijst, wordt, onverminderd de bepalingen van dit besluit, ten minste bepaald:

de plaats van de gebeurlijke lozing;
de lozingsmethode en - zo van toepassing - de voor de verwijdering gebruikte methode;
de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te lozen/verwijderen materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu, alsmede met de nabijheid van waterwingebieden en beschermingszones, vooral voor drink-, thermaal- en mineraalwater;
de maximaal toelaatbare hoeveelheid van een bepaalde stof in de te lozen/verwijderen materie gedurende één of meer vastgestelde periodes en passende voorwaarden voor de concentratie van deze stof; hierbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de milieukwaliteitsnormen, vastgesteld in de afdelingen 2.4.1. en 2.4.2.;
de technische voorzorgsmaatregelen die moeten getroffen worden om elke lozing van stoffen van lijst I te verhinderen of verontreiniging van het grondwater door lozing van stoffen van lijst II te voorkomen;
indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd.

Art. 2.4.3.5.

Overeenkomstig de Richtlijn 80/68/EEG:

wordt een inventaris bijgehouden van de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verleend overeenkomstig art. 2.4.3.2.;
worden, in geval overwogen wordt een handeling toe te laten die een lozing in grensoverschrijdend grondwater zou kunnen meebrengen, vóór de afgifte van de desbetreffende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit via de geëigende kanalen de andere betrokken buurlanden en -gewesten hiervan op de hoogte gebracht; op verzoek van deze buurlanden vindt vóór de afgifte van de desbetreffende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit via de geëigende kanalen overleg met deze betrokken buurlanden en -gewesten plaats; de EU-Commissie kan aan dit overleg deelnemen;
worden aan de EU-Commissie op haar verzoek via de geëigende kanalen alle nodige inlichtingen voor de toepassing van voormelde Richtlijn verstrekt, inzonderheid:
a) de resultaten van de in artikel 2.4.3.1. bedoelde voorafgaande onderzoeken;
b) de bijzonderheden inzake de verleende omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
c) de resultaten van toezicht en controle;
d) de gegevens van de sub 1° van deze paragraaf bedoelde inventaris.
de verschillende taken, omschreven in dit artikel, worden waargenomen door het Departement.