Hoofdstuk 3.
Sancties


Afdeling 1.
Strafsancties


Art. 118.
De volgende personen worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 100 tot 2000 euro of met een van deze straffen:
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 15;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 24;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 25;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 26, eerste lid, behalve als artikel 53, § 1, 8°, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum voor het betrokken feit reeds in een straf voorziet;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 27;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 35;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 49 tot en met 52;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 69.

Art. 119.
Eenieder die de personeelsleden, vermeld in artikel 112, opzettelijk belemmert of hindert bij de uitvoering van hun opdrachten, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met een geldboete van 200 euro tot 10.000 euro, of met beide straffen, met behoud van de toepassing van de straffen, bepaald in artikel 271 tot en met 274 van het Strafwetboek.

Art. 120.
Wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot één jaar en met een geldboete van 200 euro tot 50.000 euro of met één van deze straffen, degene die artikel 17 en 140 overtreedt.

Art. 121.

§ 1

Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met een geldboete van 50 tot 5000 euro wordt gestraft, de gezagvoerder, de eigenaar of de exploitant van een schip die, in strijd met de bepalingen van artikel 56, vanuit een haven een schip zee doet kiezen of op de binnenwateren een schip doet varen, als de toestand ervan de veiligheid van de bemanning, van de passagiers of van de lading of het milieu in gevaar brengt.

§ 2

Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 300 euro of met één van die straffen alleen:
ieder die de bepalingen van artikel 56 tot en met 60 of artikel 116, alsook de bepalingen van de ter uitvoering van deze artikelen genomen besluiten heeft overtreden;
ieder die de opdracht van de bevoegde autoriteit en deskundigen, krachtens artikel 56 tot en met 60, artikel 116, en de uitvoeringsbesluiten uitgeoefend, heeft belemmerd.

§ 3

De in paragraaf 2 gestelde sancties zijn ook van toepassing wanneer de overtreding van artikel 116 of de onder punt 2° bedoelde strafbare feiten door de gezagvoerder, de officieren of door personen van Belgische nationaliteit buiten België zijn gepleegd.

§ 4

De in dit artikel gestelde straffen kunnen ten aanzien van de gezagvoerder verminderd worden tot één vierde van de straffen waarmee de eigenaar of de exploitant van het schip kan gestraft worden, indien bewezen is dat de gezagvoerder van de eigenaar of de exploitant schriftelijk of mondeling bevel heeft gekregen in strijd met artikel 56 tot en met 60, artikel 116, of de uitvoeringsbesluiten te handelen.

§ 5

Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 1 tot 25 euro wordt gestraft elk lid van de bemanning dat de retentie van een schip heeft uitgelokt door onjuist bevonden beweringen.
Indien de onjuiste beweringen willens en wetens zijn geuit, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 26 tot 100 euro.

Art. 122.
Met de straffen gesteld in artikel 276 en 280 van het Strafwetboek naar het aldaar voorziene onderscheid en met behoud van de toepassing van artikel 399, 400 en 401 van hetzelfde wetboek, wordt gestraft ieder die de personeelsleden van de bevoegde autoriteit in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt smaadt of slaat.
Gezegde personeelsleden hebben het recht de bij dit artikel bedoelde strafbare handelingen op staande voet vast te stellen door middel van een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.

Art. 123.
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 26 euro tot 500 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft:
hij die, in strijd met artikel 61, het vereiste kwalificatiecertificaat, de vereiste vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift niet bij zich heeft of ter inzage beschikbaar heeft;
hij die, in strijd met artikel 61, het kwalificatiecertificaat, de vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift niet vertoont aan de in artikel 112 bedoelde persoon die erom verzoekt;
hij die, in strijd met artikel 64, zijn in artikel 61 bedoelde kwalificatiecertificaat of vergunning niet binnen tien dagen inlevert bij de bevoegde autoriteit die het kwalificatiecertificaat of de vergunning afgegeven heeft wanneer hij er zich van bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering bepaald.
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 250 euro tot 2000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft:
hij die, in strijd met artikel 61, niet beschikt over het vereiste kwalificatiecertificaat, de vereiste vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift;
hij die de activiteiten verricht waarvoor hij overeenkomstig artikel 61 moet beschikken over een kwalificatiecertificaat, een vergunning of een gelijkwaardig getuigschrift, terwijl hij er zich van bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 64 bepaald.
hij die op een andere wijze de bepalingen van de ter uitvoering van artikel 61 tot 64 genomen besluiten heeft overtreden.
De straffen, vermeld in dit artikel, worden verdubbeld bij herhaling binnen het jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Dit lid vindt geen toepassing in het geval dat een overtreding als vermeld in het tweede lid volgt op een overtreding als vermeld in het eerste lid.

Art. 124.
De overtredingen van de in uitvoering van artikel 67 genomen besluiten en de overtreding van de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele toestemming, bepaald in artikel 68, worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 50 tot 500 euro of met één van die straffen.

Art. 125.
Wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot één jaar en met een geldboete van 200 euro tot 50.000 euro of met één van deze straffen, degene die de bepalingen van afdeling 9 van hoofdstuk 1 van titel 3, alsook de bepalingen van de ter uitvoering van deze afdeling genomen besluiten heeft overtreden.

Art. 126.
Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van 50 euro tot 5000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, eenieder die de bepalingen van titel 5 en zijn uitvoeringsbesluiten heeft overtreden of die de uitvoering van de opdracht van de OSB of een andere onderzoeksinstantie uitgeoefend krachtens deze bepalingen heeft belemmerd.

Art. 127.
Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van 50 euro tot 10.000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, eenieder die zich schuldig maakt aan een overtreding van de besluiten die werden genomen bij toepassing van artikel 147.

Art. 128.
Elke overtreding van artikel 99, tweede lid, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

Art. 129.
Met behoud van artikel 123, § 3, kunnen de maximale straffen, vermeld in deze afdeling, worden verdubbeld in geval van herhaling binnen vijf jaar.

Art. 130.
Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek zijn van toepassing op de bij of krachtens dit decreet vastgestelde misdrijven. In geval van herhaling is artikel 85 van het Strafwetboek evenwel niet van toepassing.

Art. 131.
De vervolging van misdrijven verjaart na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de strafvordering is ontstaan.

Art. 132.
De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes en kosten waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.
De rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de schadevergoedingen, kosten en geldboetes waartoe hun organen zijn veroordeeld.

Afdeling 2.
Bestuurlijke sancties


Art. 133.
De volgende personen worden gesanctioneerd met een exclusieve bestuurlijke geldboete:
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van de overeenkomstig artikel 148 vastgestelde verbodsof gebodsbepalingen;
de organisator van een activiteit of evenement als vermeld in artikel 29 die niet beschikt over een toelating van de beheerder van het jaagpad;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 34;
degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 46;
de eigenaar of de exploitant van een schip dat de binnenwateren bevaart zonder aan de krachtens artikel 47 opgelegde verplichting te hebben voldaan;
de eigenaar of de exploitant van een schip dat, in overtreding van het door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 53 vastgestelde besluit, niet over een verplicht boorddocument beschikt;
degene die gebruik maakt van de waterweg zonder te voldoen aan artikel 79 tot en met 82 of de krachtens deze artikelen uitgevaardigde besluiten.
De bestuurlijke geldboete bedraagt, per inbreuk, maximum 1000 euro voor natuurlijke personen en 5000 euro voor rechtspersonen.

Art. 134.
Voor de misdrijven, vermeld in artikel 118 tot en met 128, kan een alternatieve bestuurlijke geldboete worden opgelegd.

Art. 135.
Binnen haar taakomschrijving als bepaald bij artikel 5 en 5bis van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, is De Vlaamse Waterweg nv de vervolgingsinstantie en de beboetingsinstantie in de zin van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving.
Voor de zone van de Scheldekaaien in de stad Antwerpen (Scheldekaaien zone stad), vastgesteld overeenkomstig artikel 112, derde lid, kunnen personeelsleden van de stad Antwerpen door het college van burgemeester en schepenen worden aangewezen als vervolgingsinstantie of als beboetingsinstantie in de zin van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, bevoegd voor de in artikel 112, tweede lid, vermelde bepalingen en voorschriften.

Art. 136.

§ 1

Met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 135, tweede lid, wijst de Vlaamse Regering de personeelsleden van de vervolgingsinstantie aan die bevoegd zijn voor het nemen van beslissingen over de bestuurlijke vervolging en de personeelsleden van de beboetingsinstantie die bevoegd zijn voor het opleggen van de bestuurlijke sancties. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden waaraan de personeelsleden moeten voldoen.

§ 2

De vervolgingsinstantie en de beboetingsinstantie, evenals de personeelsleden die binnen die instanties aangesteld zijn om te beslissen over de bestuurlijke vervolging en om de bestuurlijke sancties op te leggen, dienen die bevoegdheid uit te oefenen onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen.
Deze personeelsleden mogen geen beslissing nemen in een dossier waarin ze reeds zijn opgetreden in een andere hoedanigheid, noch rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben.

Art. 137.
Een bestuurlijke geldboete kan niet worden opgelegd als:
voor het betrokken feit reeds eerder een bestuurlijke geldboete werd opgelegd;
door de strafrechter voor het betrokken feit al eerder een straf werd opgelegd;
het betrokken feit eerder al heeft geleid tot een vrijspraak, een eenvoudige schuldverklaring zonder straf, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een minnelijke schikking.