Hoofdstuk 3.
Instandhouding en functionaliteit


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 12.
De Vlaamse Regering stelt voor elke waterweg of elk waterweggedeelte de waterwegklasse vast.
Wat betreft de waterwegen of waterweggedeelten beheerd door De Vlaamse Waterweg nv, stelt de Vlaamse Regering de waterwegklasse vast na advies van de raad van bestuur van De Vlaamse Waterweg nv.

Art. 13.
De waterwegen zijn goederen van het openbaar domein met een functie als scheepvaartweg. Het gebruik voor de scheepvaart heeft er voorrang op andere activiteiten.

Art. 14.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 2 van titel 2 en los van de mogelijkheid voor de waterwegbeheerder om het scheepvaartverkeer op bepaalde waterwegen of delen daarvan om veiligheidsredenen of andere reden van algemeen belang geheel of gedeeltelijk te beperken of te verbieden, treft de waterwegbeheerder de nodige maatregelen opdat het verkeer van de schepen ten minste overeenkomstig de vastgestelde waterwegklasse kan worden verzekerd.

Art. 15.
In geval een voorwerp in de door een waterwegbeheerder beheerde waterweg terechtkomt of dreigt terecht te komen, dient eenieder door wiens toedoen zulks geschiedt dit onverwijld te melden aan de waterwegbeheerder. Bij deze melding dienen alle gegevens te worden meegedeeld die van belang zijn of kunnen zijn voor de instandhouding of het herstel van de waterweg.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.

Afdeling 2.
Ruiming van gestrande, gezonken en onbeheerde schepen en andere obstakels


Art. 16.
Deze afdeling, evenals artikel 88, artikel 120 en afdeling 2 van hoofdstuk 4 van titel 6 zijn van toepassing op de binnenwateren.
Voormelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de territoriale zee en de exclusieve economische zone wat betreft de schepen, wrakstukken, gezonken tuigen of voorwerpen die een aantasting van de bereikbaarheid van de Vlaamse havens en waterwegen vormen.
In het geval, vermeld in het tweede lid, komen de bevoegdheden toe aan de Vlaamse Regering.

Art. 17.
De eigenaar, huurder, of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip dat is gestrand of gezonken of van een onbeheerd schip, moet dit schip, met inbegrip van alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, inzonderheid de lading, vlot brengen en verwijderen naar de daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats.
Wrakstukken, gezonken tuigen en alles wat vanop een schip in het water is terechtgekomen, alsmede alle andere voorwerpen die in het water zijn terechtgekomen, moeten eveneens door hun respectieve eigenaars, worden gelicht en worden verwijderd.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan daartoe verplichtingen opleggen, zoals een termijn waarbinnen het vlotbrengen of verwijderen dient te geschieden.
De uitvoering van de voormelde verplichtingen kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel.

Art. 18.
Degene die aansprakelijk is voor de gebeurtenis waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is of waardoor enig ander voorwerp in het water is terechtgekomen en, bij gebreke van zulke aansprakelijke, de persoon, vermeld in artikel 17, eerste of tweede lid, is aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf de betaling verschuldigd van de kosten die voor deze waterwegbeheerder of dit havenbedrijf voortvloeien uit de ambtshalve, krachtens artikel 140 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen.
De bedragen die de verzekeraars van de eigen schade of van de aansprakelijkheid, inbegrepen de onderlinge verzekeringsmaatschappijen, verschuldigd zijn wegens het verlies van het schip of van enig ander voorwerp of wegens de gebeurtenis waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is of enig ander voorwerp in het water is terechtgekomen, aan de personen die krachtens artikel 141 of krachtens dit artikel schuldenaar zijn van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, worden, ter voldoening van de in het eerste lid bedoelde kosten, door de betreffende verzekeraars rechtstreeks aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf betaald. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf bezit een eigen recht jegens de verzekeraars.
Geen betaling door deze verzekeraars aan de verzekerde bevrijdt zolang de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf niet volledig werden voldaan.

Art. 19.

§ 1

Voor zover het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), ondertekend te Straatsburg op 27 september 2012, niet van toepassing is, kan de eigenaar van een schip, die op grond van artikel 18 schuldenaar is van de betaling van de kosten, daarbij zijn aansprakelijkheid beperken. Hetzelfde geldt voor de huurder of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip die op grond van artikel 18 schuldenaar is van de betaling van de kosten.

§ 2

Voor de schepen onderworpen aan het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen, kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de volgende bedragen:
voor een schip van niet meer dan 500 ton: tot 370.000 euro;
voor een schip van meer dan 500 ton wordt het onder punt 1° vermelde bedrag vermeerderd met:
a)
445 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 501 tot en met 6000 ton;
b)
175 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 6001 tot 70.000 ton;
c)
125 euro voor elke toename van de tonnenmaat met één ton boven 70.000 ton.
Voor de overige schepen kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de waarde van het schip op het ogenblik van de ambtshalve, krachtens artikel 140 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen, met een minimum evenwel van 375.00 euro.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder tonnenmaat verstaan: de brutotonnenmaat berekend overeenkomstig de voorschriften van meting, vervat in Bijlage I van het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen.
De Vlaamse Regering is gemachtigd de voormelde bedragen aan te passen, rekening houdend met de economische toestand.

§ 3

De verzekeraar van de in paragraaf 1 bedoelde persoon kan zich op dezelfde beperking beroepen.

§ 4

De in paragraaf 1 bedoelde persoon is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken als wordt bewezen dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat zodanige schade er waarschijnlijk zou uit voortvloeien.

Afdeling 3.
Jaagpaden


Art. 20.
De waterwegbeheerder beheert de jaagpaden bij de waterwegen die onder zijn beheer vallen.
Indien het jaagpad tevens fungeert als rijbaan in de zin van de federale regelgeving betreffende de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wordt het beheerd door de betrokken wegbeheerder.
De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van het beheer van de jaagpaden bepalen.

Art. 21.
Op de langs waterwegen gelegen erven die niet aan de waterwegbeheerder toebehoren en waarop deze geen recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft, rust ten behoeve van het gebruik van de waterweg een erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf.
De erfdienstbaarheid houdt in dat de houders van zakelijke rechten op de bedoelde erven moeten gedogen dat een jaagpad wordt aangelegd of in stand gehouden en dat het erf wordt gebruikt ten behoeve van de waterweg en dit gebruik niet mogen hinderen. De Vlaamse Regering bepaalt nader welke lasten op de erven rusten en wie de begunstigden zijn, evenals in welke gevallen deze lasten onevenredige nadelige gevolgen uitmaken en de vergoeding die daarvoor verschuldigd is, en kan daarbij een onderscheid maken naar de kenmerken en de bestemming van de waterwegen.
Overeenkomstig de modaliteiten en binnen de grenzen vastgesteld door de Vlaamse Regering, bepaalt de waterwegbeheerder de ruimtelijke uitgestrektheid van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf.

Art. 22.
Op de langs waterwegen gelegen erven die met een erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf zijn bezwaard, mogen binnen de ruimtelijke uitgestrektheid van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf door anderen dan de waterwegbeheerder geen werken of beplantingen worden uitgevoerd zonder de voorafgaande machtiging van de waterwegbeheerder.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het verlenen van dergelijke machtiging.

Art. 23.
De houders van zakelijke rechten op erven die voorheen niet langs waterwegen gelegen waren maar die, door de aanleg van een nieuwe waterweg of doordat een niet-bevaarbare waterloop wordt ingedeeld bij de waterwegen, vanaf een bepaald tijdstip langs waterwegen gelegen erven worden, hebben in de mate dat hun zakelijk recht in waarde vermindert als gevolg van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf recht op een billijke vergoeding van die waardevermindering.

Art. 24.
Het is verboden het gebruik van het jaagpad voor de dienst van de waterwegbeheerder of voor scheepvaartdoeleinden te hinderen.