Art. 4.4.4.3.

Voor het bepalen van een meetwaarde kunnen de volgende bemonsteringsmethoden worden aangewend:

continue bemonstering gedurende de volledige referentieperiode;
bemonstering gedurende een aantal opeenvolgende tijdsintervallen van één uur die de volledige referentieperiode omvatten; de meetwaarde overeenstemmend met de beschouwde referentieperiode wordt daarbij berekend als het tijdgewogen rekenkundige gemiddelde van de verschillende metingen;
3°  discontinue bemonstering, tijdens de referentieperiode, waarbij de monsternemingsduur van de verschillende bemonsteringen ten hoogste een factor 2 mag verschillen. In dat geval wordt afhankelijk van de toegepaste monsternemingsduur ten minste het volgende aantal monsters genomen:
a)

voor een referentieperiode van 1 uur:

monsternemingsduur

aantal monsters

< 2,5 minuten

4

2,5 tot 15 minuten

3

15 tot 30 minuten

2

>30 minuten

1

  b)

voor referentieperioden die langer dan 1 uur duren:

monsternemingsduur

aantal monsters

< 15 minuten

4 of meer

15 tot 60 minuten

3 of meer

1 tot 2 uur

2 of meer

2 uur of meer

1

 

De monsternemingsduur of frequentie wordt zo nodig verhoogd als men met de aangegeven monsternemingsduur of frequentie niet tot een betrouwbaar eindresultaat komt.

 

De referentieperiode kan worden opgesplitst in de tijd in verschillende periodes van ten minste 1 uur als dat vereist is om tot een representatief eindresultaat te komen.

 

De uitvoerder van de metingen verifieert dat de gekozen monsternemingsduur en meetfrequentie en in voorkomend geval het opsplitsen in de tijd een representatief gemiddelde oplevert voor de voorgeschreven referentiemethode.