Afdeling 4.1.3.
HygiŽne en hinderbeheersing


Art. 4.1.3.1. De inrichting moet zindelijk worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. Telkens als de omstandigheden daartoe aanleiding geven moeten doeltreffende maatregelen worden genomen tegen ongedierte.

Art. 4.1.3.2.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.2.1. treft de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer.


Art. 4.1.3.3. Bij hinder moet de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen treffen om die toestand te verhelpen.

Art. 4.1.3.4. [...]