Afdeling 4.2.4.
Lozing van koelwater


Art. 4.2.4.1.

1.

De algemene voorwaarden voor het lozen van koelwater in de gewone oppervlaktewateren en in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater en voor het lozen van koelwater, ingedeeld in klasse 3, in de openbare riolering en de collectoren, luiden als volgt:

1 het te lozen koelwater dat in zodanige hoeveelheid pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet moet ontsmet worden;
2 de pH van het geloosde koelwater mag niet meer dan 8,5 of niet minder dan 6,5 bedragen; indien het geloosde koelwater afkomstig is van het gebruik van een oppervlaktewater en/of van grondwater kan voor de bepaling van de emissiegrenswaarde van de pH, de natuurlijke pH van het bedoelde oppervlaktewater en/of grondwater aangenomen worden indien die pH meer dan 8,5 of minder dan 6,5 bedraagt;
3 het gehalte aan opgeloste zuurstof van het geloosde koelwater moet tenminste 4 milligram per liter bedragen; indien het geloosde koelwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater waarvan het gehalte aan opgeloste zuurstof minder dan 4 mg/l bedraagt, moet het gehalte aan opgeloste zuurstof van het geloosde koelwater minstens gelijk zijn aan dat van het ontvangende oppervlaktewater stroomopwaarts van de waterwinning;
4 de temperatuur van het geloosde koelwater mag 30C niet overschrijden; mits uitdrukkelijk in de vergunning opgenomen is bij een buitentemperatuur van 25C of meer of bij een koelwaterinname met een temperatuur van 20C of meer evenwel een overschrijding tot 35C toegestaan, in zoverre hierdoor de temperatuur, vermeld in de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewater niet wordt overschreden;
5 het geloosde koelwater mag zonder uitdrukkelijke vergunning, te verlenen overeenkomstig het bepaalde in de art. 2.3.6.1. en 2.3.6.2., geen stoffen bevatten die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in de bijlage 2C, noch alle andere stoffen met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora en de fauna; dit geldt eveneens voor de stoffen die eutrofiring van de ontvangende wateren kunnen veroorzaken;
6 het verschil in het chemisch zuurstofverbruik van het geloosde koelwater en het opgenomen gewoon oppervlaktewater en/of grondwater mag 30 milligram zuurstofverbruik per liter niet overschrijden.

2.

Het koelwater dient bij voorkeur in een gesloten circuit te worden aangewend.

3.

In afwijking van de bepalingen van 1. 4 worden de lozingsvoorwaarden voor koelwater, afkomstig van elektrische centrales als volgt vastgesteld:

1 het geloosde koelwater is uitsluitend afkomstig van een oppervlaktewater behorend tot het openbaar hydrografisch net;
2 de uur- en dagdebieten, de temperatuur en het zuurstofgehalte van zowel het gecapteerde als van het geloosde koelwater worden continu bepaald en geregistreerd;
3 voor de temperatuur van het geloosde koelwater gelden volgende emissiegrenswaarden:
- maximum 33 C als ogenblikkelijke waarde;
- maximum 32 C als daggemiddelde; hiervoor worden de uurwaarden in aanmerking genomen, zoals gemeten van de middag (12 h) van de ene dag tot de middag (12 h) van de daaropvolgende dag;
- maximum 30 C als voortschrijdend 30-dagengemiddelde;
de emissiegrenswaarden vermeld in het eerste lid zijn tijdelijk niet van toepassing indien bij uitzonderlijke meteorologische omstandigheden, inzonderheid bij een hittegolf, de netveiligheid in het gedrang komt, en indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
- de exploitant beschikt over een door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de VMM goedgekeurd studierapport, waarin voor de geviseerde lozing een inschatting is gemaakt van de eigenschappen van de lozing en de effecten in het ontvangende oppervlaktewater, in relatie met de thermische draagkracht van het ontvangende oppervlaktewater; dit studierapport moet worden opgesteld door een MER-deskundige erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1 d), 4), van het VLAREL en een MER-deskundige erkend in de discipline fauna en flora, vemeld in artikel 6, 1, d), 2), van het VLAREL, en vermeldt expliciet de verhoogde maximumtemperatuur, uitgedrukt als ogenblikkelijke waarde en ook als daggemiddelde, van de bij optreden van een hittegolf tijdelijk toelaatbaar geachte lozing van koelwater, alsook de maximumduur van dergelijke lozing, evenals het geloosde debiet;
- de lozing voldoet aan de in het studierapport beschreven maximum temperaturen, debiet en andere randvoorwaarden; deze randvoorwaarden worden tijdens deze uitzonderlijke periode continu bewaakt door de exploitant;
- de aanvang en het einde van de lozing met verhoogde temperatuur wordt telkens onverwijld gemeld aan de toezichthoudende overheid;
Voor de toepassing van deze bepalingen, wordt een hittegolf gedefinieerd als zijnde een periode met minstens 5 opeenvolgende dagen met ten minste 25 graden (luchttemperatuur), waarvan op minstens 3 dagen 30 graden of meer wordt genoteerd te Ukkel.
4 voor de geloosde thermische vrachten gelden volgende waarden:
- maximale thermische vracht per dag:
- de thermische vracht berekend uit de technische gegevens van de installatie, uitgedrukt per dag;
- toegelaten thermische vrachten per dag:
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water tot maximum 25 C is de lozing van de maximale thermische vracht toegestaan;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van meer dan 25 C dient met ingang van de dag volgend op de dag waarop de gemeten temperatuur betrekking heeft, de geloosde thermische vracht verminderd; deze vermindering zal - behoudens wanneer veiligheidsredenen zich hiertegen verzetten - rechtevenredig zijn met de gemeten temperatuurstijging, derwijze dat de werkelijk geloosde thermische vracht wordt beperkt:
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van 26 C: tot 70 % van de maximale thermische vracht per dag;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van 27 C: tot 40 % van de maximale thermische vracht per dag;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van 28 C: tot 10 % of minder van de maximale thermische vracht per dag;
voormelde verminderingen van de thermische dagvrachten dienen aangehouden zolang de gemeten gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water de hoger aangegeven emissiegrenswaarde overschrijdt;
voor de bepaling van de gemiddelde dagtemperatuur worden de uurwaarden in aanmerking genomen, zoals gemeten van de middag (12 h) van de ene dag tot de middag (12 h) van de daaropvolgende dag;