Art. 4.2.2.1.1.

De algemene voorwaarden voor het lozen in de gewone oppervlaktewateren en/of voor lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, luiden als volgt :, luiden als volgt:

1 het te lozen bedrijfsafvalwater dat in zodanige hoeveelheid pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
2 de pH van het geloosde bedrijfsafvalwater mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen; indien het geloosde bedijfsafvalwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan voor de bepaling van de grenswaarden van de pH de natuurlijke pH van het bedoelde oppervlaktewater en/of grondwater aangenomen worden indien die pH meer dan 9 of minder dan 6,5 bedraagt;
3 het biochemische zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20C in het geloosde bedijfsafvalwater mag niet meer bedragen dan 25 milligram zuurstofverbruik per liter;
4 de temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater mag 30C niet overschrijden; mits uitdrukkelijk in de vergunning opgenomen, is bij een buitentemperatuur van 25C of meer of bij een koelwaterinname met een temperatuur van 20C of meer evenwel een overschrijding tot 35C toegestaan, in zoverre hierdoor de temperatuur, vermeld in de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewater niet wordt overschreden;
5 in het geloosde bedijfsafvalwater mogen de volgende gehalten niet overschreden worden:
a) 0,5 milliliter per liter voor de bezinkbare stoffen (tijdens een statische bezinking van twee uur);
b) 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
c) 5 milligram per liter voor de perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen;
d) 3 milligram per liter voor de som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen;
6 indien het geloosde bedrijfsafvalwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater kunnen de waarden vastgelegd in sub 3 en sub 5 van dit artikel vermeerderd worden met het gehalte in het opgenomen water;
7 een representatief monster van het geloosde bedrijfsafvalwater mag geen olin, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een scheitrechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden.