Hoofdstuk 4.3.
BEHEERSING VAN BODEM- EN GRONDWATERVERONTREINIGING


Afdeling 4.3.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.3.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de lozingen in grondwater, zoals bedoeld in rubriek 52 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op:

de uitspreiding van meststoffen mits de opgelegde grenswaarden of toegelaten hoeveelheden en/of de gebruiksaanwijzingen volgens een code van goede praktijk worden nageleefd;
buiten de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II en III, de uitspreiding van stoffen voor gebruik in land- en tuinbouw, mits de opgelegde grenswaarden of toegelaten hoeveelheden en/of de gebruiksaanwijzingen worden nageleefd;
het direct of indirect lozen, het deponeren of opslaan van produkten en stoffen, die in zulk een geringe hoeveelheid en concentratie stoffen bevatten van de lijsten I en II van de bijlage 2B, dat elk gevaar voor de verontreiniging van het ontvangende grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten.
de injectie van kooldioxidestromen met het oog op opslag in geologische formaties die door hun aard blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden, op voorwaarde dat dergelijke injecties plaatsvinden overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond dan wel op grond van artikel 37, tweede lid, van voormeld decreet buiten de werkingssfeer ervan vallen.
het terugvoeren van bij de winning van aardwarmte opgepompt water in hetzelfde geothermische reservoir, op voorwaarde dat dergelijke injecties van water plaatsvinden conform het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond.

 

§ 3.

Directe lozingen van gevaarlijke stoffen van lijst I en II van bijlage 2B en indirecte lozingen van gevaarlijke stoffen van lijst I van bijlage 2B kunnen overeenkomstig art. 3 van het Besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen die het grondwater kunnen verontreinigen, niet worden vergund.


Art. 4.3.1.2.

§ 1.

Lozingen van stoffen van lijst I van bijlage 2B

 

Elke lozing van stoffen van lijst I van bijlage 2B in het grondwater is verboden.

 

Handelingen, zoals bedoeld in de rubrieken 52.1.1.3°, 52.1.2. en 52.2.3° waarbij de vermelde gevaarlijke stoffen worden verwijderd of met het oog op hun verwijdering worden gestort, kunnen slechts vergund worden overeenkomstig het bepaalde in art. 2.4.1.1. en mits alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat de stoffen geen aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere eco-systemen.

 

§ 2.

Lozingen van stoffen van lijst II van bijlage 2B

 

elke directe lozing van stoffen van lijst II van bijlage 2B is verboden.
stoffen van lijst II van bijlage 2B kunnen slechts in het grondwater worden geloosd mits alle vereiste voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze lozing:
a) de gezondheid van de mens of de watervoorziening niet in gevaar kan brengen;
b) het leven en de eco-systemen in het water niet kan schaden;
c) een ander rechtmatig gebruik van het water niet kan hinderen.

Afdeling 4.3.2.
Indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater dat stoffen van lijst II van bijlage 2B bevat


Art. 4.3.2.1.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden opgelegd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing op de indirecte lozing van bedrijfsafvalwater in grondwater, zoals vermeld in de subrubrieken 52.1.1, 2°, en 52.2, 2°, van de indelingslijst :

 

elke lozingsmethode waarbij het afvalwater rechtstreeks in de bodem of in een grondwaterlaag wordt geïnjecteerd is verboden;
elke lozing van afvalstoffen, zoals afvalolie, verfresten, e.d., is ten strengste verboden;
de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput die aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) een maximale diepte van 10 m onder het maaiveld;
b) zich bevinden op een afstand van ten minste :
  1°  75 m van een oppervlaktewater;
  75 m van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
  200 m van een grondwaterwinning; 
  200 m van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater; 
c) geen overloop hebben; 
d) voorzien zijn van een gemakkelijk en veilig bereikbare opening die toelaat monsters te nemen van de materie die zich in de besterfput bevindt; 
met betrekking tot de afgevoerde afvalwaters gelden voor de respectieve parameters als emissiegrenswaarden, de richtwaarden als bedoeld in artikel 2.4.1.1; deze emissiegrenswaarden zijn absolute waarden die op elk ogenblik moeten worden nageleefd; in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen in functie van de milieukwaliteitsnormen, vastgesteld in artikel 2.4.1.1 en 2.4.2.1, strengere emissiegrenswaarden worden vastgesteld; in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen daarenboven beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de maximum debieten die per uur, per dag, per maand of per jaar naar de besterfput, vermeld in punt 3°, mogen worden afgevoerd;
de indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater dat stoffen van lijst II van bijlage 2B [...] bevat, is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien of als het gezuiverde afvalwater, rekening houdend met de afstandsregels, vermeld in punt 3°, b), in een gewoon oppervlaktewater of overeenkomstig artikel 4.2.1.3 in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater geloosd kan worden.

 


Art. 4.3.2.2.

§ 1.

De bedrijfsafvalwaters moeten vooraleer in de besterfput te worden geloosd:

eerst worden behandeld in een waterbehandelingsinstallatie,;
na behandeling afgevoerd worden naar een controleput die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk afgevoerde afvalwater te controleren, en inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van dit afvalwater te nemen.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde controleput moet beantwoorden aan de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden opgelegd dat langs deze controleput geen huishoudelijk afvalwater of hemelwater mag worden afgevoerd.

 

§ 3.

In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant op zijn kosten in de omgeving van de besterfput tenminste drie grondwatermeetputten aan te leggen teneinde tot de controle van het grondwater te kunnen overgaan. Tenminste één meetput dient zich te bevinden in het gebied waar het grondwater binnenstroomt (0-niveau) en twee meetputten in het gebied waar het grondwater uitstroomt. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan de ligging en de diepte van de putten nader worden bepaald.

 

Voormelde grondwatermeetputten dienen daarenboven te voldoen aan de volgende voorwaarden:

elke meetput is duidelijk geïdentificeerd;
de peilputten worden met een slot afgegrendeld;
een nivelleringsstreep met vermelding van het bijhorende TAW-niveau (Tweede Algemene Waterpassing) is duidelijk aangebracht;

 

De Afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving dient tenminste 10 dagen vóór de aanvang van de werken in kennis gesteld van de aanleg van de in het eerste lid bedoelde meetputten. Na het aanleggen dienen deze meetputten aan een testpomping onderworpen. De exploitant moet een technische steekkaart, opgemaakt of geattesteerd door de aannemer die de meetputten heeft aangelegd, en die alle technische gegevens in verband met de constructie en de uitgevoerde testpomping bevat, ter beschikking houden van de toezichthouder.


Art. 4.3.2.3.

§ 1.

Indien de maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater die naar de in artikel 4.3.2.1. bedoelde besterfput wordt afgevoerd, groter is dan 10 m3 per dag of 250 m3 per maand of 2.500 m3 per jaar, dient de exploitant daarenboven op zijn kosten over te gaan tot de volgende metingen:

controle op de in de besterfput geloosde afvalwaters:
a) continue meting van het debiet;
b) driemaandelijkse meting van het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof alsmede het gehalte aan totale fosfor;
c) halfjaarlijkse meting van de som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink alsmede van de som van de metalen cadmium en kwik;
d) meting van de andere relevante parameters die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn opgelegd, waaronder stoffen die niet van nature uit voorkomen in de te beschermen watervoerende laag;
ter controle van het grondwater dienen de volgende parameters in het water in de in artikel 4.3.2.2. bedoelde grondwatermeetputten tenminste halfjaarlijks gemeten:
- het grondwaterniveau;
- BZV;
- CZV;
- geleidingsvermogen;
- T.O.C.
- geabsorbeerde organisch gebonden halogenen (AOX);
- arseen;
- lood;
- cadmium;
- chroom;
- cyanide;
- dezelfde stoffen als bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit in toepassing van 1°, d) hierboven.

 

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde metingen en analyses dienen te gebeuren op kosten van de exploitant, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, hetzij door dit laboratorium zelf.

 

§ 3.

In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant de resultaten van de uitgevoerde metingen bij te houden in een meetdossier dat steeds ter inzage dient gehouden van de toezichthouders.


Afdeling 4.3.3.
Indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater


Art. 4.3.3.1.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden opgelegd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing op de indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater, zoals vermeld in de subrubriek 52.1.1, 1°, en 52.2, 1°, van de indelingslijst :

 

elke lozingsmethode waarbij het afvalwater rechtstreeks in de bodem of in een grondwaterlaag wordt geïnjecteerd is verboden;
alleen de lozing van huishoudelijk afvalwater is toegestaan; het is verboden hierin afvalstoffen te lozen of te laten toekomen;
de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput die aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) een maximale diepte van 10 m onder het maaiveld;
b) zich bevinden op een afstand van ten minste :
  50 m van een oppervlaktewater;
  50 m van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater; 
  100 m van een grondwaterwinning; 
  100 m van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater;  
c) geen overloop hebben;
d) voorzien zijn van een gemakkelijk en veilig bereikbare opening die toelaat monsters te nemen van de materie die zich in de besterfput bevindt; 
de indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien of als het gezuiverde afvalwater, rekening houdend met de afstandsregels, vermeld in punt 3°, b), in een gewoon oppervlaktewater of overeenkomstig artikel 4.2.1.3 in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater geloosd kan worden;
het huishoudelijk afvalwater moet voor het in een besterfput geloosd wordt, behandeld worden volgens de algemene voorwaarden, vermeld in [...] afdeling 4.2.8.