Deel 3.
TOEPASSINGSGEBIED VAN EN OVERGANGSBEPALINGEN VOOR DE MILIEUVOORWAARDEN VOOR INGEDEELDE INRICHTINGEN; HET OPLEGGEN VAN BIJZONDERE VERGUNNINGSVOORWAARDEN


Hoofdstuk 3.1.
TOEPASSINGSGEBIED


Art. 3.1.1.

§ 1.

De bepalingen van de delen 3, 4 en 5 van dit besluit zijn getroffen ter uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, titel III of titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Ze zijn van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 2.

Voor nieuwe inrichtingen gelden ze onmiddellijk. Ze gelden eveneens onmiddellijk voor:

 

- inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de exploitatie niet meer vergund is en waarvoor voor het verstrijken van de vergunningstermijn geen aanvraag tot hervergunning is ingediend of melding is gebeurd,
- inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de exploitatie na uitputting van de beroepsmiddelen definitief geweigerd werd.

 

 

§ 3.

Voor bestaande inrichtingen en veranderingen aan bestaande inrichtingen gelden ze overeenkomstig de overgangsbepalingen in Hoofdstuk 3.2. van dit deel, of overeenkomstig de daarvan afwijkende bepalingen in de delen 4 en 5 van dit besluit.

 

§ 4.

Voor nieuwe inrichtingen die op datum van inwerkingtreden van dit besluit regelmatig vergund dan wel gemeld zijn, gelden ze eveneens overeenkomstig de in § 3 bedoelde overgangsbepalingen, maar enkel voor wat die voorwaarden betreft die strenger zijn dan de voorwaarden die op datum van inwerkingtreden van dit besluit reeds van toepassing waren op hun uitbating.

 

§ 5.

Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een nieuwe inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning.

 

De inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de indelingslijst of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, gelden evenmin voor elke nieuwe verandering van de vergunde of gemelde nieuwe inrichting die beperkt is tot maximaal 100% van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten.

 

De inplantingsregels die voor gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen van toepassing of strenger worden louter door de inwerkingtreding van dit besluit die betrekking hebben op de aanpassing aan de CLP-verordening, zijn niet van toepassing op bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen, als vermeld in artikel 3.2.3.1. Deze inplantingsregels zijn ook niet van toepassing bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Hoofdstuk 3.2.
OVERGANGSBEPALINGEN


Afdeling 3.2.1.
Overgangsbepalingen voor bestaande inrichtingen


Art. 3.2.1.1.

Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een bestaande inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning.


Art. 3.2.1.2.

§ 1.

Behoudens afwijking in de desbetreffende bepalingen van dit besluit moeten bestaande inrichtingen voldoen aan alle voorwaarden, opgelegd in de voor die inrichting lopende omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

De voorwaarden uit lopende vergunningen die strenger zijn dan de voorschriften van dit besluit blijven onverminderd van kracht voor de duur van de lopende vergunning. De bevoegde vergunningverlenende overheid kan deze bestaande voorwaarden evenwel wijzigen, ondermeer door ze op verzoek van de exploitant aan te passen aan de voorwaarden van dit besluit.

 

§ 3.

Zijn (bepaalde) voorwaarden uit lopende vergunningen minder streng dan de voorschriften van dit besluit, dan dienen de strengere voorschriften van dit besluit, en de eventuele bijkomende voorschriften ervan, nageleefd met ingang van 1 januari 1996 behalve voor de hierna bepaalde voorschriften, die van toepassing zijn vanaf:

  1. [...]
  2. 1 januari 1999 voor de door dit besluit voor nieuwe inrichtingen voorgeschreven emissie- of constructienormen, andere dan onder a vermelde, wanneer geen specifieke regelingen voor bestaande inrichtingen zijn vastgesteld;
  3. 1 januari 1997 voor de door dit besluit voor bestaande inrichtingen voorgeschreven specifieke emissiegrenswaarden; deze voor bestaande inrichtingen geldende normen blijven van toepassing, tot de desbetreffende inrichting door een nieuwe wordt vervangen, ongeacht eventuele tussentijdse hernieuwing van de vergunning maar onverminderd de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om de vergunningsvoorwaarden te wijzigen;

 

§ 4.

In afwijking op de voorgaande paragrafen worden alle bepalingen in de lopende vergunningen met betrekking tot emissiejaarverslagen, meetstrategieën en meetfrequenties onmiddellijk vervangen door de bepalingen van dit besluit.

 

§ 5.

De bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de meldingsplichtige inrichtingen.


Afdeling 3.2.2.
Veranderingen aan bestaande inrichtingen


Art. 3.2.2.1.

 

Met behoud van de afwijkende regeling inzake toepassing van de inplantingsregels, vermeld in artikel 3.2.1.1 en 3.2.2.2, gelden de overgangsbepalingen voor bestaande inrichtingen, vermeld in afdeling 3.2.1, niet voor onderdelen van een inrichting die na 1 januari 1993 bij een bestaande inrichting werden of worden gevoegd, ongeacht de grootte ervan.

 


Art. 3.2.2.2.

De inplantingsregels zijn niet van toepassing op de verandering van een bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100% van de exploitatie die op 1 januari 1993 was toegelaten.

 

In afwijking van het eerste lid gelden de inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de indelingslijst of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, evenmin voor de verandering van de bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100% van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten.


Afdeling 3.2.3.
Overgangsbepalingen voor bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen


Art. 3.2.3.1.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen verstaan deze:

die op 1 juni 2015 voor de betrokken gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen was vergund, of waarvoor voor 1 juni 2015 een milieuvergunningsaanvraag of mededeling kleine verandering voor de betrokken gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen is ingediend; of
opslag die op 1 juni 2015 voor de betrokken gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen in bedrijf is gesteld en waarvoor de melding is gebeurd voor 1 juni 2015, wanneer het in de derde klasse ingedeelde inrichtingen voor de betrokken opslag gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen betreft; of
opslag van gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen die op 1 juni 2015 aanwezig was en die vergunnings- of meldingsplichtig wordt overeenkomstig rubriek 6.4 of rubriek 17 zoals van toepassing vanaf 1 juni 2015.

Art. 3.2.3.2.

De lopende voorwaarden met toepassing van hoofdstuk 3.3 opgelegd aan de bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen die strenger zijn dan dit besluit die betrekking hebben op de aanpassing aan de CLP-verordening, blijven onverminderd van kracht voor de duur waarvoor ze gelden.


Art. 3.2.3.3.

Behoudens afwijking in de desbetreffende bepalingen, wordt wanneer (bepaalde) lopende voorwaarden, als vermeld in artikel 3.2.3.2 minder streng zijn dan dit besluit die betrekking hebben op de aanpassing aan de CLP-verordening, bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen vanaf 1 juni 2016 aan deze strengere voorschriften en eventuele bijkomende voorschriften voldaan, behalve voor de hierna bepaalde voorschriften die vanaf 1 juni 2018 van toepassing zijn: artikel 4.1.7.1, 4.1.7.2, §§1 en 2, 5.5.1.6, §1, 5.6.1.1.4, §§§§3, 4, 5 en 6, 5.6.1.1.10, 5.6.1.3.6, §§§§3, 4, 5, 6, 5.6.1.3.7, 5.6.1.3.8, 5.7.1.3, §3, 5.7.1.4, §1, 5.17.3.3.2, 5.17.3.3.3, 5.17.4.1.6, 5.17.4.1.7, §1, 5.17.4.1.12, 5.17.4.1.16, 5.17.4.3.6, 5.17.4.3.7 en 5.17.4.3.8;


Art. 3.2.3.4.

De afwijkingen die voor 1 juni 2015 zijn toegestaan en die betrekking hebben op de bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen, blijven tot het einde van de vergunningstermijn van toepassing overeenkomstig de voorwaarden in de afwijkingsbesluiten.

 

Deze besluiten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Hoofdstuk 3.3.
Bijzondere milieuvoorwaarden


Art. 3.3.0.1.

De bijzondere milieuvoorwaarden bestaan uit een coherent geheel van voorschriften, maatregelen en verplichtingen om de hinder en de risico’s afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voor de mens en het milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

 

Als dat noodzakelijk is, of, in voorkomend geval, ter uitvoering van Europese verplichtingen worden in de meldingsakte en in de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6° respectievelijk 7°, van het decreet van 25 april 2014, bijzondere milieuvoorwaarden bepaald ter voorkoming en bestrijding van:

hinder en risico’s als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;
risico’s op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
hinder en risico’s door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
mobiliteitshinder.

Art. 3.3.0.2.

De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 3.3.0.1, kunnen onder meer voorzien in:

bepalingen waardoor er geen vermijdbare schade aan het milieu kan ontstaan en, als die schade toch zou ontstaan, de eisen waardoor de schade op kosten van de exploitant ongedaan kan worden gemaakt;
de emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen als vermeld in bijlage 1.1.2 en voor andere verontreinigende stoffen die in significante hoeveelheden uit de installatie in kwestie kunnen vrijkomen, gelet op de aard en het potentieel ervan voor de overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten;
de uitdrukkelijk berekende emissiegrenswaarden voor lucht en water die specifiek gelden voor de meeverbranding van afvalstoffen;
de bepalingen voor de monitoring en het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;
de bepalingen om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3°, en aan BBT, vastgesteld conform de criteria, vermeld in bijlage 3.3;
bepalingen over het regelmatige onderhoud en bewaken van maatregelen die worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater;
bepalingen die noodzakelijk zijn bij andere bedrijfsomstandigheden dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals het opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging;
bepalingen over de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van grensoverschrijdende verontreiniging;

bepalingen over de controle en beoordeling van de naleving van de milieuvoorwaarden, inclusief de emissiegrenswaarden.

Als die bepalingen moeten voorzien in monitoring van de emissies, worden de meetmethode, de meetfrequentie en de procedure voor de evaluatie van de metingen vermeld;

10° een lijst van de afvalcategorieën die mogen worden verwerkt. Die lijst omvat de totale hoeveelheid en, als dat mogelijk en nuttig is, de hoeveelheid per afvalcategorie. Als dat mogelijk is, worden die afvalcategorieën bijkomend opgelijst conform het onderscheid vermeld in bijlage 2.1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zonder dat er aan die oplijsting rechtsgevolgen verbonden zijn;  
11°
 
bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie:  
a) bepalingen over de bemonsterings- en meetprocedures en over de bemonsterings- en meetfrequenties die worden gehanteerd om te voldoen aan de gestelde voorwaarden voor de monitoring van emissies; 
b) een vermelding van de totale afvalverbrandings- of meeverbrandingscapaciteit van de installatie; 
c) bepalingen over de pH, de temperatuur en het debiet van het geloosde afvalwater; 
d) de maximaal toelaatbare duur van technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen of defecten aan de reinigingsapparatuur of de meetapparatuur waarin de emissies in de lucht en de lozingen van afvalwater de vastgestelde emissiegrenswaarden mogen overschrijden; 
12°
  
bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand: 
a) een specificatie van de minimale en de maximale toevoer van die gevaarlijke afvalstoffen; 
b) de laagste en de hoogste calorische waarde van die gevaarlijke afvalstoffen; 
c) de maximumgehalten aan pcb’s, pcp, chloor, fluor, zwavel, zware metalen en andere verontreinigende stoffen in de afvalstoffen; 
d) een lijst van de hoeveelheden van de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen die mogen worden verwerkt;
13° een bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 5, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

Art. 3.3.0.3.

Voor de toepassing van artikel 3.3.0.1 en 3.3.0.2 gelden bijkomend de volgende bepalingen:

als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de bevoegde overheid geen emissiegrenswaarden opleggen voor de emissie van BKG-emissies, tenzij dat noodzakelijk is om te verzekeren dat er geen significante plaatselijke verontreiniging wordt veroorzaakt;
de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.3.0.2, 2°, kunnen, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen die een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen.

Met behoud van de toepassing van punt 3° van dit artikel zijn de emissiegrenswaarden, de gelijkwaardige parameters of de gelijkwaardige technische maatregelen, vermeld in het eerste lid, gebaseerd op BBT, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven;

als met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan de voorwaarden die door de toepassing van BBT haalbaar zijn, met behoud van de toepassing van alle andere maatregelen die getroffen kunnen worden om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, worden in de vergunning extra bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd;
met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen strengere bijzondere milieuvoorwaarden in de vergunning worden opgelegd dan de voorwaarden die haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT.

 

De strengere bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, kunnen, in bijzondere omstandigheden, worden vastgesteld op grond van de noodzaak:

van de bescherming van de mens en het milieu als er voor bepaalde emissies geen milieukwaliteitsnorm bepaald is. In voorkomend geval moet daarbij onder meer rekening worden gehouden met de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie van de betrokken stoffen in het milieu waarin ze worden geëmitteerd;
van het voorkomen van schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens en het milieu aanzienlijk beïnvloeden;
om in functie van de specifieke lokale omstandigheden een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu te waarborgen;
om in functie van de specifieke lokale omstandigheden de hinder voor de mens en het milieu te beperken tot een aanvaardbaar niveau;
om de Europese verordeningen op het vlak van milieukwaliteitsbeheer te behalen;
om de doelstellingen die opgenomen zijn in goedgekeurde Vlaamse beleidsplannen, actieplannen en reductieprogramma’s te behalen;
om de doelstellingen die opgenomen zijn in geratificeerde internationale verdragen te behalen.

 

Bij de vaststelling van de strengere bijzondere milieuvoorwaarden wordt rekening gehouden met de volgende aspecten:

de ligging en de gebiedsbestemming van het bedrijf en de omgeving;
de technische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
de economische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
de praktische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
de efficiëntie en de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen;
de handhaafbaarheid van de voorgestelde maatregelen.