Afdeling 4.4.5.
Wintersmogperiodes


Art. 4.4.5.1. Toepassingsgebied

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen waarvan de totaal door de inrichting geloosde emissies voor één of meer parameters meer bedragen dan de volgende emissiewaarden:

Parameter

emissiewaarde in kg/uur

Stikstofoxiden (uitgedrukt in NO2)

40

Zwaveldioxide

60

Zwevende deeltjes (stof)

15

Chloor en zijn gasvormige anorganische verbindingen, uitgedrukt als Cl

20

Fluor en zijn gasvormige anorganische verbindingen, uitgedrukt als F

1

Koolmonoxide

1.000

 

Onder voormelde emissiewaarde wordt verstaan de gemiddelde waarde per bedrijfsuur van de emissies over één kalenderweek onder de inzake luchtverontreiniging meest ongunstige bedrijfsomstandigheden.


Art. 4.4.5.2. Maatregelen bij smog

Gedurende de periodes van wegens ongunstige meteorologische omstandigheden tijdelijk verhoogde luchtverontreiniging dient de exploitant van een in artikel 4.4.5.1. bedoelde inrichting alle mogelijke maatregelen te treffen om de emissies van verontreinigende stoffen maximaal te beperken. Deze maatregelen zullen inzonderheid betrekking hebben op:
 

1) de tijdelijke beperking van produktieprocessen alsook van verbrandingsprocessen die aanleiding geven tot bedoelde emissies;
2) de tijdelijke overschakeling naar zwavelarme brandstof en zo mogelijk naar aardgas als brandstof;
3) de tijdelijke opschorting van uitstelbare luchtverontreinigende activiteiten;
4) het uitstellen van het opstarten van bepaalde processen wanneer dit met een extra emissie zou gepaard gaan.

Art. 4.4.5.3. Waarschuwingsfase

§ 1.

De in artikel 4.4.5.2. bedoelde exploitant dient zich in staat van paraatheid te houden voor het treffen van de in artikel 4.4.5.2. bedoelde maatregelen zodra:

1) ofwel het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde (over een periode van 24 opeenvolgende uren) van zwaveldioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 190 μg/m3;
2) ofwel gedurende drie opeenvolgende uren het gemeten uurgemiddelde van stikstofdioxide in de omgevingslucht hoger is dan 150 μg/m3.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde waarschuwingsfase neemt een einde zodra de gemeten glijdend 24-uurgemiddelde immissiewaarde van zwaveldioxyde lager is dan of gelijk aan 190 μg/m3, respectievelijk de gemeten glijdend uurgemiddelde immissiewaarde van stikstofdioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 150 μg/m3.


Art. 4.4.5.4. Alarmfase

§ 1.

De in artikel 4.4.5.2. bedoelde exploitant dient over te gaan tot het treffen van de in artikel 4.4.5.2. bedoelde maatregelen telkens wanneer:

1) ofwel het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde (over een periode van 24 opeenvolgende uren) van zwaveldioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 250 μg/m3;
2) ofwel het gemeten glijdend uurgemiddelde van stikstofdioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 200 μg/m3.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde maatregelen nemen een einde zodra de gemeten glijdend 24-uurgemiddelde immissiewaarde van zwaveldioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 190 μg/m3, respectievelijk de gemeten glijdend uurgemiddelde immissiewaarde van stikstofdioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 150 μg/m3.


Art. 4.4.5.5. De Afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving deelt aan de betrokken exploitanten mee wanneer de waarschuwingsfase of de alarmfase ingaan en ook wanneer ze eindigen. Deze gegevens worden tegelijkertijd meegedeeld aan de andere gewesten, aan de buurlanden en aan de pers.