Onderafdeling 2.5.2.2.
Beoordeling van de luchtkwaliteit


Art. 2.5.2.2.1.

§ 1

Voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide gelden de bovenste en onderste beoordelingsdrempels, vermeld in bijlage 2.5.3.2, deel A.

 

Elke zone en agglomeratie wordt op basis van die beoordelingsdrempels ingedeeld.

 

§ 2

De indeling, vermeld in paragraaf 1, wordt ten minste om de vijf jaar opnieuw bekeken volgens de procedure, vermeld in bijlage 2.5.3.2, deel B.

 

De indeling wordt frequenter opnieuw bekeken als er aanzienlijke veranderingen optreden in de activiteiten die relevant zijn voor de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide of, indien van toepassing, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen of koolmonoxide.


Art. 2.5.2.2.2.

§ 1.

De Vlaamse Milieumaatschappij beoordeelt in al de zones en agglomeraties de luchtkwaliteit voor de verontreinigende stoffen, vermeld in artikel 2.5.2.2.1, overeenkomstig de criteria, vermeld in paragraaf 2, 3 en 4, en overeenkomstig de criteria opgenomen in bijlage 2.5.3.3.

 

§ 2.

In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de verontreinigende stoffen, vermeld in paragraaf 1, de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel overschrijdt, worden vaste metingen gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit. Die vaste metingen kunnen worden aangevuld met modelleringstechnieken of indicatieve metingen om adequate informatie over de ruimtelijke spreiding van de luchtkwaliteit te verkrijgen.

 

§ 3.

In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de verontreinigende stoffen, vermeld in paragraaf 1, lager is dan de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel, mag een combinatie van vaste metingen en modelleringstechnieken of indicatieve metingen worden gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit.

 

§ 4.

In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de verontreinigende stoffen, vermeld in paragraaf 1, lager is dan de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde onderste beoordelingsdrempel, volstaan modelleringstechnieken of objectieve ramingstechnieken, of allebei ter beoordeling van de luchtkwaliteit.

 

§ 5.

Naast de beoordelingen, vermeld in paragraaf 2, 3 en 4, worden metingen uitgevoerd op achtergrondlocaties op het platteland, die zich op een zekere afstand van belangrijke bronnen van luchtverontreiniging bevinden. Die metingen leveren ten minste gegevens op over de totale massaconcentratie en de concentraties van de chemische samenstellingen van fijne zwevende deeltjes (PM2,5) in termen van het jaargemiddelde, en ze worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende criteria :

er wordt per 100.000 km2 een bemonsteringspunt opgericht;
2°  er is ten minste één meetstation of er mogen, bij onderlinge afspraak met aangrenzende landen, één of meer gemeenschappelijke meetstations opgericht worden die de relevante naburige zones bestrijken, om de vereiste ruimtelijke resolutie te garanderen;
indien van toepassing, wordt de bewaking gecoördineerd met de bewakingsstrategie en het meetprogramma van het Samenwerkingsprogramma voor de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP);
deel A en C van bijlage 2.5.3.1 zijn van toepassing op de gegevenskwaliteitsdoelstellingen voor metingen van massaconcentraties van zwevende deeltjes, en bijlage 2.5.3.4 is in haar geheel van toepassing.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij informeert via de geëigende kanalen de Europese Commissie over de meetmethoden die worden gebruikt om de chemische samenstelling van fijne zwevende deeltjes (PM2,5) te meten. 


Art. 2.5.2.2.3.

§ 1.

De plaats van de bemonsteringspunten voor de meting van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht wordt bepaald overeenkomstig de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.3.

 

§ 2.

In elke zone of agglomeratie waar vaste metingen de enige gegevensbron zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor elke verontreinigende stof in kwestie niet kleiner zijn dan het minimumaantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.5, deel A.

 

§ 3.

In zones en agglomeraties waar de gegevens van bemonsteringspunten voor vaste metingen worden aangevuld met door modellering of indicatieve metingen verkregen gegevens, mag het totale aantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.5, deel A, met ten hoogste 50 % worden verminderd, als aan de volgende voorwaarden is voldaan :

de aanvullende methoden leveren voldoende gegevens op ter beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van grenswaarden of alarmdrempels, alsook adequate gegevens voor de bevolking;
2°   het aantal op te richten bemonsteringspunten en de ruimtelijke resolutie van de andere technieken volstaan om de concentratie van de verontreinigende stof in kwestie vast te stellen overeenkomstig de gegevenskwaliteitsdoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel A, en maken beoordelingsresultaten mogelijk die voldoen aan de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel B.

 

De resultaten van modellering of indicatieve metingen worden in aanmerking genomen bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten opzichte van de grenswaarden.


Art. 2.5.2.2.4.

De referentiemeetmethoden en -criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.6, delen A en C, worden toegepast. Onder de voorwaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.6, deel B, mogen andere meetmethoden worden gebruikt.


Art. 2.5.2.2.5.

Als, in een zone of agglomeratie de ozonconcentraties tijdens één van de laatste vijf jaar van meting de langetermijndoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.7, deel C, hebben overschreden, worden vaste metingen uitgevoerd.

 

Als er geen gegevens beschikbaar zijn over de laatste vijf jaar, of als daarover slechts gedeeltelijk gegevens beschikbaar zijn, kan de VMM ter beantwoording van de vraag of de langetermijndoelstellingen, vermeld in lid 1, gedurende die vijf jaar zijn overschreden, de resultaten van meetcampagnes van korte duur die zijn uitgevoerd op tijden en plaatsen waar de niveaus naar alle waarschijnlijkheid het hoogst waren, combineren met de gegevens uit emissie-inventarissen en modellering.


Art. 2.5.2.2.6.

§ 1.

De plaats van de bemonsteringspunten voor ozonmetingen wordt bepaald overeenkomstig de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.8.

 

§ 2.

In zones of agglomeraties waar metingen de enige bron van gegevens zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen van ozon niet kleiner zijn dan het minimumaantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.9, deel A.

 

§ 3.

In zones en agglomeraties waar de gegevens van bemonsteringspunten voor vaste metingen worden aangevuld met door modellering of indicatieve metingen verkregen gegevens, mag het aantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.9, deel A, evenwel worden verminderd, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :

de aanvullende methoden leveren voldoende gegevens op voor het beoordelen van de luchtkwaliteit ten aanzien van streefwaarden, langetermijndoelstellingen en informatie- en alarmdrempels;
het aantal op te richten bemonsteringspunten en de ruimtelijke resolutie van de andere technieken volstaan om de ozonconcentratie vast te stellen overeenkomstig de gegevenskwaliteitsdoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel A, en maken beoordelingsresultaten mogelijk die voldoen aan de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel B;
in elke zone of agglomeratie is er ten minste één bemonsteringspunt per twee miljoen inwoners, of ten minste één bemonsteringspunt per 50.000 km2 als dat criterium een groter aantal bemonsteringspunten oplevert. In elke zone of agglomeratie bevindt zich ten minste één bemonsteringspunt;
stikstofdioxide wordt gemeten op alle resterende bemonsteringspunten, uitgezonderd de meetstations voor de bepaling van de plattelandsachtergrondwaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.8, deel A.

 

De resultaten van modellering of indicatieve metingen worden in aanmerking genomen bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van de streefwaarden.

 

§ 4.

Stikstofdioxide wordt gemeten op ten minste 50% van de overeenkomstig bijlage 2.5.3.9, deel A, vereiste bemonsteringspunten voor ozon. De meting van stikstofdioxide wordt continu verricht, behalve in de meetstations voor de bepaling van de plattelandsachtergrondwaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.8, deel A, waar andere meetmethoden kunnen worden gebruikt.

 

§ 5.

In zones en agglomeraties waar de concentraties in elk van de laatste vijf jaar van meting beneden de langetermijndoelstellingen lagen, wordt het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen bepaald overeenkomstig de bepalingen van bijlage 2.5.3.9, deel B.

 

§ 6.

Er wordt ten minste één bemonsteringspunt opgericht en gebruikt om gegevens te verkrijgen over de concentraties van de ozonprecursoren, vermeld in bijlage 2.5.3.10. Het aantal en de plaats van de stations waar de ozonprecursoren worden gemeten, worden bepaald rekening houdend met de doelstellingen en methoden, vermeld in bijlage 2.5.3.10.


Art. 2.5.2.2.7.

De referentiemethode voor de meting van ozon, vermeld in bijlage 2.5.3.6, deel A, punt 8, wordt toegepast. Onder de voorwaarden vermeld in bijlage 2.5.3.6, deel B, mogen andere meetmethoden worden gebruikt.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt, via de geëigende kanalen, de Europese Commissie in kennis van de methoden die worden gehanteerd voor de bemonstering en de meting van vluchtige organische stoffen, vermeld de bijlage 2.5.3.10.