Deel 4.
ALGEMENE MILIEUVOORWAARDEN VOOR INGEDEELDE INRICHTINGEN


Hoofdstuk 4.1.
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN


Art. 4.1.0.1. De bepalingen van dit deel gelden voor de volledige milieutechnische eenheid.

Afdeling 4.1.1.
Algemeen inplantingsvoorschrift voor inrichtingen van derde klasse


Art. 4.1.1.1.

Behoudens afwijkende bepaling in de desbetreffende hoofdstukken is de exploitatie van een in de derde klasse ingedeelde inrichting slechts toegestaan in zoverre de inplantingsplaats verenigbaar is met de algemene en aanvullende stedebouwkundige voorschriften zoals vastgesteld in het goedgekeurde gewestplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan of in een ander plan van aanleg.

Deze bepaling is niet van toepassing op de inrichtingen van derde klasse die deel uitmaken van een inrichting van eerste of tweede klasse.


Afdeling 4.1.2.
Beste Beschikbare Technieken (BBT)


Art. 4.1.2.1.

§ 1.

De exploitant moet als normaal zorgvuldig persoon steeds de beste beschikbare technieken toepassen ter bescherming van mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van behandelingsmethodes op het niveau van de emissies, als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen (aangepaste produktietechnieken en -methoden, grondstoffenbeheersing, energie en dergelijke meer). Bij de bepaling van de BBT moeten de criteria van bijlage 3.3 in aanmerking worden genomen. Deze verplichting geldt eveneens voor wijzigingen aan ingedeelde inrichtingen, alsook voor activiteiten die op zichzelf niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn.

 

§ 2.

De naleving van de voorwaarden in dit besluit en/of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt geacht overeen te stemmen met de verplichting uit § 1.


Afdeling 4.1.3.
Hygiëne en hinderbeheersing


Art. 4.1.3.1.

De ingedeelde inrichting of activiteit wordt zindelijk gehouden.

 

Telkens als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, worden doeltreffende maatregelen genomen om ongedierte te bestrijden.

 

De ingedeelde inrichting of activiteit verkeert altijd in een goede staat van onderhoud. Elk gebrek dat de bescherming van mens en milieu in het gedrang brengt, wordt onmiddellijk verholpen.


Art. 4.1.3.2.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.2.1. treft de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer.


Art. 4.1.3.3. Bij hinder moet de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen treffen om die toestand te verhelpen.

Art. 4.1.3.4. [...]

Afdeling 4.1.4.
Meet- en registratieverplichtingen


Art. 4.1.4.1.

§ 1.

De exploitant brengt, zo nodig in overleg met de toezichthouder, alle door dit reglement of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde meet-, monstername- en registratievoorzieningen aan.

 

§ 2.

Deze voorzieningen en hun toegangswegen zijn steeds gemakkelijk en veilig toegankelijk en maken het mogelijk de metingen en monsternames op veilige wijze te verrichten.


Art. 4.1.4.2. De exploitant houdt de gegevens met betrekking tot de door dit reglement of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde meet-en registratieverplichtingen, met inbegrip van de registers en balansen, ter beschikking van de toezichthouder en bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.

Afdeling 4.1.5.
Algemene informatieplicht


Art. 4.1.5.1.

§ 1.

De exploitant verschaft de toezichthouders op eenvoudig verzoek de hem bekende relevante gegevens over de in de inrichting gebruikte en voortgebrachte grondstoffen, produkten, afvalstromen of emissies.

 

§ 2.

Indien de toezichthouder ernstige redenen heeft om te twijfelen aan de volledigheid of juistheid van deze gegevens kan hij door een daarvoor erkend laboratorium, vermeld in artikel 6, van het VLAREL en op kosten van de exploitant, monsternames, metingen en analyses laten uitvoeren van de bedoelde grondstoffen, produkten, afvalstromen of emissies. De exploitant wordt op voorhand schriftelijk in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing van de toezichthouder.

 

§ 3.

In geval van schending van een milieuvoorwaarde inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, inzake voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of inzake voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, brengt de exploitant van een GPBV-installatie of een inrichting als vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, de toezichthouder daarvan onmiddellijk op de hoogte en treft de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.


Art. 4.1.5.2.

Alle documenten en gegevens die in toepassing van dit besluit en van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten bezorgd worden aan de overheid moeten tevens ter beschikking worden gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van deze beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de syndicale delegatie van de onderneming.


Art. 4.1.5.3.

Als de zuiveringstechnische voorzieningen van een inrichting wegens storing of enige andere oorzaak uitvallen, of als om enige andere reden de emissie- of immissienormen worden overschreden, brengt de exploitant de toezichthouder daarvan onverwijld op de hoogte.


Art. 4.1.5.4.

Als een inrichting die bestemd is voor het winnen of het kunstmatig aanvullen van grondwater, of een gedeelte ervan, definitief buiten gebruik wordt gesteld, is de exploitant verplicht dat binnen een termijn van drie maanden te melden aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater, ongeacht de klasse waarin de inrichting is ingedeeld. De voormelde afdeling bezorgt onverwijld een kopie van die melding aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.


Art. 4.1.5.5.

De exploitant bezorgt op verzoek van de instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, alle gegevens die met toepassing van artikel 1.4.5.1.1, §1, tweede lid, worden gevraagd.


Afdeling 4.1.6.
Beheer van afvalstoffen en van buiten bedrijf gestelde installaties


Art. 4.1.6.1.

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de opslag van gevaarlijke stoffen, gebeurt de tijdelijke opslag van afvalstoffen, in aangepaste verpakkingen en/of afvalcontainers. Deze bepaling is niet van toepassing op inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt. Behoudens afwijkende bepaling in dit besluit of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moeten deze afvalstoffen regelmatig uit de inrichting worden afgevoerd voor verwerking overeenkomstig art. 4.1.6.2.. Het afvoeren van de afvalstoffen moet zodanig geschieden dat zich geen afval buiten de inrichting kan verspreiden.


Art. 4.1.6.2.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit besluit of voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het ontstaan van afvalstoffen voorkomen en wordt aandacht besteed aan een efficiënter en minder milieubelastend gebruik en verbruik van materialen via aangepaste productie- en consumptiepatronen. Waar toch afvalstoffen worden voortgebracht, wordt voor de verwerking van die afvalstoffen buiten het ophalen, sorteren en vervoeren, de voorkeur gegeven aan de verwerkingswijzen, hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld:

de voorbereiding van afvalstoffen voor hergebruik;
recyclage van afvalstoffen en de inzet van materialen in gesloten materiaalkringlopen;
andere vormen van nuttige toepassing van afvalstoffen, zoals energieterugwinning en de inzet van materialen als energiebron;
de verwijdering van afvalstoffen, met storten als laatste optie.

 

§ 2.

Om te kunnen voldoen aan de verwerkingshiërarchie zoals beschreven in § 1 moeten afvalstromen die een verschillende verwerking dienen te ondergaan of kunnen ondergaan, gescheiden worden opgevangen of na ophaling mechanisch worden gescheiden.


Art. 4.1.6.3. Onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of bijzondere milieuvoorwaarden, moeten de definitief door de exploitant buiten bedrijf gestelde installaties of onderdelen ervan, binnen de 36 maanden na de buitengebruikstelling zo zijn aangepast dat schade aan het milieu of hinder uitgesloten zijn.

Art. 4.1.6.4. [...]

Afdeling 4.1.7.
Opslag van gevaarlijke stoffen


Art. 4.1.7.1. Vaste stoffen in bulk

Tenzij anders bepaald in de toepasselijke reglementering of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moeten vaste stoffen in bulk, die uitloogbare stoffen van bijlage 2B en gevaarlijke producten volgens de CLP-verordening bevatten, worden opgeslagen op een vloeistofdichte ondergrond, voorzien van een opvangsysteem. Deze bepaling is niet van toepassing op afvalstortplaatsen.


Art. 4.1.7.2. Gevaarlijke vloeistoffen

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de toepasselijke reglementering of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moeten bovengrondse tanks of vaten, die vloeistoffen van bijlage 2B en gevaarlijke vloeistoffen volgens de CLP-verordening bevatten, in een inkuiping worden geplaatst, die voldoet aan de hierna vermelde voorwaarden:
 

de vloeren en wanden moeten bestand zijn tegen de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen en moeten kunnen weerstaan aan de vloeistofmassa die bij lekkage uit de grootste in de inkuiping geplaatste tank of vat kan ontsnappen.
buizen of leidingen mogen slechts doorheen de wanden worden geleid mits toepassing van afdoende dichtingen.
de wanden moeten tenminste alle 50 meter van reddingsladders of trappen worden voorzien.


Voor tanks en vaten met een waterinhoud van meer dan 220 liter moet bovendien:
 

tussen deze en de binnenste onderkant van de wanden een minimumafstand, gelijk aan de helft van de hoogte van de tanks of vaten, worden gelaten;
een doorgang van tenminste 1 meter breedte tussen de tanks, de vatenopslag en de wanden volledig worden vrijgelaten.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde inkuiping moet een inhoudsvermogen hebben dat gelijk is aan of groter dan:
 

de helft van het totaal inhoudsvermogen van de erin geplaatste tanks of vaten;
het inhoudsvermogen van de grootste tank of vat, vermeerderd met 25 % van het totale inhoudsvermogen der andere in de inkuiping aangebrachte tanks of vaten.
Voor de opslag van vaten en bussen met een waterinhoud van minder dan 220 liter mag het inhoudsvermogen van de inkuiping worden beperkt tot 10 % van het totale inhoudsvermogen van de erin opgeslagen vaten of bussen.

 

 

§ 3.

In geval van herstelling van een der tanks die deel uitmaakt van een groep tanks of vaten opgesteld in éénzelfde inkuiping, moet deze tank gedurende de hele herstellingsperiode door een vloeistofdichte wand worden omringd, waarvan de hoogte gelijk is aan deze van de opstaande rand of muren die de hele groep omringt.

 

§ 4.

In éénzelfde inkuiping mogen enkel vloeistoffen worden opgeslagen die bij vermenging hetzij geen, hetzij uitsluitend een chemische reactie kunnen doen ontstaan waarbij de vorming van andersoortige gevaarlijke stoffen dan deze die binnen de bak zijn opgeslagen, is uitgesloten.


Art. 4.1.7.3. Verwijderen van gemorste verontreinigende stoffen

Met behoud van de toepassing van afdeling 4.1.12 worden gemorste, al dan niet verdunde, verontreinigende stoffen verwijderd overeenkomstig de van toepassing zijnde reglementering.


Art. 4.1.7.4. Opvang van bluswater

[...]


Afdeling 4.1.8.
Het milieujaarverslag


Art. 4.1.8.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn getroffen ter uitvoering van titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

De bepalingen van deze afdelingen zijn van toepassing op:

[...]
elke ingedeelde inrichting of activiteit, die al dan niet deel uitmaakt van een milieutechnische eenheid, waarvan de totale emissie, afkomstig van de inrichtingen of activiteiten [...] voor ten minste één relevante verontreinigende stof in het beschouwde jaar groter is dan de drempelwaarden, vermeld in de overzichtstabel van verontreinigende stoffen in de deelformulieren « Luchtemissies » en « Wateremissies » van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag. Voor de lozing van afvalwater geldt de verplichting pas vanaf een vergund of werkelijk geloosd debiet van meer dan 1 m3 per uur, 10 m3 per dag en/of 250 m3 per maand. Ingeval het werkelijk geloosde debiet maar niet het vergunde debiet onder dit minimumdrempel ligt, moet het werkelijk geloosde debiet gestaafd worden aan de hand van debietmetingen. Als de totale emissie alleen met een bepaalde onzekerheidsmarge bekend is, moet het maximum binnen de onzekerheidsmarge vergeleken worden met die drempelwaarden om uit te maken of de bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn op de inrichting;
alle inrichtingen met een totaal primair energiegebruik van tenminste 0,1 petajoule per jaar.
de inrichtingen waarvan een of meer activiteiten aangeduid zijn met een "R" in de zevende kolom van de indelingslijst en waarvoor de exploitant op grond van de Verordening nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 jaarlijks moet rapporteren op basis van metingen, berekeningen of ramingen voor de stoffen, vermeld in de verordening, overeenkomstig de in de verordening vermelde drempelwaarden;
inrichtingen met een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 50.000 m2 grondoppervlakte, inrichtingen met een gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen over de drie voorgaande kalenderjaren van meer dan 700 000 ton per jaar en inrichtingen met een verwachte overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 700 000 ton per jaar; 

 

§ 2.

Indien, overeenkomstig § 1, 2° de drempelwaarde voor ten minste één parameter overschreden is, dan blijven de bepalingen van deze afdeling gedurende de drie daaropvolgende jaren van toepassing op de inrichting en op de betrokken milieutechnische eenheid tenzij de verlaging van de emissies beneden de drempelwaarden wordt bewerkstelligd door een permanente saneringsmaatregel. De exploitant moet daarvan het bewijs kunnen leveren aan de toezichthoudende overheid die de termijn maximaal kan verkorten tot 2 jaar.

 

§ 3.

Op verzoek van de toezichthoudende overheid kunnen exploitanten worden verzocht aan te tonen dat bepaalde inrichtingen al of niet onder de toepassing van deze afdeling vallen.

 

§ 3bis.

Inrichtingen die overeenkomstig paragraaf 1, 5°, een integraal milieujaarverslag indienen, maken een onderbouwde kwantitatieve inschatting van hun niet-geleide stofemissies en nemen deze inschatting op in hun integraal milieujaarverslag

 

§ 4.

Bij de opmaak van het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies" van het milieujaarverslag moet er optimaal gebruik worden gemaakt van de resultaten van emissiemetingen die aan de exploitant zijn opgelegd door dit reglement, door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en/of in het kader van de afvalwaterheffingen.

 

§ 5.

Het milieujaarverslag wordt ingediend door middel van de volgende deelformulieren van het integrale milieujaarverslag waarvan het model als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, is gevoegd:

inrichtingen als vermeld in §1, 2°, 4° en 5°: het deelformulier "Identificatiegegevens", het deelformulier "Luchtemissies", het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens",deelformulier "Wateremissies" [...] en deelformulier "Bodememissies, verontreinigende stoffen uit afval;
inrichtingen als vermeld in artikel 4.1.8.1, § 1, 3°: het deelformulier "Identificatiegegevens" en het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens".
afvalwater afgevoerd voor zuivering in een externe afvalwaterzuiveringsinstallatie: het deelformulier "Identificatiegegevens" en het deelformulier "Wateremissies";

 

 

§ 6.

[...]


Art. 4.1.8.2.

§ 1.

De exploitanten van de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 4.1.8.1, zijn gehouden jaarlijks in het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, het milieujaarverslag te sturen naar de administratie, overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag en voor de datum die daarin wordt bepaald. De bijlagen bij dat jaarverslag, bedoeld in § 2 van artikel 4.1.8.3, hoeven niet te worden bijgevoegd.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Inrichtingen die nieuw in bedrijf worden genomen, dienen het eerste jaarverslag in in het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid.


Art. 4.1.8.3.

§ 1.

Het milieujaarverslag vermeld in artikel 4.1.8.2., § 1, bevat de volgende deelformulieren voor zover de inrichting daartoe verplicht wordt volgens de desbetreffende bepalingen van dit besluit:
het deelformulier "Identificatiegegevens";
het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies": deze deelformulieren bevatten de gegevens weergegeven in het model van het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag;
het deelformulier "Energiegegevens": dit deelformulier bevat gegevens weergegeven in deelformulier "Energiegegevens" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.

 

§ 2.

Voor zover van toepassing op de inrichting worden de in de vergunningsbesluiten in bijzondere voorwaarden opgelegde rapporten niet gevoegd als bijlage bij het integrale milieujaarverslag, maar wel afzonderlijk verstuurd naar de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de andere in de bijzondere voorwaarden genoemde diensten.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

Het milieujaarverslag en de bijlagen worden door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de toezichthouders.

Art. 4.1.8.4. [...]

Afdeling 4.1.9.
Bedrijfsinterne milieuzorg


Art. 4.1.9.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn getroffen in uitvoering van titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

Zij zijn van toepassing op de inrichtingen die in de indelingslijst zijn ingedeeld in de eerste of tweede klasse.


Subafdeling 4.1.9.1.
De milieucoördinator


Art. 4.1.9.1.1.

§ 1.

De exploitant van een inrichting die in de indelingslijst is ingedeeld in de eerste of tweede klasse en in de vijfde kolom van de indelingslijst is aangeduid met de letter A of B dient met ingang van 4 juli 1996 een milieucoördinator aan te stellen.

 

§ 2.

De exploitanten van de volgende categorieën van inrichtingen zijn vrijgesteld van de verplichting om een milieucoördinator aan te stellen:

 

de inrichtingen die in de indelingslijst in de vijfde kolom met de letter “N” zijn aangeduid.

 

§ 3.

De vergunningverlenende overheid kan exploitanten van niet in § 1 of § 2 bedoelde inrichtingen de verplichting opleggen een milieucoördinator aan te stellen indien de aard van de inrichting, de aard van de milieu-effecten die ervan uitgaan of de plaats waar ze gelegen is of uitgeoefend wordt, dit verantwoordt. Zij bepaalt daarbij tevens het vereiste niveau van de in artikel 4.1.9.1.2., § 3 bedoelde aanvullende vorming.

 

Als verschillende inrichtingen samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan ze de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze een milieutechnische eenheid vormen. 

 

§ 4.

Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.

 

Die instemming is echter niet vereist als:

het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;
het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon. 

 

§ 5.

De aanvraag tot instemming wordt met een aangetekende brief ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. De aanvraag bevat de documenten waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden om als milieucoördinator te kunnen worden aangesteld.

 

De exploitant kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, vragen om gehoord te worden.

 

§ 6.

de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, neemt een beslissing over het verzoek tot instemming met de gezamenlijke aanstelling en deelt die beslissing binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag na het verzenden van de aanvraag, mee aan de aanvrager.

 

§ 7.

Het verlenen van de instemming houdt in dat is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.1.9.1.4, §2.

 

§ 8.

Als de milieucoördinator niet meer voldoet aan de voorwaarden om tot de functie te worden toegelaten of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit reglement, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de instemming schorsen of opheffen.

 

§ 9.

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, brengt de exploitant en de milieucoördinator met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen om de instemming te schorsen of op te heffen, en van de motieven die daartoe aanleiding geven, en nodigt hen tegelijkertijd uit om hun verweermiddelen in te dienen en aanwezig te zijn op een geplande hoorzitting.

 

§ 10.

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, neemt een beslissing over de schorsing of opheffing van de instemming, rekening houdend met de vervulde formaliteiten en de meegedeelde verweermiddelen.

 

§ 11.

Als de instemming wordt geschorst of opgeheven, betekent de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de beslissing met een aangetekende brief aan de exploitant en de milieucoördinator.

 

Als de procedure tot schorsing of opheffing van de instemming wordt stopgezet, worden de exploitant en de milieucoördinator daarvan op de hoogte gebracht.


Art. 4.1.9.1.2.

§ 1.

Als milieucoördinator kan enkel een persoon worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikt om de in artikel 4.1.9.1.3. bedoelde taken naar behoren te vervullen.

 

§ 2.

Onverminderd de bepalingen van § 1 moet de milieucoördinator met ingang van 4 juli 1997 voldoen aan de volgende nadere eisen:

eisen inzake opleiding en beroepservaring:
a) een voldoende kennis bezitten van de milieuwetgeving en -reglementering van toepassing op de inrichting (en) waarvoor hij als milieucoördinator is aangesteld, alsmede van de nodige technische kennis om de problemen te bestuderen die zullen rijzen inzake milieu;
b) voor de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “A” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat:
- ofwel, de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, zoals vermeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs;
- ofwel, een nuttige ervaring van meer dan vijf jaar hebben op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg;
c) voor de inrichtingen die in vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “B” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting en geen als bedoeld sub 1° omvat, van:
- ofwel, houder zijn van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of hogere secundaire leergangen;
- ofwel, een nuttige ervaring van meer dan drie jaar hebben op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg;
d)

zich permanent bijscholen inzake milieuwetenschappen, inclusief milieutechnologie en -recht evenals inzake de taken vastgelegd in het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid door het volgen van cursussen, seminaries, studiedagen, e.d.;

de bijscholing van de milieucoördinator bedraagt ten minste 30 uur per kalenderjaar; de aan bijscholing bestede tijd wordt voor de milieucoördinator-werknemer van de exploitant beschouwd als normale werktijd en de daarbij horende kosten worden vergoed door de exploitant;

seminaries, studiedagen e.d. komen slechts in aanmerking voor de permanente bijscholing mits de inhoud van deze seminaries, studiedagen e.d. betrekking heeft op de leefmilieuproblematiek in het algemeen;

de milieucoördinator is evenwel vrijgesteld van het volgen van de jaarlijkse bijscholing in een kalenderjaar en dit te belopen van het aantal uren dat hij in datzelfde kalenderjaar de aanvullende vorming volgt zoals bedoeld in § 3 van dit artikel.

overige voorwaarden:
a) in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag tot instemming in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor overtredingen die verband houden met de uitvoering van de taken van de milieucoördinator;
b) wanneer hij geen werknemer is van de exploitant, met betrekking tot de erkenning van de milieucoördinator en zijn taken, in de hoedanigheid van overheidspersoneel, geen adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefenen; deze voorwaarde geldt niet voor werknemers van een vereniging van gemeenten met betrekking tot inrichtingen geëxploiteerd door de bij deze vereniging aangesloten gemeenten of door een onder deze gemeenten ressorterende instelling of bestuur;
c) als de milieucoördinator een werknemer is van de exploitant, moet die voor de uitvoering van zijn taken over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid beschikken. De exploitant neemt de kosten van de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor zijn rekening. Als de milieucoördinator geen werknemer is van de exploitant, moet deze over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid beschikken. Aan de eis dat hij over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid, moet beschikken, moet uiterlijk op 1 januari 2012 zijn voldaan;
d) personen die geen werknemer zijn van de exploitant en voor twee of meer inrichtingen als milieucoördinator worden aangesteld die samen geen milieutechnische eenheid vormen, moeten met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu als milieucoördinator zijn erkend.

 

§ 3.

Onverminderd de bepalingen van § 1 en § 2 en in zoverre de betrokkene niet is of niet wordt erkend als milieucoördinator door de Vlaamse minister op basis van een aanvraag die daartoe wordt ingediend voor 1 januari 2000, geldt voor milieucoördinatoren die vanaf die datum worden aangesteld als bijkomende vereiste dat zij:

voor de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “A” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat: met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het eerste niveau of een overgangscursus van het tweede naar het eerste niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
voor de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “B” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat: ten minste met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

 

In afwijking van deze bijkomende vereiste, vermeld in de eerste alinea, kan een persoon die werknemer is van de exploitant éénmalig en voor een periode van maximum drie jaar als milieucoördinator worden aangesteld op de voorwaarde dat hij/ zij is ingeschreven voor het volgen van de cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren.

 

§ 4.

De milieucoördinator kan een werknemer zijn van de exploitant of een persoon die geen werknemer is van de exploitant.

 

§ 5.

In afwijking van de bepalingen van de §§ 2 en 3 mag, bij wijze van overgangsregeling, degene die de taken van milieucoördinator in de hoedanigheid van werknemer van de exploitant al uitoefende vóór 4 juli 1996, en die niet voldoet aan de vereisten vastgesteld door de § 2, sub 1°, a), b) en c) en § 3 als milieucoördinator worden aangesteld en blijven aangesteld voor de inrichting en/of milieutechnische eenheid waarin hij is tewerkgesteld alsook voor soortgelijke inrichtingen en/of milieutechnische eenheden.

 

§ 6.

Als de verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit of de wijziging van de indelingslijst tot gevolg heeft dat een ingedeelde inrichting of activiteit voor het eerst inrichtingen of activiteiten omvat die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “A” zijn aangeduid, kan de milieucoördinator die op dat ogenblik is aangesteld voor een inrichting of activiteit die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “B” is aangeduid, voor het geheel van de inrichtingen en activiteiten die aan de milieucoördinatorplicht onderworpen zijn, verder aangesteld blijven.


Art. 4.1.9.1.3.

§ 1.

De milieucoördinator heeft onder meer tot taak:

bij te dragen tot de ontwikkeling, de invoering, de toepassing en de evaluatie van milieuvriendelijke produktiemethodes en produkten;

te waken over de naleving van de milieuwetgeving door meer bepaald op regelmatige tijdstippen controle uit te oefenen op de werkplaatsen, de zuiveringstechnische werken en de afvalstromen; hij rapporteert de vastgestelde tekortkomingen aan de bedrijfsleiding en doet voorstellen om deze te verhelpen;

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voert de milieucoördinator ten minste eenmaal per trimester van een kalenderjaar zelf de controle, vermeld in het eerste lid, uit. Als de hierna vermelde inrichtingen beschikken over een milieuzorgsysteem en een onlinecontrolesysteem dat dezelfde garanties biedt als de voormelde trimestriële controles, wordt de frequentie herleid tot ten minste één controle per kalenderjaar voor:

 

onbemande installaties voor waterwinning;
gasontspanningsstations;
windturbines;
zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater van agglomeraties met minder dan 2.000 inwonersequivalenten.
brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met uitsluitend vloeibare brandstoffen.
te waken over of in te staan voor de uitvoering van de voorgeschreven emissie- en immissiemetingen en de registratie van de resultaten ervan;
te waken over het bijhouden van het afvalstoffenregister en het materialenregister en de naleving van de meldingsplicht, vermeld in artikel 6, 23 tot en met 25 en 30 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
voorstellen te doen over en bij te dragen tot de interne en externe communicatie in verband met de gevolgen voor mens en milieu van de inrichting, van haar produkten, haar afvalstoffen en de voorzieningen en maatregelen om deze gevolgen te beperken.
medewerking te verlenen en informatie te verstrekken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 2.

De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn.

 

Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.

 

§ 3.

De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven.  

 

Hij bezorgt het verslag vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop dit betrekking heeft, aan de bedrijfsleiding, de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging. [...] Voor inrichtingen die in bedrijf worden genomen, wordt het eerste verslag bezorgd voor 1 april van het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid.

 

Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning alsook van de toezichthoudende overheid.


Art. 4.1.9.1.4.

§ 1.

De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in § 2, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2. bedoelde voorwaarden of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit besluit, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.

 

§ 3.

De kennisgeving van de aanstelling van een milieucoördinator-werknemer aan de bevoegde overheid, vermeld in paragraaf 2, gebeurt door middel van een aanstellingsdossier dat op de exploitatiezetel ter beschikking wordt gehouden van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving. Het aanstellingsdossier bevat de gedagtekende overeenkomst tussen exploitant en werknemer met betrekking tot de uitoefening door deze laatste van de functie van milieucoördinator en alle documenten waaruit blijkt dat de aanstelling van de milieucoördinator gebeurd is conform de bepalingen van de onderhavige toepasselijke afdeling 4.1.9.


Art. 4.1.9.1.5.

De exploitant is gehouden het nodige te doen opdat de milieucoördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. Hij stelt hem hulppersoneel, lokalen, materiaal en middelen ter beschikking voor zover vereist.

 

De milieucoördinator die een werknemer is van de exploitant, mag geen nadeel ondervinden van de taak die hij als milieucoördinator vervult.


Art. 4.1.9.1.6. [...]

Subafdeling 4.1.9.2.
De milieuaudit


Art. 4.1.9.2.1.

Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, en rekening houdend met het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de Verordening 1836/93/EEG van 29 juni 1993, inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem, wordt voor het Vlaamse Gewest:

BELAC, opgericht bij het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC-accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling, belast met de erkenning en het toezicht op milieuverificateurs;
het Departement Omgeving aangewezen als bevoegde instantie die belast is met de registratie van de organisaties, de weigering en de vernieuwing van de registraties, de inschrijving, schorsing of schrapping van de organisaties uit het register, alsook met de toepassing van de voorschriften betreffende het registratieproces, vermeld in artikel 12 van verordening (EG) Nr. 1221/2009, en de uitvoering van alle overige opdrachten die ingevolge de verordening van de bevoegde instantie worden verwacht. 

Art. 4.1.9.2.2.

Ter bevordering van de vrijwillige deelneming van organisaties aan het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem, zoals geregeld door verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, wordt geen bijdrage in de registratiekosten van een organisatie vastgesteld.


Art. 4.1.9.2.3.

Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van de bepalingen van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie wordt gebruikgemaakt van het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van verordening (EG) nr. 1836/93 van 29 juni 1993 inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem


Art. 4.1.9.2.4. De decretale milieuaudit

§ 1.

Ter uitvoering van artikel 3.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende categorieën van inrichtingen onderworpen aan een periodieke milieuaudit :

de in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen die tevens zijn opgenomen in de bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage;
vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst;
de inrichtingen die in zesde kolom van de indelingslijst met de letter “P” zijn aangeduid, evenwel enkel in zoverre deze verplichting door de vergunningverlenende overheid is opgelegd rekening houdend met de aard van de inrichting, de aard van de milieueffecten die ervan uitgaan en/of de plaats waar ze gelegen is.

 

Inrichtingen die over een EMAS-geregistreerd of ISO 14001-gecertificeerd milieuzorgsysteem beschikken, zijn vrijgesteld van de verplichting om een periodieke milieuaudit op te stellen mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :

het bedrijf moet tussen de twee voorziene opeenvolgende audits onafgebroken over een gecertificeerd milieuzorgsysteem beschikken;
de openbaarheid van de gegevens die anders via de decretale milieuaudit gerealiseerd wordt, moet gegarandeerd blijven;
het voldoen aan deze voorwaarden moet worden gecontroleerd door een milieuverificateur of certificatieinstelling.

 

 

§ 2.

Ter uitvoering van artikel 3.3.2. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende categorieën van inrichtingen onderworpen aan een éénmalige milieuaudit :

  de inrichtingen die in de zesde kolom van de indelingslijst met de letter “E” zijn aangeduid, evenwel enkel in zoverre deze verplichting door de vergunningverlenende overheid is opgelegd rekening houdend met de aard van de inrichting, de aard van de milieueffecten die ervan uitgaan en/of de plaats waar ze gelegen is.

 

Inrichtingen die over een EMAS-geregistreerd of ISO 14001-gecertificeerd milieuzorgsysteem beschikken, zijn vrijgesteld van de verplichting om een éénmalige milieuaudit op te stellen.

 

§ 3.

De in de §§ 1 en 2 bedoelde milieuaudit vindt plaats op kosten van de exploitant.


Art. 4.1.9.2.5.

§ 1.

De in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit betreft een systematische, gedocumenteerde en objectieve evaluatie van het beheer, de organisatie en de uitrusting van de betrokken inrichting of activiteit op het gebied van de bescherming van het milieu.

 

§ 2.

De in artikel 4.1.9.2.4. bedpelde milieuaudit heeft betrekking op:

de emissies en immissies, evenals de gevolgen ervan voor de milieukwaliteit;
het energiebeheer;
het beheer van grondstoffen;
de productiemethodes en het productbeheer;
de preventie en het beheer van afvalstoffen;
de externe veiligheid;
de voorlichting, opleiding en participatie van het personeel in de bedrijfsinterne milieuzorg;
de externe voorlichting;
de voorstellen en adviezen van de milieucoördinator, zoals bedoeld in § 3 van artikel 4.1.9.1.3., en de opvolging die hieraan gegeven is.

 

§ 3.

De in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moet worden gevalideerd door een milieuverificateur erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.


Art. 4.1.9.2.6.

§ 1.

De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld:

aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning:

de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van artikel 4.1.9.2.5, § 2;
aan de Vlaamse Milieumaatschappij:

de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van artikel 4.1.9.2.5, § 2.

 

§ 2.

De gevalideerde milieuaudit moet door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard worden en ter beschikking gehouden van de toezichthouder.


Art. 4.1.9.2.7.

§ 1.

De in artikel 4.1.9.2.4. § 1 bedoelde periodieke milieuaudit dient regelmatig herhaald te worden. Tussen twee opeenvolgende audits mag hoogstens een periode van 3 jaar liggen.

 

§ 2.

Inrichtingen die in bedrijf worden genomen, voeren een eerste milieuaudit uit, uiterlijk twee jaar na de inbedrijfstelling van de inrichting.


Subafdeling 4.1.9.3.
De rol van het comité voor preventie en bescherming op het werk


Art. 4.1.9.3.1.

§ 1.

De exploitant moet inzonderheid:

aan de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk bezorgen:
a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, afschrift van het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2. van dit reglement;
b) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuverklaring als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3. van dit reglement;
c) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuaudit als bedoeld in artikel 4.1.9.2.5. van dit reglement;
ter beschikking stellen van het comité voor preventie en bescherming op het werk:
a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het afschrift van de bijlagen bij het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2. van dit reglement;
b) alle al dan niet door de milieureglementering opgelegde inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die verband houden met het milieu en/of de externe veiligheid;

inzonderheid geldt dit voor de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die de eigen onderneming met toepassing van de milieureglementering aan de overheid dient te verschaffen of ter inzage dient te houden;
comité voor preventie en bescherming op het werk:
a) informeren over het hulppersoneel, de lokalen, het materiaal en de middelen die hij overeenkomstig artikel 4.1.9.1.5. van dit reglement ter beschikking stelt van de milieucoördinator;
b) informeren over de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die derde ondernemingen ter gelegenheid van hun aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit openbaar dienen te maken indien en voor zover de eigen bedrijfsleiding ten opzichte van die documenten een inzagerecht kan doen gelden;
c) alle nodige informatie verstrekken om met volledige kennis van zaken adviezen te kunnen uitbrengen;
d) inlichten over de wijzigingen aangebracht aan de fabricatieprocédés, de toegepaste technieken of de installaties als ze de bestaande risico's voor het milieu en/of de externe veiligheid zouden verergeren of er nieuwe zouden vormen, alsook bij het aanwenden of fabriceren van nieuwe producten;
e) in voorkomend geval, de informatie verstrekken omtrent vrijwillige deelneming aan het milieubeheer- en milieuauditsysteem als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3. van dit reglement;
de toelichting bezorgen waarnaar een lid van het comité voor preventie en bescherming op het werk met betrekking tot het milieu of de externe veiligheid zou hebben gevraagd;
jaarlijks een omstandige toelichting op een vergadering van het comité voor preventie en bescherming op het werk verzorgen met betrekking tot het door de onderneming gevoerde milieubeleid;
overeenkomstig artikel 4.1.9.1.4. van dit reglement het voorafgaand akkoord verkrijgen van het comité voor preventie en bescherming op het werk omtrent de voorgenomen:
a) aanwijzing;
b) vervanging;
c) verwijdering uit zijn functie;
d) de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger;
van een milieucoördinator-werknemer.

 

 

§ 2.

De milieucoördinator bezorgt aan het comité voor preventie en bescherming op het werk:

vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het jaarverslag over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld, dit overeenkomstig artikel 4.1.9.1.3., § 3 van dit reglement;
een afschrift van zijn adviezen bedoeld in § 2 van artikel 4.1.9.1.3. van dit reglement.

 

§ 3.

Het comité voor preventie en bescherming op het werk:

heeft hoofdzakelijk tot taak alle middelen na te sporen en voor te stellen alsook actief bij te dragen tot alles wat wordt ondernomen in het kader van de bedrijfsinterne milieuzorg; om deze taak te volbrengen moet het inzonderheid adviezen uitbrengen en voorstellen formuleren omtrent:
a) het door de onderneming gevoerde beleid inzake bedrijfsinterne milieuzorg;
b) het milieujaarverslag en de andere documenten alsook de toelichting en inlichtingen die de exploitant respectievelijk de milieucoördinator overeenkomstig dit reglement gehouden zijn aan het comité te verstrekken;
is er mede belast ter uitvoering van artikel 4.1.9.1.4. van dit reglement zich uit te spreken over het al of niet akkoord gaan met de door de exploitant voorgenomen:
a) aanwijzing;
b) vervanging;
c) verwijdering uit zijn functie;
d) de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger;
van een milieucoördinator-werknemer.
 

Afdeling 4.1.10.
Bijzondere onderzoekscommissies


Art. 4.1.10.1. [...]

Afdeling 4.1.11.
Gebruik van gevaarlijke stoffen (verordening (EG) nr. 1907/2006)

Gebruik van gevaarlijke stoffen (verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie)


Art. 4.1.11.1.

Overeenkomstig artikel 67 van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een stof als zodanig of in een preparaat of voorwerp waarvoor in bijlage XVII van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 een beperking is opgenomen, niet worden vervaardigd of worden gebruikt tenzij aan de voorwaarden van die beperking wordt voldaan. Dit geldt niet voor de vervaardiging en het gebruik van een stof bij wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling. In bijlage XVII wordt bepaald wanneer de beperking niet van toepassing is op onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedés en wordt de vrijgestelde maximum hoeveelheid gespecificeerd.


Art. 4.1.11.2.

Overeenkomstig artikel 56 van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker een in bijlage XIV van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgenomen stof niet voor een bepaald gebruik gebruiken, tenzij voldaan is aan de bepalingen gesteld in artikel 56 van deze Verordening.


Afdeling 4.1.12.
Risicobeheersing


Art. 4.1.12.1.

§ 1.

De exploitant voorziet in de nodige maatregelen om voorvallen en de gevolgen daarvan voor de mens en het leefmilieu te voorkomen of tot een minimum te beperken.

 

Dat houdt onder meer in dat de exploitant het volgende doet :


hij voorziet in de nodige maatregelen om te voorkomen dat accidenteel verspreide stoffen of verontreinigd bluswater rechtstreeks naar het grondwater, een openbare riolering, waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren worden afgevoerd;

hij voorziet in de nodige brandpreventiemaatregelen;

hij voorziet in de nodige detectie-, nood- en interventiemaatregelen.

 

De exploitant bepaalt de organisatie van de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de capaciteit voor de opvang van verontreinigd bluswater volgens een code van goede praktijk en raadpleegt daarbij de bevoegde brandweer.

 

De brandbestrijdingsmiddelen moeten in een goede staat verkeren, beschermd zijn tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld worden en ze moeten onmiddellijk kunnen functioneren.

 

§ 2.

De exploitant kan te allen tijde aan de toezichthouders aantonen dat hij de nodige maatregelen heeft voorzien.


Art. 4.1.12.2.

§ 1.

Bij een voorval of bij onmiddellijke dreiging daarvan neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen, om zo de gevolgen voor de mens en het milieu tot een minimum te beperken, en om verdere mogelijke voorvallen te voorkomen.

 

§ 2.

De exploitant doet in het geval van een inrichting die onder het toepassingsgebied valt van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies, onmiddellijk, en in het ander geval, zo spoedig mogelijk, en met gebruikmaking van de meest passende middelen, melding van het voorval en van de genomen en geplande maatregelen bij de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

 

§ 3.

In geval van een voorval, waarschuwt de exploitant onverwijld derden die gevolgen kunnen ondervinden van de emissie, met opgave van de maatregelen die ze kunnen treffen om het gevaar af te wenden of te beperken.

 

Het eerste lid is niet van toepassing als de voorschriften, vastgesteld door de federale overheid in het kader van de civiele bescherming, van toepassing zijn.

 

Als door het voorval de werking van een afvalwaterzuiveringsinstallatie nadelig kan worden beïnvloed, waarschuwt de exploitant bovendien onmiddellijk de beheerder van de installatie in kwestie.


Art. 4.1.12.3.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.12.2, § 2, verstrekt de exploitant bij een voorval zo spoedig mogelijk de volgende informatie aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving :

algemene gegevens over de exploitant;
tijdstip, aard, omstandigheden en oorzaken van het voorval;
betrokken producten;
beschikbare gegevens aan de hand waarvan de gevolgen van het voorval voor mens en milieu kunnen worden beoordeeld;
de getroffen maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen.

 

De exploitant gebruikt daarvoor het formulier, vermeld in bijlage 4.1.12, of een andere informatiedrager die dezelfde informatie bevat.

 

Als uit nader onderzoek nieuwe gegevens naar voren komen die de verstrekte informatie of de daaruit getrokken conclusies wijzigen, werkt de exploitant die informatie bij en bezorgt hij ze aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.


Art. 4.1.12.4.

Na een voorval treft de exploitant, afhankelijk van de gevolgen die hetzij onmiddellijk hetzij na verloop van tijd kunnen optreden en overeenkomstig de toepasselijke reglementering, de nodige maatregelen voor de schoonmaak en voor het herstel van het leefmilieu.

 

De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.


Art. 4.1.12.5.

Na een voorval treft de exploitant de nodige maatregelen om herhaling van het voorval te voorkomen.

 

De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.


Afdeling 4.1.13.
GPBV-installaties


Art. 4.1.13.1. [...]

Art. 4.1.13.2. [...]

Art. 4.1.13.3. [...]

Art. 4.1.13.4. [...]

Art. 4.1.13.5. [...]

Hoofdstuk 4.2.
BEHEERSING VAN OPPERVLAKTEWATERVERONTREINIGING


Afdeling 4.2.1.
Toepassingsgebied en algemene bepalingen


Art. 4.2.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de lozing van:

- bedrijfsafvalwater en koelwater als vermeld in rubriek 3.4, 3.5 en 3.7;
- afvalwater, afkomstig van afvalwaterzuiverings-installaties zoals bedoeld in rubriek 3.6.,
- huishoudelijk afvalwater zoals bedoeld in de rubriek 3.2.

Zijn opgenomen in deel 6 :

- de voorwaarden voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van woongelegenheden, met inbegrip van de eventueel bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallatie;
- de voorwaarden voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, waarvan het debiet maximaal 600 m³/jaar bedraagt, met inbegrip van de eventueel bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Art. 4.2.1.2. Het mengsel van bedrijfsafvalwater met huishoudelijk afvalwater en/of koelwater en/of niet-verontreinigd hemelwater, afkomstig van dezelfde milieutechnische eenheid, dat via een niet-gescheiden rioleringsnet samen wordt geloosd en zonder dat de verschillende deelstromen apart kunnen worden gecontroleerd, wordt integraal beschouwd als bedrijfsafvalwater. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen in dat geval de emissiegrenswaarden bepaald worden in functie van de verhouding tussen de verschillende soorten afvalwater.

Art. 4.2.1.3.

§ 1.

De lozing van bedrijfsafvalwater in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater of in het gedeelte van een gescheiden riolering voor de afvoer van hemelwater is verboden, behalve - mits uitdrukkelijke vergunning - indien het bedrijfsafvalwater betreft dat voldoet aan de bijzondere voorwaarden zoals bepaald in de vergunning. Deze voorwaarden mogen niet minder streng zijn dan de toepasselijke sectorale of algemene voorwaarden voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren.

 

§ 2.

De lozing van koelwater, ingedeeld in klasse 1 of 2, is verboden in openbare riolering en collectoren, behalve in het gedeelte van een gescheiden riolering, bestemd voor de afvoer van hemelwater.

 

§ 3.

De lozing van huishoudelijk afvalwater in de gewone oppervlaktewateren of in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater is verboden, wanneer de openbare weg van openbare riolering is voorzien, tenzij dat uitdrukkelijk anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en op voorwaarde dat de lozingsvoorwaarden voor lozingen in het individueel te optimaliseren buitengebied, vermeld in subafdeling 4.2.8.1, worden nageleefd.

 

§ 4.

Een volledige scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, is verplicht op het ogenblik dat een gescheiden riolering wordt aangelegd of heraangelegd, tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in het uitvoeringsplan.

 

Voor bestaande gebouwen [...] is de scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, enkel verplicht indien daarvoor geen leidingen onder of door het gebouw moeten worden aangelegd.

 

Onder bestaande gebouwen wordt verstaan: de gebouwen die gebouwd zijn voor de inwerkingtreding van de gewestelijke verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozen van afvalwater en hemelwater van 1 oktober 2004, zijnde 1 februari 2005, of de gebouwen die niet het voorwerp van die verordening uitmaken.

 

§ 5.

Onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of bijzondere milieuvoorwaarden in de omgevingsvergunning, moet voor de afvoer van hemelwater de voorkeur gegeven worden aan de afvoerwijzen zoals hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld :

opvang voor hergebruik;
infiltratie op eigen terrein;
buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
lozing in de regenwaterafvoerleiding (RWA) in de straat.

Slechts wanneer de beste beschikbare technieken geen van de voornoemde afvoerwijzen toelaten, mag het hemelwater overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden geloosd in de openbare riolering.

 

§ 6.

Voor de lozingen van afvalwater die niet zijn opgenomen in een van de op de zoneringsplannen aangeduide zuiveringszones, gelden - tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit - de lozingsvoorwaarden die in de delen 4 en 5 van dit besluit zijn vastgesteld voor lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied.


Tussentitel:.
Lozing van bedrijfsafvalwater en koelwater


Afdeling 4.2.2.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat


Art. 4.2.2.1.

Het onder deze afdeling bedoelde bedrijfsafvalwater, ongeacht of het in gewone oppervlaktewateren dan wel in de openbare riolering wordt geloosd, mag binnen de in art. 1.1.2. gegeven omschrijving, geen stoffen bevatten in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 [...], die conform bijlage 2C [...] als gevaarlijke stof zijn te beschouwen of die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in deze bijlage 2C, noch enige andere stoffen met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, van de flora of de fauna. Hetzelfde geldt eveneens voor de lozing in oppervlaktewateren van stoffen die eutrofiëring van de ontvangende wateren kunnen veroorzaken.


Subafdeling 4.2.2.1.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat in de gewone oppervlaktewateren [...]

Art. 4.2.2.1.1.

De algemene voorwaarden voor het lozen in de gewone oppervlaktewateren en/of voor lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, luiden als volgt :, luiden als volgt:

het te lozen bedrijfsafvalwater dat in zodanige hoeveelheid pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
de pH van het geloosde bedrijfsafvalwater mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen; indien het geloosde bedijfsafvalwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan voor de bepaling van de grenswaarden van de pH de natuurlijke pH van het bedoelde oppervlaktewater en/of grondwater aangenomen worden indien die pH meer dan 9 of minder dan 6,5 bedraagt;
het biochemische zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20°C in het geloosde bedijfsafvalwater mag niet meer bedragen dan 25 milligram zuurstofverbruik per liter;
de temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater mag 30°C niet overschrijden; mits uitdrukkelijk in de vergunning opgenomen, is bij een buitentemperatuur van 25°C of meer of bij een koelwaterinname met een temperatuur van 20°C of meer evenwel een overschrijding tot 35°C toegestaan, in zoverre hierdoor de temperatuur, vermeld in de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewater niet wordt overschreden;
in het geloosde bedijfsafvalwater mogen de volgende gehalten niet overschreden worden:
a) 0,5 milliliter per liter voor de bezinkbare stoffen (tijdens een statische bezinking van twee uur);
b) 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
c) 5 milligram per liter voor de perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen;
d) 3 milligram per liter voor de som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen;
indien het geloosde bedrijfsafvalwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater kunnen de waarden vastgelegd in sub 3° en sub 5° van dit artikel vermeerderd worden met het gehalte in het opgenomen water;
een representatief monster van het geloosde bedrijfsafvalwater mag geen oliën, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een scheitrechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden.

Subafdeling 4.2.2.2.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat in de openbare riolering van een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan nog niet definitief is vastgesteld

Art. 4.2.2.2.1. [...]

Art. 4.2.2.2.2. [...]

Subafdeling 4.2.2.3.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, in de openbare riolering

Art. 4.2.2.3.1.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld, moet de lozing van bedrijfsafvalwater, dat geen gevaarlijke stoffen bevat, gelegen in het centraal gebied, het collectief geoptimaliseerde buitengebied en/of het collectief te optimaliseren buitengebied, beantwoorden aan de volgende algemene voorwaarden:

1°  de pH van het geloosde bedrijfsafvalwater ligt tussen 6 en 9,5;
de temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater bedraagt maximaal 45°C;
de afmetingen van de zwevende stoffen die in het geloosde bedrijfsafvalwater aanwezig zijn, zijn maximaal 1 cm. Die stoffen hinderen de goede werking van de pomp- en zuiveringsstations niet door hun structuur;
het geloosde bedrijfsafvalwater bevat geen opgeloste, ontvlambare of ontplofbare gassen, noch producten die de afscheiding van dergelijke gassen kunnen teweegbrengen. Het geloosde bedrijfsafvalwater veroorzaakt geen verspreiding van uitwasemingen waardoor het milieu wordt bedorven;
in het geloosde bedrijfsafvalwater worden de volgende gehaltes niet overschreden:
a) 1 g/l zwevende stoffen;
b) 0,5 g/l stoffen, extraheerbaar met petroleumether;
het geloosde bedrijfsafvalwater bevat zonder uitdrukkelijke vergunning geen stoffen die:
a) een gevaar betekenen voor het onderhoudspersoneel van de riolering en de zuiveringsinstallaties;
b) de leidingen kunnen beschadigen of verstoppen;
c) een beletsel vormen voor de goede werking van de pomp- en zuiveringsinstallaties;
d) een zware verontreiniging van het ontvangende oppervlaktewater kunnen veroorzaken of die het ontvangende oppervlaktewater waarin het water van de openbare riool wordt geloosd, zwaar kunnen verontreinigen;
om het lozen van bedrijfsafvalwater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie te beoordelen, gelden als regels de criteria, vermeld in artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Art. 4.2.2.3.2.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld, moet de lozing van bedrijfsafvalwater, dat geen gevaarlijke stoffen bevat, gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied, beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 4.2.2.1.1.


Art. 4.2.2.3.3.

Voor de bestaande vergunde of gemelde lozingen gaan de voorwaarden van deze subafdeling die in strengere zin afwijken van de situatie zoals die bestond voor de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan, in voege de eerste van de 29e maand na de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan.


Afdeling 4.2.3.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat.


Art. 4.2.3.1.
Onverminderd de in dit besluit vastgestelde emissiegrenswaarden dient de lozing van gevaarlijke stoffen van bijlage 2C maximaal te worden voorkomen door de toepassing van de beste beschikbare technieken.
Voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen van bijlage 2C bevat gelden dezelfde algemene emissiegrenswaarden als in de Afdeling 4.2.2. voorgeschreven voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, behoudens het bepaalde onder 3° hierna.

Van de gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 2C, mogen in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 [...], enkel die stoffen worden geloosd waarvoor in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit emissiegrenswaarden zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in art. 2.3.6.1.

Deze emissiegrenswaarden bepalen:

a) de in de lozingen toelaatbare maximumconcentratie van een stof; in geval van verdunning moet de in dit besluit voor bedoelde stof vastgestelde emissiegrenswaarde worden gedeeld door de verdunningsfactor;
b) de in de lozingen toelaatbare maximumhoeveelheid van een stof tijdens een of meer bepaalde perioden; zo nodig kan deze hoeveelheid bovendien worden uitgedrukt in een gewichtseenheid van de verontreinigende stof per eenheid van het element dat kenmerkend is voor de verontreinigende werkzaamheid (bijvoorbeeld gewichtseenheid per grondstof of per eenheid produkt).
c) als het geloosde bedrijfsafvalwater afkomstig is van het gebruik van gewoon oppervlaktewater of van grondwater of van water bestemd voor menselijke consumptie als vermeld in artikel 2.1.2, 32°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, kunnen de emissiegrenswaarden, vermeld in punt a) en b), vermeerderd worden met het gehalte of de hoeveelheid in het opgenomen water, als dat principe vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bijkomend aan de opgelegde norm.

Afdeling 4.2.3bis. Werking en onderhoud van een koolwaterstofafscheider.


Art. 4.2.3bis.1.

Deze afdeling is van toepassing op koolwaterstofafscheiders die als voorwaarde zijn opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Art. 4.2.3bis.2.

De koolwaterstofafscheider is voldoende groot gedimensioneerd en is voorzien van een automatische afsluiter of een equivalent systeem. Bij lozing op oppervlaktewater is de koolwaterstofafscheider ook uitgerust met een coalescentiefilter of een gelijkwaardig systeem.


Art. 4.2.3bis.3.

De koolwaterstofafscheider wordt regelmatig gereinigd. De afvalstoffen die daarbij vrijkomen, worden opgehaald en afgevoerd conform het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA).


Art. 4.2.3bis.4.

Om de goede werking van de koolwaterstofafscheider op te volgen, inspecteert de exploitant minstens om de drie maanden de koolwaterstofafscheider en houdt hij een logboek van de inspecties bij, tenzij de koolwaterstofafscheider voorzien is van een alarmsysteem.


Afdeling 4.2.4.
Lozing van koelwater


Art. 4.2.4.1.

§ 1.

De algemene voorwaarden voor het lozen van koelwater in de gewone oppervlaktewateren en in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater en voor het lozen van koelwater, ingedeeld in klasse 3, in de openbare riolering en de collectoren, luiden als volgt:

het te lozen koelwater dat in zodanige hoeveelheid pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet moet ontsmet worden;
de pH van het geloosde koelwater mag niet meer dan 8,5 of niet minder dan 6,5 bedragen; indien het geloosde koelwater afkomstig is van het gebruik van een oppervlaktewater en/of van grondwater kan voor de bepaling van de emissiegrenswaarde van de pH, de natuurlijke pH van het bedoelde oppervlaktewater en/of grondwater aangenomen worden indien die pH meer dan 8,5 of minder dan 6,5 bedraagt;
het gehalte aan opgeloste zuurstof van het geloosde koelwater moet tenminste 4 milligram per liter bedragen; indien het geloosde koelwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater waarvan het gehalte aan opgeloste zuurstof minder dan 4 mg/l bedraagt, moet het gehalte aan opgeloste zuurstof van het geloosde koelwater minstens gelijk zijn aan dat van het ontvangende oppervlaktewater stroomopwaarts van de waterwinning;
de temperatuur van het geloosde koelwater mag 30°C niet overschrijden; mits uitdrukkelijk in de vergunning opgenomen is bij een buitentemperatuur van 25°C of meer of bij een koelwaterinname met een temperatuur van 20°C of meer evenwel een overschrijding tot 35°C toegestaan, in zoverre hierdoor de temperatuur, vermeld in de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewater niet wordt overschreden;
het geloosde koelwater mag zonder uitdrukkelijke vergunning, te verlenen overeenkomstig het bepaalde in de art. 2.3.6.1. en 2.3.6.2., geen stoffen bevatten die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in de bijlage 2C, noch alle andere stoffen met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora en de fauna; dit geldt eveneens voor de stoffen die eutrofiëring van de ontvangende wateren kunnen veroorzaken;
het verschil in het chemisch zuurstofverbruik van het geloosde koelwater en het opgenomen gewoon oppervlaktewater en/of grondwater mag 30 milligram zuurstofverbruik per liter niet overschrijden.

 

§ 2.

Het koelwater dient bij voorkeur in een gesloten circuit te worden aangewend.

 

§ 3.

In afwijking van de bepalingen van § 1. 4° worden de lozingsvoorwaarden voor koelwater, afkomstig van elektrische centrales als volgt vastgesteld:
 

het geloosde koelwater is uitsluitend afkomstig van een oppervlaktewater behorend tot het openbaar hydrografisch net;
de uur- en dagdebieten, de temperatuur en het zuurstofgehalte van zowel het gecapteerde als van het geloosde koelwater worden continu bepaald en geregistreerd;
voor de temperatuur van het geloosde koelwater gelden volgende emissiegrenswaarden:
- maximum 33 °C als ogenblikkelijke waarde;
- maximum 32 °C als daggemiddelde; hiervoor worden de uurwaarden in aanmerking genomen, zoals gemeten van de middag (12 h) van de ene dag tot de middag (12 h) van de daaropvolgende dag;
- maximum 30 °C als voortschrijdend 30-dagengemiddelde;
de emissiegrenswaarden vermeld in het eerste lid zijn tijdelijk niet van toepassing indien bij uitzonderlijke meteorologische omstandigheden, inzonderheid bij een hittegolf, de netveiligheid in het gedrang komt, en indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
- de exploitant beschikt over een door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de VMM goedgekeurd studierapport, waarin voor de geviseerde lozing een inschatting is gemaakt van de eigenschappen van de lozing en de effecten in het ontvangende oppervlaktewater, in relatie met de thermische draagkracht van het ontvangende oppervlaktewater; dit studierapport moet worden opgesteld door een MER-deskundige erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1° d), 4), van het VLAREL en een MER-deskundige erkend in de discipline fauna en flora, vemeld in artikel 6, 1°, d), 2), van het VLAREL, en vermeldt expliciet de verhoogde maximumtemperatuur, uitgedrukt als ogenblikkelijke waarde en ook als daggemiddelde, van de bij optreden van een hittegolf tijdelijk toelaatbaar geachte lozing van koelwater, alsook de maximumduur van dergelijke lozing, evenals het geloosde debiet;
- de lozing voldoet aan de in het studierapport beschreven maximum temperaturen, debiet en andere randvoorwaarden; deze randvoorwaarden worden tijdens deze uitzonderlijke periode continu bewaakt door de exploitant;
- de aanvang en het einde van de lozing met verhoogde temperatuur wordt telkens onverwijld gemeld aan de toezichthoudende overheid;
Voor de toepassing van deze bepalingen, wordt een « hittegolf » gedefinieerd als zijnde een periode met minstens 5 opeenvolgende dagen met ten minste 25 graden (luchttemperatuur), waarvan op minstens 3 dagen 30 graden of meer wordt genoteerd te Ukkel.
voor de geloosde thermische vrachten gelden volgende waarden:
- maximale thermische vracht per dag:
- de thermische vracht berekend uit de technische gegevens van de installatie, uitgedrukt per dag;
- toegelaten thermische vrachten per dag:
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water tot maximum 25 °C is de lozing van de maximale thermische vracht toegestaan;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van meer dan 25 °C dient met ingang van de dag volgend op de dag waarop de gemeten temperatuur betrekking heeft, de geloosde thermische vracht verminderd; deze vermindering zal - behoudens wanneer veiligheidsredenen zich hiertegen verzetten - rechtevenredig zijn met de gemeten temperatuurstijging, derwijze dat de werkelijk geloosde thermische vracht wordt beperkt:
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van 26 °C: tot 70 % van de maximale thermische vracht per dag;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van 27 °C: tot 40 % van de maximale thermische vracht per dag;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van 28 °C: tot 10 % of minder van de maximale thermische vracht per dag;
voormelde verminderingen van de thermische dagvrachten dienen aangehouden zolang de gemeten gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water de hoger aangegeven emissiegrenswaarde overschrijdt;
voor de bepaling van de gemiddelde dagtemperatuur worden de uurwaarden in aanmerking genomen, zoals gemeten van de middag (12 h) van de ene dag tot de middag (12 h) van de daaropvolgende dag;

Tussentitel:.
Metingen en controle bij lozing van bedrijfsafvalwater, koelwater en influent/effluent van waterzuiveringsinstallaties


Afdeling 4.2.5.
Metingen en controle


Subafdeling 4.2.5.1.
Controle-inrichting en bemonsteringsapparatuur

Art. 4.2.5.1.1.

§ 1.

Bedrijfsafvalwater van inrichtingen die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater van meer dan 2 m3 per dag of 50 m3 per maand of 500 m3 per jaar lozen, moet worden geloosd via een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient deze controle-inrichting vanaf de hierna vermelde debieten bovendien te beantwoorden aan de volgende eisen:

- voor debieten > 2 m3/uur of > 20 m3/dag: de plaatsing van een meetgoot (bij voorkeur) volgens de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen of een andere evenwaardige meetmogelijkheid;
- voor debieten > 50 m3/uur (lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat) of > 100 m3/uur (lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat): de plaatsing van debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur volgens de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient de in § 1 voorgeschreven bemonsteringsapparatuur steeds in werking te zijn volgens de voorschriften van de constructeur, en in die zin dat er te allen tijde een 24-uur debietsproportioneel mengmonster kan worden genomen, om toe te laten de in art. 4.2.6.1. beschreven controlebemonstering uit te voeren.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden opgelegd dat via de in § 1 bedoelde controle-inrichting geen huishoudelijk afvalwater, koelwater, of hemelwater mag worden afgevoerd.


Art. 4.2.5.1.2.

Koelwater, van de inrichtingen die een maximale hoeveelheid koelwater lozen van meer dan 2 m³ per uur, wordt geloosd via een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde koelwater te kunnen controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen. Voor inrichtingen tot en met 100 m³ per uur wordt aan deze bepaling voldaan tegen 1 september 2018. Voor de inrichtingen die meer dan 100 m³ per uur koelwater lozen, wordt daarnaast het debiet continu geregistreerd, waarbij naast het ogenblikkelijke debiet ook het totale debiet per uur, per etmaal en per jaar weergegeven wordt.

 

Mits uitdrukkelijke vermelding in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, kunnen de debietsmetingen voor inrichtingen die een hoeveelheid koelwater groter dan 1.000 m³ per uur lozen, vervangen worden door een berekeningsmethode die gebaseerd is op gemeten inname-gegevens water, goedgekeurd door een erkende MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. 


Subafdeling 4.2.5.2.
Zelfcontroleprogramma bij de lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat

Art. 4.2.5.2.1.

§ 1.

De exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, loost van meer dan 30 m3 per uur, 600 m3 per dag en/of 15.000 m3 per maand, moet onverminderd de bepalingen van art. 4.2.5.1.1. ten minste éénmaal per kalenderjaar volgende metingen uitvoeren:

  het debiet, de temperatuur, de pH, het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof en het gehalte aan totale fosfor.

 

§ 2.

Aanvullend aan de in § 1 voorgeschreven metingen, moet de exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater loost van meer dan 100 m3 per uur, de als dusdanig in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde parameters meten overeenkomstig het meetprogramma beschreven in bijlage 4.2.5.2.

 

§ 3.

De monsternames, metingen of analyses, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden uitgevoerd op kosten van de exploitant, met apparatuur als vermeld in bijlage 4.2.5.1, en volgens de methode, vermeld in bijlage 4.2.5.2, hetzij door de exploitant, hetzij door een daarvoor erkend laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Als de monstername, meting of analyse door de exploitant gedaan wordt, wordt die uitgevoerd volgens een methode, goedgekeurd door een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende monstername, meting of analyse. Die goedkeuring is geldig voor maximaal drie jaar. De goedkeuring wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk.

 

In afwijking van de methode, vermeld in bijlage 4.2.5.2, kan een [...] inrichtingspecifieke methode gebruikt worden nadat de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, is bekomen van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4, §1, 36°, van het VLAREL.

 

§ 4.

De exploitant meldt aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de monsternames, metingen of analyses die hij zelf uitvoert en het laboratorium dat de goedkeuring van de methode, vermeld in paragraaf 3 verleend heeft. De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.


Subafdeling 4.2.5.3.
Zelfcontroleprogramma bij de lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat

Art. 4.2.5.3.1.

§ 1.

De exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat, loost van meer dan 15 m3 per uur, 300 m3 per dag en/of 7.500 m3 per maand moet, onverminderd de bepalingen van art. 4.2.5.1.1., ten minste éénmaal per kalenderjaar volgende metingen uitvoeren:

- het debiet, de temperatuur, de pH, het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof, het gehalte aan totale fosfor, de metalen totaal arseen, totaal cadmium, totaal chroom, totaal koper, totaal kwik, totaal lood, totaal nikkel, totaal zilver en totaal zink.
- naargelang de in hoofdstuk 5.3. vermelde aard van de bedrijvigheid, de volgende kenmerkende parameters:

aard van de
bedrijvigheid

alsvermeld in

bijlage 5.3.2.

kenmerkende parameter

sub 4°

AOX en hexachloorbenzeen (HCB)

sub 5°

chloroform, hexachloorbenzeen (HCB), AOX en tetrachloorkoolstof

sub 6°

chloroform

sub 7°

AOX en de som van aldrin, dieldrin, endrin en isodrin

sub 8°

chloroform

sub 9°

ammonium, benz(a)pyreen, vrije cyanide, fenolen, sulfaten en som van opgeloste sulfide en in zuur milieu oplosbare sulfide

sub 10°

DDT

sub 11°

1,2-dichloorethaan (EDC)

sub 12°

chloride en AOX

sub 15°

ammonium en totaal anorganische gebonden fluoride

sub 16°

chroom VI en AOX

sub 18°

hexachloorbenzeen (HCB), hexachloorbutadieën (HCBD) en hexachloorcyclohexaan (HCH)

sub 20°

vrije cyanide en totaal anorganische gebonden fluoride

sub 21°

AOX

sub 22°

PCB, vrije cyanide en chroom VI

sub 23°

chroom VI, fenolen, sulfaten en som van opgeloste sulfide en in zuur milieu oplosbare sulfide

sub 24°

totaal anorganisch gebonden fluoride

sub 26°

chloride

sub 27°

vrije cyanide, chroom VI, totaal anorganisch gebonden fluoride en sulfaten

sub 28°, e)

voor chemische pulp: AOX

sub 29°

pentachloorfenol

sub 30°

PER extraheerbare apolaire stoffen

sub 32°

TOC

sub 33°

TOC en totale stikstof

sub 35°

PCB

sub 36°

CZV

sub 41°

elektrische geleidbaarheid

sub 42°

ammonium

sub 44°, a

chroom VI, PCB, organochloorpesticiden, en chloroform

sub 44°, b

koolstofdisulfide, sulfaten en som van opgeloste sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide

sub 44°, d

sulfaten

sub 45°

totaal ijzer

sub 46°

trichloorbenzeen (TCB)

sub 47°

trichloorethyleen (TRI) en perchloorethyleen (PER)

sub 53°

vrije cyanide en AOX

sub 55°

opgelost fluoride en sulfaten

 

 

§ 2.

Aanvullend aan de in § 1 voorgeschreven metingen, moet de exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater loost van meer dan 50 m3 per uur, de als dusdanig in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde parameters meten overeenkomstig het meetprogramma beschreven in bijlage 4.2.5.2.

 

§ 3.

De monsternames, metingen of analyses, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden uitgevoerd op kosten van de exploitant, met apparatuur als vermeld in bijlage 4.2.5.1 bij dit besluit en volgens de methode, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij dit besluit, hetzij door de exploitant, hetzij door een daarvoor erkend laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Als de monstername, meting of analyse door de exploitant gedaan wordt, wordt die uitgevoerd volgens een methode, goedgekeurd door een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende monstername, meting of analyse. Die goedkeuring is geldig voor maximaal drie jaar. De goedkeuring wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk.

 

In afwijking van de methode, vermeld in bijlage 4.2.5.2, kan een [...] inrichtingspecifieke methode gebruikt worden nadat de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, is bekomen van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4, §1, 36°, van het VLAREL.

 

§ 4.

De exploitant meldt aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de monsternames, metingen of analyses die hij zelf uitvoert en het laboratorium die de goedkeuring van de methode, vermeld in paragraaf 3 verleend heeft. De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.


Subafdeling 4.2.5.4.
Controleprogramma bij de lozing van afvalwaterzuiveringsinstallaties waarin "stedelijk" afvalwater wordt behandeld

Art. 4.2.5.4.1.

§ 1.

In toepassing van artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden met het oog op de controle op de naleving van de toepasselijke emissiegrenswaarden debietsevenredige 24-uurmonsters of tijdsevenredige 24-uurmonsters genomen op vaste plaatsen in de inlaat en in de afvoer van de behandelingsinstallatie. Bij gebruik van tijdsevenredige monsters wordt een monsternamepauze van maximaal 10 minuten gehanteerd. De registratie van de debietsmeting moet naast het ogenblikkelijk resultaat ook het uurdebiet en het 24-uurdebiet weergeven. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit moet het debiet van het effluentwater continu geregistreerd worden.

 

Hierbij worden goede internationale laboratoriumpraktijken toegepast die gericht zijn op een zo gering mogelijke achteruitgang van het monster tussen de monsterneming en de analyse.

 

Ongeacht wat ter zake in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is opgelegd, moet geen enkele andere parameter dan het debiet continu worden bemonsterd noch gemeten.

 

§ 2.

Ongeacht wat ter zake in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is opgelegd, moeten op de debiets- of tijdsevenredige 24-uurmonsters, bedoeld in § 1, enkel worden bepaald:

 

het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof, het gehalte aan totale fosfor, en het gehalte van de metalen totaal arseen, totaal cadmium, totaal chroom, totaal koper, totaal kwik, totaal lood, totaal nikkel, totaal zilver en totaal zink.


Art. 4.2.5.4.2.

§ 1.

De in artikel 4.2.5.4.1. bedoelde metingen en analyses moeten worden uitgevoerd en beoordeeld overeenkomstig het programma en de criteria beschreven in bijlage 4.2.5.4.

 

§ 2.

De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthouders ligt.


Afdeling 4.2.6.
Beoordeling van de meetresultaten bij controle door de toezichthoudende overheid


Art. 4.2.6.1.

§ 1.

Bij het nemen van monsters van het geloosde afvalwater (bedrijfsafvalwater en koelwater), in het kader van de technische controle op de lozing van afvalwater, , vermeld in artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt ofwel minstens één schepmonster genomen ofwel een debietproportioneel 24uur-mengmonster ofwel gelijktijdig zowel minstens één schepmonster als een debietproportioneel 24uur-mengmonster.

 

§ 2.

Indien bij de analyse van een schepmonster blijkt dat de voor de parameters gemeten waarde, zonder verrekening van precisie en juistheid, hoger is dan tweemaal de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden. Voor de parameters debiet, zuurtegraad, temperatuur en voor de stoffen van bijlage 2C wordt de grenswaarde evenwel geacht te zijn overtreden wanneer de gemeten waarde, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameters voorziene meetonzekerheidseisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde. Als er geen emissiegrenswaarde voorhanden is, moet er getoetst worden aan het indelingscriterium voor gevaarlijke stoffen conform bijlage 2.3.1.

 

§ 3.

Indien bij de analyse van een schepmonster blijkt dat de voor een parameter, andere dan debiet, zuurtegraad, temperatuur en de stoffen van bijlage 2C, gemeten waarde lager is dan of gelijk is aan tweemaal de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde doch, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameter voorziene meetonzekerheidseisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde of indelingscriterium, (of bij gebrek hieraan de rapportagegrens die voor die parameter geldt ), dient te worden overgegaan tot de evaluatie van de voor die parameter gemeten waarde in een tweede monster. Dit tweede monster is ofwel het debietproportioneel 24uur-mengmonster dat gelijktijdig met het eerste monster genomen is of, indien slechts één monster genomen werd, een nieuw monster dat binnen een redelijke termijn genomen wordt. Indien ook de in dit tweede monster gemeten waarde, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameters voorziene meetonzekerheidseisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

 

§ 4.

Indien bij de analyse van een debietproportioneel 24uur-mengmonster blijkt dat de voor een parameter gemeten waarde, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameter voorziene meetonzekerheidseisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde of indelingscriterium, (of bij gebrek hieraan de rapportagegrens die voor die parameter geldt ), wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

 

§ 5.

Voor de beoordeling van grenswaarden voor lozingsvrachten wordt de concentratie in het debietproportioneel 24 uur-mengmonster vermenigvuldigd met het totaal geloosde debiet over deze 24 uur, telkens na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameters voorziene meetonzekerheidseisen. Indien blijkt dat deze geloosde vracht hoger is dan de grenswaarde voor deze lozingsvracht, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

 

§ 6.

Voor de beoordeling van verhoudingen van parameters worden de concentraties in het debietproportioneel 24 uur-mengmonster gebruikt. Indien de daarmee berekende waarde meer dan 50% afwijkt van de grenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.


Tussentitel:.
Lozing van huishoudelijk afvalwater


Afdeling 4.2.7.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan nog niet definitief in vastgesteld


Subafdeling 4.2.7.1.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in de gewone oppervlaktewaters of in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater

Art. 4.2.7.1.1. [...]

Art. 4.2.7.1.2. [...]

Subafdeling 4.2.7.2.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering

Art. 4.2.7.2.1. [...]

Subafdeling 4.2.7.3.
Werking en onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties, zoals septische putten

Art. 4.2.7.3.1. [...]

Afdeling 4.2.8.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld


Subafdeling 4.2.8.1.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in het individueel te optimaliseren buitengebied of het collectief te optimaliseren buitengebied


Art. 4.2.8.1.1.

§ 1.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld, luiden de algemene voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied of het collectief te optimaliseren buitengebied als volgt:

het te lozen afvalwater dat in zodanige hoeveelheden pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
de pH van het geloosde water mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen;

het het biochemisch zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20 °C van het geloosde water mag volgende waarde niet overschrijden: 25 milligram zuurstofverbruik per liter
in het geloosde afvalwater mag het volgende gehalte niet overschreden worden : 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
bovendien mag het geloosde afvalwater geen stoffen bevatten van bijlage 2C in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, noch alle andere stoffen, met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora of fauna;

een representatief monster van het geloosde afvalwater mag geen oliën, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een schei-trechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden
de installatie moet lekvrij zijn, structureel stabiel, duurzaam en corrosiebestendig.

 

§ 2.

Voor lozingen gelegen in een individueel te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1 te zijn voldaan indien het water minstens wordt gezuiverd door middel van een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, waarvan de capaciteit is afgestemd op het aangesloten IE. Het verwijderingspercentage van deze individuele behandelingsinstallatie bedraagt minimaal 90 % voor biochemisch zuurstofverbruik en minimaal 70 % voor zwevende stoffen.

 

§ 3.

De inrichtingen in het individueel te optimaliseren buitengebied waarvoor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is verleend voor de vaststelling van het definitieve zoneringsplan, moeten onmiddellijk aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2, voldoen, tenzij het anders vermeld is in het gebiedsdekkend uitvoeringsplan. Als er voorzien is in een bestaande individuele behandelingsinstallatie vóór het definitieve zoneringsplan is vastgesteld, wordt er geacht voldaan te zijn aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

 

§ 4.

Voor lozingen in het collectief te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, te zijn voldaan, als het afvalwater minstens gezuiverd wordt met een individuele voorbehandelingsinstallatie, die conform de code van goede praktijk gebouwd en uitgebaat is.

 

Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van meer dan tien tijdelijke sanitaire installaties die geplaatst worden in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, wordt het afvalwater minstens gezuiverd met een individuele behandelingsinstallatie waarvan de capaciteit is afgestemd op de aan te sluiten vuilvracht.

 

§ 5.

Indien het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in het collectief geoptimaliseerde buitengebied, is de noodzaak tot afkoppeling van de bestaande individuele voorbehandelingsinstallatie in het veranderde gedeelte afhankelijk van de afwateringssituatie en/of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie.

 

§ 6.

Indien het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in het collectief geoptimaliseerde buitengebied moeten de bestaande individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater in het veranderde gedeelte afgekoppeld worden.


Art. 4.2.8.1.2.

Wanneer de openbare weg niet van openbare riolering is voorzien en het bovendien niet mogelijk blijkt het afvalwater overeenkomstig de wetten en reglementen, in een naburige waterloop te lozen, is de lozing van huishoudelijk afvalwater in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater in toepassing van artikel 4.2.1.3 toegelaten onder dezelfde voorwaarden als deze van artikel 4.2.8.1.1.


Subafdeling 4.2.8.2.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied


Art. 4.2.8.2.1.

§ 1.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld is de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied, toegelaten onder de volgende algemene voorwaarden :

 

het geloosde afvalwater mag noch textielvezels, noch verpakkingsmateriaal in plastiek, noch vaste huishoudelijke afvalstoffen van organische of niet organische aard bevatten.
het geloosde afvalwater mag niet bevatten :
a)minerale oliën, ontvlambare stoffen en vluchtige solventen;
b)andere stoffen extraheerbaar met petroleumether, met een gehalte van hoger dan 0,5 g/l;
c)andere stoffen die het rioleringswater giftig of gevaarlijk kunnen maken.

 

§ 2.

In het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied wordt het huishoudelijk afvalwater bij voorkeur rechtstreeks geloosd in de openbare riolering. Indien de afwateringssituatie of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie dit vereist, kan door het gemeentebestuur opgelegd worden dat het afvalwater via een individuele voorbehandelingsinstallatie moet worden geleid alvorens te lozen in de openbare riolering.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

[...]


Art. 4.2.8.2.2.

Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, afkomstig van een tijdelijke sanitaire installatie die geplaatst wordt in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, moet een uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van de rioolwaterzuiveringsinstallatie verkregen worden.

 

In de aktename van de melding kunnen bijkomende voorwaarden in functie van de optimale werking van het afwaartse rioleringsstelsel, inclusief aanwezige overstorten, en van de rioolwaterzuiveringsinstallatie worden opgelegd.


Subafdeling 4.2.8.3.
Werking en onderhoud van inidividuele voorbehandelingsinstallaties


Art. 4.2.8.3.1.

De werking en het onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties moeten aan volgende algemene bepalingen beantwoorden :

het lozen van geruimd septisch materiaal in de openbare riolering of in de collectoren is verboden.
septisch materiaal moet afgevoerd worden naar een openbare waterzuiveringsinstallatie.

De openbare waterzuiveringsinstallatie kan (een deel van) de aangevoerde lading weigeren dewelke moet worden afgevoerd naar een daartoe vergunde verwerker.


Subafdeling 4.2.8.4.
Overgangsregels


Art. 4.2.8.4.1. [...]

Hoofdstuk 4.3.
BEHEERSING VAN BODEM- EN GRONDWATERVERONTREINIGING


Afdeling 4.3.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.3.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de lozingen in grondwater, zoals bedoeld in rubriek 52 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op:

de uitspreiding van meststoffen mits de opgelegde grenswaarden of toegelaten hoeveelheden en/of de gebruiksaanwijzingen volgens een code van goede praktijk worden nageleefd;
buiten de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II en III, de uitspreiding van stoffen voor gebruik in land- en tuinbouw, mits de opgelegde grenswaarden of toegelaten hoeveelheden en/of de gebruiksaanwijzingen worden nageleefd;
het direct of indirect lozen, het deponeren of opslaan van produkten en stoffen, die in zulk een geringe hoeveelheid en concentratie stoffen bevatten van de lijsten I en II van de bijlage 2B, dat elk gevaar voor de verontreiniging van het ontvangende grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten.
de injectie van kooldioxidestromen met het oog op opslag in geologische formaties die door hun aard blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden, op voorwaarde dat dergelijke injecties plaatsvinden overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond dan wel op grond van artikel 37, tweede lid, van voormeld decreet buiten de werkingssfeer ervan vallen.
het terugvoeren van bij de winning van aardwarmte opgepompt water in hetzelfde geothermische reservoir, op voorwaarde dat dergelijke injecties van water plaatsvinden conform het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond.

 

§ 3.

Directe lozingen van gevaarlijke stoffen van lijst I en II van bijlage 2B en indirecte lozingen van gevaarlijke stoffen van lijst I van bijlage 2B kunnen overeenkomstig art. 3 van het Besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen die het grondwater kunnen verontreinigen, niet worden vergund.


Art. 4.3.1.2.

§ 1.

Lozingen van stoffen van lijst I van bijlage 2B

 

Elke lozing van stoffen van lijst I van bijlage 2B in het grondwater is verboden.

 

Handelingen, zoals bedoeld in de rubrieken 52.1.1.3°, 52.1.2. en 52.2.3° waarbij de vermelde gevaarlijke stoffen worden verwijderd of met het oog op hun verwijdering worden gestort, kunnen slechts vergund worden overeenkomstig het bepaalde in art. 2.4.1.1. en mits alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat de stoffen geen aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere eco-systemen.

 

§ 2.

Lozingen van stoffen van lijst II van bijlage 2B

 

elke directe lozing van stoffen van lijst II van bijlage 2B is verboden.
stoffen van lijst II van bijlage 2B kunnen slechts in het grondwater worden geloosd mits alle vereiste voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze lozing:
a) de gezondheid van de mens of de watervoorziening niet in gevaar kan brengen;
b) het leven en de eco-systemen in het water niet kan schaden;
c) een ander rechtmatig gebruik van het water niet kan hinderen.

Afdeling 4.3.2.
Indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater dat stoffen van lijst II van bijlage 2B bevat


Art. 4.3.2.1.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden opgelegd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing op de indirecte lozing van bedrijfsafvalwater in grondwater, zoals vermeld in de subrubrieken 52.1.1, 2°, en 52.2, 2°, van de indelingslijst :

 

elke lozingsmethode waarbij het afvalwater rechtstreeks in de bodem of in een grondwaterlaag wordt geïnjecteerd is verboden;
elke lozing van afvalstoffen, zoals afvalolie, verfresten, e.d., is ten strengste verboden;
de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput die aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) een maximale diepte van 10 m onder het maaiveld;
b) zich bevinden op een afstand van ten minste :
  1°  75 m van een oppervlaktewater;
  75 m van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
  200 m van een grondwaterwinning; 
  200 m van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater; 
c) geen overloop hebben; 
d) voorzien zijn van een gemakkelijk en veilig bereikbare opening die toelaat monsters te nemen van de materie die zich in de besterfput bevindt; 
met betrekking tot de afgevoerde afvalwaters gelden voor de respectieve parameters als emissiegrenswaarden, de richtwaarden als bedoeld in artikel 2.4.1.1; deze emissiegrenswaarden zijn absolute waarden die op elk ogenblik moeten worden nageleefd; in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen in functie van de milieukwaliteitsnormen, vastgesteld in artikel 2.4.1.1 en 2.4.2.1, strengere emissiegrenswaarden worden vastgesteld; in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen daarenboven beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de maximum debieten die per uur, per dag, per maand of per jaar naar de besterfput, vermeld in punt 3°, mogen worden afgevoerd;
de indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater dat stoffen van lijst II van bijlage 2B [...] bevat, is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien of als het gezuiverde afvalwater, rekening houdend met de afstandsregels, vermeld in punt 3°, b), in een gewoon oppervlaktewater of overeenkomstig artikel 4.2.1.3 in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater geloosd kan worden.

 


Art. 4.3.2.2.

§ 1.

De bedrijfsafvalwaters moeten vooraleer in de besterfput te worden geloosd:

eerst worden behandeld in een waterbehandelingsinstallatie,;
na behandeling afgevoerd worden naar een controleput die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk afgevoerde afvalwater te controleren, en inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van dit afvalwater te nemen.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde controleput moet beantwoorden aan de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden opgelegd dat langs deze controleput geen huishoudelijk afvalwater of hemelwater mag worden afgevoerd.

 

§ 3.

In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant op zijn kosten in de omgeving van de besterfput tenminste drie grondwatermeetputten aan te leggen teneinde tot de controle van het grondwater te kunnen overgaan. Tenminste één meetput dient zich te bevinden in het gebied waar het grondwater binnenstroomt (0-niveau) en twee meetputten in het gebied waar het grondwater uitstroomt. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan de ligging en de diepte van de putten nader worden bepaald.

 

Voormelde grondwatermeetputten dienen daarenboven te voldoen aan de volgende voorwaarden:

elke meetput is duidelijk geïdentificeerd;
de peilputten worden met een slot afgegrendeld;
een nivelleringsstreep met vermelding van het bijhorende TAW-niveau (Tweede Algemene Waterpassing) is duidelijk aangebracht;

 

De Afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving dient tenminste 10 dagen vóór de aanvang van de werken in kennis gesteld van de aanleg van de in het eerste lid bedoelde meetputten. Na het aanleggen dienen deze meetputten aan een testpomping onderworpen. De exploitant moet een technische steekkaart, opgemaakt of geattesteerd door de aannemer die de meetputten heeft aangelegd, en die alle technische gegevens in verband met de constructie en de uitgevoerde testpomping bevat, ter beschikking houden van de toezichthouder.


Art. 4.3.2.3.

§ 1.

Indien de maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater die naar de in artikel 4.3.2.1. bedoelde besterfput wordt afgevoerd, groter is dan 10 m3 per dag of 250 m3 per maand of 2.500 m3 per jaar, dient de exploitant daarenboven op zijn kosten over te gaan tot de volgende metingen:

controle op de in de besterfput geloosde afvalwaters:
a) continue meting van het debiet;
b) driemaandelijkse meting van het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof alsmede het gehalte aan totale fosfor;
c) halfjaarlijkse meting van de som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink alsmede van de som van de metalen cadmium en kwik;
d) meting van de andere relevante parameters die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn opgelegd, waaronder stoffen die niet van nature uit voorkomen in de te beschermen watervoerende laag;
ter controle van het grondwater dienen de volgende parameters in het water in de in artikel 4.3.2.2. bedoelde grondwatermeetputten tenminste halfjaarlijks gemeten:
- het grondwaterniveau;
- BZV;
- CZV;
- geleidingsvermogen;
- T.O.C.
- geabsorbeerde organisch gebonden halogenen (AOX);
- arseen;
- lood;
- cadmium;
- chroom;
- cyanide;
- dezelfde stoffen als bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit in toepassing van 1°, d) hierboven.

 

§ 2.

De monsternames, metingen en analyses, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd op kosten van de exploitant conform de methode, vermeld in artikel 4 van bijlage 4.2.5.2, die bij dit besluit is gevoegd, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode die goedgekeurd is door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, hetzij door het laboratorium zelf. De goedkeuring is maximaal drie jaar geldig en wordt uitgevoerd conform een code van goed praktijk.

 

In afwijking van de methode, vermeld in bijlage 4.2.5.2, die bij dit besluit is gevoegd, kan een inrichtingsspecifieke methode gebruikt worden nadat de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, is verkregen van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4, §1, 36°, van het VLAREL.

 

§ 3.

In het geval, vermeld in paragraaf 1, meldt de exploitant aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de monsternames, metingen of analyses die hij zelf uitvoert en het laboratorium dat de goedkeuring van de methode, vermeld in paragraaf 2, verleend heeft. De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat voor de toezichthouder altijd ter inzage ligt.


Afdeling 4.3.3.
Indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater


Art. 4.3.3.1.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden opgelegd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing op de indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater, zoals vermeld in de subrubriek 52.1.1, 1°, en 52.2, 1°, van de indelingslijst :

 

elke lozingsmethode waarbij het afvalwater rechtstreeks in de bodem of in een grondwaterlaag wordt geïnjecteerd is verboden;
alleen de lozing van huishoudelijk afvalwater is toegestaan; het is verboden hierin afvalstoffen te lozen of te laten toekomen;
de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput die aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) een maximale diepte van 10 m onder het maaiveld;
b) zich bevinden op een afstand van ten minste :
  50 m van een oppervlaktewater;
  50 m van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater; 
  100 m van een grondwaterwinning; 
  100 m van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater;  
c) geen overloop hebben;
d) voorzien zijn van een gemakkelijk en veilig bereikbare opening die toelaat monsters te nemen van de materie die zich in de besterfput bevindt; 
de indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien of als het gezuiverde afvalwater, rekening houdend met de afstandsregels, vermeld in punt 3°, b), in een gewoon oppervlaktewater of overeenkomstig artikel 4.2.1.3 in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater geloosd kan worden;
het huishoudelijk afvalwater moet voor het in een besterfput geloosd wordt, behandeld worden volgens de algemene voorwaarden, vermeld in [...] afdeling 4.2.8.

 


Hoofdstuk 4.4.
BEHEERSING VAN LUCHTVERONTREINIGING


Afdeling 4.4.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.4.1.1. [...]

Art. 4.4.1.2.

In de beschermingszones en in de speciale beschermingszones, zoals gedefinieerd in art. 1.1.2. is, onverminderd de bepalingen van dit reglement die voor het hele grondgebied, met inbegrip van bedoelde zones, van toepassing zijn, het gebruik van voor verwarming van gebouwen bestemde brandstof aan volgende regels onderworpen:

a) de verbranding van turf, van bruinkool en van niet-rookloze kolenagglomeraten is verboden
b) het zwavelgehalte van vloeibare brandstoffen mag niet meer bedragen dan 1 % van het gewicht, ongeacht het type van de gebruikte vloeibare brandstof;
c) het gehalte aan vluchtige zwavel van vaste brandstoffen mag niet meer bedragen dan 1 % van het gewicht.

Afdeling 4.4.2.
Algemene installatievoorschriften


BBT.


Art. 4.4.2.1.

De installaties worden ontworpen, gebouwd en geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk zodat de luchtverontreiniging die van die installaties afkomstig is, maximaal wordt beperkt en indien mogelijk zelfs wordt voorkomen. De installaties worden daarvoor uitgerust en geëxploiteerd met middelen ter beperking van de emissies die met de beste beschikbare technieken overeenkomen. De emissiebeperkende maatregelen zijn gericht op zowel een vermindering van de massaconcentratie als een vermindering van de massastromen van de installatie uitgaande luchtverontreiniging. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

maatregelen ter vermindering van de hoeveelheid afgas, zoals inkapselen van installatiedelen en doelgericht opvangen van stromen afgas;
maatregelen ter optimalisering van de gebruikte stoffen en energie;
maatregelen ter optimalisering van de handelingen voor opstarten en stilleggen en overige bijzondere bedrijfsomstandigheden.

 

Voor bestaande installaties wordt bij de toepassing van de eis met betrekking tot het gebruik van de beste beschikbare technieken, vermeld in het eerste lid, rekening gehouden met:

de technische kenmerken van de inrichting;
de gebruiksgraad en de residuele levensduur van de inrichting;
de aard en het volume van de verontreinigende emissies van de inrichting;
de wenselijkheid om geen overmatige hoge kosten te veroorzaken voor de betrokken inrichting, met name rekening houdend met de economische situatie van de ondernemingen die tot de betrokken categorie behoren.

Evacuatie afvalgassen.


Art. 4.4.2.2.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.4.2.1 worden dampen, nevels en afgassen op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en, na de eventueel noodzakelijke zuivering ter naleving van de emissie- en immissievoorschriften die van toepassing zijn, geëmitteerd.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vindt de emissie naar de lucht plaats via een schoorsteen die minstens 1 meter hoger is dan de nok van het dak van de woningen, bedrijfs- en andere gebouwen die gewoonlijk door mensen bezet zijn, gelegen in een straal van 50 meter rond de schoorsteen. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan een minimumschoorsteenhoogte worden opgelegd. Dit tweede lid is niet van toepassing voor bestaande inrichtingen.

 

De schoorsteen is, met behoud van de toepassing van artikel 4.4.2.3, voldoende hoog met het oog op een voldoende spreiding van de geloosde stoffen vanuit milieuoogpunt en voor de volksgezondheid.

 

De schoorsteen wordt uitgerust met meetopeningen, uitgevoerd overeenkomstig een code van goede praktijk en, met het oog op de veilige en praktische uitvoering van de controlemetingen, met een meetplatform of gelijkwaardig alternatief.

 

Voor installaties die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het vierde lid, vanaf 1 juli 2017, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

De afvalgassen dienen in elk geval via één of meer schoorstenen of andere geleide kanalen geloosd wanneer de totale emissies afkomstig van de inrichting voor één of meer van de volgende verontreinigende stoffen de hierna aangegeven emissiewaarde (onder emissiewaarde wordt hier verstaan: de gemiddelde waarde per bedrijfsuur van de emissies over één kalenderweek onder de inzake luchtverontreiniging meest ongunstige normale bedrijfsomstandigheden) overschrijdt:

 

 

Parameter

emissiewaarde in kg/uur

Stikstofoxiden (uitgedrukt in NO)

40

Zwaveldioxide

60

totaal stof

15

Lood

0,5

Cadmium

0,01

Thallium

0,01

Chloor

20

Chloorwaterstof en anorganische gasvormige chloorverbindingen (uitgedrukt in Cl)

20

Fluorwaterstof en anorganische gasvormige fluorverbindingen (uitgedrukt in F)

1

Koolmonoxide

1.000

 

 


Minimumhoogte schoorstenen of geleide kanalen.


Art. 4.4.2.3.

§ 1.

Als de emissies van verontreinigende stoffen meer bedragen dan de emissiewaarden vermeld in artikel 4.4.2.2, §2, wordt de minimumhoogte van de schoorsteen bepaald conform het schoorsteenhoogte- en verspreidingsberekeningssysteem, vermeld in bijlage 4.4.1. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de minimumhoogte wordt bepaald volgens een andere gelijkwaardige code van goede praktijk goedgekeurd door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL.

 

[...]

 

§ 2.

In geval de werkelijke hoogte van de schoorsteen [...] om stedebouwkundige redenen, om redenen van ruimtelijke ordening of enige andere reden, lager is dan de minimumhoogte resulterend uit het in paragraaf 1 vermelde berekeningssysteem, worden de toelaatbare emissies van verontreinigende stoffen verder beperkt tot de emissiegrenswaarden die volgens het in het eerste lid vermelde berekeningssysteem geen aanleiding geven tot een overschrijding van de overeenkomstig dit reglement van toepassing zijnde milieukwaliteitsnormen voor de lucht.


Mededelingsplicht.


Art. 4.4.2.4.

De exploitant houdt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, ter beschikking van de toezichthouder. Bij de exploitatie van een nieuwe installatie wordt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, uitgevoerd vóór de ingebruikname van de installatie.


[...].


Art. 4.4.2.5. [...]

Afdeling 4.4.3.
Emissiegrenswaarden


Art. 4.4.3.1.

§ 1.

De algemene emissiegrenswaarden, vermeld in bijlage 4.4.2, zijn van toepassing op de geloosde afgassen.

 

Bij aanwezigheid van verscheidene stoffen die samen onder een van de punten 6°, 7°, 8°, 9° 10°, 11°, 12°, 13°, 14° en 15°, vermeld in bijlage 4.4.2, zijn geklasseerd, gelden de emissiegrenswaarden, die per stof zijn voorgeschreven, ook voor de som van de verschillende samen onder één subpunt geklasseerde stoffen.

 

Bij aanwezigheid van stoffen als vermeld in punt 9°, 10° en 11° van bijlage 4.4.2, mag, bij een totale massastroom van 3 kg/uur of meer, de massaconcentratie in het afgas 150 mg/Nm³ niet overschrijden.

 

§ 2.

Stoffen die niet in de lijst van organische stoffen voorkomen, worden gerekend tot de groep waarvan de stoffen wat betreft hun invloed op het milieu die stoffen het meest nabijkomen. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afbreekbaarheid en bio-accumulatie, toxiciteit, invloeden van afbraakprocessen met hun betreffende reactieproducten en geurintensiteit. Dat kan geregeld worden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Art. 4.4.3.2.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen:

in functie van de milieukwaliteitsnormen voor de lucht strengere emissiegrenswaarden worden opgelegd;
bij emissies waar stoom het dragergas en hoofdbestanddeel is, in afwijking van artikel 4.4.3.3, §1, de emissiegrenswaarden met inbegrip van het watergehalte worden toegepast. Emissies met natte pluimen als gevolg van natte gaswassers zijn uitgesloten van deze bepaling; de vergunningverlenende overheid doet daarover uitspraak in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
emissiegrenswaarden voor bepaalde stoffen worden opgelegd, uitgedrukt in massastromen;
emissiebeperkingen worden opgelegd voor al dan niet gespecifieerde stoffen, uitgedrukt in maximale stofneerslaghoeveelheden op de bodem in de omgeving van de inrichting of in milieukwaliteitsnormen in de omgevingslucht rondom de inrichting.

Art. 4.4.3.3.

§ 1.

Emissiegrenswaarden in de vorm van concentraties worden uitgedrukt in mg/Nm³ en hebben betrekking op geleide emissies in de volgende omstandigheden: temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, droog gas. De luchthoeveelheden die naar een onderdeel van de installatie worden toegevoerd om het afgas te verdunnen of af te koelen, blijven bij de bepaling van de emissiewaarden buiten beschouwing.

 

§ 2.

De emissiegrenswaarden gelden voor elk emissiepunt waarvoor de grensmassastroom, vermeld in bijlage 4.4.2 of in andere bepalingen van dit besluit, wordt overschreden.

Als voor de hele milieutechnische eenheid de grensmassastroom, vermeld in bijlage 4.4.2 of in andere bepalingen van dit besluit, wordt overschreden, voldoet ook de debietgewogen gemiddelde concentratie van de emissies uit de milieutechnische eenheid aan de emissiegrenswaarden.

 

[...]

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, geldt voor de geloosde afgassen een referentiezuurstofgehalte van 18% als naverbranding gebruikt wordt als afgasreinigingstechniek.

 

§ 4.

Voor de berekening van de emissiewaarden bij het referentiezuurstofgehalte wordt de volgende omrekeningsformule gebruikt:

 

ER= EM * ((21-OR)/ (21-OM)), waarbij:

EM: gemeten emissie;
ER: emissie betrokken op referentiewaarde;
OR: referentiezuurstofgehalte;
OM: gemeten zuurstofgehalte.

Afdeling 4.4.4.
Meetstrategie en toetsing meetwaarden


Art. 4.4.4.1.

§ 1.

De parameters SOx, NOx en totaal stof worden ten minste maandelijks op kosten van de exploitant gemeten bij een massastroom van de beschouwde stof van respectievelijk 5 kg SOx/h of meer, uitgedrukt als SO2, 5 kg NOx/h of meer, uitgedrukt als NO2, of 200 g stof/h of meer.

 

§ 2.

Als de massastroom van de parameters SO2, NOx en totaal stof, groter is dan respectievelijk 50 kg SO2/h, 30 kg NOx/h, uitgedrukt als NO2, of 5 kg stof/h, worden de emissiewaarden van die stof of die stoffen continu gemeten.

 

Als de emissiewaarden voor zwaveldioxide continu gemeten worden, kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bepaald worden op welke wijze de emissiewaarden voor zwaveltrioxide bepaald worden en inbegrepen worden in de toetsing aan de emissiegrenswaarde voor zwaveloxiden.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de continue metingen, vermeld in het eerste lid, worden vervangen door andere controles die de emissiewaarden met een gelijkwaardige nauwkeurigheid kunnen bepalen, met goedkeuring door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Als de voormelde andere controles komen in aanmerking:

de continue vaststelling van de doeltreffendheid van de installaties tot emissievermindering;
de continue vaststelling van de samenstelling van de brandstoffen of van de verwerkte stoffen of van de procesomstandigheden;
enige andere gelijkwaardige continue controle.

 

In het geval, vermeld in het derde lid, wordt ten minste eenmaal per maand gemeten.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen daarenboven de volgende metingen worden opgelegd:

metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van emissies van andere relevante parameters;
metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van immissies van bepaalde stoffen in de omgeving van de inrichting;
metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van de neerslag van bepaalde stoffen op de bodem in de omgeving van de inrichting.

 

§ 4.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 en 3, geldt met betrekking tot de meetmethode, de monsterneming, de te meten relevante parameters, de meetfrequentie, het controlemeetprogramma en de beoordeling van de meetresultaten van de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn, de meetstrategie voor luchtverontreinigende stoffen, vermeld in artikel 4.4.4.2 tot en met 4.4.4.5, en bijlage 4.4.3 en 4.4.4.

 

Voor installaties die niet continu in bedrijf zijn, kan, na goedkeuring door de toezichthouder, de meetfrequentie worden afgestemd op de periodes dat de installatie effectief in gebruik is. De werking van de installatie wordt in dat geval continu geregistreerd.

 

§ 5.

Tegelijkertijd met de uitvoering van de periodieke en continue metingen van de relevante parameters, worden de betrokken procesparameters, namelijk minimaal waterdampgehalte, temperatuur, druk en debiet periodiek dan wel continu gemeten en geregistreerd. De meting van die procesparameters is niet vereist als die maar een beperkte variatie vertonen die verwaarloosbaar is voor de bepaling van de emissiewaarden of als die met andere methoden met een voldoende zekerheid bepaald kunnen worden.

 

§6.

De meetfrequentie, vermeld in bijlage 4.4.3, en het controleprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, worden toegepast op het geheel van de milieutechnische eenheid.

 

Om de emissies van de milieutechnische eenheid te bepalen, wordt er bij de start van het meetprogramma op alle emissiepunten gemeten. Hetzelfde geldt bij wijzigingen in het productieproces die een wijziging van de emissies kunnen veroorzaken.

 

Op basis van de meetresultaten, verkregen conform het tweede lid, kunnen voor de verdere meting deelstromen worden weggelaten die niet of niet significant bijdragen tot de emissies. Het weglaten van de metingen op bepaalde deelstromen wordt aanvaard als de massastroom van de betreffende deelstroom de massastroom, vermeld in bijlage 4.4.3, niet overschrijdt, in een van de volgende gevallen:

 

de som van de emissies van de gemeten deelstromen bedraagt maximaal 5% van de emissies van de verontreinigende stof in kwestie voor de hele milieutechnische eenheid en de massastromen van de individuele deelstromen overschrijden de massastromen, vermeld in paragraaf 1, paragraaf 2 of bijlage 4.4.3, niet;
het is vooraf goedgekeurd door de toezichthouder.

 

Op basis van de meetresultaten, verkregen conform het tweede lid, kunnen voor de verdere meting deelstromen met een verminderde meetfrequentie worden gemeten. De verminderde meetfrequentie die zal worden toegepast, wordt vooraf goedgekeurd door de toezichthouder en voldoet minimaal aan de meetfrequentie, vermeld in bijlage 4.4.3, op basis van de massastroom van de betreffende deelstroom. Indien de toezichthouder niet binnen de twee maand reageert op de aanvraag voor de verminderde meetfrequentie, wordt de aanvraag van rechtswege goedgekeurd.

 


Art. 4.4.4.2.

§ 1.

De meetmethode omvat de monsterneming, de analyse en de berekening van het resultaat.

 

§ 2.

De bemonstering en analyse van de verontreinigende stoffen in kwestie en de metingen van procesparameters, alsook de referentiemeetmethoden om de geautomatiseerde systemen te ijken, worden uitgevoerd volgens de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2. Als er geen meetmethoden zijn opgenomen in deze bijlagen, worden de volgende methoden toegepast:

de methoden, vermeld in de toepasselijke bepalingen in de wetten, decreten en besluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest;
de methoden, vermeld in Belgische normen die uitgegeven zijn door het NBN;
de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door de International Organisation for Standardization (ISO);
de methoden van een in die materie onderlegde instelling of erkend laboratorium, die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4, §1, 36°, van het VLAREL, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, geschikt bevonden zijn.

 

De volgorde, vermeld in het eerste lid, is bepalend. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, kan de methoden, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, nader bepalen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de meetmethoden, vermeld in het eerste lid, vervangen worden door andere controles die de emissiewaarden met een gelijkwaardige nauwkeurigheid kunnen bepalen, met goedkeuring door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Als de voormelde andere controles komen in aanmerking:

de continue vaststelling van de doeltreffendheid van de installaties tot emissievermindering;
de continue vaststelling van de samenstelling van de brandstoffen of van de verwerkte stoffen of van de procesomstandigheden;
enige andere gelijkwaardige controle;
het opmaken van massabalansen.

 

Voor de meting van asbestemissies, wordt hetzij de gravimetrische methode, hetzij de telbare-vezelmethode, vermeld in bijlage 4.4.5, aangewend.

 

§2bis.

Emissiemetingen van batchprocessen worden uitgevoerd en gerapporteerd conform een code van goede praktijk.

 

§ 3.

De bepalingsdrempel, de gevoeligheid, de precisie en de betrouwbaarheid van de methode zijn aangepast aan de emissiegrenswaarde die voor de te meten stof voorgeschreven is. Het meetbereik bestrijkt ten minste het gebied dat gelegen is tussen 0,1 maal de emissiegrenswaarde en drie maal de emissiegrenswaarde.

In afwijking van het eerste lid is in geval van geautomatiseerde meetsystemen de vereiste van een meetbereik tot drie maal de emissiegrenswaarde ondergeschikt aan de vereiste voor aangepaste gevoeligheid, precisie en betrouwbaarheid, voor zover piekconcentraties steeds gemeten kunnen worden.

 

§ 4.

De periodieke metingen die overeenkomstig dit besluit of door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd op kosten van de exploitant door een voor deze metingen erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, of door de exploitant zelf.

 

Als de metingen uitgevoerd worden door de exploitant, worden de apparatuur en de meetmethode goedgekeurd door een laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende meting. De goedkeuring wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk. Die goedkeuring is geldig voor maximaal drie jaar.

 

In afwijking van de methode, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kan een inrichtingsspecifieke methode gebruikt worden nadat de goedkeuring, vermeld in het tweede lid, is verkregen van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4, §1, 36°, van het VLAREL.

 

De continue metingen die overeenkomstig dit besluit of door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd op initiatief en op kosten van de exploitant door middel van geautomatiseerde meetsystemen die zijn goedgekeurd door een laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende continue meting.

 

De geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden gecontroleerd en worden ten minste om de drie jaar gekeurd of gekalibreerd door een laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende continue meting. De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen wordt tot 30 juni 2017 uitgevoerd conform een code van goede praktijk. Vanaf 1 juli 2017 wordt de kwaliteitsborging uitgevoerd volgens de CEN-normen en de bijkomende bepalingen uit de code van goede praktijk.

 

§ 5.

Bij de beoordeling van de eerbiediging van de emissiegrenswaarden mag de som van alle systematische en toevallige fouten van de monsterneming en de analyse samen niet meer bedragen dan 30% van het resultaat van de meting, met uitzondering van de meting van asbestemissies. De meting van asbestemissies moet voldoen aan de bepalingen, vermeld in bijlage 4.4.5.

 

§ 6.

De exploitant meldt aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de metingen die hij zelf uitvoert en het laboratorium dat de goedkeuring van de meetmethode, vermeld in paragraaf 4, verleend heeft. De exploitant houdt deze goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.

 


Art. 4.4.4.3.

Voor het bepalen van een meetwaarde kunnen de volgende bemonsteringsmethoden worden aangewend:

continue bemonstering gedurende de volledige referentieperiode;
bemonstering gedurende een aantal opeenvolgende tijdsintervallen van één uur die de volledige referentieperiode omvatten; de meetwaarde overeenstemmend met de beschouwde referentieperiode wordt daarbij berekend als het debiet- en tijdgewogen rekenkundige gemiddelde van de verschillende metingen;
3° 

discontinue bemonstering tijdens de referentieperiode, waarbij de monsternemingsduur van de verschillende bemonsteringen ten hoogste een factor 2 mag verschillen. De meetwaarde die overeenstemt met de beschouwde referentieperiode, wordt daarbij berekend als het debiet- en tijdgewogen rekenkundige gemiddelde van de verschillende metingen. In dat geval wordt afhankelijk van de toegepaste monsternemingsduur ten minste het volgende aantal monsters genomen:

 

monsternemingsduur

minimumaantal monsters

voor een referentieperiode van 1 uur:

< 2,5 minuten

4

2,5 tot 15 minuten

3

15 tot 30 minuten

2

30 minuten tot 1 uur

1

voor referentieperioden die langer dan 1 uur duren:

< 15 minuten

4

15 tot 60 minuten

3

1 tot 2 uur

2

2 uur of meer

1

voor batchprocedés die minder dan 1 uur duren: het aantal monsters, vermeld in punt a). Als het batchproces te kort is om een gepast aantal bemonsteringen uit te voeren, wordt bemonsterd gedurende verschillende opeenvolgende batches.

 

De monsternemingsduur of frequentie wordt zo nodig verhoogd als men met de aangegeven monsternemingsduur of frequentie niet tot een betrouwbaar eindresultaat komt.

 

De referentieperiode kan worden opgesplitst in de tijd in verschillende periodes [...] als dat vereist is om tot een representatief eindresultaat te komen.

 

De uitvoerder van de metingen verifieert dat de gekozen monsternemingsduur en meetfrequentie en in voorkomend geval het opsplitsen in de tijd een representatief gemiddelde oplevert voor de voorgeschreven referentiemethode.


Art. 4.4.4.4.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van de metingen die overeenkomstig de andere bepalingen van dit besluit of door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn voorgeschreven, worden op kosten van de exploitant in de geloosde afgassen de parameters, vermeld in bijlage 4.4.3, met de aangegeven meetfrequentie gemeten.

 

Bij aanwezigheid van verscheidene stoffen die onder hetzelfde punt in bijlage 4.4.2 zijn geklasseerd, gelden de meetfrequenties die per stof zijn voorgeschreven, ook voor de som van de verschillende stoffen die onder hetzelfde punt in de voormelde bijlage geklasseerd zijn, behalve voor de stoffen, vermeld in punt 2°, 3°, 4° en 5°, van de voormelde bijlage.

 

Stoffen die niet in de lijst van organische stoffen voorkomen, worden gerekend tot de groep waarvan de stoffen, wat betreft hun invloed op het milieu, het meest bij die stoffen aansluiten. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afbreekbaarheid en bioaccumulatie, de toxiciteit, de invloeden van afbraakprocessen met hun betreffende reactieproducten en de geurintensiteit. Dat kan geregeld worden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan daarenboven de meting van parameters waarvan de meting niet door dit besluit is voorgeschreven, worden opgelegd. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden ook die relevante parameters gemeten volgens de meetfrequentie die wordt voorgeschreven in dit artikel.

 

Voor alle parameters die voor de betrokken activiteiten relevant zijn en waarvoor de meetfrequentie noch in dit artikel, noch in andere delen van dit reglement, noch in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is bepaald, geldt een zesmaandelijkse meetfrequentie.

 

§ 2.

De meetfrequentie, vermeld in paragraaf 1, wordt nageleefd gedurende het eerste jaar na de ingebruikname van de installatie. Als de exploitant het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, toepast, kan na die periode de meetfrequentie voor een of meer parameters aangepast worden conform bijlage 4.4.4.


Art. 4.4.4.5.

Het geloosde afgas, al of niet na behandeling in een afgasbehandelingsinstallatie, wordt in de volgende gevallen en onder de volgende voorwaarden geacht in overeenstemming te zijn met emissiegrenswaarden die zijn opgelegd in dit besluit of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit:

in geval er geen maandelijkse of met een grotere frequentie uitgevoerde periodieke meting uitgevoerd wordt: als elke waarde die gemeten wordt gedurende de referentieperiode, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, lager is dan of gelijk aan de emissiegrenswaarde die door dit reglement of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt voorgeschreven;
in geval er een maandelijkse of met een grotere frequentie uitgevoerde periodieke meting uitgevoerd wordt: als aan ten minste een van de beide volgende voorwaarden is voldaan:
a) als elke gedurende de referentieperiode gemeten waarde, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, lager is dan of gelijk aan de door dit besluit of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteitomgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voorgeschreven emissiegrenswaarde;
b) als tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1) geen enkele van de, op basis van de gedurende de referentieperiode gemeten waarden, berekende daggemiddelde waarden mag, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, de emissiegrenswaarde, die door dit besluit of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt voorgeschreven, overschrijden;
2) van al de in een bepaald kalenderjaar gedurende de referentieperiode gemeten gemiddelden, mag, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, maximaal het aantal, vermeld in punt 3°, gedurende de referentieperiode gemeten gemiddelden de emissiegrenswaarde, die door dit besluit of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt voorgeschreven, overschrijden;
3) geen enkel gedurende de referentieperiode gemeten gemiddelde, mag, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, hoger zijn dan de waarde die overeenstemt met tweemaal de emissiegrenswaarde, die door dit besluit of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt voorgeschreven. Deze bepaling geldt evenwel niet voor opstart- en stilleghandelingen waarbij het overschrijden van het tweevoud van de voorgeschreven emissiegrenswaarde niet kan worden verhinderd; met betrekking tot die opstart- en stilleghandelingen kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bijzondere voorwaarden of beperkingen worden opgelegd;
voor de toepassing van punt 2° wordt het maximale aantal monsters per kalenderjaar, dat niet voldoet aan de emissiegrenswaarden, op basis van het aantal gedurende de referentieperiode uitgevoerde monsternames, als volgt vastgesteld:

aantal per kalenderjaar genomen monsters gedurende de referentieperiode

maximaal toegestaan aantal monsters dat niet voldoet aan de emissiegrenswaarden

12 - 19

0

20 - 40

1

41 - 60

2

61 - 80

3

81 - 100

4

101 - 120

5

121 - 140

6

141 - 160

7

161 - 180

8

181 - 200

9

201 - 220

10

221 - 240

11

241 - 260

12

261 - 280

13

281 - 300

14

301 - 320

15

321 - 340

16

341 - 365

17

bij continue metingen wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden als uit de evaluatie van alle beschikbare resultaten voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar, en rekening houdende met de meetonnauwkeurigheid, volgt dat:
a) geen daggemiddelde boven de emissiegrenswaarde ligt;
b) 97 % van de uur- of halfuurgemiddelden niet hoger ligt dan 6/5 van de emissiegrenswaarde;
c) geen enkel uur- of halfuurgemiddelde hoger ligt dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.
Bij de berekening van de gemiddelde emissiewaarden worden de waarden die zijn gemeten in de periodes van opstarten en stilleggen buiten beschouwing gelaten. 

 

Een dag waarvan meer dan drie uurgemiddelden of meer dan zes halfuurgemiddelden ongeldig zijn wegens storing of onderhoud van het geautomatiseerde meetsysteem, wordt ongeldig verklaard.

Als per jaar meer dan tien dagen ongeldig worden verklaard, treft de exploitant passende maatregelen om de betrouwbaarheid van het geautomatiseerde meetsysteem te verbeteren.


Afdeling 4.4.5.
Wintersmogperiodes


Art. 4.4.5.1. Toepassingsgebied

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen waarvan de totaal door de inrichting geloosde emissies voor één of meer parameters meer bedragen dan de volgende emissiewaarden:

Parameter

emissiewaarde in kg/uur

Stikstofoxiden (uitgedrukt in NO2)

40

Zwaveldioxide

60

Zwevende deeltjes (stof)

15

Chloor en zijn gasvormige anorganische verbindingen, uitgedrukt als Cl

20

Fluor en zijn gasvormige anorganische verbindingen, uitgedrukt als F

1

Koolmonoxide

1.000

 

Onder voormelde emissiewaarde wordt verstaan de gemiddelde waarde per bedrijfsuur van de emissies over één kalenderweek onder de inzake luchtverontreiniging meest ongunstige bedrijfsomstandigheden.


Art. 4.4.5.2. Maatregelen bij smog

Gedurende de periodes van wegens ongunstige meteorologische omstandigheden tijdelijk verhoogde luchtverontreiniging dient de exploitant van een in artikel 4.4.5.1. bedoelde inrichting alle mogelijke maatregelen te treffen om de emissies van verontreinigende stoffen maximaal te beperken. Deze maatregelen zullen inzonderheid betrekking hebben op:
 

1) de tijdelijke beperking van produktieprocessen alsook van verbrandingsprocessen die aanleiding geven tot bedoelde emissies;
2) de tijdelijke overschakeling naar zwavelarme brandstof en zo mogelijk naar aardgas als brandstof;
3) de tijdelijke opschorting van uitstelbare luchtverontreinigende activiteiten;
4) het uitstellen van het opstarten van bepaalde processen wanneer dit met een extra emissie zou gepaard gaan.

Art. 4.4.5.3. Waarschuwingsfase

§ 1.

De in artikel 4.4.5.2. bedoelde exploitant dient zich in staat van paraatheid te houden voor het treffen van de in artikel 4.4.5.2. bedoelde maatregelen zodra:

1) ofwel het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde (over een periode van 24 opeenvolgende uren) van zwaveldioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 190 μg/m3;
2) ofwel gedurende drie opeenvolgende uren het gemeten uurgemiddelde van stikstofdioxide in de omgevingslucht hoger is dan 150 μg/m3.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde waarschuwingsfase neemt een einde zodra de gemeten glijdend 24-uurgemiddelde immissiewaarde van zwaveldioxyde lager is dan of gelijk aan 190 μg/m3, respectievelijk de gemeten glijdend uurgemiddelde immissiewaarde van stikstofdioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 150 μg/m3.


Art. 4.4.5.4. Alarmfase

§ 1.

De in artikel 4.4.5.2. bedoelde exploitant dient over te gaan tot het treffen van de in artikel 4.4.5.2. bedoelde maatregelen telkens wanneer:

1) ofwel het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde (over een periode van 24 opeenvolgende uren) van zwaveldioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 250 μg/m3;
2) ofwel het gemeten glijdend uurgemiddelde van stikstofdioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 200 μg/m3.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde maatregelen nemen een einde zodra de gemeten glijdend 24-uurgemiddelde immissiewaarde van zwaveldioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 190 μg/m3, respectievelijk de gemeten glijdend uurgemiddelde immissiewaarde van stikstofdioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 150 μg/m3.


Art. 4.4.5.5. De Afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving deelt aan de betrokken exploitanten mee wanneer de waarschuwingsfase of de alarmfase ingaan en ook wanneer ze eindigen. Deze gegevens worden tegelijkertijd meegedeeld aan de andere gewesten, aan de buurlanden en aan de pers.

Afdeling 4.4.6.
Meten en beheersen van fugitieve VOS-emissies


Subafdeling 4.4.6.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.4.6.1.1.

Met uitzondering van verticale bovengrondse vaste houders, is deze afdeling van toepassing op de proces- en de op- en overslaginstallaties van:

elke inrichting met een jaarlijkse fugitieve emissie van meer dan 10 ton VOS, berekend volgens de berekeningsmethode van hoofdstuk I van bijlage 4.4.6;
elke inrichting met een jaarlijkse fugitieve emissie van meer dan 2 ton VOS waaraan één of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F zijn toegekend, berekend volgens de berekeningsmethode van hoofdstuk I van bijlage 4.4.6.

 

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de activiteiten van de inrichtingen, vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, noch op koelinstallaties vermeld in rubriek 16.3 van de indelingslijst.


Art. 4.4.6.1.2. [...]

Art. 4.4.6.1.3.

Het meet- en beheersprogramma van de subafdeling 4.4.6.2 is niet van toepassing op de volgende apparaten :

onderdelen op onderdruk;
bronnen in leidingen met een diameter kleiner dan 0,5″ (12,7 mm) en knelfittingen;
technisch dichte apparaten zoals gedefinieerd in hoofdstuk IV van bijlage 4.4.6.

 


Subafdeling 4.4.6.2.
Meet- en Beheersprogramma


Art. 4.4.6.2.1.

§ 1.

De exploitant past [...] een meet- en beheersprogramma toe om de fugitieve emissies van de inrichting te bepalen en te beperken.

 

§ 2.

Als de inrichting uit verschillende productie-eenheden bestaat, kan het meet- en beheersprogramma worden toegepast per individuele productie-eenheid. In dat geval worden alle apparaten van de inrichting toegewezen aan een van de productie-eenheden.

 

§ 3.

Het meet- en beheersprogramma omvat alleen de in de inrichting aanwezige apparaten voor zover die in contact komen met :

gasvormige productstromen die bestaan uit meer dan 10 vol% organische stoffen (exclusief methaan) met een dampspanning groter dan 0,3 kPa bij 20 °C;
vloeibare productstromen die bestaan uit organische stoffen waarvan de som van de concentraties van de individuele componenten (exclusief methaan), met een dampdruk groter dan 0,3 kPa bij 20 °C, groter of gelijk is aan 20gew%.

 

§ 4.

Het programma, vermeld in paragraaf 1, bestaat uit de volgende onderdelen :

een opdeling van de inrichting in productie-eenheden, als dat van toepassing is;
a) een opdeling van de inrichting in meetblokken;
b) een kwantificering van het aantal apparaten per type zoals vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6, op verifieerbare manier gedocumenteerd (bijvoorbeeld per processchema);
een inventaris van alle apparaten die het registratiecriterium overschrijden;
een meet- en herstelprogramma;
een berekening van de emissies;
een rapportering.

 


Art. 4.4.6.2.2.

[...]

 

§ 2.

Als de meetwaarde het registratiecriterium overschrijdt of als er bij een apparaat met een IR-camera een lek gedetecteerd wordt, worden binnen een termijn van twee maanden na de meting de volgende gegevens in een inventaris opgenomen of geactualiseerd:

identificatie van het apparaat : type, locatie, identificatienummer;
naam product;
beschrijving van de productstroom :
a) gas of vloeibaar;
b) gew% organische stoffen (exclusief methaan; vol% bij gassen), met een dampdruk groter dan 0,3 kPa bij 20 °C;
datum en resultaten van de uitgevoerde metingen;
de uitgevoerde herstelling en de datum van de controles van de herstelling.

 


Art. 4.4.6.2.3.

§ 1.

Het meetprogramma, vermeld in artikel 4.4.6.2.1, omvat de periodieke controle van de fugitieve emissies van de apparaten in de inrichting of productie-eenheid in een periode van maximaal twaalf maanden.

 

§2.

Elke controle wordt uitgevoerd volgens een van de meetmethodes, vermeld in hoofdstuk II van bijlage 4.4.6.

 

§3.

De metingen conform EN15446:2008 en de controles met de IR-camera conform NTA8399:2015 worden uitgevoerd door een voor deze metingen erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL.

 

De exploitant kan de metingen conform EN15446:2008 ook uitvoeren als hij apparatuur en een code van goede praktijk hanteert die goedgekeurd zijn door een laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, dat erkend is voor die meting. De goedkeuring wordt verleend conform een code van goede praktijk en is maximaal drie jaar geldig.

 

In afwijking van het eerste lid kunnen de controles met de IR-camera tot en met 31 december 2019 conform methode NTA8399:2015 worden uitgevoerd door elke meettechnicus die over een basiskennis thermografie beschikt als vermeld in de NTA8399:2015.

 

§4.

Het meetprogramma bestaat uit de volgende twee controles:

een vijfjaarlijkse controle van alle bereikbare apparaten conform EN15446:2008;
een vijfjaarlijkse controle met een IR-camera van alle apparaten conform NTA8399:2015.

 

De controles, vermeld in het eerste lid, worden alternerend uitgevoerd zonder dat de periode tussen de aanvang van twee opeenvolgende controles meer dan dertig maanden bedraagt.

 

§5.

Als alternatief voor het meetprogramma, vermeld in paragraaf 4, kan na melding aan de toezichthouder een meetprogramma toegepast worden waarbij in de periode van 24 maanden die voorafgaan aan de start van elke geplande stop, een controle met de IR-camera van alle apparaten conform NTA8399:2015 wordt uitgevoerd én in de periode van achttien maanden na elke geplande stop een controle van alle bereikbare apparaten conform EN15446:2008 wordt uitgevoerd.

 

Het meetprogramma, vermeld in het eerste lid, kan alleen toegepast worden als de periode tussen de aanvang van opeenvolgende geplande stops maximaal 96 maanden bedraagt.  Als de periode tussen de aanvang van opeenvolgende geplande stops meer dan 72 maanden bedraagt, wordt tussen de geplande stops een bijkomende meting van alle apparaten conform NTA8399:2015 uitgevoerd of van alle bereikbare apparaten conform EN15446:2008 uitgevoerd. Als de periode tussen de aanvang van opeenvolgende geplande stops 84 maanden of meer bedraagt, wordt voormelde bijkomende meting conform EN15446:2008 uitgevoerd.

 

§6.

Naast de controles, vermeld in paragraaf 4 of 5, worden jaarlijks alle veiligheidskleppen, pompen, compressoren, roerwerken en monsternamepunten gecontroleerd met een van de methodes, vermeld in hoofdstuk II van bijlage 4.4.6.

 

§7. In afwijking van paragraaf 4, 5 en 6 volstaat een vijfjaarlijkse controle van alle apparaten als uit een eerste meting in één kalenderjaar van alle bereikbare apparaten met EN15446:2008 blijkt dat aan al de volgende criteria wordt voldaan:

minder dan 0,04% van de apparaten vertoont een meetwaarde boven het herstelcriterium;
geen van de apparaten die in contact komen met type 1-producten, vertoont een meetwaarde boven het herstelcriterium;
geen van de apparaten vertoont een meetwaarde van meer dan 100.000 ppm.

 

Het meetprogramma, vermeld in het eerste lid, kan gevolgd worden tot een van de volgende criteria wordt overschreden:

minder dan 0,04% van de apparaten vertoont een meetwaarde boven het herstelcriterium of vertoont een lek dat gedetecteerd wordt met een IR-camera;
geen van de apparaten die in contact komen met type 1-producten vertoont een meetwaarde boven het herstelcriterium of vertoont een lek dat gedetecteerd wordt met een IR-camera.

 

§8.

Als het niet mogelijk is om met een IR-camera lekken te visualiseren door de eigenschappen van het product in kwestie, worden alle controles conform EN15446:2008 uitgevoerd.

 

§9.

Voor inrichtingen of productie-eenheden die na 30 november 2019 in bedrijf genomen worden, wordt een eerste controle conform paragraaf 4 of 5 afgerond 24 maanden na de opstart van de inrichting of productie-eenheid. Voor andere inrichtingen of productie-eenheden wordt een eerste controle uiterlijk op 30 november 2021 afgerond. In de kalenderjaren die voorafgaan aan de eerste controle, wordt jaarlijks via een steekproef van de apparaten als vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6, gecontroleerd op lekken volgens de methode, vermeld in EN15446:2008.


Art. 4.4.6.2.4.

Als de meetwaarde van een apparaat het herstelcriterium overschrijdt of als een lek wordt gedetecteerd met een IR-camera, wordt het apparaat in kwestie binnen een maand na de vaststelling hersteld.

 

In afwijking van het eerste lid kunnen de volgende langere hersteltermijnen toegepast worden:

herstellingen die een vervanging van het apparaat zelf of een onderdeel ervan vereisen, worden binnen drie maanden na de meting uitgevoerd;
als een herstelling niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, of de termijn, vermeld in punt 1°, uitgevoerd kan worden, wordt dat vermeld in de lijst met te herstellen apparaten, vermeld in artikel 4.4.6.2.5, derde lid.

 

Na de herstelling van het apparaat wordt de uitgevoerde herstelling binnen twee maanden gecontroleerd met een nieuwe controle. Als de periode tussen de herstelling en de controle minder dan twee weken bedraagt, wordt aanvullend binnen twaalf maanden een nieuwe controle van de herstelling uitgevoerd.

 

Als bij de controle van de herstelling het herstelcriterium opnieuw wordt overschreden, wordt de herstelling opnieuw binnen de opgegeven maximale herstelperiode, vermeld in het eerste en het tweede lid, uitgevoerd. Die procedure wordt zolang herhaald tot de meetwaarde onder het herstelcriterium blijft.


Art. 4.4.6.2.5.

Jaarlijks en uiterlijk op 14 maart wordt voor de volledige inrichting het rapporteringsdocument, vermeld in hoofdstuk VI van bijlage 4.4.6, over het vorige kalenderjaar ingevuld. Als het meet- en beheersprogramma wordt toegepast per individuele productie-eenheid, wordt het rapporteringsdocument ingevuld per productie-eenheid.

 

Als conform afdeling 4.1.8 een integraal emissiejaarverslag opgemaakt moet worden, wordt dat document als bijlage bij het milieujaarverslag gevoegd.

 

Per productie-eenheid wordt een overzichtslijst ter beschikking gehouden van alle apparaten die nog te herstellen zijn, met daarin ten minste de volgende gegevens:

de identificatie van het apparaat;
de datum van de identificatie van het lek;
de geplande hersteltermijn, zijnde één, drie of meer dan drie maanden);
de oorzaak dat het apparaat niet hersteld kan worden binnen een termijn van één of drie maanden en de emissie per jaar (in kg/jaar) die daarmee gepaard gaat, als dat van toepassing is.

 

De video-opnames van alle lekkende apparaten die nog te herstellen zijn, en de controle-opnames na herstelling, worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

 


Afdeling 4.4.7.
Beheersing van niet-geleide stofemissies


Onderafdeling 4.4.7.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.4.7.1.1.

§ 1.

De exploitant neemt maatregelen om de stofemissies die afkomstig zijn van de opslag van stuivende stoffen en van installaties waarbij stuivende stoffen worden getransporteerd of behandeld, zo laag mogelijk te houden.

 

De maatregelen houden rekening met het type en de eigenschappen van de stuivende stoffen of zijn componenten, de (ont)ladingsinstallatie en -methode, de massastroom, de meteorologische omstandigheden, storingen aan installaties en de locatie van de (ont)laadplaats. Ook veiligheidsaspecten worden in rekening gebracht.

 

§ 2.

De technische installaties die stofemissies kunnen veroorzaken, en de installaties voor de reductie van de stofemissies worden tijdig onderhouden en gecontroleerd om stofemissies te minimaliseren. Stoffilters worden tijdig vervangen om de goede werking te verzekeren.

 

§ 3.

Vanaf 1 januari 2014 moet de exploitant procedures en instructies voor de beheersing van de niet-geleide stofemissies ter beschikking hebben voor het eigen personeel en voor het personeel van derden die op de inrichting activiteiten uitvoeren met een potentiële impact op de stofemissies.

 

§ 4.

Gemorste stoffen die aanleiding kunnen geven tot stofvorming, worden na de beëindiging van de handeling zo snel mogelijk verwijderd.


Onderafdeling 4.4.7.2.
Bijzondere bepalingen


Art. 4.4.7.2.1.

Stuivende stoffen worden in bijlage 4.4.7.1 in stuifcategorieën ingedeeld op basis van de stuifgevoeligheid van de stof en de mogelijkheid om de verstuiving al dan niet door bevochtiging tegen te gaan. De verschillende stuifcategorieën zijn :

SC1 : stuifgevoelig, niet bevochtigbaar;
SC2 : stuifgevoelig, wel bevochtigbaar;
SC3 : nauwelijks stuifgevoelig;

 

De minister kan bijlage 4.4.7.1 aanvullen of wijzigen.

 

Vanaf 1 januari 2014 bepaalt de exploitant zelf de stuifcategorie op basis van de indeling van vergelijkbare stoffen in bijlage 4.4.7.1 wat betreft de stuifgevoeligheid of op basis van een specifiek daarvoor ontwikkelde test als :

een stof ingedeeld is in de tabel van bijlage 4.4.7.1, maar de fysicochemische eigenschappen gedurende haar verblijftijd op het bedrijfsterrein voortdurend van die aard zijn dat ze in een andere stuifcategorie thuishoort. De exploitant houdt de stuifcategorie en de motivatie ervan ter beschikking van de toezichthoudende overheid;
de stof niet in de tabel van bijlage 4.4.7.1 is ingedeeld.De exploitant legt de stuifcategorie en de motivatie ervan vast [...] en houdt de informatie ter beschikking van de toezichthouder. Bij ontvangst van goederen moet de stuifcategorie en de motivatie ervan vastgelegd zijn voor die goederen op het terrein worden ontvangen. Als bij de ontvangst van de goederen blijkt dat ze tot een andere stuifcategorie behoren dan wat was verwacht, neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om de stofemissie tot een minimum te beperken.

 


Art. 4.4.7.2.2.

Stuivende stoffen van stuifcategorie SC1 worden in een gesloten opslagplaats of afgedekt met fijnmazige netten of zeilen opgeslagen. In geval van afdekking worden passende maatregelen genomen om stofemissies bij het vullen en afgraven van de opslaghoop tegen te gaan.

 

Het aantal openingen in een gesloten opslagplaats is zo laag mogelijk. De openingen zijn zo klein mogelijk. Niet-functionele openingen worden dichtgemaakt. Functionele openingen in de gesloten opslagplaats worden zoveel mogelijk gesloten gehouden. Bij het vullen of het ledigen van een gesloten opslagplaats worden de overstortpunten zo ver mogelijk van de openingen geplaatst.


Art. 4.4.7.2.2bis.

Silo’s voor de opslag van stuivende stoffen van stuifcategorie SC1 en SC2 worden uitgerust met een stofverwijderingsinstallatie. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³.


Voor installaties vergund voor 1 juli 2014, geldt deze bepaling vanaf 1 juli 2017.


Art. 4.4.7.2.3.

Artikel 4.4.7.2.4 tot en met 4.4.7.2.9 zijn, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, van toepassing op inrichtingen die een van de volgende kenmerken vertonen :

een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 5 000 m2 grondoppervlakte;
een over de drie voorgaande kalenderjaren gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 70.000 ton per jaar;
een in het komende kalenderjaar verwachte overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 70 000 ton per jaar.

Art. 4.4.7.2.4.

Informatie over onderhoudsbeurten voor de technische installaties, vermeld in artikel 4.4.7.1.1, § 2, wordt bijgehouden en wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Art. 4.4.7.2.5.

§ 1.

Bij opslag in de open lucht van stuivende stoffen van stuifcategorie SC2 en SC3 wordt stofverspreiding maximaal beperkt door het bevochtigen van de stuivende stoffen. Voor zover de karakteristieken van het terrein en de vaste installaties dat toelaten, worden bijkomend de volgende maatregelen genomen :

het opslagterrein voorzien van windreductieschermen;
een ommuring of een groenscherm;
de opgeslagen hoeveelheid in zo weinig mogelijk hopen verzamelen;
de hellingsgraad van de hopen zo kiezen dat de toplaag niet afglijdt.

 

Punt 2° is niet van toepassing op bouw-, sloop- of wegeniswerken.

 

§ 2.

Als droog of winderig weer wordt voorspeld, worden de hopen extra besproeid met water of schuim.

 

Het besproeien kan worden vervangen door het bespuiten met een vastleggend middel als de goede werking van het middel is gegarandeerd. Kammen en beschadigingen van het vastleggende middel in de opslaghoop worden gecontroleerd en hersteld. De bespuiting wordt herhaald als dat uit het oogpunt van het voorkomen van stofverspreiding noodzakelijk blijkt.

 

§ 3.

Als de maatregelen, vermeld in paragraaf 1 en 2, niet worden genomen, wordt de opslaghoop afgedekt met fijnmazige netten of zeilen of wordt overgegaan tot een gesloten opslag, zoals bepaald in artikel 4.4.7.2.2, tweede lid.


Art. 4.4.7.2.6.

§ 1.

Stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen wordt maximaal voorkomen door :

bevochtigbare stoffen van stuifcategorie SC2 afdoende te bevochtigen;
aan de operatoren procedures voor het gebruik van de transport- en overslagmiddelen ter beschikking te stellen die minstens de relevante elementen bevatten die worden vermeld in bijlage 4.4.7.2.

 

Bijlage 4.4.7.2 kan door de minister aangevuld of gewijzigd worden.

 

§ 2.

Stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen via grijpers wordt maximaal voorkomen door :

het gebruik van een grijper waarbij de grijperschalen goed aansluiten;
het gebruik van een bovenaan semigesloten of gesloten grijper voor stoffen uit stuifcategorie SC1 en SC2, voor zover de behandelde stof dat toelaat.

 

 

§ 3.

Stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen via transportbanden wordt maximaal voorkomen door :

als stofemissies visueel waarneembaar blijven na de toepassing van de code van goede praktijk, vermeld in bijlage 4.4.7.2, open transportbanden in de buitenlucht af te schermen tegen windaanval via langsschermen, dwarsschermen of overkappingen; 
als stofemissies visueel waarneembaar blijven na het nemen van de maatregelen, vermeld in punt 1°, over te schakelen op een gesloten transportsysteem.

 

Een vast opgestelde transportband voor het vervoer van stoffen van stuifcategorie SC1 die in gebruik wordt genomen na 31 december 2013, wordt gesloten of overdekt uitgevoerd. Dat geldt niet voor de delen van de transportband die worden beladen door een storttrechter of een ander overslagsysteem.

 

§ 4.

Stofverspreiding bij overslagpunten van continue transportsystemen wordt maximaal voorkomen door :

de overslagpunten waar stoffen van stuifcategorie SC2 worden overgeslagen, te bevochtigen of te benevelen als de producten op voorhand niet voldoende bevochtigd zijn;
2°  als de maatregelen, vermeld in punt 1°, niet kunnen worden toegepast of als ook na het nemen van die maatregelen nog visueel waarneembare stofverspreiding plaatsvindt, de overslagpunten waar stoffen van stuifcategorie SC2 worden overgeslagen, te voorzien van windreductieschermen, als dat technisch mogelijk is;
de overslagpunten bij vaste transportsystemen voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van een behuizing of een stofafzuiging als dat technisch haalbaar is. Dat geldt ook voor de stuifcategorieën SC2 en SC3 als stofemissies visueel waarneembaar blijven na het nemen van de maatregelen, vermeld in punt 1° en punt 2°;
de lospunten van mobiele transportbanden voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van een afscherming die zo goed mogelijk aansluit op het laadpunt van het volgende transportsysteem of een stofafzuiging. Dat geldt ook voor de stuifcategorieën SC2 en SC3 als stofemissies visueel waarneembaar blijven na het nemen van de maatregelen, vermeld in punt 1° en punt 2°.

 

 

§ 5.

Stofverspreiding bij het laden en het lossen van stuivende stoffen via storttrechters wordt maximaal voorkomen door :

de storttrechter voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van doelmatige keerschotten of roosters. Dat geldt ook voor stoffen van stuifcategorie SC2 die niet voldoende bevochtigd worden;
vaste storttrechters voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van een stofafzuiginstallatie tenzij dat niet kan wegens locatiespecifieke omstandigheden. Deze maatregel moet niet genomen worden als de exploitant kan aantonen dat de storttrechter maximaal 10 % van de tijd dat hij in gebruik is, wordt gebruikt voor het laden en lossen van stoffen van stuifcategorie SC1.

 

 

§ 6.

Stofverspreiding bij het laden en het lossen van stuivende stoffen via stortgoten, vulbuizen, vulpijpen en transportbanden wordt maximaal voorkomen door :

als dat technisch en operationeel mogelijk is, de laad- en losinstallatie te voorzien van remschotten of het uiteinde ervan aan te passen opdat stofverspreiding beperkt wordt;
als dat operationeel mogelijk is, nieuwe laad- en losinstallaties te voorzien van remschotten of het uiteinde van de installatie aan te passen opdat stofverspreiding beperkt wordt.

 

 

§ 7.

Stofverspreiding bij het laden en het lossen van vrachtwagens en treinwagons met stuivende stoffen wordt maximaal voorkomen door :

voor vrachtwagens die het bedrijfsterrein verlaten, een open laadbak, gevuld met stoffen van stuifcategorie SC1, af te dekken met een dekzeil. Dat geldt ook bij stoffen van stuifcategorie SC2 als het vochtgehalte ervan onvoldoende is om stofverspreiding te vermijden;
de valputten waarin stuivende stoffen worden gestort, te voorzien van keerschotten.

 

Als het laden van de laadbak of het transport dat het bedrijfsterrein verlaat, wordt uitgevoerd door derden, zullen aan het personeel van die derden instructies ter beschikking gesteld worden conform punt 1°.


Art. 4.4.7.2.7.

Stofverspreiding door verkeer op en rond het bedrijfsterrein wordt maximaal voorkomen door :

de wegen op het terrein regelmatig schoon te maken;
de voertuigsnelheid op het terrein te beperken;
de wegen van het terrein te besproeien als er kans op stofverspreiding is;
de plaatsen waar de op- en overslag plaatsvindt,regelmatig te reinigen;
maatregelen te nemen om stofverspreiding op de openbare weg maximaal te voorkomen.

 


Art. 4.4.7.2.8. De exploitant zorgt minstens gedurende de periode dat overslagactiviteiten plaatsvinden voor toezicht op de op- en overslagactiviteiten om stofemissies snel waar te nemen en de oorzaak ervan te achterhalen, zodat de gepaste maatregelen getroffen kunnen worden.

Art. 4.4.7.2.9.

De exploitant moet vanaf 1 juli 2015 voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2 tot en met artikel 4.4.7.2.8.

 

In afwijking van het eerste lid moet de exploitant vanaf 1 januari 2014 voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2 tot en met artikel 4.4.7.2.8, voor procedures en handelingen die niet leiden tot noodzakelijke wijzigingen van de infrastructuur.


Art. 4.4.7.2.10.

§ 1.

De exploitant stelt een stofrapport, als vermeld in het aanvraagformulier, op voor de volgende inrichtingen:

inrichtingen met een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 50.000 m² grondoppervlakte. Het stofrapport wordt, voorafgaand aan het overschrijden van de drempel van de opslagcapaciteit, bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gevoegd of wordt met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
inrichtingen met een over de drie voorgaande kalenderjaren gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 700.000 ton per jaar. Het stofrapport wordt uiterlijk op 31 juli van het lopende jaar bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gevoegd of met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

Bij een toename van de opslagcapaciteit of de overslaghoeveelheden met 50 % of meer ten opzichte van de toestand in het meest recente stofrapport of addendum, stelt de exploitant een addendum bij het bestaande stofrapport, als vermeld in addendum E4, 10, van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, op. Dat addendum wordt bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gevoegd of wordt per aangetekende brief bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.


Afdeling 4.4.8.
Installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen


Art. 4.4.8.1.

De volgende werkzaamheden aan stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL:

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
controles op lekkage van brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.

 

Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen is het bedrijf waar de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur werkt, erkend als bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing, wat brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om een certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/2, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor houders of de bijbehorende onderdelen van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen.


Art. 4.4.8.2.

De volgende werkzaamheden aan elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL:

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/3, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen.

 

Het eerste lid is tot 1 juli 2017 niet van toepassing voor de installatie, het onderhoud, de reparatie en de buitendienststelling van elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen en voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit andere elektrische schakelinrichtingen dan de hoogspanningsschakelaars.


Art. 4.4.8.3.

De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/4, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de terugwinning uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.


Art. 4.4.8.4.

De volgende werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie:

 

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
controles op lekkage van koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de desbetreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.


Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten.

 


Hoofdstuk 4.5.
BEHEERSING VAN GELUIDSHINDER


Afdeling 4.5.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.5.1.1.

§ 1.

De exploitant treft ter naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk, de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken. Naargelang van de omstandigheden en op basis van de technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de beste beschikbare technieken wordt hierbij gebruikgemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties en toestellen, geluidsisolatie en/of -absorptie en/of -afscherming.

 

§ 2.

Tenzij voor bepaalde categorieën van inrichtingen in dit besluit andere bepalingen zijn opgenomen, zijn de bepalingen, vermeld in afdeling 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.4 van dit besluit van toepassing, uitgezonderd tijdens de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken.


Afdeling 4.5.2.
Richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht en binnenshuis


Art. 4.5.2.1.

Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen gelden de in de bijlagen 4.5.4 en 4.5.5 bij dit besluit aangegeven waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid in open lucht van een inrichting wordt getoetst.


Art. 4.5.2.2.

Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken gelden de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit aangegeven waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid binnenshuis van een inrichting wordt getoetst.


Afdeling 4.5.3.
Voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 en voor veranderingen van bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2


Art. 4.5.3.1.

§ 1.

LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is gelijk aan of hoger dan de richtwaarde van bijlage 2.2.1 bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid, in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot het LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid verminderd met 5 dB(A) enerzijds alsmede tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden anderzijds.

 

§ 2.

LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 1°, 4°, [...] 6° of 7° van de bijlage 2.2.1 bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot het LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid enerzijds en tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A) anderzijds.

 

§ 3.

LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 2°, 3°, 5°, 8°, 9° of 10° van de bijlage 2.2.1. bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A).

 

§ 4.

Onverminderd de bepalingen van § 1, 2 en 3 moeten nieuwe inrichtingen van klasse 1 of 2, alsmede veranderingen van bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken voldoen aan volgende bepalingen:

het specifieke geluid binnenshuis van de inrichting gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn, dient beperkt te worden tot de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 3 dB(A).

 

§ 5.

Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde is de in bijlage 4.5.4 van dit besluit aangegeven richtwaarde voor de verschillende gebieden verminderd met 5 dB(A).

 

 

 

§ 6.

De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.1 en 4.5.6.3 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement.


Afdeling 4.5.4.
Voorwaarden voor bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2


Art. 4.5.4.1.

§ 1.

Indien volgens een beperkt akoestisch onderzoek een door de inrichting veroorzaakte overschrijding van de in bijlage 4.5.4, 4.5.5 en/of bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden wordt vastgesteld, kan de toezichthouder de exploitant(en) verplichten tot uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek en dit op kosten van de exploitant(en).

 

Dit volledige akoestische onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig bijlage 4.5.2 bij dit besluit en bepaalt de bijdrage van de inrichting of, in voorkomend geval, van elke inrichting tot voormelde overschrijding.

 

§ 2.

Indien het volledige akoestische onderzoek, bedoeld in § 1, uitwijst dat het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de inrichting(en) de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bedoelde richtwaarde met 10 dB(A) of meer overschrijdt, moet(en) de exploitant(en) van de betrokken inrichting(en) op zijn(hun) kosten een saneringsplan opstellen en uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit.

 

§ 3.

Indien het volledige akoestische onderzoek, bedoeld in § 1, uitwijst dat het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de inrichting(en) de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden met minder dan 10 dB(A) overschrijdt, kan de vergunningverlenende overheid, op advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning voor de inrichtingen van de 1ste klasse en van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en van de bevoegde gemeentelijke milieudienst voor inrichtingen van de 2de klasse, een saneringsplan ter uitvoering opleggen overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit.

 

§ 4.

Onverminderd de bepalingen van § 1, 2 en 3 wordt het specifieke geluid binnenshuis van bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken zodanig beperkt dat de richtwaarden van bijlage 2.2.2 bij dit besluit zo goed mogelijk worden benaderd, rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken.

 

Het specifieke geluid van de inrichting wordt gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit moet het specifieke geluid van de inrichting aan de bepalingen van deze paragraaf voldoen uiterlijk op 1 augustus 1997.

 

§ 5.

Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde is de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde voor de verschillende gebieden.

 

§ 6.

De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.2 en 4.5.6.3 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement.


Afdeling 4.5.5.
Voorwaarden voor inrichtingen van klasse 3


Art. 4.5.5.1.

§ 1.

Het specifieke geluid in open lucht van nieuwe inrichtingen alsmede van veranderingen van bestaande inrichtingen mag op de in § 3 of 4 van artikel 1 van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten de met 5 dB(A) verminderde richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit niet overschrijden.

 

§ 2.

Onverminderd de bepalingen van § 1 moet het specifieke geluid binnenshuis van nieuwe inrichtingen alsmede van veranderingen van bestaande inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken voldoen aan de volgende bepaling:

het specifieke geluid gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn, dient beperkt te worden tot de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 3 dB(A).

 

§ 3.

Het specifieke geluid in open lucht van bestaande inrichtingen wordt op de in § 3 of 4 van artikel 1 van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten zodanig beperkt dat de richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit zo goed mogelijk wordt benaderd, rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken.

 

§ 4.

Onverminderd de bepalingen van § 3 wordt het specifieke geluid binnenshuis van bestaande inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken zodanig beperkt dat de richtwaarden van bijlage 2.2.2 bij dit besluit zo goed mogelijk worden benaderd rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde voor nieuwe inrichtingen is de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde verminderd met 5 dB(A) en voor bestaande inrichtingen de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde.

 

 

 

§ 7.

De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.4 en 4.5.6.5 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement.


Afdeling 4.5.6.
Bijzondere voorwaarden


Art. 4.5.6.1.

§ 1.

De vergunningverlenende overheid kan strengere grenswaarden en meetomstandigheden opleggen voor het specifieke geluid voortgebracht door inrichtingen van klasse 1 of 2 gelegen in de nabijheid van stiltebehoevende instellingen of zones.

 

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt verstaan onder:

"stiltebehoevende instellingen": gebouwen waar omwille van de functie en het gebruik ervan het geluid in de omgeving steeds moet beperkt worden; dit zijn inzonderheid bejaardentehuizen, ziekenhuizen, scholen en gelijkaardige;
"stiltebehoevende zones": zones waar omwille van de functie ervan het geluid in de omgeving al of niet tijdelijk moet beperkt worden; deze zones omvatten inzonderheid de woongebieden en de natuurgebieden met een wetenschappelijke waarde, volgens het gewestplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan, alsook de erkende natuur- en bosreservaten.

 

§ 2.

De grenswaarden, bedoeld in § 1, kunnen ofwel buitenshuis ofwel, in geval van inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken binnenshuis worden opgelegd en dit zowel voor overdag, 's avonds als 's nachts.

 

§ 3.

Als het geluid van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont kunnen strengere grenswaarden aan dit geluid worden opgelegd in de nabijheid van de stiltebehoevende instellingen of zones, bedoeld in § 1.

 

§ 4.

Bij overtreding van de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit overeenkomstig dit artikel opgelegde bijzondere voorwaarden kan de vergunningverlenende overheid, op advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning voor inrichtingen van de 1ste klasse en van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunningde en de gemeentelijke milieuambtenaar voor inrichtingen van de 2de klasse, een saneringsplan ter uitvoering opleggen overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit.


Afdeling 4.5.7.
Voorwaarden voor laad- en losverrichtingen voor bepaalde inrichtingen ingedeeld volgens rubriek 16.3.1


Toepassingsgebied en algemene bepalingen.


Art. 4.5.7.0.1.

Deze afdeling is van toepassing op de laad- en losverrichtingen met vrachtwagens bij inrichtingen die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen:

de inrichting valt onder categorie 47.11 van het referentiekader voor de productie en de verspreiding van statistieken met betrekking tot economische activiteiten in Europa (NACE 2008). Deze categorie wordt omschreven als detailhandel in niet-gespecialiseerde winkels waarbij voedings- en genotsmiddelen overheersen;
de inrichting omvat een activiteit als vermeld in rubriek 16.3.1;
de inrichting is uitgerust met een bedrijfseigen laad- en losplaats. Een bedrijfseigen laad- en losplaats is een specifieke plaats binnen de perceelsgrenzen van de inrichting die ingericht is voor het laden en lossen van goederen.

Art. 4.5.7.0.2. De exploitant treft de nodige maatregelen met toepassing van de beste beschikbare technieken om het geluid voortgebracht door laad- en losverrichtingen, te beperken en te verhinderen dat het geluid, voortgebracht door laad- en losverrichtingen een bron van hinder is voor de omgeving.

Voorwaarden tijdens het laden en lossen van goederen.


Art. 4.5.7.0.3.

Tijdens het laden en lossen van goederen ligt de motor van de vrachtwagen stil.

 

In afwijking van afdeling 4.5.2 tot en met 4.5.5 gelden voor het laden en lossen van goederen tussen 6 uur en 23 uur de volgende voorwaarden:

het gemiddelde niveau van de kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, moet beperkt worden tot de grenswaarden, vermeld in bijlage 4.5.7.1. Het gemiddelde niveau van de kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, wordt gemeten als LA05,T, waarbij het tijdsinterval T de tijdsduur van het laden en lossen van de goederen beslaat;
het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, moet beperkt worden tot de grenswaarden, vermeld in bijlage 4.5.7.2. Het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, wordt gemeten als LA01,T , waarbij het tijdsinterval T de tijdsduur van het laden en lossen van de goederen beslaat.

Voorwaarden tijdens het manoeuvreren van de vrachtwagen.


Art. 4.5.7.0.4.

In afwijking van afdeling 4.5.2 tot en met 4.5.5 wordt het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het manoeuvreren van de vrachtwagen in de dagrand, beperkt tot de richtwaarden, vermeld in bijlage 4.5.4, vermeerderd met 30 dB(A). Het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt gemeten als LA01,T , waarbij het tijdsinterval T de tijdsduur van het manoeuvreren van de vrachtwagen beslaat.

 

De bepalingen vermeld in afdeling 4.5.2 tot en met 4.5.5, zijn niet van toepassing voor het manoeuvreren van de vrachtwagen tussen 7 uur en 19 uur.


Subafdeling 4.5.7.1.
Voorwaarden voor laad- en losverrichtingen in de dagrand


Algemene bepalingen.

Art. 4.5.7.1.1.

§ 1.

Deze subafdeling is van toepassing op de laad- en losverrichtingen, vermeld in artikel 4.5.7.0.1, die uitgevoerd worden tijdens de dagrand.

 

Tijdens het laden en lossen van goederen liggen de motor van de vrachtwagen en de aandrijving van koelgroepen waarmee de vrachtwagen uitgerust is, stil, tenzij de koelgroepen aangesloten zijn op het elektriciteitsnet. Radio’s zijn uitgeschakeld.

 

Tijdens de ochtenddagrand mag er hoogstens één belevering uitgevoerd worden en tijdens de avonddagrand mogen er maximaal twee beleveringen plaatsvinden.

 

Conform bijlage 4.5.7.3 treft de exploitant de nodige maatregelen om de hinder, veroorzaakt door laad- en losverrichtingen, in de dagrand te beperken.


Laden en lossen van goederen bij inrichtingen met een laad- en losplaats in open lucht.

Art. 4.5.7.1.2.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.3 gelden voor het laden en lossen van goederen in de dagrand bij inrichtingen met een laad- en losplaats in openlucht de volgende minimale afstanden als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°:

voor laad- en losverrichtingen met geluidsarm materieel: 40 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen;
voor alle andere laad- en losverrichtingen: 50 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen.

 

De afstanden, vermeld in het eerste lid, kunnen na het nemen van bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm, gereduceerd worden als aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.5.7.0.3, tweede lid, voldaan is. Dat wordt aangetoond aan de hand van een geluidsstudie, opgesteld door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), a, van het VLAREL.


Laden en lossen van goederen bij inrichtingen met een overdekte laad- en losplaats.

Art. 4.5.7.1.3.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.3 gelden voor het laden en lossen van goederen in de dagrand bij inrichtingen met een overdekte laad- en losplaats de volgende minimale afstanden als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°:

voor laad- en losverrichtingen met geluidsarm materieel: 20 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen;
voor alle andere laad- en losverrichtingen: 30 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen.

 

De afstanden, vermeld in het eerste lid, kunnen na het nemen van bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm, gereduceerd worden als aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.5.7.0.3, tweede lid, voldaan is. Dat wordt aangetoond aan de hand van een geluidsstudie, opgesteld door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), a, van het VLAREL.


Laden en lossen van goederen bij inrichtingen met een inpandige laad- en losplaats.

Art. 4.5.7.1.4.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.3 gelden voor het laden en lossen van goederen in de dagrand bij inrichtingen met een inpandige laad- en losplaats geen minimale afstanden tussen de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°.


Manoeuvreren van de vrachtwagen.

Art. 4.5.7.1.5.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.4 geldt voor het manoeuvreren van de vrachtwagen in de dagrand een minimale afstand van 10 meter tussen het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd, en de dichtstbijzijnde woningen als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°.

 

De afstand, vermeld in het eerste lid, kan na het nemen van bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm, gereduceerd worden als aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.5.7.0.4, voldaan is. Dat wordt aangetoond aan de hand van een geluidsstudie, opgesteld door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), a, van het VLAREL.

 

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.4 geldt voor het manoeuvreren van de vrachtwagen in de dagrand bij inrichtingen met een inpandige laad- en losplaats geen minimale afstand tussen het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd, en de dichtstbijzijnde woningen als het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd volledig in een afgesloten gebouw ligt en als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°.


Hoofdstuk 4.6.
BEHEERSING VAN HINDER DOOR LICHT


Art. 4.6.0.1. Onverminderd andere reglementaire bepalingen treft de exploitant de nodige maatregelen om lichthinder te voorkomen.

Art. 4.6.0.2. Het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. De verlichting is dermate geconcipieerd dat niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving maximaal wordt beperkt.

Art. 4.6.0.3.

Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan.


Art. 4.6.0.4.

Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.


Art. 4.6.0.5.

Artikel 4.6.0.2, 4.6.0.3 en 4.6.0.4 zijn niet van toepassing bij muziekactiviteiten in openlucht als een toelating is verkregen van het college van burgemeester en schepenen voor die muziekactiviteit als vermeld in artikel 6.7.3, §3. Die uitzondering geldt alleen voor lichtbronnen die worden gebruikt voor het optreden en, als dat nodig is, voor de testperiodes om de lichtbronnen voorafgaand aan de muziekactiviteit af te stellen.

 

De lichtbronnen worden zo afgesteld dat ze maximaal de doelzone voor het podium verlichten en naburige percelen en panden niet aanstralen. Het is verboden het luchtruim te verlichten met skytracers, zoeklichten of vergelijkbare armaturen.


Hoofdstuk 4.7.
BEHEERSING VAN ASBEST


Art. 4.7.0.1.

§ 1.

Onverminderd de bepalingen terzake water-, bodem-, grondwater- en luchtverontreiniging en afvalstoffenbeheersing moeten overeenkomstig de Richtlijn 87/217/EEG bij het gebruik van asbest en werken met asbesthoudende produkten de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat emissies van asbest in het milieu en afvalstoffen van asbest voor zover dat met redelijke middelen mogelijk is aan de bron worden verminderd en voorkomen. Bij gebruik van asbest impliceren deze maatregelen dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technieken, met inbegrip van recycling of behandeling waar zulks dienstig is.

Tevens dienen de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat:

 

tijdens het vervoer, het laden en het lossen van afvalstoffen die asbestvezels of asbeststof bevatten, deze vezels en stof niet vrijkomen in de lucht en geen vloeistoffen worden verloren die asbestvezels kunnen bevatten;
afvalstoffen die asbestvezels of -stof bevatten, indien gestort op plaatsen waar zulks met vergunning mogelijk is, zodanig worden behandeld, zijn verpakt of afgedekt, met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden, dat er geen asbestdeeltjes in het milieu terechtkomen;
activiteiten die verbonden zijn aan het werken met asbest bevattende produkten geen noemenswaardige milieuverontreiniging door asbestvezels of -stof veroorzaken;
bij de sloop van asbestbevattende gebouwen, constructies en installaties en het verwijderen van asbest of asbesthoudende materialen daaruit, waarbij asbestvezels of asbeststof kunnen vrijkomen, geen asbest in het milieu terechtkomt.

 

 

§ 2.

De volgende asbesthoudende toepassingen kunnen zelf worden verwijderd voor zover deze via eenvoudige handelingen (bvb. vlot losschroeven) kunnen worden weggenomen :

hechtgebonden asbest die niet beschadigd is of waarbij er geen vrije vezels zichtbaar zijn en waarbij verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
hechtgebonden asbest die beschadigd is of waarbij er vrije vezels zichtbaar zijn en die verwerkt is in een buitentoepassing waarbij geen derden aanwezig zijn, voor zover de verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
asbesthoudende koorden, dichtingen of pakkingen, remvoeringen en analoge materialen.

 

Andere toepassingen mogen alleen verwijderd worden door gespecialiseerde bedrijven.

 

§ 3.

Bij de sloop en verwijdering van asbesthoudend materiaal als vermeld in § 2, 1°, 2° en 3°, moet vezelverspreiding en blootstelling van personen aan asbestvezels verhinderd worden door de volgende maatregelen te nemen :

bevochtigen of fixeren van het materiaal;
de elementen één voor één verwijderen, bij voorkeur manueel, gebruik makend van handwerktuigen of in laatste instantie traagdraaiend gereedschap;
de materialen niet gooien;
de materialen niet breken;
de materialen opslaan in gesloten verpakkingen.

 

Bij de werkzaamheden mogen geen minderjarigen aanwezig zijn.

 

Voor persoonlijke bescherming tegen blootstelling wordt gebruik gemaakt van een stofmasker type P3 of gelijkwaardig stofmasker.

 

§ 4.

De asbesthoudende toepassingen worden afzonderlijk opgeslagen en niet gemengd met het andere sloopafval;

 

§ 5.

Het gebruik van mechanische werktuigen met grote snelheid (schuurschijven, slijpmachines, boormachines, e.d.), hogewaterdrukreinigers en luchtcompressoren, voor het bewerken, snijden of schoonmaken van objecten of ondergronden in asbesthoudend materiaal, objecten of ondergronden bekleed met asbesthoudend materiaal of voor het verwijderen van asbest is verboden.


Art. 4.7.0.2.

Voor bestaande installaties dient bij de toepassing van de eis met betrekking tot het gebruik van de beste beschikbare technieken zoals gesteld in artikel 4.7.0.1. § 1, rekening gehouden met:

de technische kenmerken van de inrichting;
de gebruiksgraad en de residuele levensduur van de inrichting;
de aard en het volume van de verontreinigende emissies van de inrichting;
de wenselijkheid geen overmatige hoge kosten te veroorzaken voor de betrokken inrichting, met name rekening houdende met de economische situatie van de tot de betrokken categorie behorende ondernemingen.

Art. 4.7.0.3.

Voor de emissies in de lucht en de afvalwaterlozingen gelden inzonderheid respectievelijk de bepalingen:

afvalwaterlozingen die asbest bevatten zijn verboden. Het afvalwater mag geen meetbare asbestvezels bevatten, zoals bepaald conform bijlage 4.4.5, A;
artikel 4, §4, van bijlage 4.2.5.2, en bijlage 4.4.5, A, voor de meetmethoden voor de lozing van afvalwater;
van artikel 4.4.3.1 en de bijlage 4.4.2 voor wat de grenswaarden voor de emissies in de lucht betreft;
van artikel 4.4.4.1 en de bijlagen 4.4.3 en 4.4.4 en 4.4.5.B voor wat de meetverplichtingen en de meetmethode voor de emissies in de lucht betreft.

Hoofdstuk 4.8.
VERWIJDERING VAN PCB'S EN PCT'S


Art. 4.8.0.1. [...]

Art. 4.8.0.2. [...]

Art. 4.8.0.3. [...]

Art. 4.8.0.4. [...]

Hoofdstuk 4.9.
Energieplanning en energieaudits


Afdeling 4.9.1.
Energieplanning


Art. 4.9.1.1.

Deze afdeling is van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen met een totaal energiegebruik van ten minste 0,5 PetaJoule per jaar.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de energie-intensieve inrichtingen van ondernemingen die zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie, niet VER-bedrijven en VER-bedrijven, vrijgesteld van deze afdeling.


Art. 4.9.1.2.

§ 1.

Binnen de zes maanden nadat uit het eerstvolgend ingediend Integraal Milieujaarverslag blijkt dat de ingedeelde inrichting een totaal energiegebruik van 0,5 PJ per jaar heeft, stelt de exploitant voor deze inrichting een energieplan op dat conform dient verklaard te worden overeenkomstig artikel 6.5.4, 6.5.5, 6.5.6 en 6.5.7 van het Energiebesluit van 19 november 2010. Dit plan wordt op de inrichting ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 2.

De exploitant voert binnen een termijn van drie jaar, na de conformverklaring van het energieplan, alle maatregelen uit dit energieplan met een interne rentevoet, als vermeld in artikel 6.5.4, §1, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, uit. Op gemotiveerd verzoek van de exploitant bij het Vlaams Energieagentschap kan de termijn verlengd worden of kan vrijstelling verleend worden voor de uitvoering van die maatregelen. In het verzoek toont de exploitant met gegronde economische redenen aan dat de voormelde termijn niet kan gehaald worden of dat de interne rentevoet lager geworden is dan de interne rentevoet, vermeld in artikel 6.5.4, §1, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010.


Art. 4.9.1.3.

De energiestudie of het energieplan, die bij de vergunningsaanvraag wordt gevoegd met toepassing van addendum C6, 10 en 11, van het aanvraagformulier vastgesteld in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, geldt als eerste energieplan.


Afdeling 4.9.2.
Energieaudits


Art. 4.9.2.1.

Deze afdeling is van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen waar ofwel meer dan 250 personen werkzaam zijn, ofwel waarvan de jaaromzet 50 miljoen euro overschrijdt en het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen euro overschrijdt.

 

In afwijking van het eerste lid zijn alle ingedeelde inrichtingen, die vallen onder de toepassing van afdeling 4.9.1, vrijgesteld van deze afdeling.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de energie-intensieve inrichtingen van ondernemingen die zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie, niet VER-bedrijven en VER-bedrijven, afgesloten op grond van artikel 7.7.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en hun verplichtingen in kader van deze energiebeleidsovereenkomsten nakomen, vrijgesteld van deze afdeling.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de ingedeelde inrichtingen die beschikken over een Europese energienorm EN 16001 of over een internationale norm voor energiemanagementsystemen ISO 50001, vrijgesteld van deze afdeling.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de ingedeelde inrichtingen die beschikken over een geldig energieprestatiecertificaat publieke gebouwen zoals vermeld in artikel 9.2.12 tot en met 9.2.16 van het Energiebesluit van 19 november 2010, vrijgesteld van deze afdeling.


Art. 4.9.2.2.

§ 1.

Uiterlijk op 1 december 2015 beschikken de ingedeelde inrichtingen over een geldige energieaudit.

 

§ 2.

De energieaudit wordt uitgevoerd door de exploitant van de ingedeelde inrichting of een persoon, die daartoe door de exploitant gemachtigd is, die zich registreert in de webapplicatie als vermeld in afdeling 4.9.3.

 

§ 3.

De energieaudit heeft een geldigheidsduur van vier jaar.

 

§ 4.

Een energieaudit:

is gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en op de belastingsprofielen voor elektriciteit;
omvat een gedetailleerd overzicht van het energieverbruikprofiel van gebouwen of groepen gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer;
bouwt, zo veel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages;
is proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken.

Afdeling 4.9.3.
Webapplicatie


Art. 4.9.3.1.

De exploitant van de ingedeelde inrichting of een persoon, die daartoe door de exploitant gemachtigd is, geeft de resultaten van het energieplan, dat overeenkomstig afdeling 4.9.1 opgesteld is, of van de energieaudit, die overeenkomstig afdeling 4.9.2 opgesteld is, in de webapplicatie, die daarvoor beschikbaar wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap, in.


Art. 4.9.3.2.

De exploitant van de ingedeelde inrichting die vrijgesteld is van de opmaak van een energieaudit overeenkomstig artikel 4.9.2.1, vierde lid, of een persoon, die daartoe door de exploitant gemachtigd is, geeft de resultaten van de energieaudit volgend uit de EN 16001- of de ISO 50001-procedure, in de webapplicatie, die daarvoor beschikbaar wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap, in.


Art. 4.9.3.3.

De exploitant van de ingedeelde inrichting van ondernemingen die zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie, niet VER-bedrijven en VER-bedrijven, afgesloten op grond van artikel 7.7.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en hun verplichtingen in kader van deze energiebeleidsovereenkomsten nakomen, is vrijgesteld van deze afdeling.


Art. 4.9.3.4.

De gegevens in de webapplicatie zijn confidentieel en alleen toegankelijk voor het Vlaams Energieagentschap en de toezichthouder. De exploitant van de ingedeelde inrichting of een persoon die daarvoor door de exploitant gemachtigd is, heeft alleen en steeds toegang tot de gegevens van zijn eigen energieplan of energieaudit.

 

In afwijking van het eerste lid kan het Vlaams Energieagentschap in het kader van rapporteringsverplichtingen geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens uit de webapplicatie ter beschikking stellen van de bevoegde instanties waarbij het aggregatieniveau voldoende confidentialiteit waarborgt. De individuele data beschikbaar in deze webapplicatie zijn confidentieel en kunnen, noch door het Vlaams Energieagentschap, noch door enige andere partij, gebruikt worden zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van de exploitant.


Hoofdstuk 4.10.
EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN


Afdeling 4.10.1.
BKG-emissies


Art. 4.10.1.1.

Deze afdeling geldt voor de volgende inrichtingen :

inrichtingen die als BKG-installaties zijn ingedeeld voor wat betreft hun BKG-emissies;
inrichtingen die in 2012 een activiteit als vermeld in bijlage 4.10.1 hebben beoefend;
inrichtingen die ontstaan na opsplitsing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie, als binnen de grenzen van de oorspronkelijke BKG-installatie een activiteit wordt uitgevoerd die in de indelingslijst is aangeduid met de letter Y in de vierde kolom.

 

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de vergunning alleen worden verleend als de vergunningverlenende overheid ervan overtuigd is dat de exploitant in staat is de emissies van de broeikasgasemissies die relevant zijn voor de inrichting, te bewaken en erover te rapporteren. Dat betekent dat de exploitant in het bezit moet zijn van een monitoringplan, geverifieerd door het verificatiebureau en goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.


Art. 4.10.1.2.

§ 1.

Met ingang van 1 januari 2014 is de exploitant van een BKG-installatie verplicht om ieder kalenderjaar uiterlijk op 30 april emissierechten in te leveren via afboeking in het nationaal register van de broeikasgassen.

 

§ 2.

Het aantal ingeleverde emissierechten komt overeen met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie in het voorgaande kalenderjaar heeft veroorzaakt, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKGinstallatie heeft veroorzaakt in voorgaande jaren en waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd. Voor BKG-emissies die worden afgevangen en vervoerd voor permanente opslag in een inrichting waarvoor rubriek 16.11 van toepassing is, bestaat geen verplichting om emissierechten in te leveren.

 

§ 3.

Als de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie wordt opgesplitst, is elke exploitant verantwoordelijk voor de inlevering van emissierechten voor wat betreft zijn eigen BKG-emissies.

 

§ 4.

In voorkomend geval vervalt de verplichting tot inlevering van emissierechten, vermeld in paragraaf 1, pas vijf maanden na het kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen.

 

§ 5.

Inrichtingen die in 2012 een activiteit uit bijlage 4.10.1 hebben beoefend, zijn verplicht om uiterlijk op 30 april 2013 via afboeking in het nationaal register van de broeikasgassen emissierechten in te leveren. Het aantal ingeleverde emissierechten moet overeenkomen met de hoeveelheid BKG-emissies in 2012, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies uit voorgaande jaren waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd. De hoeveelheid veroorzaakte BKG-emissies, is gelijk aan de BKG-emissies in het voor de inrichting in kwestie geverifieerde en gevalideerde emissiejaarrapport van de BKG-installatie, vermeld in art 4.10.1.5, § 6.


Art. 4.10.1.3.

De hoeveelheid BKG-emissies, vermeld in artikel 4.10.1.2, §2, is gelijk aan de BKG-emissies in het voor de inrichting in kwestie geverifieerde en goedgekeurde emissiejaarrapport, vermeld in artikel 4.10.1.5, §3. In voorkomend geval is de hoeveelheid BKG-emissies, vermeld in artikel 4.10.1.2, §2, gelijk aan de conservatieve schatting, vermeld in artikel 4.10.1.5, §7.


Art. 4.10.1.4.

§ 1.

De exploitant van een BKG-installatie zorgt voor de bewaking van de BKG-emissies van de BKG-installatie in kwestie. De bewaking van BKG-emissies wordt uitgevoerd volgens een monitoringplan dat het verificatiebureau heeft geverifieerd en de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, heeft goedgekeurd. De exploitant van een BKG-installatie is in het bezit van dat geverifieerde en goedgekeurde monitoringplan.

 

§ 2.

Het monitoringplan wordt in 2013 aan de milieuvergunning toegevoegd. BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning actualiseren om een Y-rubriek te verkrijgen, voegen overeenkomstig artikel 5, § 9, en artikel 6quater, § 3, van titel I van het VLAREM, zelf een goedgekeurd monitoringplan bij de vergunning. Voor BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning niet actualiseren, bezorgt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het monitoringplan aan de bevoegde overheid die het bij besluit bij de milieuvergunning voegt.

 

Uiterlijk vijf jaar na de eerste toevoeging van het monitoringplan bezorgt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het monitoringplan aan de bevoegde overheid die het bij de omgevingsvergunning voegt.

 

§ 3.

Als de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie wordt opgesplitst, stelt de exploitant van elke afgesplitste omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een monitoringplan op voor het deel van de BKG-installatie dat binnen de grenzen van de afgesplitste vergunning gelegen is.

 

§ 4.

In voorkomend geval loopt de bewaking, vermeld in paragraaf 1, door voor het volledige kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43 van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. In voorkomend geval vervalt de verplichting om de BKG-emissies te bewaken voor het kalenderjaar dat volgt op de volledige stopzetting van de activiteiten van de BKG-installatie.


Art. 4.10.1.5.

§ 1.

Met ingang van 1 januari 2014 stelt de exploitant van een BKG-installatie jaarlijks een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van het totaal aan BKG-emissies, uitgestoten door de BKG-installatie.

 

§ 2.

De exploitant van de BKG-installatie dient ieder kalenderjaar uiterlijk op 14 maart bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een geverifieerd emissiejaarrapport in overeenkomstig Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, geeft de BKG-emissies, vervat in deze emissiejaarrapporten, door aan de registeradministrateur. De geverifieerde emissiejaarrapporten liggen ter inzage bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.

 

§ 3.

De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, onderwerpt de geverifieerde emissiejaarrapporten, vermeld in paragraaf 2, aan een steekproefsgewijze controle om na te gaan of de geverifieerde emissiejaarrapporten conform zijn aan de bepalingen van de Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van emissies van broeikasgassen, en keurt de BKG-emissies, die erin staan, in voorkomend geval, goed, uiterlijk op 15 april van het lopende kalenderjaar. De afdeling brengt de exploitant daarvan op de hoogte. Als de afdeling vaststelt dat een geverifieerd emissiejaarrapport niet voldoet aan de bepalingen van de verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, keurt de afdeling het geverifieerde emissiejaarrapport niet goed, en maakt ze een conservatieve schatting conform paragraaf 7.

 

§ 4.

Als de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie wordt opgesplitst, vermeldt het emissiejaarrapport afzonderlijk de BKG-emissies voor elk deel van de BKG-installatie dat binnen de grenzen van een afgesplitste vergunning ligt.

 

§ 5.

In voorkomend geval vervalt de verplichting tot het opstellen van een emissiejaarrapport als vermeld in paragraaf 1, pas drie maanden na het kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen, voor zover de juistheid hiervan is vastgesteld door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.

 

§ 6.

Inrichtingen die in 2012 een activiteit als vermeld in bijlage 4.10.1, beoefenen, stellen een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies in 2012. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van de totale BKG-emissies.

 

De exploitant bezorgt het emissiejaarrapport, aangetekend of bij wijze van een levering met ontvangstbewijs uiterlijk op 1 februari 2013 aan het verificatiebureau.

Het verificatiebureau verifieert dit emissiejaarrapport voor 20 maart 2013.

Het verificatiebureau betekent de geverifieerde emissiejaarrapporten aan de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging.

 

§ 7.

Conform artikel 70 van de verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, kan, in voorkomend geval, de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een conservatieve schatting maken van de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten en wordt dat cijfer door de afdeling doorgegeven aan de registeradministrateur. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, brengt de exploitant daarvan op de hoogte.

 

§ 8.

De conform paragraaf 3 goedgekeurde BKG-emissies en de conform paragraaf 7 gemaakte conservatieve schattingen worden door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, op het internet bekendgemaakt.


Art. 4.10.1.6.

Als een hinderlijke inrichting zijn hoedanigheid van BKG-installatie verliest, of als de activiteiten van de BKG-installatie worden stopgezet, dient de exploitant van de BKG-installatie binnen een termijn van veertien dagen een aanvraag tot schrapping van de toepasselijke Y rubrieken in.