Art. 85.

§ 1

Onverminderd artikel 88 zijn de volgende vorderingen bevoorrecht op het schip en het scheepstoebehoren:
de tijdens de laatste reis ontstane vorderingen tot betaling van:
a)
havengelden;
b)
loodsgelden, verschuldigd zowel wegens prestaties van overheidsloodsdiensten als van concessionarissen van de loodsdiensten;
c)
retributies voor het gebruik van het verkeersbegeleidingssysteem;
d)
scheepvaartrechten en andere retributies als vermeld in artikel 79;
de vorderingen tot vergoeding van schade aan de waterwegen en de havens.

§ 2

Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, 1°, neemt dezelfde rang in als de scheepsvoorrechten met de hoogste rang zoals bepaald in de toepasselijke federale wetgeving of in de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld met dien verstande dat het onderling rang inneemt na de vorderingen van de gezagvoerder en de bemanningsleden die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst en die verband houden met arbeid aan boord van het betrokken zee- of binnenschip, inbegrepen deze ter vergoeding van overlijden of letselschade, voor de terugbetaling van kosten en voor repatriėringskosten.
Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, 2°, neemt dezelfde rang in als de scheepsvoorrechten ter zake van vorderingen tot vergoeding van schade veroorzaakt door aanvaring of andere scheepvaartongevallen, zoals bepaald in de toepasselijke federale wetgeving of in de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld.
De schuldvorderingen genoemd onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk en worden naar evenredigheid betaald indien de opbrengst ontoereikend is.

§ 3

De in paragraaf 1 bedoelde vorderingen zijn alleen bevoorrecht in hoofdsom.