Art. 122.
Met de straffen gesteld in artikel 276 en 280 van het Strafwetboek naar het aldaar voorziene onderscheid en met behoud van de toepassing van artikel 399, 400 en 401 van hetzelfde wetboek, wordt gestraft ieder die de personeelsleden van de bevoegde autoriteit in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt smaadt of slaat.
Gezegde personeelsleden hebben het recht de bij dit artikel bedoelde strafbare handelingen op staande voet vast te stellen door middel van een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.