Scheepvaartdecreet
Scheepvaartdecreet

Titel 1.
Algemene bepalingen


Artikel 1.
Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2.
Voor zover in bepaalde hoofdstukken of afdelingen van dit decreet geen afwijkende definities zijn opgenomen, wordt voor de toepassing van dit decreet verstaan onder:
bevoegde autoriteit: de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst of de openbare instelling die afhangt van het Vlaamse Gewest, belast met de uitvoering en de handhaving van de bepalingen van dit decreet of delen ervan;
bijzonder transport: een schip dat in zodanige staat verkeert of zodanige buitengewone lading vervoert en daarbij zodanige kenmerken vertoont, zoals de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang, de manoeuvreerbaarheid en de snelheid, die niet verenigbaar zijn met de karakteristieke afmetingen van de vaarweg, de kunstwerken of de andere infrastructuur, waardoor er een ernstige kans bestaat dat het bij de vaart de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengt of schade aan de kunstwerken of de infrastructuur veroorzaakt, dan wel zinkt of lading verliest;
binnenschip: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren, met inbegrip van een estuair schip; de teboekstelling van het schip in een register van binnenschepen geldt als vermoeden dat het schip een binnenschip is;
binnenwateren: de openbare wateren in het Vlaamse Gewest die voor de scheepvaart kunnen worden gebruikt, daarin begrepen de zeehavens en de kustwateren aan de landzijde van de basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten;
capteren: het met om het even welk middel onttrekken van water uit de water weg of de haven;
De Vlaamse Waterweg nv: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap, naamloze vennootschap van publiek recht, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht;
estuair schip: een schip dat overeenkomstig een Belgische reglementering beschikt over een certificaat waaruit blijkt dat het voldoet aan de specifieke veiligheidseisen om te varen op de binnenwateren en daarenboven gerechtigd is om te varen in een beperkt vaargebied tussen de Zeeschelde en de havens van de Belgische kust, of tussen deze laatste havens;
exploitant: degene die als eigenaar, vruchtgebruiker, rompbevrachter of huurkoper het economisch zeggenschap heeft over het schip;
gezagvoerder: ieder die belast is met de leiding van een schip of deze leiding in feite neemt, alsmede ieder die hem rechtmatig vervangt;
10°
haven: een plaats of samenhangend gebied met verbeteringswerken en voorzieningen die dienen of zijn bestemd voor het aanmeren van schepen met het oog op uitwisseling en interactie met de oever, zoals voor het laden en lossen van schepen, voor het in en ontschepen van personen of voor het te water laten of uit het water lichten van schepen;
11°
havenbedrijf: een havenbedrijf als vermeld in het decreet van 2 maart 1999 betreffende het beleid en het beheer van de zeehavens;
12°
incident: een voorval veroorzaakt door de exploitatie van een schip of in verband daarmee zodat het schip, de lading of een persoon in gevaar wordt gebracht of waardoor ernstige schade zou kunnen worden toegebracht hetzij aan het schip of zijn constructie, hetzij aan het leefmilieu;
13°
jaagpad: de voor het beheer en de exploitatie van de waterwegen dienstige wegen en paden ongeacht hun eigendomsstatuut;
14°
luchtkussenvaartuig: elk schip dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water met behulp van een luchtkussen dat in stand wordt gehouden tussen het toestel en het oppervlak van het water of de aarde;
15°
nautische publicaties: officiële berichten van de waterwegbeheerder of van een andere autoriteit die zijn gericht aan de gebruikers van een scheepvaartweg, waaronder de Berichten aan de Schipperij, de Bekendmakingen aan de Scheldescheepvaart, de Berichten aan Zeevarenden en de Kennisgevingen en Bekendmakingen;
16°
onbeheerd schip: een schip dat zich zonder te zijn verplaatst zestig dagen of meer op dezelfde plaats in de waterweg of in een haven bevindt, zonder het recht te hebben verkregen om hetzij gedurende de gehele periode, hetzij ononderbroken vanaf een bepaald ogenblik binnen die periode op die plaats te mogen stilliggen;
17°
openbaar personenvervoer over water: de personenvervoerdiensten van algemeen belang over water, die op permanente en niet-discriminerende basis aan het publiek worden aangeboden, vermeld in het decreet van 26 april 2019 betreffende de basisbereikbaarheid;
18°
openbare wateren: alle wateren die overeenkomstig de toepasselijke reglementen voor het openbaar verkeer openstaan, ongeacht of zij behoren tot een maritiem rechtsgebied of tot de binnenwateren;
19°
passagiersschip: een schip ingericht of gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
20°
pleziervaartuig: elk schip dat bestemd is voor sportieve of recreatieve doeleinden met uitsluiting van de passagiersschepen;
21°
reis: elke verplaatsing van een schip tussen twee havens;
22°
scheepsbestanddeel: al hetgeen onderdeel van een schip uitmaakt, in het bijzonder:
a)
de romp, de opbouw, de masten, het roer en de overige stuurinrichting;
b)
de bijzaken die zodanig met een schip worden verbonden dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat aan hen of aan het schip beschadiging van betekenis wordt toegebracht;
c)
de definitief ingebouwde voortbewegingswerktuigen, ladingbehandelingstuigen en inrichtingen en andere werktuigen;
23°
scheepstoebehoren: de zich aan boord bevindende, voor het normale gebruik van het schip nodige of nuttige verbruiksgoederen, alsmede de zaken, met uitsluiting van scheepsbestanddelen, die aan boord zijn gebracht om het schip duurzaam te dienen, in het bijzonder wanneer:
a)
hun aanwezigheid aan boord is opgelegd door regelgeving; of
b)
zij door hun vorm als zodanig zijn te herkennen; of
c)
zij nodig of nuttig zijn voor het normale gebruik van het schip;
24°
schip: elk tuig of samenstel van tuigen, met of zonder eigen beweegkracht, met of zonder waterverplaatsing, dat drijft of heeft gedreven en dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water, met inbegrip van luchtkussenvaartuigen doch met uitsluiting van vaste tuigen;
25°
verkeer te water: elke, zelfs stationaire vorm van deelname aan het verkeer in, onder of over openbare wateren;
26°
vast tuig: elk tuig dat zijn geschiktheid als middel van verkeer te water heeft verloren doordat het blijvend met het land of de bodem is verbonden;
27°
veer: een schip dat op geregelde tijdstippen, al dan niet met winstoogmerk, heen en weer vaart binnen een haven, tussen twee oevers van een waterweg of tussen een oever en een eiland in de waterweg om personen of goederen over te zetten en dat toelating gekregen heeft van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf;
28°
verkeersteken: een teken of combinatie van tekens waarmee inlichtingen worden gegeven over de toestand van de waterweg, de haven of een deel ervan, of waarbij een aanbeveling, gebod of verbod wordt gericht tot de gebruikers van de waterweg of de haven, alsmede de voorwerpen aangebracht met het oog op de markering van de vaarweg of de signalisatie van sluizen, bruggen of andere kunstwerken;
29°
watergebonden gebied: het geheel van de gronden die aan of in de nabije omgeving van de waterwegen liggen, zoals dit door de Vlaamse Regering in een besluit nader wordt omschreven;
30°
waterweg: een in het Vlaamse Gewest gelegen bevaarbare waterloop of kanaal, met inbegrip van aanhorigheden, maar met uitsluiting van de wateren gelegen in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven;
31°
waterwegbeheerder: de overheid die een of meer waterwegen, of de kustwateren aan de landzijde van de basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, beheert of haar gemachtigde;
32°
waterwegklasse: de klasse van een waterweg of van havenwateren overeenkomstig de classificatie van Europese binnenwateren zoals vastgesteld in resolutie nr. 30 van 12 november 1992 van de UNECE, zoals opgenomen als bijlage in het decreet van 19 december 2008 betreffende de River Information Services op de binnenwateren;
33°
woonvaartuig: een schip of een drijvend vast tuig dat als hoofdbestemming voor bewoning is ingericht en als hoofdverblijfplaats dienstig is;
34°
zeeschip: elk schip dat geen binnenschip is.

Art. 3.
Behoudens uitdrukkelijke andersluidende bepaling, zijn titel 2 en 3 van dit decreet van toepassing op de binnenwateren.
De Vlaamse Regering kan de binnenwateren waarop titel 2 en 3 van dit decreet toepassing vinden in een besluit oplijsten en, waar nodig, nader omschrijven.

Art. 4.
In zoverre zij niet bij decreet werden bepaald, wijst de Vlaamse Regering de bevoegde autoriteiten aan die belast zijn met de uitvoering en de handhaving van de bepalingen van dit decreet of delen ervan.

Art. 5.
Voor zover in dit decreet geen expliciete wijzigingsbepaling is opgenomen, geldt onderhavig decreet met behoud van de toepassing van:
de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij en zijn uitvoeringsbesluiten;
artikel 3bis en 10, § 3, van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen;
het decreet van 19 april 1995 betreffende de organisatie en de werking van de loodsdienst van het Vlaamse Gewest en betreffende de brevetten van havenloods, bootman en diepzeeloods en zijn uitvoeringsbesluiten;
het decreet van 2 maart 1999 betreffende het beleid en het beheer van de zeehavens en zijn uitvoeringsbesluiten;
het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht;
het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en zijn uitvoeringsbesluiten;
het decreet van 19 december 2008 betreffende de River Information Services op de binnenwateren en zijn uitvoeringsbesluiten.
Dit decreet geldt met behoud van de toepassing van de volkenrechtelijke en Unierechtelijke rechten en verplichtingen van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de erin geregelde aangelegenheden. In het bijzonder doet dit decreet geen afbreuk aan het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaamse Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied, ondertekend in Middelburg op 21 december 2005.

Titel 2.
De scheepvaartwegen


Hoofdstuk 1.
Taken van het Vlaamse Gewest als waterwegbeheerder


Art. 6.
Met behoud van de toepassing van de overige bepalingen van dit decreet, en onder voorbehoud van de bepalingen van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, staat het Vlaamse Gewest als waterwegbeheerder in voor het beheer en de exploitatie van de waterweg en het watergebonden gebied.
Deze taak kan onder meer de volgende activiteiten omvatten:
het bouwen, vernieuwen, onderhouden, herstellen, bedienen en uitrusten van de sluizen, bruggen en stuwen;
het aanleggen, verbeteren, inrichten en uitrusten van de basisinfrastructuur en de laad- en losinstallaties, alsmede het regelen van het gebruik daarvan;
het huren of verhuren, het in concessie nemen of geven van het watergebonden gebied of een deel ervan en het vestigen of verwerven van andere rechten op het watergebonden gebied of een deel ervan;
het geheel of gedeeltelijk bouwrijp maken van het watergebonden gebied;
het voeren van een specifiek op watergebonden bedrijvigheden en op watergebonden overslag gericht industrialisatiebeleid;
het creëren van nieuwe, watergebonden bedrijfszones;
het bouwen, onderhouden, inrichten en beheer van oevers, jaagpaden evenals dijken en waterkeringen;
het verrichten van de nodige baggerwerkzaamheden voor de instandhouding van de diepten;
het peilbeheer en het beheren van de bevloeiingen;
10°
het innen van rechten van welke aard ook, wegens het gebruik van de waterweg;
11°
het uitvoeren van onderhoudstaken op kleine kanalen.

Hoofdstuk 2.
Burgerlijke aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder


Art. 7.
De aanwezigheid van voorwerpen en afwijkingen van de vastgestelde of gangbare vaarmogelijkheden in een waterweg als gevolg van natuurlijke processen vormt voor de toepassing van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek geen gebrek of abnormaal kenmerk van de waterweg.

Art. 8.
De waterwegbeheerder is niet aansprakelijk op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voor de niet uit een natuurlijk proces volgende aanwezigheid van voorwerpen en afwijkingen van de vastgestelde of gangbare vaarmogelijkheden in een waterweg die van boven de waterspiegel niet met het blote oog waarneembaar zijn.

Art. 9.
De waterwegbeheerder is niet aansprakelijk voor de volgende vormen van schade:
schade die te wijten is aan maatregelen die in het algemeen belang worden genomen;
averij of scheepvaartstremming veroorzaakt door een aanvaring of een raak met kunstwerken in hoofde van derde partijen.

Art. 10.

§ 1

In geval van schade te wijten aan een fout of verzuim in hoofde van de waterwegbeheerder of zijn aangestelden of veroorzaakt door een gebrek van de zaak die de waterwegbeheerder onder zijn bewaring heeft, is de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder beperkt tot het overeenkomstig paragraaf 2 vastgestelde bedrag indien de schade voortvloeit uit één van de volgende oorzaken:
een defect aan of een gebrek in de verkeerstekens en de apparaten die dienen om inlichtingen of instructies aan schepen te geven, zoals bakens en boeien;
een defect aan of een gebrek in de kunstwerken, zoals sluizen, bruggen en taluds.

§ 2

Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder per schadeverwekkend feit is beperkt, is afhankelijk van de waterwegklasse van de waterweg waarop het schadeverwekkende feit zich voordoet.
Per schadeverwekkend feit worden de bedragen voor elke waterwegklasse als volgt vastgesteld:
Klasse
Bedrag
I
50.000,00 EUR
II
81.250,00 EUR
III
125.000,00 EUR
IV
187.500,00 EUR
Va
375.000,00 EUR
Vb
400.000,00 EUR
VIa
750.000,00 EUR
VIb
1.500.000,00 EUR
VIc
2.250.000,00 EUR
VII
3.375.000,00 EUR

§ 3

De beperking van de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder geldt niet wanneer zijnerzijds opzet of grove schuld aanwezig is.

§ 4

Alle bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex van december van het voorgaande jaar, waarbij het aanvangsindexcijfer datgene is van december 2021. Onder de gezondheidsindex wordt verstaan de afgevlakte gezondheidsindex, vermeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van's lands concurrentievermogen.

Art. 11.

§ 1

Wanneer de waterwegbeheerder kennis krijgt van een tegen hem gerichte vordering tot schadevergoeding, in of buiten rechte, met betrekking tot een schadeverwekkend feit waarvoor de beperking van aansprakelijkheid als vermeld in artikel 10 van dit decreet geldt, kan hij een bekendmaking laten verrichten.
Indien de waterwegbeheerder een bekendmaking verricht, geschiedt deze:
in het Belgisch Staatsblad;
indien nuttig, in een of meer op de scheepvaart gerichte publicaties of in een publicatie die verschijnt in het arrondissement waar de desgevallend geadieerde rechtbank zetelt;
op de desgevallend bijkomend door de Vlaamse Regering voorgeschreven elektronische wijze.
In de bekendmaking wordt eenieder die schade lijdt als gevolg van hetzelfde schadeverwekkend feit uitgenodigd om binnen de drie maanden vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad zijn vordering in te dienen.
Wanneer een gerechtelijke procedure aanhangig is, wordt de vordering ingesteld middels een verzoek tot tussenkomst. Wanneer geen gerechtelijke procedure aanhangig werd gemaakt, wordt de vordering bij aangetekend schrijven gericht tot de waterwegbeheerder. Wordt na de bekendmaking alsnog een gerechtelijke procedure aangevat, dan stelt de waterwegbeheerder eenieder die een vordering tot hem heeft gericht in kennis van de mogelijkheid om een verzoek tot tussenkomst in te stellen.

§ 2

De waterwegbeheerder die heeft gehandeld overeenkomstig paragraaf 1, kan de beperking van aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 10 van dit decreet inroepen tegen alle personen die een vordering instellen. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid wordt beperkt, wordt onder de eisers van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen verdeeld in evenredigheid met de bedragen van hun gegrond bevonden vorderingen.

§ 3

Indien de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder overeenkomstig artikel 10 van dit decreet is beperkt, wordt wie meer dan drie maanden na de bekendmaking een ontvankelijke en gegronde vordering tot schadevergoeding instelt slechts vergoed voor zover de waterwegbeheerder uit hoofde van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen minder schadevergoeding dient te betalen dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt. De waterwegbeheerder is niet gehouden tot de betaling van een totaalbedrag aan schadevergoedingen dat hoger ligt dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt.

Hoofdstuk 3.
Instandhouding en functionaliteit


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 12.
De Vlaamse Regering stelt voor elke waterweg of elk waterweggedeelte de waterwegklasse vast.
Wat betreft de waterwegen of waterweggedeelten beheerd door De Vlaamse Waterweg nv, stelt de Vlaamse Regering de waterwegklasse vast na advies van de raad van bestuur van De Vlaamse Waterweg nv.

Art. 13.
De waterwegen zijn goederen van het openbaar domein met een functie als scheepvaartweg. Het gebruik voor de scheepvaart heeft er voorrang op andere activiteiten.

Art. 14.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 2 van titel 2 en los van de mogelijkheid voor de waterwegbeheerder om het scheepvaartverkeer op bepaalde waterwegen of delen daarvan om veiligheidsredenen of andere reden van algemeen belang geheel of gedeeltelijk te beperken of te verbieden, treft de waterwegbeheerder de nodige maatregelen opdat het verkeer van de schepen ten minste overeenkomstig de vastgestelde waterwegklasse kan worden verzekerd.

Art. 15.
In geval een voorwerp in de door een waterwegbeheerder beheerde waterweg terechtkomt of dreigt terecht te komen, dient eenieder door wiens toedoen zulks geschiedt dit onverwijld te melden aan de waterwegbeheerder. Bij deze melding dienen alle gegevens te worden meegedeeld die van belang zijn of kunnen zijn voor de instandhouding of het herstel van de waterweg.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.

Afdeling 2.
Ruiming van gestrande, gezonken en onbeheerde schepen en andere obstakels


Art. 16.
Deze afdeling, evenals artikel 88, artikel 120 en afdeling 2 van hoofdstuk 4 van titel 6 zijn van toepassing op de binnenwateren.
Voormelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de territoriale zee en de exclusieve economische zone wat betreft de schepen, wrakstukken, gezonken tuigen of voorwerpen die een aantasting van de bereikbaarheid van de Vlaamse havens en waterwegen vormen.
In het geval, vermeld in het tweede lid, komen de bevoegdheden toe aan de Vlaamse Regering.

Art. 17.
De eigenaar, huurder, of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip dat is gestrand of gezonken of van een onbeheerd schip, moet dit schip, met inbegrip van alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, inzonderheid de lading, vlot brengen en verwijderen naar de daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats.
Wrakstukken, gezonken tuigen en alles wat vanop een schip in het water is terechtgekomen, alsmede alle andere voorwerpen die in het water zijn terechtgekomen, moeten eveneens door hun respectieve eigenaars, worden gelicht en worden verwijderd.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan daartoe verplichtingen opleggen, zoals een termijn waarbinnen het vlotbrengen of verwijderen dient te geschieden.
De uitvoering van de voormelde verplichtingen kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel.

Art. 18.
Degene die aansprakelijk is voor de gebeurtenis waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is of waardoor enig ander voorwerp in het water is terechtgekomen en, bij gebreke van zulke aansprakelijke, de persoon, vermeld in artikel 17, eerste of tweede lid, is aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf de betaling verschuldigd van de kosten die voor deze waterwegbeheerder of dit havenbedrijf voortvloeien uit de ambtshalve, krachtens artikel 140 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen.
De bedragen die de verzekeraars van de eigen schade of van de aansprakelijkheid, inbegrepen de onderlinge verzekeringsmaatschappijen, verschuldigd zijn wegens het verlies van het schip of van enig ander voorwerp of wegens de gebeurtenis waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is of enig ander voorwerp in het water is terechtgekomen, aan de personen die krachtens artikel 141 of krachtens dit artikel schuldenaar zijn van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, worden, ter voldoening van de in het eerste lid bedoelde kosten, door de betreffende verzekeraars rechtstreeks aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf betaald. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf bezit een eigen recht jegens de verzekeraars.
Geen betaling door deze verzekeraars aan de verzekerde bevrijdt zolang de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf niet volledig werden voldaan.

Art. 19.

§ 1

Voor zover het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), ondertekend te Straatsburg op 27 september 2012, niet van toepassing is, kan de eigenaar van een schip, die op grond van artikel 18 schuldenaar is van de betaling van de kosten, daarbij zijn aansprakelijkheid beperken. Hetzelfde geldt voor de huurder of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip die op grond van artikel 18 schuldenaar is van de betaling van de kosten.

§ 2

Voor de schepen onderworpen aan het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen, kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de volgende bedragen:
voor een schip van niet meer dan 500 ton: tot 370.000 euro;
voor een schip van meer dan 500 ton wordt het onder punt 1° vermelde bedrag vermeerderd met:
a)
445 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 501 tot en met 6000 ton;
b)
175 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 6001 tot 70.000 ton;
c)
125 euro voor elke toename van de tonnenmaat met één ton boven 70.000 ton.
Voor de overige schepen kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de waarde van het schip op het ogenblik van de ambtshalve, krachtens artikel 140 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen, met een minimum evenwel van 375.00 euro.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder tonnenmaat verstaan: de brutotonnenmaat berekend overeenkomstig de voorschriften van meting, vervat in Bijlage I van het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen.
De Vlaamse Regering is gemachtigd de voormelde bedragen aan te passen, rekening houdend met de economische toestand.

§ 3

De verzekeraar van de in paragraaf 1 bedoelde persoon kan zich op dezelfde beperking beroepen.

§ 4

De in paragraaf 1 bedoelde persoon is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken als wordt bewezen dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat zodanige schade er waarschijnlijk zou uit voortvloeien.

Afdeling 3.
Jaagpaden


Art. 20.
De waterwegbeheerder beheert de jaagpaden bij de waterwegen die onder zijn beheer vallen.
Indien het jaagpad tevens fungeert als rijbaan in de zin van de federale regelgeving betreffende de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wordt het beheerd door de betrokken wegbeheerder.
De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van het beheer van de jaagpaden bepalen.

Art. 21.
Op de langs waterwegen gelegen erven die niet aan de waterwegbeheerder toebehoren en waarop deze geen recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft, rust ten behoeve van het gebruik van de waterweg een erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf.
De erfdienstbaarheid houdt in dat de houders van zakelijke rechten op de bedoelde erven moeten gedogen dat een jaagpad wordt aangelegd of in stand gehouden en dat het erf wordt gebruikt ten behoeve van de waterweg en dit gebruik niet mogen hinderen. De Vlaamse Regering bepaalt nader welke lasten op de erven rusten en wie de begunstigden zijn, evenals in welke gevallen deze lasten onevenredige nadelige gevolgen uitmaken en de vergoeding die daarvoor verschuldigd is, en kan daarbij een onderscheid maken naar de kenmerken en de bestemming van de waterwegen.
Overeenkomstig de modaliteiten en binnen de grenzen vastgesteld door de Vlaamse Regering, bepaalt de waterwegbeheerder de ruimtelijke uitgestrektheid van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf.

Art. 22.
Op de langs waterwegen gelegen erven die met een erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf zijn bezwaard, mogen binnen de ruimtelijke uitgestrektheid van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf door anderen dan de waterwegbeheerder geen werken of beplantingen worden uitgevoerd zonder de voorafgaande machtiging van de waterwegbeheerder.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het verlenen van dergelijke machtiging.

Art. 23.
De houders van zakelijke rechten op erven die voorheen niet langs waterwegen gelegen waren maar die, door de aanleg van een nieuwe waterweg of doordat een niet-bevaarbare waterloop wordt ingedeeld bij de waterwegen, vanaf een bepaald tijdstip langs waterwegen gelegen erven worden, hebben in de mate dat hun zakelijk recht in waarde vermindert als gevolg van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf recht op een billijke vergoeding van die waardevermindering.

Art. 24.
Het is verboden het gebruik van het jaagpad voor de dienst van de waterwegbeheerder of voor scheepvaartdoeleinden te hinderen.

Hoofdstuk 4.
Openbaar gebruik


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 25.
Elke gebruiker van de waterweg dient zijn gedrag aan te passen aan de plaatsgesteldheid, de belemmeringen, de verkeersdichtheid en de aanwezigheid van andere waterweggebruikers, het zicht, de staat van de waterweg, de weersomstandigheden en de aard en staat van zijn schip en lading.

Art. 26.
De gebruikers van de waterweg zijn verplicht de aanwijzingen en bevelen op te volgen welke in bijzondere gevallen, met betrekking tot de door dit decreet geregelde aangelegenheden worden gegeven door de bevoegde personen, als mede gevolg te geven aan dan wel rekening te houden met de overeenkomstig de bepalingen van dit decreet uitgevaardigde nautische publicaties en aangebrachte verkeerstekens.
De aanwijzingen en bevelen gaan boven de nautische publicaties en de verkeerstekens.
De voorschriften in de nautische publicaties gaan boven de verkeerstekens, tenzij het tegendeel in de betreffende nautische publicatie uitdrukkelijk wordt aangegeven.
De Vlaamse Regering duidt de personen aan die, naast de personen bevoegd voor het opsporen van overtredingen, aanwijzingen en bevelen mogen geven.

Art. 27.
Indien een gebruiker van de door een waterwegbeheerder beheerde waterweg schade berokkent aan de waterweg stelt hij de waterwegwegbeheerder hiervan onverwijld in kennis. Bij deze melding dienen alle gegevens te worden meegedeeld die voor de instandhouding of het herstel van de waterweg van belang zijn of kunnen zijn.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.

Afdeling 2.
Jaagpaden


Art. 28.
Voor zover dit verenigbaar is met het gebruik door de waterwegbeheerder of in zijn opdracht optredende personen in het raam van het beheer, het onderhoud en de exploitatie van de waterweg en met het gebruik voor scheepvaartdoeleinden of voor overslagactiviteiten van aanpalende bedrijven, zijn de jaagpaden eveneens bestemd voor het verkeer per rijwiel of te voet. Het verkeer met voortbewegingstoestellen, bromfietsen klasse A of speedpedelecs kan er eveneens worden toegelaten.
Waar het in het licht van de lokale omstandigheden passend wordt geacht en wanneer verenigbaar met het gebruik door de waterwegbeheerder, kunnen de jaagpaden worden ingericht als fietspaden in de zin van de federale regelgeving betreffende de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen betreffende de inrichting van de jaagpaden ten behoeve van het gebruik door fietsers en voetgangers.

Art. 29.
Ingeval ze het normale openbaar gebruik kunnen hinderen of leiden tot het geheel of gedeeltelijk afsluiten van het jaagpad, moet, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van andere overheden, voor activiteiten en evenementen op de jaagpaden vooraf een toelating worden verkregen van de beheerder van het jaagpad. Aan dergelijke toelating kunnen door de beheerder voorwaarden worden verbonden.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm, geldigheidsduur en de procedure tot het verkrijgen van de toelating, vermeld in het eerste lid, evenals de door de beheerder van het jaagpad minimaal te hanteren criteria.

Art. 30.
Het gebruik van de jaagpaden geschiedt op risico van de gebruiker, die te allen tijde rekening moet houden met de plaatselijke gesteldheid en met het gebruik voor scheepvaartdoeleinden en de overige noden van het waterwegenbeheer.

Afdeling 3.
Verkeerstekens


Art. 31.
Met uitzondering van artikel 33 en artikel 34, eerste lid, tweede zin, en zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheid van andere overheden om nadere regels vast te stellen, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven.

Art. 32.
Overeenkomstig de ter zake geldende volken- en Unierechtelijke verplichtingen van het Vlaamse Gewest, bepaalt de Vlaamse Regering de vorm en het uitzicht van de verkeerstekens nodig voor het beheer van de waterweg.

Art. 33.
Verkeerstekens die een gebod of een verbod inhouden worden geplaatst en verwijderd door de waterwegbeheerder die de maatregel heeft genomen of, onder door deze waterwegbeheerder bepaalde voorwaarden, door derden.
Met behoud van de toepassing van artikel 34, worden alle andere verkeerstekens geplaatst en verwijderd door de waterwegbeheerder, of, onder door de waterwegbeheerder bepaalde voorwaarden, door derden.

Art. 34.
Verkeersbelemmeringen worden, op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering, aangeduid door degene die ze heeft doen ontstaan. Indien hij hierin tekortschiet, neemt de waterwegbeheerder deze verplichting op zich.
Werken in uitvoering worden, onder door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf bepaalde voorwaarden, aangeduid door degene die de werken uitvoert. Indien hij hierin tekortschiet, kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, zonder afbreuk te doen aan de exclusieve verantwoordelijkheid ter zake van de uitvoerder der werken en zonder zelf enige aansprakelijkheid op te nemen, de nodige signalisatie aanbrengen.

Art. 35.
Behoudens artikel 33 en 34, is het verboden, zonder daartoe bevoegd te zijn, een verkeersteken aan te brengen of te doen aanbrengen dan wel te verwijderen of te doen verwijderen.
Het is verboden om een voorwerp van welke aard ook, dat de gebruiker van de waterweg of de aanhorigheden in verwarring zou kunnen brengen, langs, in of boven een verkeersteken aan te brengen, te doen aanbrengen of te houden.

Art. 36.
De kosten verbonden aan het plaatsen, onderhouden, vernieuwen en verwijderen van de verkeerstekens worden gedragen door degene die de betrokken handeling heeft verricht.
De kosten van de aanduiding van verkeersbelemmeringen door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf indien de persoon die de verkeersbelemmering heeft veroorzaakt dit nalaat, worden gedragen door deze laatste.
De kosten van de aanduiding van werken in uitvoering door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf indien de persoon die de werken uitvoert dit nalaat, worden gedragen door deze laatste.

Afdeling 4.
Nautische publicaties


Art. 37.
De waterwegbeheerder en andere bevoegde autoriteiten kunnen tot de gebruikers van de waterweg nautische publicaties richten.
De nautische publicaties bevatten bekendmakingen aan de gebruiker van de waterweg, waarbij door de waterwegbeheerder of de bevoegde autoriteit ten aanzien van de door of krachtens dit decreet geregelde aangelegenheden een gebod of verbod wordt uitgevaardigd dan wel een inlichting wordt verstrekt met betrekking tot een waterweg, een waterweggedeelte of het gebruik ervan. De in nautische publicaties vervatte voorschriften zijn beperkt tot aangelegenheden van tijdelijke aard en met een beperkte draagwijdte, die verband houden met een lokale toestand of gebeurtenis. Zij hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar.
De nautische publicaties worden bekendgemaakt op een website van de waterwegbeheerder of andere bevoegde autoriteit.

Hoofdstuk 5.
Watercaptatie


Art. 38.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de waterwegen en in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven.

Art. 39.
In alle waterwegen en havens moet degene die water capteert:
melding maken van het capteren van minder dan 500 kubieke meter per jaar, hierna genoemd de melding van een watervang; of
een vergunning verkrijgen voor het capteren van 500 kubieke meter en meer per jaar, hierna genoemd de vergunning voor een watervang.
Captatie van water is enkel toegestaan op de vaste captatielocaties, aangeduid door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf. Aangelanden mogen echter wel vanaf de aangelande grond die zij bezitten water capteren.

Art. 40.

§ 1

De melding van een watervang gebeurt bij de waterwegbeheerder of het havenbedrijf.
De vergunning voor een watervang wordt afgeleverd door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf.

§ 2

De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van de melding van een watervang en de voorwaarden en procedure voor de afgifte van de vergunning voor een watervang omschrijven.

§ 3

Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in of ter uitvoering van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden persoonsgegevens verwerkt. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf is de verantwoordelijke voor de verwerking.
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit hoofdstuk heeft betrekking op identificatiegegevens van natuurlijke en/of rechtspersonen die water capteren uit de waterweg of de haven. De doelstelling van deze verwerking van persoonsgegevens betreft het overzicht van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf op de hoeveelheid van water die uit hun waterwegen of havens wordt gecapteerd om ervoor te kunnen zorgen dat alle functies van de waterweg of de haven kunnen worden gegarandeerd.
De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens worden verwerkt en van welke betrokkenen, stelt de wijze vast waarop die gegevens worden verwerkt en stelt de maximale bewaartermijn van de gegevens vast. De persoonsgegevens worden in ieder geval niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, en maximaal voor een periode van 5 jaar.
Voor de bescherming van de persoonsgegevens neemt de waterwegbeheerder of het havenbedrijf gepaste technische en organisatorische maatregelen, rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek ter zake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen gegevens en de potentiële risico's.

Art. 41.
Bij uitzonderlijk lage waterstanden, waarbij captatie van water gevaar kan opleveren voor de scheepvaart of voor de waterwegen of de havens, of bij slechte waterkwaliteit, kan door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf een tijdelijk verbod of een tijdelijk beperking van captatie worden opgelegd.
De Vlaamse Regering bepaalt hiervan de modaliteiten.

Art. 43.
Voor het vaststellen van het totale volume gecapteerd water per jaar worden alle bestaande en nog te bouwen watervangen uitgerust met een debietmetingssysteem. Dit wordt geplaatst op kosten van de vergunninghouder.
Voor het gebeurlijk vaststellen van het totale volume teruggestort water per jaar zal de vergunninghouder in een bijkomend debietmetingssysteem voorzien.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan deze debietmetingssystemen moeten voldoen.

Art. 44.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf is belast met de inning en de invordering van de verschuldigde bedragen en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de watervang.
De Vlaamse Regering regelt de uitvoering van dit artikel. Zij bepaalt de vergoeding die aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde beheerders toekomt, onverminderd de bevoegdheid ter zake van het agentschap De Vlaamse Waterweg nv om die inning en vorderingen in de door hen beheerde kanalen en waterwegen voor eigen rekening uit te voeren.

Titel 3.
De scheepvaart


Hoofdstuk 1.
Reglementering van de scheepvaart


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 45.
Met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel 69 omtrent de bijzondere transporten, mag geen schip zich op de waterweg begeven indien de afmetingen ervan of van zijn lading niet beantwoorden aan de waterwegklasse.

Art. 46.
In geval de gezagvoerder van een schip een hindernis in de door een waterwegbeheerder beheerde waterweg aantreft of kennis krijgt van de aanwezigheid van dergelijke hindernis in die waterweg, geeft hij daarvan onverwijld kennis aan de waterwegbeheerder. Hetzelfde geldt wanneer hij een defect of een gebrek opmerkt aan de verkeerstekens en de apparaten die dienen om inlichtingen of instructies aan schepen te geven, zoals bakens en boeien, of aan kunstwerken zoals sluizen, bruggen, kaaien en taluds. Bij deze melding dienen alle gegevens te worden meegedeeld die van belang zijn of kunnen zijn voor de instandhouding of het herstel van de waterweg.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.

Afdeling 2.
Algemene meldplicht van schepen


Art. 47.
De Vlaamse Regering kan aan schepen die zich op de binnenwateren bevinden of zullen bevinden de verplichting opleggen om gegevens betreffende de reis, de lading, het aantal opvarenden en het schip te melden. Het toepassingsgebied van deze verplichting, de nadere regels ter zake, alsook de wijze waarop de gegevens worden uitgewisseld tussen bij de scheepvaart betrokken overheidsinstellingen en private actoren, worden bepaald door de Vlaamse Regering.

Afdeling 3.
Scheepvaartongevallen


Art. 48.
Deze afdeling is van toepassing in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven en op de waterwegen.

Art. 49.

§ 1

De eigenaar of de gezagvoerder van een schip dat dreigt te zinken of vast te lopen, dat onvoldoende of onrechtmatig is gemeerd of dat derwijze ligt dat het de doorvaart hindert of anderszins de vrijheid of de veiligheid van de scheepvaart of het leefmilieu in het gedrang brengt of kan brengen, neemt onverwijld alle maatregelen om hieraan te verhelpen.

§ 2

Wanneer een schip gezonken is of dreigt te zinken of vast te lopen, wanneer het onvoldoende of onrechtmatig gemeerd is of derwijze ligt dat het de doorvaart hindert en, in het algemeen, telkens als het nodig is de vrijheid of veiligheid van de scheepvaart te verzekeren, de afvoer van het water te vergemakkelijken of de belangen van het regime van de waterweg of de haven te vrijwaren, mag de waterwegbeheerder of het havenbedrijf en, bij dringendheid, elke ambtenaar, vermeld in artikel 112, aan de eigenaar of de gezagvoerder de nodig geachte maatregelen voorschrijven, zelfs wanneer deze niet in enige verordening voorzien zijn.
De eigenaar en de gezagvoerder moeten aan de gegeven bevelen onmiddellijk gevolg geven. Indien zij hierbij in gebreke blijven of indien zij afwezig zijn, mogen de voorgeschreven maatregelen van ambtswege op hun kosten worden uitgevoerd.
Deze bepalingen gelden met behoud van de toepassing van artikel 17 en 140.

Art. 50.
Wanneer een schip op de waterweg of in de haven bij een incident is betrokken of indien het is vastgelopen of gezonken, geeft de eigenaar van het schip of de gezagvoerder daarvan onverwijld kennis aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf. Eenzelfde verplichting rust op de eigenaar van het schip of de gezagvoerder wanneer het schip dreigt vast te lopen, te zinken of onbestuurbaar te worden.

Art. 51.
Een schip dat bij een incident was betrokken, mag de plaats van het incident niet verlaten zonder de voorafgaande toelating van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, tenzij om zich te begeven naar een nabije veilige ligplaats teneinde verdere schade te voorkomen.
In geval van miskenning van de in het eerste lid bedoelde verplichting, kan het betrokken schip door elke waterwegbeheerder en elk havenbedrijf worden opgehouden totdat de waterwegbeheerder of het havenbedrijf van de plaats van het incident de toelating geeft om verder te varen.

Art. 52.
Zolang de waterwegbeheerder of het havenbedrijf hem niet heeft gemachtigd zich te verwijderen, blijft de gezagvoerder van een schip aan boord van het schip of in de nabijheid van de plaats waar het voorval, vermeld in artikel 50, zich heeft voorgedaan.

Afdeling 4.
Boorddocumenten


Art. 53.
De Vlaamse Regering bepaalt de documenten die ingevolge dit decreet aan boord van het schip voor inzage beschikbaar moeten zijn en stelt de nadere regels hieromtrent vast. De Vlaamse Regering kan eveneens voorzien in vrijstellingen voor bepaalde categorieën van schepen.

Afdeling 5.
Veiligheid van schepen en bemanningsvoorschriften in de binnenvaart


Art. 54.
Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG en van richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad.

Art. 55.
Deze afdeling, evenals artikel 116, artikel 121 tot en met 123 en afdeling 3 van hoofdstuk 4 van titel 6, zijn van toepassing op:
elk binnenschip, met uitzondering van de pleziervaartuigen; en
andere schepen, met uitzondering van pleziervaartuigen en marineschepen en met uitzondering van zeeschepen, zeesleepboten en zeeduwboten die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
a)
in getijdenwateren varen of stilliggen;
b)
tijdelijk op binnenwateren varen als ze minstens beschikken over:
1)
al de volgende certificaten:
i)
een certificaat van conformiteit met het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS) of een gelijkwaardig certificaat;
ii)
een certificaat van conformiteit met het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, of een gelijkwaardig certificaat;
iii)
een internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie (International Oil Pollution Prevention (IOPP)) als bewijs voor de conformiteit met het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973/78 (MARPOL);
2)
in geval van zeeschepen die niet onder het SOLAS-verdrag, noch het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, noch het MARPOL-verdrag vallen: de relevante certificaten en de uitwateringsmerken die wettelijk verplicht zijn in hun vlaggenstaat;
3)
in geval van passagiersschepen die niet vallen onder de verdragen, vermeld in punt 1): een certificaat inzake veiligheidsvoorschriften en normen voor passagiersschepen dat afgegeven is overeenkomstig richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen.
Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in of ter uitvoering van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden persoonsgegevens verwerkt, inclusief de gegevens, vermeld in artikel 9, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens worden verwerkt en van welke betrokkenen, stelt de wijze vast waarop die gegevens worden verwerkt, wijst de verantwoordelijke voor de verwerking aan, bepaalt, onverminderd de in het tweede lid vermelde doeleinden, de bijkomende doeleinden van de verwerking en stelt de maximale bewaartermijn van de gegevens vast. De persoonsgegevens worden in ieder geval niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Indien de gegevens openbaar worden gemaakt of aan derden kunnen worden overgemaakt, stelt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkenen op de hoogte van de categorieën van ontvangers.

Art. 56.
Geen schip mag vanuit een Vlaamse haven zee kiezen of op de binnenwateren varen of stilliggen zonder in staat van veiligheid te zijn en zonder voorzien te zijn van de certificaten zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 57 met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart en met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door schepen in zoverre laatst genoemde certificaten technische voorschriften inzake uitrusting en exploitatie van het schip met het oog op het beschermen van het milieu betreffen.

Art. 57.
De Vlaamse Regering bepaalt:
de in artikel 56 bedoelde certificaten;
de voorwaarden tot aflevering van de onder punt 1° bedoelde certificaten;
de voorwaarden waaraan elk schip moet voldoen om in staat van veiligheid te zijn, inzonderheid de voorschriften betreffende:
a)
de bouw en de staat van onderhoud;
b)
de reddingsmiddelen;
c)
het tuigage en de reserveonderdelen, met inbegrip van de middelen tegen brand en de wisselstukken;
d)
de nautische instrumenten, de seintoestellen, de telecommunicatiemiddelen en hun gebruik;
e)
de motoren, de mechanische en elektrische toestellen;
f)
de lichamelijke geschiktheid, de brevetten, vergunningen en andere soortgelijke attesten, welke kunnen worden vereist van de bemanning alsmede het aantal bemanningsleden;
g)
het aantal passagiers dat mag worden vervoerd;
h)
de bewoonbaarheid van de inrichtingen, de hygiëne en de gezondheidsvoorwaarden;
i)
de diepgangschalen en de vrijboordmerken;
j)
de stabiliteit, het stouwen van de lading en het ballasten;
k)
het laad- en losgerei;
l)
de lading;
m)
het vervoer van gevaarlijke stoffen;
de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteit, in bijzondere gevallen, vrijstelling kan verlenen van de toepassing van een of meer bepalingen van de ter uitvoering van deze afdeling genomen besluiten;
de bemanningsvoorschriften en de verplichtingen van de bemanning en andere opvarenden, alsook van de eigenaars van schepen in verband met de veiligheid van de scheepvaart, de opvarenden en de lading en in verband met het milieu in zoverre die laatste verplichtingen betrekking hebben op technische voorschriften inzake uitrusting en exploitatie van het schip met het oog op het beschermen van het milieu;
de voorwaarden waaronder de organisaties kunnen worden erkend en gemachtigd tot het uitvoeren van gehele of gedeeltelijke inspecties en controles van schepen in verband met certificaten met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart en certificaten met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door schepen in zoverre laatstgenoemde certificaten technische voorschriften inzake uitrusting en exploitatie van het schip met het oog op het beschermen van het milieu betreffen en in voorkomend geval tot het afgeven en vernieuwen van de in dit punt vermelde certificaten;
bijzondere regels voor onbemande schepen.

Art. 58.

§ 1

De Vlaamse Regering kan bepalen dat nader aangeduide binnenschepen moeten of mogen worden opgenomen in een Vlaams Register voor Binnenschepen.
De Vlaamse Regering:
bepaalt welke binnenschepen moeten of mogen worden geregistreerd, alsook de voorwaarden waaraan het binnenschip, zijn eigenaar of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen;
stelt de vorm van het Vlaams Register voor Binnenschepen vast, evenals de wijze waarop het register wordt beheerd;
stelt de vorm en de inhoud vast van de aanvraag die bij het register wordt gedaan;
duidt aan welke documenten bij de aanvraag moeten worden gevoegd of waarvan de voorlegging bij het onderzoek daarvan kan worden geëist;
kan bepalen dat het nummer waaronder het binnenschip is geregistreerd en de datum van de registratie moeten worden aangetekend op het document van registratie;
wijst de personen aan die gehouden zijn of gemachtigd worden om de aanvraag in te dienen en stelt daartoe een termijn vast;
stelt de termijn vast waarin de aanvraag moet gebeuren;
regelt de overmaking van gegevens en de vorm van het daartoe opgemaakte register;
bepaalt de wijzigingen die bij het Vlaams Register voor Binnenschepen moeten worden aangemeld alsook de modaliteiten en de termijn van indiening van de betreffende wijzigende aanmelding;
10°
regelt de doorhaling van de registratie;
11°
regelt de openbaarheid en overmaking van gegevens.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw als binnenschip beschouwd zodra de aanbouw ervan begonnen is.

§ 2

De bevoegde autoriteit treedt op als de verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel.
De verwerking van persoonsgegevens is nodig om eigenaren en/of exploitanten van schepen te kunnen contacteren. Dit draagt bij tot een efficiënt waterwegenbeheer en een vlot corridormanagement en aan een veilig waterwegennetwerk in het bijzonder in het kader van calamiteitenmanagement.
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel heeft betrekking op identificatiegegevens van de eigenaar en/of exploitant van schepen (naam, adres, rijksregisternummer, telefoonnummer, mailadres).
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel heeft betrekking op eigenaars en/of exploitanten.
Ter bevordering van de samenwerking in de uitvoering van de taken die zijn toegewezen kan de bevoegde autoriteit de gegevens die worden verwerkt in het kader van de opdrachten delen met de politiediensten, de waterwegbeheerders, de havenbedrijven en de andere bevoegde autoriteiten.
De persoonsgegevens, vermeld in het derde lid, worden bewaard voor een periode van 5 jaar na de doorhaling van de registratie.

Art. 59.

§ 1

Elk schip dat is ingeschreven in een register van een erkende classificatiemaatschappij en er in de hoogste klasse van zijn categorie is ondergebracht, is ontslagen van de door de bevoegde autoriteit of door de deskundigen te verrichten vaststellingen betreffende de punten waarover door die maatschappij toezicht is uitgeoefend.
Dezelfde vrijstelling kan worden verleend wanneer certificaten worden afgegeven door een bevoegde vreemde openbare dienst.
De bevoegde autoriteit kan evenwel nazien of, op een door haar te bepalen wijze, doen nazien of de voorwaarden gesteld voor het bekomen van het classificatiecertificaat of van andere certificaten, zijn vervuld en, zo nodig, nadere vaststellingen gelasten.

§ 2

De Vlaamse Regering wijst de classificatiemaatschappijen en de bevoegde buitenlandse openbare diensten aan, waarvan de certificaten kunnen worden aanvaard en bepaalt onder welke voorwaarden dit zal geschieden.

Art. 60.
Indien een bemanningslid oordeelt dat het schip niet alle nodige waarborgen van veiligheid oplevert, mag het te allen tijde een met redenen omkleed verzoekschrift aan de bevoegde autoriteit richten.
De bevoegde autoriteit moet het bemanningslid horen alvorens de maatregelen welke de omstandigheden vereisen, te treffen.

Art. 61.

§ 1

De Vlaamse Regering bepaalt de omstandigheden waarin bemanningsleden en andere personen die dienst doen aan boord of actief zijn bij scheepsoperaties uit hoofde van hun activiteiten of het schip waarop zij dienst doen, verplicht zijn om te beschikken over een kwalificatiecertificaat of een vergunning.
De personen op wie een dergelijke verplichting rust, moeten houder zijn van het bedoelde kwalificatiecertificaat of de bedoelde vergunning, of van een getuigschrift dat onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden als gelijkwaardig wordt beschouwd. Zij moeten het certificaat, de vergunning of het getuigschrift steeds bij zich ter inzage beschikbaar hebben.
Tot op een door de Vlaamse Regering vastgestelde datum moet ieder die een schip als vermeld in artikel 55, 1°, bestuurt houder zijn van een bijzonder kwalificatiecertificaat, met name een vaarbewijs, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, of van een getuigschrift dat onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden als gelijkwaardig wordt beschouwd, en dat tevens bij zich hebben. Dit vaarbewijs of dit getuigschrift moet geldig zijn voor de categorie waarin het schip dat wordt bestuurd, is ingedeeld.
De Vlaamse Regering kan, onder de algemene voorwaarden die zij vaststelt, vrijstellen van de in deze paragraaf voorgeschreven verplichtingen uit hoofde van de categorie van schepen of de aard van de uitgevoerde activiteiten.

§ 2

Het kwalificatiecertificaat, de vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift moet worden vertoond telkens als daarom wordt verzocht door de in artikel 112 bedoelde personen.

Art. 62.
De Vlaamse Regering bepaalt de modellen van de kwalificatiecertificaten, de vergunningen en de documenten waarin zij desgevallend worden opgenomen.
De Vlaamse Regering bepaalt de categorieën van schepen en activiteiten waarvoor zij worden afgegeven.
De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast betreffende de afgifte, de geldigheid, de vervanging, de verlenging, de schorsing en de intrekking van de kwalificatiecertificaten en de vergunningen en betreffende het aantonen van het behoud van de medische geschiktheid.

Art. 63.
De kwalificatiecertificaten en vergunningen worden afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde minimumeisen die onder meer betrekking kunnen hebben op het competentieniveau, de minimumleeftijd, de medische geschiktheid en de vereiste vaaruren.
Tot op een door de Vlaamse Regering vastgestelde datum wordt het vaarbewijs afgegeven indien de aanvrager aan volgende voorwaarden voldoet:
ten minste 18 jaar zijn;
met goed gevolg het geneeskundig onderzoek hebben ondergaan waarvan de nadere regels door de Vlaamse Regering worden bepaald en waaruit blijkt dat de aanvrager niet lijdt aan een van de lichaamsgebreken of kwalen door haar bepaald;
geslaagd zijn voor het examen over de beroepskennis waarvan de nadere regels door de Vlaamse Regering worden bepaald;
aan boord van een of meer schepen werkelijke diensten aan dek gepresteerd hebben. De Vlaamse Regering bepaalt de minimumduur en de aard van deze diensten alsook de nadere regels om deze te evalueren en te valideren.

Art. 64.
De houder van een in artikel 61 bedoeld kwalificatiecertificaat of een in artikel 61 bedoelde vergunning die er zich ervan bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering bepaald, is verplicht binnen tien dagen zijn kwalificatiecertificaat of vergunning in te leveren bij de bevoegde autoriteit die het afgegeven heeft.
Het kwalificatiecertificaat of de vergunning, ingeleverd met toepassing van het eerste lid, wordt teruggegeven aan de houder wanneer deze met goed gevolg het geneeskundig onderzoek heeft ondergaan waarvan de nadere regels door de Vlaamse Regering worden bepaald.

Afdeling 6.
Vervoer van gevaarlijke goederen


Art. 65.
Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting, met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, van richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land.

Art. 66.
Deze afdeling is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, met inbegrip van de activiteiten met betrekking tot laden en lossen, de overbrenging van of naar een ander vervoermiddel en het noodzakelijke oponthoud tijdens het vervoer.
Deze afdeling is niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen:
door schepen die eigendom zijn van of onder de verantwoordelijkheid vallen van de strijdkrachten;
door zeeschepen over de maritieme waterwegen die deel uitmaken van de binnenwateren;
door veerboten die uitsluitend een waterweg oversteken;
dat volledig binnen de begrenzing van een afgesloten gebied plaatsvindt.
Deze afdeling is evenmin van toepassing op het vervoer van radioactieve stoffen, het vervoer van explosieven en het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking.

Art. 67.
Met behoud van de toepassing van artikel 68, worden gevaarlijke goederen niet over de binnenwateren vervoerd wanneer zulks door dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten verboden is.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren. De Vlaamse Regering kan daarbij onder meer alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze verdragen genomen internationale akten.

Art. 68.
De bevoegde autoriteit kan, als de veiligheid niet in het gevaar komt en in uitzonderlijke gevallen, individuele toestemming verlenen voor het vervoer van gevaarlijke goederen op een bepaald traject over de binnenwateren dat krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan verboden is of erin toestemmen dat het vervoer onder andere voorwaarden plaatsvindt dan de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering, op voorwaarde dat het vervoer duidelijk is gespecificeerd, van tijdelijke aard is en dat de gepaste maatregelen worden genomen om een vergelijkbaar veiligheidsniveau te bereiken.

Afdeling 7.
Bijzondere transporten, evenementen op het water en bijzondere gebeurtenissen op het water


Art. 69.
Een bijzonder transport mag slechts op een waterweg varen met de toelating van de waterwegbeheerder. Aan dergelijke toelating kunnen door de waterwegbeheerder voorwaarden worden verbonden.
Een evenement op het water en bijzondere gebeurtenissen op het water kunnen slechts op een waterweg plaatsvinden met de toelating van de waterwegbeheerder. Aan dergelijke toelating kunnen door de waterwegbeheerder voorwaarden worden verbonden.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm, geldigheidsduur en de procedure tot het verkrijgen van de toelating, vermeld in het eerste en tweede lid, evenals de door de waterwegbeheerder minimaal te hanteren criteria.
Deze bepaling is niet van toepassing binnen het VBS-werkingsgebied en het opsporings- en reddingsgebied, zoals gedefinieerd in het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en zijn uitvoeringsbesluiten, en het Scheldegebied, zoals gedefinieerd in het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaamse Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied, ondertekend in Middelburg op 21 december 2005.

Afdeling 8.
Innovatie


Art. 70.

§ 1

De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan toelating geven voor het uitvoeren, binnen het gebied dat de waterwegbeheerder of het havenbedrijf beheert, van experimenten of pilootprojecten, waaronder het uitvoeren van proefreizen, waarbij gebruik wordt gemaakt van innovatieve systemen. Dergelijke systemen omvatten onder meer geautomatiseerde systemen in vaartuigen of aan wal.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan daarbij, voor zover noodzakelijk, tijdelijke afwijkingen toelaten van bepalingen van wetten, decreten of uitvoeringsbesluiten die betrekking hebben op de bemanning en het besturen van het vaartuig, de technische kenmerken of uitrusting van het vaartuig, de regeling van het scheepvaartverkeer, de voorschriften met betrekking tot de activiteiten aan boord en aan wal en de boorddocumenten.
De afwijkingen, vermeld in het tweede lid, kunnen geen betrekking hebben op bepalingen over toezicht en handhaving en op bepalingen van strafrechtelijke aard. Zij hebben een maximale geldingsduur van één jaar en kunnen in functie van de noden worden hernieuwd, zonder dat de totale geldingsduur van een afwijking vijf jaren mag overschrijden.

§ 2

Bij de toelating voor de experimenten of pilootprojecten, vermeld in paragraaf 1, worden in ieder geval de volgende zaken bepaald:
wat het doel van de experimenten of de pilootprojecten is;
op welke waterwegen, waterwegweggedeelten of delen van het havengebied de experimenten of de pilootprojecten worden uitgevoerd;
voor welke termijn de toelating geldt;
van welke regels kan worden afgeweken en, voor zover relevant, onder welke voorwaarden afwijkingen zijn toegestaan;
welke veiligheidsmaatregelen voor de uitvoering van de experimenten of de pilootprojecten worden getroffen.

§ 3

De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan de toelating geheel of gedeeltelijk intrekken als naar zijn oordeel de veiligheid als gevolg of mede als gevolg van de experimenten of de pilootprojecten in gevaar komt.

Afdeling 9.
Laden en lossen van bulkschepen


Art. 71.
Voor de toepassing van deze afdeling, van artikel 117 en van afdeling 5 van hoofdstuk 4 van titel 6 wordt verstaan onder:
administratie van de vlaggenstaat: de bevoegde autoriteiten van de staat waarvan het bulkschip is gerechtigd de vlag te voeren;
BLU-code: de gedragscode voor veilig laden en lossen van bulkschepen, opgenomen in de bijlage bij resolutie A.862(20) van 27 november 1997 van de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie, in de versie die van kracht is;
bulkschip: een schip zoals omschreven in voorschrift IX/1.6 van het SOLAS-verdrag van 1974 en geïnterpreteerd in resolutie 6 van de SOLAS-conferentie van 1997, dat aan een van de volgende omschrijvingen voldoet:
a)
een schip dat is geconstrueerd met een enkel dek, top-zijtanks en hopper-zijtanks in de laadruimten, dat voornamelijk voor het vervoer van vaste lading in bulk is bestemd;
b)
een ertsschip, dat wil zeggen een zeeschip met enkel dek, met twee langsschotten en een dubbele bodem in het gehele ladinggedeelte, dat is bestemd om uitsluitend in de middenruimen ertsladingen te vervoeren;
c)
een combination carrier zoals omschreven in voorschrift II2/3.27 van het SOLAS-verdrag van 1974;
graan: graan zoals omschreven in voorschrift VI/8.2 van het SOLAS-verdrag van 1974;
havenstaatcontrole-instantie: de met de scheepvaartcontrole belaste dienst;
kapitein: de persoon die het gezag voert over een bulkschip, of de scheepsofficier die door de gezagvoerder voor laad- of losverrichtingen is aangewezen;
SOLAS-verdrag van 1974: het internationaal verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee samen met de protocollen en wijzigingen daarvan, in de versie die van kracht is;
terminal: iedere vaste, drijvende of mobiele voorziening die is uitgerust voor het laden en lossen van vaste bulklading in of uit bulkschepen en die daarvoor wordt gebruikt;
terminalexploitant: de eigenaar van een terminal, of een andere organisatie of persoon aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor laad- en losverrichtingen in de terminal voor een bepaald bulkschip heeft overgedragen;
10°
terminalvertegenwoordiger: iedere door de terminalexploitant aangestelde persoon die de algemene verantwoordelijkheid en bevoegdheid heeft voor de controle op de voorbereiding, uitvoering en voltooiing van laad- en losverrichtingen door de terminal voor een bepaald bulkschip;
11°
vaste bulklading: vaste stortlading zoals omschreven in voorschrift XII/1.4 van het SOLAS-verdrag van 1974, met uitzondering van graan.
Deze afdeling regelt de omzetting, binnen de in artikel 1 van dit decreet vermelde aangelegenheden, van richtlijn 2001/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor het veilig laden en lossen van bulkschepen, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2002/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 houdende wijziging van de richtlijnen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen en bij verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft.

Art. 72.
Deze afdeling is van toepassing op alle terminals die worden aangedaan door bulkschepen, voor het laden en lossen van vaste bulklading.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen in voorschrift VI/7 van het SOLAS-verdrag van 1974 is dit decreet niet van toepassing:
op voorzieningen die alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden gebruikt voor het laden en lossen van vaste bulklading in of uit bulkschepen;
als voor het laden en lossen uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de uitrusting van het bulkschip.

Art. 73.

§ 1

De terminalexploitanten zorgen ervoor dat de terminals waarvoor zij overeenkomstig deze afdeling verantwoordelijk zijn:
aan de eisen in verband met de geschiktheid van terminals voor het laden en lossen van vaste bulklading voldoen;
een of meer terminalvertegenwoordigers hebben aangesteld;
handleidingen hebben opgesteld waarin de voorschriften van de terminal en de bevoegde autoriteiten en de informatie over de haven en de terminal, vermeld in aanhangsel 1, punt 1.2, van de BLU-code, zijn opgenomen, en die handleidingen ter beschikking stellen van de kapiteins die de terminal aandoen om vaste bulklading te laden of te lossen;
geïntegreerd zijn in een globale ISO 9001: 2000-certificatie of behoren tot een vennootschap die een gecertificeerd kwaliteitszorgsysteem heeft ontwikkeld en ingevoerd, of een gecertificeerd kwaliteitszorgsysteem hebben ontwikkeld en ingevoerd overeenkomstig ISO 9001: 2000-normen – of overeenkomstig een gelijkwaardige norm die tenminste aan alle aspecten van ISO 9001: 2000 voldoet – en deze systemen onderhouden, welke overeenkomstig de richtsnoeren van de ISO 10011: 1991-norm of een gelijkwaardige norm die aan alle aspecten van ISO 10011: 1991 voldoet, aan audits wordt onderworpen. De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat met betrekking tot gelijkwaardige normen wordt voldaan aan richtlijn 98/34/EG.
De bevoegde autoriteit controleert of de terminalexploitanten aan de hen opgelegde eisen voldoen.

§ 2

De Vlaamse Regering legt de in paragraaf 1, 1°, vermelde eisen voor geschiktheid vast, waaraan terminals voor het laden en lossen van vaste bulklading moeten voldoen.

§ 3

Terminalexploitanten zorgen voor de ontwikkeling van het kwaliteitszorgsysteem.

§ 4

De terminalexploitant controleert tevens of het bulkschip, dat zich aan een van zijn terminals aanbiedt voor het laden of lossen van vaste bulklading, hiervoor operationeel geschikt is en of het bulkschip voldoet aan de eisen van operationele geschiktheid voor het laden en lossen van vaste bulklading, die worden vastgesteld door de federale overheid.

Art. 74.
De bevoegde autoriteit kan, in afwijking van artikel 72, § 1, 4°, aan nieuwe terminals een tijdelijke exploitatievergunning met een geldigheidsduur van ten hoogste twaalf maanden uitreiken. De terminal moet echter aantonen voornemens te zijn een kwaliteitszorgsysteem in te voeren overeenkomstig de ISO 9001: 2000-norm of een gelijkwaardige norm als vermeld in artikel 72, § 1, 4°.

Art. 75.
Door de terminalvertegenwoordigers worden de volgende beginselen in acht genomen en toegepast:
nadat de terminalvertegenwoordiger de eerste aankondiging van het vermoedelijke aankomsttijdstip van het schip heeft ontvangen, verstrekt hij aan de kapitein een aantal gegevens;
de terminalvertegenwoordiger vergewist zich ervan dat de kapitein in een zo vroeg mogelijk stadium in kennis wordt gesteld van de gegevens die op het ladingverklaringsformulier zijn vermeld;
de terminalvertegenwoordiger stelt de kapitein, de agent, de bevrachter en de havenstaatcontrole-instantie onverwijld in kennis van de door hem aan boord van een bulkschip vastgestelde tekortkomingen waardoor de veiligheid van het laden of lossen van vaste bulklading in gevaar kan komen;
voordat met laden en lossen wordt begonnen en tijdens het laden en lossen, kwijt de terminalvertegenwoordiger zich van zijn taken.
De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens op basis van het eerste lid, 1°, door de terminalvertegenwoordiger aan de kapitein moeten worden verstrekt.
De Vlaamse Regering legt de in het eerste lid, 4°, vermelde taken van de terminalvertegenwoordiger voor en tijdens de laad- en losverrichtingen vast.

Art. 76.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedures die tijdens het laden en lossen van bulkschepen door de terminalvertegenwoordiger moeten worden gevolgd.

Art. 77.
Als de bevoegde autoriteit vaststelt dat er een meningsverschil bestaat over de toepassing van de procedures van artikel 76 tussen de terminalvertegenwoordiger en de kapitein, treedt zij op zodra de veiligheid dit vereist.

Art. 78.
Als de structuur of de uitrusting van het bulkschip tijdens het laden of lossen wordt beschadigd, wordt die schade door de terminalvertegenwoordiger aan de kapitein gemeld en zo nodig gerepareerd.

Hoofdstuk 2.
Scheepvaartrechten en andere retributies


Art. 79.

§ 1

Het gebruik voor scheepvaartdoeleinden van de waterwegen, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, het kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de Meulestedebrug (de brug niet inbegrepen) tot de Belgisch Nederlandse grens in Zelzate, de Gemeenschappelijke Maas, de ScheldeRijn-verbinding en de ZuidWillemsvaart op Vlaams grondgebied, kan worden onderworpen aan de betaling van scheepvaartrechten en andere retributies.
De eigenaar en de exploitant van het schip zijn hoofdelijk tot de betaling van de scheepvaartrechten en andere retributies gehouden.

§ 2

De waterwegbeheerder stelt het tarief en de eventuele nadere voorwaarden van de scheepvaartrechten en andere retributies vast.

§ 3

De waterwegbeheerder is belast met de inning van de in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartrechten en andere retributies.
De invordering van aan het Vlaamse Gewest toekomende in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartrechten en andere retributies, geldboeten, eventuele interesten en kosten welke niet werden voldaan, geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren.
Met het oog op de invordering van aan haar verschuldigde onbetwiste en opeisbare in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartrechten en andere retributies, eventuele interesten en kosten, kan De Vlaamse Waterweg nv een dwangbevel uitvaardigen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gedelegeerd bestuurder. Een dergelijk dwangbevel wordt aan de schuldenaar betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot en stuit de verjaring. Een bevel kan door de gedelegeerd bestuurder alleen worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard als de schuld opeisbaar, vaststaand en zeker is. De schuldenaar moet bovendien vooraf aangemaand zijn met een aangetekende brief. De Vlaamse Waterweg nv kan administratieve kosten aanrekenen voor deze aangetekende brief. Deze kosten vallen ten laste van de schuldenaar en kunnen eveneens ingevorderd worden via het dwangbevel. Schulden van een publieke rechtspersoon kunnen nooit via een dwangbevel worden ingevorderd. Verzet kan tegen dat exploot worden ingediend binnen één maand na de betekening ervan bij verzoekschrift of door een dagvaarding ten gronde voor de ondernemingsrechtbank.

§ 4

De Vlaamse Regering is gemachtigd, behalve wat betreft de door De Vlaamse Waterweg nv beheerde waterwegen en het watergebonden gebied langsheen deze waterwegen, de wijze van bekendmaking van de tarieven, de wijze van inning en het toezicht op de naleving van deze bepalingen nader te regelen.

Art. 80.
De volgende categorieën van vaartuigen zijn van de betaling van scheepvaartrechten of andere retributies als vermeld in artikel 79 vrijgesteld:
vaartuigen die bestemd zijn voor openbaar personenvervoer te water, zoals veren waarmee door of in opdracht van een overheid veerdiensten worden aangeboden;
schepen die zich voor de vervulling van openbare diensten door of in opdracht van een overheid verplaatsen;
niet-gemotoriseerde schepen die over de hele lengte gemeten maximum 6 meter lang zijn, zonder winstgevend doel varen en geen personen tegen vergoeding vervoeren;
ijsbrekers, wanneer zij worden ingezet om ijsvorming te bestrijden;
schepen die bij vloed of wanneer het nodig is het water geheel of gedeeltelijk af te laten worden verhaald naar plaatsen waar ze de vrije loop van het water niet kunnen hinderen, en die later, wanneer de oorzaak van verplaatsing opgehouden heeft, naar hun eerste ligplaats terugkeren;
schepen gebruikt voor de uitvoering van werkzaamheden van onderhoud of verbetering der waterwegen door of in opdracht van de waterwegbeheerder, of voor vervoer verband houdende met deze werkzaamheden, voor zover die schepen zich met het oog op de uitvoering van de opdracht verplaatsen.
Met uitzondering van de categorieën van vaartuigen, vermeld in punt 1° en 3° van het eerste lid, moet een schip dat in een van de hierboven vermelde uitzonderingsgevallen verkeert, zich bij het binnenvaren in het bevoegdheidsgebied van een waterwegbeheerder of bij de afvaart binnen het bevoegdheidsgebied melden bij de waterwegbeheerder, die het kosteloos een vaarvergunning verleent.

Art. 81.

§ 1

De volgende categorieën van vaartuigen kunnen een korting op scheepvaartrechten of andere retributies als vermeld in artikel 79 verkrijgen:
varend erfgoed als vermeld in het artikel 3/9 van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed en andere schepen die met een maatschappelijk of cultureel doel varen;
vaartuigen die ingevolge innovatieve of technische maatregelen een bepaald milieuvoordeel teweegbrengen; 3° vaartuigen die bepaalde goederensegmenten transporteren.
De Vlaamse Regering kan bijkomende categorieën van vaartuigen bepalen die overeenkomstig paragraaf 2 eveneens een korting kunnen verkrijgen.

§ 2

De omvang van de korting van de scheepvaartrechten en andere retributies alsook de nadere modaliteiten waaraan de in paragraaf 1 genoemde categorieën van vaartuigen moeten voldoen om de korting te verkrijgen, worden vastgesteld in het tarief, vermeld in artikel 79, § 2.

Art. 82.
Voor bijzondere waterwegen en bijzondere categorieën van schepen kan de Vlaamse Regering afwijkende regelingen aannemen.
Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in of ter uitvoering van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden persoonsgegevens verwerkt. De verwerkte gegevens zijn de contact- en betaalgegevens van de schuldenaars van de retributies. De waterwegbeheerder of de bevoegde autoriteit is de verantwoordelijke voor de verwerking. De persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. De Vlaamse Regering kan de verwerking van persoonsgegevens nader regelen.

Art. 83.
De Vlaamse Regering is gemachtigd retributies, waarbij zij, behoudens afwijking bij decreet, de bedragen vaststelt, te heffen:
voor het opmaken, het afgeven of het wijzigen van documenten die bij de decreten en verordeningen betreffende de scheepvaart zijn voorgeschreven;
voor de levering van publicaties en het afgeven van platen en andere kentekens, welke door dezelfde decreten en verordeningen zijn voorgeschreven;
voor het verstrekken van diensten en het in bruikleen geven van materieel.

Titel 4.
Voorrechten


Art. 84.
De bepalingen van deze titel zijn van toepassing wanneer de betrokken schuldvorderingen zijn ontstaan in het Vlaamse Gewest.

Art. 85.

§ 1

Onverminderd artikel 88 zijn de volgende vorderingen bevoorrecht op het schip en het scheepstoebehoren:
de tijdens de laatste reis ontstane vorderingen tot betaling van:
a)
havengelden;
b)
loodsgelden, verschuldigd zowel wegens prestaties van overheidsloodsdiensten als van concessionarissen van de loodsdiensten;
c)
retributies voor het gebruik van het verkeersbegeleidingssysteem;
d)
scheepvaartrechten en andere retributies als vermeld in artikel 79;
de vorderingen tot vergoeding van schade aan de waterwegen en de havens.

§ 2

Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, 1°, neemt dezelfde rang in als de scheepsvoorrechten met de hoogste rang zoals bepaald in de toepasselijke federale wetgeving of in de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld met dien verstande dat het onderling rang inneemt na de vorderingen van de gezagvoerder en de bemanningsleden die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst en die verband houden met arbeid aan boord van het betrokken zee- of binnenschip, inbegrepen deze ter vergoeding van overlijden of letselschade, voor de terugbetaling van kosten en voor repatriëringskosten.
Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, 2°, neemt dezelfde rang in als de scheepsvoorrechten ter zake van vorderingen tot vergoeding van schade veroorzaakt door aanvaring of andere scheepvaartongevallen, zoals bepaald in de toepasselijke federale wetgeving of in de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld.
De schuldvorderingen genoemd onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk en worden naar evenredigheid betaald indien de opbrengst ontoereikend is.

§ 3

De in paragraaf 1 bedoelde vorderingen zijn alleen bevoorrecht in hoofdsom.

Art. 86.
In afwijking van artikel 85 is geen voorrecht verbonden aan de vorderingen tot vergoeding van schade aan de waterwegen en de havens die betrekking hebben op:
schade in verband met het vervoer van olie, bunkerolie of andere gevaarlijke of schadelijke stoffen waarvoor aan de schuldeiser een vergoeding is verschuldigd op grond van een internationaal verdrag of een nationale regeling waar door een objectieve aansprakelijkheid wordt ingevoerd alsmede een verplichte verzekering of een andere zekerheid;
schade als gevolg van de radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met toxische, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van hetzij nucleaire brandstof, hetzij radioactieve producten of afval.

Art. 87.
Wat betreft de aspecten die niet door dit decreet worden geregeld, worden de voorrechten, vermeld in artikel 85, beheerst door de toepasselijke federale wetgeving betreffende de scheepsvoorrechten of de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld, naargelang het geval.

Art. 88.

§ 1

De waterwegbeheerders of de havenbedrijven die gebruikmaken van een of meer van de bevoegdheden hen toegekend door artikel 140, kunnen het schip, de wrakstukken, gezonken tuigen of voorwerpen evenals de lading vasthouden en in beslag nemen.
De waterwegbeheerders of de havenbedrijven die vermoeden schade te hebben geleden door de schuld van een schip, kunnen elk schip waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang komt vasthouden en in beslag nemen.
De personeelsleden van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf belast met het vasthouden of in beslag nemen, worden op voordracht van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf aangewezen door de Vlaamse Regering.
Het in beslag genomen schip of goed wordt vrijgegeven indien:
voor de vorderingen vermeld in artikel 18, de som is voorgeschoten of de garantie gesteld zoals bepaald in artikel 141;
voor de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf waarvoor rechtens de beperking van de aansprakelijkheid zou kunnen worden ingeroepen, het beperkingsfonds is gevormd waarop die vorderingen kunnen worden verhaald;
voor de overige vorderingen, een garantie is gesteld die beantwoordt aan de voorschriften van artikel 141.
De waterwegbeheerders of de havenbedrijven die een schip of een ander goed hebben laten verwijderen, of die schuldeiser zijn voor schade veroorzaakt door de schuld van een schip, hebben in geval van niet-betaling het recht het schip of de andere goederen, daaronder begrepen de lading, te verkopen en zich bij voorrang op elke andere schuldeiser, te betalen uit de prijs.
De rest van de opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van de eigenaars, indien deze gekend zijn, of van degene die zijn rechten zal doen blijken.

§ 2

Als de schepen, lading, wrakstukken, tuigen of voorwerpen die het voorwerp uitmaken van een maatregel als vermeld in artikel 140 door hun respectieve eigenaar niet worden teruggenomen, kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf ze verkopen.
Daartoe laat de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, met behoud van de toepassing van paragraaf 4 van dit artikel, vóór de verkoop in twee ter plaatse verschijnende nieuwsbladen en met vijftien dagen tussentijd, twee mededelingen van de verrichte berging of verwijdering verschijnen, met opgave van de merken en kentekens van de voorwerpen en met het verzoek tot elke rechthebbende, zijn rechten te doen blijken en de kosten van de berging of verwijdering te betalen binnen de dertig dagen te rekenen van de datum van verschijning van de laatste mededeling.
Na het verstrijken van die termijn verkoopt de waterwegbeheerder of het havenbedrijf het schip, de lading, de wrakstukken, de tuigen of de voorwerpen.
De opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van degene die van zijn rechten zal doen blijken, onder aftrek van de door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf gemaakte kosten.

§ 3

De bedragen die bij toepassing van de vorige paragrafen in de Deposito- en Consignatiekas werden gestort, vervallen aan de betrokken waterwegbeheerder of het betrokken havenbedrijf na verloop van één jaar te rekenen van de datum van de storting, als binnen die periode niemand van zijn rechten heeft doen blijken.

§ 4

Is de geborgen of verwijderde lading aan bederf onderhevig of reeds beschadigd, of is van wat werd geborgen of verwijderd een grotere netto-opbrengst bij onderhandse verkoop te verwachten, een en ander ter beoordeling van de betrokken waterwegbeheerder of het betrokken havenbedrijf, kan de verkoop geheel of gedeeltelijk onderhands geschieden, zonder dat de in paragraaf 2 vermelde publiciteits- en termijnvoorwaarden moeten worden nageleefd.

Titel 5.
Onderzoeksinstantie voor Scheepvaartongevallen en -incidenten op de Binnenwateren


Titel 6.
Handhaving


Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen


Art. 110.
Het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving is, met uitzondering van artikel 62 van voormeld kaderdecreet, van toepassing op de handhaving van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Aanvullend op artikel 26, § 3, van voormeld kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, zijn de personeelsleden van de scheepvaartpolitie vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt eveneens bevoegd voor de bestuurlijke opsporing van de inbreuken, vermeld in artikel 133, 1° tot en met 6°.
De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaronder de scheepvaartpolitie wordt ingeschakeld.
Hoofdstuk 5 van voormeld kaderdecreet is van toepassing, met dien verstande dat het bedrag van de onmiddellijke inning, vermeld in artikel 32 van dit kaderdecreet, gelijk is aan 200 euro voor natuurlijke personen en 1250 euro voor rechtspersonen.
Bestuurlijke geldelijke sancties worden geïnd en ingevorderd ten voordele van het Vlaams Infrastructuurfonds. In de mate dat zij werden opgelegd door De Vlaamse Waterweg nv als beboetingsinstantie, worden zij evenwel geïnd en ingevorderd ten voordele van De Vlaamse Waterweg nv. In de mate dat zij werden opgelegd door de beboetingsinstantie, vermeld in artikel 135, tweede lid, worden zij geïnd en ingevorderd ten voordele van de stad Antwerpen.
In afwijking van artikel 70 van voormeld kaderdecreet, is de Vlaamse Belastingdienst niet betrokken bij de uitvoering van bestuurlijke sancties, opgelegd door de beboetingsinstantie, vermeld in artikel 135, tweede lid.

Art. 111.
Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de op grond van dit decreet daartoe bevoegde overheden beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheden, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke tot weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheden zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse Toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie of de vervolgingsinstantie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie, een onderzoeksrechter of een vervolgingsinstantie, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie, een onderzoeksrechter of een vervolgingsinstantie, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat respectievelijk het Openbaar Ministerie, de onderzoeksrechter of de vervolgingsinstantie heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.

Hoofdstuk 2.
Toezicht en controle


Art. 112.
Personeelsleden van bevoegde autoriteiten, waterwegbeheerders, havenbedrijven of het loodswezen kunnen door deze autoriteiten, waterwegbeheerders, havenbedrijven of het loodswezen worden aangewezen als toezichthouder, agent van gerechtelijke politie of bestuurlijk opsporingsagent wanneer zij voldoen aan de Vlaamse Regering bepaalde opleidings- en ervaringsvereisten en andere voorwaarden.
Voor de zone van de Scheldekaaien in de stad Antwerpen (Scheldekaaien zone stad) kunnen personeelsleden van de stad Antwerpen door het college van burgemeester en schepenen onder dezelfde voorwaarden worden aangewezen als toezichthouder of bestuurlijk opsporingsagent bevoegd voor de volgende bepalingen en voorschriften:
de bepalingen over de politie van de Beneden-Zeeschelde, vastgesteld overeenkomstig artikel 148 van dit decreet;
artikel 30, § 2 tot en met § 4, artikel 31, § 3 en § 4, artikel 41, § 7, en artikel 43, van het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende scheepvaartreglement voor de Beneden-Zeeschelde.
De Vlaamse Regering stelt nader de grenzen vast van de zone, vermeld in het tweede lid.
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden kunnen op voordracht van de bevoegde autoriteiten, waterwegbeheerders, havenbedrijven of het loodswezen door de Vlaamse Regering worden aangesteld als officier van gerechtelijke politie, officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, of bestuurlijk opsporingsagent in de zin van artikel 30, § 1, van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving.

Art. 113.
Met behoud van artikel 20, § 2 en § 3, van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, kunnen de in artikel 112 vermelde personeelsleden, een afschrift van het proces-verbaal of het verslag van vaststelling, wanneer het is opgesteld ten laste van buitenlandse personen, ook bezorgen aan de vertegenwoordigers van deze personen in België of, bij ontstentenis, aan de diplomatieke vertegenwoordiging van de staat waarvan zij onderdaan zijn.

Art. 114.
Met behoud van de bepalingen van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, kan de Vlaamse Regering specifieke detectiemiddelen toelaten voor de vaststelling van misdrijven en inbreuken, omschreven door dit decreet, onder de voorwaarden die ze daaraan verbindt.
De automatisch werkende toestellen, gebruikt om toezicht te houden op de naleving van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, moeten, voor zover zij metingen uitvoeren, goedgekeurd of gehomologeerd worden volgens de modaliteiten bepaald door de Vlaamse Regering.
Indien een maximum toegelaten snelheid aan het scheepvaartverkeer wordt opgelegd, kan de naleving hiervan door de in artikel 112 vermelde personeelsleden worden gecontroleerd door het vaststellen van de snelheid op basis van het tijdsverloop tussen de doortocht aan twee fysieke punten, zoals sluizen of bruggen, twee geografisch gedefinieerde punten op de waterlijn, of op elke andere manier door de Vlaamse Regering bepaald.

Art. 115.
De in artikel 112 vermelde personeelsleden kunnen aanwijzingen en bevelen geven aan de vermoedelijke pleger van een misdrijf of inbreuk.

Art. 116.
Teneinde de toepassing van afdeling 5 van hoofdstuk 1 van titel 3 van dit decreet en van zijn uitvoeringsbesluiten te verzekeren, hebben toezichthouders van de bevoegde autoriteit het recht te eisen dat hun alle scheepspapieren worden voorgelegd en kunnen zij te allen tijde de nodig geachte richtlijnen geven, onder meer het op het droge zetten of het ledig vertonen van het schip en het uitvoeren van bepaalde werken.

Art. 117.
De bevoegde autoriteit verifieert regelmatig of de terminals aan de voorschriften van artikel 73, § 1, 1°, artikel 75, § 1, en artikel 76 voldoen. Daarbij voert ze tijdens laad- en losverrichtingen onaangekondigde inspecties uit.
Daarnaast verifieert de bevoegde autoriteit aan het einde van de in artikel 74 vermelde termijn of de nieuwe terminals aan de in artikel 73, § 1, 4°, vermelde vereisten voldoen.

Hoofdstuk 3.
Sancties


Afdeling 1.
Strafsancties


Art. 118.
De volgende personen worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 100 tot 2000 euro of met een van deze straffen:
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 15;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 24;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 25;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 26, eerste lid, behalve als artikel 53, § 1, 8°, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum voor het betrokken feit reeds in een straf voorziet;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 27;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 35;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 49 tot en met 52;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 69.

Art. 119.
Eenieder die de personeelsleden, vermeld in artikel 112, opzettelijk belemmert of hindert bij de uitvoering van hun opdrachten, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met een geldboete van 200 euro tot 10.000 euro, of met beide straffen, met behoud van de toepassing van de straffen, bepaald in artikel 271 tot en met 274 van het Strafwetboek.

Art. 120.
Wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot één jaar en met een geldboete van 200 euro tot 50.000 euro of met één van deze straffen, degene die artikel 17 en 140 overtreedt.

Art. 121.

§ 1

Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met een geldboete van 50 tot 5000 euro wordt gestraft, de gezagvoerder, de eigenaar of de exploitant van een schip die, in strijd met de bepalingen van artikel 56, vanuit een haven een schip zee doet kiezen of op de binnenwateren een schip doet varen, als de toestand ervan de veiligheid van de bemanning, van de passagiers of van de lading of het milieu in gevaar brengt.

§ 2

Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 300 euro of met één van die straffen alleen:
ieder die de bepalingen van artikel 56 tot en met 60 of artikel 116, alsook de bepalingen van de ter uitvoering van deze artikelen genomen besluiten heeft overtreden;
ieder die de opdracht van de bevoegde autoriteit en deskundigen, krachtens artikel 56 tot en met 60, artikel 116, en de uitvoeringsbesluiten uitgeoefend, heeft belemmerd.

§ 3

De in paragraaf 2 gestelde sancties zijn ook van toepassing wanneer de overtreding van artikel 116 of de onder punt 2° bedoelde strafbare feiten door de gezagvoerder, de officieren of door personen van Belgische nationaliteit buiten België zijn gepleegd.

§ 4

De in dit artikel gestelde straffen kunnen ten aanzien van de gezagvoerder verminderd worden tot één vierde van de straffen waarmee de eigenaar of de exploitant van het schip kan gestraft worden, indien bewezen is dat de gezagvoerder van de eigenaar of de exploitant schriftelijk of mondeling bevel heeft gekregen in strijd met artikel 56 tot en met 60, artikel 116, of de uitvoeringsbesluiten te handelen.

§ 5

Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 1 tot 25 euro wordt gestraft elk lid van de bemanning dat de retentie van een schip heeft uitgelokt door onjuist bevonden beweringen.
Indien de onjuiste beweringen willens en wetens zijn geuit, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 26 tot 100 euro.

Art. 122.
Met de straffen gesteld in artikel 276 en 280 van het Strafwetboek naar het aldaar voorziene onderscheid en met behoud van de toepassing van artikel 399, 400 en 401 van hetzelfde wetboek, wordt gestraft ieder die de personeelsleden van de bevoegde autoriteit in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt smaadt of slaat.
Gezegde personeelsleden hebben het recht de bij dit artikel bedoelde strafbare handelingen op staande voet vast te stellen door middel van een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.

Art. 123.
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 26 euro tot 500 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft:
hij die, in strijd met artikel 61, het vereiste kwalificatiecertificaat, de vereiste vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift niet bij zich heeft of ter inzage beschikbaar heeft;
hij die, in strijd met artikel 61, het kwalificatiecertificaat, de vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift niet vertoont aan de in artikel 112 bedoelde persoon die erom verzoekt;
hij die, in strijd met artikel 64, zijn in artikel 61 bedoelde kwalificatiecertificaat of vergunning niet binnen tien dagen inlevert bij de bevoegde autoriteit die het kwalificatiecertificaat of de vergunning afgegeven heeft wanneer hij er zich van bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering bepaald.
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 250 euro tot 2000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft:
hij die, in strijd met artikel 61, niet beschikt over het vereiste kwalificatiecertificaat, de vereiste vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift;
hij die de activiteiten verricht waarvoor hij overeenkomstig artikel 61 moet beschikken over een kwalificatiecertificaat, een vergunning of een gelijkwaardig getuigschrift, terwijl hij er zich van bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 64 bepaald.
hij die op een andere wijze de bepalingen van de ter uitvoering van artikel 61 tot 64 genomen besluiten heeft overtreden.
De straffen, vermeld in dit artikel, worden verdubbeld bij herhaling binnen het jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Dit lid vindt geen toepassing in het geval dat een overtreding als vermeld in het tweede lid volgt op een overtreding als vermeld in het eerste lid.

Art. 124.
De overtredingen van de in uitvoering van artikel 67 genomen besluiten en de overtreding van de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele toestemming, bepaald in artikel 68, worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 50 tot 500 euro of met één van die straffen.

Art. 125.
Wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot één jaar en met een geldboete van 200 euro tot 50.000 euro of met één van deze straffen, degene die de bepalingen van afdeling 9 van hoofdstuk 1 van titel 3, alsook de bepalingen van de ter uitvoering van deze afdeling genomen besluiten heeft overtreden.

Art. 126.
Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van 50 euro tot 5000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, eenieder die de bepalingen van titel 5 en zijn uitvoeringsbesluiten heeft overtreden of die de uitvoering van de opdracht van de OSB of een andere onderzoeksinstantie uitgeoefend krachtens deze bepalingen heeft belemmerd.

Art. 127.
Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van 50 euro tot 10.000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, eenieder die zich schuldig maakt aan een overtreding van de besluiten die werden genomen bij toepassing van artikel 147.

Art. 128.
Elke overtreding van artikel 99, tweede lid, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

Art. 129.
Met behoud van artikel 123, § 3, kunnen de maximale straffen, vermeld in deze afdeling, worden verdubbeld in geval van herhaling binnen vijf jaar.

Art. 130.
Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek zijn van toepassing op de bij of krachtens dit decreet vastgestelde misdrijven. In geval van herhaling is artikel 85 van het Strafwetboek evenwel niet van toepassing.

Art. 131.
De vervolging van misdrijven verjaart na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de strafvordering is ontstaan.

Art. 132.
De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes en kosten waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.
De rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de schadevergoedingen, kosten en geldboetes waartoe hun organen zijn veroordeeld.

Afdeling 2.
Bestuurlijke sancties


Art. 133.
De volgende personen worden gesanctioneerd met een exclusieve bestuurlijke geldboete:
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van de overeenkomstig artikel 148 vastgestelde verbodsof gebodsbepalingen;
de organisator van een activiteit of evenement als vermeld in artikel 29 die niet beschikt over een toelating van de beheerder van het jaagpad;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 34;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 46;
de eigenaar of de exploitant van een schip dat de binnenwateren bevaart zonder aan de krachtens artikel 47 opgelegde verplichting te hebben voldaan;
de eigenaar of de exploitant van een schip dat, in overtreding van het door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 53 vastgestelde besluit, niet over een verplicht boorddocument beschikt;
degene die gebruik maakt van de waterweg zonder te voldoen aan artikel 79 tot en met 82 of de krachtens deze artikelen uitgevaardigde besluiten.
De bestuurlijke geldboete bedraagt, per inbreuk, maximum 1000 euro voor natuurlijke personen en 5000 euro voor rechtspersonen.

Art. 134.
Voor de misdrijven, vermeld in artikel 118 tot en met 128, kan een alternatieve bestuurlijke geldboete worden opgelegd.

Art. 135.
Binnen haar taakomschrijving als bepaald bij artikel 5 en 5bis van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, is De Vlaamse Waterweg nv de vervolgingsinstantie en de beboetingsinstantie in de zin van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving.
Voor de zone van de Scheldekaaien in de stad Antwerpen (Scheldekaaien zone stad), vastgesteld overeenkomstig artikel 112, derde lid, kunnen personeelsleden van de stad Antwerpen door het college van burgemeester en schepenen worden aangewezen als vervolgingsinstantie of als beboetingsinstantie in de zin van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, bevoegd voor de in artikel 112, tweede lid, vermelde bepalingen en voorschriften.

Art. 136.

§ 1

Met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 135, tweede lid, wijst de Vlaamse Regering de personeelsleden van de vervolgingsinstantie aan die bevoegd zijn voor het nemen van beslissingen over de bestuurlijke vervolging en de personeelsleden van de beboetingsinstantie die bevoegd zijn voor het opleggen van de bestuurlijke sancties. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden waaraan de personeelsleden moeten voldoen.

§ 2

De vervolgingsinstantie en de beboetingsinstantie, evenals de personeelsleden die binnen die instanties aangesteld zijn om te beslissen over de bestuurlijke vervolging en om de bestuurlijke sancties op te leggen, dienen die bevoegdheid uit te oefenen onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen.
Deze personeelsleden mogen geen beslissing nemen in een dossier waarin ze reeds zijn opgetreden in een andere hoedanigheid, noch rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben.

Art. 137.
Een bestuurlijke geldboete kan niet worden opgelegd als:
voor het betrokken feit reeds eerder een bestuurlijke geldboete werd opgelegd;
door de strafrechter voor het betrokken feit al eerder een straf werd opgelegd;
het betrokken feit eerder al heeft geleid tot een vrijspraak, een eenvoudige schuldverklaring zonder straf, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een minnelijke schikking.

Hoofdstuk 4.
Maatregelen van ambtswege


Afdeling 1.
Ophouden van schepen


Art. 138.
Met behoud van de toepassing van de sancties bepaald in hoofdstuk 3 van titel 6, hebben de bevoegde autoriteiten het recht om van elk schip dat de bepalingen van dit decreet en de krachtens dit decreet vastgestelde reglementen heeft overtreden de boorddocumenten tijdelijk in te houden totdat de gezagvoerder alle voorschriften nagekomen is, of om het schip stil te doen houden en van ambtswege naar een door hen aan te wijzen plaats te verhalen, waar het zal opgehouden worden totdat de gezagvoerder alle voorschriften nagekomen is. De overeenkomstig artikel 112, tweede lid, aangewezen personeelsleden van de stad Antwerpen hebben hetzelfde recht.
Nochtans, wanneer de gezagvoerder van een geladen schip geen meetbrief kan tonen, of een vervallen meetbrief voorlegt, kan hem door de bevoegde autoriteit de toelating worden gegeven om zijn reis voort te zetten, mits hij zijn schip dadelijk na het lossen zal doen hermeten.

Art. 139.
Naast de sancties voorzien in hoofdstuk 3 van titel 6, kan elk schip dat aan overdreven snelheid vaart, worden opgehouden bij de eerste beweegbare brug of voor de eerste sluis die het moet doorvaren, gedurende het dubbele van de tijd ingewonnen door de overdreven snelheid.
Elk schip waarvan de gezagvoerder de vaart van een ander schip gehinderd of vertraagd heeft, wordt bij de eerste sluis of brug opgehouden, tot na de doorvaart van dit laatste schip.

Afdeling 2.
Ruiming van gestrande, gezonken en onbeheerde schepen en andere obstakels


Art. 140.
Als niet wordt voldaan aan artikel 17 of in gevallen waarover de waterwegbeheerder of het havenbedrijf oordeelt of als de eigenaar, de huurder, de bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van het schip onbekend zijn, kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf ambtshalve en op risico van de eigenaar, huurder, bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, en exploitant en van de persoon die aansprakelijk wordt gehouden voor de omstandigheden waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is:
een gestrand, gezonken of onbeheerd schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, vlot brengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken;
de lading van het schip verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken;
het reeds geborgen of verwijderde schip of lading uit de waterweg of de haven wegruimen;
alle andere nodige maatregelen treffen voor de veiligheid, de vrijheid van de scheepvaart en de vrijwaring van de functionaliteit van de waterweg of de haven of met het oog op de instandhouding van de waterweg of de haven.
De uitoefening van de door dit artikel toegekende bevoegdheden door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel.
Het besluit van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf om, ten aanzien van een schip gebruik te maken van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in een nautische publicatie.
In spoedeisende gevallen, waarover de waterwegbeheerder of het havenbedrijf oordeelt, kan deze bekendmaking achterwege worden gelaten.
Zodra het besluit van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf werd bekendgemaakt, is het verboden het op te ruimen of te verwijderen schip, de voorwerpen of goederen te verwijderen zonder vergunning van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf. Deze vergunning wordt niet geweigerd voor de scheepspapieren en de persoonlijke bezittingen van de gezagvoerder, de bemanningsleden en de passagiers.
Hulp en berging omvatten mede de verrichtingen en maatregelen, vermeld in het eerste lid.

Art. 141.
Vóór elke uitvoering van de in artikel 140 vermelde maatregelen of verrichtingen kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf eisen dat de eigenaar, de huurder, de bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, of de exploitant van het schip of enige persoon van wie de aansprakelijkheid in het geding kan komen of, rechtstreeks, dat de verzekeraar van hun respectieve aansprakelijkheid, hem de som voorschiet die de waterwegbeheerder of het havenbedrijf voldoende acht om de kosten van die maatregelen of verrichtingen te dekken.
Voor de eigenaar, huurder, bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, en exploitant van het gestrand, gezonken of onbeheerd schip en voor die van het schip waarvan de aansprakelijkheid in het geding kan komen, alsmede voor hun respectieve verzekeraar mag deze som niet meer bedragen dan die waartoe de betrokken eigenaar, huurder, bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, en exploitant zijn aansprakelijkheid kan beperken op grond van artikel 18 of het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), ondertekend te Straatsburg op 27 september 2012.
Het voorschieten kan, zonder lasten voor de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, worden vervangen door het stellen van een garantie die de waterwegbeheerder of het havenbedrijf aanvaardbaar en toereikend acht.
De garantie is aanvaardbaar als haar bedrag werkelijk beschikbaar is en vrij overdraagbaar is zodra zij is gesteld.
De garantie is toereikend als haar bedrag overeenstemt met de som, vermeld in het eerste of het tweede lid.
De som voorgeschoten of de garantie gegeven door een van de personen waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang kan komen dan wel door zijn verzekeraar, wordt geacht te zijn voorgeschoten of gegeven door al die personen.
De voorgeschoten som en eventueel de garantie, mogen door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf worden aangewend voor de financiering van de uitvoering van de maatregelen en verrichtingen, vermeld in artikel 140.
De voorgeschoten som en de garantie zijn uitsluitend bestemd voor de voldoening van de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf betreffende de kosten, vermeld in artikel 18. Zij zijn niet vatbaar voor beslag op verzoek van andere schuldeisers.
Het vonnis dat na het voorschieten van de som of het verlenen van de garantie het faillissement uitspreekt, uitspraak doet over de homologatieaanvraag van het reorganisatieplan of dat de overdracht onder gerechtelijk gezag beveelt, van degene die de som heeft voorgeschoten of de garantie heeft gesteld, heeft geen gevolg voor die som of die garantie.

Afdeling 3.
Veiligheid van schepen en bemanningsvoorschriften in de binnenvaart


Art. 142.
De bevoegde autoriteit heeft het recht elk schip dat niet aan de voorwaarden van afdeling 5 van hoofdstuk 1 van titel 3 van dit decreet en van zijn uitvoeringsbesluiten voldoet op te houden of de toegang tot een sluis of een haven te weigeren.
Indien deze decretale en reglementaire voorwaarden wel vervuld zijn, doch ernstige vermoedens niettemin doen aannemen dat het schip niet kan varen zonder de veiligheid van de bemanning, de passagiers en de lading of het milieu in gevaar te brengen, mag de bevoegde autoriteit het schip eveneens ophouden.
Behoudens in spoedeisende gevallen oefent de bevoegde autoriteit het in het eerste en tweede lid bedoelde recht ten aanzien van vreemde schepen uit nadat de consul van het land waarvan het schip de vlag voert, is ingelicht over de te nemen maatregelen en de redenen welke daartoe aanleiding hebben gegeven.
In spoedeisende gevallen geschiedt deze mededeling onmiddellijk nadat de maatregelen zijn genomen.
Het schip wordt vrijgelaten zodra de gestelde voorwaarden ten genoegen van de bevoegde autoriteit zijn vervuld.

Art. 143.
Indien een schip wordt opgehouden, maakt de bevoegde autoriteit een gemotiveerd proces-verbaal op, waarvan een afschrift binnen vierentwintig uur na de beslissing aan de gezagvoerder wordt toegezonden bij aangetekende zending met ontvangstbewijs, afgegeven tegen ontvangstbewijs of toegezonden op een door de gezagvoerder uitdrukkelijk geaccepteerde elektronische wijze. In het laatste geval zal het afschrift worden geacht te zijn ontvangen op het ogenblik van het verzenden.

Art. 144.
Binnen veertien dagen na de ontvangst van het afschrift van het gemotiveerd proces-verbaal overeenkomstig artikel 143, kan beroep worden ingesteld tegen de beslissingen, vermeld in artikel 142.
Het beroep wordt ingesteld door de gezagvoerder, eigenaar of exploitant van het schip door middel van een verzoekschrift gericht aan de Vlaamse Regering of haar gemachtigde.
Het beroep heeft geen opschortende kracht.

Afdeling 4.
Vervoer van gevaarlijke goederen


Art. 145.
Na de vaststelling van een inbreuk als vermeld in artikel 124 kunnen de personeelsleden die belast zijn met het toezicht, vermeld in artikel 112, passende maatregelen nemen, en inzonderheid:
een schip of ander tuig de toegang tot of het verblijf in de haven verbieden;
een schip ophouden en naar een nabijgelegen plaats brengen of laten brengen;
een schip verbieden af te varen;
een schip, ander tuig of gevaarlijke goederen ambtshalve verwijderen;
laad- en losverrichtingen laten stilleggen.

Afdeling 5.
Laden en lossen van bulkschepen


Art. 146.
Met behoud van de toepassing van de andere wettelijke of decretale bepalingen op grond waarvan de bevoegde autoriteit sancties kan opleggen aan de terminal, kan de bevoegde autoriteit op basis van de door haar uitgevoerde inspecties de volgende maatregelen nemen:
als de terminal niet voldoet aan de eisen waaraan een terminal moet voldoen voor het laden en lossen van vaste bulklading, vermeld in artikel 73 of 74, geeft de bevoegde autoriteit de terminal de mogelijkheid om binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn aan de eisen voor terminals te voldoen. Als de terminal binnen de gestelde termijn niet aan de eisen voor terminals voldoet, laat de bevoegde autoriteit de laad- of losverrichtingen van de terminal stilleggen. Vanaf het ogenblik dat de terminal voldoet aan de door de bevoegde autoriteit opgelegde eisen op grond van artikel 73 en 74, geeft ze de toelating om de laad- of losverrichtingen van de terminal opnieuw op te starten;
als de terminalvertegenwoordiger niet voldoet aan zijn plichten op grond van artikel 75 of als hij de procedures zoals bepaald op grond van artikel 76 niet volgt of indien zich een meningsverschil voordoet in de zin van artikel 77 en de bevoegde autoriteit vaststelt dat de veiligheid van het bulkschip en de bemanning hierdoor tijdens de laad- of losverrichtingen in gevaar wordt gebracht, geeft de bevoegde autoriteit de terminalvertegenwoordiger de mogelijkheid om binnen een door haar vastgestelde termijn aan zijn plichten of aan de te volgen procedures te voldoen. Als de terminalvertegenwoordiger binnen de gestelde termijn niet aan zijn plichten of de te volgen procedures voldoet, laat de bevoegde autoriteit de laad- of losverrichtingen stilleggen. Vanaf het ogenblik dat de terminalvertegenwoordiger voldoet aan de opgelegde eisen op grond van artikel 75 of de in artikel 76 opgelegde procedures volgt en het gevaar voor de veiligheid van het bulkschip en de bemanning is geweken, geeft de bevoegde autoriteit de toelating om de laad- of losverrichtingen opnieuw op te starten.

Titel 7.
Machtigingsbepalingen


Hoofdstuk 1.
Internationale verplichtingen


Art. 147.
De Vlaamse Regering kan, met betrekking tot de materies die bij dit decreet worden geregeld, de nodige maatregelen nemen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens de verdragen tot stand gekomen internationale akten, inzonderheid de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen en de richtlijnen van de Europese Unie.
Voor zover het gaat om aangelegenheden die niet krachtens de Grondwet aan de decreetgever zijn voorbehouden, kunnen de besluiten die krachtens het eerste lid worden genomen, de bepalingen van dit decreet wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.

Hoofdstuk 2.
Reglementen


Art. 148.

§ 1

Met behoud van de toepassing van artikel 5, stelt de Vlaamse Regering de algemene reglementen vast betreffende de politie over het verkeer op en het gebruik van de binnenwateren en de waterwegen, alsmede de reglementen ter vrijwaring van de functionaliteit en met het oog op de instandhouding van de binnenwateren, de waterwegen en het watergebonden gebied.
Deze reglementen kunnen onder meer betrekking hebben op:
het beheer, het onderhoud, de instandhouding, het gebruik en de uitbreiding van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied, en de uitvoering van werkzaamheden in dit verband;
de vrijwaring van het milieu, de gezondheid en de veiligheid van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied;
de toegelaten activiteiten op de waterwegen en in het watergebonden gebied;
de vrijheid van handel en nijverheid in waterweg- en havengebonden activiteiten;
de toegankelijkheid van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied, omvattende mede de maximum toegelaten afmetingen en diepgang van de schepen;
het gebruik van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied, met inbegrip van de vergoedingen;
de afgifte van vaarvergunningen;
de regeling van het scheepvaartverkeer;
de voorschriften na te leven bij ongevallen;
10°
de maximum toegelaten snelheid en de aanduiding van snelvaartzones;
11°
de plaatsen waar scheepvaartbewegingen, ankeren, plaatsen van spudpalen, meren, laden en lossen toegelaten of verboden zijn;
12°
bijzondere regels voor specifieke categorieën van schepen, zoals veerponten, woonvaartuigen, pleziervaartuigen, passagiersschepen en het varend erfgoed, vermeld in het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed;
13°
de regels inzake klachtenregistratie;
14°
de regels inzake scheepsmeting, de schouwing en het slopen van schepen;
15°
de goederenbehandeling en -opslag;
16°
het in- en ontschepen van passagiers;
17°
het bunkeren;
18°
de nautische publicaties;
19°
de scheepvaarturen;
20°
de bediening en doorvaart van sluizen, bruggen en andere kunstwerken;
21°
de dienstverlening aan de scheepvaart, zoals het loodsen en slepen, en de beperkingen van de vrijheid van handel en nijverheid in dit verband;
22°
de marifoonkanalen waarop dient te worden uitgeluisterd en de andere communicatiemiddelen;
23°
de melding van gegevens betreffende schip, lading en reis.

§ 2

De reglementen, vermeld in paragraaf 1, die toepasselijk zijn op de door De Vlaamse Waterweg nv beheerde waterwegen of op het watergebonden gebied langsheen deze waterwegen, worden door de Vlaamse Regering vastgesteld na advies van de raad van bestuur van De Vlaamse Waterweg nv.

§ 3

Zonder afbreuk te kunnen doen aan de in paragraaf 1 bedoelde algemene reglementen, kan De Vlaamse Waterweg nv aanvullende reglementen opstellen betreffende de door haar beheerde waterwegen of het watergebonden gebied langsheen deze waterwegen. De door De Vlaamse Waterweg nv op grond van die bepaling vastgestelde aanvullende reglementen kunnen de voor de inwerkingtreding van het Vlaams scheepvaartdecreet bij koninklijk besluit of besluit van de Vlaamse Regering uitgevaardigde bijzondere reglementen van sommige scheepvaartwegen wijzigen of opheffen.

Titel 8.
Slotbepalingen


Hoofdstuk 1.
Wijzigings- en opheffingbepalingen


Art. 149.
Artikel 7 van titel XXVIII van de verordening van 13 augustus 1669 houdende algemeen reglement van de waters en bossen wordt opgeheven.

Art. 150.
In artikel 23, § 1, 1°, van boek II van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen, wordt de zinsnede “de tonne-, vuur- of havengelden en soortgelijke openbare heffingen en belastingen, de loodslonen,” opgeheven.

Art. 151.
In artikel 23, § 1, 4°, van boek II van hetzelfde wetboek wordt de zinsnede “wegens schade aan kunstwerken van havens, dokken en waterwegen,” opgeheven.

Art. 152.
Aan artikel 1 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, het laatst gewijzigd bij de wet van 8 mei 2019, wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
(...)

Art. 153.
Artikel 2 van de wet van 24 november 1975 houdende goedkeuring en uitvoering van het verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bijgevoegd Reglement en zijn Bijlagen, opgemaakt te Londen op 20 oktober 1972, gewijzigd bij de wet van 8 mei 2019, wordt opgeheven.

Art. 154.
Artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 december 2016 en 8 mei 2019, wordt opgeheven.

Art. 155.
Artikel 4 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 156.
Artikel 12 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 8 mei 2019, wordt opgeheven.

Art. 157.
Artikel 13 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 20 januari 1999 en 8 mei 2019, wordt opgeheven.

Art. 158.
Artikel 14 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 20 januari 1999 en 8 mei 2019, wordt opgeheven.

Art. 159.
Artikel 15 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 19 december 2010, wordt opgeheven.

Art. 160.
Artikel 16 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart wordt opgeheven.

Art. 161.
Artikel 17 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 20 januari 1999 en 8 mei 2019, wordt opgeheven.

Art. 162.
Artikel 18 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt opgeheven.

Art. 163.
Artikel 80 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gewijzigd bij het decreet van 20 december 1996, wordt opgeheven.

Art. 164.
Artikel 81 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 20 december 1996, wordt opgeheven.

Art. 165.
Artikel 82 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 168.
Artikel 85 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 169.
Artikel 86 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 april 2006, wordt opgeheven.

Art. 170.
Artikel 87 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 171.
In artikel 14bis van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
aan paragraaf 2 wordt een nieuw lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
(...)
paragraaf 4 wordt opgeheven.

Art. 172.
In hoofdstuk 2 van hetzelfde decreet wordt na artikel 23 een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
(...)

Art. 173.
In hetzelfde decreet wordt in afdeling 3, ingevoegd bij artikel 172 van dit decreet, een artikel 23bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
(...)

Art. 174.
In hetzelfde decreet wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 23ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
(...)

Art. 175.
In hetzelfde decreet wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 23quater ingevoegd, dat luidt als volgt:
(...)

Art. 176.
In hetzelfde decreet wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 23quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt:
(...)

Art. 177.
In hetzelfde decreet wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 23sexies ingevoegd, dat luidt als volgt:
(...)

Art. 178.
Artikel 18 van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, wordt opgeheven.

Art. 179.
In artikel 19, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
in punt 1° worden de woorden “om vaartuigen voor de binnenvaart te certificeren en te meten” vervangen door de woorden “inzake het certificeren en meten van vaartuigen voor de binnenvaart”;
in punt 2° worden de woorden “de bemanningsvoorschriften en de bekwaamheidsbewijzen” vervangen door de zinsnede “prestaties inzake de bemanningsvoorschriften en de bekwaamheidsbewijzen, met inbegrip van het afnemen van examens”;
in punt 3° worden tussen het woord “voor” en het woord “de” de woorden “prestaties inzake” ingevoegd.

Art. 180.
In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 oktober 2020, wordt een artikel 20ter/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
(...)

Art. 181.
Artikel 50 en 51 van het decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen over het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, het verkeersveiligheidsbeleid en VVM – De Lijn, worden opgeheven.

Art. 182.
In het decreet van 3 mei 2019 houdende de havenkapiteinsdienst wordt in artikel 2, 3°, na de zinsnede “een havengebied als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 2 maart 1999” de zinsnede “of indien het de toepassing van een havenverkeersverordening betreft een havengebied als vermeld in artikel 14bis, § 1, van het decreet van 2 maart 1999” toegevoegd.

Art. 183.
In artikel 2 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aan gebracht:
er wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
(...)
er wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
(...)
er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
(...)

Art. 184.
In artikel 4, eerste lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden “en de havenverkeersverordeningen” toegevoegd.

Art. 185.
In artikel 10, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, worden tussen het woord “havenpolitieverordeningen” en het woord “bevelen” de woorden “en de havenverkeersverordeningen” ingevoegd.

Art. 186.
In artikel 12, tweede lid, van hetzelfde decreet worden tussen het woord “havenpolitieverordeningen” en het woord “bevelen” de woorden “en de havenverkeersverordeningen” ingevoegd.

Art. 187.
In artikel 13, § 2, van hetzelfde decreet worden tussen het woord “havenpolitieverordeningen” en het woord “bevelen” de woorden “en de havenverkeersverordeningen” ingevoegd.

Art. 188.
Artikel 15 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
(...)

Art. 189.
In artikel 17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
(...)
paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
(...)
paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
(...)
er worden een paragraaf 7, 8, 9, 10 en 11 toegevoegd, die luiden als volgt:
(...)

Art. 190.
Het decreet van 22 januari 1808 waarbij artikel 7, titel XXVIII van de ordonnantie van 1669 van toepassing wordt verklaard op alle bevaarbare rivieren van het rijk, wordt opgeheven.

Art. 191.
De wet van 15 maart 1971 betreffende de scheepvaartrechten te heffen op de waterwegen onder het beheer van de Staat wordt opgeheven.

Art. 192.
De wet van 21 mei 1991 betreffende het invoeren van een stuurbrevet voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk wordt opgeheven.

Art. 193.
De wet van 5 juni 1972 op de veiligheid van de vaartuigen, het laatst gewijzigd bij de wet van 16 juni 2020, wordt opgeheven.

Art. 194.
Het decreet van 17 maart 2006 tot omzetting van Richtlijn 2001/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor het veilig laden en lossen van bulkschepen wordt opgeheven.

Art. 195.
Het decreet van 6 juli 2012 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, gewijzigd bij het decreet van 8 juni 2018, wordt opgeheven.

Hoofdstuk 2.
Inwerkingtreding


Art. 196.
Dit decreet treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
De Vlaamse Regering kan voor bepaalde artikelen, of onderdelen ervan, en de daarmee overeenstemmende wijzigings- en opheffingsbepalingen, een vroegere datum van inwerkingtreding vaststellen.

Art. 197.
In afwijking van artikel 196, treedt titel 5 in werking op de datum waarop het samenwerkingsakkoord, vermeld in artikel 92, in werking treedt.

Art. 198.
In afwijking van artikel 196, treden artikel 42, 166 en 167 in werking op 1 januari 2024.