Afdeling 3.
Scheepvaartongevallen


Art. 48.
Deze afdeling is van toepassing in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven en op de waterwegen.

Art. 49.

§ 1

De eigenaar of de gezagvoerder van een schip dat dreigt te zinken of vast te lopen, dat onvoldoende of onrechtmatig is gemeerd of dat derwijze ligt dat het de doorvaart hindert of anderszins de vrijheid of de veiligheid van de scheepvaart of het leefmilieu in het gedrang brengt of kan brengen, neemt onverwijld alle maatregelen om hieraan te verhelpen.

§ 2

Wanneer een schip gezonken is of dreigt te zinken of vast te lopen, wanneer het onvoldoende of onrechtmatig gemeerd is of derwijze ligt dat het de doorvaart hindert en, in het algemeen, telkens als het nodig is de vrijheid of veiligheid van de scheepvaart te verzekeren, de afvoer van het water te vergemakkelijken of de belangen van het regime van de waterweg of de haven te vrijwaren, mag de waterwegbeheerder of het havenbedrijf en, bij dringendheid, elke ambtenaar, vermeld in artikel 112, aan de eigenaar of de gezagvoerder de nodig geachte maatregelen voorschrijven, zelfs wanneer deze niet in enige verordening voorzien zijn.
De eigenaar en de gezagvoerder moeten aan de gegeven bevelen onmiddellijk gevolg geven. Indien zij hierbij in gebreke blijven of indien zij afwezig zijn, mogen de voorgeschreven maatregelen van ambtswege op hun kosten worden uitgevoerd.
Deze bepalingen gelden met behoud van de toepassing van artikel 17 en 140.

Art. 50.
Wanneer een schip op de waterweg of in de haven bij een incident is betrokken of indien het is vastgelopen of gezonken, geeft de eigenaar van het schip of de gezagvoerder daarvan onverwijld kennis aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf. Eenzelfde verplichting rust op de eigenaar van het schip of de gezagvoerder wanneer het schip dreigt vast te lopen, te zinken of onbestuurbaar te worden.

Art. 51.
Een schip dat bij een incident was betrokken, mag de plaats van het incident niet verlaten zonder de voorafgaande toelating van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, tenzij om zich te begeven naar een nabije veilige ligplaats teneinde verdere schade te voorkomen.
In geval van miskenning van de in het eerste lid bedoelde verplichting, kan het betrokken schip door elke waterwegbeheerder en elk havenbedrijf worden opgehouden totdat de waterwegbeheerder of het havenbedrijf van de plaats van het incident de toelating geeft om verder te varen.

Art. 52.
Zolang de waterwegbeheerder of het havenbedrijf hem niet heeft gemachtigd zich te verwijderen, blijft de gezagvoerder van een schip aan boord van het schip of in de nabijheid van de plaats waar het voorval, vermeld in artikel 50, zich heeft voorgedaan.