Art. 2.4.1.1.

§ 1.

Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand.

 

§ 2.

Als milieukwaliteitsnormen voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwater gelden de minst strenge van de volgende richtwaarden:

1°  de grondwaterkwaliteitsnormen, vermeld in artikel 1 van bijlage 2.4.1.;  
2°  de achtergrondniveaus, eigen aan het grondwaterlichaam en niet beļnvloed door lozingen, vermeld in artikel 2 van bijlage 2.4.1. 

 

De Vlaamse Regering zal op gezette tijden en minstens bij de herziening van de stroomgebiedbeheerplannen de milieukwaliteitsnormen evalueren en in voorkomend geval aanpassen, zoals bepaald in artikel 2.2.3, §4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 3.

Drempelwaarden worden per grondwaterlichaam zodanig vastgesteld dat, als de meetresultaten in een representatief meetpunt de drempelwaarden overschrijden, dat wijst op een risico dat er niet is voldaan aan een of meer van de voorwaarden voor een goede chemische toestand van het grondwaterlichaam.

 

Als drempelwaarden gelden de richtwaarden, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.4.1.

 

§ 4.

De ligging en de grenzen van de grondwaterlichamen worden door de Vlaamse Regering vastgesteld, ter uitvoering van artikel 60 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

 

§ 5.

De achtergrondniveaus en drempelwaarden zullen worden gewijzigd als dat noodzakelijk is op basis van nieuwe informatie over verontreinigende stoffen, groepen van verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging, die voortvloeit uit de analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 60 van hetzelfde decreet, of uit de meetprogramma’s, vermeld in artikel 67 van voormelde decreet.

 

Voor de beschermde gebieden, vermeld in artikel 71 van hetzelfde decreet, kunnen strengere milieukwaliteitsnormen vastgesteld worden in de stroomgebiedbeheerplannen.

 

Er kan alleen van de milieukwaliteitsnormen worden afgeweken in de stroomgebiedbeheerplannen, overeenkomstig artikel 53, 54 en 56 van hetzelfde decreet.

 

§ 6.

De kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam wordt bepaald door de criteria, vermeld in artikel 4 van bijlage 2.4.1.

 

De Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu stelt nadere regels vast voor de beoordeling van die criteria, zodat bepaald kan worden wanneer een grondwaterlichaam zich in een goede kwantitatieve toestand bevindt.