Art. 4.4.4.1.

1.

De parameters SOx, NOx, en totaal stof worden ten minste maandelijks op kosten van de exploitant gemeten als de massastroom van de beschouwde stof meer bedraagt dan respectievelijk 5 kg SOx/h, uitgedrukt als SO2, 5 kg NOx/h, uitgedrukt als NO2, of 0,5 kg stof/h.

2.

Als de massastroom van de parameters SO2, NOx en totaal stof, groter is dan respectievelijk 50 kg SO2/h, 30 kg NOx/h, uitgedrukt als NO2, of 5 kg stof/h, worden de emissiewaarden van die stof of die stoffen continu gemeten.

Als de emissiewaarden voor zwaveldioxide continu gemeten worden, kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bepaald worden op welke wijze de emissiewaarden voor zwaveltrioxide bepaald worden en inbegrepen worden in de toetsing aan de emissiegrenswaarde voor zwaveloxiden.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de continue metingen, vermeld in het eerste lid, worden vervangen door andere controles die de emissiewaarden met een gelijkwaardige nauwkeurigheid kunnen bepalen, met goedkeuring door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1, d), van het VLAREL. Als de voormelde andere controles komen in aanmerking:

1 de continue vaststelling van de doeltreffendheid van de installaties tot emissievermindering;
2 de continue vaststelling van de samenstelling van de brandstoffen of van de verwerkte stoffen of van de procesomstandigheden;
3 enige andere gelijkwaardige continue controle.

In het geval, vermeld in het derde lid, wordt ten minste eenmaal per maand gemeten.

3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen daarenboven de volgende metingen worden opgelegd:

1 metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van emissies van andere relevante parameters;
2 metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van immissies van bepaalde stoffen in de omgeving van de inrichting;
3 metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van de neerslag van bepaalde stoffen op de bodem in de omgeving van de inrichting.

4.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 en 3, geldt met betrekking tot de meetmethode, de monsterneming, de te meten relevante parameters, de meetfrequentie, het controlemeetprogramma en de beoordeling van de meetresultaten van de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn, de meetstrategie voor luchtverontreinigende stoffen, vermeld in artikel 4.4.4.2 tot en met 4.4.4.5, en bijlage 4.4.3 en 4.4.4.

Voor installaties die niet continu in bedrijf zijn, kan, na goedkeuring door de toezichthouder, de meetfrequentie worden afgestemd op de periodes dat de installatie effectief in gebruik is. De werking van de installatie wordt in dat geval continu geregistreerd.

5.

Tegelijkertijd met de uitvoering van de periodieke en continue metingen van de relevante parameters, worden de betrokken procesparameters, namelijk minimaal waterdampgehalte, temperatuur, druk en debiet periodiek dan wel continu gemeten en geregistreerd. De meting van die procesparameters is niet vereist als die maar een beperkte variatie vertonen die verwaarloosbaar is voor de bepaling van de emissiewaarden of als die met andere methoden met een voldoende zekerheid bepaald kunnen worden.