Art. 3.2.1.2.

§ 1.

Behoudens afwijking in de desbetreffende bepalingen van dit besluit moeten bestaande inrichtingen voldoen aan alle voorwaarden, opgelegd in de voor die inrichting lopende omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

De voorwaarden uit lopende vergunningen die strenger zijn dan de voorschriften van dit besluit blijven onverminderd van kracht voor de duur van de lopende vergunning. De bevoegde vergunningverlenende overheid kan deze bestaande voorwaarden evenwel wijzigen, ondermeer door ze op verzoek van de exploitant aan te passen aan de voorwaarden van dit besluit.

 

§ 3.

Zijn (bepaalde) voorwaarden uit lopende vergunningen minder streng dan de voorschriften van dit besluit, dan dienen de strengere voorschriften van dit besluit, en de eventuele bijkomende voorschriften ervan, nageleefd met ingang van 1 januari 1996 behalve voor de hierna bepaalde voorschriften, die van toepassing zijn vanaf:

  1. [...]
  2. 1 januari 1999 voor de door dit besluit voor nieuwe inrichtingen voorgeschreven emissie- of constructienormen, andere dan onder a vermelde, wanneer geen specifieke regelingen voor bestaande inrichtingen zijn vastgesteld;
  3. 1 januari 1997 voor de door dit besluit voor bestaande inrichtingen voorgeschreven specifieke emissiegrenswaarden; deze voor bestaande inrichtingen geldende normen blijven van toepassing, tot de desbetreffende inrichting door een nieuwe wordt vervangen, ongeacht eventuele tussentijdse hernieuwing van de vergunning maar onverminderd de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om de vergunningsvoorwaarden te wijzigen;

 

§ 4.

In afwijking op de voorgaande paragrafen worden alle bepalingen in de lopende vergunningen met betrekking tot emissiejaarverslagen, meetstrategieėn en meetfrequenties onmiddellijk vervangen door de bepalingen van dit besluit.

 

§ 5.

De bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de meldingsplichtige inrichtingen.