Afdeling 4.4.2.
Algemene installatievoorschriften


BBT.


Art. 4.4.2.1.

De installaties worden ontworpen, gebouwd en geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk zodat de luchtverontreiniging die van die installaties afkomstig is, maximaal wordt beperkt en indien mogelijk zelfs wordt voorkomen. De installaties worden daarvoor uitgerust en geëxploiteerd met middelen ter beperking van de emissies die met de beste beschikbare technieken overeenkomen. De emissiebeperkende maatregelen zijn gericht op zowel een vermindering van de massaconcentratie als een vermindering van de massastromen van de installatie uitgaande luchtverontreiniging. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

maatregelen ter vermindering van de hoeveelheid afgas, zoals inkapselen van installatiedelen en doelgericht opvangen van stromen afgas;
maatregelen ter optimalisering van de gebruikte stoffen en energie;
maatregelen ter optimalisering van de handelingen voor opstarten en stilleggen en overige bijzondere bedrijfsomstandigheden.

 

Voor bestaande installaties wordt bij de toepassing van de eis met betrekking tot het gebruik van de beste beschikbare technieken, vermeld in het eerste lid, rekening gehouden met:

de technische kenmerken van de inrichting;
de gebruiksgraad en de residuele levensduur van de inrichting;
de aard en het volume van de verontreinigende emissies van de inrichting;
de wenselijkheid om geen overmatige hoge kosten te veroorzaken voor de betrokken inrichting, met name rekening houdend met de economische situatie van de ondernemingen die tot de betrokken categorie behoren.

Evacuatie afvalgassen.


Art. 4.4.2.2.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.4.2.1 worden dampen, nevels en afgassen op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en, na de eventueel noodzakelijke zuivering ter naleving van de emissie- en immissievoorschriften die van toepassing zijn, geëmitteerd.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vindt de emissie naar de lucht plaats via een schoorsteen die minstens 1 meter hoger is dan de nok van het dak van de woningen, bedrijfs- en andere gebouwen die gewoonlijk door mensen bezet zijn, gelegen in een straal van 50 meter rond de schoorsteen. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan een minimumschoorsteenhoogte worden opgelegd. Dit tweede lid is niet van toepassing voor bestaande inrichtingen.

 

De schoorsteen is, met behoud van de toepassing van artikel 4.4.2.3, voldoende hoog met het oog op een voldoende spreiding van de geloosde stoffen vanuit milieuoogpunt en voor de volksgezondheid.

 

De schoorsteen wordt uitgerust met meetopeningen, uitgevoerd overeenkomstig een code van goede praktijk en, met het oog op de veilige en praktische uitvoering van de controlemetingen, met een meetplatform of gelijkwaardig alternatief.

 

Voor installaties die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het vierde lid, vanaf 1 juli 2017, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

De afvalgassen dienen in elk geval via één of meer schoorstenen of andere geleide kanalen geloosd wanneer de totale emissies afkomstig van de inrichting voor één of meer van de volgende verontreinigende stoffen de hierna aangegeven emissiewaarde (onder emissiewaarde wordt hier verstaan: de gemiddelde waarde per bedrijfsuur van de emissies over één kalenderweek onder de inzake luchtverontreiniging meest ongunstige normale bedrijfsomstandigheden) overschrijdt:

 

 

Parameter

emissiewaarde in kg/uur

Stikstofoxiden (uitgedrukt in NO)

40

Zwaveldioxide

60

totaal stof

15

Lood

0,5

Cadmium

0,01

Thallium

0,01

Chloor

20

Chloorwaterstof en anorganische gasvormige chloorverbindingen (uitgedrukt in Cl)

20

Fluorwaterstof en anorganische gasvormige fluorverbindingen (uitgedrukt in F)

1

Koolmonoxide

1.000

 

 


Minimumhoogte schoorstenen of geleide kanalen.


Art. 4.4.2.3.

§ 1.

Als de emissies van verontreinigende stoffen meer bedragen dan de emissiewaarden vermeld in artikel 4.4.2.2, §2, wordt de minimumhoogte van de schoorsteen bepaald conform het schoorsteenhoogte- en verspreidingsberekeningssysteem, vermeld in bijlage 4.4.1. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de minimumhoogte wordt bepaald volgens een andere gelijkwaardige code van goede praktijk goedgekeurd door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL.

 

[...]

 

§ 2.

In geval de werkelijke hoogte van de schoorsteen [...] om stedebouwkundige redenen, om redenen van ruimtelijke ordening of enige andere reden, lager is dan de minimumhoogte resulterend uit het in paragraaf 1 vermelde berekeningssysteem, worden de toelaatbare emissies van verontreinigende stoffen verder beperkt tot de emissiegrenswaarden die volgens het in het eerste lid vermelde berekeningssysteem geen aanleiding geven tot een overschrijding van de overeenkomstig dit reglement van toepassing zijnde milieukwaliteitsnormen voor de lucht.


Mededelingsplicht.


Art. 4.4.2.4.

De exploitant houdt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, ter beschikking van de toezichthouder. Bij de exploitatie van een nieuwe installatie wordt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, uitgevoerd vóór de ingebruikname van de installatie.


[...].


Art. 4.4.2.5. [...]