Afdeling 2.
Ruiming van gestrande, gezonken en onbeheerde schepen en andere obstakels


Art. 16.
Deze afdeling, evenals artikel 88, artikel 120 en afdeling 2 van hoofdstuk 4 van titel 6 zijn van toepassing op de binnenwateren.
Voormelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de territoriale zee en de exclusieve economische zone wat betreft de schepen, wrakstukken, gezonken tuigen of voorwerpen die een aantasting van de bereikbaarheid van de Vlaamse havens en waterwegen vormen.
In het geval, vermeld in het tweede lid, komen de bevoegdheden toe aan de Vlaamse Regering.

Art. 17.
De eigenaar, huurder, of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip dat is gestrand of gezonken of van een onbeheerd schip, moet dit schip, met inbegrip van alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, inzonderheid de lading, vlot brengen en verwijderen naar de daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats.
Wrakstukken, gezonken tuigen en alles wat vanop een schip in het water is terechtgekomen, alsmede alle andere voorwerpen die in het water zijn terechtgekomen, moeten eveneens door hun respectieve eigenaars, worden gelicht en worden verwijderd.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan daartoe verplichtingen opleggen, zoals een termijn waarbinnen het vlotbrengen of verwijderen dient te geschieden.
De uitvoering van de voormelde verplichtingen kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel.

Art. 18.
Degene die aansprakelijk is voor de gebeurtenis waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is of waardoor enig ander voorwerp in het water is terechtgekomen en, bij gebreke van zulke aansprakelijke, de persoon, vermeld in artikel 17, eerste of tweede lid, is aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf de betaling verschuldigd van de kosten die voor deze waterwegbeheerder of dit havenbedrijf voortvloeien uit de ambtshalve, krachtens artikel 140 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen.
De bedragen die de verzekeraars van de eigen schade of van de aansprakelijkheid, inbegrepen de onderlinge verzekeringsmaatschappijen, verschuldigd zijn wegens het verlies van het schip of van enig ander voorwerp of wegens de gebeurtenis waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is of enig ander voorwerp in het water is terechtgekomen, aan de personen die krachtens artikel 141 of krachtens dit artikel schuldenaar zijn van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, worden, ter voldoening van de in het eerste lid bedoelde kosten, door de betreffende verzekeraars rechtstreeks aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf betaald. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf bezit een eigen recht jegens de verzekeraars.
Geen betaling door deze verzekeraars aan de verzekerde bevrijdt zolang de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf niet volledig werden voldaan.

Art. 19.

§ 1

Voor zover het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), ondertekend te Straatsburg op 27 september 2012, niet van toepassing is, kan de eigenaar van een schip, die op grond van artikel 18 schuldenaar is van de betaling van de kosten, daarbij zijn aansprakelijkheid beperken. Hetzelfde geldt voor de huurder of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip die op grond van artikel 18 schuldenaar is van de betaling van de kosten.

§ 2

Voor de schepen onderworpen aan het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen, kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de volgende bedragen:
voor een schip van niet meer dan 500 ton: tot 370.000 euro;
voor een schip van meer dan 500 ton wordt het onder punt 1° vermelde bedrag vermeerderd met:
a)
445 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 501 tot en met 6000 ton;
b)
175 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 6001 tot 70.000 ton;
c)
125 euro voor elke toename van de tonnenmaat met één ton boven 70.000 ton.
Voor de overige schepen kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de waarde van het schip op het ogenblik van de ambtshalve, krachtens artikel 140 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen, met een minimum evenwel van 375.00 euro.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder tonnenmaat verstaan: de brutotonnenmaat berekend overeenkomstig de voorschriften van meting, vervat in Bijlage I van het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen.
De Vlaamse Regering is gemachtigd de voormelde bedragen aan te passen, rekening houdend met de economische toestand.

§ 3

De verzekeraar van de in paragraaf 1 bedoelde persoon kan zich op dezelfde beperking beroepen.

§ 4

De in paragraaf 1 bedoelde persoon is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken als wordt bewezen dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat zodanige schade er waarschijnlijk zou uit voortvloeien.