Art. II.64/2.

1. De overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, 1, onderzoekt of de aanvraag ingewilligd kan worden conform de bepalingen van dit hoofdstuk.

De aanvraag wordt zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen met een brief, met een e-mail of, in voorkomend geval, met een webformulier beantwoord.

Bij de kennisgeving van de beslissing wordt vermeld dat beroep kan worden ingesteld bij de beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90, binnen de termijn, vemeld in artikel II.69, 2.

2. Als de aanvraag kennelijk onredelijk is als vermeld in artikel II.64/1, of op een te algemene wijze geformuleerd is, begint een nieuwe termijn van twintig kalenderdagen te lopen vanaf het moment dat de aanvrager zijn aanvraag gespecificeerd of vervolledigd heeft.

3. Als de overheidsinstantie oordeelt dat ze de aanvraag moeilijk tijdig kan toetsen aan de uitzonderingen, deelt ze mee aan de aanvrager dat de termijn van twintig kalenderdagen, vermeld in 1, tweede lid, verlengd wordt tot een termijn van veertig kalenderdagen.

De verlengingsbeslissing, vermeld in het eerste lid, vermeldt de reden of de redenen voor het uitstel.