Deel 5.
SECTORALE MILIEUVOORWAARDEN VOOR INGEDEELDE INRICHTINGEN


Hoofdstuk 5.1.
AARDOLIE OF AARDOLIEPRODUKTEN


Art. 5.1.0.1.

Voor inrichtingen, bedoeld onder de subrubriek 1.2 van de indelingslijst, worden geen sectorale voorschriften bepaald. De algemene, eventuele andere toepasselijke sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden zijn onverminderd van toepassing.

 

Voor inrichtingen bedoeld in de subrubriek 1.1 van de indelingslijst gelden de bepalingen van afdeling 5.20.2.


Hoofdstuk 5.2.
INRICHTINGEN VOOR DE VERWERKING VAN AFVALSTOFFEN


Afdeling 5.2.1.
Algemene bepalingen


Toepassingsgebied.


Art. 5.2.1.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 2 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De voorschriften van dit hoofdstuk gelden onverminderd de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en zijn uitvoeringsbesluiten.

 

§ 3.

De volgende voorwaarden inzake de aanvaarding van afvalstoffen, het werkplan en inrichting en infrastructuur gelden niet voor de opslag van afvalstoffen - in functie van de regelmatige afvoer ervan - in de inrichting waar de afvalstoffen worden geproduceerd.

 

§ 4.

De hierna volgende algemene uitbatingsvoorwaarden worden, naargelang het type inrichting, aangevuld door de voorwaarden, opgenomen onder de afdelingen 5.2.2. (inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen), 5.2.3. (verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen), 5.2.4 (stortplaatsen voor afvalstoffen in of op de bodem) en 5.2.5. (mono-stortplaatsen voor baggerspecie afkomstig uit de oppervlaktewateren behorende tot het openbaar hydrografisch net).

 

§ 5.

Dierlijke bijproducten die worden beschouwd als afvalstoffen als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, worden verzameld, behandeld en afgevoerd overeenkomstig de voorschriften van verordening dierlijke bijproducten en haar uitvoerende verordening (EU) nr. 142/2011.

 

§ 6.

Deze afdeling is niet van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de rubrieken 2.2.2, h), 2.3.2, f) en 2.3.3, b), van de indelingslijst.


De aanvaarding en registratie van afvalstoffen.


Art. 5.2.1.2.

§ 1.

De aanvoer, de aanvaarding, de opslag, de verwerking en de afvoer van afvalstoffen zijn enkel toegelaten mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

 

§ 2.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in dit besluit is de installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie verplicht. De installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug is in ieder geval verplicht voor inrichtingen waar bedrijfs- of huishoudelijke afvalstoffen afkomstig van derden worden verwijderd. De ijking gebeurt overeenkomstig de ijkwet. De toegang van de aanvoerende vrachtwagens is slechts toegelaten over de in werking zijnde weegbrug.

 

§ 3.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag de normale afvalstoffenaanvoer en -afvoer niet vóór 7 uur en na 19 uur plaatsvinden.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

In de inrichting voor de verwerking van afvalstoffen mogen enkel die afvalstoffen worden aanvaard waarvoor de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit werd verleend. De exploitant is verantwoordelijk voor de aanvaarding van de afvalstoffen. De aanvaarding van de afvalstoffen gebeurt op basis van de door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit toegelaten afvalstoffen en steunt op de technische verwerkbaarheid van de afvalstoffen in de inrichting en, indien nodig en relevant, op regelmatige afvalstoffenanalyses en/of -testen.

 

De exploitant controleert de aangevoerde afvalstoffen op hun herkomst, oorsprong, aard en hoeveelheid. Elke vracht dient minstens visueel geïnspecteerd. De exploitant bevestigt elke aanvaarde aflevering van afvalstoffen schriftelijk. In geval van stortplaatsen stelt de exploitant, onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 259/93, de toezichthoudende overheid onverwijld in kennis van een weigering afvalstoffen op zijn stortplaats te aanvaarden.

 

§ 6.

De hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde afvalstoffen moet kunnen worden getotaliseerd. Op vraag van de toezichthouder moeten de totalen op basis van de rubrieknummers van de afvalstoffencatalogus binnen de kortste tijd kunnen worden meegedeeld.


Het werkplan.


Art. 5.2.1.3.

§ 1.

De exploitant beschikt bij de aanvang der activiteiten over een werkplan dat naargelang de aard van de inrichting omvat:

een overzichtelijke en duidelijke handleiding met betrekking tot de exploitatie van de inrichting;
de organisatie van de aanvoer van de afvalstoffen;
de organisatie van de verwerking van de aangevoerde afvalstoffen;
een plan van de opslag- en behandelingsruimte met aanduiding van de soort en de opslagcapaciteit voor de diverse afvalstoffen.
de organisatie van de afvoer van de afvalstoffen;
de verwerkingswijze van de aangevoerde afvalstoffen indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is;
het afwateringsplan omvattende het schema, de organisatie en de uitvoering van de maatregelen inzake de afwatering van de inrichting en/of het terrein;
de maatregelen voor het opvangen van storingen of ongewenste neveneffecten en het voorkomen van hinder;

 

§ 2.

Het werkplan dient de goedkeuring van de toezichthoudende overheid te dragen. Het goedgekeurde werkplan wordt opgevolgd door de toezichthouder.


Inrichting en infrastructuur.


Art. 5.2.1.4.

§ 1.

Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescherming van de plaats en de omgeving rekening te worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot:

  • woongebieden, recreatiegebieden, landbouwgebieden, parkgebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
  • de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
  • de ruimtelijk kwetsbare gebieden;
  • de perimeters van gebieden, afgebakend volgens of in uitvoering van internationale verdragen, overeenkomsten of richtlijnen;
  • waterrijke gebieden zoals gedefinieerd in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betrefende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
  • wegen en waterwegen;
  • het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, beschermde cultuurhistorische landschappen en beschermde archeologische goederen;
  • de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II en III voor grondwater, afgebakend in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, en
    de sub-hydrografische bekkens van oppervlaktewater bestemd voor de productie van drinkwater, afgebakend in toepassing van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging.

 

§ 2.

Naargelang de aard van de inrichting, in ieder geval in het geval van stortplaatsen, dient bovendien rekening te worden gehouden met:

  • de geo- en hydrogeologische omstandigheden in het gebied;
  • de potentiële waarde van de aanwezige grondwaterlagen;
  • de grondmechanische eigenschappen en stabiliteitskenmerken van het terrein, inclusief het gevaar voor overstromingen, verzakkingen, aardverschuivingen e.d.;
  • de nabestemming van het terrein;
  • de bescherming van het natuurlijke of culturele erfgoed in de omgeving.

Art. 5.2.1.5.

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en Behalve in het geval dat in de inrichting uitsluitend afvalstoffen afkomstig van de eigen bedrijfsactiviteiten worden verwerkt, wordt bij de ingang van de inrichting een uithangbord van minstens 1 m2 grootte aangebracht waarop duidelijk leesbaar volgende vermeldingen voorkomen:

de aard van de inrichting;
de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
de vervaldatum van de vergunning: "vergund tot ...";
de normale openingsuren;
het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid;
bij brand of onheil: telefoonnummer brandweer;

 

§ 2.

De inrichting dient ontoegankelijk te zijn voor onbevoegden. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt de inrichting omheind met een stevige en voldoende ongeveer twee meter hoge afsluiting. Alle toegangswegen tot de inrichting worden met een poort afgesloten. De in- en uitrit voor vrachtwagens is voldoende breed om geen gevaarlijke verkeerssituaties te creëren noch op het terrein, noch op de openbare weg. De poorten worden enkel open gehouden onder toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. Buiten de normale openingsuren worden de poorten op slot gehouden.

 

§ 3.

Voldoende parkeerruimte voor voertuigen en vrachtwagens wordt aangelegd.

 

§ 4.

De breedte, de stabiliteit en het onderhoud van de wegenis is zodanig dat een veilig verkeer wordt gewaarborgd bij alle weersomstandigheden.

 

§ 5.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens 5m breedte aangelegd. Het groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. De exploitant neemt de nodige maatregelen om zo snel mogelijk een efficiënt groenscherm te bekomen. Voor nieuwe inrichtingen wordt het groenscherm aangeplant zodra de bouwwerken dat toelaten en het plantseizoen is aangebroken. Indien geen bouwwerken worden uitgevoerd , wordt het groenscherm aangeplant in het eerste plantseizoen dat bij de aanvang van de uitbating aansluit.


De uitbating.


Art. 5.2.1.6.

§ 1.

De exploitant waakt over de goede werking en de zindelijkheid van de inrichting. Het personeel beschikt over de nodige onderrichtingen om de inrichting te bedienen en te onderhouden.

 

De exploitant zorgt ervoor dat het beheer van de inrichting gebeurt door een natuurlijke persoon die technisch bekwaam is om de inrichting te beheren. De exploitant van de inrichting zorgt ervoor dat het personeel de nodige beroeps- en technische opleiding krijgt.

 

De inrichting en de uitbating gebeuren zodanig dat geen afvalstoffen of zwerfvuil buiten de inrichting kunnen terechtkomen en dat zwerfvuil zoveel mogelijk wordt voorkomen.

 

De ganse inrichting, inclusief de in- en uitrit, de parkeerruimten en de wegenis van de inrichting worden regelmatig, indien nodig dagelijks, grondig gereinigd. Het zwerfvuil langsheen de omheining en op het terrein wordt regelmatig verwijderd, tenminste wekelijks.

 

§ 2.

De exploitant treft de nodige schikkingen om bij defect aan de inrichting alle herstellingen zo snel mogelijk uit te voeren. Hij zorgt ervoor dat de nodige reserveonderdelen snel worden bekomen.

 

§ 3.

De exploitant voorkomt en bestrijdt stank en stof, gas, aërosolen, rook of hinderlijke geuren met aangepaste middelen eigen aan een verantwoorde uitbating van de inrichting. De exploitant neemt alle mogelijke maatregelen om verontreinigende emissies minimaal te houden. De hinder mag noch de normaal aanvaardbare grenzen, noch de normale burenlast overschrijden.

 

§ 4.

Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning en onverminderd andere voorwaarden inzake het voorkomen van geluidshinder zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen vóór 7 uur en na 19 uur, en op zon- en feestdagen.

 

§ 5.

De exploitant treft de vereiste schikkingen om te voorkomen dat trillingen inherent aan de uitbating schadelijk zouden zijn voor de stabiliteit van constructies of een bron van ongemak zijn voor de buurt. De trillingen van de installaties mogen niet overgedragen worden op het gebouw of de omgeving. De gedeelten van de installaties die een trillingsbron kunnen zijn worden daartoe met een trillingdempend systeem uitgerust.

 

§ 6.

De exploitant neemt de nodige maatregelen om overlast, veroorzaakt door vogels, ongedierte en insecten te voorkomen. Het gebruik van pesticiden wordt zoveel mogelijk vermeden en vereist de goedkeuring van de toezichthoudende overheid.

 

§ 7.

Het is verboden dieren vrij te laten rondlopen in de inrichting.

 

§ 8.

Het afvalwater dat ontstaat in de inrichting wordt opgevangen. Het afvalwater wordt steeds op een aangepaste wijze behandeld om daar waar mogelijk opnieuw te worden benut of om in het andere geval te worden geloosd. Iedere rechtstreekse verbinding tussen een plaats waar nog te behandelen afvalwater wordt opgevangen en een oppervlaktewater of een riool is verboden.

 

§ 9.

De afwatering van de omliggende percelen mag niet worden gehinderd.


Art. 5.2.1.7.

§ 1.

De afvalstoffen mogen niet buiten de daartoe bestemde behandelings- of opslagruimte worden opgeslagen. De hoeveelheid in de inrichting opgeslagen afvalstoffen mag niet meer bedragen dan toegestaan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geen hoeveelheden zijn vermeld, gelden de hoeveelheden vermeld in de aanvraag.

 

§ 2.

Het verdunnen van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 4.4.2. van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, is verboden.

 

§ 3.

De plaatsen op het terrein waar vloeistoffen van bijlage 2B van titel I van het VLAREM of gevaarlijke vloeistoffen volgens de CLP-verordening op de bodem kunnen lekken, worden uitgerust met een vloeistofdichte vloer zodanig dat gelekte vloeistoffen noch de bodem noch het grond- of oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Deze vloer wordt aangelegd met een lekdicht afwateringssysteem.

 

§ 4.

De afwatering van de gebouwen, de installatie en het terrein wordt zó uitgevoerd dat de verontreiniging van het hemelwater zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat het niet verontreinigd hemelwater kan afvloeien of worden weggepompt. Niet verontreinigd hemelwater mag in geen geval worden gemengd met ander nog te behandelen afvalwater. Daar waar mogelijk wordt het hemelwater gebruikt voor de waterbevoorrading van de inrichting. Het opgevangen hemelwater wordt daartoe gestockeerd. Overtollig hemelwater wordt geloosd in oppervlaktewater. De lozing in riool kan slechts worden aanvaard indien geen lozing in oppervlaktewater mogelijk is en op voorwaarde dat het in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten.

 

§ 5.

Verontreinigd hemelwater moet worden opgevangen en behandeld zoals het overige afvalwater van de inrichting.


Art. 5.2.1.8.

§ 1.

De exploitant van de inrichting verwittigt tenminste tien dagen voor de geplande aanvangsdatum van de uitbating van de inrichting met een aangetekend schrijven de toezichthoudende overheid. Nieuwe inrichtingen of installaties mogen niet in gebruik worden genomen vooraleer de toezichthoudende overheid de inrichting of installatie heeft geïnspecteerd en zich ervan heeft vergewist dat aan de opgelegde milieuvoorwaarden wordt voldaan Indien de toezichthouder vaststelt dat de naleving van de milieuvoorwaarden onvoldoende verzekerd is, kan hij de aanvang van de uitbating doen uitstellen.

 

§ 2.

De exploitant is ertoe gehouden een voldoende verzekering aan te gaan inzake burgerlijke aansprakelijkheid.

 

§ 3.

Een afschrift van alle vergunningen waarover de inrichting beschikt en het goedgekeurde werkplan, worden, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, in de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder. Het register en de resultaten en/of verslagen van de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voorgeschreven metingen en analyses worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en dat gedurende de volledige periode van de uitbating. Bij het beëindigen van de uitbating worden de registers bezorgd aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.


Brandvoorkoming en brandbestrijding.


Art. 5.2.1.9.

§ 1.

Behalve in daartoe geëigende en vergunde verbrandingsinstallaties is het verboden om afvalstoffen in brand te steken;

 

§ 2.

Bij de opslag van afvalstoffen met een ontvlambaar of ontplofbaar karakter als vermeld in Verordening (EU) 1357/2014 van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, worden de nodige maatregelen getroffen om brand- en ontploffingsrisico te voorkomen, waaronder:

de vorming van elektrostatische ladingen voorkomen bij de opslag en behandeling;
de opslag beschermen tegen de nadelige gevolgen van de inwerking van zonnestraling;
de opslag niet laten plaatsvinden op plaatsen binnen de inrichting waar de temperatuur 40 °C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong;
de lokalen waarin de opslag plaatsvindt, alleen verwarmen met toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om brand- en ontploffingsrisico te voorkomen;
een openvuurverbod en rookverbod toepassen in de buurt van de opslag, tenzij voor onderhouds- of herstellingswerken op voorwaarde dat daarvoor de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen. Deze bepalingen worden verduidelijkt aan de hand van reglementaire veiligheidspictogrammen;
de opslagplaatsen op afdoende wijze, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig ventileren.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

Tenzij in de inrichting uitsluitend onbrandbare afvalstoffen worden verwerkt, of tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit treft de exploitant met het oog op het voorkomen en bestrijden van brand volgende maatregelen:

[...]
de organisatie van de brandbestrijding en de brandbestrijdingsmiddelen worden jaarlijks en de eerste maal voor de inwerkingstelling van de installatie gecontroleerd door de exploitant, zijn aangestelde of zijn afgevaardigde. De data van deze controles en de vaststellingen worden ingeschreven in het register;
de nodige apparatuur voor de detectie van brand of rook in de inrichting wordt aangebracht volgens de onderrichtingen van de bevoegde brandweer;
geschreven onderrichtingen voor het personeel inzake brandvoorkoming en brandbestrijding worden op goed zichtbare plaatsen uitgehangen.
[...]

 

§ 5.

De voorwaarden inzake de voorkoming en bestrijding van brand zijn van toepassing onverminderd andere voorschriften terzake.


Afdeling 5.2.2.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen


Subafdeling 5.2.2.1.
Containerparken


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.1.1.

§ 1.

Op een containerpark kunnen de volgende huishoudelijke afvalstoffen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de vergunning, selectief worden ingezameld en opgeslagen:

metaalafval;
bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;
glasafval;
papier- en kartonafval;
textielafval;
kunststofafval;
houtafval;
snoeihout, tuinafval en gazonmaaisel;
rubberbanden;
10° afgewerkte motorolie;
11° gebruikte frituuroliën en -vetten;
12° andere in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen.

 

 

§ 1bis.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden bepaald dat bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard en samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen mogen worden aanvaard voorzover ze de normale werking van het containerpark niet hinderen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder "bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen" verstaan: afvalstoffen die ontstaan ten gevolge van activiteiten die van dezelfde aard zijn als deze van de normale werking van een particuliere huishouding.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen ingezameld en opgeslagen worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

Op het containerpark wordt een container opgesteld voor de opvang van de niet recupereerbare restfractie die bij het sorteren ontstaat.

 

§ 4.

De afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, worden altijd gescheiden opgeslagen in aangepaste recipiënten of stockageruimten.


Art. 5.2.2.1.2. In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, is geen weegbrug vereist en worden in het register enkel ingeschreven de gegevens inzake de afgevoerde afvalstoffen en de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.

De uitbating.

Art. 5.2.2.1.3.

§ 1.

De containers worden geplaatst op een vloeistofdichte vloer, die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

 

§ 2.

De containers voor afgewerkte motorolie, die tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een maximum inhoudsvermogen van 2 x 1.000 liter mogen hebben, worden geplaatst in een vloeistofdichte en oliebestendige inkuiping met een inhoud die tenminste gelijk is aan de inhoud van de daarin opgestelde oliecontainers.

 

§ 3.

Het ingezamelde asbestcementafval of ander asbesthoudend afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, moet gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen.

 

§ 4.

De ingezamelde elektrische en elektronische toestellen worden op een milieuverantwoorde wijze opgeslagen. Koel- en vriestoestellen worden droog [...] en zodanig geplaatst dat het koelcircuit niet kan beschadigd worden. Beeldschermen worden in intacte toestand opgeslagen.


Subafdeling 5.2.2.2.
Inrichtingen voor het opslaan en sorteren van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong, aansluitend bij containerparken


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.2.1.

§ 1.

De afvalstoffen die in de inrichting kunnen worden opgeslagen zijn kleine gevaarlijke afvalstoffen van huishoudelijke oorsprong (verder KGA genoemd).

 

§ 1bis.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden bepaald dat KGA van bedrijfsmatige oorsprong dat omwille van aard, samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar is met KGA van huishoudelijke oorsprong, mag worden aanvaard voorzover dit KGA de normale werking van de inrichting voor het opslaan en sorteren van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong, aansluitend bij containerparken niet hindert.

 

§ 2.

Alleen KGA dat met in achtname van de bepalingen van de toepasselijke wetgeving wordt afgegeven, mag worden aanvaard.


Art. 5.2.2.2.2.

§ 1.

De aanvoer, de aanvaarding, en de sortering van het KGA is enkel toegelaten mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. De exploitant of voornoemde afgevaardigde beheerst voldoende scheikunde en heeft voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de chemische stoffen die mogen worden aanvaard en van de bijhorende veiligheidsvoorschriften . De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthouder.

 

§ 2.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist en worden in het register enkel ingeschreven de gegevens inzake de afgevoerde afvalstoffen en de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.


De uitbating.

Art. 5.2.2.2.3.

§ 1.

De ingezamelde afvalstoffen worden onmiddellijk en uiterlijk vóór het beëindigen van zijn dagtaak door de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde gesorteerd en opgeslagen op een wijze dat elk risico wordt vermeden.

 

§ 2.

Het KGA wordt onderverdeeld en samengebracht volgens de chemische samenstelling, aard of eigenschappen van de verschillende afvalstoffen. De deelcontainers of recipinten dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijbehorende gevarenpictogrammen.

 

§ 3.

De opslag van KGA gebeurt in een vloeistofdichte gecompartimenteerde container (KGA-kluis) of in een gesloten opslaglokaal, overeenkomstig het goedgekeurde werkplan.

 

§ 4.

Als er wordt vastgesteld dat een recipiënt met KGA lekt, wordt het recipiënt of de inhoud ervan onmiddellijk overgebracht in een ander gepast recipiënt en worden de gelekte vloeistoffen opgeruimd. In de inrichting zijn daartoe voldoende reserverecipinten en absorptiemateriaal aanwezig. Lege verontreinigde recipiënten en verontreinigd absorptiemateriaal wordt afgevoerd met het KGA.


Subafdeling 5.2.2.3.
Opslag en compostering van groenafval, GFT-afval en organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen


Gemeenschappelijke bepalingen.

Art. 5.2.2.3.1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de subrubrieken 2.2.3, a), b) en c) van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.3.2. In afwijking van de algemeen geldende bepalingen voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug, groenscherm noch afvalstoffenregister vereist voor inrichtingen ingedeeld in klasse 3.

Art. 5.2.2.3.3. Buiten de openingsuren dient de composteerinstallatie te zijn afgesloten voor onbevoegden. [...]

Art. 5.2.2.3.4.

De exploitant houdt een compostdagboek bij met vermelding van gegevens inzake temperatuurmetingen, data van het omzetten en afoogsten.


Art. 5.2.2.3.5.

§ 1.

De bedrijfsvoering van de aerobe compostering moet zo zijn dat :

in de composthopen een aerobe gelijkmatige compostering verzekerd wordt;
de composteringstijd zo is dat het proces optimaal verloopt teneinde een bruikbaar eindproduct te bekomen.

 

 

§ 2.

De inrichting voor aerobe compostering beschikt over een spreidplaats om de volledige compostering te verzekeren. Bij het opzetten van de composthopen wordt het te composteren materiaal voldoende bevochtigd om een goed composteringsproces te verzekeren. Tijdens het composteringsproces wordt het substraat regelmatig gekeerd zodat de aerobe omstandigheden in de hopen steeds gehandhaafd blijven. De uitrusting voor het beluchten of het keren moet aanwezig zijn.

 

§ 3.

Tussentijdse opslag van compost dient stofvrij te gebeuren en in hopen van maximum 4 meter hoogte.

 

§ 4.

Composteerinstallaties met een composteerruimte groter dan 10 m; dienen voorzien te zijn van een vloeistofdichte vloer, die is uitgerust met een afwateringssysteem. Het afvloeiwater wordt opgevangen, indien nodig behandeld, en opgeslagen met het oog op het gebruik ervan voor het bevochtigen van de te composteren afvalstoffen.


Inrichtingen voor het composteren van uitsluitend groenafval.

Art. 5.2.2.3.6.

In de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, a) mogen uitsluitend composteerbare afvalstoffen afkomstig van het onderhoud van tuinen en plantsoenen worden aanvaard.


Inrichtingen voor het composteren van groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval).

Art. 5.2.2.3.7.

In de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, b) mag uitsluitend het volgende groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) worden aanvaard :

in de composteerinstallaties bedoeld in de subrubriek 2.2.3, b), 1° : GFT-afval van huishoudelijke oorsprong verbonden aan een wooncomplex en/of wijk;
in de composteerinstallaties bedoeld in de subrubriek 2.2.3, b), 2° : GFT-afval van huishoudelijke oorsprong verbonden aan een woonwijk; de gebiedsafbakening rond de composteerinstallatie gebeurt in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op basis van de capaciteit van de composteerinstallatie en het aantal inwoners dat onvoldoende mogelijkheden heeft tot thuiscomposteren; de exploitant registreert de producenten van de aangeboden afvalstoffen;
in de composteerinstallaties vermeld in de subrubriek 2.2.3, b), 3° : het GFT-afval omschreven in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

Art. 5.2.2.3.8.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mag de compost die door een composteerinstallatie, ingedeeld in klasse 3, wordt geproduceerd uitsluitend :

worden geleverd aan diegenen die GFT-afval hebben aangeleverd en/of
worden gebruikt als bodemverbeterend middel in openbare groenvoorzieningen in de gemeente waar de inrichting wordt geëxploiteerd.

Inrichtingen voor het composteren van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen.

Art. 5.2.2.3.9.

In de composteerinstallaties, vermeld in de subrubriek 2.2.3, c), mogen uitsluitend organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen worden aanvaard als omschreven in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Subafdeling 5.2.2.3bis.
Opslag en voorbehandeling van maaisel in afwachting van een nuttige toepassing


Art. 5.2.2.3bis.1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, d) van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.3bis.2. In afwijking van de algemeen geldende bepalingen voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug, groenscherm noch afvalstoffenregister vereist voor inrichtingen ingedeeld in klasse 3.

Art. 5.2.2.3bis.3. In de inrichting mag uitsluitend maaisel afkomstig van het beheer van bermen en natuurgebieden worden aanvaard.

Art. 5.2.2.3bis.4. De bedrijfsvoering op het terrein moet zo zijn dat :

de opslag en voorbehandeling gecontroleerd gebeuren waarbij de biologische processen worden stilgelegd of op zijn minst dermate beperkt dat elke vorm van geurhinder of bodemverontreiniging uitgesloten is;

de voorbehandeling is afgestemd op de uiteindelijke verwerking.

 


Art. 5.2.2.3bis.5. [...]

Art. 5.2.2.3bis.6. [...]

Subafdeling 5.2.2.3ter.
Opslag en biologische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen


Art. 5.2.2.3ter.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de rubrieken 2.2.3, e), 2.2.3, f), 2.3.3,a) en 2.3.7,d) van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.3ter.2. De exploitant zorgt ervoor dat open bekkens maximaal gevuld worden tot het niveau waarbij er geen gevaar is dat de bekkens overlopen.

Art. 5.2.2.3ter.3.

De aanvoerdarm voor vloeibare organisch-biologische afvalstoffen vanuit de betreffende vrachtwagen beschikt over een vloeistofdichte snelkoppeling die past op de gesloten opslagvoorziening of een gelijkwaardig alternatief. Ter hoogte van de koppelingen wordt ook in lekbakken voorzien die de organisch-biologische afvalstoffen alsnog kunnen opvangen. De vrachtwagen staat tijdens het lossen op een verharde vloer, voldoende dicht zodat de bodem en het grond- en of oppervlaktewater niet verontreinigd kunnen worden. Alle run-off van die verharding wordt opgevangen.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juli 2017.


Subafdeling 5.2.2.4.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van bepaalde ongevaarlijke vaste afvalstoffen


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.4.1.

§ 1

In de inrichting voor het opslaan en behandelen van ongevaarlijke afvalstoffen kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, de volgende vaste afvalstoffen worden verwerkt:

 

selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen bestaande uit papier-, hout-, karton-, textiel-, plastiek-, metaal-,glas- en rubberafval.
de bedrijfsafvalstoffen die omwille van de herkomst, de aard en de samenstelling vergelijkbaar zijn met de in 1° vermelde huishoudelijke afvalstoffen;
inerte afvalstoffen:
a) reststoffen afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken, met uitzondering van asfalt, hout, plastiek, andere kunststoffen aangewend in de bouwsector en afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten;
b) reststoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of kwartair tijdperk behoren (zand-, klei-, leem-, mergel- en grindafzettingen);
inerte afvalstoffen verontreinigd met asfalt, hout, plastiek en andere kunsstoffen aangewend in de bouwsector, met uitzondering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten.
bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;

 

§ 2

Volgende afvalstoffen mogen in geen geval in de inrichting worden aanvaard:

gevaarlijke afvalstoffen met inbegrip van KGA, uitgezonderd, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;
groente-, fruit- en tuinafval en afval van dierlijke oorsprong;
niet selectief ingezameld huisvuil;

 

§ 3

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 4

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bepaald welke behandelingen zoals sorteren, opslaan, overslaan, breken en persen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.


De uitbating.

Art. 5.2.2.4.2.

§ 1

Het behandelen gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

 

§ 2

De opslag van de gesorteerde materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze op daartoe aangewezen vloeren of in containers, voor zover dit geen aanleiding geeft tot hinder en overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Niet nuttig toepasbare afvalstoffen mogen buiten de sorteervloer enkel in containers worden opgeslagen. De opslag van de afvalstoffen, al dan niet in containers, gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

 

§ 3

In afwijking van § 1 en § 2 gebeurt het opslaan en behandelen van inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt op een verharde niet-vloeistofdichte bodem, zonder dat die moet uitgerust zijn met een vloeistofdichte verharding.

 

§ 4

Om stof en lawaai te beperken kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, al dan niet ter aanvulling van het groenscherm, de aanleg van een aarden wal worden opgelegd.

 

§ 5

De exploitant treft de nodige maatregelen om lange opslagtijden en grote opslaghoeveelheden te vermijden. Afvalstoffen die niet voor nuttige toepassing in aanmerking komen en de gesorteerde materialen worden regelmatig afgevoerd. Afvalstoffen die aanleiding geven tot hinder voor de omgeving worden onmiddellijk afgevoerd.

 

§ 6

De verwerking van voertuigbanden moet zo gebeuren dat de banden worden gesorteerd naar de volgende categorieën:

die welke in aanmerking komen voor rechtstreeks hergebruik als tweedehands;
die welke in aanmerking komen voor loopvlakvernieuwing;
die welke noch in aanmerking komen voor rechtstreeks hergebruik als tweedehands, noch voor loopvlakvernieuwing.

 

§ 7

Op bouw- en sloopafval waarin via visuele keuring vastgesteld wordt dat asbestcement aanwezig is, worden er in geen geval breekactiviteiten uitgevoerd.


Art. 5.2.2.4.3. Het ingezamelde asbestcementafval of andere asbesthoudende afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, dient gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval te worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen.

Subafdeling 5.2.2.4bis.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen, afkomstig van één specifiek bouw- en sloopwerf of wegenwerk, waarbij minstens 50% van de stoffen na behandeling nuttig worden aangewend op de plaats van ontstaan, waarbij de inrichting niet langer dan één jaar in exploitatie zal zijn en waarbij de inrichting zich op maximaal 1.000 m van het wegenwerk bevindt of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf


Art. 5.2.2.4bis.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.2.2, h), van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.4bis.2.

In de inrichting worden alleen afvalstoffen aanvaard, opgeslagen en behandeld, afkomstig van de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk dat expliciet in het meldingsdossier is vermeld en geïdentificeerd. De opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen en gerecycleerde granulaten is beperkt tot de hoeveelheden, vermeld in het meldingsformulier.

 

In de inrichting worden alleen de volgende soorten afvalstoffen opgeslagen en behandeld:

inerte afvalstoffen die bestaan uit de steenachtige fractie van bouw- en sloopafval, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken; 
niet-teerhoudend asfalt, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken.

 

De volgende afvalstoffen mogen niet verwerkt worden in de inrichting:

teerhoudend asfalt;
bouw- en sloopafval dat asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, bevat;
bouw- en sloopafval dat vrije asbestvezels of asbeststof bevat;
andere gevaarlijke afvalstoffen;
andere niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet vermeld in het tweede lid van dit artikel. 

 

 


Art. 5.2.2.4bis.3.

De op de inrichting toegelaten handelingen zijn beperkt tot:

de opslag;
het sorteren en voorbereidende mechanische behandeling, zoals crushen met het oog op het breken;
het breken; 
het zeven. 

 


Art. 5.2.2.4bis.4. De inrichting ligt op een afstand van maximaal 1.000 m van het wegenwerk, gemeten vanaf de perceelsgrenzen of de afgebakende werfzone van het wegenwerk, of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf.

Art. 5.2.2.4bis.5.

De opslag van te breken puin en gerecycleerde granulaten is beperkt tot maximaal één jaar na de datum van de melding.

 

De verwerking van de afvalstoffen is beperkt tot maximaal zestig werkdagen binnen de periode van één jaar, vermeld in het eerste lid.

 

De termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen niet verlengd worden.


Art. 5.2.2.4bis.6. De aanvoer en de verwerking van afvalstoffen, alsook de afvoer van gerecycleerde granulaten en restfracties, zijn verboden op weekdagen tussen 19 uur en 7 uur, en op zaterdagen, zondagen en feestdagen.

Art. 5.2.2.4bis.7. De inrichting wordt gedurende de volledige periode van exploitatie voorzien van een vaste of tijdelijke afsluiting die de toegang voor rollend materieel onmogelijk maakt. Ook de toegangsweg wordt voorzien van een afsluitmogelijkheid.

Art. 5.2.2.4bis.8.

Aan de toegangsweg wordt op een vanaf de openbare weg goed zichtbare plaats een uithangbord geplaatst waarop duidelijk leesbaar de volgende vermeldingen zijn opgenomen:

“toegang verboden voor onbevoegden”;
de aard van de inrichting;
de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
de normale openingsuren; 
de datum van aanvang en beëindiging van de activiteiten;
het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid; 
bij brand of onheil: het telefoonnummer van de brandweer. 

 


Art. 5.2.2.4bis.9.

Voor de inrichtingen bedoeld in deze subafdeling zijn de bepalingen van afdeling 4.5.5 van toepassing. Overdag wordt in afwijking van deze subafdeling het specifieke geluid in openlucht van de inrichting tijdens het mechanisch behandelen op de in artikel 1, §3 en §4, van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten zodanig beperkt dat de richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit, verhoogd met 20 dB(A), niet wordt overschreden. Deze bepaling is niet van toepassing ter hoogte van stiltebehoevende instellingen, waarvoor afdeling 4.5.5 blijft gelden.


Art. 5.2.2.4bis.10.

§ 1.

Voor de aanvang van de mechanische behandeling van de afvalstoffen bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de overheid waarbij de melding is ingediend, en aan de bevoegde toezichthoudende overheid:

de datum van aanvang en de duur van de periode dat de afvalstoffen mechanisch behandeld zullen worden;
de afstand van de inrichting tot de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk;
de identificatiegegevens van de puinbreker, zoals vastgesteld in het kader van het Geografisch Informatiesysteem (GIS);
een afschrift van het certificaat van de puinbreker die ingezet zal worden, afgeleverd door een geaccrediteerde keuringsinstelling in het kader van het VLAREA;
een beschrijving van de bronsterkte (LW) van de puinbreker in dB(A);
de afstand van de puinbreker tot de dichtstbijzijnde woning en stiltebehoevende instelling. 

 

 

§ 2.

Het register dat de exploitant met toepassing van de afvalstoffenregelgeving bijhoudt, bevat daarnaast de volgende gegevens:

op elk ogenblik: de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen te behandelen afvalstoffen; 
op elk ogenblik: de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen gerecycleerde granulaten;
de tijdstippen (dagen en uren) waarop er afvalstoffen mechanisch worden behandeld. 

 

 

§ 3.

Inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt worden opgeslagen en behandeld op een vlakke verharde bodem, zonder dat uitrusting met een vloeistofdichte verharding noodzakelijk is. De afvalstoffen en gerecycleerde granulaten worden gestapeld op een veilige manier, zonder risico voor de omgeving.

 

§ 4.

De exploitant treft de nodige maatregelen zodat afvalstoffen die niet nuttig worden aangewend binnen de bouw- en sloopwerf of het wegenwerk waarbij de inrichting hoort, regelmatig worden afgevoerd.

 

§ 5.

De inrichting beschikt over een geijkte weeginstallatie met automatische registratie.

 

§ 6.

Tijdens de periodes van aan- en afvoer en tijdens de mechanische behandeling is altijd een verantwoordelijke persoon aanwezig met voldoende vakbekwaamheid en kennis van de na te leven voorwaarden en de te nemen maatregelen. De exploitant deelt de naam van die persoon schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

 

§ 7.

De exploitant treft alle nodige maatregelen om stofhinder te voorkomen en te beperken.

 

Er wordt zo nodig gebruik gemaakt van een sproei-installatie of sproeiwagen om de opgeslagen en te breken afvalstoffen en gerecycleerde granulaten, alsook de stofgevoelige delen van het terrein, vochtig te houden, zowel tijdens de opslagfase als tijdens het breken.

 

Bij het transport van bouw- en sloopafval en van afval van wegenwerken naar de inrichting en bij afvoer van gerecycleerde granulaten worden de nodige voorzieningen, zoals afdekken of bevochtigen, getroffen om ladingverlies en stofverspreiding tegen te gaan.

 

§ 8.

De machines worden zo opgesteld dat trillingen naar de omgeving worden voorkomen.

 

§ 9.

De puinbreker is uitgerust met een webgebaseerd informatiesysteem dat gelinkt is aan een gps-systeem. Het informatiesysteem is operationeel telkens als de puinbreker in werking is.

 

Het webgebaseerde informatiesysteem, vermeld in het eerste lid, laat de certificatie-instelling en de toezichthouder toe om de locatie van de productie-installatie te visualiseren, de operationaliteit te volgen en de productieperiode na te gaan. Die gegevens worden bijgehouden en opgelijst in een centrale databank die online beschikbaar is voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.

 

§ 10.

Binnen dertig dagen na het beëindigen van de activiteiten en binnen de periode van één jaar exploitatie, vermeld in artikel 5.2.2.4bis.5, §1, wordt het terrein volledig schoongemaakt.


Subafdeling 5.2.2.5.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, niet elders vermeld


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.5.1.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen kunnen gevaarlijke huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden verwerkt.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bepaald welke behandelingen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.


De uitbating.

Art. 5.2.2.5.2.

§ 1.

Voor afval van brandbare vloeistoffen gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.6 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling. Voor afvalstoffen met gevaarlijke eigenschappen zoals vermeld in verordening (EU) 1357/2014 van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.17 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling.

 

§ 2.

De opslag van gevaarlijke afvalstoffen dient te gebeuren in een gecompartimenteerde opslagplaats eventueel aangevuld met vaste houders of tanks voor vloeibare afvalstoffen. De afvalstoffen mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde compartimenten, houders of tanks overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Verborgen leidingen en/of verbindingskanalen tussen tanks of houders zijn verboden.

 

§ 3.

De behandelings- en opslagruimten voor vloeibare afvalstoffen zijn zo geconstrueerd dat accidenteel uit de recipiënten ontsnapte vloeistoffen en morsvloeistoffen worden opgevangen in een inkuiping. Dubbelwandige houders, uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem, hoeven niet in of boven een inkuiping geplaatst te worden. De bevloering, opvanggoten, opvangputten en inkuiping zijn ondoordringbaar en chemisch inert voor de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen. De inkuiping kan de vloeistofmassa die bij lekkage kan vrijkomen, weerstaan. Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moet de inhoud van de opvangputten of de inkuiping minstens gelijk zijn aan de hoeveelheid vloeistoffen die in het betreffende compartiment worden opgeslagen.

 

§ 4.

Afvalstoffen met buitengewone risico's, inzonderheid samengeperste gassen en voor zelfontbranding vatbare stoffen, worden opgeslagen in een afzonderlijk gebouw, ruimtelijk gescheiden van de andere gebouwen, opslagruimten en installaties. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen minimumafstanden met betrekking tot de ruimtelijke scheiding worden opgelegd. Containers, vaten, tanks en recipiënten waarin afvalstoffen worden opgeslagen die wegens hun aard en eigenschappen ruimtelijk gescheiden opgeslagen moeten worden, mogen niet in éénzelfde inkuiping worden geplaatst.

 

§ 5.

De containers, houders, tanks en andere recipiënten:

dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijbehorende gevarenpictogrammen;
zijn zo geconstrueerd en geplaatst dat een vlotte en representatieve monstername van de inhoud mogelijk is;
worden dermate beveiligd dat ongevallen en lekken tijdens het overpompen van de afvalstoffen maximaal worden vermeden.

 

§ 6.

In de inrichting zijn de nodige interventiemiddelen, zoals absorptiemateriaal, overmaatse vaten en beschermingsmiddelen aanwezig om bij lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.

 

§ 7.

De exploitant beschikt over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie die het afvalwater zuivert om in alle omstandigheden te voldoen aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

 

§ 8.

Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.5.3/1, § 1 en § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen moet niet-herbruikbare afgedankte elektrische of elektronische apparatuur op de volgende wijze verwerkt worden :

de apparaten worden ontdaan van de verschillende schadelijke onderdelen, inzonderheid die welke gevaarlijke stoffen of componenten bevatten;
a) uit gescheiden ingezamelde afgedankte elektrische of elektronische apparatuur moeten ten minstens de volgende stoffen, mengsels en onderdelen worden afgezonderd:
    1) condensatoren:
      aa) PCB/PCT-houdende condensatoren en andere PCB-bevattende componenten;
      ab) elektrolytische condensatoren die tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen bevatten (hoogte > 25 mm, diameter > 25 mm, of met een naar verhouding vergelijkbaar volume);
    2) onderdelen die kwik bevatten;
    3) alle batterijen en accumulatoren;
    4) printplaten:
      aa) printplaten van mobiele telefoons;
      ab) printplaten van andere apparaten als de oppervlakte van de printplaat meer dan 10 cm_ bedraagt;
    5) alle tonercassettes en inkthoudende recipiënten (al of niet leeg, droge, pasteuze of vloeibare inkt) en inktlinten;
    6) kunststoffen die gebromeerde brandvertragers bevatten;
    7) asbesthoudende onderdelen;
    8) beeldschermen:
      aa) beeldbuizen: kathodestraalbuizen;
      ab) lcd-schermen (in voorkomend geval met toebehoren) met een oppervlak van meer dan 100 cm² en schermen met een achtergrondverlichting met behulp van gasontladingslampen;
    9) chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK’s en HCFK’s) of fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), koolwaterstoffen (HC’s);
    10) gasontladingslampen;
    11) uitwendige elektrische kabels;
    12) onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten;
    13) alle onderdelen die radioactieve stoffen bevatten;
    14) alle vloeistoffen;
  b) de volgende onderdelen worden als volgt behandeld :
    1) beeldbuizen : de fluorescerende laag wordt afgezonderd;
    2) gasontladingslampen : het kwik wordt afgezonderd.

 

§ 9.

De gassen uit apparatuur die de ozonlaag aantasten of een aardopwarmingspotentieel hebben van meer dan 15 GWP, zoals in isolatieschuim en koelcircuits, worden adequaat verwijderd en behandeld. Gassen die de ozonlaag aantasten, worden behandeld overeenkomstig verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen.


Het isolatiemateriaal dat ozonlaagafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevat, wordt met een gesloten ontgassingssysteem ontdaan van die stoffen in een daarvoor vergunde inrichting.

 

De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit stationaire koelinstallaties mag alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie.

 

Het derde lid is niet van toepassing voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de terugwinning. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de overeenkomstige categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het derde lid is niet van toepassing voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen op een persoon die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.

 

Het derde lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.

 

Het derde lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.

 

§ 9bis.

De selectieve behandeling, vermeld in paragraaf 8 en 9, van materialen en onderdelen van afgedankte EEA wordt, rekening houdend met milieuoverwegingen en de wenselijkheid van voorbereiding voor hergebruik en recyclage, zo toegepast dat het op milieuverantwoorde wijze voorbereiden voor hergebruik en recycleren van onderdelen van complete apparaten niet bemoeilijkt wordt.

 

§ 10.

De opslag, met inbegrip van de tijdelijke opslag, de behandeling en de verwerking van afgedankte batterijen en accu's vindt plaats op overdekte locaties met vloeistofdichte vloer of in weersbestendig afgedekte en zuurbestendige containers. De verwerking van afgedankte batterijen en accu's omvat minimaal het wegnemen van alle vloeistoffen en zuren.


Art. 5.2.2.5.3.

§ 1.

De exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde beheerst voldoende scheikunde en heeft voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de chemische stoffen die mogen worden aanvaard en van de bijhorende veiligheidsvoorschriften . De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthouder.

 

§ 2.

De gevaarlijke afvalstoffen worden bij aanvoer door de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde opgeslagen en behandeld op een wijze dat risico's maximaal worden vermeden.

 

§ 3.

De gevaarlijke afvalstoffen worden onderverdeeld en samengebracht volgens de chemische samenstelling, aard of eigenschappen.

 

§ 4.

De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen die met elkaar kunnen reageren tot ongecontroleerde reacties leiden of tot de vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen of dampen.

 

§ 5.

Als er wordt vastgesteld dat een recipiënt met gevaarlijk afval lekt, wordt het recipiënt of de inhoud ervan onmiddellijk overgebracht in een ander gepast recipint en worden de gelekte vloeistoffen opgeruimd.

 

§ 6.

De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag worden regelmatig, en tenminste na elke calamiteit, geledigd. De bekomen afvalstroom wordt op een aangepaste manier verwerkt.

 

§ 7.

Lege verontreinigde recipiënten en verontreinigd absorptiemateriaal worden opgeslagen en behandeld volgens de aard van de stoffen waarmee ze verontreinigd zijn. Niet herbruikbare recipinten krijgen een aangepaste verwerkingswijze.


Subafdeling 5.2.2.6.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken


Art. 5.2.2.6.1. [...]

De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.6.2.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, gedepollueerde en niet-gedepollueerde voertuigwrakken en onderdelen ervan worden opgeslagen en behandeld en volgende afvalstoffen afkomstig van behandeling van de voertuigwrakken tijdelijk worden opgeslagen:

 

- vloeistoffen, inzonderheid koelmiddelen voor airconditioning, remvloeistof, motor-, transmissie- en aandrijfolie, hydraulische olie, brandstoffen, koelvloeistof, ruitensproeier-vloeistof;
- metalen onderdelen;
- motoroliefilters;
- gastanks;
- loodstartbatterijen;
- pyrotechnische delen van airbags/gordels;
- katalysatoren;
- voertuigbanden;
- glas;
- grote kunststofonderdelen, zoals bumpers, instrumentenborden en vloeistoftanks.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, onder meer volgende behandelingen gebeuren:

 

- het aftappen van vloeistoffen;
- het demonteren van onderdelen;
- het vernietigen, met inbegrip van het indrukken

 

§ 4.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke behandelingen kunnen gebeuren, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 5.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken, ingedeeld in klasse-2 of -3.

 

§ 6.

[...]


De uitbating.

Art. 5.2.2.6.3.

§ 1.

Overeenkomstig de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, worden de plaatsen op het terrein waar voor het milieu schadelijke vloeistoffen op de bodem kunnen lekken, uitgerust met een vloeistofdichte vloer. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is deze vloeistofdichte vloer uitgerust met een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput, zodat gelekte vloeistoffen noch de bodem, noch het grond- of oppervlaktewater kunnen verontreinigen. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. Deze bepalingen gelden inzonderheid voor volgende plaatsen:

de stelplaatsen voor lekkende voertuigwrakken;
de plaatsen waar niet-gedepollueerde voertuigwrakken worden opgeslagen of gedepollueerd;
de plaatsen waar gedepollueerde voertuigwrakken worden opgeslagen;
de opslagplaatsen voor batterijen en vloeistofhoudende recipiënten of onderdelen;
de plaatsen waar voertuigen of onderdelen worden gereinigd;
de plaatsen waar voertuigwrakken worden vernietigd, met inbegrip van indrukken;
andere plaatsen bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

Niet-gedepollueerde voertuigwrakken worden zo geplaatst dat nog aanwezige vloeistoffen niet uit het wrak kunnen lekken. Niet-gedepollueerde voertuigwrakken mogen niet worden gestapeld, behalve met gebruik van stapelrekken voor zover dit in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen.

 

§ 3.

Het stapelen van gedepolueerde voertuigwrakken, al dan niet met gebruik van stapelrekken, kan enkel gebeuren voor zover het in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen.


Art. 5.2.2.6.4.

§ 1.

De volgende activiteiten worden duidelijk van elkaar gescheiden in ruimten die specifiek daarvoor bestemd en ingericht zijn:

de inzameling van de voertuigwrakken;
de tijdelijke opslag van de niet-gedepollueerde voertuigwrakken;
de tijdelijke opslag van de gedepollueerde voertuigwrakken;
de opslag van vloeistoffen en andere materialen;
de opslag van onderdelen;
de opslag van afval;
de verwerking.

 

In afwijking van het eerste lid, 2° en 3°, mogen niet-gedepollueerde en gedepollueerde voertuigwrakken wel gezamenlijk worden opgeslagen als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

de inrichting beschikt niet over een shredderinstallatie;
elk gedepollueerd voertuigwrak wordt gemarkeerd met een duidelijk herkenbaar etiket dat zichtbaar is vanaf de begane grond.

 

Het verwerkingsproces is zo georganiseerd dat de stoffen die gevaarlijk zijn voor het milieu, zo snel mogelijk verwerkt worden.

 

§ 2.

De demontage en het vernietigen, met inbegrip van het indrukken, en elke andere behandeling van voertuigwrakken worden altijd voorafgegaan door een depollutie van het voertuigwrak. In afwijking van de depollutieplicht moeten werkplaatsen voor het nazicht, de herstelling en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) alvorens te demonteren, alleen de onderdelen depollueren die aanleiding kunnen geven tot lekkage van vloeistoffen, of die het vrijkomen van gevaarlijke stoffen of andere milieuschade kunnen veroorzaken.

 

De materialen en onderdelen van het wrak worden zodanig verwerkt dat de shredderresidu’s optimaal nuttig toegepast kunnen worden en geenszins als gevaarlijke afvalstof verwerkt of verwijderd worden.

 

De depollutie bestaat uit het verplicht ontdoen of gescheiden inzamelen van alle vloeistoffen, tenzij ze nodig zijn voor het hergebruik van de onderdelen in kwestie, en van polluerende of schadelijke bestanddelen in het voertuigwrak zodra het ingeleverd wordt, voorafgaand aan elke verdere behandeling, en meer bepaald:

aftappen en afzonderlijk opslaan van de vloeistoffen;
aftappen van de koelmiddelen voor airconditioning met een gesloten systeem;
leegmaken van de remvloeistoftank;
aftappen van de motorolie, transmissieolie en de aandrijfolie;
demonteren van de motoroliefilter;
leegmaken van de brandstoftank door gebruik te maken van rechtstreekse afzuiging in de tank of van een spatvrij leegloopsysteem;
aftappen van het differentieel en eventueel van het verdeeldrijfwerk;
aftappen van de olie van de stuurinrichting of stuurbekrachtiging;
aftappen van hydraulische oliën uit wielophangingssystemen;
10° aftappen van koelvloeistof;
11° aftappen van ruitensproeiervloeistof;
12° demonteren van eventuele gastanks;
13° demonteren van de loodstartbatterijen;
14° onschadelijk maken van pyrotechnische delen van airbags/gordels;
15° demonteren van katalysatoren en andere gevaarlijke onderdelen.
16° demonteren of gescheiden inzamelen van de onderdelen en materialen die gemerkt of herkenbaar gemaakt moeten worden overeenkomstig bijlage I bij het koninklijk besluit van 19 maart 2004 houdende productnormen voor voertuigen.

Het aftappen van de vloeistoffen gebeurt zo grondig mogelijk. Onderdelen die belangrijke hoeveelheden vloeistof bevatten, die moeilijk afgetapt kunnen worden en waarbij bij het demonteren vloeistof kan weglekken, worden zo veel mogelijk van het wrak gedemonteerd. Na het aftappen worden de aftappluggen weer aangebracht.

 

§ 3.

Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in § 2 worden lekkende voertuigwrakken onmiddellijk ontdaan van de betreffende nog aanwezige vloeistoffen.

 

§ 4.

De demontage of ontmanteling bestaat uit het ontdoen van het voertuigwrak van zo mogelijk nuttig toe te passen onderdelen, met inbegrip van vervangingsonderdelen met het oog op hergebruik.

 

Volgende materialen en onderdelen worden gedemonteerd en selectief ingezameld met het oog op recycling:

katalysatoren;
metalen onderdelen die koper, aluminium en magnesium bevatten, indien deze metalen na shredding niet zodanig worden gescheiden dat ze als materialen kunnen teruggewonnen worden;
banden en grote kunststofonderdelen zoals bumpers, instrumentenbord, vloeistoftanks, indien deze materialen na shredding niet zodanig worden gescheiden dat ze als materialen kunnen teruggewonnen worden;
glas, indien dit glas na shredding niet zo wordt gescheiden dat het als materiaal kan teruggewonnen worden.

De onderdelen van afgedankte voertuigen dienen als volgt verwerkt:

herbruikbare onderdelen worden hergebruikt, rekening houdend met de eisen inzake veiligheid; meer bepaald dient een eventueel verbod van de constructeur op het in de handel brengen van de veiligheidsonderdelen van het ingeleverde afgedankte voertuig te worden geëerbiedigd.
niet-herbruikbare onderdelen worden zoveel mogelijk nuttig toegepast waarbij, voorzover daartegen geen milieubezwaren bestaan de voorkeur wordt gegeven aan recycling.

 

§ 5.

Grote opslaghoeveelheden en lange opslagtijden worden vermeden. Daartoe worden alle opgeslagen materialen, voor herbruik gedemonteerde wisselstukken uitgezonderd, regelmatig afgevoerd.

 

§ 6.

De opslaghandelingen worden zodanig verricht dat schade aan onderdelen die vloeistoffen bevatten of aan onderdelen voor nuttige toepassing en reserveonderdelen voorkomen wordt.


Art. 5.2.2.6.5.

§ 1.

De uit de wrakken verwijderde vloeistoffen worden bewaard in de daarvoor bestemde gesloten vaten of tanks overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Ieder vat of tank draagt een duidelijk leesbare vermelding van de inhoud en de overeenstemmende gevarenpictogrammen. Vaten met vloeistoffen worden geplaatst op een overdekte vloeistofdichte vloer uitgerust met een opvangsysteem voor lekvloeistoffen. De verschillende soorten oliën en vloeistoffen worden apart gehouden en mogen in geen geval worden gemengd.

 

§ 2.

De batterijen en accu's worden opgeslagen in weerbestendig afgedekte en zuurbestendige containers.

 

§ 3.

In de inrichting is voldoende absorptiemateriaal aanwezig. Verontreinigd absorptiemateriaal wordt afgevoerd naar een daartoe geschikte inrichting.


Subafdeling 5.2.2.7.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van schroot


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.7.1.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van schroot kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, volgende afvalstoffen worden aanvaard:

- ferro- en non-ferroschroot;

 

§ 2.

Schroot in de vorm van recipiënten zoals vaten, tanks of buisvormige structuren die gevaarlijke stoffen hebben bevat of ermee verontreinigd zijn, kan maar op de inrichting worden aanvaard voor zover de recipiënten :


ofwel leeg zijn en gereinigd werden;

ofwel leeg zijn en maximaal een dunne laag verf en/of inkt bevatten die een stevige en hechtende bekleding vormt.

 

 

§ 3.

Wit schroot of afgedankte consumptiegoederen die gassen of vloeistoffen bevatten kunnen slechts worden behandeld indien het in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen bijkomende voorwaarden worden opgelegd naargelang de aard van de behandelingen die op de afvalstoffen mogen gebeuren.

 

§ 4.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen worden aanvaard, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 5.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke behandelingen kunnen gebeuren, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 6.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van schroot, ingedeeld in klasse 3.


De uitbating.

Art. 5.2.2.7.2.

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden ferro- en nonferroschroot opgeslagen op een vloeistofdichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput of in vloeistofdichte containers overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden.

 

§ 2.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gebeuren de behandelingen op een vloeistofdichte vloer met een afwateringssysteem.

 

§ 3.

De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen. Grote opslaghoeveelheden en lange opslagtijden worden vermeden. Daartoe worden alle opgeslagen materialen regelmatig afgevoerd.


Subafdeling 5.2.2.8.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.8.1.

§ 1.

In de inrichting voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie mogen uitsluitend die soorten afgewerkte olie worden aanvaard die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn vermeld. Indien in de vergunning geen soorten zijn vermeld is de vergunning beperkt tot de soorten vermeld in de aanvraag.

 

§ 2.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bepaald welke behandelingen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie.


De uitbating.

Art. 5.2.2.8.2.

§ 1.

De opslag van afgewerkte olie moet voldoen aan de voorwaarden voor het opslaan van brandbare vloeistoffen opgenomen in afdeling 5.6.2.

 

§ 2.

De exploitant van een inrichting voor het opslaan of behandelen van afgewerkte olie moet over voldoende technische middelen beschikken om afgewerkte olie op te slaan of te behandelen, zonder verontreiniging van het milieu te veroorzaken. De exploitant van een inrichting voor het behandelen van afgewerkte olie moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie die het bij het behandelen vrijkomende afvalwater zuivert om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

 

§ 3.

De opslagtanks en houders voor afgewerkte olie zijn zo geconstrueerd en geplaatst dat een vlotte en representatieve monstername van de inhoud mogelijk is.

 

§ 4.

Het is verboden in de voor afgewerkte olie vergunde opslagtanks of houders andere stoffen te bewaren.

 

§ 5.

Het is verboden aan afgewerkte olie, water, oplosmiddelen of enig andere stof toe te voegen.

 

§ 6.

De residu's die tijdens de opslag van afgewerkte olie ontstaan, worden afgegeven aan een geschikte verwerkingsinrichting.


Art. 5.2.2.8.3. [...]

Art. 5.2.2.8.4. [...]

Art. 5.2.2.8.5. [...]

Art. 5.2.2.8.6.

§ 1.

De exploitant van een vergunde opslagplaats voor afgewerkte olie stelt een bankgarantie ten gunste van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 2.

Het bedrag van de bankgarantie wordt vastgesteld op 49,58 euro per kubieke meter vergunde opslagcapaciteit. Het bewijs van de gegeven bankgarantie wordt binnen de dertig dagen na betekening van de vergunning overgelegd aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij alsmede aan de toezichthouder.

 

§ 3.

De bankgarantie kan mits akkoord van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gelicht worden wanneer overeenkomstig de bepalingen van dit reglement en de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit alle afgewerkte olie uit de inrichting is verwijderd en de exploitant geen nieuwe afgewerkte olie meer aanvoert in de inrichting.

 

§ 4.

De toezichthouder bezorgt een schriftelijk verslag hieromtrent aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Deze kan desgevallend de bankgarantie aanwenden voor de ambtshalve verwerking van de afvalstoffen.

 

§ 5.

De bepalingen omtrent de bankgarantie gelden niet voor de opslag van afgewerkte olie die ontstaat bij garages, machineparken en herstel- of onderhoudswerkplaatsen, noch voor de opslag op containerparken, noch voor de opslag rechtstreeks verbonden aan inrichtingen voor de verbranding van afgewerkte olie.


Subafdeling 5.2.2.9.
Inrichtingen voor het reinigen van recipienten waarin stoffen werden opgeslagen of vervoerd


Art. 5.2.2.9.1. De volgende voorwaarden gelden voor de reinigingsactiviteit onverminderd de voorwaarden die gelden voor andere activiteiten zoals het uitblutsen, stralen en verven van metalen of andere materialen.

De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.9.2.

§ 1.

In de inrichting voor het reinigen van recipiënten kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, lege recipiënten worden gereinigd. Recipiënten zijn verpakkingen, containers, laadkisten voor vervoer, vaten, tanks, tankwagens, bulkwagens, spoorwagons en scheepsruimen, exclusief kratten en rolcontainers voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, huisvuilwagens en veegmachines.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke recipiënten kunnen worden gereinigd, is de vergunning beperkt tot de recipiënten die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activitei wordt bepaald welke behandelingen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activitei daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 4.

Voor het uitbranden van recipiënten gelden de voorwaarden die gelden voor het verbranden van afvalstoffen die overeenkomen met de stoffen die de recipiënten hebben bevat.

 

§ 5.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het reinigen van recipiënten waarin stoffen werden opgeslagen of vervoerd.


De uitbating.

Art. 5.2.2.9.3.

§ 1.

De constructie van de reinigingsinrichting is zodanig dat op geen enkele wijze afvalstoffen in het milieu kunnen terechtkomen. De vloeren van de reinigingsinrichting, de reinigingsbanen, de opvanggoten en de afvoerkanalen, zijn vloeistofdicht en chemisch inert ten overstaan van de afvalstoffen die ermee in contact kunnen komen. Elke verbinding tussen de eigenlijke reinigingsinrichting en een grondwaterlaag, een openbare riolering, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewaters is verboden.

 

§ 2.

De exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om de bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie dient te worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting. De hele afvalwaterbehandelingsinstallatie is vloeistofdicht en chemisch inert ten overstaan van de afvalstromen die erin behandeld worden. Behalve het lozingspunt van het effluent, mag er geen enkele verbinding bestaan tussen de afvalwaterbehandelingsinstallatie en een grondwaterlaag, een openbare riolering, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewaters.

 

§ 3.

De restladingen en de spoelwaters die niet kunnen worden behandeld in de afvalwaterbehandelingsinstallatie, en de afvalstoffen die ontstaan na de behandeling worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

 

§ 4.

De constructie van de opslagruimten van vloeibare afvalstoffen en de eigenlijke reinigingsruimten is zodanig dat wegstromende vloeistoffen en morsvloeistoffen worden opgevangen. De bevloering, opvanggoten en opvangputten zijn vloeistofdicht en chemisch inert ten overstaan van de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen.

 

§ 5.

De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen die met elkaar kunnen reageren tot ongecontroleerde reacties leiden of tot de vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen of dampen.

 

§ 6.

De containers of vaten waarin de afvalstoffen van de reinigingsactiviteiten worden opgeslagen:

  1. mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde opslagruimten op een oppervlak dat vloeistofdicht en chemisch inert is ten overstaan van de afvalstoffen die zich in deze containers of vaten bevinden;
  2. worden in een inkuiping geplaatst die vloeistofdicht en chemisch inert is ten overstaan van de afvalstoffen die zich in deze containers of vaten bevinden; de inhoud van deze inkuiping is zodanig dat deze al de erin opgeslagen vloeistoffen kan bevatten.
  3. dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijbehorende gevarenpictogrammen.

 

§ 7.

Bij het reinigen van recipiënten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35°C, bevat hebben, met uitzondering van vaten :

worden de recipiënten koud voorgespoeld;
wordt het spoelwater gesloten afgevoerd naar de afvoergoot, bijvoorbeeld door aan de uitstroomopening van de tank een afvoerslang te koppelen die uitmondt onder het waterniveau van de afvoergoten;
wordt het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen.

 

 

§ 8.

Bij het reinigen van vaten wordt, zowel bij het spoelen van de vaten met behulp van een organisch oplosmiddel of een zuur, als bij het spoelen van de vaten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C bevat hebben, met behulp van warm of heet water of loog:

de lucht afgezogen en behandeld met een gaswasser, een actiefkoolfilter, een naverbrander, een biofilter of een ander gelijkwaardig behandelingssysteem;
het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen. 

 

 

§ 9.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 8, vanaf 1 januari 2015.


Subafdeling 5.2.2.9bis.
Inrichtingen voor de verwerking van extern aangevoerd bedrijfsafvalwater en vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen


Art. 5.2.2.9bis.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de volgende activiteiten:

de voorbehandeling van extern aangevoerde vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen waarbij afvalwater ontstaat, en de zuivering van dat afvalwater;
de zuivering van extern aangevoerd bedrijfsafvalwater.

Art. 5.2.2.9bis.2. Voor geleide emissiepunten van procesonderdelen en handelingen die afgedekt en afgezogen worden, geldt er voor vluchtige organische stoffen met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C een emissiegrenswaarde voor de som van de organische stoffen van 20 mg/Nm³ in het geloosde afgas.

Subafdeling 5.2.2.10.
Inrichtingen voor het opslaan en verwerken van dierlijke bijproducten die worden beschouwd als afvalstoffen


Art. 5.2.2.10.1.

§ 1.

De inrichting omvat een rein en een onrein gedeelte, die gescheiden zijn om besmetting of herbesmetting van de eindproducten te voorkomen.

 

§ 2.

Het onreine gedeelte van het bedrijf omvat de ruimten voor het in ontvangst nemen van de dierlijke bijproducten, alle behandelingsruimten van het productieproces en de zuiveringsinstallaties voor afgassen en afvalwater.

 

§ 3.

Het reine gedeelte van het bedrijf omvat de opslag en behandelingsruimten voor de stoffen die een behandeling overeenkomstig bijlage IV van de verordening (EU) nr. 142/2011 hebben ondergaan.

 

§ 4.

De verwerking van de afvalstoffen gebeurt in een gesloten verwerkingsinstallatie.


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.10.2.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden de aangevoerde afvalstoffen uiterlijk binnen 24 uur na aanvoer verwerkt.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

[...]


De inrichting en infrastructuur.

Art. 5.2.2.10.3.

§ 1.

Op elke plaats van de inrichting waar ze ontstaan, worden geurbeladen afgassen afgezogen en naar een aangepaste afgasbehandelingsinstallatie gevoerd. De afgassen worden in elk geval afgezogen in de ontvangstruimte, de opslagruimte en boven de breek- of maalinstallatie.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Het afvalwater van de inrichting moet gemakkelijk kunnen wegvloeien naar geschikte opvangputten.

 

§ 4.

Het afvalwater wordt behandeld in een aangepaste afvalwaterbehandelingsinstallatie tot het beantwoordt aan de lozingsnormen en zonder geurhinder te veroorzaken.

 

§ 5.

Afvalwater dat afkomstig is uit de onreine zone moet C voor zover dat praktisch uitvoerbaar is C zo worden behandeld dat er geen ziekteverwekkers meer aanwezig zijn.


Art. 5.2.2.10.4.

De procedures, methodes en apparatuur voor monsterneming van de verwerkte producten dragen de goedkeuring van de toezichthoudende overheid. De praktische uitvoering van de monsternemingen wordt vooraf goedgekeurd door een daarvoor erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL, tenzij de monsternemingen door een ter zake erkende [...] laboratorium zelf worden uitgevoerd.


Art. 5.2.2.10.5. [...]

Art. 5.2.2.10.6. [...]

De verwerking.

Art. 5.2.2.10.7. [...]

Art. 5.2.2.10.8. [...]

Art. 5.2.2.10.9. [...]

Art. 5.2.2.10.10. [...]

Hygiëne-eisen voor de eindproducten.

Art. 5.2.2.10.11. [...]

Controle.

Art. 5.2.2.10.12. [...]

Art. 5.2.2.10.13. [...]

Verplichtingen voor de overheid.

Art. 5.2.2.10.14. [...]

Subafdeling 5.2.2.11.
Inrichtingen voor het behandelen van afvalstoffen in, of deel uitmakend van, een rioolwaterzuiveringsinstallatie


Art. 5.2.2.11.1. Deze subafdeling is van toepassing op inrichtingen voor de behandeling van afvalstoffen in, of deel uitmakend van, rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Art. 5.2.2.11.2.

§ 1.

In afwijking van artikel 5.2.1.2 is geen weegbrug vereist.

 

§ 2.

In afwijking van artikel 5.2.1.3 moet het werkplan enkel omvatten:

de organisatie van de aanvoer van de afvalstoffen;
de organisatie van de verwerking van de aangevoerde afvalstoffen;
de organisatie van de afvoer van de afvalstoffen;
de verwerkingswijze van de aangevoerde afvalstoffen indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is;
de maatregelen voor het opvangen van ongewenste neveneffecten en het voorkomen van de hinder.

 

§ 3.

In afwijking van artikel 5.2.1.5, § 1, moet geen uithangbord worden voorzien.


Subafdeling 5.2.2.12.
Thermische grondreinigingsinstallaties


Art. 5.2.2.12.1.

Deze subafdeling is van toepassing op die installaties, vermeld in rubriek 2.2.5 van de indelingslijst, die bestemd zijn voor het reinigen van uitgegraven bodem door middel van verhittingsprocessen.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze subafdeling, vanaf 1 januari 2015.


Art. 5.2.2.12.2.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

parameters

emissiegrenswaarden bij een zuurstofgehalte van 11%

 

daggemiddelde
 in mg/Nm3

halfuurwaarde
 in mg/Nm3

CO

50

100

totaal stofdeeltjes

10

30

gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof

10

20

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt in HCl

10

60

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt in HF

1

4

zwaveldioxide (SO2)

50

200

stikstofoxiden, uitgedrukt in NO2

200

400

kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg

0,03

0,05

 

gemiddelde over minimaal 6 uur en maximaal 8 uur in ng TEQ/Nm³

dioxinen en furanen

0,1

 

Met behoud van de toepassing van de andere bepalingen van hoofdstuk 4.4, wordt de concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, minstens met de onderstaande frequentie gemeten:

 

 

meetfrequentie

CO, zwaveldioxiden, stikstofoxiden

continu

dioxinen en furanen

tweemaal per jaar

de andere parameters

om de drie maanden

 

[...]


Subafdeling 5.2.2.13.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen met vochtige hitte en mechanische verkleining van infectieuze afvalstoffen met uitzondering van dierlijke bijproducten


Art. 5.2.2.13.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen die ingedeeld zijn in subrubriek 2.3.13 van de indelingslijst.

 

In de inrichtingen, vermeld in het eerste lid, mogen uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verwerkt:

 

infectieuze afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie als vermeld in artikel 1.2.1, §2, 74°/1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
infectieuze afvalstoffen afkomstig van GGO’s en pathogene organismen van inrichtingen die ingedeeld zijn onder de rubriek 51 van de indelingslijst, behalve wanneer ze behoren tot inperkingsniveau 3 of 4. Decontaminatie sluit de mogelijkheden waarin voorzien is voor ingeperkt gebruik niet uit.

 

De algemene voorwaarden, vermeld in artikel 5.2.1.2, § 2 en § 3, en artikel 5.2.1.5, zijn niet van toepassing op de inrichtingen die alleen afvalstoffen behandelen die afkomstig zijn van bedrijfseigen activiteiten.


Art. 5.2.2.13.2.

De decontaminatie-installatie wordt zodanig gebouwd, uitgerust en geëxploiteerd dat de afvalstoffen zo gelijkmatig en volledig mogelijk worden gedecontamineerd met behulp van vochtige hitte. Technieken die werken met droge hitte zijn niet toegestaan.


De voorwaarden voor temperatuur en druk zijn beschreven in bijlage 5.2.2.13.A en 5.2.2.13.B.

 

De werkingsdruk van het toestel is aangepast aan de werkingstemperatuur zodat altijd gegarandeerd is dat de opgewekte stoom verzadigd is. De decontaminatiefase start als de vooropgestelde temperatuur en druk bereikt zijn.


Alleen als alle bepalingen van de code van goede praktijk, vemeld in bijlage 5.2.2.13.C, nageleefd worden, kan er gesproken worden van een afdoende decontaminatie.


Art. 5.2.2.13.3.

De inrichting omvat een rein en een onrein deel, die op passende wijze zijn gescheiden om besmetting of herbesmetting van de eindproducten te voorkomen. Het onreine deel omvat de ruimte voor de opslag van de niet-behandelde afvalstoffen en de decontaminatieapparatuur. Het reine gedeelte omvat de opslag van de stoffen die de decontaminatiefase hebben ondergaan.


De aangevoerde infectieuze afvalstoffen worden zo spoedig mogelijk en minstens wekelijks verwerkt. De verwerkingsfrequentie wordt afgestemd op de opslagcapaciteit van de ruimte waar het afval wordt opgeslagen in afwachting van decontaminatie.


Gassen en dampen worden over een HEPA-filter geleid voor ze door de installatie worden uitgestoten.


De decontaminatie-installatie beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 5.2.2.13.C.


De monitoring van de decontaminatie-installatie beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 5.2.2.13.C.


De geregistreerde gegevens worden geklasseerd en gedurende twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.


De meetapparaten worden regelmatig geijkt door de instantie of persoon die verantwoordelijk is voor het onderhoud. In geval van abnormale werkingsomstandigheden worden voorzieningen getroffen overeenkomstig bijlage 5.2.2.13.C.


Art. 5.2.2.13.4.

De decontaminatie-installatie bevat een onderhoudsprogramma en een onderhoudsprotocol die minstens de onderhoudsbeurten van bijlage 5.2.2.13.C omvatten.


De decontaminatie-installatie wordt gedocumenteerd in een logboek dat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 5.2.2.13.C, omvat.


De procesparameters die zijn geregistreerd per decontaminatiecyclus en de resultaten van het onderhoudsprogramma worden gedurende minstens twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.2.2.13.5.

§ 1.

De installatie voldoet aan de volgende keuringen :

door een keuring bij ingebruikname toont de exploitant dat de installatie volgens de vooropgestelde procesparameters opereert, de registratieapparatuur correct gekalibreerd is en er een afdoende afdoding plaatsvindt van pathogene en/of genetisch gemodificeerde micro-organismen;
via een periodieke keuring toont de exploitant aan dat de installatie nog altijd in staat is om een afdoende afdoding van pathogene en/of genetisch gemodificeerde micro-organismen te verzekeren. Initieel wordt deze controle maandelijks uitgevoerd. Na een periode van twaalf maanden waarin alle maandelijkse keuringen een gunstig resultaat opleveren, wordt de keuring om de drie maanden uitgevoerd;
na gebeurtenissen die een invloed kunnen hebben op de goede werking van de installatie wordt met een uitzonderlijke keuring aangetoond dat de goede werking gegarandeerd blijft. Dat gebeurt in elk geval na een reparatie, na een defect en bij elke significante wijziging van het te verwerken afval.


Voor het testorganisme van biologische indicatoren worden sporen gebruikt van Bacillus subtilis, Geobacillus stearothermophilus of een ander organisme waarvan kan worden aangetoond dat het minstens een gelijke weerstand heeft tegen decontaminatie met vochtige stoom.

 

§ 2.

De rapporten van de prototypekeuring, de keuring bij ingebruikname en de protocollen voor periodieke en uitzonderlijke keuring worden gevalideerd door de technisch deskundige. De validaties worden aangevraagd door de exploitant van de installatie en worden op zijn kosten uitgevoerd.


Deze documenten en het validatiedocument worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

De rapporten van de periodieke en uitzonderlijke keuringen worden, samen met het logboek van onderhoud, reparaties en belading, in de inrichting gedurende twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.2.2.13.6. De risicohoudende medische afvalstoffen die een decontaminatiecyclus hebben doorlopen, worden pas vrijgegeven als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen als de geregistreerde procesparameters gecontroleerd zijn door de verantwoordelijke voor de decontaminatie. Daarvoor tekent hij een vrijgaveformulier dat op verzoek van de geregistreerde inzamelaar kan worden voorgelegd. Als de procesparameters of de resultaten van de biologische controle na het proces afwijken van de voorschriften, worden de afvalstoffen behandeld als risicohoudende medische afvalstoffen.

Art. 5.2.2.13.7.

Er worden preventieve maatregelen voor de werknemers getroffen overeenkomstig bijlage 5.2.2.13.C.


Afdeling 5.2.3.
Verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen


Subafdeling 5.2.3.1.
Algemeen geldende voorwaarden voor verbrandingsinrichtingen


Art. 5.2.3.1.1. [...]

Afwijking houtkachels.

Art. 5.2.3.1.2. [...]

Uitbating.

Art. 5.2.3.1.3. [...]

Rookgasemissies en schoorsteenhoogte.

Art. 5.2.3.1.4. [...]

Art. 5.2.3.1.5. [...]

Afvalwater.

Art. 5.2.3.1.6. [...]

Verwerking van verbrandingsresten.

Art. 5.2.3.1.7. [...]

Metingen.

Art. 5.2.3.1.8. [...]

Normoverschrijding en storingen.

Art. 5.2.3.1.9. [...]

Subafdeling 5.2.3.2.
Verbrandingsinrichtingen voor gevaarlijke afvalstoffen


De aanvaarding van de afvalstoffen.

Art. 5.2.3.2.1. [...]

Art. 5.2.3.2.2. [...]

De uitbating.

Art. 5.2.3.2.3. [...]

Art. 5.2.3.2.4. [...]

Art. 5.2.3.2.5. [...]

Art. 5.2.3.2.6. [...]

Subafdeling 5.2.3.3.
Verbrandingsinrichtingen voor huishoudelijke afvalstoffen


De aanvaarding van de afvalstoffen.

Art. 5.2.3.3.1. [...]

Art. 5.2.3.3.1bis. [...]

De uitbating.

Art. 5.2.3.3.2. [...]

Art. 5.2.3.3.3. [...]

Art. 5.2.3.3.4. [...]

Art. 5.2.3.3.5. [...]

Art. 5.2.3.3.6. [...]

Art. 5.2.3.3.7. [...]

Subafdeling 5.2.3.4.
Verbrandingsinrichtingen voor houtafval


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.3.4.1. [...]

Art. 5.2.3.4.2. [...]

De uitbating.

Art. 5.2.3.4.3. [...]

Art. 5.2.3.4.4. [...]

Art. 5.2.3.4.5. [...]

Subafdeling 5.2.3.5.
Verbrandingsinrichtingen voor als brandstof te gebruiken afgewerkte olie


Art. 5.2.3.5.1. [...]

De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.3.5.2. [...]

De uitbating.

Art. 5.2.3.5.3. [...]

Art. 5.2.3.5.4. [...]

Art. 5.2.3.5.5. [...]

Art. 5.2.3.5.6. [...]

Art. 5.2.3.5.7. [...]

Subafdeling 5.2.3.6.
Verbrandingsinrichtingen voor risicohoudend medisch afval en voor vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval


Art. 5.2.3.6.1. [...]

Art. 5.2.3.6.2. [...]

Afdeling 5.2.3bis.
Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen


Subafdeling 5.2.3bis.1.
Algemeen geldende voorwaarden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties


Art. 5.2.3bis.1.1.

Deze subafdeling is van toepassing op inrichtingen ingedeeld volgens volgende rubrieken:

2.3.4.1.b,c,e,f,g,h,j,k,l,m;
2.3.4.2.b,c,d,e,f,g;
2.3.5.

Art. 5.2.3bis.1.1bis.

§ 1.

Voor de toepassing van deze subafdeling omvatten afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties tevens alle verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, stoomketels, de voorzieningen voor het behandelen van afgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorstenen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandings- of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de verbrandings- of meeverbrandingsomstandigheden.

 

Als voor de thermische behandeling van afval gebruik wordt gemaakt van andere processen dan oxidatie, zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, omvat de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie zowel het proces voor thermische behandeling als het daaropvolgende verbrandingsproces.

 

§ 2.

Deze subafdeling is niet van toepassing op vergassings- en pyrolyse-installaties, voor zover de gassen die het resultaat zijn van de thermische behandeling van afvalstoffen dermate worden gezuiverd dat ze vóór de verbranding ervan qua aard en samenstelling steeds vergelijkbaar zijn met aardgas.

 

§ 3.

Als meeverbranding van afval op een zodanige manier plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten bestemd is, maar voor de thermische behandeling van afval, wordt de installatie beschouwd als een afvalverbrandingsinstallatie.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.2. De exploitant van de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie treft in samenhang met de aflevering en inontvangstneming van de afvalstoffen alle nodige voorzorgsmaatregelen om schadelijke gevolgen voor het milieu, in het bijzonder de verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en grondwater alsook andere negatieve milieueffecten, geuroverlast en geluidshinder, en directe risico’s voor de menselijke gezondheid te voorkomen of, zover als haalbaar is, te beperken.

Art. 5.2.3bis.1.3.

§ 1.

In een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatievoor afvalstoffenkunnen enkel die afvalstoffenworden verbrand of meeverbrand die uitdrukkelijk vermeld zijn in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffenmogen worden verbrand of meeverbrand, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffendie in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

De vergunning is beperkt tot de gegevens die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een verbrandingsinstallatie of een meeverbrandingsinstallatie voor gevaarlijke afvalstoffen geen gegevens zijn vermeld over:

de minimale en de maximale toevoer van de afvalstoffen;
de laagste en de hoogste calorische waarde van de afvalstoffen;
de maximumgehalten aan verontreinigende stoffen (PCB’s, PCP, chloor, fluor, zwavel en zware metalen) in de afvalstoffen.

Art. 5.2.3bis.1.4.

§ 1.

Vooraleer afvalstoffenbij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in ontvangst worden genomen, volgt de exploitantvan de installatie ten minste de volgende inontvangstnemingsprocedures:

controle van de vereiste documenten;
controle van de conformiteit van de aangevoerde afvalstoffenmet de schriftelijke gegevens. Indien relevant worden de afvalstoffendaartoe op een representatieve wijze bemonsterd en geanalyseerd, waarbij de te analyseren parameters zo worden bepaald dat een sluitende conformiteitscontrole is verzekerd. De daartoe genomen monsters worden tot ten minste één maand na de verbranding bewaard.

 

§ 2.

Vooraleer gevaarlijke afvalstoffen bij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie kunnen worden aanvaard, moet de exploitant daarenboven over een beschrijving van de afvalstoffenbeschikken waarin de volgende gegevens zijn vermeld:

de oorsprong en de herkomst van de afvalstof;
de fysische en chemische samenstelling van de afvalstoffen, alsmede alle benodigde gegevens voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het bedoelde verbrandingsproces, gebaseerd onder meer op analyse van de afvalstoffen;
de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstoffen, de stoffen waarmee ze niet mogen worden gemengd en de bij de behandeling van de afvalstof te treffen voorzorgsmaatregelen;
De aanvaarding gebeurt op basis van documenten die de voormelde gegevens bevatten.

Art. 5.2.3bis.1.5. De exploitant stelt de massa van elke afvalcategorie per vracht vast, en indien mogelijk de categorie overeenkomstig de afvalstoffenlijst, vermeld in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen voordat het afval bij de verbrandings- of meeverbrandings-installatie in ontvangst wordt genomen.

Art. 5.2.3bis.1.6. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen afwijkingen van artikel 5.2.3bis.1.4 en artikel 5.2.3bis.1.5 worden toegestaan voor industriële installaties en ondernemingen die uitsluitend de door henzelf geproduceerde afvalstoffen verbranden of meeverbranden op de plaats waar ze werden geproduceerd, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de voorschriften van deze afdeling.

[...].

Art. 5.2.3bis.1.7.

De terreinen van verbrandings- en meeverbrandings-installaties, met de bijbehorende terreinen voor de opslag van afval, worden zodanig ontworpen en geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen in bodem, oppervlaktewater en grondwater wordt voorkomen.

 

Er wordt voorzien in opvangcapaciteit voor het van het terrein van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wegvloeiend verontreinigd hemelwater en voor het verontreinigd water dat afkomstig is van overlopen of brandbestrijding. De opvangcapaciteit is zodanig dat dit water, alvorens het wordt geloosd, zo nodig kan worden onderzocht en behandeld.


Art. 5.2.3bis.1.8.

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden de afvalstoffenniet buiten de daartoe bestemde overdekte opslagruimte opgeslagen. De opslagruimte is dermate beveiligd dat ongevallen tijdens het afladen van de afvalstoffen worden vermeden.

 

§ 2.

Voor verbrandingsinstallaties waar afval in bulk wordt opgeslagen, is de grootte van de opslagruimte berekend op een hoeveelheid afvalstoffendie overeenkomt met ten minste achtenveertig bedrijfsuren van de installatie, om continu bedrijf te garanderen. Om stankontwikkeling en andere hinder te voorkomen worden te lange opslagtijden van het geheel of van een gedeelte van de afvalstoffenin de opslagruimte evenwel vermeden. Er wordt rekening gehouden met de bedrijfsvoering en de stilstanden voor herstelling en onderhoud.

 

De opslagruimte wordt in onderdruk gehouden ten opzichte van de omgeving. Hiertoe wordt de verbrandingslucht aangezogen uit de opslagruimte. Een goede verluchting van deze ruimte wordt verzekerd.

 

De wanden van de opslagruimte zijn zodanig uitgevoerd dat de afzetting van stof en afval voorkomen wordt. De opslagruimte is bovendien zo gebouwd dat ze volledig mechanisch kan geledigd worden. Ze is uitgerust met een afvoermogelijkheid voor water.

 

§ 3.

Voor verbrandingsinstallaties van huishoudelijke afvalstoffenis het aantal stortopeningen voldoende om ook gedurende de piekuren de aanvoer van afvalstoffenmogelijk te maken. Enkel de poorten, noodzakelijk voor de aanvoer van afvalstoffen, mogen geopend zijn.

 

§ 4.

Gevaarlijke afvalstoffenmoeten in afwachting van verbranding worden opgeslagen overeenkomstig subafdeling 5.2.2.5.


Art. 5.2.3bis.1.9.

§ 1.

De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatiewordt zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de afvalstoffen steeds zo gelijkmatig en volledig mogelijk worden verbrand en de emissieminimaal is. Indien nodig worden de afvalstoffen voorbehandeld en in geval van heterogene afvalstoffen worden ze zo goed mogelijk gemengd en homogeen gemaakt.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is voor verbrandings-installaties een continue uitbating verplicht, met uitzondering van de periodes voor nazicht of onderhoud en periodes van stilstand. De voeding van de oven gebeurt in de meest veilige omstandigheden. De vulopening wordt luchtdicht afgesloten als de oven niet gevuld wordt. De onderdruk in de oven is zodanig dat het ontsnappen van afgassen via de vulopening niet kan optreden, ook niet tijdens de vuloperaties. Het toevoermechanisme naar de installatie is zo opgevat dat een regelmatige voeding wordt gewaarborgd.


Art. 5.2.3bis.1.10. Risicohoudend medisch afval wordt in de voorgeschreven recipiënten rechtstreeks in de oven gebracht, dat wil zeggen zonder dat het eerst met afvalstoffen van andere categorieën wordt vermengd.

Art. 5.2.3bis.1.11.

§ 1.

De verbrandingsinstallaties worden zo geëxploiteerd dat een verbrandingsniveau wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organische koolstof (TOC) afkomstig van de ontbinding van organische stoffen in de ontijzerde slakken en de ontijzerde bodemas minder bedraagt dan 3 % of waarbij het gloeiverlies ten gevolge van de ontbinding van organische stoffen in de ontijzerde slakken en bodemas minder bedraagt dan 5% van het droge gewicht van het materiaal, conform het compendium voor monsterneming en analyse, zoals goedgekeurd bij ministerieel besluit.

 

§ 2.

De verbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas na de laatste toevoer van verbrandingslucht op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C gedurende ten minste twee seconden.

 

Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt verbrand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden verhit.

 

De temperatuur, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt gemeten dichtbij de binnenwand of op een ander representatief punt van de verbrandingskamer, toegestaan door de toezichthouder.

 

§ 3.

Elke verbrandingslijn van de verbrandingsinstallatie wordt uitgerust met tenminste één brander die automatisch wordt ingeschakeld wanneer de temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingslucht daalt tot onder de temperatuur, genoemd in paragraaf 2. De branders moeten ook worden gebruikt bij het starten en stilleggen van de installatie, teneinde te waarborgen dat de genoemde minimumtemperatuur gehandhaafd blijft, zolang zich onverbrande afvalstoffenin de verbrandingskamer bevinden. Tijdens het starten en stilleggen of wanneer de temperatuur van het verbrandingsgas daalt tot beneden de temperatuur, genoemd inparagraaf 2, mogen naar de branders geen brandstoffen worden toegevoerd die hogere emissieskunnen veroorzaken dan die welke ontstaan bij het stoken van vloeibaar gas, van aardgas of van gasolie, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 3 oktober 2002 tot vervanging van het koninklijk besluit van 7 maart 2001 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming.

 

§ 4.

Meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afval ontstane gas gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C. Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meeverbrand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden verhit.

 

§ 5.

De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatiewordt uitgerust met en maakt gebruik van een automatisch systeem waarmee de toevoer van afvalstoffenwordt belet:

bij het starten,totdat de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naargelang van het geval, 1100 °C is bereikt;
wanneer de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naargelang vanhet geval, 1 100° C niet behouden blijft;
wanneer de continumetingen uitwijzen dat een emissiegrenswaardewordt overschreden als gevolg van storingen of defecten aan de reinigingsinstallaties.

 

§ 6.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, en wat de temperatuur betreft van paragraaf 5, worden afgeweken voor bepaalde thermische processen of bepaalde categorieën afval op voorwaarde dat in de verbrandings- of meeverbrandingsoven of in de installatie voor de behandeling van de verbrandingsgassen adequate technieken worden toegepast. Bij toepassing van deze technieken moeten de emissieniveaus van dioxinen en furanen overeenkomen met of lager zijn dan de niveaus die onder de voorwaarden van paragraaf 2 of paragraaf 4 worden bereikt [...] en mogen niet meer residuen of residuen met een hoger gehalte aan verontreinigende stoffen worden geproduceerd dan te verwachten is onder de voorwaarden, genoemd in paragraaf 1 tot en met paragraaf 4. De emissies van TOC en CO van afvalmeeverbrandingsinstallaties moeten in deze gevallen tevens voldoen aan de emissiegrenswaarden van artikel 5.2.3.bis.1.15.


Art. 5.2.3bis.1.12.

§ 1.

De warmte die door het verbrandings- of meeverbrandingsproces wordt opgewekt, wordt volgens de beste beschikbare technieken zo veel mogelijk nuttig gebruikt.

 

§ 2.

Voor stookinstallaties waarvoor een kosten-batenanalyse uitgevoerd wordt, worden de opties toegepast waarvan de baten hoger zijn dan de kosten. Als in de kosten-batenanalyse rekening wordt gehouden met potentiële warmte- of koudevraagpunten en de baten hoger zijn dan de kosten, is het voldoende dat met betrekking tot de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallatie voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude.

 

In afwijking van het eerste lid kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegestaan dat de opties waarvan de baten hoger zijn dan de kosten, niet toegepast worden. Dit is alleen toegestaan indien de exploitant in de vergunningsaanvraag of in de vraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden aantoont dat hiervoor wettelijke, eigendomsrechtelijke of financiële redenen bestaan.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.13.

§ 1.

De verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de emissies in de lucht die zouden leiden tot luchtverontreiniging van betekenis aan de grond, worden voorkomen.

 

§ 2.

De afgassen worden op gecontroleerde wijze door een schoorsteen geloosd.

 

§ 3.

De schoorsteenhoogte wordt zodanig berekend dat de menselijke gezondheid en het leefmilieu voor gevaar worden behoed. De exploitantberekent de schoorsteenhoogte volgens de algemene schoorsteenhoogteberekeningsmethode vermeld in bijlage 4.4.1 of volgens een gelijkwaardig systeem. De minimale of maximale schoorsteenhoogte kan worden bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 4.

De schoorsteen en de afvoerkanalen worden uitgerust met meetopeningen en een meetplatform overeenkomstig de norm NBN T95-001 of een equivalente norm. De meetopeningen hebben een diameter van tenminste 12 cm.

 

§ 5.

De exploitant treft de nodige schikkingen om het werkelijke debiet van de afgassen, geloosd door de schoorsteen, te registreren. Het werkelijke debiet van de afgassen is het debiet zonder de eventuele verdunningslucht.

 

§ 6.

De berekening van de schoorsteenhoogte en de debietgegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.14.

§ 1.

Voor verbrandingsinstallaties voor afvalstoffen zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, van toepassing op de geloosde afgassen.

 

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 11%.

 

Voor de verbranding van afgewerkte olie geldt een referentiezuurstofgehalte van 3%.

 

§ 2.

Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgesteld referentiezuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het individuele geval weerspiegelt.

 

§ 3.

De omrekening voor de in paragraaf 1 en paragraaf 2 vermelde referentiezuurstofgehaltes gebeurt enkel en alleen indien het zuurstofgehalte dat gemeten wordt tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het referentiezuurstofgehalte. In afwijking hiervan gebeurt voor de bestaande roosterovens de omrekening altijd naar 11%, ongeacht het gemeten zuurstofgehalte.


Art. 5.2.3bis.1.15.

Elke verbrandingsinstallatie voor afvalstoffen moet, als ze in bedrijf is, aan volgende voorwaarden voldoen:

volgende emissiegrenswaarden gelden voor CO [...]:
a) een daggemiddelde van 50 mg/Nm3 verbrandingsgas;
b) 150 mg/Nm3 verbrandingsgas voor de bepalingen van tien minuten-gemiddelden, of 100 mg/Nm3 voor de bepalingen van halfuurgemiddelden.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van die emissiegrenswaarden worden afgeweken voor verbrandingsinstallaties die de wervelbedtechnologie gebruiken, mits in de vergunning een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide (CO) bepaald is die een uurgemiddelde van 100 mg/Nm3 niet overtreft.
de volgende emissiegrenswaarden gelden :

Emissiegrenswaarden in mg/Nm3
  Halfuurgemiddelden  Daggemiddelden
Verontreinigende stof   A
(100 %)
B
(97 %)
100 %
1. totaal stof 30 10 10
2. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 20 10 10
3. gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 60 10 10
4. gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF 4 2 1
5. zwaveldioxide 200 50 50
6. stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2  
a) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van 6 ton/uur of minder
b) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur en voor nieuwe verbrandingsinstallaties van 6 ton/uur of minder
c) voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur (*)
- - 400
400 200 200
400 200 150

(*) Voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur geldt tevens een emissiegrenswaarde voor NOx van 125 mg/Nm3 als jaargemiddelde. Als voor een nieuwe verbrandingsinstallatie een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vóór 28 december 2002 is verleend, gelden de emissiegrenswaarden voor NOx die bepaald werden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, waarbij het daggemiddelde niet meer dan 200 mg/Nm3 mag bedragen.
volgende emissiegrenswaarden gelden als gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal 8 uur:

Emissiegrenswaarden in mg/Nm3
zware metalen (*) (100 %)
de som van:
- cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als cadmium (Cd)
- thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als thallium (Tl)
0,05
kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg) 0,05
de som van: antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als antimoon (Sb),
- arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als arseen (As)
- lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)
- chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr)
- kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co)
- koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu)
- mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als mangaan (Mn)
- nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni)
- vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als vanadium (V)
- tin en tinverbindingen, uitgedrukt als tin (Sn)
0,5

(*) Deze gemiddelden omvatten zowel de stofvormige als de gas- en dampvormige emissies van de zware metalen in kwestie en de verbindingen daarvan.
volgende emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen geldt:

Emissiegrenswaarde in ng TEQ/Nm3
dioxinen en furanen 0,1

De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal 6 uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’.

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

 


[...].

Art. 5.2.3bis.1.16.

§ 1.

Voor meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.17 tot en met 5.2.3bis1.22, van toepassing op de geloosde afgassen.

 

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte als vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met artikel 5.2.3bis.1.22.

 

§ 2.

Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden meeverbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgesteld referentiezuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het individuele geval weerspiegelt.

 

§ 3.

De omrekening voor de in paragraaf 1 en paragraaf 2 vermelde referentiezuurstofgehaltes gebeurt enkel en alleen indien het zuurstofgehalte, dat wordt gemeten tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het referentiezuurstofgehalte droog gas, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22.


Art. 5.2.3bis.1.17.

§ 1.

Als in een meeverbrandingsinstallatie onbehandeld gemengd stedelijk afval of ermee vergelijkbaar bedrijfsafval wordt verbrand, zijn de emissiegrenswaarden die gelden voor verbrandingsinstallaties, van toepassing.

 

§ 2.

Als in een meeverbrandingsinstallatie meer dan 40 % van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen, zijn de emissiegrenswaarden die gelden voor verbrandingsinstallaties van toepassing.


Art. 5.2.3bis.1.18.

§ 1.

Als artikel 5.2.3bis.1.17 niet van toepassing is voldoet elke meeverbrandingsinstallatie, die in bedrijf is, aan de emissiegrenswaarden [...] zoals omschreven in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22.

 

§ 2.

De berekende emissiegrenswaarden worden van toepassing vanaf de eerste meeverbranding en blijven dan gelden, ook als geen afvalstoffen worden meeverbrand.


Art. 5.2.3bis.1.19.

Als een specifieke totale emissiegrenswaarde « Ctotaal » niet in een tabel van artikel 5.2.3bis.1.20, artikel 5.2.3bis.1.21 of artikel 5.2.3bis.1.22 is opgenomen, wordt de onderstaande formule (mengregel) toegepast.

 

De emissiegrenswaarde voor elke verontreinigende stof, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, en voor koolstofmonoxide in het afgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen, wordt als volgt berekend :

 

waarin:

 

Vafvalstoffen: volume afgas ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen(bepaald op basis van de afvalstof met de laagste calorische waarde) en naargelang het geval herleid tot de in artikel 5.2.3bis.1.16 vermelde omstandigheden.

 

Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van afvalstoffenminder dan 10 % bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, moet Vafvalstoffen worden berekend op basis van een (theoretische) hoeveelheid afvalstoffendie bij verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10 % van de vrijkomende warmte zou opleveren.

 

Cafvalstoffen: emissiegrenswaardengeldend voor verbrandingsinstallaties zoals vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15.

 

Vproces: het volume afgas ten gevolge van het in de installatie plaatsgrijpende proces, met inbegrip van de verbranding van de toegestane normaal in de installatiegebruikte brandstoffen (geen afvalstoffen), bepaald op basis van het referentiezuurstofgehalte waartoe de emissiesvolgens de geldende regelgeving moeten worden herleid. Ingeval er geen voorschriften voor de installatie bestaan, moet het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas, zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht, worden gebruikt.

 

Cproces: de emissiegrenswaarden die in artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 voor bepaalde industriële sectoren zijn vastgesteld of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de emissiegrenswaarden die volgens dit besluit voor deze installaties gelden, bij verbranding van de normaal toegestane brandstoffen (geen afvalstoffen). Bij ontbreken van dergelijke bepalingen worden de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde emissiegrenswaarden gebruikt. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geen emissiegrenswaarden worden vermeld, worden de werkelijke massaconcentraties gebruikt. Indien de emissiegrenswaarden die in artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 worden vermeld, soepeler zijn dan de emissiegrenswaarden die volgens dit besluit voor deze industriële sectoren zijn vastgesteld, dan gelden voor Cproces de meest strenge emissiegrenswaarden.

 

Ctotaal: de totale emissiegrenswaarde bij het zuurstofgehalte dat in de tabellen bij artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 1.22 voor bepaalde industriële sectoren is vastgesteld, of, indien een dergelijke tabel of waarde ontbreekt, de totale emissiegrenswaarde die de in de tabel van artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 genoemde emissiegrenswaarde vervangt. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding vervangt, wordt berekend op basis van bovenstaand gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.


Art. 5.2.3bis.1.20.

§ 1.

Bijzondere voorschriften gelden voor cementovens waarin afvalstoffen worden meeverbrand.

 

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 10%.

 

De volgende emissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden :

 

Verontreinigende stof  Ctotaal
(mg/Nm3)
1. totaal stof 30
2. zwaveldioxide 50
3. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 10
4. gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 10
5. gasvormige en anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF  1
6. stikstofoxide(NOX), uitgedrukt als NO2(*)  500
   
   

7. de som van :

a) cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als Cd en
b) thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als Tl 
0,05
8. kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg  0,05

9. de som van :

a) antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als Sb
b)  arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als As
c) lood en loodverbindingen, uitgedrukt als Pb
d) chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als Cr
e) kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als Co
f) koper en koperverbindingen, uitgedrukt als Cu
g) mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als Mn
h) nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als Ni
i) vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als V en
j) tin en tinverbindingen, uitgedrukt als Sn
0,5
 Verontreinigende stof Ctotaal
(ng TEQ/Nm3
10. dioxinen en furanen (**)   0,1

 

(*) Tot 1 januari 2016 kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een afwijking verleend worden op de NOx-emissiegrenswaarde voor Lepol-ovens en lange draai-ovens, op voorwaarde dat in de vergunning een totale emissiegrenswaarde voor NOx van ten hoogste 800 mg/Nm3 bepaald is.

(**) De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’.

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

Halfuurgemiddelden zijn alleen nodig voor de berekening van de daggemiddelden. 

 

§ 2.

De emissiegrenswaarde voor CO wordt in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgesteld.


Art. 5.2.3bis.1.21.

De volgende bijzondere voorschriften gelden voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand :

 

1° voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, gelden de volgende proces-emissiegrenswaarden (Cproces) als daggemiddelden, waarbij het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een stookinstallatie bepaald wordt aan de hand van de samentellingsregels, vastgesteld in artikel 5.43.2.1 en 5.43.3.1 en halfuurgemiddelden alleen nodig zijn voor de berekening van de daggemiddelden :

 

a) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 7 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, op voorwaarde dat ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen :

 

1) tot en met 31 december 2015 :

 

1.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 300300
200
 200
NOX, uitgedrukt als NO 400 400 200 200
stof  50 30 30 30
HCl 30 30 30 30

 

1.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 45075
7575
NOX, uitgedrukt als NO600/300*300300200
stof  50151515
HCl 50151515

 

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.

 

1.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) :

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 150150
150150
NOX, uitgedrukt als NO300300200200
stof  50303030
HCl 30303030

 

2) vanaf 1 januari 2016 :

2.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 300300
200100
NOX, uitgedrukt als NO400300200150
stof  50302010
HCl 30303030

 

2.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 45075
7575
NOX, uitgedrukt als NO600/300*300250150
stof  5015
1510
HCl 50151515

 

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.

 

2.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 150150
150100
NOX, uitgedrukt als NO300300200150
stof  50302010
HCl 30303030

 

b) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik worden genomen :

 

1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :


Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 300200
10060
NOX, uitgedrukt als NO30015010060
stof  5010
106
HCl 30303030

 

2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 45075
7560
NOX, uitgedrukt als NO450/300*15015060
stof  5010
106
HCl 50151515

 

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.

 

3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 150150
10060
NOX, uitgedrukt als NO30015010060
stof  5010
106
HCl 3030
30
30

 

i. 2° Voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, waarin afvalstoffen worden meeverbrand, gelden de volgende totale emissiegrenswaarden (Ctotaal) Ctotaal voor zware metalen (mg/Nm3), uitgedrukt in gemiddelden die worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 % voor vaste brandstoffen en 3 % voor vloeibare brandstoffen : 

 

Verontreinigende stof
Ctotaal (mg/Nm3)
Cd + Tl
0,05
Hg
0,05
Sb + As + Pb + Cr +Co + Cu + Mn + Ni + V + Sn
0,5

 

ii. Ctotaal voor dioxinen en furanen (ng TEQ/Nm3), uitgedrukt in gemiddelden die worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 % voor vaste brandstoffen en 3 % voor vloeibare brandstoffen :

 

Verontreinigende stof   
Ctotaal (ng TEQ/Nm3)
Dioxinen en furanen
0,1

 

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde. 


Art. 5.2.3bis.1.22.

Bijzondere voorschriften gelden voor industriële sectoren die afvalstoffen meeverbranden en niet onder artikel 5.2.3bis.1.20 of 1.21 vallen.

 

Volgende totale emissiegrenswaarden gelden:

 

Ctotaal uitgedrukt in mg/Nm3. Alle gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur:

 

Verontreinigende stof Ctotaal (mg/Nm3)
Cd + Tl 0,05
Hg 0,05

 

Ctotaal uitgedrukt in ng TEQ/Nm3. Alle gemiddelden worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur:

 

Verontreinigende stof Ctotaal (ng TEQ/Nm3)
Dioxinen en furanen 0,1

 

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

 

Emissies: water


[...].

Art. 5.2.3bis.1.23.

§ 1.

Lozingen van afvalwater, afkomstig van de reiniging van afgassen, moeten voorzover doenlijk worden beperkt.

 

§ 2.

Onverminderd de in de vergunning opgelegde emissiegrenswaarden voor het lozen van afvalwatervan de installatie, moet het afvalwater dat ontstaat bij de reiniging van de afgassen worden gezuiverd zodat aan de volgende emissiegrenswaarden wordt voldaan:

 

Verontreinigende stof Emissiegrenswaarden, uitgedrukt in massaconcentratie, voor ongefilterde monsters
1. Totale hoeveelheid zwevende stoffen 95 % 100 %
30 mg/l 45 mg/l
2. Kwik en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als kwik (Hg)0,03 mg/l
3. Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als cadmium (Cd) 0,05 mg/l
4. Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als thallium (Tl)0,05 mg/l
5. Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als arseen (As)0,15 mg/l
6. Lood en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als lood (Pb)0,2 mg/l
7. Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als chroom (Cr)
0,5 mg/l
8. Koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als koper (Cu)0,5 mg/l
9. Nikkel en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als nikkel (Ni)0,5 mg/l
10. Zink en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als zink (Zn)1,5 mg/l
11. Dioxinen en furanen0,3 ng TEQ/l

 

 

§ 3.

Om de naleving van de in § 2 genoemde emissiegrenswaarden voor het afvalwater van afgasreiniging te controleren, bepaalt de exploitant aan de hand van passende massabalansberekeningen overeenkomstig artikel 5.2.3bis 1.30, § 2, hoe groot het aandeel is van de emissies in de uiteindelijk geloosde hoeveelheid afvalwater, dat kan worden toegeschreven aan het afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen.

 

§ 4.

Als het afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen dat de in § 2 genoemde verontreinigende stoffen bevat, buiten de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie wordt gezuiverd in een zuiveringsinstallatie die uitsluitend voor de verwijdering van dit type afvalwater is bestemd, moeten de emissiegrenswaarden van § 2 worden toegepast op het punt waar het afvalwater de zuiveringsinstallatie verlaat. Indien die zuiveringsinstallatie die zich op een andere plaats bevindt niet uitsluitend is bestemd voor de zuivering van afvalwater dat bij verbranding ontstaat, bepaalt de exploitant aan de hand van passende massabalansberekeningen overeenkomstig artikel 5.2.3bis.1.30, § 2 hoe groot het aandeel van de emissies in de uiteindelijk geloosde hoeveelheid afvalwater is dat kan worden toegeschreven aan het afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, om zo de naleving van de in § 2 genoemde emissiegrenswaarden voor het afvalwater van afgasreiniging te controleren.

 

§ 5.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welk debiet mag worden geloosd, is de vergunning beperkt tot het debiet dat in de vergunningsaanvraag is vermeld.

 

§ 6.

In geen geval mag afvalwater worden verdund om aan de emissie-grenswaarden te voldoen.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.24.

§ 1.

Meetapparatuur wordt geïnstalleerd en technieken worden gebruikt voor de bewaking van de parameters, de omstandigheden en de massaconcentraties die relevant zijn voor het verbrandings- of meeverbrandingsproces.

 

§ 2.

Alle meet- en analyseresultaten worden ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. Maandelijks bezorgt de exploitant het overzicht van de resultaten aan de toezichthoudende overheid. De resultaten van de discontinue metingen van dioxinen en furanen worden zo snel mogelijk en liefst binnen een maand na uitvoering van de metingen bezorgd. Alle resultaten worden op passende wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd zodat de toezichthoudende overheid kan nagaan of de vastgestelde voorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.

 

§ 3.

De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen wordt uitgevoerd volgens de CEN-normen. Aanvullend aan de CEN-normen wordt ook de code van goede praktijk toegepast. De geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden gecontroleerd en worden ten minste om de drie jaar gekalibreerd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL.

 

[...]

 

De toestellen voor continue dioxinebemonstering worden ten minste om de drie jaar gekeurd volgens een code van goede praktijk.

 

De exploitant brengt de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, op de hoogte van de resultaten van de controle van de geautomatiseerde meetsystemen.


Art. 5.2.3bis.1.25.

§ 1.

Metingen ter bepaling van de concentratie van in de lucht geloosde stoffen moeten representatief zijn.

 

§ 2.

De bemonstering en analyse van de verontreinigende stoffen in kwestie, met inbegrip van dioxinen en furanen, alsook de referentiemeetmethoden om de geautomatiseerde meetsystemen te ijken, worden uitgevoerd volgens de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2, of als er geen meetmethoden zijn vermeld, volgens de CEN-normen.

 

Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, nationale of andere internationale normen toegepast, die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt.

 

§ 3.

De waarde van het 95 %-betrouwbaarheidsinterval, bepaald bij de daggemiddelde-emissiegrenswaarden, mag de volgende percentages van de emissiegrenswaardenniet overschrijden:


CO

10 %

totaal stof

30 %

totaal organische koolstof

30 %

HCl

40 %

HF

40 %

SO2

20 %

NOx

20 %

 


Art. 5.2.3bis.1.26.

§ 1.

In de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie worden op initiatief en op kosten van de exploitant de volgende metingen verricht:

continumetingen van de volgende stoffen in de afgassen: CO,[...] stof, TOC, HCl, NOx, HF en SO2;
continumetingen van de volgende procesparameters: temperatuur dichtbij de binnenwand of op een door detoezichthouder toegestaan ander representatief punt van de verbrandingskamer, zuurstofconcentratie, druk, debiet, temperatuur en waterdampgehalte van het afgas.
De continumeting van het debiet kan vervangen worden door een berekening op basis van relevante parameters volgens een door de toezichthouder goedgekeurde methode;
ten minste twee metingen van zware metalen in de afgassen per jaar; gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden moet evenwel ten minste om de drie maanden een meting worden verricht;
ten minste twee metingen van dioxinen en furanen in de afgassen per jaar; gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden moet evenwel ten minste om de twee maanden een meting worden verricht;

 

§ 2.

In de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie worden op initiatief en op kosten van de exploitant bijkomend de dioxinen en furanen op continue wijze bemonsterd met ten minste tweewekelijkse analyses.

 

Bij meeverbrandingsinstallaties moet die continue bemonstering worden uitgevoerd telkens als er afvalstoffen worden meeverbrand.

 

Bij verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties kan de analysefrequentie van de monsters worden verminderd volgens het schema, vermeld in bijlage 5.2.3bis.1.

 

Behalve voor verbrandingsinstallaties voor huishoudelijke afvalstoffen kan de vergunningverlenende overheid op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, toestaan dat er geen continue bemonstering van dioxinen en furanen wordt uitgevoerd en/of de analysefrequentie wordt verminderd.

 

§ 3.

De meetcampagnes die zes keer per jaar of minder worden uitgevoerd, worden gelijkmatig gespreid over de werkingsperioder tijdens het jaar. De toezichthoudende overheid moet vooraf op de hoogte worden gebracht van de uitvoerder en de data van de discontinue metingen van dioxinen en furanen.

 

§ 4.

De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de afgassen worden op passende wijze gecontroleerd, en wel ten minste één keer als de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld en één keer onder de slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden.

 

§ 5.

Continumeting van HF mag achterwege blijven indien voor HCl behandelingsstappen worden gevolgd die waarborgen dat de emissiegrenswaarde voor HCl niet wordt overschreden. In dit dat geval worden de emissies van HF ten minste tweemaal per jaar gemeten. Gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden moet evenwel ten minste om de drie maanden een meting worden verricht.

 

§ 6.

Continumeting van het waterdampgehalte is niet nodig indien de als monster gebruikte afgassen worden gedroogd vooraleer de emissies worden geanalyseerd.

 

§ 7.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat in verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties in plaats van continumetingen van HCl, HF en SO2 periodieke metingen worden verricht met een frequentie van ten minste twee metingen per jaar en gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden ten minste om de drie maanden. Dat is enkel toegestaan indien de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in de vraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden kan aantonen dat de emissies van de genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde emissiegrenswaarden.

 

§ 8.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de frequentie van de periodieke metingen voor zware metalen van tweemaal per jaar verlaagd wordt naar eenmaal per twee jaar en voor dioxinen en furanen van tweemaal per jaar naar eenmaal per jaar, op voorwaarde dat de emissies als gevolg van verbranding of meeverbranding minder dan 50 % bedragen van de overeenkomstig artikel 5.2.3bis.1.15 en artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 vastgestelde emissiegrenswaarden, en dat tenminste voldaan wordt aan:

het te verbranden of mee te verbranden afval bestaat uitsluitend uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties van ongevaarlijk afval die niet recycleerbaar zijn en aan bepaalde kenmerken voldoen, en die nader omschreven worden in de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
de exploitant kan aan de vergunningverlenende overheid kan bewijzen dat de emissies onder alle omstandigheden opmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden van artikel 5.2.3bis.1.15 (voor verbrandingsinstallaties) en artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 (voor mee-verbrandingsinstallaties) voor dioxinen en furanen en voor zware metalen. Dat wordt beoordeeld aan de hand van informatie over de kwaliteit van de afvalstof in kwestie en metingen van de emissies van de genoemde stoffen.

 

§ 9.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat in bestaande verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van minder dan 6 ton per uur in plaats van continumetingen van NOX periodieke metingen worden verricht met een frequentie van ten minste twee metingen per jaar en gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden ten minste om de drie maanden. Dat is alleen toegestaan indien de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in de vraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden aan de hand van informatie betreffende de kwaliteit van het betrokken afval, de gebruikte technologieën en de resultaten van de emissiemonitoring kan aantonen dat de uitstoot van NOX in geen geval de vastgestelde emissiegrenswaarden kan overschrijden.


Art. 5.2.3bis.1.27.

§ 1.

De halfuurgemiddelden en de tienminutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de installatie in werking is (de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging is daarin niet begrepen, voor zover op dat ogenblik geen afvalstoffen worden verbrand) op basis van de meetwaarden waarvan de waarde van het betrouwbaarheidsinterval van artikel 5.2.3bis.1.25, § 3 is afgetrokken. De daggemiddelden worden bepaald op basis van die gevalideerde gemiddelden.

 

Een daggemiddelde is slechts geldig indien voor de dag in kwestie niet meer dan vijf halfuurgemiddelden als gevolg van defecten of als gevolg van het onderhoud van het systeem voor continumetingen buiten beschouwing zijn gelaten. Per jaar mogen niet meer dan tien daggemiddelden ten gevolge van defecten of onderhoud van het continumetingssysteem buiten beschouwing worden gelaten.

 

§ 2.

De emissiegrenswaarden bij de continue metingen worden geacht te worden nageleefd als van de gevalideerde meetresultaten :

 

1° voor stof, TOC, HCl, HF, SO2, NOx :

 

a) geen van de daggemiddelden hoger is dan de vastgestelde emissiegrenswaarden in artikel 5.2.3bis.1.15, 2° (verbrandingsinstallaties) of in artikel 5.2.3bis.1.19, artikel 5.2.3bis.1.20, 1°, en artikel 5.2.3bis.1.21, 1°, (meeverbrandingsinstallaties);

 

b) ofwel geen van de halfuurgemiddelden hoger is dan de vastgestelde emissiegrenswaarden voor verbrandingsinstallaties in kolom A van artikel 5.2.3bis.1.15, 2°, ofwel, in voorkomend geval, 97 % van de halfuurgemiddelden over het jaar niet hoger is dan de vastgestelde emissiegrenswaarden voor dezelfde parameters in kolom B van artikel 5.2.3bis.1.15, 2°;

 

2° voor CO bij verbrandingsinstallaties :

 

a) 97 % van de daggemiddelden over het jaar niet hoger zijn dan de emissiegrenswaarde in artikel 5.2.3bis.1.15, 1°, a);

 

b) ofwel ten minste 95 % van alle bepalingen van de 10-minutengemiddelden, ofwel alle bepalingen van halfuurgemiddelden gedurende een willekeurige periode van 24 uur voldoen aan de respectieve emissiegrenswaarden, bepaald in artikel 5.2.3bis.1.15, 1°, b);

 

3° voor CO bij meeverbrandingsinstallaties, geen van de halfuurgemiddelden hoger is dan de volgens artikel 5.2.3bis.1.19 afgeleide of volgens artikel 5.2.3bis.1.20, 2° vastgestelde emissiegrenswaarden.

 

§ 3.

Bij discontinue metingen van de concentraties van verontreinigende stoffen in de afgassen wordt aan de emissiegrenswaarden voldaan indien van de meetresultaten (na verrekening van een meetnauwkeurigheid van 30 %):

het gemiddelde over de monsternemingsperiode voor HCl, HF, SO2 niet hoger is dan de emissiegrenswaarden in kolom A van artikel 5.2.3bis.1.15,2° voor verbrandingsinstallaties of dan de volgens artikel 5.2.3bis.1.19 hiervan afgeleide emissiegrenswaarden voor meeverbrandingsinstallaties;
[...]
geen van de gemiddelden over de voor zware metalen en dioxinen en furanen vastgestelde bemonsteringsperiode hoger is dan de emissiegrenswaarden bepaald in artikel 5.2.3bis.1.15, 3° en 4° voor verbrandingsinstallaties, of dan de emissiegrenswaarden bepaald in artikel 5.2.3bis.1.20,1°, artikel 5.2.3bis.1.21, 2°, en artikel 5.2.3bis.1.22 voor meeverbrandingsinstallaties;
[...]

[...].

Art. 5.2.3bis.1.28.

§ 1.

Meetapparatuur wordt geïnstalleerd en technieken worden gebruikt ter bewaking van de parameters, de omstandigheden en de massaconcentraties die relevant zijn voor het verbrandings- of meeverbrandingsproces.

 

§ 2.

De praktische uitvoering van de monsterneming en metingen wordt vooraf goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline water, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, tenzij de monsterneming en de metingen door een erkend laboratorium in de discipline water, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, zelf worden uitgevoerd.

 

Hetzelfde geldt voor de plaats van monsterneming of het meetpunt.

 

§ 3.

Een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, controleert of de automatische apparatuur voor de bewaking van de emissies in het water naar behoren is geïnstalleerd en functioneert.

 

Jaarlijks wordt een verificatietest uitgevoerd.

 

Ten minste om de drie jaar wordt er gecontroleerd door middel van parallelmetingen overeenkomstig de referentiemethoden.

 

De exploitant bezorgt jaarlijks een kopie van de keuringsrapporten aan de toezichthouder.

 

§ 4.

Alle resultaten worden op passende wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd zodat de toezichthouder kan nagaan of de vastgestelde voorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.


Art. 5.2.3bis.1.29.

§ 1.

Metingen om de concentratie van waterverontreinigende stoffen te bepalen moeten, representatief zijn.

 

§ 2.

De bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen in het water, met inbegrip van dioxinen en furanen, de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen, alsmede de referentiemetingen ter ijking van automatische meetsystemen, moeten worden uitgevoerd volgens meetmethodes opgenomen in bijlage 4.2.5.2 van dit besluit. Indien geen normen zijn opgenomen moeten CEN-normen worden gevolgd. Indien er geen CEN-normen bestaan, moeten ISO-normen, nationale normen of internationale normen worden toegepast die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt.

 

§ 3.

De controle van de meetresultaten wordt door de toezichthoudende overheid uitgevoerd volgens artikel 4.2.6.1 van dit besluit.


Art. 5.2.3bis.1.30.

§ 1.

Op initiatief en op kosten van de exploitant moeten tenminste de volgende metingen verricht worden op het gezuiverde afvalwater afkomstig van de afgasreiniging:

continue metingen van de operationele regelparameters pH, temperatuur en debiet;
dagelijkse meting van de totale hoeveelheid zwevende stoffen door middel van een schepmonster of een debietsevenredig vierentwintiguurmengmonster;
ten minste maandelijkse metingen van de stoffen 2 tot en met 10 vermeld in artikel 5.2.3bis.1.23, § 2, via een debietsevenredig vierentwintiguurmengmonster;
ten minste elke zes maanden metingen van dioxinen en furanen door middel van een schepmonster. Die meting moet gelijktijdig met de meting van dioxinen en furanen in de afgassen worden uitgevoerd. Gedurende de eerste bedrijfsperiode van twaalf maanden moet die meting evenwel ten minste om de drie maanden worden uitgevoerd.

 

§ 2.

Als het afvalwater dat bij de reiniging van afgassen ontstaat, ter plaatse gezamenlijk met afvalwater uit andere bronnen van de plaats van de installatie wordt gezuiverd, verricht de exploitant de in § 1 omschreven metingen, om een massabalansberekening te kunnen maken op de volgende plaatsen:

op de afvalwaterstroom van de rookgasreinigingsprocessen vóór de menging met andere afvalwateren;
op de andere afvalwaterstroom of -stromen;
op het punt waar het afvalwater uiteindelijk door de verbrandingsinstallatie of de meeverbrandingsinstallatie wordt geloosd.

Art. 5.2.3bis.1.31.

Onverminderd de bepalingen, opgenomen in afdeling 4.2.6 van dit besluit, worden de emissiegrenswaarden voor afvalwater afkomstig van de afgasreiniging geacht te zijn nageleefd indien:

bij metingen van de totale hoeveelheid zwevende stoffen, 95 % en 100 % van de meetwaarden de respectieve emissiegrenswaarden niet overschrijden;
bij metingen van zware metalen, niet meer dan eenmaal per jaar de emissiegrenswaarden overschreden worden;
bij de metingen van dioxinen en furanen, de emissiegrenswaarde niet overschreden wordt.

[...].

Art. 5.2.3bis.1.32.

§ 1.

Het ontstaan van residuen bij de exploitatie van de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie en de schadelijkheid daarvan worden tot een minimum beperkt.

 

§ 2.

Vooraleer de verwerkingswijze van de residuen uit verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties wordt vastgesteld, worden passende tests en analyses uitgevoerd om na te gaan wat de fysische en chemische eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de verschillende verbrandingsresiduen zijn. De analyses hebben ten minste betrekking op de totale oplosbare fractie en de oplosbare fractie zware metalen.

 

Waar toepasselijk worden de residuen gerecycleerd, in de installatie zelf of daarbuiten.

 

§ 3.

De as, vliegasen andere reststoffen van de verbranding worden gescheiden gehouden om de meest aangepaste verwerking mogelijk te maken.

 

§ 4.

Droge residuen in de vorm van stof, bijvoorbeeld ketelas en droge residuen van afgasbehandeling, worden op zodanige wijze vervoerd en tussentijds opgeslagen binnen de installatie of op het terrein dat verspreiding in het milieu voorkomen wordt, bijvoorbeeld in gesloten houders of in een daartoe bestemde gesloten opslagruimte.

 

§ 5.

As, vliegasen andere reststoffen moeten stofvrij worden afgevoerd. De temperatuur van de as, vliegasen andere reststoffen mag niet meer dan 60 °C zijn bij het verlaten van de installatie.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.33.

§ 1.

Indien uit de verrichte metingen blijkt dat de vastgestelde emissiegrenswaardenvoor lozing in de lucht zijn overschreden, meldt de exploitant dat onmiddellijk aan de toezichthoudende overheid. De exploitant van een verbrandingsinstallatie houdt de installatie niet in werking zonder dat de emissiegrenswaarden in acht worden genomen en treft onmiddellijk de nodige maatregelen om de installatie te wijzigen zodat aan alle emissiegrenswaarden wordt voldaan, of stelt de installatie buiten werking. De exploitant van een meeverbrandingsinstallatie gaat niet door met de meeverbranding van afvalstoffen zonder dat de emissiegrenswaarden in acht worden genomen en treft onmiddellijk de nodige maatregelen om de installatie te wijzigen, zodat aan alle emissiegrenswaarden wordt voldaan, of stelt de installatie buiten werking.

 

§ 2.

Indien het meetresultaat van de continue bemonstering van dioxinen en furanen [...] de drempelwaarde van 0,1 ng TEQ/Nm3 overschrijdt:

verwittigt de exploitant de toezichthoudende overheid hiervan onmiddellijk
neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om de dioxineemissie te verlagen;
laat de exploitant zo snel mogelijk een meting uitvoeren over een bemonsteringsperiode van minstens zes en maximaal acht uur volgens de normNBN EN 1948.
De toezichthoudende overheid wordt van de genomen maatregelen zo snel mogelijk op de hoogte gebracht door middel van een verslag en kan zo nodig aanvullende puntmetingen opleggen.

 

§ 3.

Onverminderd de bepalingen van § 4 en in afwijking van de bepalingen van § 1 stopt de exploitant bij elke overschrijding van de emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen met de verbranding van afvalstoffen en dit uiterlijk achtenveertig uur na het bekend worden van de meetresultaten.

 

Het opnieuw verbranden van afvalstoffen is pas mogelijk na toestemming van de toezichthoudende overheid. Binnen tien dagen na het heropstarten laat de exploitant gedurende drie opeenvolgende dagen een meting uitvoeren van dioxinen en furanen in de afgassen over een bemonsteringsperiode van minstens zes en maximaal acht uur volgens de norm NBN EN 1948 en bezorgt de resultaten hiervan binnen de veertien kalenderdagen aan de toezichthoudende overheid.

 

§ 4.

Op verzoek van de exploitant kan de toezichthoudende overheid de toestemming verlenen om van de bepalingen van § 3 af te wijken. Die toestemming kan enkel worden verleend indien de exploitant aantoont dat er noodzakelijke en voldoende maatregelen zijn genomen of onmiddellijk worden genomen om de emissie te beperken tot een concentratie die lager ligt dan de emissiegrenswaarde. De toezichthoudende overheid zal die maatregelen ter plaatse beoordelen. In dat geval laat de exploitant binnen een maand gedurende drie opeenvolgende dagen een meting uitvoeren van dioxinen en furanen in de afgassen over een bemonsteringsperiode van minstens 6 en maximaal 8 uur volgens de norm NBN EN 1948 ter bevestiging van de doeltreffendheid van de genomen maatregelen. De resultaten worden binnen veertien dagen bezorgd aan de toezichthoudende overheid.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.34.

§ 1.

Voor technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen of voor defecten aan afgasreinigingsinstallaties mogen gedurende maximaal vier uur de concentraties van de in de lucht uitgestoten verontreinigende stoffen de voorgeschreven emissiegrenswaardenoverschrijden. De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie mag in geen geval langer dan vier uur ononderbroken met verbranding van afvalstoffen voortgaan. Voorts moet de totale duur waarin de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in de loop van één jaar onder die omstandigheden in bedrijf is minder dan zestig uur bedragen. De duur van zestig uur geldt voor die lijnen van de gehele verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die verbonden zijn met één enkele afgasreinigingsinstallatie.

 

§ 2.

In dat geval overschrijdt het totale stofgehalte van de emissies in de lucht van een verbrandingsinstallatie onder geen enkele voorwaarde een halfuurgemiddelde van 150 mg/Nm3. Verder mogen de emissiegrens­waarden voor CO en TOC in de lucht evenmin worden overschreden. Voorts moet aan alle andere voorwaarden, met betrekking tot de verbranding, worden voldaan.

 

§ 3.

In geval van een ander defect, moet de exploitanthet uitbaten (verbranden) zo spoedig als uitvoerbaar is, verminderen of de oven stilleggen, totdat normaal bedrijf opnieuw mogelijk is. In installatieswaar niet uitsluitend afvalstoffen worden verbrand, wordt de verbranding van afvalstoffen als toevoeging gestaakt.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.35.

§ 1.

Per kalenderjaar stelt de exploitant een technisch rapport op waarin verslag wordt uitgebracht van de verbrandings- en meeverbrandingsactiviteiten gedurende het afgelopen jaar. Voor dat rapport kan de exploitant gebruik maken van andere documenten die aan de bevoegde overheid moeten toegezonden worden.

 

§ 2.

Het technisch rapport omvat:

de aard, de herkomst en de hoeveelheden van de aangevoerde afvalstoffen;
een grafische voorstelling van het verloop van emissies voor water en lucht met de meetresultaten voor en na het aftrekken van het betrouwbaar heidsinterval, en dat ten opzichte van de emissiegrenswaarden;
een overzicht van de werking van de installatie (uren werking, stilstanden voor onderhoud, noodstops, defecten aan de afgasreiniging) en de vast opgestelde emissiemeetapparatuur;
indien relevant, het energetisch rendement van de installatie met vermelding van de hoeveelheid warmte die werd gerecupereerd of de hoeveelheid elektriciteit die werd geproduceerd.

 

§ 3.

Per kalenderjaar stelt de exploitant ook een niet-technisch rapport op dat op een beknopte en voor een algemeen publiek begrijpelijke wijze de informatie uit het technisch rapport verwoordt.

 

§ 4.

De in paragraaf 1 en paragraaf 3 bedoelde rapporten worden uiterlijk tegen 1 april van het jaar na het kalenderjaar waarop ze betrekking hebben, bezorgd aan de toezichthoudende overheid en aan OVAM. Een kopie van de rapporten wordt eveneens toegestuurd aan het betrokken gemeentebestuur[...].


Art. 5.2.3bis.1.36.

§ 1.

Alle verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties moeten een informatiepunt oprichten waar men terecht kan met vragen en klachten over de installatie.

 

§ 2.

De exploitant verzorgt tenminste jaarlijks een informatie en duidingsdag over de werking van de installatie ten behoeve van de omwonenden, waarop het jaarlijks rapport wordt voorgesteld.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden opgelegd dat een begeleidings-commissie wordt opgericht om de communicatie te verzorgen over de activiteiten, emissies en maatregelen van de inrichting. De commissie is evenredig samengesteld uit vertegenwoordigers van de inrichting, de overheid en omwonenden, zo nodig aangevuld met één of meer onafhankelijke deskundigen.


[...].

[...]


Art. 5.2.3bis.1.37. [...]

Subafdeling 5.2.3bis.2.
Voorwaarden voor experimentele verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties


Art. 5.2.3bis.2.1.

Deze voorwaarden zijn van toepassing op inrichtingen, ingedeeld volgens rubriek 2.3.4.3 van de indelingslijst.


Art. 5.2.3bis.2.2. De datum en de aard van ieder experiment moet minstens één week op voorhand gemeld worden aan de toezichthoudende overheid.

Art. 5.2.3bis.2.3. Tenzij anders is bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit moet tijdens het experiment een volledige meetcampagne voor lucht (stof, TOC, HCl, HF, SO2, NOx, zware metalen, dioxinen en furanen) worden uitgevoerd op drie opeenvolgende dagen. De resultaten worden bezorgd aan de toezichthoudende overheid en aan OVAM.

Subafdeling 5.2.3bis.3.
Voorwaarden voor dierencrematoria


Art. 5.2.3bis.3.1.

Met behoud van de toepassing van verordening dierlijke bijproducten en haar uitvoerende verordening (EU) nr. 142/2011, is deze subafdeling van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.3.4.1, i) van de indelingslijst.


Art. 5.2.3bis.3.2. De exploitant van de installatie treft in samenhang met de aflevering en inontvangstneming van de krengen alle nodige voorzorgsmaatregelen om negatieve gevolgen voor het milieu, in het bijzonder de verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en grondwater, alsmede stankoverlast en geluidshinder, en directe risico’s voor de menselijke gezondheid te voorkomen of, voor zover dat haalbaar is, te beperken.

Art. 5.2.3bis.3.3.

§ 1.

In de inrichting mogen in geen geval vee en pluimvee aanvaard worden, ook niet als die gehouden worden als huisdieren.

 

§ 2.

De krengen moeten gekoeld opgeslagen worden. Die koelruimte moet op regelmatige basis gereinigd en ontsmet worden met een erkend ontsmettingsmiddel.

 

§ 3.

De krengen moeten, indien mogelijk, direct in de oven worden geplaatst, zonder rechtstreeks te worden aangeraakt.


Art. 5.2.3bis.3.4. In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor de verwerking van afvalstoffen, is geen weegbrug vereist.

Art. 5.2.3bis.3.5.

§ 1.

De installaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas na de laatste toevoer van verbrandingslucht op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C, gemeten gedurende twee seconden dichtbij de binnenwand of op een door de toezichthoudende overheid toegestaan ander representatief punt van de verbrandingskamer.

 

§ 2.

Elke installatie vanaf 50 kg/h moet worden uitgerust met ten minste één hulpbrander. Die brander moet automatisch worden ingeschakeld als de temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van de verbrandingslucht onder de 850 °C zakt. Hij moet ook tijdens de inwerkingstelling en de stillegging van de installatie worden gebruikt teneinde ervoor te zorgen dat de temperatuur van 850 °C gedurende de bedoelde werkzaamheden steeds wordt gehandhaafd zolang zich onverbrand materiaal in de verbrandingskamer bevindt.

 

§ 3.

Installaties vanaf 50 kg/h moeten beschikken over en gebruik maken van een automatisch systeem om te voorkomen dat krengen worden toegevoerd:

a) bij het in werking stellen, totdat de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C is bereikt; en
b) wanneer de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C niet gehandhaafd blijft.

 


Art. 5.2.3bis.3.6.

§ 1.

De inrichting wordt zodanig uitgerust en geëxploiteerd dat de emissies in de lucht die zouden leiden tot luchtverontreiniging van betekenis aan de grond, worden voorkomen.

 

§ 2.

De afgassen worden op gecontroleerde wijze door een schoorsteen geloosd. De minimale of maximale schoorsteenhoogte kan worden bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 3.

De schoorsteen wordt uitgerust met meetopeningen en een meetplatform overeenkomstig de norm NBN T95-001 of een equivalente norm. De meetopeningen hebben een diameter van tenminste 12 cm.


Art. 5.2.3bis.3.7.

§ 1.

Elke installatie vanaf 50kg/h. moet beschikken over en gebruik maken van temperatuurmetingsapparatuur.

 

§ 2.

De bevoegde overheid controleert of alle automatische bewakings-apparatuur naar behoren is geïnstalleerd en functioneert. [...]


Art. 5.2.3bis.3.8.

§ 1.

Elk dierencrematorium voldoet, als het in bedrijf is, aan de volgende voorwaarden. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 11%:

de volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

Stof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

totaal stof

30

zwaveldioxide

300

NOx, uitgedrukt als NO2

400

 

De concentratie van die stoffen in de afgassen wordt minstens jaarlijks gemeten door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL;

bij normaal bedrijf mag geen neerslag van waterdruppels uit de afgassen in de omgeving voorkomen; 

de volgende emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen geldt:

Emissiegrenswaarde in ng TEQ/Nm³

dioxinen en furanen

0,1

 

De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.

 

De massaconcentratie aan dioxinen en furanen wordt ten minste om de twee jaar gemeten volgens de voorschriften van de norm NBN EN 1948 door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL.

 

Elke gemeten emissiewaarde van dioxinen en furanen voldoet na verrekening van de nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, aan de voorgeschreven emissiegrenswaarde.

 

 

 

§ 2.

Als uit de verrichte metingen blijkt dat een of meer emissiegrenswaarden zijn overschreden, meldt de exploitant dat onmiddellijk aan de toezichthouder en neemt hij de nodige maatregelen om te voldoen aan de emissiegrenswaarden.

 

§ 3.

Alle meetresultaten worden op passende wijze geregistreerd en gepresenteerd.


Subafdeling 5.2.3bis.4.
Voorwaarden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties van biomassa-afval


Art. 5.2.3bis.4.1.

Deze subafdeling is van toepassing op inrichtingen als vermeld in de rubrieken 2.3.4.1, a), en 2.3.4.2, a), van de indelingslijst.

 

Als de bij de verbranding vrijgekomen energie niet wordt teruggewonnen gelden de voorwaarden, vermeld in subafdeling 5.2.3bis.1.


Art. 5.2.3bis.4.2. De exploitant van de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie treft in samenhang met de aflevering en inontvangstneming van de afvalstoffen alle nodige voorzorgsmaatregelen om schadelijke gevolgen voor het leefmilieu, in het bijzonder de verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en grondwater alsook andere negatieve milieueffecten, geuroverlast en geluidshinder, en directe risico’s voor de menselijke gezondheid te voorkomen of, voor zover dat haalbaar is, te beperken.

Art. 5.2.3bis.4.3.

In een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie voor biomassa-afval kunnen alleen die afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand die uitdrukkelijk vermeld zijn in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

Als in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden verbrand of meeverbrand, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.


Art. 5.2.3bis.4.4.

Voor de afvalstoffen bij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in ontvangst worden genomen, volgt de exploitant van de installatie ten minste de volgende inontvangstnemingsprocedure :


controle van de vereiste documenten;

controle van de conformiteit van de aangevoerde afvalstoffen met de schriftelijke gegevens.

 

Als dat relevant is, worden de afvalstoffen daarvoor op een representatieve wijze bemonsterd en geanalyseerd. Daarbij worden de te analyseren parameters zo bepaald dat een sluitende conformiteitscontrole is verzekerd. De daartoe genomen monsters worden tot ten minste één maand na de verbranding bewaard.


Art. 5.2.3bis.4.5.

De exploitant stelt de massa van elke afvalcategorie per vracht vast en, als dat mogelijk is, de categorie overeenkomstig de afvalstoffenlijst, vermeld in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, voordat het afval bij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in ontvangst wordt genomen.

 

Voor installaties en ondernemingen waarin uitsluitend het door de onderneming zelf geproduceerde biomassaafval wordt verbrand of meeverbrand op de plaats waar het werd geproduceerd, zijn het eerste lid en artikel 5.2.3bis.4.4 niet van toepassing.


Art. 5.2.3bis.4.6.

De locaties van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties, met de bijbehorende terreinen voor de opslag van biomassa-afval, worden zodanig ontworpen en geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen in bodem, oppervlaktewater en grondwater wordt voorkomen.

 

De opslagruimte van de aangevoerde afvalstoffen wordt dermate beveiligd dat ongevallen tijdens het afladen van de afvalstoffen worden vermeden.


Art. 5.2.3bis.4.7.

§ 1.

De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie wordt zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de afvalstoffen steeds zo gelijkmatig en volledig mogelijk worden verbrand en dat de emissie minimaal is. Als dat nodig is, worden de afvalstoffen voorbehandeld en in geval van heterogene afvalstoffen worden ze zo goed mogelijk gemengd en homogeen gemaakt.

 

§ 2.

Minstens eenmaal per jaar wordt een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 10 MW afgesteld door de constructeur of installateur. Die afstelling omvat een controle van de procesparameters van de werkende installatie, met een daarop volgende afstelling van die procesparameters zoals vereist is om een zo volledig mogelijke verbranding te realiseren.

 

Het bewijs van afstelling wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 3.

Alle verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties met een nominale thermische capaciteit van meer dan 10 MW worden zodanig uitgerust en geëxploiteerd dat het bij de verbranding ontstane gas, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, op een beheerste en homogene wijze zelfs in de ongunstigste omstandigheden wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 850 °C, gedurende ten minste twee seconden bereikt aan of nabij de binnenwand van de verbrandingskamer. Het temperatuursniveau is een minimale voorwaarde waaraan permanent moet worden voldaan als de inrichting in bedrijf is.

 

§ 4.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van paragraaf 3 worden afgeweken op voorwaarde dat in de verbrandings- of meeverbrandingsoven of in de installatie voor de behandeling van de verbrandingsgassen adequate technieken worden toegepast. Bij de toepassing van die technieken komen de emissieniveaus van dioxinen en furanen overeen met of zijn ze lager dan de niveaus die onder de voorwaarden van paragraaf 3 worden bereikt, is ten minste aan alle emissiegrenswaarden voldaan en mogen niet meer residuen of residuen met een hoger gehalte aan verontreinigende stoffen worden geproduceerd dan te verwachten is onder de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3.


Art. 5.2.3bis.4.8.

§ 1.

Voor het onderscheid tussen « niet-verontreinigd behandeld » en « verontreinigd behandeld » houtafval geldt in geval van twijfel de volgende tabel van richtwaarden voor potentieel aanwezige verontreinigingen. De tabel bevat A-waarden en B-waarden voor eventueel aanwezige verontreinigingen aan zware metalen en gehalogeneerde organische verbindingen, als volgt :

 

 

 Samenstellingsvoorwaarden in mg/kg DS

Verontreinigende stof

A

B

Arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als arseen (As)

2

4

Koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu)

20

40

Lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)

90

180

Chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr)

30

60

Fluor en fluorverbindingen, uitgedrukt als fluor (F)

30

60

Chloor en chloorverbindingen, uitgedrukt als chloor (Cl)

600

1200

Pentachloorfenol

3

6

Benzo-a-pyreen

0,5

1

 

De voorwaarden om te bepalen of aan die samenstellingsvoorwaarden voldaan is, zijn vastgelegd in paragraaf 6.

 

§ 2.

Voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties waarin niet-verontreinigd behandeld houtafval, wordt verbrand, worden op initiatief en op kosten van de exploitant, analyses van ten minste de parameters, vermeld in paragraaf 1, op het te verbranden behandeld houtafval verricht :

voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 5 MW :
a) jaarlijkse bemonstering en analyse bij de verbranding van behandeld houtafval, afkomstig van de eigen productie van houten materialen; 
b) driemaandelijkse bemonstering en analyse bij de verbranding van behandeld houtafval, afkomstig van derden;
voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW;
a) zesmaandelijkse bemonstering en analyse bij de verbranding van behandeld houtafval, afkomstig van de eigen productie van houten materialen;
b) driemaandelijkse bemonstering en analyse bij de verbranding van behandeld houtafval, afkomstig van derden.

 

 

§ 3.

De bemonstering wordt uitgevoerd per afvalstroom die wordt verbrand. Als de te verbranden afvalstoffen die onder eenzelfde Eural-code vallen, door verschillende leveranciers worden aangeleverd, wordt de bemonstering van die afvalstroom per leverancier uitgevoerd. Voor fracties onbehandeld houtafval of louter mechanisch behandeld houtafval zijn geen analyses vereist.

 

§ 4.

Analyses van houtafval kunnen eveneens worden geleverd door leveranciers van het te verbranden houtafval, of leveranciers van materialen waaruit het te verbranden houtafval wordt geproduceerd. Die analyses worden geleverd met de frequentie, vermeld in paragraaf 2. Analyses van leveranciers van houten materialen worden niet aanvaard als de exploitant op het hout nog andere bewerkingen doet die een verontreiniging kunnen veroorzaken.

 

§ 5.

De bemonstering en analyse van het houtafval worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL.

 

Alle analyseresultaten worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 6.

Er wordt voldaan aan de samenstellingsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, als per stroom en per leverancier :

bij jaarlijkse bemonstering geen van de concentraties, vermeld in kolom B, overschreden wordt;
bij zesmaandelijkse bemonstering geen van de concentraties, vermeld in kolom B, overschreden wordt en per kalenderjaar minstens één van de twee metingen voldoet aan de concentraties van kolom A;
bij driemaandelijkse bemonstering geen van de concentraties, vermeld in kolom B, overschreden wordt en per kalenderjaar minstens drie van de vier metingen voldoen aan de concentraties van kolom A;
bij meer dan vier metingen per jaar geen van de concentraties, vermeld in kolom B, overschreden wordt en per kalenderjaar minstens 80 % van de metingen voldoen aan de concentraties van kolom A.

 


Art. 5.2.3bis.4.9.

Voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties van biomassa-afval gelden de voor (mee-) verbranding van biomassa-afval toepasselijke bepalingen van hoofdstuk 5.43.

 

Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 0,3 MW gelden de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 5.43, die van toepassing zijn voor (mee-)verbranding van biomassa-afval en die vastgelegd zijn voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 0,3 tot en met 1 MW.


Art. 5.2.3bis.4.10.

§ 1.

In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden vermeld in hoofdstuk 4.4 en aanvullend op de bepalingen van hoofdstuk 5.43, gelden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties waarin nietverontreinigd behandeld houtafval wordt verbrand, tevens de bepalingen, vermeld in paragraaf 2 tot en met 5.

 

§ 2.

Voor organische stoffen, HCl en HF in de afgassen van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties waarin niet-verontreinigd behandeld houtafval wordt verbrand, gelden de volgende emissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3 :

 

 

verontreinigende stof

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen

tot en met

5 MW

meer dan 5 tot 50 MW

50 MW

en meer

1° gas- en dampvormige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

-

30

15

2° gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

-

3

1,5

3°  gasvormige  anorganische  chloriden,  uitgedrukt  als

HCl

75

75

15

 

De emissiegrenswaarden zijn daarbij gedefinieerd bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen en bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %.

 

§ 3.

De concentratie organische stoffen, HCl en HF in de afgassen van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties waarin niet-verontreinigd behandeld houtafval wordt verbrand, worden op initiatief en kosten van de exploitant gemeten volgens de volgende meetfrequentie :

de concentraties gas- en dampvormige organische verbindingen en HF : ten minste om de zes maanden voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW;
de concentraties HCl : ten minste om de zes maanden.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de frequentie van de periodieke metingen verminderd wordt, op voorwaarde dat de exploitant aan de vergunningverlenende overheid kan bewijzen dat de emissies onder alle omstandigheden minder dan 50 % bedragen van de vastgestelde emissiegrenswaarden.

 

§ 4.

Voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties waarin niet-verontreinigd behandeld houtafval wordt verbrand met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 10MWgeldt voor procesparameters dat :

de temperatuur en het zuurstofgehalte van de verbrandingsgassen in de zone waarin aan de gestelde minimumvoorwaarden voor temperatuur, zuurstofgehalte en verblijftijd moet worden voldaan, continu worden gemeten en geregistreerd. Om technische redenen kan het zuurstofgehalte worden gemeten en geregistreerd zo kort mogelijk bij die zone, op een representatieve plaats;
de tijd dat de verbrandingsgassen op de minimumtemperatuur van 850 °C blijven, onder de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden op passende wijze wordt gecontroleerd en ten minste bij de eerste ingebruikneming van de verbrandingsinstallatie.

 

§ 5.

Bij verbranding of meeverbranding van niet-verontreinigd behandeld houtafval geldt bovendien :

[...]
de toezichthouder wordt vooraf op de hoogte gebracht van de datum en de uitvoerder van de periodieke metingen; indien voor kleine en middelgrote stookinstallaties de meting niet kan uitgevoerd worden op het doorgegeven tijdstip, brengt de exploitant de toezichthouder hiervan uiterlijk 24 uren op voorhand op de hoogte;
[...]
alle meet- en analyseresultaten worden ter inzage gehouden van de toezichthouder. De exploitant registreert, verwerkt en presenteert die resultaten daarbij op zodanige wijze dat de toezichthouder kan nagaan of de vastgestelde voorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd;
de installatie voldoet aan de emissiegrenswaarden, vermeld in paragraaf 2, als de resultaten van alle meetcycli, na verrekening van de nauwkeurigheid vermeld in artikel 4.4.4.2, § 5, de emissiegrenswaarden niet overschrijden.

Art. 5.2.3bis.4.11.

§ 1.

Voor direct gestookte spaandrogers gelden, in afwijking en met uitsluiting van alle algemene emissiegrenswaarden, vermeld in hoofdstuk 4.4 en in afwijking van de sectorale emissiegrenswaarden vermeld in artikel 5.2.3bis.4.9 en artikel 5.2.3bis.4.10, de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.19.1.4, §3.

 

§ 2.

Voor direct gestookte spaandrogers gelden, in afwijking en met uitsluiting van alle algemene meetfrequenties, vermeld in hoofdstuk 4.4 en in afwijking van de sectorale meetfrequenties, vermeld in artikel 5.2.3bis.4.10, de meetfrequenties zoals vermeld in artikel 5.19.1.4, §7.

 

§ 3.

In afwijking van artikel 5.2.3bis.4.10 geldt voor direct gestookte spaandrogers hoofdstuk 4.4 voor de meetmethode en de beoordeling van de meetresultaten.


Art. 5.2.3bis.4.12. Als bij verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties voor biomassa-afval uit de verrichte metingen blijkt dat een of meer emissiegrenswaarden zijn overschreden, meldt de exploitant dat onmiddellijk aan de toezichthouder met toelichting van de maatregelen die genomen zullen worden om binnen de korst mogelijke termijn te voldoen aan de emissiegrenswaarden.

Art. 5.2.3bis.4.13. De warmte die door het verbrandings- of meeverbrandingsproces wordt opgewekt, wordt volgens de beste beschikbare technieken zo veel mogelijk nuttig gebruikt.

Art. 5.2.3bis.4.14.

De as, vliegas en andere reststoffen van de verbranding worden gescheiden gehouden om de meest aangepaste verwerking mogelijk te maken, rekening houdend met de hiërarchie voor de verwerking van afvalstoffen, vermeld in artikel 4.1.6.2.

 

De afvoer van as, vliegas en andere reststoffen gebeurt stofvrij.


Afdeling 5.2.4.
Stortplaatsen van afvalstoffen in of op de bodem


Art. 5.2.4.0.1.

De afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.3.6 en rubriek 2.4.4 van de indelingslijst.


Art. 5.2.4.0.2. Kosten van het storten

De exploitant draagt er zorg voor dat minimaal de volgende kosten worden aangerekend voor het storten van de afvalstoffen op de stortplaats:

-Alle kosten voor de inrichting en de exploitatie van de stortplaats
-De kosten voor het stellen van de financiële zekerheid
-De kosten voor het sluiten en de nazorg

 


Art. 5.2.4.0.3. Overgangsbepalingen

1. Overgangsbepalingen d.d. 1 juni 1995 (samen te lezen met de tekst van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 B.S.: 31 juli 1995).

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.1.2. gelden voor bestaande stortplaatsen de volgende overgangsbepalingen:
1. de verbodsbepalingen van art. 5.2.4.1.2. en de aanvaardingscriteria van art. 5.2.4.1.3.§ 3. en van art. 5.2.4.1.4.§ 2. voor afvalstoffen op stortplaatsen gelden voor alle bestaande stortplaatsen vanaf 1 januari 1997;
2. de bepalingen inzake de periode van nazorg en de nazorgactiviteiten op stortplaatsen (art. 5.2.4.4.6.) gelden vanaf 1 januari 1996 voor de stortplaatsen die niet definitief zijn afgewerkt op 31 december 1995;
3. het jaarlijks rapport waarin verslag wordt uitgebracht van de stortexploitatie of de nazorgactiviteit (art. 5.2.4.4.8.) wordt voor alle bestaande stortplaatsen een eerste maal ingediend 18 maanden na de datum van in werking treden van dit besluit.
2. Overgangsbepalingen in het kader van de implementatie van de Europese richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen.

Voor de stortplaatsen, vergund vóór 16 juli 2001 gelden de volgende overgangsbepalingen:
1. De voorwaarden inzake inrichting en infrastructuur zijn van kracht voor die stortplaatsen of die gedeelten van de stortplaatsen die worden ingericht na 16 juli 2001;

De voorwaarden inzake de uitbating van de stortplaats en de aanvaarding van afvalstoffen op de stortplaats met inbegrip van de algemene bepalingen van afdeling 5.2.1 worden voor alle bestaande stortplaatsen van kracht de eerste van de vierde maand volgend op datum van publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad;

De voorwaarden inzake afwerking en nazorg worden van kracht voor die gedeelten van de stortplaats die:
- worden ingericht na 16 juli 2001, of
- worden in gebruik genomen na publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, of
- niet definitief zijn afgewerkt op 31 december 2005;
2. De exploitant stelt een aanpassingsplan op.

Dit aanpassingsplan dient volgende gegevens te bevatten:
 
  • een toetsing van de bestaande exploitatievoorwaarden aan de bepalingen van afdeling 5.2.1 (met uitzondering van artikel 5.2.1.4) en afdeling 5.2.4.
  • de nodige corrigerende maatregelen om de bestaande exploitatie in overeenstemming te brengen met de nieuwe bepalingen van afdeling 5.2.1 (met uitzondering van artikel 5.2.1.4) en van afdeling 5.2.4.
  • een plan met de aanduiding van het gedeelte van de stortplaats dat zal worden afgewerkt volgens de oude voorwaarden en van het gedeelte dat volgens de nieuwe voorwaarden zal worden afgewerkt.
  • een voorstel tot financiële zekerheid overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

Uiterlijk 16 juli 2002 wordt dit aanpassingsplan in 4 exemplaren ingediend bij de Bestendige Deputatie van de provincie tot wiens ambtsgebied de percelen van de stortplaats behoren.

De vergunningverlenende overheid maakt één exemplaar van het aanpassingsplan over aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen met de vraag om advies en aan de afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving met de vraag om een verslag. De adviezen en het verslag worden binnen de 2 maanden uitgebracht.

Het verslag van de afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving omvat een beoordeling van de huidige exploitatie, alsmede een toetsing van de huidige exploitatie aan de nieuwe bepalingen. Het advies van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen omvat een beoordeling van het volledige aanpassingsplan alsmede een voorstel tot aanpassing van de lopende vergunning.

De Bestendige Deputatie legt het aanpassingsplan voor advies voor aan de provinciale milieuvergunningscommissie.

De vergunningverlenende overheid beslist over het aanpassingsplan binnen een termijn van vier maanden. Tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie kan door de exploitant, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij of de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen binnen een termijn van dertig dagen ingaand de dag na de betekening van de beslissing beroep worden ingesteld bij de Vlaamse minister voor Leefmilieu. De Vlaams minister doet uitspraak over het beroep binnen een termijn van vijf maanden na opnieuw advies van voormelde instanties en van de gewestelijke milieuvergunningscommissie te hebben ingewonnen. Een afschrift van de beslissing(en) over het aanpassingsplan worden betekend aan de exploitant, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, de afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving, de afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen, alsmede aan de gemeente.

Op basis van het aanpassingsplan beslist de vergunningverlenende overheid of de exploitatie al dan niet mag worden voortgezet. Op basis van het goedgekeurde aanpassingsplan voor de stortplaats geeft de vergunningverlenende overheid toestemming voor de noodzakelijke werkzaamheden en bepaalt zij een overgangsperiode voor de uitvoering van het plan. Deze overgangsperiode kan uiterlijk tot 16 juli 2009 lopen. Het door de vergunningverlenende overheid goedgekeurde aanpassingsplan geldt als aanpassing van de lopende vergunning met behoud van de looptijd van de vergunning.

De stortplaatsen waarvoor geen vergunning tot voortzetting van de exploitatie wordt verleend moeten zo spoedig mogelijk en uiterlijk tegen 31 december 2005 worden gesloten overeenkomstig de bepalingen van de eerdere vergunning inzake sluiting en nazorgprocedure.

Indien de exploitant niet tijdig een aanpassingplan indient, moet de stortplaats zo spoedig mogelijk en uiterlijk tegen 31 december 2005 worden gesloten. De stortplaats moet in dat geval worden afgewerkt overeenkomstig de in de vergunning opgelegde voorwaarden.

   
3. Overgangsbepalingen met betrekking tot subafdeling 5.2.4.1 in het kader van de implementatie van de Europese beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen.
a) Overeenkomstig artikel 7 van de Europese beschikking 2003/33/EG heeft de subafdeling 5.2.4.1 en de bijlage 5.2.4.1 uitwerking met ingang van 16 juli 2004, met uitzondering van de criteria van punt B die van kracht worden op 16 juli 2005.
b) Voor de op 16 juli 2005 bestaande en vergunde stortplaatsen waarvoor een toelating tot verdere uitbating is verleend met toepassing van de overgangsbepalingen van punt 2 van onderhavig artikel, gelden de volgende overgangsbepalingen:
1) de stortplaatsen die onder de vroegere subrubriek 2.3.6, a) als categorie 3-stortplaats zijn vergund, blijven voor de termijn van de lopende vergunning als dusdanig vergund onder de nieuwe subrubriek 2.3.6, a); de bepalingen van subafdeling 5.2.4.1 voor stortplaatsen categorie 3 zijn hierop van toepassing;
2) de bestaande en vergunde stortplaatsen voor asbestcementafval die als categorie 3-stortplaats zijn vergund, blijven voor de termijn van de lopende vergunning vergund, opgesplitst in enerzijds onder de nieuwe subrubriek 2.3.6.c).3) als monostortplaats voor asbesthoudend bouwmateriaal waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is en anderzijds onder de nieuwe subrubriek 2.3.6.a).1) als stortplaats voor inerte afvalstoffen;
3) de stortplaatsen die onder de vroegere subrubriek 2.3.6, b) als categorie 2-stortplaats zijn vergund, blijven voor de termijn van de lopende vergunning als dusdanig vergund onder de nieuwe subrubriek 2.3.6, b); de bepalingen van subafdeling 5.2.4.1 voor stortplaatsen categorie 2 zijn hierop van toepassing;
4) de stortplaatsen die onder de vroegere subrubriek 2.3.6, c) als categorie 1-stortplaats zijn vergund, blijven voor de termijn van de lopende vergunning vergund als opgesplitst in enerzijds een categorie 1-stortplaats en anderzijds een categorie 2-stortplaats onder de nieuwe subrubriek 2.3.6, b); de bepalingen van subafdeling 5.2.4.1 voor stortplaatsen categorie 1 respectievelijk stortplaatsen categorie 2 zijn hierop van toepassing;
5) voor alle bestaande vergunde stortplaatsen geldt dat enkel die afvalstoffen of groepen van afvalstoffen mogen worden aanvaard waarvoor in de milieuvergunning expliciet vergunning is verleend;
6) de exploitant van een stortplaats als bedoeld in punt 3) of 4) is er toe gehouden uiterlijk voor 1 december 2006 bij wijze van mededeling kleine verandering aan de vergunning verlenende overheid kenbaar te maken onder welke subcategorieën van categorie 2 en/of van categorie 1 de bestaande stortplaats valt.

 


Subafdeling 5.2.4.1.
De aanvaarding van afvalstoffen op de stortplaats


Art. 5.2.4.1.1.

§ 1.

Deze subafdeling schrijft de uniforme indeling en de aanvaardingsprocedure voor afvalstoffen voor overeenkomstig de bijlage bij de Europese Beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II bij EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen, zoals vastgesteld door deze subafdeling.

 

§ 2.

Punt A van deze subafdeling schrijft de procedure voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van afvalstoffen op stortplaatsen voor. Deze procedure bestaat uit de basiskarakterisering, een controletest en de verificatie ter plaatse.

 

§ 3.

Punt B van deze subafdeling schrijft de aanvaardingsplicht voor elke stortplaats voor. Afvalstoffen mogen alleen op een stortplaats worden aanvaard als zij voldoen aan de aanvaardingscriteria van de desbetreffende stortplaatscategorie.

 

 

 

§ 4.

Punt C van deze subafdeling geeft een overzicht van de te gebruiken methoden voor het bemonsteren en testen van afvalstoffen.


Art. 5.2.4.1.2.

§ 1.

De volgende afvalstoffen mogen niet op een stortplaats worden aanvaard:

 

afvalstoffen waarvoor krachtens het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en zijn uitvoeringsbesluiten een stortverbod geldt;
vloeibare afvalstoffen of afvalstoffen met onvoldoende draagkracht, uitgezonderd:
a) hydraulisch getransporteerde afvalstoffen die gestort worden in functie van de ontwatering ervan, in een daartoe ingericht en vergund ontwateringsbekken al dan niet deel uitmakend van de stortplaats;
b) afvalstoffen in brij- of pasteuze vorm afkomstig van de fysico-chemische immobilisatiebehandeling van afvalstoffen met het oog op de uitharding voor zover die afvalstoffen uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn toegelaten en mits naleving van de daartoe in de vergunning gestelde bijzondere voorwaarden;
afvalstoffen die onder de op de stortplaats heersende omstandigheden ontplofbaar, corrosief, oxiderend, licht ontvlambaar of ontvlambaar zijn, zoals omschreven in [het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
afvalstoffen die meer dan 0,1% acuut toxische organische stoffen van gevarencategorie 1 en 2 volgens de CLP-verordening bevatten, uitgedrukt op de watervrije afvalstof;
[...]
afvalstoffen waarvan het percolaat, rekeninghoudend met mogelijke interacties met het percolaat van andere gestorte afvalstoffen, de afsluitlaag of de percolaatdrainage zou kunnen aantasten of de goede werking ervan zou kunnen schaden;
ziekenhuisafval en andere klinische afvalstoffen, afkomstig van medische of diergeneeskundige instellingen, die infectueus zijn zoals omschreven in Richtlijn 91/689/EEG (eigenschap H9 van bijlage III), en afvalstoffen behorende tot categorie 14 (bijlage I, deel A) van die Richtlijn;
gebruikte banden; deze verbodsbepaling geldt niet voor fietsbanden en banden met een buitendiameter van meer dan 1.400 mm;
alle andere soorten afvalstoffen die niet voldoen aan de geldende aanvaardingscriteria; het is verboden afvalstoffen te verdunnen of te vermengen uitsluitend om aan de aanvaardingscriteria te voldoen.

 

§ 2.

Met behoud van toepassing van de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en - mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik kunnen afvalstoffen die, uitgedrukt op de watervrije afvalstof:

[...]


 
[...] giftige anorganische stoffen bevatten in concentraties groter dan de drempelwaarde waarbij aan mengsels ervan de gevarenklassen en categorieën acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, specifieke doelorgaantoxiciteit na eenmalige blootstelling categorie 1 of specifieke doelorgaantoxiciteit bij herhaalde blootstelling categorie 1 op basis van de toxicologische eigenschappen van de stoffen (met gevaarsaanduiding H300, H301, H310, H311, H330, H331, H370, of H372) wordt gegeven (verordening 1272/2008 van 16 december 2008), slechts gestort worden met naleving van de volgende voorwaarden:
a) om de risico’s voor mens en milieu tot een strikt minimum te beperken en om aan de geldende aanvaardingscriteria te voldoen, kan het noodzakelijk zijn om de afvalstoffen voor te behandelen zodat de aanwezige giftige verbindingen zo goed mogelijk worden omgelegd naar minder giftige verbindingen, waarbij evenwel de verkregen chemische vorm van het giftig metaal minder uitloogbaar moet zijn;
b) de afvalstoffen worden in zoutcelcondities op een categorie 1-stortplaats gestort, zodat in alle opzichten een nulemissie wordt bereikt. Daaronder wordt verstaan dat de afvalstoffen fysisch worden ingekapseld. Er mag meer bepaald geen enkele emissie optreden door manipulatie van de afvalstoffen, door percolaat of door verspreiding van stof of dergelijke.

 

§ 3.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit aanvaardt de exploitant van een openbare stortplaats binnen de perken van zijn vergunning afvalstoffen aangevoerd door derden en afkomstig uit het verwerkingsgebied zoals vastgelegd in het Afvalstoffenplan waarin de stortplaats gelegen is.

 

§ 4.

In afwijking van artikel 5.2.4.1.2, § 1, 2°, mag metallisch kwik dat als afval wordt beschouwd, tijdelijk worden opgeslagen in een adequate omhulling gedurende meer dan een jaar in bovengrondse faciliteiten die bestemd zijn en uitgerust zijn voor de voorlopige opslag van metallisch kwik. In dit geval zijn de criteria opgenomen in artikel 5.2.4.1.10 niet van toepassing.


A.
Procedure voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen

Art. 5.2.4.1.3. Basiskarakterisering

Basiskarakterisering is de eerste stap in de aanvaardingsprocedure en houdt een volledige karakterisering van de afvalstoffen in door het verzamelen van alle benodigde informatie voor het veilig verwijderen van de afvalstoffen op lange termijn. Voor elk type afvalstof is basiskarakterisering vereist.

 

Voor deze basiskarakterisering geldt het volgende:

Basiskarakterisering heeft de volgende functies:
a) basisinformatie over de afvalstoffen (type en herkomst, samenstelling, consistentie, uitloogbaarheid en - zo nodig en beschikbaar - andere karakteristieke eigenschappen);
b) basisinformatie voor het verwerven van inzicht in het gedrag van afvalstoffen op stortplaatsen en opties voor behandeling als vastgesteld in de afdeling 5.2.4 van dit besluit;
c) beoordeling van afvalstoffen aan de hand van grenswaarden;
d) vaststelling van de belangrijkste variabelen (kritische parameters) voor het uitvoeren van de controletest en opties voor de vereenvoudiging van deze test (wat moet leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal te meten bestanddelen, maar uitsluitend na overlegging van de relevante informatie); karakterisering kan verhoudingen tussen basiskarakterisering en resultaten van vereenvoudigde testprocedures opleveren alsmede frequentie van controletests.

 

Als de basiskarakterisering van een afvalstof laat zien dat de stof voldoet aan de in punt B van deze subafdeling vervatte criteria voor een stortplaatscategorie, wordt de stof geacht aanvaardbaar te zijn voor deze stortplaatscategorie. Indien de afvalstof niet aan de criteria voldoet, is deze niet aanvaardbaar voor deze stortplaatscategorie.

De producent van de afvalstoffen, of de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer ervan, is er tevens verantwoordelijk voor dat de informatie aangaande de karakterisering correct is.

De exploitant bewaart de vereiste informatie gedurende een periode van 10 jaar.

De essentiële eisen voor basiskarakterisering van de afvalstoffen zijn de volgende:
a) bron en oorsprong van de afvalstoffen;
b) informatie over het proces waarbij de afvalstoffen zijn geproduceerd (beschrijving en kenmerken van grondstoffen en producten);
c) beschrijving van de afvalbehandeling die is toegepast krachtens afdeling 5.2.4 van dit besluit of een verklaring van redenen waarom zulk een behandeling niet noodzakelijk wordt geacht;
d) gegevens over de samenstelling van de afvalstoffen en het uitlooggedrag indien van toepassing;
e) uiterlijk van de afvalstoffen (geur, kleur, fysische vorm);
f) code volgens de Europese lijst van afvalstoffen zoals opgenomen in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
g) voor gevaarlijke afvalstoffen ingeval van spiegelcategorieën: de desbetreffende gevaarlijke eigenschappen overeenkomstig bijlage III van Richtlijn 91/689/EG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen, als vermeld in afdeling 4.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
h) informatie waaruit blijkt dat de afvalstoffen niet onder de uitsluitingen van artikel 5.2.4.1.2 vallen;
i) de stortplaatscategorie waarin de afvalstoffen kunnen worden aanvaard;
j) zo nodig, aanvullende voorzorgsmaatregelen op de stortplaats;
k) nagaan of recycling of nuttige toepassing van de afvalstoffen mogelijk is.
In de regel dient een afvalstof te worden getest om informatie, vermeld in 2°, te verkrijgen. Behalve het uitlooggedrag dient de samenstelling van het afval bekend te zijn of door uitvoering van tests te worden vastgesteld. De voor de basiskarakterisering gebruikte tests dienen ook die voor het uitvoeren van de controle te omvatten.

De inhoud van de karakterisering, de mate waarin laboratoriumproeven nodig zijn en de relatie tussen basiskarakterisering en controletest hangen af van het type afval. Er valt een onderscheid te maken tussen:
a) Afval dat regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat.

Hierbij gaat het om één afvalstof met een constante samenstelling die regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat, waarbij:
t) de installatie en het proces die de afvalstoffen doen ontstaan, genoegzaam bekend zijn en het uitgangsmateriaal voor het proces en het proces zelf nauwkeurig zijn omschreven;
u) de exploitant van de installatie alle benodigde informatie verstrekt en de exploitant van de stortplaats informeert over veranderingen in het proces (met name veranderingen in het uitgangsmateriaal).

Het proces zal veelal in dezelfde installatie plaatsvinden. De afvalstoffen kunnen ook van verschillende installaties afkomstig zijn, als kan worden vastgesteld dat het één enkele afvalstroom met gemeenschappelijke kenmerken binnen bekende grenzen betreft (bijvoorbeeld bodemas afkomstig van de verbranding van huishoudelijk afval).

Voor deze afvalstoffen zal de basiskarakterisering bestaan uit de essentiële eisen, bedoeld in 2° en met name uit het volgende:
1) spreiding in de samenstelling van de afzonderlijke afvalstoffen;
2) spreiding en variabiliteit van karakteristieke eigenschappen;
3) indien nodig, de uitloogbaarheid van de afvalstoffen zoals bepaald door middel van een schudproef en/of een kolomproef en/of een pH-afhankelijkheidsproef;
4) belangrijkste variabelen die regelmatig moeten worden getest.

Als de afvalproductie tijdens hetzelfde proces in verschillende installaties plaatsheeft, dient informatie te worden verstrekt over de omvang van de evaluatie. Het aantal metingen moet derhalve groot genoeg zijn om de spreiding en variabiliteit van de karakteristieke eigenschappen in beeld te brengen. Het afval kan dan als gekarakteriseerd worden aangemerkt en wordt daarna slechts ter controle getest, tenzij er zich in de ontstaansprocessen belangrijke veranderingen voordoen.

Voor afvalstoffen, afkomstig van hetzelfde proces in dezelfde installatie, mogen de resultaten van de metingen slechts geringe variaties in de eigenschappen van de afvalstoffen vertonen in vergelijking met de toepasselijke grenswaarden. Het afval kan dan als gekarakteriseerd worden aangemerkt en wordt daarna slechts ter controle getest, tenzij er zich in de ontstaansprocessen belangrijke veranderingen voordoen.

De eigenschappen van afval, afkomstig van installaties voor het opbulken of mengen van afval, afvaloverslagstations of gemengde afvalstromen afkomstig van afvalinzamelingspunten kunnen aanzienlijke variaties vertonen. Bij de basiskarakterisering dient hiermee rekening te worden gehouden. Dit afval kan onder geval b) vallen.
b) Afval dat niet regelmatig ontstaat.

Het betreft hier afvalstoffen die niet regelmatig tijdens hetzelfde proces in dezelfde installatie ontstaan en die geen deel uitmaken van een gekarakteriseerde afvalstroom. Voor elke partij van dergelijk afval is karakterisering vereist. De basiskarakterisering dient de essentiële eisen voor deze karakterisering te omvatten. Aangezien elke partij afval moet worden gekarakteriseerd, is uitvoering van controletests niet noodzakelijk.

De onder a) en b) genoemde karakteriseringen zullen informatie verschaffen die rechtstreeks kan worden vergeleken met aanvaardingscriteria voor de desbetreffende stortplaatscategorie en bovendien kan beschrijvende informatie worden verstrekt (bijvoorbeeld de gevolgen van het storten van dit afval samen met huishoudelijk afval).
In de volgende gevallen zijn tests voor de basiskarakterisering niet nodig:
a) de afvalstoffen staan op een lijst van stoffen waarvoor geen tests vereist zijn, zoals bepaald in punt B;
b) alle benodigde informatie voor de basiskarakterisering is bekend en naar behoren gemotiveerd ten genoegen van de OVAM;
c) bepaalde typen afval waarvoor het testen niet uitvoerbaar is of passende testprocedures en aanvaardingscriteria ontbreken. Dit dient te worden gemotiveerd en gedocumenteerd, met omschrijving van de redenen waarom het afval aanvaardbaar wordt geacht voor deze stortplaatscategorie.

 


Art. 5.2.4.1.4. Controletest

§ 1.

Wanneer afval op grond van een basiskarakterisering overeenkomstig punt A als aanvaardbaar voor een stortplaatscategorie is aangemerkt, dient het afval vervolgens aan controletests te worden onderworpen om te bepalen of het afval in overeenstemming is met de resultaten van de basiskarakterisering en de in punt B vervatte toepasselijke aanvaardingscriteria.

 

§ 2.

Controletests hebben tot doel het periodiek testen van regelmatig ontstane afvalstromen.

 

De te testen toepasselijke parameters worden tijdens de basiskarakterisering bepaald. De parameters dienen te worden gerelateerd aan de uit deze karakterisering verkregen informatie; er is alleen een controle van kritische parameters (belangrijkste variabelen) nodig, zoals die tijdens de basiskarakterisering zijn vastgesteld. De controle moet laten zien dat het afval aan de grenswaarden voor de kritische parameters voldoet.

 

De voor uitvoering van de controletest gebruikte tests dienen deel uit te maken van de tests van de basiskarakterisering. Bij de controletests moet ten minste een schudproef worden uitgevoerd. Daarbij dienen de in punt C vermelde methoden te worden gebruikt.

 

§ 3.

Afval dat overeenkomstig artikel 5.2.4.1.3, 4° a) en c), vrijgesteld is van de tests voor basiskarakterisering, is ook vrijgesteld van controletests. Wel dient te worden nagegaan of dit afval in overeenstemming is met de informatie voor de basiskarakterisering die geen verband houdt met het testen.

 

Controletests dienen ten minste eenmaal per jaar te worden uitgevoerd en de exploitant dient er in ieder geval voor te zorgen dat uitvoering van deze tests gebeurt in een omvang en frequentie die zijn bepaald op grond van de basiskarakterisering.

 

§ 4.

De testresultaten dienen te worden bewaard gedurende een periode van 10 jaar.


Art. 5.2.4.1.5. Verificatie ter plaatse

§ 1.

Voor elke op een stortplaats afgeleverde lading afval vindt voor en na het lossen visuele inspectie plaats. Tevens vindt controle van de vereiste documentatie plaats.

 

Voor afval dat door de producent van het afval op een onder zijn beheer vallende stortplaats wordt gestort, mag deze verificatie op het punt van verzending plaatsvinden.

 

§ 2.

Het afval mag op de stortplaats worden aanvaard, als het hetzelfde is als het afval dat aan de basiskarakterisering en controletests is onderworpen en in de bijbehorende documenten wordt beschreven. Is aan deze voorwaarde niet voldaan, dan mag het afval niet worden aanvaard.

 

De testvereisten voor verificatie ter plaatse zijn vastgesteld in punt B.

 

§ 3.

Bij de aflevering worden periodiek monsters genomen. De genomen monsters worden na aanvaarding van het afval bewaard gedurende een periode van een maand.


B.
Criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen

Art. 5.2.4.1.6. Criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen

§ 1.

Dit punt B beschrijft de criteria voor het aanvaarden van afvalstoffen in elke stortplaatscategorie, met inbegrip van de criteria voor ondergrondse opslagplaatsen.

 

§ 2.

In bepaalde gevallen zijn maximaal driemaal zo hoge grenswaarden voor in dit punt vermelde specifieke parameters

 

(behalve opgeloste organische koolstof ( "Dissolved Organic Carbon" of "DOC" ) in artikel 5.2.4.1.7, § 4, 1°, artikel 5.2.4.1.8, § 5, artikel 5.2.4.1.9, § 3 en artikel 5.2.4.1.10, § 4, BTEX, PCB’s en minerale olie in artikel 5.2.4.1.7, § 4, 2°, totaal organische koolstof ( "Total Organic Carbon" of "TOC" ) en pH in artikel 5.2.4.1.9, § 4 en gewichtsverlies bij gloeien ( "Loss on Ignition" "LOI" ) en/of TOC in artikel 5.2.4.1.10, § 5, en met beperking van de mogelijke verhoging van de grenswaarde voor TOC in artikel 5.2.4.1.7, § 4, 2° tot twee maal de grenswaarde) aanvaardbaar, indien:

dit is bepaald in de afvalspecifieke vergunning voor de ontvangende stortplaats, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van de stortplaats en haar omgeving, en
de emissies (inclusief percolaat) van de stortplaats, rekening houdend met de in dit punt voor die specifieke parameters genoemde grenswaarden, op basis van een risicoanalyse geen extra risico voor het milieu zullen opleveren.

Art. 5.2.4.1.7. Criteria voor stortplaatsen voor inerte afvalstoffen

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2, § 1 kunnen op een categorie 3 stortplaats als vermeld in subrubriek 2.3.6, a) van de indelingslijst, inerte afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1.2 "Definities afvalstoffenverwerking", die voldoen aan de in § 4 vermelde criteria, worden gestort.

 

Het betreft meer bepaald volgende afvalstoffen:

afvalstoffen, afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken met uitzondering van asbesthoudende afvalstoffen, asfalt, hout, plastiek en andere kunststoffen aangewend in de bouwsector;
afvalstoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of kwartair tijdperk behoren (zand-, klei-, leem, mergel en grindafzettingen);
andere inerte afvalstoffen die voldoen aan de criteria, vermeld in § 4;

 

§ 2.

Als beperking op § 1 mogen op een categorie 3 stortplaats slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn toegelaten. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

De afvalstoffen in de navolgende beknopte lijst worden geacht te voldoen aan de criteria, vermeld in de definitie van inerte afvalstoffen van artikel 1.1.2 "Definities afvalstoffenverwerking" en de criteria, vastgesteld in § 4. De afvalstoffen mogen zonder tests op een stortplaats van categorie 3 worden toegelaten.

 

Het afval dient uit één enkele stroom (slechts één bron) van één afvaltype te bestaan. Verschillende afvalstoffen op de lijst kunnen te samen worden aanvaard, mits ze van dezelfde bron afkomstig zijn.

 

In geval van een vermoeden van vervuiling (op grond van ofwel visuele inspectie ofwel kennis van de oorsprong van het afval) dienen tests plaats te vinden of dient het afval te worden geweigerd. Als de in de lijst voorkomende afvalstoffen zo sterk vervuild zijn of zoveel ander materiaal of andere stoffen, zoals metalen, asbest, kunststoffen of chemische stoffen, bevatten dat het risico van de afvalstoffen dermate wordt verhoogd dat ze op stortplaatsen van andere klassen dienen te worden gestort, is aanvaarding ervan op een stortplaats voor inerte afvalstoffen niet toegestaan.

 

Als niet met zekerheid is vast te stellen dat de afvalstoffen in overeenstemming zijn met de definitie van inerte afvalstoffen van artikel 1.1.2 "Definities afvalstoffenverwerking" en de criteria van § 4 of dat de afvalstoffen niet zijn vervuild, moeten tests plaatsvinden. Daarbij moeten de methoden, vermeld in punt C, worden gebruikt.

 

EURAL-code Beschrijving Restricties
1011 03 Vezelmateriaal op basis van afvalglas Alleen zonder organische bindmiddelen
1501 07 Glasverpakking  
1701 01 Beton Alleen geselecteerd bouw- en sloopafval (*)
1701 02 Bakstenen Alleen geselecteerd bouw- en sloopafval (*)
1701 03 Tegels en keramiek Alleen geselecteerd bouw- en sloopafval (*)
1701 07 Mengsels van beton, bakstenen, tegels en keramiek Alleen geselecteerd bouw- en sloopafval (*)
1702 02 Glas  
1705 04 Grond en stenen Uitgezonderd teelaarde, turf; uitgezonderd grond en stenen afkomstig van vervuilde locaties
1912 05 Glas  
2001 02 Glas Alleen gescheiden ingezameld glas
2002 02 Grond en stenen Alleen afkomstig van tuin- en parkafval; teelaarde en turf uitgezonderd

 

(*) Geselecteerd bouw- en sloopafval: met lage concentraties van andere typen materialen (zoals metalen, kunststof, organische stoffen, hout of rubber). De oorsprong van het afval moet bekend zijn.

 

o Geen bouw- en sloopafval afkomstig van gebouwen vervuild met anorganische of organische gevaarlijke stoffen, bijvoorbeeld vanwege productieprocessen in het gebouw, bodemvervuiling of opslag en gebruik van pesticiden of andere gevaarlijke stoffen, tenzij duidelijk is aangetoond dat het gesloopte gebouw niet ernstig was vervuild.

 

o Geen bouw- en sloopafval afkomstig van gebouwen die zijn behandeld, bedekt of beschilderd met materialen die aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten.

 

Afvalstoffen die niet in deze lijst voorkomen, moeten aan de tests worden onderworpen die zijn vastgesteld in bijlage 5.2.4.1 om te bepalen of ze voldoen aan de criteria voor afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op stortplaatsen van categorie 3 zoals bepaald onder § 4.

 

 

§ 4.

De grenswaarden voor afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op stortplaatsen voor inerte afvalstoffen zijn vastgesteld als volgt:

Grenswaarden voor uitloging

De volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing op afval dat aanvaardbaar is op stortplaatsen voor inerte afvalstoffen, berekend bij een verhouding vloeistof/vaste stof (L/S) van 10 l/kg voor totale afgifte.
 
Componenten L/S = 10 l/kg

 

mg/kg droge stof

As

0,5

Ba

20

Cd

0,04

Crtotaal

0,5

Cu

2

Hg

0,01

Mo

0,5

Ni

0,4

Pb

0,5

Sb

0,06

Se

0,1

Zn

4

Chloride

800

Fluoride

10

Sulfaat

1000 (*)

Fenolindex

1

DOC (**)

500

TDS (***)

4000


(*) als de afvalstoffen niet aan deze waarden voor sulfaat voldoen, kunnen ze toch als in overeenstemming zijnde met de aanvaardingscriteria worden beschouwd als de uitloging een van de volgende waarden niet overschrijden 1 500 mg/l uitgedrukt als C0 bij L/S 0,1 l/kg en 6 000 mg/kg bij L/S = 10 l/kg. Er zal een kolomproef nodig zijn om de grenswaarde te bepalen bij L/S = 0,1 l/kg onder omstandigheden van initieel evenwicht, terwijl de waarde bij L/S = 10 l/kg kan worden bepaald door ofwel een schudproef ofwel een kolomproef onder omstandigheden die lokaal evenwicht benaderen.

(**) als de afvalstoffen hij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 500 mg/kg. (Er is een ontwerpmethode beschikbaar op basis van de voorlopige EN 14429.)

(***) de waarde voor totaal opgeloste vaste stoffen ("Totaal Opgeloste Vaste Stoffen" (TDS)) kan als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt.
Grenswaarden voor het totaalgehalte van organische parameters

Behalve aan de in punt 1° vermelde grenswaarden voor uitloging dienen inerte afvalstoffen aan de volgende aanvullende grenswaarden te voldoen:
 

Parameter

Waarde mg/kg

TOC (totaal organische koolstof)

30000 (*)

BTEX
Benzeen
Ethylbenzeen
Styreen
Tolueen
Xyleen
BTEX som
 
0,5
5
1,5
6
6
som < 6

PCB's (polychloorbifenylen, 7 congeneren)

1

Minerale olie (C10 t/m C40)

500

PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen):
Benzo(a)antraceen
Benzo(a)pyreen
Benzo(ghi)peryleen
Benzo(b)fluoranteen
Benzo(k)fluoranteen
Chryseen
Fenantreen
Fluoranteen
Indeno(1,2,3cd)pyreen
Naftaleen
 
35
8.5
35
55
55
400
30
40
35
20

 

(*) in het geval van grond kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een hogere grenswaarde worden toegestaan, mits voor DOC een waarde van 500 mg/kg niet overschreden wordt bij L/S 10 l/kg en de pH-waarde van de grond zelf dan wel een pH tussen 7.5 en 8.

 


Art. 5.2.4.1.8. Criteria voor stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2, § 1, 5.2.4.1.9 en 5.2.4.1.10 kunnen op een stortplaats van categorie 2, bedoeld in subrubriek 2.3.6, b) van de indelingslijst, de volgende afvalstoffen van huishoudelijke of andere herkomst, worden gestort:

huishoudelijke afvalstoffen die langs de normale ophaalbeurten door de gemeente of in haar opdracht worden opgehaald, met uitzondering van de afvalstoffen die gezien de recuperatieverplichtingen selectief werden ingezameld of opgehaald;
met huishoudelijke afvalstoffen gelijkgestelde afvalstoffen;
bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen;
volgende afvalstoffen:
a) steekvaste afvalstoffen afkomstig van vetvangers van huishoudelijke aard;
b) steekvaste afvalstoffen afkomstig van het normaal onderhoud van openbare rioleringsnetten;
c) zand en roostergoed van rioolwaterzuiveringsinstallaties;
d) zuiveringsslib van het behandelen of bereiden van drinkwater;
e) zuiveringsslib van het biologisch behandelen van afvalwater en rioolwater;
f) bodemas van de verbranding van huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van de vliegas en andere afvalstoffen afkomstig van de afgasbehandelingsinstallatie;
andere biologisch afbreekbare afvalstoffen van de levensmiddelensector; plantsoenafval, tuinafval, boom- en wortelstronken;
puin, afbraakmaterialen met uitzondering van asbesthoudende afvalstoffen;
niet-risicohoudend medisch afval, afkomstig van de geneeskundige praktijk;
niet gevaarlijke afvalstoffen van ieder andere oorsprong die voldoen aan de aanvaardingscriteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen voor niet gevaarlijk afval;
stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen (bijV. — verharde of verglaasde afvalstoffen) met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van de niet gevaarlijke afvalstoffen en die voldoen aan de vastgestelde criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen voor niet gevaarlijk afval; deze gevaarlijke afvalstoffen worden niet gestort in cellen die zijn bestemd voor biologisch afbreekbare niet gevaarlijke afvalstoffen.

 

 

§ 2.

Als beperking op § 1 mogen op een stortplaats van categorie 2 slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn toegelaten. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

De volgende afvalstoffen zijn zonder tests aanvaardbaar op stortplaatsen van categorie 2:

 

huishoudelijk afval alsmede andere afvalstoffen die gezien hun aard of samenstelling met huishoudelijk afval kunnen worden gelijkgesteld, die zijn ingedeeld als niet gevaarlijk in hoofdstuk 20 van de Europese afvalstoffenlijst als vermeld in de bijlage 2.1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, gescheiden ingezamelde niet gevaarlijke fracties van huishoudelijk afval en dezelfde niet gevaarlijke materialen van andere oorsprong.

 

Het afval mag niet worden toegelaten als het niet vooraf is behandeld, of als het zo sterk is vervuild dat het risico van de afvalstoffen zodanig wordt verhoogd dat ze op stortplaatsen van andere categorieën dienen te worden gestort.

 

Het afval mag niet worden aanvaard in cellen waar stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen worden aanvaard overeenkomstig de criteria van § 4 van dit artikel.

 

§ 4.

Als overige criteria gelden:

extraheerbare apolaire koolwaterstoffen: ≤ 2 Gew.- % op de watervrije afvalstof;
totaal oplosmiddelen (aspecifiek): ≤ 1 Gew.- % op de watervrije afvalstof;
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen: ≤ 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof;
voor de steekvastheid van slib wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd: afschuifspanning ≥ 10 kN/m2.

In ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven.

 

Het voldoen aan de aanvaardbaarheidscriteria kan worden aangenomen op basis van de aard en herkomst van de afvalstoffen.

 

§ 5.

De volgende grenswaarden gelden voor niet gevaarlijke afvalstoffen:

de volgende grenswaarden zijn van toepassing op korrelvormige niet gevaarlijke afvalstoffen, die in dezelfde cel worden aanvaard als stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.
 

Componenten

L/S = 10 l/kg

 

mg/kg droge stof

As

2

Ba

100

Cd

1

Crtotaal

10

Cu

50

Hg

0,2

Mo

10

Ni

10

Pb

10

Sb

0,7

Se

0,5

Zn

50

Chloride

15.000

Fluoride

150

Sulfaat

20.000

DOC (*)

800

TDS (**)

60.000


(*) als de afvalstoffen hij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 mg/kg. (Er is een ontwerpmethode beschikbaar op basis van de voorlopige EN 14429.)

(**) de waarde voor totaal opgeloste vaste stoffen ("Totaal Opgeloste Vaste Stoffen" (TDS)) kan als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt.
[...]

 

 

§ 6.

Niet gevaarlijke materialen op gipsbasis mogen alleen op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen worden gestort in cellen waarin geen biologisch afbreekbaar afval wordt aanvaard. De grenswaarden voor TOC en DOC die in artikel 5.2.4.1.9, § 3 en § 4 worden vermeld, gelden voor afval dat samen met materialen op gipsbasis wordt gestort.

 

§ 7.

In afwijking van de bepalingen van artikel 5.2.4.1.8, § 4 en 5.2.4.1.8, § 5, gelden voor stortplaatsen voor uitsluitend anorganische niet gevaarlijke afvalstoffen met een laag gehalte aan organisch/biologisch afbreekbare stoffen, waarbij het afval niet voldoet aan de criteria bepaald in artikel 5.2.4.1.8, § 5, 1° (subrubriek 2.3.6.b), 3)), de volgende voorwaarden:

extraheerbare apolaire koolwaterstoffen: ≤ 5 Gew.- % op de watervrije afvalstof met als aanbevolen analysemethoden EPA 9071, AAC 3/R;
totaal oplosmiddelen (aspecifiek): ≤ 3 Gew.- % op de watervrije afvalstof met als aanbevolen analysemethode AAC 3/Q »;
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen: ≤ 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof met als aanbevolen analysemethode AAC 3/N;
wateroplosbaar gedeelte: < 10 Gew.- % op de watervrije afvalstof, met als aanbevolen analysemethode : gewichtsverlies na extractie volgens DIN 38414-S4;
tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit:
a) ofwel, verlies door uitgloeiing van het droge bestanddeel van de afvalstof tengevolge van de ontbinding van organische stoffen, uitgezonderd vaste polymeren en asfalt: < 10 gewichtsprocent,
b) ofwel, totaal organische koolstof, uitgezonderd de koolstof vervat in vaste polymeren of asfalt, op het droge bestanddeel van de afvalstof: < 6 %;

voor de toepassing van deze bepalingen wordt met vaste polymeren bedoeld de kunststoffen in vaste vorm zoals folies, granulaten, voorwerpen, vaste brokken;

aanbevolen analysemethode:
- gloeiverlies: DIN 38414-S3, AAC2/II/A.2;
- totaal organische koolstof: AAC2/II/A.7;
c) voor iedere afvalstroom wordt bij de basiskarakterisering een bepaling van het DOC-gehalte opgenomen. De richtwaarde voor het DOC-gehalte bedraagt 800 mg/kg droge stof. Voor stromen die de richtwaarde overschrijden gaan de afvalproducenten in samenwerking met de stortplaatsexploitant na welke stoffen de gemeten DOC-waarden veroorzaken. De resultaten van de DOC-metingen en de bevindingen inzake de oorzaken van de verhoogde DOC-gehaltes worden opgenomen in het jaarrapport, vermeld in artikel 5.2.4.6.5. 
voor de steekvastheid van slib wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd: afschuifspanning > 10 kN/m2, met als aanbevolen methode AAC2filA.4 of een gelijkwaardige grondmechanische methode;

in ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven;
uitlooggedrag: het uitlooggedrag wordt bepaald volgens de analysemethode beschreven in de norm DIN 38414-S4; de afvalstoffen mogen slechts op de stortplaats worden aanvaard indien het eluaat beantwoordt aan volgende waarden:
 

Parameter

Grenswaarde

Aanbevolen analysemethode

pH

4 -13

DIN 38404-C5

ISO/DIS/10523

AAC 2/I/A.1

Fenolen (fenolindex) Arseen

< 100 mg/l < 1,0 mg/l

DIN 38409-H16

ISO 6439

DIN 38405-D18

ISO/DIS 11969 en 11885

NF T90-119

AAC 2/I/.2

Lood

< 2,0 mg/l

DIN 38406-E6

ISO 8288 en ISO/DIS 11885

NF T90-119

AAC 2/I/B.1 en B.2

Cadmium

< 0,5 mg/l

DIN 38406-E19

ISO 8288 en ISO/DIS 11885

NF T90-119

AAC 2/I/B.1 en B.2

Chroom VI

< 0,5 mg/l

DIN 38405-D24

ASTM D1687

AAC 2/I/B.6

Koper

< 10 mg/l

DIN 38406-E7

ISO 8288 en ISO/DIS 11885

NF T90-119

AAC 2/I/B.1 en B.2

Nikkel

< 2,0 mg/l

DIN 38406-E11

ISO 8288 en ISO/DIS 11885

NF T90-119

AAC 2/I/B.1 en B.2

Kwik

< 0,1 mg/l

DIN 38406-E12

ISO 5666/1-2 en 5666-3

AAC 2/I/B.3

Zink

< 10 mg/l

DIN 38406-E8

AAC 2/I/B.1 en B.2

Fluoride

< 50 mg/l

ISO 10359-1 en 10304-1

DIN 38405-D4

AAC 2/I/C.1

Ammonium

< 1,0 g/l

ISO 7150-1 en 7150-2

DIN 38406-E5

AAC 2/I/B.4

Cyanide (totaal)

< 1,0 mg/l

DIN 38405-D14

ISO 6703-1

AAC 2/I/C.2

Nitriet

< 30 mg/l

ISO 6777 en 10304-1

AAC 2/I/C.3 
barium < 30 mg/l  *
molybdeen < 3 mg/l *
antimoon < 0,5 mg/l *
seleen < 0,7 mg/l *

(*) De aanbevolen analysemethode wordt vermeld in artikel 5.2.4.1.1; 

 

de concentratie voor zware metalen geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal;

afvalstoffen die na toepassing van beste beschikbare technieken inzake uitloging niet voldoen aan de grenswaarde voor het wateroplosbaar gedeelte en/of de voormelde uitloogcriteria, kunnen toch op de stortplaats worden aanvaard op voorwaarde dat de afvalstoffen in zoutcelcondities worden gestort; met zoutcelcondities wordt bedoeld het onder de beste omstandigheden fysisch afschermen van de afvalstoffen van het percolaat; die afvalstoffen kunnen slechts op de stortplaats worden aanvaard voor zover ze uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn toegelaten en mits naleving van de daartoe in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gestelde bijzondere voorwaarden.

 


Art. 5.2.4.1.9. Criteria voor gevaarlijke afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2, § 1, kunnen, voorzover uitdrukkelijk bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, op een stortplaats van categorie 2, bedoeld in subrubriek 2.3.6, b).6), van de indelingslijst, ook gevaarlijke afvalstoffen worden gestort die beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in dit artikel.

 

§ 2.

Stabiel, niet-reactief betekent dat het uitlooggedrag van het afval op lange termijn onder de ontwerpomstandigheden van de stortplaats of bij voorzienbare calamiteiten niet in ongunstige zin verandert:

in het afval zelf (bijvoorbeeld door biologische afbraak);
onder invloed van omgevingsomstandigheden op lange termijn (bijvoorbeeld water, lucht, temperatuur, mechanische invloeden);
onder invloed van andere afvalstoffen (met inbegrip van afvalproducten zoals percolaat en gas).

 

§ 3.

De volgende grenswaarden voor uitloging:

de volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing op korrelvormige gevaarlijke afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte

Korrelvormig afval omvat alle afvalstoffen die niet monolithisch zijn.
 

Componenten

L/S = 10 l/kg

 

mg/kg droge stof

As

2

Ba

100

Cd

1

Crtotaal

10

Chroom VI

5

Cu

50

Hg

0,2

Mo

10

Ni

10

Pb

10

Sb

0,7

Se

0,5

Zn

50

Cyanide (totaal)

10

Chloride

15.000

Fluoride

150

Sulfaat

20.000

DOC(*)

800

TDS (**)

60.000


(*) als de afvalstoffen hij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen. kunnen ze eventueel worden getest hij L/S = 10 l/kg en een pH van 7,5- 8.0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800

(**) de waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt
[...]

 

 

§ 4.

Als overige criteria gelden:

behalve aan de onder § 3, 1° vermelde grenswaarden voor uitloging dient korrelvormig afval aan de volgende aanvullende criteria te voldoen:
 

Parameter

Waarde

TOC (totaal organisch koolstof)

5 % (*)

pH

Minimaal 6

ZBV (zuurbindend vermogen)

Moet worden gecontroleerd (**)


(*) Als deze waarde wordt overschreden kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits voor de DOC een waarde van 800 mg/kg niet wordt overschreden bij L/S = 10 l/kg en de pH-waarde van het materiaal zelf dan wel een pH tussen 7,5 en 8.

(**) het zuurbindend vermogen van de afvalstof moet worden gecontroleerd. Meer bepaald moet het bufferend vermogen van de afvalstof voldoende zijn opdat ook in contact met het infiltrerend neerslagwater het voldoen aan de grenswaarden voor uitloging verzekerd blijft.
behalve aan de onder § 3, 2° vermelde grenswaarden voor uitloging, dient monolitisch afval aan het volgende aanvullende criterium te voldoen: de exploitant waakt er over dat gevaarlijke monolitische afvalstoffen stabiel en niet-reactief zijn voordat ze op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen worden aanvaard; ter zake kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit nadere criteria worden vastgesteld;
het afval moet een voldoende fysieke stabiliteit en draagvermogen hebben; in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen ter zake nadere criteria worden vastgesteld.

 

 

§ 5.

Bouwmateriaal dat asbest bevat en ander geschikt asbestafval mogen zonder tests op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen worden gestort wanneer ze in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 6, c),i ii) van de EG-richtlijn 1999/31/EG die luiden als volgt:

het betreft stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van de aanvaardingscriteria op stortplaatsen voor niet gevaarlijk afval;
ze moeten voldoen aan de relevante aanvaardingscriteria;
deze gevaarlijke afvalstoffen worden niet gestort in cellen die zijn bestemd voor biologisch afbreekbare niet gevaarlijke afvalstoffen.

Voor stortplaatsen die asbest bevattend bouwmateriaal en ander geschikt asbestafval ontvangen, moet aan de volgende eisen zijn voldaan:

het afval bevat geen andere gevaarlijke stoffen dan gebonden asbest, met inbegrip van door een bindmiddel gebonden of in kunststof verpakte asbestvezels;
de stortplaats aanvaardt uitsluitend asbest bevattend bouwmateriaal en ander geschikt asbestafval; dat afval mag ook in een afzonderlijke cel van een stortplaats voor niet gevaarlijke afvalstoffen worden gestort, als die cel voldoende geïsoleerd is;
om verspreiding van vezels te voorkomen, wordt het stortgebied dagelijks en voorafgaand aan elke verdichtingsbewerking met daartoe geëigend materiaal afgedekt en wordt het, als het afval niet is verpakt, regelmatig besprenkeld;
uiteindelijk wordt de stortplaats/cel geheel afgedekt om verspreiding van vezels te voorkomen;
op de stortplaats/cel worden geen werkzaamheden uitgevoerd die het vrijkomen van vezels tot gevolg kunnen hebben (bv — het boren van gaten);
na sluiting van de stortplaats/cel wordt een plattegrond van de locatie bewaard, waarop is aangegeven dat er asbestafval is gestort;
er worden passende maatregelen genomen om de mogelijkheden tot gebruik van de locatie na sluiting van de stortplaats te beperken teneinde te voorkomen dat mensen in contact met het afval komen.

 

§ 6.

Afvalstoffen bestaande uit asbesthoudende bouwmaterialen waarbij asbestvezels in gebonden vorm aanwezig zijn, kunnen worden gestort op stortplaatsen of delen van stortplaatsen die beantwoorden aan de bepalingen voor categorie 1-stortplaatsen, behalve voor wat betreft de voorwaarden inzake inrichting en afwerking met inbegrip van de financiële zekerheid, meer bepaald zoals bedoeld in artikel 5.2.4.3.3, artikel 5.2.4.5.2 en artikel 5.2.4.7.1, waarvoor in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mits naleving van de hierna vermelde voorwaarden inzake inrichting en afwerking die gelden voor categorie 1-stortplaatsen, kunnen worden afgezwakt. Aan de voorwaarden die gelden voor de inrichting en afwerking van categorie 3-stortplaatsen moet in ieder geval worden voldaan.

 

Voorwaarden waaronder voor de inrichting en afwerking van stortplaatsen die asbest bevattend bouwmateriaal ontvangen, de voorwaarden die gelden voor categorie 1-stortplaatsen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden afgezwakt:

het afval bevat geen andere gevaarlijke stoffen dan gebonden asbest, meer bepaald asbestcement in de vorm van dakleien, golfplaten, buizen,…, of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is; het in gebonden vorm aanwezig zijn wordt nagegaan aan de hand van de meetmethode voor de vezelvrijstelling van asbesthoudend afvalmaterialen en moet worden geattesteerd door een daartoe erkend milieudeskundige;
de afvalstoffen dienen te voldoen aan de criteria voor het storten van afvalstoffen op categorie 3-stortplaatsen zoals bedoeld in artikel 5.2.4.1.7, § 4; in het geval van afvalstoffen bestaande uit asbestcement zijn de afvalstoffen aanvaardbaar zonder tests zoals bedoeld in artikel 5.2.4.1.7, § 3; andere asbesthoudende materialen moeten worden onderworpen aan de procedure bepaalt in punt A van deze subafdeling om te bepalen of ze voldoen aan de criteria voor afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op categorie 3-stortplaatsen zoals bepaald onder artikel 5.2.4.1.7, § 4; als uitzondering op het verbod om plastiek en andere kunststoffen gebruikt in de bouwsector te storten op een stortplaats voor inert afval, mag het afval zowel in geval van afvalstoffen bestaande uit asbestcement, als in geval van andere asbesthoudende bouwmaterialen, worden aanvaard in een verpakking bestaande uit kunststof; de verpakking moet een vlotte controle van de inhoud ervan toelaten;
de stortplaats aanvaardt uitsluitend asbest bevattend bouwmateriaal; dit afval mag ook in een afzonderlijke cel van een stortplaats worden gestort, als deze cel voldoende geïsoleerd is;
om verspreiding van vezels te voorkomen, wordt het stortgebied dagelijks en voorafgaand aan elke verdichtingsbewerking met daartoe geëigend materiaal afgedekt en wordt het, als het afval niet is verpakt, regelmatig besprenkeld; voor de dagelijkse afdek wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van daartoe geschikte inerte afvalstoffen; indien dergelijke afvalstoffen niet beschikbaar zijn, worden bodemmaterialen aangewend; het gebruik van afvalstoffen als afdek wordt in het werkplan bepaald;
uiteindelijk wordt de stortplaats/cel geheel afgedekt om verspreiding van vezels te voorkomen;
op de stortplaats/cel worden geen werkzaamheden uitgevoerd die het vrijkomen van vezels tot gevolg kunnen hebben; (bvb het boren van gaten);
na sluiting van de stortplaats/cel wordt een plattegrond van de locatie bewaard waarop is aangegeven waar er asbestafval is gestort;
er worden passende maatregelen genomen om de mogelijkheden tot gebruik van de locatie na sluiting van de stortplaats te beperken ten einde te voorkomen dat mensen in contact met het afval komen.

 


Art. 5.2.4.1.10. Criteria voor afval dat aanvaardbaar is op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2, § 1, kunnen op een stortplaats van categorie 1 als vermeld in subrubriek 2.3.6, c), van de indelingslijst, volgende afvalstoffen, die voldoen aan de hierna vermelde criteria, worden gestort:

reststoffen van de verbranding en/of behandeling van afvalstoffen;
gevaarlijke afvalstoffen die de nodige voorbehandeling hebben ondergaan;
gevaarlijke asbesthoudende afvalstoffen die niet voldoen aan de aanvaardingscriteria voor stortplaatsen van categorie 2. Het gaat meer bepaald om:
a) afvalstoffen die vrije asbestvezels bevatten zoals spuitasbest, asbestisolatiemateriaal, asbeststof met inbegrip van bodemmaterialen en andere afvalstoffen verontreinigd met vrije asbestvezels in concentraties > 0,1 Gew.- % of waarin duidelijk asbestvlokken waarneembaar zijn;
b) verpakkingsafval en plastiekafval dat met asbest verontreinigd is;
c) niet vershredderbaar materiaal zoals metalen onderdelen dat met asbest of asbesthoudend materiaal bedekt of bekleed is. Onder niet vershredderbaar materiaal wordt verstaan materiaal waarbij met toepassing van de best beschikbare technieken het asbestgedeelte niet of zeer moeilijk kan gescheiden worden van het dragermateriaal;
d) onder asbesthoudende afvalstoffen worden tevens begrepen : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen;
e) afvalstoffen bestaande uit asbesthoudende bouwmaterialen waarbij asbestvezels in gebonden vorm aanwezig zijn.

 

In het geval, vermeld in het eerste lid, 3°, kan dat alleen met naleving van de volgende voorwaarden:



 
a) afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten mogen pas worden gestort als de afvalstoffen zodanig worden behandeld dat er geen asbestdeeltjes in het milieu kunnen terechtkomen. Daarvoor worden de afvalstoffen gecementeerd zodat de aanwezige asbestvezels in een matrix worden ingekapseld. Het asbestafval moet homogeen in het gecementeerd materiaal verspreid zijn. De in het gecementeerde materiaal aanwezige asbestvlokken of brokstukken mogen maximaal 1 cm groot zijn. Het gecementeerd materiaal wordt verpakt in een stofdichte plastiekverpakking met de nodige asbestetikettering;
b) verpakkings-l en plasticafval dat verontreinigd is met asbest, wordt samengeperst met een dichtheid van minstens 400 kg/m³. Het samengeperste materiaal wordt verpakt in een stofdichte plastiekverpakking met de nodige asbestetikettering;
c) niet-vershredderbaar materiaal dat met asbest of asbesthoudend materiaal bedekt of bekleed is, wordt verpakt in een dubbelwandige stofdichte plasticverpakking met de nodige asbestetikettering.
asbesthoudende afvalstoffen worden zo behandeld en gestort dat er geen asbestvezels of asbeststof kunnen vrijkomen in de lucht en geen vloeistoffen worden verloren die asbestvezels of asbeststof kunnen bevatten. De met het oog op het storten noodzakelijke voorbehandelingen worden in een daarvoor geschikte inrichting uitgevoerd.
de evaluatiemethodiek voor asbesthoudende afvalstoffen en de vezelvrijstellingstest zijn opgenomen in het CMA/2/II/C.1.

 

§ 2.

Als beperking op § 1 mogen op een categorie 1 stortplaats slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn toegelaten. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

De afvalstoffen, vermeld in § 1, afkomstig van de fysico-chemische immobilisatiebehandeling van afvalstoffen mogen met het oog op de uitharding in brij- of pasteuze vorm op de stortplaats worden gestort voor zover die afvalstoffen uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn toegelaten en mits naleving van de daartoe in de vergunning gestelde bijzondere voorwaarden.

 

§ 4.

Als grenswaarden voor uitloging gelden:

De volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing op korrelvormig afval dat aanvaardbaar is op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte. Korrelvormig afval omvat alle afvalstoffen die niet monolithisch zijn.
 

Componenten

L/S = 10 l/kg

 

mg/kg droge stof

As

25

Ba

300

Cd

5

Crtotaal

70

Chroom VI

5

Cu

100

Hg

2

Mo

30

Ni

40

Pb

50

Sb

5

Se

7

Zn

200

Cyanide (totaal)

10

Chloride

25.000

Fluoride

500

Sulfaat

50.000

DOC(*)

1.000

TDS (**)

100.000


(*) als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest hij L/S = 10 l/kg en een pH van 7,5- 8.0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800

(**) de waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt
In afwijking van punt 1° kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit specifieke grenswaarden voor de uitloging van monolitisch afval worden vastgesteld. Die grenswaarden worden bepaald met behulp van de diffusietest.

 

 

§ 5.

Als overige criteria gelden:

Behalve aan de onder § 4, 1°, vermelde grenswaarden voor uitloging moeten gevaarlijke afvalstoffen aan de volgende aanvullende criteria voldoen:
 

Parameter

Waarde

LOI (*)

10 %

TOC (totaal organisch koolstof)(*)

6 % (**)

pH

4-13

ZBV (zuurbindend vermogen)

Moet worden gecontroleerd (***)


(*) LOI of TOC moet worden gebruikt.

(**) Als deze waarde wordt overschreden kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits voor de DOC een waarde van 1.000 mg/kg niet wordt overschreden bij L/S = 10 l/kg en de pH-waarde van het materiaal zelf dan wel een pH tussen 7,5 en 8.

(**) het zuurbindend vermogen van de afvalstof moet worden gecontroleerd. Meer bepaald moet het bufferend vermogen van de afvalstof voldoende zijn opdat ook in contact met het infiltrerend neerslagwater het voldoen aan de grenswaarden voor uitloging verzekerd blijft.
extraheerbare apolaire koolwaterstoffen: ≤ 5 Gew.- % op de watervrije afvalstof;
totaal oplosmiddelen (aspecifiek): ≤ 3 Gew.- % op de watervrije afvalstof;
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen: ≤ 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof;
voor de steekvastheid van slib wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning > 10 kN/m2

In ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven.


Art. 5.2.4.1.11. Criteria voor ondergrondse opslagplaatsen

Voor het aanvaarden van afvalstoffen in ondergrondse opslagplaatsen dient een veiligheidsbeoordeling van elke specifieke opslagplaats plaats te vinden, zoals deze is gedefinieerd in bijlage 5.2.4.1 bij dit besluit. Aanvaarding van afvalstoffen is alleen toegestaan als ze in overeenstemming zijn met de specifieke veiligheidsbeoordeling.

 

Op ondergrondse opslagplaatsen voor inerte afvalstoffen is alleen aanvaarding toegestaan van afvalstoffen die aan de onder artikel 5.2.4.1.7 vermelde criteria voldoen.

 

Op ondergrondse opslagplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen is alleen aanvaarding toegestaan van afvalstoffen die aan de onder artikel 5.2.4.1.8 en artikel 5.2.4.1.9 vermelde criteria voldoen.

 

Op ondergrondse opslagplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen is aanvaarding van afvalstoffen alleen toegestaan als ze in overeenstemming zijn met de veiligheidsbeoordeling voor deze specifieke opslagplaatsen. In dit geval zijn de onder artikel 5.2.4.1.10 vermelde criteria niet van toepassing. Wel dienen de afvalstoffen te worden onderworpen aan de in punt A beschreven aanvaardingsprocedure.


Art. 5.2.4.1.11/1. Criteria voor de tijdelijke opslag van metallisch kwik gedurende meer dan een jaar

§ 1. Samenstelling van het kwik

Metallisch kwik voldoet aan de volgende specificaties :

het kwikgehalte is hoger dan 99,9 gewichtsprocent;
het bevat geen onzuiverheden die koosltofstaal of roestvrij staal kunnen corroderen, zoals salpeterzuuroplossing en chlorideoplossingen.

 

 

§ 2. Omhulling

Vaten die voor de opslag van metallisch kwik worden gebruikt, zijn corrosie- en schokbestendig. Lasverbindingen worden daarom vermeden. De vaten voldoen daarom in het bijzonder aan de volgende eisen :

het materiaal van het vat is koolstofstaal (ten minste ASTM A36) of roestvrij staal (AISI 304, 316L);
de vaten zijn gas- en vloeistofdicht; 
de buitenkant van het vat is bestand tegen de opslagomstandigheden;
het ontwerptype van het vat moet met succes de valproef en de dichtheidsproef doorstaan, zoals omschreven in hoofdstuk 6.1.5.3 en 6.1.5.4 van de UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of tests and Criteria.

 

De vullingsgraad van het vat bedraagt ten hoogste 80 volumeprocent, zodat er voldoende vrije ruimte beschikbaar is en er geen lekkage of permanente vervorming van het vat kan optreden ten gevolge van expansie van de vloeistof door hoge temperatuur.

 

§ 3. Aanvaardingsprocedures

Alleen vaten met een certificaat dat voldoet aan de voorschriften, die in paragraaf 4 zijn vastgesteld, mogen aanvaard worden.

 

De aanvaardingsprocedures moeten voldoen aan de volgende voorschriften :

alleen metallisch kwik dat voldoet aan de minimumcriteria voor aanvaarding, als vermeld in paragraaf 1, mag worden aanvaard;
de vaten worden vóór opslag visueel onderzocht. Beschadigde, lekkende of gecorrodeerde vaten mogen niet worden aanvaard;
de vaten dragen een duurzaam merkteken, dat wordt aangebracht door ponsing, en waarop het identificatienummer van het vat, het constructiemateriaal, het leeggewicht, de referentie van de fabrikant en de datum van fabricage vermeld staan;
de vaten dragen een plaatje, dat permanent op het vat bevestigd is en waarop het identificatienummer van het certificaat vermeld staat.

 

 

 

§ 4. Certificaat

 Het certificaat, als vermeld in paragraaf 3, bevat de volgende gegevens :

de naam en het adres van de afvalproducent; 
de naam en het adres van de persoon die verantwoordelijk is voor het vullen;
de plaats en de datum van het vullen;
de hoeveelheid kwik;
de zuiverheid van het kwik en, als dat relevant is, een beschrijving van de onzuiverheden, inclusief het analyserapport;
de bevestiging dat de vaten uitsluitend zijn gebruikt voor het vervoer of de opslag van kwik; 
de identificatienummers van de vaten;
eventuele specifieke opmerkingen.

 

De certificaten worden afgegeven door de producent van de afvalstoffen of, bij gebrek daaraan, door de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer ervan.


C.
Bemonsterings- en testmethoden

Art. 5.2.4.1.12.

§ 1.

De bemonsterings- en testwerkzaamheden voor basiskarakterisering en de controletest worden verricht door onafhankelijke en gekwalificeerde personen en instellingen. Laboratoria dienen over aantoonbare ervaring in het testen en analyseren van afvalstoffen en over een efficiënt systeem voor kwaliteitsborging te beschikken.

 

De bemonsteringswerkzaamheden kunnen aldus op kosten van de exploitant worden uitgevoerd, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL, hetzij door voormelde milieudeskundige zelf, op voorwaarde dat de in deze subafdeling omschreven doelstellingen worden bereikt.

 

Ook de testwerkzaamheden kunnen aldus op kosten van de exploitant worden uitgevoerd, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL, hetzij door voormelde milieudeskundige zelf, op voorwaarde dat een passend systeem voor kwaliteitsborging met periodieke onafhankelijke controle is opgezet.

 

§ 2.

De volgende methoden worden gebruikt:

voor de bemonstering van afvalstoffen - voor basiskarakterisering, controletests en verificatie ter plaatse - wordt een bemonsteringsplan ontwikkeld overeenkomstig deel 1 van de bemonsteringsnorm die momenteel door de CEN wordt opgesteld;
algemene eigenschappen van afvalstoffen;
uitloogproeven;
ontsluiting van ruwe afvalstoffen;
analyse.

Deze lijst zal worden gewijzigd als er meer CEN-normen beschikbaar zijn.

 

Voor tests en analyses waarvoor (nog) geen CEN-methoden beschikbaar zijn, dienen de gebruikte methoden overeen te stemmen met een code van goede praktijk.


Subafdeling 5.2.4.2.
Werkplan


Art. 5.2.4.2.1.

§ 1.

Voor stortplaatsen dient het algemene werkplan, naargelang de aard van de stortplaats, volgende bijkomende gegevens te vermelden:

  1. de indeling van de beschikbare stortruimte in stortvakken;
  2. de volgorde van opvulling in tijd en ruimte bij normale afvalstoffenaanvoer en de werkwijze bij abnormaal grote afvalstoffenaanvoer;
  3. de werkwijze inzake het storten en het verdichten;
  4. de dikte van de afvalstoffenlaag voor het aanbrengen van de tussenafdek en eindafdek;
  5. de lengte van het stortfront;
  6. de organisatie van de aanvoer en de opslag van afdekmaterialen;
  7. het drainageplan omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de verwerking van het percolatiewater;
  8. de inplanting, de dimensionering en het werkingsschema van de installatie voor zuivering van het percolatiewater zodat aan de opgelegde lozingsnormen kan worden voldaan;
  9. de maatregelen om de stabiliteit van de gestorte afvalstoffen, afdekmaterialen en afdekgronden te verzekeren;
  10. het gasdrainageplan omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de verwerking van het vrijkomende stortgas;
  11. het afwateringsplan van het stortterrein, omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de afvoer van het overtollig water;
  12. het toezicht- en controleplan

 

§ 2.

Het werkplan dient de goedkeuring van de toezichthoudende overheid te dragen. Het goedgekeurde werkplan wordt opgevolgd door de toezichthouder.


Subafdeling 5.2.4.3.
Inrichting en infrastructuur van de stortplaats


Art. 5.2.4.3.1.

§ 1.

Een stortplaats moet qua ligging en ontwerp voldoen aan de noodzakelijke voorwaarden ter voorkoming van verontreiniging van bodem, grondwater of oppervlaktewater, alsmede aan de voorwaarden waarmee een doeltreffende opvang van percolaat wordt gewaarborgd in de gevallen en volgens de voorschriften zoals verder voorzien. De bescherming van bodem, grondwater en oppervlaktewater moet gedurende de exploitatiefase worden gewaarborgd door de combinatie van een geologische barrière en een bodemafdichting en gedurende de nazorgfase of na de sluiting door een combinatie van een geologische barrière en een isolerende deklaag. De geologische barrière wordt bepaald door de geologische en hydrogeologische gesteldheid onder en in de nabijheid van een stortplaats, die een dusdanige retentiecapaciteit moet hebben dat potentieel gevaar voor bodem en grondwater wordt voorkomen.

 

§ 2.

Het storten van afvalstoffen mag slechts worden begonnen nadat de toezichthoudende overheid het terrein heeft geïnspecteerd en zich ervan heeft vergewist dat het voldoet aan de desbetreffende voorwaarden van de vergunning. De voormelde vaststellingen worden schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal houdende oplevering van de stortplaats en uitdrukkelijke toelating tot het beginnen van de stortactiviteiten. Een en ander doet op geen enkele wijze af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden


Art. 5.2.4.3.2. [...]

Art. 5.2.4.3.3.

§ 1.

Overeenkomstig de resultaten van de hydrogeologische- en stabiliteitsstudie, vermeld in punt F1 van de toelichtingsbijlage bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervat in bijlage 4, van titel I van het VLAREM, wordt voor categorie 1 en 2 stortplaatsen, voor de aanvang van de inrichting van de stortplaats een inrichtingsplan opgesteld door een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. Het inrichtingsplan van de stortplaats omvat:

  • aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan;
  • constructie en uitvoering van de drainagesystemen met beschermingslagen (dimensionering en gebruikte materialen);
  • voor stortplaatsen in ophoging: constructie van de stortdijken (afmetingen en gebruikte materialen);
  • constructie en uitvoering van de afsluitlaag met beschermingslagen (gebruikte materialen);

 

§ 2.

Overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan worden achtereenvolgens de volgende voorbereidende infrastructuurwerken uitgevoerd:

  1. voorbereidende grondwerken;
  2. het aanbrengen van de afsluitlaag
  3. voor stortplaatsen in ophoging: het aanbrengen van de stortdijken
  4. het aanbrengen van een lekdetectiesysteem
  5. het aanbrengen van een percolaatdrainagesysteem.

De uitvoering van de verschillende werken gebeurt onder toezicht van een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige. Deze deskundige stelt na afloop een rapport op waarin hij de conformiteit van de uitgevoerde werken aan het goedgekeurde inrichtingsplan attesteert. Dit rapport wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid. De definitieve goedkeuring van de inrichting van de stortplaats wordt opgenomen in het proces verbaal,zoals bedoeld in artikel 5.2.4.3.1§ 2

 

§ 3.

De voorbereidende grondwerken omvatten het opkuisen, het nivelleren, profileren en het verdichten van het terrein.

 

§ 4.

De afsluitlaag:

 

De afsluitlaag omvat een geologische barrière en een kunstmatige bodemafdichting

  1. de geologische barrière

  2. De bodem en zijkanten van de stortplaats moeten bestaan uit een minerale laag die voldoet aan voorschriften inzake doorlatendheid en dikte, die te zamen een niveau van bescherming (K) van bodem, grondwater en oppervlaktewater moeten garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat bereikt wordt met een slecht doorlatende laag van 5 meter dikte en een K-waarde die kleiner dan of gelijk is aan 1,0 × 10-9 m/s

    De homogene slecht doorlatende laag bedoeld hierboven kan van nature aanwezig zijn indien de geologische toestand van het terrein voldoende waarborgen biedt inzake ondoorlatendheid. Het bewijs van ondoorlatendheid wordt door de aanvrager voldoende bewezen en moet door de toezichthoudende overheid aanvaard worden. De natuurlijke omstandigheden dienen in ieder geval voldoende garanties te bieden om elke bodem- of grondwaterverontreiniging ingevolge het weglekken van percolaat te voorkomen;

    Indien de geologische barrière niet op natuurlijke wijze aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, kan zij kunstmatig worden aangevuld en versterkt met andere middelen die een gelijkwaardig beschermingsniveau garanderen. Een kunstmatige geologische barrière mag niet dunner zijn dan 0,5 meter.

  3. De kunstmatige bodemafdichting

    De kunstmatige afdichting bestaande uit aaneengelaste foliematerialen tussen aangepaste beschermingslagen wordt aangebracht op de bodem en op de wanden van de stortplaatsen van categorie 1 en 2. De gebruikte foliematerialen zijn minstens gelijkwaardig aan een HDPE-folie van 2.5 mm dikte.

 

§ 5.

Bij het storten in ophoging wordt het volledige stortterrein met stortdijken omgeven. De stortdijken zijn voldoende breed en hoog opgevat. Het dijklichaam wordt opgebouwd uit homogeen materiaal dat voldoende verdicht wordt. De stortdijken worden aangebracht overeenkomstig de vordering der stortactiviteiten zoals aangegeven in het goedgekeurde werkplan. Op het binnenbeloop van de stortdijken en indien nodig ook op de dijkkruin wordt een afsluitlaag aangebracht als beschreven in paragraaf 4. Het buitenbeloop van de stortdijken wordt met gras ingezaaid.

 

§ 6.

Tussen de slecht doorlatende laag en de kunstmatige afdichting bestaande uit foliematerialen wordt een lekdetectiesysteem aangebracht. Het lekdetectiesysteem moet toelaten om lekken in de kunstmatige afdichting te detecteren met het oog op het herstel ervan. Het lekdetectiesysteem moet in ieder geval toelaten om tijdens de ingebruikname en in een periode van vijf jaar na de ingebruikname van het betreffend gedeelte van de stortplaats het lekdicht zijn van de kunstmatige afdichting te bewaken in functie van de localisatie van eventuele lekken.

 

§ 7.

Een percolaatdrainagesysteem bestaande uit een buizensysteem met afvoerkokers of een ander gelijkwaardig systeem, wordt aangebracht op de bodem, bovenop de afsluitlaag en wordt geplaatst in een doorlatende bodemlaag van minstens 0,4 meter dikte. Het drainagesysteem wordt zodanig geconstrueerd dat een regelmatige doorspoeling van de drainagebuizen tijdens de exploitatie mogelijk is.

 

§ 8.

Het drainagesysteem bedoeld in § 7 hierboven wordt zodanig aangelegd dat, rekening houdend met de resultaten van de stabiliteitsstudie, de goede werking steeds verzekerd blijft. De gebruikte drainagebuizen beantwoorden inzake sterkte aan de resultaten van de stabiliteitsstudie. De dimensionering van het drainagesysteem en de keuze van de materialen gebeurt rekening houdend met de te verwachten hoeveelheden percolaat en de samenstelling ervan. Het drainagesysteem wordt beschermd tegen dichtslibbing door het aanbrengen van aangepaste beschermingslagen.

 

Om een vlotte evacuatie van het percolaat te verzekeren worden, indien nodig, bij de verdere opbouw van de stortheuvel bijkomende drainagelagen (horizontaal en/of verticaal) aangelegd.

 

§ 9.

De uitvoering van de voorbereidende infrastuctuurwerken kan gefaseerd worden overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan.


Art. 5.2.4.3.4.

§ 1.

Overeenkomstig de resultaten van de hydrogeologische studie en de stabiliteitsstudie wordt voor categorie 3 stortplaatsen, voor de aanvang van de inrichting van de stortplaats een inrichtingsplan opgesteld door een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. Het inrichtingsplan van de stortplaats omvat:

  • aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan;
  • voor stortplaatsen in ophoging: constructie van de stortdijken (afmetingen en gebruikte materialen);
  • constructie en uitvoering van de afsluitlaag met beschermingslagen (gebruikte materialen);

 

§ 2.

Overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan worden achtereenvolgens de volgende voorbereidende infrastructuurwerken uitgevoerd:

  1. voorbereidende grondwerken;
  2. indien niet van nature aanwezig: het aanbrengen van de afsluitlaag
  3. voor stortplaatsen in ophoging: het aanbrengen van de stortdijken

De uitvoering van de verschillende werken gebeurt onder toezicht van een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige. Deze deskundige stelt na afloop een rapport op waarin hij de conformiteit van de uitgevoerde werken aan het goedgekeurde inrichtingsplan attesteert. Dit rapport wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid. De definitieve goedkeuring van de inrichting van de stortplaats wordt opgenomen in het proces verbaal,zoals bedoeld in artikel 5.2.4.3.1§ 2

 

§ 3.

De voorbereidende grondwerken omvatten het opkuisen, het nivelleren, profileren en het verdichten van het terrein overeenkomstig het goedgekeurde werkplan.

 

§ 4.

De afsluitlaag

 

De afsluitlaag omvat een geologische barrière. De bodem en zijkanten van de stortplaats moeten bestaan uit een minerale laag die voldoet aan voorschriften inzake doorlatendheid en dikte, die te zamen een niveau van bescherming (K) van bodem, grondwater en oppervlaktewater moeten garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat bereikt wordt met een slecht doorlatende laag van 1 meter dikte en een K-waarde die kleiner dan of gelijk dan 1,0 × 10-7 m/s;

 

De homogene slecht doorlatende laag bedoeld hierboven kan van nature aanwezig zijn indien de geologische toestand van het terrein voldoende waarborgen biedt inzake ondoorlatendheid. Het bewijs van ondoorlatendheid wordt door de aanvrager voldoende bewezen en moet door de toezichthoudende overheid aanvaard worden. De natuurlijke omstandigheden dienen in ieder geval voldoende garanties te bieden om elke bodem- of grondwaterverontreiniging ingevolge het weglekken van percolaat te voorkomen;

 

Indien de geologische barrière niet op natuurlijke wijze aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, kan zij kunstmatig worden aangevuld en versterkt met andere middelen die een gelijkwaardig beschermingsniveau garanderen. Een kunstmatige geologische barrière mag niet dunner zijn dan 0,5 meter.

 

§ 5.

Bij het storten in ophoging wordt het volledige stortterrein met stortdijken omgeven. De stortdijken zijn voldoende breed en hoog opgevat. Het dijklichaam wordt opgebouwd uit homogeen bodemmateriaal dat voldoende verdicht wordt. De stortdijken worden aangebracht overeenkomstig de vordering der stortactiviteiten zoals aangegeven in het goedgekeurde werkplan. Het buitenbeloop van de dijk wordt met gras ingezaaid.


Art. 5.2.4.3.5. Tijdelijke opslag van metallisch kwik

Op de tijdelijke opslag van metallisch kwik gedurende meer dan een jaar zijn de volgende voorschriften van toepassing :


metallisch kwik wordt apart van andere afvalstoffen opgeslagen;

de vaten worden opgeslagen in verzamelbekkens die op passende wijze gecoat zijn, zodat ze vrij zijn van scheuren en gaten en geen metallisch kwik doorlaten, en waarvan de capaciteit toereikend is voor de hoeveelheid kwik die opgeslagen wordt;

de opslaglocatie is voorzien van kunstmatige of natuurlijke barrières die geschikt zijn om het milieu tegen kwikemissies te beschermen en waarvan de capaciteit toereikend is voor de totale hoeveelheid kwik die opgeslagen wordt;

de vloeren van de opslaglocatie zijn bedekt met een kwikbestendig dichtingsproduct. Er is een hellend oppervlak met een vergaarbekken voorhanden;

de opslaglocatie is uitgerust met een brandbeveiligingssysteem;

de opslag is zodanig ingericht dat alle vaten makkelijk bereikbaar zijn.

 


Subafdeling 5.2.4.4.
De uitbating


Art. 5.2.4.4.1.

§ 1.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden opgelegd dat een installatie voor wielwassing, al of niet manueel te bedienen, aan de uitrit wordt geïnstalleerd. De exploitant legt in dat geval het uitvoeren van de wielwassing op.

 

§ 2.

Het indringen van grondwater of afvloeiwater van naburige percelen wordt voorkomen. Dat kan gebeuren door het aanleggen van een kwelsloot rond de stortplaats of een drainagesysteem. De diepte en de plaats van de kwelsloot of de uitvoering van het drainagesysteem worden bepaald op basis van de hydrogeologische toestand van de inplantingsplaats zoals deze blijkt uit de hydrogeologische studie en/of het aanvraagdossier, en desgevallend nader in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is bepaald.

 

§ 3.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is voor categorie 1 en 2 stortplaatsen per stortfront een voorraad afdekmateriaal van tenminste 200 m3 aanwezig.


Art. 5.2.4.4.2.

§ 1.

Het stort wordt opgebouwd met lichthellende droge stortlagen van afvalstoffen overeenkomstig het goedgekeurde werkplan.

 

§ 2.

Het is verboden te storten in water, tenzij in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor monostortplaatsen een afwijking wordt toegestaan om te storten in water, ander dan oppervlaktewater zoals bedoeld in de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging.

 

§ 3.

Het storten van de aangevoerde afvalstoffen geschiedt met een aangepaste vuilverzetmachine. De verdichting van huishoudelijke afvalstoffen gebeurt in dunne lagen met een aangepaste vuilverdichtingsmachine om een zo efficiënt mogelijke verdichting te bekomen.

 

§ 4.

De stortzone voor de afvalstoffen is beperkt tot de capaciteit van de vuilverzetmachine, in samenhang met het stortfront en wordt bepaald in het werkplan.

 

§ 5.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit heeft iedere stortlaag een hoogte van hoogstens 2,5 meter.

 

§ 6.

Om stofvorming en zwerfvuil te beperken is het verboden afvalstoffen af te laden vanop een hoogte van meer dan 3 meter.


Art. 5.2.4.4.3.

§ 1.

Op een stortplaats van categorie 3 kan het schiften of sorteren van afvalstoffen worden toegelaten door de toezichthoudende overheid. De schriftelijke richtlijnen van de toezichthoudende overheid worden opgenomen in het werkplan.

 

§ 2.

De opslag van de gesorteerde of geschifte materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze op daartoe aangewezen vloeren of in containers, voor zover dit geen aanleiding geeft tot hinder.


Art. 5.2.4.4.4.

§ 1.

Op categorie 1 en 2 stortplaatsen wordt om zwerfvuil en stof- en geurhinder te voorkomen iedere stortlaag afgedekt met een laag tussenafdek van tenminste 0,2 meter dikte.

 

Alle gestorte afvalstoffen worden op het einde van de werkdag afgedekt met een tussenafdek van minstens 0,2 meter dikte. Stankverwekkende stoffen worden onmiddellijk afgedekt.

 

Verzakkingen, barsten, afschuivingen, kuilen en plaatsen, waar de afvalstoffen onbedekt wordt gevonden, worden op de dag van vaststelling met tussenafdek opgevuld.

 

§ 2.

Als tussenafdek wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van afvalstoffen die beantwoorden aan de in § 1 gestelde doelstellingen en die op de stortplaats zijn toegelaten. Indien dergelijke afvalstoffen niet beschikbaar zijn, worden bodemmaterialen aangewend. Het gebruik van afvalstoffen als tussenafdek wordt in het werkplan bepaald. Op categorie 2 stortplaatsen mag de tussenafdek op het einde van de werkdag voor een onvolledige stortlaag vervangen worden door een intense kalkbestrooiing of door andere maatregelen in het werkplan opgenomen.

 

§ 3.

Voor het aanbrengen van de tussenafdek beschikt de exploitant onafgebroken over een aangepaste grondverzetmachine.

 

§ 4.

De opslag van tussenafdekmaterialen mag geen hinder veroorzaken.


Art. 5.2.4.4.5.

§ 1.

Verontreiniging van bodem, oppervlakte- en/of grondwater ingevolge de uitbating van de stortplaats wordt steeds voorkomen.

 

§ 2.

Het overtollige niet-verontreinigde regenwater of afvloeiwater wordt opgevangen en afgevoerd.

 

§ 3.

Het gevormde percolaat wordt permanent afgepompt. Het waterpeil in de opvangputten voor percolaat mag niet hoger komen dan de halve hoogte van de laagste draineerbuizen die erin uitmonden.

 

§ 4.

Het is verboden percolaat of ander water over de stortplaats te sproeien of te injecteren.
In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan in afwijking van de bepalingen van punt 1 worden toegestaan dat bedrijfsintern percolaat of ander bedrijfsintern water over de stortplaats wordt gesproeid of geïnjecteerd, mits aangetoond wordt dat dit percolaat of ander water, al dan niet na zuivering, geen stoffen bevat die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk kunnen zijn voor de mens en het leefmilieu of het stortterrein kunnen verontreinigen, en indien deze handeling er toe bijdraagt dat : 
a) stofhinder wordt voorkomen. Specifiek voor dit doeleinde kan dit alleen uitgevoerd worden met anorganisch bedrijfsintern percolaat of ander anorganisch bedrijfsintern water;
b) de biologische werking van de stortplaats verbetert;
c) innovatieve proefprojecten kunnen onderzocht worden voor een maximale duur van vier jaar met het oog op het zuiveren van het materiaal in de stortplaats, met het oog op recyclage of voor de extractie van elementen uit de materialen in de stortplaatsen. Na een gunstige evaluatie van het proefproject kan deze handeling gedurende een langere periode vergund worden. 

 

Het sproeien van percolaat of ander water over de stortplaats om het te verwerken is altijd en in alle omstandigheden verboden.

 

§ 5.

Het overtollig verontreinigd afvloeiwater en het percolaatwater wordt onafgebroken overgepompt naar een ondoorlatend verzamelbekken. De capaciteit wordt zo berekend dat te allen tijde de gevormde hoeveelheid percolaat kan worden opgevangen. Maatregelen worden getroffen om te beletten dat het water in het verzamelbekken hinder veroorzaakt voor de omgeving. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan een technisch alternatief worden toegelaten.

 

§ 6.

In functie van de kwaliteit van het te lozen water en van de lozingsvoorwaarden moet zonodig een aangepaste waterzuiveringsinstallatie worden gebouwd.

 

§ 7.

De waterzuiveringsinstallatie wordt zo aangelegd dat iedere verontreiniging van bodem en grondwater wordt voorkomen. De verzamel- en behandelingsbekkens worden vloeistofdicht gemaakt. Het waterzuiveringssysteem wordt zodanig geconcipieerd dat in ieder geval steeds wordt voorkomen dat water dat niet aan de lozingsnormen voldoet, zou worden geloosd.

 

§ 8.

De produkten nodig voor de waterzuivering worden gestockeerd in een afsluitbaar lokaal dat beantwoordt aan de vereisten voor de opslag van die produkten.

 

§ 9.

De afwatering van de beëindigde stortvakken gebeurt zo dat het regenwater zonder te worden verontreinigd kan afvloeien of worden weggepompt.


Art. 5.2.4.4.6.

§ 1.

Toereikende maatregelen worden genomen om een gecontroleerde evacuatie van het gevormde stortgas te verzekeren en ongecontroleerde ophoping ervan te voorkomen.

 

§ 2.

Op alle stortplaatsen waar biologisch afbreekbaar afval wordt of werd gestort,moet het stortplaatsgas worden opgevangen, behandeld en gebruikt. Daartoe wordt vooraleer de afdichtlaag wordt aangebracht een gasdrainagesysteem aangelegd. Het gasdrainagesysteem kan bestaan uit horizontale en /of verticale drainagebuizen indien nodig geplaatst in een drainerende laag en wordt zodanig geconcipieerd dat al het vrijkomende stortgas wordt opgevangen en op een veilige manier wordt afgevoerd. Het gasdrainagesysteem dient de goedkeuring van een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige te dragen.

 

§ 3.

De opvang, de behandeling en het gebruik van stortplaatsgas gebeurt op dusdanige wijze dat schade aan of verslechtering van het milieu, alsmede het risico voor de gezondheid van de mens zoveel mogelijk worden beperkt.

 

Het opgevangen stortgas wordt bij voorkeur gevaloriseerd als energiebron. Indien valorisatie niet haalbaar is wordt het stortgas verbrand in een daartoe aangepaste gasfakkel. Als het niet gevaloriseerd wordt, laat de exploitant uiterlijk op 1 juli 2004 of voor de inbedrijfname van de inrichting een studie uitvoeren naar de technisch-economische haalbaarheid van de valorisatie van het stortgas als energiebron. Die studie wordt uitgevoerd door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), 5), van het VLAREL. De exploitant bezorgt die studie vóór 1 juli 2004 of voor de inbedrijfname van de inrichting aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Voor zover uit de studie blijkt dat stortgasvalorisatie vanuit technisch-economisch standpunt haalbaar is, moet die uiterlijk op 30 juni 2005 geïnstalleerd worden.


Subafdeling 5.2.4.5.
De afwerking en nazorg


Art. 5.2.4.5.1.

§ 1.

De exploitant deelt de datum van de definitieve beëindiging van de stortactiviteiten in een stortvak schriftelijk mee aan de toezichthouder binnen de maand na beëindiging van de stortactiviteiten.

 

§ 2.

Voor een stortplaats, of voor een gedeelte daarvan, wordt met de afwerking en de sluitingsprocedure begonnen wanneer:

  1. ofwel, de stortplaats of een gedeelte ervan zijn capaciteit heeft bereikt;
  2. ofwel, de exploitant van de stortplaats in afwijking van zijn werkplan daartoe zelf besluit, mits schriftelijke goedkeuring van de toezichthouder;
  3. ofwel, de vergunningverlenende overheid daartoe besluit;
  4. ofwel, bij het verstrijken van de vergunningstermijn, in geval geen hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit werd bekomen.

 

§ 3.

Om het binnendringen van water in de stortplaats van categorie 1 en 2 te vermijden wordt zo snel mogelijk een afdichtlaag aangebracht.

 

§ 4.

De volledige afwerking wordt uitgevoerd uiterlijk één jaar na het in § 1 bedoelde tijdstip. Rekening houdend met stabilisatie en zettingen kunnen voor categorie 1 en 2 stortplaatsen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit andere termijnen worden bepaald.

 

§ 5.

Een stortplaats of een gedeelte daarvan wordt pas als definitief afgewerkt beschouwd, wanneer de toezichthoudende overheid na het uitvoeren van een eindinspectie ter plaatse en na het beoordelen van alle verslagen die de exploitant heeft ter beschikking gesteld,een proces-verbaal houdende definitieve afwerking van de stortplaats opgesteld heeft.

 

De toezichthoudende overheid bezorgt de exploitant een copie van dit proces-verbaal. Een en ander doet in geen geval af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden.

 

§ 6.

De exploitant blijft, nadat de stortplaats definitief is gesloten, verantwoordelijk voor onderhoud, toezicht en controle in de nazorgfase zolang de vergunningverlenende overheid zulks nodig acht, rekening houdend met de tijd gedurende welke de stortplaats gevaar kan opleveren. De exploitant van de stortplaats is verantwoordelijk voor toezicht op en analyse van het stortplaatsgas, het stortplaatspercolaat en het grondwater in de omgeving van de stortplaats, zolang de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat een stortplaats gevaar voor het milieu kan opleveren en onverminderd eventuele andere wetgeving met betrekking tot de aansprakelijkheid van de houder van het afval. De exploitant stelt de toezichthoudende overheid en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij in kennis van alle significante nadelige milieueffecten die bij de controleprocedures aan het licht zijn gekomen en geeft gevolg aan het besluit van de bevoegde autoriteit omtrent de aard en het tijdstip van de uit te voeren corrigerende maatregelen;


Art. 5.2.4.5.2.

§ 1.

Op categorie 1 en 2 stortplaatsen wordt, om te verhinderen dat water de stortplaats zou binnendringen en om de stortplaats ruimtelijk te integreren, op stortvakken waar de stortactiviteiten definitief worden bee¨indigd, boven de tussenafdek een afdichtlaag en een eindafdek aangebracht.

 

Vooraleer met de afwerking wordt begonnen wordt voor categorie 1 en 2 stortplaatsen, een afwerkings- en sluitingsplan opgesteld door een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. Het afwerkings- en sluitingsplan van de stortplaats omvat :

  • aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan;
  • constructie en uitvoering van de drainagesystemen met beschermingslagen (dimensionering en gebruikte materialen);
  • constructie en uitvoering van de afdichtlaag met beschermingslagen (gebruikte materialen);
  • constructie en uitvoering van de eindafdek (gebruikte materialen);

De uitvoering van de verschillende werken gebeurt onder toezicht van een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige. Deze deskundige stelt na afloop een rapport op waarin hij de conformiteit van de uitgevoerde werken aan het goedgekeurde afwerkingsplan attesteert. Dit rapport wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid. De definitieve goedkeuring van de afwerking wordt opgenomen in het proces verbaal,zoals bedoeld in artikel 5.2.4.5.1.

 

§ 2.

De afdichtlaag:

  1. kan bestaan uit een homogene laag van slecht doorlatend bodemmateriaal met daarboven een kunstmatige afdichting van aaneengelaste foliematerialen, tussen aangepaste beschermingslagen;
    • de slecht doorlatende laag wordt aangebracht als een continue laag over het volledige stortterrein. Inzake doorlatendheid is de slecht doorlatende laag gelijkwaardig aan een laag van 0,5 meter dikte met een k-waarde die kleiner dan of gelijk aan 1.10-9m/s is.
    • de gebruikte foliematerialen zijn minstens gelijkwaardig aan een HDPE-folie van 2.5 mm dikte.
  2. kan andere uitvoeringsvormen aannemen die de goedkeuring van de toezichthoudende overheid vereisen. De aanvrager dient de degelijkheid ervan te bewijzen. De andere uitvoeringsvormen dienen minstens gelijkwaardig te zijn aan de dubbele afdichtlaag zoals beschreven in punt 1 hierboven.

Een licht verhang overeenkomstig het afwateringsplan is noodzakelijk om de afvloeiing van het regenwater mogelijk te maken.

 

§ 3.

Bovenop de afdichtlaag wordt de eindafdek aangebracht. De eindafdek bestaat uit een drainerende laag van minstens 0,5 meter dikte bestaande uit materialen zoals grof gebroken puin en zand. De drainerende laag bevat de nodige beschermingslagen tegen dichtslibbing. Bovenop de drainerende laag wordt een bewortelingslaag van minstens 1 meter dikte aangebracht. In de bovenlaag wordt, indien nodig, een begreppeling aangebracht. De drainerende laag kan vervangen worden door een alternatief drainagesysteem. De totale dikte van de eindafdek bedraagt in ieder geval minstens 1,5 meter.

 

§ 4.

Binnen de kortst mogelijke termijn worden de gedeelten die een eindafdek hebben gekregen ingezaaid met gras.

 

§ 5.

De begroeiing mag de aangebrachte afdichtlaag niet kunnen beschadigen. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient de ontwikkeling van hoogstammige gewassen te worden verhinderd.

 

§ 6.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen overeenkomstig de stedebouwkundige bestemming van het terrein bijkomende afwerkingsvoorwaarden worden opgelegd.


Art. 5.2.4.5.3.

§ 1.

Op categorie 3 stortplaatsen wordt op stortvakken, welke definitief volgestort zijn overeenkomstig het goedgekeurde werkplan, de eindafdek aangebracht. Vooraleer met de afwerking wordt begonnen wordt voor categorie 3 stortplaatsen, een afwerkings- en sluitingsplan opgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. Het afwerkings- en sluitingsplan van de stortplaats omvat:

  • aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan;
  • constructie en uitvoering van de eindafdek (gebruikte materialen)

De eindafdek bestaat uit een bewortelingslaag van minstens 1 meter dikte. In de bovenlaag wordt, indien nodig, een begreppeling aangebracht. Vooraleer de eindafdek wordt aangebracht moeten de beëindigde stortvakken genivelleerd worden overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. De genivelleerde bovenlaag van ten minste 0,5 meter dikte mag uitsluitend grofkorrelige materialen bevatten.

 

§ 2.

Binnen de kortst mogelijke termijn worden de gedeelten die een eindafdek hebben gekregen ingezaaid met gras.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen overeenkomstig de stedebouwkundige bestemming van het terrein bijkomende afwerkingsvoorwaarden worden opgelegd.

 

§ 4.

De definitieve goedkeuring van de afwerking wordt opgenomen in het proces verbaal, zoals bedoeld in artikel 5.2.4.5.1.


Art. 5.2.4.5.4.

§ 1.

De periode van nazorg voor een categorie 1, 2 en 3 stortplaats bedraagt ten minste 30 jaar. De periode van nazorg vangt aan op datum van het proces-verbaal van de toezichthouder houdende vaststelling van de definitieve afwerking van de stortplaats. De vergunningverlenende overheid kan de periode van nazorg verlengen op verzoek van de toezichthoudende overheid of van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en op basis van de evolutie van de grondwaterkwaliteit, het gedrag van de stortplaats, zettingen, de vorming van percolaat of stortgassen, of andere gebeurtenissen die een nadelige invloed op het milieu hebben.

 

§ 2.

De nazorgactiviteiten omvatten minstens volgende punten:

  1. de instandhouding en het onderhoud van volgende infrastructuur:
    • de omheining en toegangspoorten;
    • de wegenis op het afgewerkte terrein;
  2. het beheer van de begroeiing;
  3. de regelmatige controle van de toestand van de afwerkingslagen, stortdijken en taluds met het oog op nagaan van eventuele zettingen en erosie, met inbegrip van eventuele herstelwerkzaamheden;
  4. de instandhouding en het onderhoud van de drainagesystemen met inbegrip van het afpompen en het zuiveren van het nog gevormde percolaat;
  5. de instandhouding, het onderhoud en de uitbating van de ontgassingsinfrastructuur, met inbegrip van de gasfakkel;
  6. de instandhouding en het onderhoud van de meetputten voor grondwater met inbegrip van het uitvoeren van de in de vergunning opgelegde controles en metingen;
  7. de jaarlijkse rapportering zoals opgelegd in de vergunning.

 

§ 3.

Voor het beëindigen van de definitieve afwerking van de stortplaats legt de exploitant een nazorgplan ter goedkeuring voor. Het nazorgplan dient minstens volgende punten te omvatten:

  • een tijdschema voor het uitvoeren van de in de vergunning opgelegde controles en metingen;
  • een werkplan voor het uitvoeren van de onder § 2 hierboven bepaalde nazorgactiviteiten;

 

§ 4.

Het nazorgplan wordt goedgekeurd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij inzake de controle en de metingen van het grondwater en door de toezichthoudende overheid inzake alle andere punten.

 

§ 5.

Het goedgekeurde nazorgplan maakt deel uit van het proces-verbaal van de toezichthouder houdende vaststelling van de definitieve afwerking van de stortplaats.

 

§ 6.

De exploitant stelt de toezichthoudende overheid en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij in kennis van alle significante nadelige milieueffecten die bij de controleprocedures aan het licht zijn gekomen en geeft gevolg aan het besluit van de bevoegde autoriteit omtrent de aard en het tijdstip van de uit te voeren corrigerende maatregelen. Deze maatregelen, door de exploitant te bekostigen, dienen naargelang het grondwateraspecten betreft of andere aspecten de goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij of van de toezichthoudende overheid te dragen. Indien de exploitant de aldus al of niet gewijzigde maatregelen niet zelf uitvoert of laat uitvoeren binnen de gestelde termijn, kan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij bedoelde maatregelen laten uitvoeren lastens de exploitant.

Subafdeling 5.2.4.6.
Controle- en toezichtsprocedures in de exploitatie- en nazorgfase


Art. 5.2.4.6.1.

§ 1.

Deze subafdeling bepaalt de controleprocedures die minimaal moeten worden uitgevoerd om na te gaan:

-of de afvalstoffen in overeenstemming met de criteria voor de betrokken stortplaatsklasse voor verwijdering zijn aanvaard;
-of de processen op de stortplaats naar wens verlopen;
-of de werking van de milieubeschermingssystemen volledig aan de verwachting beantwoordt;
-of aan de vergunningsvoorwaarden voor de stortplaats voldaan is.

 

§ 2.

De exploitant van een stortplaats voert in de exploitatie- en nazorgfase een controle- en toezichtprogramma uit, als verder bepaald;

 

§ 3.

De exploitant stelt de toezichthoudende overheid en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij in kennis van alle significante nadelige milieueffecten die bij de controle- en toezichtprocedures aan het licht zijn gekomen en geeft gevolg aan het besluit van de toezichthoudende overheid over de aard en het tijdstip van de uit te voeren corrigerende maatregelen. Deze maatregelen worden op kosten van de exploitant genomen.

 

§ 4.

De analyses in het kader van de controle- en toezichtsprocedures moeten worden uitgevoerd door een erkend laboratorium. Indien de exploitant de analyses voor het accepteren van de afvalstoffen in eigen beheer uitvoert, moet hiervoor een erkenning worden bekomen.

 

De procedures, methodes en apparatuur voor gas- percolaat- en grondwatermetingen dragen de goedkeuring van de toezichthoudende overheid. De praktische uitvoering van de monsterneming en metingen wordt vooraf goedgekeurd door een terzake erkend laboratorium tenzij de monsterneming en de metingen door een terzake erkend laboratorium zelf worden uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor de plaats van monsterneming of het meetpunt. De gascontrole moet representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats.


Art. 5.2.4.6.2. water-, percolaat- en gascontrole

Monsters van percolaat en eventueel aanwezig oppervlaktewater worden op representatieve plaatsen vergaard. Het bemonsteren en meten (volume en samenstelling) van het percolaat gebeurt afzonderlijk op elk punt waar percolaat uit de stortplaats vrijkomt.De controle van het eventueel aanwezige oppervlaktewater wordt uitgevoerd op ten minste twee punten, één stroomopwaarts en één stroomafwaarts van de stortplaats.

 

De gascontrole moet representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats.

 

Voor percolaat en water wordt voor controle een monster genomen dat representatief is voor de gemiddelde samenstelling.

 

Voor categorie 1 en 2 stortplaatsen wordt het percolaatwater volgens de frequentie aangegeven in onderstaande tabel bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Het gezuiverde percolaat dat wordt geloosd wordt minstens maandelijks bemonsterd en geanalyseerd. Deze controles (bemonstering en analyse) worden voortgezet gedurende de periode van nazorg tot zolang percolaatwater wordt gevormd. De te analyseren stoffen omvatten ten minste de algemene kwaliteitsparameters (temperatuur, pH, geleidbaarheid, normale kationen en anionen) aangevuld met de relevante verontreinigingsparameters (zware metalen, organische stoffen) die worden vastgelegd op basis van de samenstelling van de gestorte afvalstoffen. De lijst van parameters die bij de analyses bepaald worden, draagt de goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

Op stortplaatsen met een actieve ontgassing wordt de samenstelling van het stortgas bepaald volgens de frequentie aangegeven in onderstaande tabel.

  Exploitatiefase Nazorgfase
1.1 Hoeveelheid percolaat Maandelijks 1, 3 Halfjaarlijks 3
1.2 Samenstelling percolaat 2 Driemaandelijks3 Halfjaarlijks
1.3 Hoeveelheid en samenstelling van het-oppervlaktewater7 Driemaandelijks3 Halfjaarlijks
2.4 Potentiële gasuitstoot en atmosferische druk 4 (CH4, CO2, O2, H2S, H2 enz…) Maandelijks 1, 5 Halfjaarlijks 6

 

———

Nota’s

 

(1) De frequentie kan worden aangepast aan de hand van de mofologie van het gestorte afval in tumulusvorm, bedolven, enz.

Dit moet in de vergunning worden vermeld.

 

(2) De te meten parameters en te analyseren stoffen variëren naargelang van de samenstelling van het gestorte afval. Ze worden vermeld in de vergunning en weerspiegelen de uitloogkenmerken van de afvalstoffen.

 

(3) Als de evaluatie van de gegevens aangeeft dat langere tussenpozen even effectief zijn, kunnen deze tussenpozen worden aangepast. Voor percolaten wordt de geleidbaarheid minstens eenmaal per jaar bepaald.

 

(4) Deze metingen hebben hoofdzakelijk betrekking op het gehalte organisch materiaal in de afvalstoffen

 

(5) CH4, CO2, O2 regelmatig, andere gassen naar behoefte, afhankelijk van de samenstelling van de gestorte afvalstoffen, waarbij ernaar gestreefd wordt de uitloogeigenschappen te weerspiegelen.

 

(6) De doelmatigheid van het gasopvangsysteem wordt regelmatig gecontroleerd

 

(7) Op grond van de kenmerken van het stortterrein mag de bevoegde instantie bepalen dat deze metingen niet vereist zijn

 

Met het oog op het opmaken van een waterbalans worden voor categorie 1 en 2 stortplaatsen door meting op de stortplaats of via het dichtstbijzijnde meteorologische station de volgende gegevens verzameld:

 

  Exploitatiefase Nazorgfase
1.1 Neerslaghoeveelheid Dagelijks Dagelijkse waarden, opgeteld tot maandwaarden
1.2 Temperatuur min. max., 14.00 h MET) Dagelijks Maandgemiddelde
1.3 Heersende windrichting en –kracht Dagelijks Niet vereist
1.4 Verdamping lysimeter (1) Dagelijks Dagelijkse waaden, opgeteld tot maandgemiddelden
1.5 Luchtvochtigheid 14.00h MET Dagelijks Maandgemiddelde
(1) of met een ander geschikte methode    

 


Art. 5.2.4.6.3. bescherming van het grondwater

§ 1.

Voor iedere watervoerende laag die door de stortplaats kan worden beïnvloed worden voor de aanvang van de stortactiviteiten rondom het stortterrein minstens 3 genivelleerde meetputten voor grondwater aangelegd (minstens één meetput bevindt zich langs de zijde waar het grondwater het gebied van de stortplaats binnenstroomt en twee bevinden zich langs de zijde waar het grondwater het gebied van de stortplaats uitstroomt). Dit aantal kan verhoogd worden op grond van een specifiek hydrogeologisch onderzoek en de noodzaak van een vroegtijdige vaststelling van accidenteel percolaatverlies in het grondwater. De meetputten moeten een representatieve bepaling van de plaatselijke grondwaterkwaliteit en de beïnvloeding ervan door de stortplaats mogelijk maken. Het aantal meetputten, de inplantingsplaats en de technische kenmerken ervan worden bepaald in overleg met de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij op basis van de hydrogeologische toestand van het terrein zoals deze blijkt uit de hydrogeologische studie en/of het dossier van de vergunningsaanvraag, en desgevallend nader in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is bepaald.

 

§ 2.

De verschillende meetputten worden duidelijk geïdentificeerd. Een nivelleringsmerkstreep met vermelding van het bijhorende TAW-niveau of het niveau dat refereert aan een ander topografisch referentiepunt wordt duidelijk aangebracht. De meetputten worden met een slot afgegrendeld.

 

§ 3.

de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij wordt tijdig in kennis gesteld van het aanleggen van deze meetputten zodat haar afgevaardigde hierbij kan aanwezig zijn. Bij het aanleggen van iedere meetput wordt door de boormeester een technisch verslag opgemaakt overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 4.

Na het aanleggen worden de meetputten aan een testpomping onderworpen. De testpompingen worden uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 5.

Voor iedere meetput wordt een fiche opgesteld die alle technische gegevens in verband met zijn constructie en de uitgevoerde testpomping bevat. Deze fiche wordt opgesteld overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 6.

Alvorens met de exploitatie van de stortplaats wordt gestart, wordt de nultoestand van de grondwaterkwaliteit bepaald. Ten vroegste één week na de testpomping worden de verschillende meetputten bemonsterd en aan een volledige analyse onderworpen, overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Om referentiewaarden voor latere bemonstering vast te stellen, moeten op tenminste drie plaatsen monsters worden genomen alvorens met het storten wordt gestart. De metingen en analyses worden uitgevoerd door een daartoe erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Het grondwaterpeil wordt opgemeten. De analyseresultaten gelden als basisreferentiewaarde.

 

§ 7.

De technische fiche voor elke meetput opgesteld, wordt toegezonden aan de toezichthoudende overheid en aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 8.

Op kosten van de exploitant worden voor de aanvang der stortactiviteiten en nadien volgens de frequentie aangegeven in onderstaande tabel door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL de grondwaterniveaus in de meetputten opgemeten en worden watermonsters uit de meetputten voor grondwater genomen en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. De monstername wordt een eerste maal uitgevoerd vóór de aanvang van de stortactiviteiten en minstens 1 week na het uitvoeren van de testpompingen. De analyseverslagen worden naar de exploitant en de toezichthoudende overheid verzonden. Deze controles (bemonstering en analyse) worden voortgezet gedurende de periode van nazorg. de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij kan opleggen dat na deze termijn nog jaarlijks controles worden uitgevoerd.

 

§ 9.

De te analyseren stoffen omvatten ten minste de algemene kwaliteitsparameters voor grondwater (temperatuur, pH, geleidbaarheid, normale kationen en anionen) aangevuld met de relevante verontreinigingsparameters (zware metalen, organische stoffen) die worden vastgelegd op basis van de samenstelling van het percolaat. De lijst van parameters die bij de analyses bepaald worden, draagt de goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Bij de keuze van de analyseparameters moet rekening worden gehouden met de mobiliteit in de grondwaterzone. De parameters kunnen eventueel indicatorparameters omvatten, zodat een verandering in de waterkwaliteit in een vroeg stadium worden onderkend.

 

  Exploitatiefase Nazorgfase
Niveau van het grondwater Halfjaarlijks 1 Halfjaarlijks 1
Samenstelling van het grondwater Stortplaatsspecifieke frequentie en voor categorie 1 en 2 stortplaatsen minstens halfjaarlijks, voor categorie 3 stortplaatsen minstens jaarlijks 2,3

 

———

 

Nota’s

 

(1) In geval van veranderende grondwaterniveaus wordt de frequentie vehoogd.

 

(2) De frequentie is gebaseerd op de mogelijkheid van corrigerende ingrepen tussen twee bemonsteringen indien een interventiepunt bereikt wordt. Met ander woorden de frequentie wordt bepaald op basis van de kennis en de beoordeling van de snelheid van de grondwaterstroming.

 

(3) Indien een interventiepunt bereikt wordt (zie onder A), is verificatie noodzakelijk door herhaling van dezelfde monsterneming. Wanneer het interventiepunt bevestigd wordt, treedt een urgentieplan dat in de vergunning is beschreven in werking.

 

A. Interventiepunt

 

Er wordt vanuit gegaan dat er zich voor het grondwater significante nadelige milieueffecten, als vermeld in subafdeling 5.2.4.5 en deze subafdeling, hebben voorgedaan wanneer uit een analyse van een grondwatermonster een significante verandering in de waterkwaliteit blijkt. Een interventiepunt moet worden bepaald met inachtneming van de specifieke hydrogeologische formaties op de locatie van de stortplaats en de grondwaterkwaliteit. Het interventiepunt wordt waar mogelijk in de vergunning vermeld.

 

De waarnemingen worden beoordeeld door middel van controlekaarten met vastgestelde controleregels en -niveaus voor elke lager gelegen bron. De controleniveaus worden bepaald op grond van plaatselijke veranderingen in de grondwaterkwaliteit.


Art. 5.2.4.6.4. Topografie van de stortplaats: gegevens over de gestorte massa

Jaarlijks worden volgende gegevens verzameld:

 

Exploitatiefase Nazorgfase
1.1 Structuur en samenstelling van de gestorte massa 1 Jaarlijks
1.2 Inklinkingsgedrag van de gestorte massa jaarlijks Jaarlijks

 

———

 

Nota’s

 

(1) Gegevens voor de status van de desbetreffende stortplaats: het met afval bedekte oppervlak, volume en samenstelling van het afval, stortmethode, tijdstip en duur van stortwerkzaamheden, berekening van de resterende stortcapaciteit op de stortplaats


Art. 5.2.4.6.5.

§ 1.

Minstens jaarlijks wordt een rapport opgemaakt waarin verslag wordt uitgebracht van de stortexploitatie of de nazorgactiviteiten gedurende het afgelopen jaar. Op basis van de samengevoegde gegevens deelt de exploitant, volgens de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgestelde frequentie, doch in ieder geval ten minste eenmaal per jaar, alle controleresultaten mee aan de verder vermelde autoriteiten teneinde aan te tonen dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan en de kennis over het gedrag van afvalstoffen op stortplaatsen te vergroten.

 

§ 2.

Het rapport omvat in de exploitatiefase:

  • de aard, de herkomst en de hoeveelheden van de aangevoerde afvalstoffen, de ingenomen en nog resterende stortoppervlakte en stortcapaciteit;
  • voor categorie 1 en 2 stortplaatsen:

    -

    een waterbalans van de stortexploitatie op basis van de neerslaggegevens van het dichtstbijzijnde weerstation, eventueel aangevuld met plaatselijke metingen, hoeveelheden afgepompt en behandeld percolaat, hoeveelheden geloosd water met berekening van de geloosde vuilvrachten;
    -de opvolging van de hoeveelheden percolaat, de samenstelling ervan en de toegepaste zuiveringstechnieken;
  • een bespreking van de grondwaterkwaliteit en de evolutie ervan op basis van de analyseresultaten van de watermonsters uit de meetputten.

 

§ 3.

Het rapport omvat in de nazorgfase:

  • een verslag van de tijdens het afgelopen jaar uitgevoerde nazorgactiviteiten;
  • een bespreking van de grondwaterkwaliteit en de evolutie ervan op basis van de analyseresultaten van de watermonsters uit de meetputten;

 

§ 4.

Het in § 1 bedoelde rapport wordt minstens jaarlijks ten laatste tegen 30 april na het kalenderjaar waarop het rapport betrekking heeft (een eerste maal uiterlijk 18 maanden na de aanvang van de eigenlijke stortactiviteiten) bezorgd aan de toezichthoudende overheid en aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Een copie van het rapport wordt eveneens toegestuurd aan het gemeentebestuur van de gemeente waar de inrichting gelegen is, ter inzage van het publiek. Bij het aanvragen van een nieuwe omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden de rapporten van de afgelopen vergunningsperiode alsmede een globale evaluatie aan het aanvraagdossier toegevoegd.


Art. 5.2.4.6.6. Specifieke voorschriften voor de tijdelijke opslag van metallisch kwik gedurende meer dan een jaar

§ 1. Voorschriften inzake toezicht, inspectie en noodsituaties

Op de opslaglocatie wordt een permanent meetsysteem voor kwikdamp met een gevoeligheid van ten minste 0,02 mg kwik/m3 geïnstalleerd. Sensoren worden opgesteld op het grondniveau en op hoofdhoogte. Dit systeem omvat een visueel en akoestisch alarmmechanisme. Het wordt jaarlijks onderhouden.

 

De opslaglocatie en de vaten worden ten minste eenmaal per maand visueel onderzocht door een bevoegde persoon. Als er lekken worden vastgesteld, onderneemt de exploitant onmiddellijk het nodige om elke kwikemissie in het milieu te voorkomen en de veiligheid van de opslag van het kwik te herstellen. Elk lek wordt geacht significante nadelige milieueffecten te hebben, als vermeld in artikel 5.2.4.6.1, § 3.

 

Noodplannen en passende beschermende uitrusting voor het hanteren van metallisch kwik staan op de locatie ter beschikking.

 

§ 2. Het bijhouden van registers

Alle documenten die de informatie bevatten, als vermeld in paragraaf 1 en artikel 5.2.4.1.11/1, inclusief het certificaat dat het vat begeleidt, alsook de registers met betrekking tot het uitslaan en de verzending van metallisch kwik na de tijdelijke opslag ervan en de bestemming en de voorgenomen behandeling, worden gedurende ten minste drie jaar na het einde van de opslag bewaard.


Subafdeling 5.2.4.7.
Financiële zekerheid


Art. 5.2.4.7.1.

§ 1.

Voor de aanvang van de stortactiviteiten worden door de exploitant van de stortplaats financiële zekerheden gesteld ten voordele van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De financiële zekerheden moeten volgende risico’s waarborgen:

de kosten voor de afdichtlaag en de eindafdek van de stortplaats;
de kosten voor de nazorgactiviteiten;

 

§ 2.

De financiële zekerheden kunnen de volgende vormen aannemen, afzonderlijk of in combinatie:

- een verzekering;
- een garantie van een financiële instelling;
- een andere persoonlijke of zakelijke zekerheid;

 

§ 3.

Het bedrag van de financiële zekerheden bedoeld in § 1 wordt bepaald per in § 1 aangehaald risico, op basis van een uitbatingsproject opgesteld door een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige.

 

De kosten inzake eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden berekend rekening houdende met de volgende bedragen:

- 34,71 euro per m2 aan te brengen afdichtlaag en eindafdek voor een stortplaats van categorie 1 of categorie 2;
- 9,92 euro per m2 aan te brengen eindafdek voor een stortplaats van categorie 3.

De kosten voor de nazorgactiviteiten worden berekend, rekening houdende met de bepalingen in subafdeling 5.2.4.5.

 

De financiële zekerheden worden geleidelijk opgebouwd naargelang de vordering van de stortactiviteiten. Het totale bedrag dient op elk moment hoog genoeg zijn om een correcte eindafwerking en vergoeding voor mogelijke schade aan het milieu en derden te garanderen.

 

Het bedrag van de financiële zekerheden bedoeld in § 1 1° én 2° is gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van maart 1995, met name 119,73. De indexering dient ieder jaar automatisch, dus zonder voorafgaande verwittiging, te geschieden op 1 april van elk jaar.

 

§ 4.

Het voorstel van financiële zekerheden wordt aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij toegestuurd of afgegeven op de zetel van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij onderzoekt de voorgestelde financiële zekerheden.

 

§ 5.

Indien de financiële zekerheden beantwoorden aan de vereisten van § 1 kent de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij binnen de 2 maanden na ontvangst van het voorstel een conformiteitsattest toe. de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij brengt het conformiteitsattest van financiële zekerheid bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging ter kennis van

- de exploitant,
- de verstrekker van de financiële zekerheden,
- de toezichthoudende overheid.

De stortactiviteiten mogen slechts worden aangevat na ontvangst door de exploitant van bedoeld conformiteitsattest.

 

§ 6.

Indien de financiële zekerheden niet beantwoorden aan de vereisten van § 1, deelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij dit binnen de 2 maanden na ontvangst van het voorstel bij aangetekend schrijven aan de exploitant en de verstrekker van de financiële zekerheden mee.

 

§ 7.

Met betrekking tot afgewerkte gedeelten kan het bedrag van de financiële zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden vrijgegeven op basis van een voortgangsrapport, opgesteld door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en een proces-verbaal van vaststelling van de toezichthoudende overheid.

Het voortgangsrapport vermeldt o.m. de benuttigingsgraad, de resterende kosten voor afdichtlaag, eindafdek en nazorg van de stortplaats en een evaluatie van de naleving van de geldende wetgeving.

 

§ 8.

Bij de beëindiging van de definitieve afwerking van de stortplaats en na het voorleggen van een goedgekeurd nazorgplan, beide vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, mits voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen de dertig dagen het overblijvende bedrag van de financiële zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) vrijgegeven.

 

§ 9.

Bij de beëindiging van de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde periode van nazorg overeenkomstig de opgelegde uitbatingsvoorwaarden, al dan niet geheel of gedeeltelijk ambtshalve uitgevoerd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, mits voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen de dertig dagen de financiële zekerheid volledig opgeheven.

 

§ 10.

Het proces-verbaal, vermeld in § 7, 8 en 9 dient door de toezichthoudende overheid te worden opgesteld binnen de 90 werkdagen na ontvangst van de vraag van de exploitant.


Art. 5.2.4.7.2.

de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij kan op volgende wijze aanspraak maken op een gestelde financiële zekerheid:

Op gemotiveerd verzoek van de toezichthoudende overheid houdende vaststelling van niet naleving van de vergunningsvoorwaarden of op basis van eigen vaststellingen stelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij met een aangetekend schrijven de exploitant in gebreke. In de ingebrekestelling wordt vermeld welke maatregelen van de exploitant worden verwacht alsmede de termijn voor uitvoering ervan. Een afschrift van de ingebrekestelling wordt aangetekend bezorgd aan de verstrekker van de financiële zekerheid.

Indien de exploitant zich binnen een termijn van één maand niet schriftelijk engageert voor een stipte uitvoering van de gevraagde maatregelen of indien de exploitant zich naderhand niet aan die stipte uitvoering houdt, beslist de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij tot ambtshalve uitvoering van de nodige maatregelen.

De beslissing tot ambtshalve uitvoering wordt per aangetekend schrijven meegedeeld aan de exploitant van de stortplaats alsmede aan de verstrekker van de financiële zekerheid en aan de toezichthoudende overheid.

Voor de aanvang van de uitvoering van de nodige maatregelen bezorgt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij het goedgekeurde bestek met inbegrip van de prijsraming inclusief de planning voor uitvoering en financiering van de werken aan de verstrekker van de financiële zekerheid. De verstrekker van de financiële zekerheid staat in voor de betaling van de door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij voorgelegde facturen en draagt de verantwoordelijkheid voor de betaling ervan.


Afdeling 5.2.5.
MONOSTORTPLAATSEN VOOR BAGGERSPECIE AFKOMSTIG UIT DE OPPERVLAKTEWATEREN BEHORENDE TOT HET OPENBAAR HYDROGRAFISCH NET


Subafdeling 5.2.5.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.2.5.1.1.

Tenzij anders bepaald in de toepasselijke reglementeringen of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit moeten de inrichtingen bedoeld in de rubriek 2.3.7, a) van de indelingslijst voldoen aan de door deze subafdeling vastgestelde milieuvoorwaarden.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden afgeweken van de door deze afdeling vastgestelde milieuvoorwaarden op voorwaarde dat wordt voldaan aan de bepalingen van de Europese richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen.


Art. 5.2.5.1.2.

De exploitant draagt er zorg voor dat minimaal de volgende kosten worden aangerekend voor het storten van de afvalstoffen op de stortplaats :

alle kosten voor de inrichting en de exploitatie van de stortplaats
de kosten voor het stellen van de financiële zekerheid;
de kosten voor het sluiten en de nazorg.

 


Subafdeling 5.2.5.2.
De aanvaarding van baggerspecie op de monostortplaats


Art. 5.2.5.2.1.

De volgende baggerspecie mag niet op de monostortplaats worden aanvaard :

baggerspecie die meer dan 0,1% acuut toxische organische stoffen van gevarencategorie 1 en 2 volgens de CLP-verordening bevat, uitgedrukt op de watervrije afvalstof;
[...]
alle andere soorten baggerspecie die niet voldoen aan de geldende aanvaardingscriteria. Het is verboden afvalstoffen te verdunnen of te vermengen uitsluitend om aan de aanvaardingscriteria te voldoen.

 

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en - mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik kan baggerspecie die, uitgedrukt op de watervrije afvalstof:

giftige anorganische stoffen bevat in concentraties groter dan de drempelwaarde waarbij aan preparaten ervan het symbool T+ of T op basis van de toxicologische eigenschappen van de stoffen (R-zinnen 23, 24, 25, 26, 27, 28, 39 en 48) wordt gegeven (Richtlijn 1999/45/EG van 31 mei 1999),
ofwel giftige anorganische stoffen bevat in concentraties groter dan de drempelwaarde waarbij aan mengsels ervan de gevarenklassen en categorieën acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, specifieke doelorgaantoxiciteit na eenmalige blootstelling categorie 1 of specifieke doelorgaantoxiciteit bij herhaalde blootstelling categorie 1 op basis van de toxicologische eigenschappen van de stoffen (met gevaarsaanduiding H300, H301, H310, H311, H330, H331, H370, of H372) wordt gegeven (verordening 1272/2008 van 16 december 2008), alleen gestort worden met naleving van de volgende voorwaarden:
a) om de risico’s voor mens en milieu tot een strikt minimum te beperken en om aan de geldende aanvaardingscriteria te voldoen, kan het noodzakelijk zijn om de baggerspecie voor te behandelen zodat de aanwezige giftige verbindingen zo goed mogelijk worden omgelegd naar minder giftige verbindingen, waarbij evenwel de verkregen chemische vorm van het giftig metaal minder uitloogbaar moet zijn;

de baggerspecie wordt in zoutcelcondities op een categorie 1-stortplaats gestort, zodat in alle opzichten een nulemissie wordt bereikt. Daaronder wordt verstaan dat de baggerspecie fysisch worden ingekapseld. Er mag meer bepaald geen enkele emissie optreden door manipulatie van de baggerspecie, door percolaat of door verspreiding van stof of dergelijke.

  


Art. 5.2.5.2.2. Basiskarakterisering

Basiskarakterisering is de eerste stap in de aanvaardingsprocedure en houdt een volledige karakterisering van de baggerspecie in door het verzamelen van alle benodigde informatie voor het veilig verwijderen van de afvalstoffen op lange termijn. Voor elk type afvalstof is basiskarakterisering vereist.

 

Voor deze basiskarakterisering geldt het volgende :

Basiskarakterisering heeft de volgende functies :
a) basisinformatie over de afvalstoffen (type en herkomst, samenstelling, consistentie, uitloogbaarheid en - zo nodig en beschikbaar - andere karakteristieke eigenschappen);
b) basisinformatie voor het verwerven van inzicht in het gedrag van afvalstoffen op stortplaatsen en opties voor behandeling als vastgesteld in de afdeling 5.2.4 van dit besluit;
c) beoordeling van afvalstoffen aan de hand van grenswaarden;
d)

vaststelling van de belangrijkste variabelen (kritische parameters) voor het uitvoeren van de controletest en opties voor de vereenvoudiging van deze test (wat moet leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal te meten bestanddelen, maar uitsluitend na overlegging van de relevante informatie); karakterisering kan verhoudingen tussen basiskarakterisering en resultaten van vereenvoudigde testprocedures opleveren alsmede frequentie van controletests.

 

Als de basiskarakterisering van een baggerspecie laat zien dat de stof voldoet aan de in subafdeling 5.2.5.3 vervatte criteria voor een stortplaatscategorie, wordt de stof geacht aanvaardbaar te zijn voor deze stortplaatscategorie. Indien de afvalstof niet aan de criteria voldoet, is deze niet aanvaardbaar voor deze stortplaatscategorie.

 

De producent van de afvalstoffen, of de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer ervan, is er tevens verantwoordelijk voor dat de informatie aangaande de karakterisering correct is. De exploitant bewaart de vereiste informatie gedurende een periode van 10 jaar.

De essentiële eisen voor basiskarakterisering van de afvalstoffen zijn de volgende :
  a) bron en oorsprong van de afvalstoffen;
  b) informatie over het proces waarbij de afvalstoffen zijn geproduceerd (beschrijving en kenmerken van grondstoffen en producten);
  c) beschrijving van de afvalbehandeling die is toegepast krachtens afdeling 5.2.4 van dit besluit of een verklaring van redenen waarom zulk een behandeling niet noodzakelijk wordt geacht;
  d) gegevens over de samenstelling van de afvalstoffen en het uitlooggedrag indien van toepassing;
  e) uiterlijk van de afvalstoffen (geur, kleur, fysische vorm);
  f) code volgens de Europese lijst van afvalstoffen als vermeld in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
  g) voor gevaarlijke afvalstoffen ingeval van spiegelcategorieën : de desbetreffende gevaarlijke eigenschappen overeenkomstig bijlage III van Richtlijn 91/689/EG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen, als vermeld in afdeling 4.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
  h) informatie waaruit blijkt dat de afvalstoffen niet onder de uitsluitingen van artikel 5.2.4.1.2 vallen;
  i) de stortplaatscategorie waarin de afvalstoffen kunnen worden aanvaard;
  j) zo nodig, aanvullende voorzorgsmaatregelen op de stortplaats;
  k) nagaan of recycling of nuttige toepassing van de afvalstoffen mogelijk is.
In de regel dient een afvalstof te worden getest om informatie, vermeld in 2°, te verkrijgen. Behalve het uitlooggedrag dient de samenstelling van het afval bekend te zijn of door uitvoering van tests te worden vastgesteld. De voor de basiskarakterisering gebruikte tests dienen ook die voor het uitvoeren van de controle te omvatten. Voor elke partij baggerspecie is karakterisering vereist. De basiskarakterisering dient de essentiële eisen voor deze karakterisering te omvatten. Aangezien elke partij afval moet worden gekarakteriseerd, is uitvoering van controletests niet noodzakelijk. De genoemde karakteriseringen zullen informatie verschaffen die rechtstreeks kan worden vergeleken met aanvaardingscriteria voor de desbetreffende stortplaatscategorie en bovendien kan beschrijvende informatie worden verstrekt.
In de volgende gevallen zijn tests voor de basiskarakterisering niet nodig : alle benodigde informatie voor de basiskarakterisering is bekend en naar behoren gemotiveerd ten genoegen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 


Art. 5.2.5.2.3. Verificatie ter plaatse

§ 1

Voor elke op een stortplaats afgeleverde lading baggerspecie vindt voor en na het lossen visuele inspectie plaats. Tevens vindt controle van de vereiste documentatie plaats.

 

Voor baggerspecie dat door de producent van het afval op een onder zijn beheer vallende stortplaats wordt gestort, mag deze verificatie op het punt van verzending plaatsvinden.

 

§ 2.

De baggerspecie mag op de stortplaats worden aanvaard, als het dezelfde betreft als de baggerspecie die aan de basiskarakterisering is onderworpen en in de bijbehorende documenten wordt beschreven. Is aan deze voorwaarde niet voldaan, dan mag de baggerspecie niet worden aanvaard.

 

§ 3.

Bij de aflevering worden periodiek monsters genomen. De genomen monsters worden na aanvaarding van het afval bewaard gedurende een periode van een maand.


Subafdeling 5.2.5.3.
Criteria voor de aanvaarding van baggerspecie


Art. 5.2.5.3.1.

Deze subafdeling beschrijft de criteria voor het aanvaarden van baggerspecie in elke stortplaatscategorie.

 

In bepaalde gevallen zijn maximaal driemaal zo hoge grenswaarden toegestaan voor de specifieke parameters, vermeld in deze subafdeling, als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan :

dit is bepaald in de afvalspecifieke vergunning voor de ontvangende stortplaats, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van de stortplaats en haar omgeving;

de emissies (inclusief percolaat) van de stortplaats, rekening houdend met de grenswaarden voor die specifieke parameters, vermeld in dit deel, zullen, op basis van een risicoanalyse, geen extra risico voor het milieu opleveren.

 

De voorziene toelating, van maximaal driemaal zo hoge grenswaarden, vermeld in het tweede lid, geldt niet voor :

opgeloste organische koolstof (″Dissolved Organic Carbon″ of ″DOC″), vermeld in artikel 5.2.5.3.2, § 2, en in artikel 5.2.5.3.3;
totaal organische koolstof (″Total Organic Carbon″ of ″TOC″), vermeld in artikel 5.2.5.3.3;
pH, vermeld in artikel 5.2.5.3.3;
gewichtsverlies bij gloeien (″Loss on Ignition″ of ″LOI″), vermeld in artikel 5.2.5.3.3.

 


Art. 5.2.5.3.2. Criteria voor monostortplaatsen voor niet gevaarlijke baggerspecie

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.5.2.1, § 1, artikel 5.2.5.3.3 en artikel 5.2.5.3.4 kan op een monostortplaats voor uitsluitend niet gevaarlijke baggerspecie, baggerspecie worden gestort die voldoet aan de volgende criteria :

voldoende steekvast zijn; voor de steekvastheid van baggerspecie wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning > 10 kN/m2; in ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven;
extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : < 2 Gew.-% op de watervrije afvalstof;
totaal oplosmiddelen (aspecifiek) : < 1 Gew.-% op de watervrije afvalstof;
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : < 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof.

 

Het voldoen aan de aanvaardbaarheidscriteria kan worden aangenomen op basis van de aard en herkomst van de afvalstoffen.

 

§ 2.

Voor niet gevaarlijke baggerspecie zijn de volgende grenswaarden van toepassing, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.

 

 

Componenten

L/S = 10 l/kg

mg/kg droge stof

As

2

Ba

100

Cd

1

Crtotaal

10

Cu

50

Hg

0,2

Mo

10

Ni

10

Pb

10

Sb

0,7

Se

0,5

Zn

50

Chloride

15.000

Fluoride

150

Sulfaat

20.000

DOC (*)

800

TDS (**)

60.000

 

(*) als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 mg/kg.

 

(**) de waarde voor totaal opgeloste vaste stoffen (« Totaal Opgeloste Vaste Stoffen » (TDS)) kan als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt.

 

§ 3.

In afwijking van de bepalingen van § 1 en § 2, gelden voor monostortplaatsen voor uitsluitend anorganische niet gevaarlijke baggerspecie met een laag gehalte aan organisch/biologisch afbreekbare stoffen, waarbij de baggerspecie niet voldoet aan de criteria bepaald in § 2 de volgende voorwaarden :

extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : < 5 Gew.-% op de watervrije afvalstof met als aanbevolen analysemethoden EPA 9071, AAC 3/R;
totaal oplosmiddelen (aspecifiek) : < 3 Gew.-% op de watervrije afvalstof met als aanbevolen analysemethode AAC 3/Q;
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : < 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof met als aanbevolen analysemethode AAC 3/N;
wateroplosbaar gedeelte : < 10 Gew.-% op de watervrije afvalstof, met als aanbevolen analysemethode : gewichtsverlies na extractie volgens DIN 38414-S4;
tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit :
  a) ofwel, verlies door uitgloeiing van het droge bestanddeel van de afvalstof tengevolge van de ontbinding van organische stoffen, uitgezonderd vaste polymeren en asfalt : < 10 gewichtsprocent,
  b) ofwel, totaal organische koolstof, uitgezonderd de koolstof vervat in vaste polymeren of asfalt, op het droge bestanddeel van de afvalstof : < 6%;
 

voor de toepassing van deze bepalingen wordt met vaste polymeren bedoeld de kunststoffen in vaste vorm zoals folies, granulaten, voorwerpen, vaste brokken;

 

aanbevolen analysemethode :

  a) gloeiverlies : DIN 38414-S3, AAC2/II/A.2;
  b) totaal organische koolstof : AAC2/II/A.7;
voor de steekvastheid van baggerspecie wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning > 10 kN/m2, met als aanbevolen methode AAC2filA.4 of een gelijkwaardige grondmechanische methode; in ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven;
uitlooggedrag : het uitlooggedrag wordt bepaald volgens de analysemethode beschreven in de norm DIN 38414-S4; de afvalstoffen mogen slechts op de stortplaats worden aanvaard indien het eluaat beantwoordt aan volgende waarden :

 

Parameter

Grenswaarde

Aanbevolen analysemethode

pH

4 -13

DIN 38404-C5

ISO/DIS/10523

AAC 2/ I /A.1

Fenolen (fenolindex)

< 100 mg/l

DIN 38409-H16

ISO 6439

Arseen

< 1,0 mg/l

DIN 38405-D18

ISO/DIS 11969 en 11885

NF T90-119

AAC 2/ I /.2

Lood

< 2,0 mg/l

DIN 38406-E6

ISO 8288 en ISO/DIS 11885

NF T90-119

AAC 2/ I /B.1 en B.2

Cadmium

< 0,5 mg/l

DIN 38406-E19

ISO 8288 en ISO/DIS 11885

NF T90-119

AAC 2/ I /B.1 en B.2

Chroom VI

< 0,5 mg/l

DIN 38405-D24

ASTM D1687

AAC 2/ I /B.6

Koper

< 10 mg/l

DIN 38406-E7

ISO 8288 en ISO/DIS 11885

NF T90-119

AAC 2/ I /B.1 en B.2

Nikkel

< 2,0 mg/l

DIN 38406-E11

ISO 8288 en ISO/DIS 11885

NF T90-119

AAC 2/ I /B.1 en B.2

Kwik

< 0,1 mg/l

DIN 38406-E12

ISO 5666/1-2 en 5666-3

AAC 2/ I /B.3

Zink

< 10 mg/l

DIN 38406-E8

AAC 2/ I /B.1 en B.2

Fluoride

< 50 mg/l

ISO 10359-1 en 10304-1

DIN 38405-D4

AAC 2/ I /C.1

Ammonium

< 1,0 g/l

ISO 7150-1 en 7150-2

DIN 38406-E5

AAC 2/ I /B.4

Cyanide (totaal)

< 1,0 mg/l

DIN 38405-D14

ISO 6703-1

AAC 2/ I /C.2

Nitriet

< 30 mg/l

ISO 6777 en 10304-1

AAC 2/ I /C.3

 

de concentratie voor zware metalen geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal;

 

Afvalstoffen die na toepassing van beste beschikbare technieken inzake uitloging niet voldoen aan de grenswaarde voor het wateroplosbaar gedeelte en/of de voormelde uitloogcriteria, kunnen toch op de stortplaats worden aanvaard op voorwaarde dat de afvalstoffen in zoutcelcondities worden gestort; met zoutcelcondities wordt bedoeld het onder de beste omstandigheden fysisch afschermen van de afvalstoffen van het percolaat; die afvalstoffen kunnen slechts op de stortplaats worden aanvaard voor zover ze uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn toegelaten en mits naleving van de daartoe in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gestelde bijzondere voorwaarden.


Art. 5.2.5.3.3. Criteria voor baggerspecie die aanvaardbaar is op monostortplaatsen voor gevaarlijke baggerspecie

Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.5.2.1, kan op een monostortplaats voor gevaarlijke baggerspecie, gevaarlijke baggerspecie worden gestort die de nodige voorbehandeling heeft ondergaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden :

alleen die baggerspecie mag worden aanvaard die uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten; indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld;
de baggerspecie, afkomstig van de fysico-chemische immobilisatiebehandeling van baggerspecie mag met het oog op de uitharding in brij- of pasteuze vorm op de monostortplaats worden gestort voor zover dit uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten en mits naleving van de daartoe in de vergunning gestelde bijzondere voorwaarden.
De volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.

 

Componenten

L/S = 10 l/kg

mg/kg droge stof

As

25

Ba

300

Cd

5

Crtotaal

70

Chroom VI

5

Cu

100

Hg

2

Mo

30

Ni

40

Pb

50

Sb

5

Se

7

Zn

200

Cyanide (totaal)

10

Chloride

25.000

Fluoride

500

Sulfaat

50.000

DOC(*)

1.000

TDS (**)

100.000

(*) als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest hij L/S = 10 l/kg en een pH van 7,5- 8.0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800

 

(**) de waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt

 

Als overige criteria gelden :

behalve aan de grenswaarden voor uitloging, vermeld in het eerste lid, moeten gevaarlijke afvalstoffen aan de volgende aanvullende criteria voldoen :

Parameter

Waarde

LOI (*)

10 %

TOC (totaal organisch koolstof)(*)

6 % (**)

pH

4-13

ZBV (zuurbindend vermogen)

Moet worden gecontroleerd (***)

 

 

  (*) LOI of TOC moet worden gebruikt.
  (**) Als deze waarde wordt overschreden kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits voor de DOC een waarde van 1.000 mg/kg niet wordt overschreden bij L/S = 10 l/kg en de pH-waarde van het materiaal zelf dan wel een pH tussen 7,5 en 8.
  (**) het zuurbindend vermogen van de afvalstof moet worden gecontroleerd. Meer bepaald moet het bufferend vermogen van de afvalstof voldoende zijn opdat ook in contact met het infiltrerend neerslagwater het voldoen aan de grenswaarden voor uitloging verzekerd blijft.
extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : < 5 Gew.-% op de watervrije afvalstof;
totaal oplosmiddelen (aspecifiek) : < 3 Gew.-% op de watervrije afvalstof;
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : < 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof;
voor de steekvastheid van slib wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning > 10 kN/m2. In ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven.

 


Subafdeling 5.2.5.4.
Werkplan


Art. 5.2.5.4.1.

Voor de monostortplaats dient het algemene werkplan de volgende bijkomende gegevens te vermelden :


inrichtingsplan van de stortplaats omvattende :
a)
aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan;
b)
constructie en uitvoering van de drainagesystemen met beschermingslagen (dimensionering en gebruikte materialen);
c)
voor stortplaatsen in ophoging : constructie van de stortdijken (afmetingen en gebruikte materialen);
d)
constructie en uitvoering van de afsluitlaag met beschermingslagen (gebruikte materialen);

de indeling van de beschikbare stortruimte in stortvakken;

de volgorde van opvulling in tijd en ruimte bij normale baggerspecieaanvoer en de werkwijze bij abnormaal grote baggerspecieaanvoer;

de werkwijze inzake het storten en het verdichten;

de dikte van de baggerspecielaag voor het aanbrengen van de tussenafdek en eindafdek;

de lengte van het stortfront;

de organisatie van de aanvoer en de opslag van afdekmaterialen;

het drainageplan omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de verwerking van het percolatiewater;

de vestiging, de dimensionering en het werkingsschema van de installatie voor zuivering van het percolatiewater zodat aan de opgelegde lozingsnormen kan worden voldaan;
10° de maatregelen om de stabiliteit van de gestorte baggerspecie, afdekmaterialen en afdekgronden te verzekeren;
11°
het gasdrainageplan omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de verwerking van het vrijkomende stortgas;
12°
het afwerkingsplan omvattende de eindprofielen en de constructie en uitvoering van de afdichtlaag en eindafdek;
13°
het afwateringsplan van het afgewerkte terrein.

 

Het werkplan dient de goedkeuring van de toezichthoudende overheid te dragen. Het goedgekeurde werkplan wordt gevolgd door de toezichthouder.


Subafdeling 5.2.5.5.
Inrichting, infrastructuur en afwerking van de stortplaats


Art. 5.2.5.5.1.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden opgelegd dat een installatie voor wielwassing, al of niet manueel te bedienen, aan de uitrit wordt geïnstalleerd. In bevestigend geval waakt de exploitant er over dat de wielwassing wordt uitgevoerd.

 

Het indringen van grondwater of afvloeiwater van naburige percelen wordt voorkomen. Dat kan gebeuren door het aanleggen van een kwelsloot rond de stortplaats of een drainagesysteem. De diepte en de plaats van de kwelsloot of de uitvoering van het drainagesysteem worden bepaald op basis van de hydrogeologische toestand van de vestigingsplaats zoals deze blijkt uit de hydrogeologische studie en/of het aanvraagdossier, en desgevallend nader in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is bepaald.


Art. 5.2.5.5.2.

§ 1.

Om te voorkomen dat de bodem of het grondwater worden verontreinigd, worden op de monostortplaats, overeenkomstig de resultaten van de hydrogeologische studie en de stabiliteitsstudie en overeenkomstig het goedgekeurde werkplan, achtereenvolgens de volgende voorbereidende infrastructuurwerken uitgevoerd :

voorbereidende grondwerken;
voor stortplaatsen in ophoging : het aanbrengen van de stortdijken;
het aanbrengen van de afsluitlaag en tenzij anders bepaald in de vergunning het aanbrengen van een controledrainagesysteem;
aanbrengen van een percolaatdrainagesysteem.

 

De uitvoering van de verschillende werken gebeurt onder toezicht van een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, of in de discipline bodem, deeldomeinen pedologie of geologie, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu. Deze deskundige stelt na afloop een rapport op waarin hij de conformiteit van de uitgevoerde werken aan het goedgekeurde inrichtingsplan attesteert. Dit rapport wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid.

 

§ 2.

De voorbereidende grondwerken omvatten het opruimen, het nivelleren, profileren en het verdichten van het terrein.

 

§ 3.

De afsluitlaag :

kan bestaan uit een homogene slecht doorlatende laag bodemmateriaal met daarboven een kunstmatige afdichting van aaneengelaste foliematerialen tussen aangepaste beschermingslagen;

 

De bodem en zijkanten van de stortplaats moeten bestaan uit een minerale laag die voldoet aan voorschriften inzake doorlatendheid en dikte, die tezamen een niveau van bescherming (K) van bodem, grondwater en oppervlaktewater moeten garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat bereikt wordt met een slecht doorlatende laag van 5 meter dikte en een K-waarde die kleiner dan of gelijk is aan 1,0 H 10 -9 m/s.

 

De homogene slecht doorlatende laag bedoeld hierboven kan van nature aanwezig zijn indien de geologische toestand van het terrein voldoende waarborgen biedt inzake ondoorlatendheid. Het bewijs van ondoorlatendheid wordt door de aanvrager voldoende bewezen en moet door de toezichthoudende overheid aanvaard worden. De natuurlijke omstandigheden dienen in ieder geval voldoende garanties te bieden om elke bodem- of grondwaterverontreiniging ingevolge het weglekken van percolaat te voorkomen;

 

Indien de geologische barrière niet op natuurlijke wijze aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, kan zij kunstmatig worden aangevuld en versterkt met andere middelen die een gelijkwaardig beschermingsniveau garanderen. Een kunstmatige geologische barrière mag niet dunner zijn dan 0,5 meter.

 

De kunstmatige afdichting bestaande uit aaneengelaste foliematerialen tussen aangepaste beschermingslagen wordt aangebracht op de bodem en op de wanden van de stortplaats. De gebruikte foliematerialen zijn minstens gelijkwaardig aan een HDPE-folie van 2.5 mm dikte.

kan andere uitvoeringsvormen aannemen die de goedkeuring van de toezichthoudende overheid vereisen. De aanvrager dient de degelijkheid ervan te bewijzen. De andere uitvoeringsvormen dienen minstens gelijkwaardig te zijn aan de dubbele afsluitlaag zoals beschreven in punt 1° hierboven.

 

§ 4.

Bij het storten in ophoging wordt het volledige stortterrein met stortdijken omgeven. De stortdijken zijn voldoende breed en hoog opgevat. Het dijklichaam wordt opgebouwd uit homogeen materiaal dat voldoende verdicht wordt. De stortdijken worden aangebracht overeenkomstig de vordering der stortactiviteiten zoals vermeld in het goedgekeurde werkplan. Op het binnenbeloop van de stortdijken en indien nodig ook op de dijkkruin wordt een afsluitlaag aangebracht als vermeld in § 3. Het buitenbeloop van de stortdijken wordt met gras ingezaaid.

 

§ 5.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt een controledrainagesysteem bestaande uit een buizensysteem met afvoerkokers of een ander gelijkwaardig systeem aangebracht tussen de slecht doorlatende laag en de kunstmatige afdichting bestaande uit foliematerialen. Het drainagesysteem wordt geplaatst in een doorlatende bodemlaag. Het drainagesysteem wordt zo geconstrueerd dat een snelle detectie van eventuele lekken in de folie, en een regelmatige doorspoeling van de drainagebuizen tijdens de exploitatie mogelijk is.

 

§ 6.

Een percolaatdrainagesysteem bestaande uit een buizensysteem met afvoerkokers of een ander gelijkwaardig systeem wordt aangebracht op de bodem bovenop de afsluitlaag en wordt geplaatst in een doorlatende bodemlaag van minstens 0,4 meter dikte. Het drainagesysteem wordt zo geconstrueerd dat een regelmatige doorspoeling van de drainagebuizen tijdens de exploitatie mogelijk is.

 

§ 7.

De drainagesystemen vermeld in § 5 en § 6, hierboven worden zo aangelegd dat, rekening houdend met de resultaten van de stabiliteitsstudie, de goede werking steeds verzekerd blijft. De gebruikte drainagebuizen beantwoorden inzake sterkte aan de resultaten van de stabiliteitsstudie. De dimensionering van de drainagesystemen en de keuze van de materialen vindt plaats rekening houdend met de te verwachten hoeveelheden percolaat en de samenstelling ervan. De drainagesystemen worden beschermd tegen dichtslibbing door het aanbrengen van aangepaste beschermingslagen.

 

Om een vlotte evacuatie van het percolaat te verzekeren worden, indien nodig, bij de verdere opbouw van de stortheuvel bijkomende drainagelagen (horizontaal en/of verticaal) aangelegd.

 

§ 8.

De uitvoering van de voorbereidende infrastructuurwerken kan gefaseerd worden overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan.


Art. 5.2.5.5.3.

§ 1.

Voor iedere watervoerende laag die door de stortplaats kan worden beïnvloed worden voor de aanvang van de stortactiviteiten rondom het stortterrein minstens 3 genivelleerde meetputten voor grondwater aangelegd (minstens één meetpunt bevindt zich aan de zijde waar het grondwater het gebied van de stortplaats binnenstroomt en twee bevinden zich aan de zijde waar het grondwater het gebied van de stortplaats uitstroomt). De meetputten moeten een representatieve bepaling van de plaatselijke grondwaterkwaliteit en de beïnvloeding ervan door de stortplaats mogelijk maken. Het aantal meetputten, de vestigingsplaats en de technische kenmerken ervan worden bepaald in overleg met de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij op basis van de hydrogeologische toestand van het terrein zoals deze blijkt uit de hydrogeologische studie en/of het dossier van de vergunningsaanvraag, en eventueel nader in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is bepaald.

 

§ 2.

De verschillende meetputten worden duidelijk geïdentificeerd. Een nivelleringsmerkstreep met vermelding van het bijhorende TAW-niveau of het niveau dat refereert aan een ander topografisch referentiepunt wordt duidelijk aangebracht. De meetputten worden met een slot afgegrendeld.

 

§ 3.

De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij wordt tijdig in kennis gesteld van het aanleggen van deze meetputten zodat haar afgevaardigde hierbij aanwezig kan zijn. Bij het aanleggen van iedere meetput maakt de boormeester een technisch verslag op overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 4.

Na het aanleggen worden de meetputten aan een testpomping onderworpen. De testpompingen worden uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 5.

Voor iedere meetput wordt een fiche opgesteld die alle technische gegevens in verband met zijn constructie en de uitgevoerde testpomping bevat. Deze fiche wordt opgesteld overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 6.

Voor met de exploitatie van de stortplaats wordt gestart, wordt de nultoestand van de grondwaterkwaliteit bepaald. Op z’n vroegst één week na de testpomping worden de verschillende meetputten bemonsterd en aan een volledige analyse onderworpen, overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De metingen en analyses worden uitgevoerd door een daartoe erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Het grondwaterpeil wordt opgemeten. De analyseresultaten gelden als basisreferentiewaarde.

 

§ 7.

De technische fiche voor elke meetput opgesteld, wordt toegezonden aan de toezichthoudende overheid en aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.


Art. 5.2.5.5.4.

§ 1.

Op de monostortplaatsen worden, om te verhinderen dat water de stortplaats zou binnendringen en om de stortplaats ruimtelijk te integreren, op stortvakken waar de stortactiviteiten definitief worden beëindigd, [...] een afdichtlaag en een eindafdek aangebracht.

 

De uitvoeringswijze van de verschillende werken, de gebruikte materialen en de oplevering van de uitgevoerde werken moeten door de toezichthoudende overheid worden goedgekeurd. Ze kan daarvoor het advies van een onafhankelijk en terzake competent orgaan of persoon inwinnen en kan desgewenst controletests laten uitvoeren.

 

§ 2.

De afdichtlaag :

kan bestaan uit een homogene laag van slecht doorlatend bodemmateriaal met daarboven een kunstmatige afdichting van aaneengelaste foliematerialen, tussen aangepaste beschermingslagen;
de slecht doorlatende laag wordt aangebracht als een continue laag over het volledige stortterrein. Inzake doorlatendheid is de slecht doorlatende laag gelijkwaardig aan een laag van 0,5 meter dikte met een k-waarde die kleiner is dan of gelijk aan 1.10-9 m/s;
de gebruikte foliematerialen zijn minstens gelijkwaardig aan een HDPE-folie van 2,5 mm dikte;

kan andere uitvoeringsnormen aannemen die door de toezichthoudende overheid moeten worden goedgekeurd. De aanvrager dient de degelijkheid ervan te bewijzen. De andere uitvoeringsvormen dienen minstens gelijkwaardig te zijn aan de dubbele afdichtlaag zoals beschreven in punt 1 hierboven.

 

Een licht verhang overeenkomstig het afwateringsplan is noodzakelijk om de afvloeiing van het regenwater mogelijk te maken.

 

§ 3.

Bovenop de dichtlaag wordt de eindafdek aangebracht. De eindafdek bestaat uit een drainerende laag van meer dan 0,5 meter dikte bestaande uit materialen zoals grof gebroken puin en zand. De drainerende laag bevat de nodige beschermingslagen tegen dichtslibbing. Bovenop de drainerende laag wordt een bewortelingslaag van meer dan 1 meter dikte aangebracht. In de bovenlaag wordt, indien nodig, een begreppeling aangebracht. De drainerende laag kan vervangen worden door een alternatief drainagesysteem. De totale dikte van de eindafdek bedraagt in ieder geval minstens 1,50 meter.

 

§ 4.

Binnen de kortst mogelijke termijn worden de gedeelten die een eindafdek hebben gekregen ingezaaid met gras.

 

§ 5.

De begroeiing mag de aangebrachte afdichtlaag niet kunnen beschadigen. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient de ontwikkeling van hoogstammige gewassen te worden verhinderd.


Art. 5.2.5.5.5.

Toereikende maatregelen worden genomen om een gecontroleerde evacuatie van het gevormde stortgas te verzekeren en ongecontroleerde ophoping ervan te voorkomen.

 

Op biologische actieve stortplaatsen wordt, voor de afdichtlaag wordt aangebracht, een gasdrainagesysteem aangelegd. Het gasdrainagesysteem kan bestaan uit horizontale en/of verticale drainagebuizen, indien nodig geplaatst in een drainerende laag. Het wordt zo geconcipieerd dat al het vrijkomende stortgas wordt opgevangen en op een veilige manier wordt afgevoerd. Het gasdrainagesysteem dient door de toezichthoudende overheid te worden goedgekeurd.

 

Het opgevangen stortgas wordt bij voorkeur gevaloriseerd als energiebron. Indien valorisatie niet haalbaar is wordt het stortgas, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verbrand in een daartoe aangepaste gasfakkel.


Subafdeling 5.2.5.6.
De exploitatie, afwerking en nazorg


Art. 5.2.5.6.1.

§ 1.

De exploitant deelt de datum van de definitieve beëindiging van de stortactiviteiten in een stortvak schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid binnen de maand na beëindiging van de stortactiviteiten.

 

§ 2.

Voor een stortplaats, of voor een gedeelte daarvan, dient met de afwerking en de sluitingsprocedure te worden begonnen wanneer :

ofwel, de stortplaats of een gedeelte ervan zijn capaciteit heeft bereikt;
ofwel, de exploitant van de stortplaats in afwijking van zijn werkplan daartoe zelf besluit, mits de toezichthoudende overheid haar schriftelijke goedkeuring heeft gegeven;
ofwel, de vergunningverlenende overheid daartoe besluit;
ofwel, bij het verstrijken van de vergunningstermijn, in geval geen hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit werd verkregen.

 

§ 3.

Om het binnendringen van water in de monostortplaats te vermijden wordt zo snel mogelijk een afdichtlaag aangebracht.

 

§ 4.

De volledige afwerking wordt uitgevoerd uiterlijk één jaar na het tijdstip vermeld in § 1. Rekening houdend met stabilisatie en zettingen kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit andere termijnen worden bepaald.

 

§ 5.

Een stortplaats of een gedeelte daarvan wordt pas als definitief afgewerkt beschouwd, wanneer de toezichthoudende overheid na het uitvoeren van een eindinspectie ter plaatse en na het beoordelen van alle verslagen die de exploitant heeft ter beschikking gesteld, een proces-verbaal houdende definitieve afwerking van de stortplaats opgesteld heeft.

 

De toezichthoudende overheid bezorgt de exploitant een kopie van dit proces-verbaal. Een en ander doet in geen geval af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden.

 

§ 6.

De exploitant blijft, nadat de stortplaats definitief is gesloten, verantwoordelijk voor onderhoud, toezicht en controle in de nazorgfase zolang de vergunningverlenende overheid zulks nodig acht, rekening houdend met de tijd gedurende welke de stortplaats gevaar kan opleveren. De exploitant van de stortplaats is verantwoordelijk voor toezicht op en analyse van het stortplaatsgas, het stortplaatspercolaat en het grondwater in de omgeving van de stortplaats, zolang de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat een stortplaats gevaar voor het milieu kan opleveren en onverminderd eventuele andere wetgeving met betrekking tot de aansprakelijkheid van de houder van het afval. De exploitant stelt de toezichthoudende overheid en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij in kennis van alle significante nadelige milieueffecten die bij de controleprocedures aan het licht zijn gekomen en geeft gevolg aan het besluit van de bevoegde autoriteit omtrent de aard en het tijdstip van de uit te voeren corrigerende maatregelen.


Art. 5.2.5.6.2.

§ 1.

Verontreiniging van bodem, oppervlakte- en/of grondwater ten gevolge van de exploitatie van de monostortplaats wordt steeds voorkomen.

 

§ 2.

Het overtollige niet-verontreinigde regenwater of afvloeiwater wordt opgevangen en afgevoerd.

 

§ 3.

Het gevormde percolaat wordt permanent afgepompt. Het waterpeil in de opvangputten voor percolaat mag niet hoger komen dan de halve hoogte van de laagste draineerbuizen die erin uitmonden.

 

§ 4.

Het is verboden percolaat of ander overtollig water opnieuw over de stortplaats te sproeien om het te verwerken.

 

§ 5.

Het overtollige verontreinigde afvloeiwater en het percolaatwater worden onafgebroken overgepompt naar een ondoorlatend verzamelbekken. De capaciteit wordt zo berekend dat te allen tijde de gevormde hoeveelheid percolaat kan worden opgevangen. Maatregelen worden getroffen om te beletten dat het water in het verzamelbekken hinder veroorzaakt voor de omgeving. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan een technisch alternatief worden toegestaan.

 

§ 6.

Afhankelijk van de kwaliteit van het te lozen water en van de lozingsvoorwaarden moet zonodig een aangepaste waterzuiveringsinstallatie worden gebouwd.

 

§ 7.

De waterzuiveringsinstallatie wordt zo aangelegd dat iedere verontreiniging van bodem en grondwater wordt voorkomen. De verzamel- en behandelingsbekkens worden vloeistofdicht gemaakt. Het waterzuiveringssysteem wordt zo geconcipieerd dat in ieder geval steeds wordt voorkomen dat water dat niet aan de lozingsnormen voldoet, zou worden geloosd.

 

§ 8.

De producten nodig voor de waterzuivering worden gestockeerd in een afsluitbaar lokaal dat beantwoordt aan de vereisten voor de opslag van die producten.

 

§ 9.

De afwatering van de beëindigde stortvakken gebeurt zo dat het regenwater zonder te worden verontreinigd kan afvloeien of worden weggepompt.


Art. 5.2.5.6.3.

§ 1.

De periode van nazorg voor de monostortplaats bedraagt ten minste 30 jaar. De periode van nazorg vangt aan op datum van het proces-verbaal van de toezichthoudende overheid houdende vaststelling van de definitieve afwerking van de monostortplaats. De vergunningverlenende overheid kan de periode van nazorg verlengen op verzoek van de toezichthoudende overheid of van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en op basis van de evolutie van de grondwaterkwaliteit, het gedrag van de stortplaats, zettingen, de vorming van percolaat of stortgassen, of andere gebeurtenissen die een nadelige invloed op het milieu hebben.

 

§ 2.

De nazorgactiviteiten omvatten minstens de volgende punten :

de instandhouding en het onderhoud van de volgende infrastructuur : de omheining en toegangspoorten; de wegenis op het afgewerkte terrein;
het beheer van de begroeiing;
de regelmatige controle van de toestand van de afwerkingslagen, stortdijken en taluds eventuele zettingen en erosie na te gaan, met inbegrip van eventuele herstelwerkzaamheden;
de instandhouding en het onderhoud van de drainagesystemen met inbegrip van het afpompen en het zuiveren van het nog gevormde percolaat;
de instandhouding, het onderhoud en de exploitatie van de ontgassingsinfrastructuur, met inbegrip van de gasfakkel;
de instandhouding en het onderhoud van de meetputten voor grondwater met inbegrip van het uitvoeren van de in de vergunning opgelegde controles en metingen;
de jaarlijkse rapportering zoals opgelegd in de vergunning.

 

§ 3.

Bij het beëindigen van de definitieve afwerking van de stortplaats legt de exploitant een nazorgplan ter goedkeuring voor. Het nazorgplan dient minstens de volgende punten te bevatten :

een tijdschema voor het uitvoeren van de in de vergunning opgelegde controles en metingen;
een werkplan voor het uitvoeren van de nazorgactiviteiten vermeld in § 2.

 

§ 4.

Het nazorgplan wordt goedgekeurd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij inzake de controle en de metingen van het grondwater en door de toezichthoudende overheid inzake alle andere punten.

 

§ 5.

Het goedgekeurde nazorgplan maakt deel uit van het proces-verbaal van de toezichthoudende overheid houdende vaststelling van de definitieve afwerking van de stortplaats.

 

§ 6.

Indien naar aanleiding van de uitvoering van de nazorgactiviteiten nadelige gevolgen voor het milieu worden ontdekt, stelt de exploitant onverwijld de toezichthoudende overheid en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij hiervan in kennis. Hij vermeldt ook de aard en het tijdstip van uitvoering van de voorgenomen corrigerende maatregelen. Deze maatregelen, door de exploitant te bekostigen dienen, naargelang het grondwateraspecten betreft of andere aspecten, de goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij of van de toezichthoudende overheid te dragen. Indien de exploitant de aldus al of niet gewijzigde maatregelen niet zelf uitvoert of laat uitvoeren binnen de gestelde termijn, kan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij de bedoelde maatregelen laten uitvoeren voor rekening van de exploitant.


Art. 5.2.5.6.4. Water-, percolaat- en gascontrole

Monsters van percolaat en eventueel aanwezig oppervlaktewater worden op representatieve plaatsen vergaard. Het percolaat wordt afzonderlijk op elk punt waar percolaat uit de stortplaats vrijkomt, bemonsterd en gemeten (volume en samenstelling). Het eventueel aanwezige oppervlaktewater wordt op ten minste twee punten gecontroleerd, één stroomopwaarts en één stroomafwaarts van de stortplaats.

 

De gascontrole moet representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats.

 

Om percolaat en water te controleren wordt een monster genomen dat representatief is voor de gemiddelde samenstelling.

 

Als er percolaat wordt opgevangen, wordt het percolaatwater volgens de frequentie aangegeven in de onderstaande tabel bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), 1), van het VLAREL. Het gezuiverde percolaat dat wordt geloosd wordt minstens maandelijks bemonsterd en geanalyseerd. Die controles (bemonstering en analyse) worden voortgezet gedurende de periode van nazorg tot zolang percolaatwater wordt gevormd. De te analyseren stoffen omvatten ten minste de algemene kwaliteitsparameters (temperatuur, pH, geleidbaarheid, normale kationen en anionen) aangevuld met de relevante verontreinigingsparameters (zware metalen, organische stoffen) die worden vastgelegd op basis van de samenstelling van de gestorte afvalstoffen. De lijst van parameters die bij de analyses bepaald worden, draagt de goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

Op stortplaatsen met een actieve ontgassing wordt de samenstelling van het stortgas bepaald volgens de frequentie, aangegeven in de volgende tabel:

 

exploitatiefase

nazorgfase

hoeveelheid percolaat

maandelijks (1), (3)

halfjaarlijks (3)

samenstelling percolaat (2)

driemaandelijks(3)

halfjaarlijks

hoeveelheid en samenstelling van het-oppervlaktewater(7)

driemaandelijks(3)

halfjaarlijks

potentiële gasuitstoot en atmosferische druk (4) (CH4, CO2, O2, H2S, H2,…)

maandelijks (1), (5)

halfjaarlijks (6)

(1) De frequentie kan worden aangepast aan de hand van de morfologie van het gestorte afval in tumulusvorm, bedolven …

Dat moet in de vergunning worden vermeld

(2) De te meten parameters en te analyseren stoffen variëren naargelang van de samenstelling van het gestorte afval. Ze worden vermeld in de vergunning en weerspiegelen de uitloogkenmerken van de afvalstoffen

(3) Als de evaluatie van de gegevens aangeeft dat langere tussenpozen even effectief zijn, kunnen de tussenpozen worden aangepast. Voor percolaten wordt de geleidbaarheid minstens eenmaal per jaar bepaald

(4) De metingen hebben hoofdzakelijk betrekking op het gehalte organisch materiaal in de afvalstoffen

(5) CH4, CO2, O2 regelmatig, andere gassen naar behoefte, afhankelijk van de samenstelling van de gestorte afvalstoffen, waarbij ernaar gestreefd wordt de uitloogeigenschappen te weerspiegelen

(6) De doelmatigheid van het gasopvangsysteem wordt regelmatig gecontroleerd

(7) Op grond van de kenmerken van het stortterrein mag de bevoegde instantie bepalen dat de metingen niet vereist zijn.

 

Met het oog op het opmaken van een waterbalans worden door meting op de stortplaats of via het dichtstbijzijnde meteorologische station de volgende gegevens verzameld:

 

exploitatiefase

nazorgfase

neerslaghoeveelheid

dagelijks

dagelijkse waarden, opgeteld tot maandwaarden

temperatuur (min. max., 14.00 h MET)

dagelijks

maandgemiddelde

heersende windrichting en –kracht

dagelijks

niet vereist

verdamping lysimeter (1)

dagelijks

dagelijkse waarden, opgeteld tot maandgemiddelden

luchtvochtigheid (14.00h MET )

dagelijks

maandgemiddelde

(1) of met een ander geschikte methode


Subafdeling 5.2.5.7.
Financiële zekerheid


Art. 5.2.5.7.1.

§ 1.

Voor de aanvang van de stortactiviteiten worden door de exploitant van de stortplaats financiële zekerheden gesteld ten voordele van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De financiële zekerheden waarborgen de volgende risico’s:

de kosten voor de afdichtlaag en de eindafdek van de stortplaats;
de kosten voor de nazorgactiviteiten. 

 

 

§ 2.

De financiële zekerheden kunnen de volgende vormen aannemen, afzonderlijk of in combinatie:

een verzekering;
een garantie van een financiële instelling;
een andere persoonlijke of zakelijke zekerheid. 

 

 

§ 3.

Het bedrag van de financiële zekerheden, vermeld in paragraaf 1, wordt bepaald per risico, vermeld in paragraaf 1, op basis van een uitbatingsproject dat opgesteld is door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige.

 

De kosten van de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden berekend, rekening houdend met het volgende bedrag: 34,71 euro per m² aan te brengen afdichtlaag en eindafdek voor een stortplaats.

 

De kosten voor de nazorgactiviteiten worden berekend, rekening houdend met subafdeling 5.2.5.6.

 

De financiële zekerheden worden geleidelijk opgebouwd naargelang de vordering van de stortactiviteiten. Het totale bedrag is op elk moment hoog genoeg om een correcte eindafwerking en vergoeding voor mogelijke schade aan het milieu en derden te garanderen.

 

Het bedrag van de financiële zekerheden, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van maart 1995, namelijk 119,73. De indexering vindt elk jaar automatisch plaats, dus zonder voorafgaande verwittiging, op 1 april van elk jaar.

 

§ 4.

Het voorstel van financiële zekerheden wordt naar de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gestuurd of wordt afgegeven op de zetel van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij onderzoekt de voorgestelde financiële zekerheden.

 

§ 5.

Als de financiële zekerheden beantwoorden aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, kent de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij binnen twee maanden nadat ze het voorstel heeft ontvangen, een conformiteitsattest toe. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij brengt het conformiteitsattest van financiële zekerheid per aangetekende brief met ontvangstbevestiging ter kennis van:

de exploitant;
de verstrekker van de financiële zekerheden;
de toezichthoudende overheid. 

 

De stortactiviteiten worden pas aangevat nadat de exploitant het conformiteitsattest heeft ontvangen.

 

§ 6.

Als de financiële zekerheden niet beantwoorden aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, deelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij dat binnen twee maanden nadat ze het voorstel heeft ontvangen, per aangetekende brief mee aan de exploitant en aan de verstrekker van de financiële zekerheden.

 

§ 7.

Met betrekking tot afgewerkte gedeelten kan het bedrag van de financiële zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden vrijgegeven op basis van een voortgangsrapport, opgesteld door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en een proces-verbaal van vaststelling van de toezichthoudende overheid.

 

Het voortgangsrapport vermeldt onder meer de benuttingsgraad, de resterende kosten voor de afdichtlaag, de eindafdekking en de nazorg van de stortplaats, en een evaluatie van de naleving van de geldende wetgeving.

 

§ 8.

Bij de beëindiging van de definitieve afwerking van de stortplaats en na het voorleggen van een goedgekeurd nazorgplan, beide vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, na voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen dertig dagen het overblijvende bedrag van de financiële zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek), vrijgegeven.

 

§ 9.

Bij de beëindiging van de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde periode van nazorg overeenkomstig de opgelegde uitbatingsvoorwaarden, al dan niet geheel of gedeeltelijk ambtshalve uitgevoerd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, na voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen dertig dagen de financiële zekerheid volledig opgeheven.

 

§ 10.

Het proces-verbaal, vermeld in paragraaf 7, 8 en 9, wordt door de toezichthoudende overheid opgesteld binnen negentig werkdagen nadat ze de vraag van de exploitant ontvangen heeft.


Art. 5.2.5.7.2.

De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij kan op de wijze, vermeld in het tweede tot en met het vijfde lid, aanspraak maken op een gestelde financiële zekerheid.

 

Op gemotiveerd verzoek van de toezichthoudende overheid houdende vaststelling van niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden of op basis van eigen vaststellingen stelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij per aangetekende brief de exploitant in gebreke. In de ingebrekestelling wordt vermeld welke maatregelen van de exploitant worden verwacht, alsook de termijn voor de uitvoering ervan. Een afschrift van de ingebrekestelling wordt aangetekend bezorgd aan de verstrekker van de financiële zekerheid.

 

Als de exploitant binnen een termijn van één maand niet schriftelijk het engagement aangaat om de gevraagde maatregelen stipt uit te voeren, of als de exploitant zich niet aan die stipte uitvoering houdt, beslist de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij om de nodige maatregelen ambtshalve uit te voeren.

 

De beslissing tot ambtshalve uitvoering wordt per aangetekende brief meegedeeld aan de exploitant van de stortplaats, alsook aan de verstrekker van de financiële zekerheid en aan de toezichthoudende overheid.

 

Voor de aanvang van de uitvoering van de nodige maatregelen bezorgt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij het goedgekeurde bestek, met inbegrip van de prijsraming, inclusief de planning voor de uitvoering en de financiering van de werken, aan de verstrekker van de financiële zekerheid. De verstrekker van de financiële zekerheid staat in voor de betaling van de door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij voorgelegde facturen en draagt de verantwoordelijkheid voor de betaling ervan.


Afdeling 5.2.6.
Afval van winningsindustrieën


Art. 5.2.6.0.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.3.11 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Artikel 5.2.1.6, artikel 5.2.6.5.1, § 3, artikel 5.2.6.6.1, artikel 5.2.6.7.1, § 4, en artikel 5.2.6.8.1 zijn niet van toepassing op inert afval en afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A.

 

Artikel 5.2.6.5.1, § 3, artikel 5.2.6.6.1, § 3 en § 4, artikel 5.2.6.7.1, § 4 en artikel 5.2.6.8.1 zijn niet van toepassing op niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening van catergorie A.


Subafdeling 5.2.6.1.
Algemene voorschriften


Art. 5.2.6.1.1. De nodige maatregelen moeten worden getroffen opdat winningsafval wordt beheerd zonder gevaar voor de menselijke gezondheid en zonder dat procédés of methoden worden aangewend die het milieu kunnen schaden, en met name zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, zonder geluids- of stankhinder te veroorzaken, en zonder schade te berokkenen aan het landschap of aan waardevolle gebieden. De nodige maatregelen moeten ook worden genomen om het onbeheerd achterlaten of het ongecontroleerd lozen of verwijderen van winningsafval te verbieden.

Subafdeling 5.2.6.2.
Afvalbeheersplan


Art. 5.2.6.2.1.

§ 1.

De exploitant moet een afvalbeheersplan opstellen voor de preventie of beperking tot een minimum, behandeling, nuttige toepassing en verwijdering van winningsafval, rekening houdend met het beginsel van duurzame ontwikkeling, dat goedgekeurd is door de vergunningverlenende overheid en dat ten minste de volgende elementen bevat :

 

de voorgestelde indeling van de afvalvoorziening : 
a) als een afvalvoorziening als categorie A geclassificeerd wordt : een document waaruit blijkt dat een preventiebeleid voor zware ongevallen, een veiligheidsbeheersysteem voor de uitvoering ervan en een intern noodplan overeenkomstig subafdeling 5.2.6.3 zullen worden ingevoerd;
b)  als de exploitant van oordeel is dat een afvalvoorziening niet als categorie A geclassificeerd hoeft te worden, voldoende informatie ter staving, inclusief een identificatie van mogelijke ongevallen en gevaren;
een karakterisering van het afval volgens bijlage 5.2.6.1 en een verklaring van de geschatte totale hoeveelheid winningsafval die tijdens de exploitatiefase zal worden geproduceerd;
een beschrijving van de werkzaamheden die dergelijk afval voortbrengen, en van eventuele daaropvolgende behandelingen die het afval zal ondergaan;
een beschrijving van de manier waarop het milieu en de gezondheid van de mens nadelige effecten kunnen ondervinden als gevolg van het storten van dergelijk afval en de preventieve maatregelen die moeten worden genomen om de gevolgen voor het milieu tijdens de exploitatie en na de sluiting tot een minimum te beperken, met inbegrip van de elementen, vermeld in artikel 5.2.6.5.1, § 1, 1°,2°, 4° en 5°;
de voorgestelde controle- en monitoringsprocedures, vermeld in artikel 5.2.6.4.1 (indien van toepassing) en artikel 5.2.6.5.1, § 1, 3°;
het voorgestelde plan voor sluiting, inclusief de rehabilitatie, de procedures voor de follow-up na de sluiting en de monitoring, overeenkomstig artikel 5.2.6.6.1;
maatregelen om de verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, conform dit besluit en het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook de bodem- en luchtverontreiniging, vermeld in artikel 5.2.6.7.1, te voorkomen of tot een minimum te beperken;
 8° een overzicht van de toestand van het terrein dat door de afvalvoorziening aangetast zal worden.

 

In het afvalbeheersplan wordt met name toegelicht hoe via het gekozen alternatief en de gekozen methode het ontstaan van afval, alsook de schadelijkheid ervan, kan worden voorkomen of beperkt, in het bijzonder door aandacht te schenken aan :

afvalbeheer in de ontwerpfase en bij de keuze van de methode die wordt gebruikt voor de winning en behandeling van mineralen;
de veranderingen die het winningsafval kan ondergaan met betrekking tot een vergroting van de oppervlakte en de blootstelling aan bovengrondse omstandigheden;
terugplaatsing van winningsafval in de uitgegraven ruimten na extractie van het mineraal, voor zover dat technisch en economisch haalbaar is en vanuit milieuoogpunt verantwoord is;
4°  het weer aanbrengen van de bovenste grondlaag na de sluiting van de afvalvoorziening of, als dat praktisch niet haalbaar is, hergebruik van de bovenste grondlaag elders;
het gebruik van minder gevaarlijke stoffen voor de behandeling van minerale bronnen.

 

Het afvalbeheersplan heeft tevens tot doel :

de nuttige toepassing van winningsafval door middel van recycling, hergebruik of terugwinning van dergelijk afval te bevorderen waar dat vanuit milieuoogpunt verantwoord is overeenkomstig de huidige Europese milieunormen en waar relevant, andere voorschriften van dit besluit;
op korte en lange termijn de veilige opslag van het afval te waarborgen, in het bijzonder door het beheer tijdens de exploitatie en de fase na sluiting van een afvalvoorziening in overweging te nemen in de ontwerpfase en door een ontwerp te kiezen :
  - waarvoor weinig en, zo mogelijk, uiteindelijk geen monitoring, controle en beheer van de gesloten afvalvoorziening nodig is;
- dat de, bijvoorbeeld aan verplaatsing van verontreinigde stoffen uit de voorziening door de lucht of door het water, op lange termijn toe te schrijven negatieve gevolgen voorkomt of althans zoveel mogelijk beperkt, en
dat de geotechnische stabiliteit op lange termijn van dammen of hopen die zich verheffen boven het voorheen bestaande bodemoppervlak waarborgt. 

  

 

§ 2.

Het afvalbeheersplan wordt elke vijf jaar herzien of, waar nodig, aangepast in geval van een belangrijke wijziging in de exploitatie van de afvalvoorziening of in het gestorte afval. De afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, worden op de hoogte gebracht van de wijzigingen.

 

§ 3.

Ook plannen die worden opgesteld uit hoofde van andere bepalingen van Europees of intern recht en die de in § 1, eerste lid genoemde informatie bevatten, kunnen worden gebruikt wanneer dit onnodige overlapping van informatie en dubbel werk voor de exploitant voorkomt, mits aan alle voorschriften van § 1 en § 2 wordt voldaan, en indien de vergunningverlenende overheid hiermee instemt.


Subafdeling 5.2.6.3.
Preventie van zware ongevallen


Art. 5.2.6.3.1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn enkel van toepassing op afvalvoorzieningen van categorie A, met uitzondering van de inrichtingen die vallen onder het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999, gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006, tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.


Art. 5.2.6.3.2.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van de geldende voorschriften ter beveiliging en bescherming van de werknemers in de winningsindustrieën, moet de uitvoering van de verplichtingen volgens dit artikel ertoe bijdragen dat de gevaren van zware ongevallen in kaart zijn gebracht en moeten in het ontwerp, de bouw, de exploitatie, het onderhoud, de sluiting en de follow-up van de sluiting van de afvalvoorziening de noodzakelijke elementen zijn opgenomen om dergelijke ongevallen te voorkomen en de nadelige gevolgen ervan te beperken voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, met inbegrip van grensoverschrijdende gevolgen.

 

§ 2.

Met behoud van de toepassing van § 1 moet elke exploitant, voor de exploitatie begint, een preventiebeleid voor zware ongevallen met betrekking tot het beheer van winningsafval vaststellen en een veiligheidsbeheersysteem invoeren dat overeenkomstig de elementen, vermeld in punt 1 van bijlage 5.2.6.2, wordt uitgevoerd. Tevens voert hij een intern noodplan in met de maatregelen die moeten worden genomen op het terrein, als zich een ongeval voordoet. In het kader van dat beleid stelt de exploitant een veiligheidsmanager aan die verantwoordelijk is voor de uitvoering van en het periodieke toezicht op het preventiebeleid voor zware ongevallen.

 

 

De interne noodplannen worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

 

Het interne noodplan wordt onmiddellijk door de exploitant uitgevoerd, wanneer er :

- zich een zwaar ongeval voordoet, of
- zich een onbeheersbare gebeurtenis van zodanige aard voordoet dat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij tot een zwaar ongeval leidt.

 

 

§ 3.

Het noodplan, vermeld in § 1, heeft de volgende doelstellingen :

 

zware ongevallen en andere incidenten zo veel mogelijk te vermijden en te beheersen om de effecten ervan tot een minimum te beperken, en in het bijzonder schade aan de gezondheid van de mens en het milieu te beperken;
de maatregelen uit te voeren die noodzakelijk zijn om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de effecten van zware ongevallen en andere incidenten;
de nodige informatie te verstrekken aan het betrokken publiek (publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van de besluitvorming over de afgifte van een vergunning of de wijziging of aanvulling van vergunningsvoorwaarden of er belanghebbende bij is. Voor de toepassing van die definitie worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en aan de eisen van het nationale recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn.) en aan de betrokken diensten of autoriteiten in het gebied;
zorgen voor de rehabilitatie, het herstel en de sanering van het milieu na een zwaar ongeval.

 

 

§ 4.

De exploitant moet bij een zwaar ongeval aan de bevoegde burgemeester, aan de betrokken nooddiensten, aan de door de federale overheid aangewezen instantie bevoegd voor civiele veiligheid en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, onmiddellijk alle informatie verstrekken die nodig is om de gevolgen van het ongeval voor de gezondheid van de mens tot een minimum te beperken en om de omvang van de feitelijke en potentiële milieuschade te beoordelen en tot een minimum te beperken.


Subafdeling 5.2.6.4.
Uitgegraven ruimten


Art. 5.2.6.4.1.

Als met het oog op rehabilitatie- en bouwdoeleinden winningsafval wordt teruggeplaatst in de door bovengrondse of ondergrondse winning ontstane uitgegraven ruimten, moeten passende maatregelen genomen te worden om :

de stabiliteit van het winningsafval veilig te stellen overeenkomstig, mutatis mutandis, artikel 5.2.6.5.1, § 1 en § 2;
de verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen overeenkomstig, mutatis mutandis, artikel 5.2.6.7.1, § 1 en § 3;
te zorgen voor de monitoring van het winningsafval en de uitgegraven ruimte overeenkomstig, mutatis mutandis, artikel 5.2.6.6.1, § 3.

Subafdeling 5.2.6.5.
Bouw en beheer van afvalvoorzieningen


Art. 5.2.6.5.1.

§ 1.

De exploitant moet bij de bouw van een nieuwe afvalvoorziening of de aanpassing van een bestaande afvalvoorziening ervoor zorgen dat :

 

de afvalvoorziening geschikt gelegen is, in het bijzonder gelet op de verplichtingen voorzien in Europees of intern recht ten aanzien van beschermde gebieden en geologische, hydrologische, seismische en geotechnische factoren, en zo is ontworpen dat wordt voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden om, op korte en lange termijn, verontreiniging van de bodem, de lucht, het grondwater of het oppervlaktewater, rekening houdende in het bijzonder met de bepalingen van dit besluit en de bepalingen van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de uitvoeringsbesluiten ervan, te voorkomen, te verzekeren dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze worden verzameld zoals en als dat volgens de vergunning wordt verlangd, en om erosie door water of wind tegen te gaan voor zover dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is;
de afvalvoorziening passend is gebouwd, wordt beheerd en onderhouden, om op korte en lange termijn haar fysische stabiliteit te verzekeren en verontreiniging of besmetting van de bodem, de lucht, het oppervlaktewater of het grondwater te voorkomen en schade aan het landschap zo veel mogelijk te beperken;
er passende plannen en regelingen zijn voor de periodieke monitoring en de inspectie van de afvalvoorziening door competente personen en voor het ondernemen van actie als de resultaten wijzen op instabiliteit of verontreiniging van het water of de bodem;
passende regelingen zijn getroffen voor de rehabilitatie van het terrein en de sluiting van de afvalvoorziening;
passende regelingen zijn getroffen voor de fase na de sluiting van de afvalvoorziening.

 

 

§ 2.

De gegevens van de monitoring en de inspecties, vermeld in § 1, 3°, worden, samen met de vergunningsdocumentatie, bijgehouden.

 

§ 3.

De exploitant brengt de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, zonder onnodig uitstel en in elk geval binnen 48 uur op de hoogte van alle gebeurtenissen die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit van de voorziening, alsook van alle belangrijke nadelige milieueffecten die bij de controleen monitoringsprocedures van de afvalvoorziening aan het licht komen. De exploitant voert het interne noodplan, indien van toepassing, uit en volgt alle overige instructies van de toezichthoudende overheid voor de te treffen correctieve maatregelen.

 

De exploitant betaalt de kosten van de te treffen maatregelen.

 

De exploitant brengt jaarlijks op basis van verzamelde gegevens aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en ook aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, verslag uit van alle monitoringsresultaten om aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van de vergunning, en om de kennis van het gedrag van afval en afvalvoorziening te vergroten. Op basis van dat rapport kan de bevoegde autoriteit besluiten dat validering door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk is.

 


Subafdeling 5.2.6.6.
Procedures voor de sluiting van de afvalvoorzieningen en de fase na de sluiting


Art. 5.2.6.6.1.

§ 1.

De sluitingsprocedure mag pas aanvangen als voldaan is aan één van de volgende voorwaarden :

 

de toepasselijke voorwaarden, vermeld in de vergunning, zijn vervuld;
zowel de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, als de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, heeft op verzoek van de exploitant toestemming verleend;
zowel de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, als de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, heeft daartoe een gemotiveerd besluit genomen.

 

 

§ 2.

Een afvalvoorziening mag pas als definitief gesloten worden beschouwd nadat zowel de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, als de afdeling bevoegd, voor natuurlijke rijkdommen, zonder onnodig uitstel een eindinspectie heeft uitgevoerd op het terrein dat door de afvalvoorziening wordt aangetast, alle rapporten heeft beoordeeld die door de exploitant zijn ingediend, officieel heeft verklaard dat het terrein is gerehabiliteerd en aan de exploitant heeft medegedeeld dat ze de sluiting goedkeurt.

 

Die goedkeuring doet niets af aan de verplichtingen van de exploitant die volgen uit de vergunningsvoorwaarden of andere wettelijke bepalingen.

 

 

§ 3.

De exploitant is verantwoordelijk voor het onderhoud, de monitoring, de controle en corrigerende maatregelen van de afvalvoorziening in de fase na de sluiting. Die periode bedraagt ten minste dertig jaar.

 

Om te voldoen aan de relevante milieuvoorwaarden, vermeld in dit besluit en het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de uitvoeringsbesluiten ervan, zal de exploitant onder meer de fysische en chemische stabiliteit van de voorziening onder controle houden en eventuele negatieve milieueffecten tot een minimum beperken, in het bijzonder met betrekking tot het oppervlaktewater en grondwater, door te verzekeren dat :

alle structuren die deel uitmaken van de voorziening, worden gemonitord en in stand gehouden, met controle en meetapparatuur die altijd gebruiksklaar is;
als dat van toepassing is, overloopkanalen en afvoerkanalen schoon en vrij worden gehouden.

 

 

§ 4.

Na de sluiting van de afvalvoorziening brengt de exploitant zowel de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, als de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, onmiddellijk op de hoogte van alle gebeurtenissen of ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit van een voorziening, alsook van alle belangrijke nadelige milieueffecten die bij de relevante controle- en monitoringsprocedures aan het licht komen. De exploitant voert het interne noodplan, indien van toepassing, uit en volgt alle overige instructies van de toezichthoudende overheid voor de te treffen correctieve maatregelen.

 

De exploitant betaalt de kosten van de te treffen maatregelen.

 

Alle monitoringsresultaten die zijn opgesteld op basis van verzamelde gegevens, moeten met een frequentie die is opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, gerapporteerd worden aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, dit om aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van de vergunning en om de kennis van het gedrag van afval en afvalvoorzieningen te vergroten.


Subafdeling 5.2.6.7.
Preventie van de verslechtering van de toestand van het water, van lucht- en bodemverontreiniging


Art. 5.2.6.7.1.

§ 1.

De exploitant neemt de noodzakelijke maatregelen, waarvan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, zich vergewist, om communautaire milieunormen na te leven, met name om, overeenkomstig dit besluit en het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de uitvoeringsbesluiten ervan, de verslechtering van de huidige toestand van het water te voorkomen, onder meer door :

de potentiële percolaatvorming te evalueren, met inbegrip van de verontreinigde bestanddelen van het percolaat, vanuit het gestorte afval, zowel tijdens de exploitatiefase als tijdens de fase na de sluiting van de afvalvoorziening, en de waterbalans van de afvalvoorziening te bepalen;
te voorkomen, of zo veel mogelijk te voorkomen, dat percolaat wordt gegenereerd en oppervlaktewater en grondwater of de bodem door het afval worden verontreinigd;
het verontreinigde water en percolaat van de afvalvoorziening te verzamelen en te behandelen totdat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde normen voor de lozing ervan.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden afgeweken van de bepalingen, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, als de vergunningverlenende overheid op basis van een beoordeling van de milieurisico’s en rekening houdend met in het bijzonder dit besluit en het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor zover van toepassing, heeft besloten dat het verzamelen en behandelen van percolaat niet nodig is, of als is vastgesteld dat de afvalvoorziening geen potentieel gevaar voor de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater vormt.

 

§ 2.

De exploitant moet de noodzakelijke maatregelen nemen om stof- en gasemissies te voorkomen of te beperken.

 

§ 3.

Als winningsafval opnieuw in uitgegraven ruimten wordt geplaatst, ontstaan door bovengrondse of ondergrondse winning, die na de sluiting mogen volstromen, neemt de exploitant de noodzakelijke maatregelen om de verslechtering van de waterstatus en bodemverontreiniging te voorkomen of tot een minimum te beperken, overeenkomstig § 1. De exploitant voorziet de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, van de informatie die noodzakelijk is om te verzekeren dat voldaan is aan het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de uitvoeringsbesluiten ervan.

 

§ 4.

Bij een bekken waarin cyanide aanwezig is, verzekert de exploitant dat de concentratie van in zwak zuur scheidbaar cyanide in het bekken met behulp van de best beschikbare technieken wordt beperkt tot het laagst mogelijke niveau en, in elk geval, bij voorzieningen waaraan al een vergunning is verleend of die al in bedrijf zijn vóór de inwerkingtreding van deze afdeling dat de concentratie van in zwak zuur scheidbaar cyanide op het punt van lozing van de tailings uit de verwerkende inrichting in het bekken in elk geval niet meer bedragen dan 50 ppm vanaf de inwerkingtreding van deze afdeling, 25 ppm vanaf 1 mei 2013, 10 ppm vanaf 1 mei 2018 en 10 ppm bij voorzieningen waaraan een vergunning is verleend na de inwerkingtreding van deze afdeling.

 

Op verzoek van de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving, toont de exploitant aan, door middel van een risicobeoordeling waarin rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van het terrein, dat die concentratiegrenzen niet verder hoeven te worden verlaagd.

 


Subafdeling 5.2.6.8.
Financiële zekerheid


Art. 5.2.6.8.1.

§ 1.

Voor wordt begonnen met werkzaamheden waarbij afval in een afvalvoorziening wordt opgestapeld of gestort, wordt verlangd dat ten voordele van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij een financiële zekerheid wordt gesteld zoals als vermeld in artikel 5.2.4.7.1, zodat :

 

alle verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning, inclusief bepalingen voor na de sluiting, worden nagekomen;
op elk moment middelen beschikbaar zijn voor de rehabilitatie van het terrein dat door de afvalvoorziening is aangetast, zoals beschreven in het afvalbeheersplan, opgesteld conform subafdeling 5.2.6.2 en vereist volgens de vergunning.

 

 

§ 2.

Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij kan overeenkomstig artikel 5.2.4.7.2 aanspraak maken op de financiële zekerheid, vermeld in § 1.

 

§ 3.

De berekening van de financiële zekerheid, vermeld in § 1, wordt gemaakt op basis van :

 

de waarschijnlijke invloed van de afvalvoorziening op het milieu. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de categorie van de voorziening, de kenmerken van het afval en het toekomstige gebruik van het gerehabiliteerde terrein;
de veronderstelling dat onafhankelijke en deugdelijk gekwalificeerde derde partijen de noodzakelijke rehabilitatiewerkzaamheden zullen beoordelen en uitvoeren.

 

 

§ 4.

De omvang van de garantie wordt periodiek aangepast, afhankelijk van elke rehabilitatiewerkzaamheid die op het door de afvalvoorziening aangetaste terrein moet worden uitgevoerd, zoals beschreven in het afvalbeheersplan, opgesteld conform subafdeling 5.2.6.2 en vereist door de vergunning.

 

§ 5.

Als de in artikel 5.2.6.6.1, § 2, vermelde instanties instemmen met de sluiting, dan verstrekken ze aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij een schriftelijke verklaring die de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij moet toelaten de exploitant te ontslaan van de verplichting tot financiële zekerheid, vermeld in § 1, met uitzondering van de verplichtingen die betrekking hebben op de fase na de sluiting van de afvalvoorziening, overeenkomstig artikel 5.2.6.6.1, § 3.


Subafdeling 5.2.6.9.
Inspecties door de bevoegde autoriteit


Art. 5.2.6.9.1.

§ 1.

Voorafgaand aan de aanvang van de stortactiviteiten en vervolgens jaarlijks, ook in de fase na de sluiting, inspecteren de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, elke afvalvoorziening waarop rubriek 2.3.11 van toepassing is, om te verzekeren dat de voorziening voldoet aan de relevante voorschriften van de vergunning. Een positief resultaat doet niets af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant die voorvloeit uit de vergunningsvoorschriften.

 

§ 2.

De exploitant moet van alle afvalbeheersactiviteiten actuele dossiers beschikbaar en gereed houden voor inspectie door de toezichthoudende overheid. In geval van wijziging van exploitant tijdens het beheer van een afvalvoorziening moeten de relevante actuele informatie en dossiers over de voorziening op passende wijze worden overgedragen.


Subafdeling 5.2.6.10.
Overgangsbepalingen


Art. 5.2.6.10.1.

§ 1.

Een afvalvoorziening waaraan een vergunning is verleend of die al in bedrijf is op 1 mei 2008, moet uiterlijk op 1 mei 2012 aan de bepalingen van deze afdeling voldoen, behalve de afvalvoorzieningen, vermeld in artikel 5.2.6.8.1, § 1, die uiterlijk op 1 mei 2014 aan de bepalingen van deze afdeling moeten voldoen, en de voorzieningen, vermeld in artikel 5.2.6.7.1, § 4, die binnen de daar aangegeven termijnen aan de bepalingen van deze afdeling moeten voldoen.

 

§ 2.

§ 1 is niet van toepassing op afvalvoorzieningen die op 1 mei 2008 gesloten zijn.

 

§ 3.

Artikel 5.2.6.2.1, artikel 5.2.6.3.2, § 2, § 3 en § 4, artikel 5.2.6.6.1, § 1, en artikel 5.2.6.8, § 1, § 3 en § 4, zijn niet van toepassing op afvalvoorzieningen die voor 1 mei 2006 zijn gestopt met het aanvaarden van afval of die de sluitingsprocedures afronden in overeenstemming met de toepasselijke communautaire of nationale wetgeving of met door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij goedgekeurde programma’s, en die uiterlijk op 31 december 2010 daadwerkelijk gesloten zijn.


Afdeling 5.2.7.
Dierenbegraafplaatsen


Art. 5.2.7.1.

Met behoud van de toepassing van Verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en haar uitvoerende Verordening (EG) nr. 142/2011, is deze afdeling van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.3.12 van de indelingslijst.


Art. 5.2.7.2.

Het bodemmateriaal mag het proces van de krengvertering niet in ongunstige zin beïnvloeden. Kleigronden en zware kleigronden, zeer droge gronden, uiterst natte gronden en zuurstofarme gronden zijn niet geschikt voor dierenbegraafplaatsen.

 

Een kreng van een gezelschapsdier wordt ten minste zestig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand begraven.

 

Een dierenbegraafplaats wordt niet gevestigd in een beschermingszone van een grondwaterwinningsgebied.

 

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, is geen weegbrug vereist. Ook artikel 5.2.1.5, §1 en §2, zijn niet van toepassing op dierenbegraafplaatsen.


Art. 5.2.7.3.

Krengen die een implantaat dragen dat werkt op een batterij, worden niet begraven voor de batterij verwijderd is.

 

Krengen die gebalsemd zijn of het voorwerp hebben uitgemaakt van thanatopraxie, worden niet begraven.

 

Als krengen worden begraven in een krengomhulsel, voldoet dat krengomhulsel aan de voorwaarden, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet beantwoorden.

 

Bij het begraven van krengen worden geen toxische of niet biologisch afbreekbare stoffen mee begraven.

 

Krengen worden niet dichter dan op 60 cm afstand naast elkaar begraven. Er worden ten hoogste drie krengen boven elkaar begraven op voorwaarde dat boven ieder kreng minstens een laag grond van ten minste 30 cm dikte wordt aangebracht. Boven het bovenste kreng bevindt zich een laag grond van ten minste 65 cm.

 

Een kreng wordt begraven voor minstens tien jaar. De exploitant is verantwoordelijk voor de verwijdering of verwerking van de opgegraven en onverteerde resten.

 

Dierenbegraafplaatsen waar niet langer dieren begraven worden, worden in de staat gelaten waarin ze zich bevinden, gedurende ten minste tien jaar na de laatste begraving.

 

De stopzetting van de activiteit wordt door de exploitant meegedeeld aan de vergunningverlenende overheid.


Hoofdstuk 5.3.
HET LOZEN VAN AFVALWATER EN KOELWATER


Art. 5.3.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 3 van de indelingslijst.


Afdeling 5.3.1.
Stedelijk afvalwater


Art. 5.3.1.1.

Onverminderd de algemene lozingsvoorwaarden voor lozing van afvalwater in de openbare riolering en kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater, bepaald in de hoofdstukken 4.2. en 7.2., zijn voor de lozingen van stedelijk afvalwater via een opvangsysteem dat niet is aangesloten op een afvalwaterbehandelingsinstallatie, geen specifieke emissiegrenswaarden van toepassing.


Art. 5.3.1.2.

Een afvalwaterbehandelingsinstallatie als bedoeld in subrubrieknummer 3.6. van de indelingslijst moet zodanig worden ontworpen, aangepast, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden:

dat zij onder alle normale plaatselijke weersomstandigheden op bevredigende wijze kan blijven functioneren; bij het ontwerpen van de installaties dient met seizoenschommelingen in de belasting rekening te worden gehouden;
dat representatieve monsters kunnen worden verkregen van het inkomende afvalwater en van het effluent van het behandelde afvalwater voordat dit in het ontvangende oppervlaktewater wordt geloosd.

Art. 5.3.1.3.

§ 1.

In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden vastgesteld in hoofdstuk 4.2. gelden voor de effluentwaters van de afvalwaterbehandelingsinstallaties, bedoeld in subrubriek 3.6.4 van de indelingslijst, de emissiegrenswaarden zoals nader bepaald in § 2.

 

Voor de niet in deze § 2 vermelde parameters zijn geen emissiegrenswaarden van toepassing. Nochtans blijven de lozingsvoorwaarden opgelegd in de lopende lozingsvergunning onverminderd van kracht in zoverre deze lozingsvoorwaarden hetzij strenger zijn dan de in de § 2 vermelde emissiegrenswaarden hetzij deze emissiegrenswaarden aanvullen.

 

§ 2.

Het stedelijk afvalwater dat in een afvalwaterbehandelingssysteem wordt behandeld dient vooraleer het geloosd wordt in oppervlaktewater te voldoen aan volgende voorwaarden:

voor lozingen van agglomeraties met meer dan 10.000 I.E. tegen uiterlijk 31 december 1998:
de voorwaarden opgenomen in bijlage 5.3.1.a.
voor lozingen van agglomeraties met 2.000 tot 10.000 I.E. tegen uiterlijk 31 december 2005:
de voorwaarden opgenomen in bijlage 5.3.1.b.
voor lozingen van agglomeraties met minder dan 2.000 I.E. en meer dan 500 I.E. tegen uiterlijk 31 december 2005:
de voorwaarden opgenomen in bijlage 5.3.1.c.
lozingen van agglomeraties met minder dan 500 en meer dan 20 I.E. moeten tegen uiterlijk 31 december 2005 aan een toereikende behandeling worden onderworpen; voor deze kleinschalige installaties gelden dezelfde normen als voor installaties vermeld onder 3°, uitgezonderd wanneer de temperatuur lager is dan 5°C en de zuivering gebeurt door middel van plantensystemen.

 

§ 3.

De in § 2 bedoelde afbreekbare organische belasting (uitgedrukt in I.E.) van de stedelijke afvalwaters dient berekend op basis van de maximale dagelijkse belasting van de behandelingsinstallaties in de loop van het jaar, afgezien van ongebruikelijke situaties, bijvoorbeeld als gevolg van zware regenval.

 

§ 4.

Van de in § 2 voorgeschreven minimum vermindering ten opzichte van de influentbelasting (in %) kan slechts worden afgeweken mits uitdrukkelijke toelating in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 5.

Het lozen van effluent van stedelijke waterzuiveringsinstallaties in wateren die zijn aangeduid als zwemwater is verboden.


Art. 5.3.1.4.

§ 1.

Gezuiverd afvalwater dient indien mogelijk te worden hergebruikt.

 

§ 2.

Het van de zuivering van afvalwater afkomstig slib wordt indien mogelijk hergebruikt. Onverminderd de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en van zijn uitvoeringsbesluiten, dienen de afvoertrajecten van dien aard te zijn dat de nadelige gevolgen voor het milieu minimaal zijn. De verwerking en verwijdering van het slib dient te gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 5.2.2.4. of 5.2.2.5. van dit besluit.

 

§ 3.

Het storten en laten uitspoelen van het van de zuivering van afvalwater afkomstig slib in oppervlaktewater is verboden. De afvoer van slib naar oppervlaktewateren door storten vanaf schepen, door lozing via pijpleidingen of op een andere wijze is eveneens verboden.


Afdeling 5.3.2.
Bedrijfsafvalwaters


Art. 5.3.2.1.

§ 1.

De in § 2 vermelde voorschriften zijn van toepassing op de lozingen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater die afkomstig zijn van installaties van een of meer van de volgende bedrijfstakken die een biologische afbreekbare organische belasting van tenminste 4.000 inwonerequivalenten (i.e.) vertegenwoordigen:

bereiding van alcohol en alcoholhoudende dranken;
bereiding en botteling van frisdranken;
brouwerijen;
mouterijen;
vervaardiging van diervoeder uit plantaardige produkten;
vervaardiging van gelatine en lijm op basis van huiden en beenderen;
vervaardiging van produkten op basis van groenten en fruit;
verwerking van aardappelen;
visverwerkingsindustrie;
10° vleesindustrie;
11° zuivelindustrie.

 

§ 2.

De biologisch afbreekbare industriële afvalwaters afkomstig van een in het eerste lid bedoelde installatie, dienen uiterlijk op 31 december 2000 - vóór de lozing in het ontvangende oppervlaktewater tenminste behandeld in een secundaire afvalwaterbehandelingsinstallatie waarbij de minimumverminderingen ten opzichte van de influentbelasting, voorgeschreven in artikel 5.3.1.3. en bijlage 5.3.1. in acht worden genomen, onverminderd de emissiegrenswaarden die door dit reglement zijn opgelegd.

 

Het treffen van andere doeltreffende maatregelen dan deze voorgeschreven in het eerste lid is toegelaten, op voorwaarde dat deze een gelijkwaardige of een betere kwaliteit van het geloosde afvalwater waarborgen.


Art. 5.3.2.2. Voor de lozingen van bedrijfsafvalwaters in openbare riolering dienen ze vóór de lozing in een opvangsysteem of in een afvalwaterbehandelingsinstallatie voor stedelijk afvalwater tenminste een zodanige voorbehandeling te hebben ondergaan als nodig is om, onverminderd de emissiegrenswaarden die door dit reglement zijn opgelegd:
de gezondheid te beschermen van het personeel dat werkzaam is bij de opvangsystemen en de afvalwaterbehandelingsinstallaties;
ervoor te zorgen dat het opvangsysteem, de afvalwaterbehandelingsinstallatie en de bijhorende apparatuur niet worden beschadigd;
ervoor te zorgen dat de werking van de afvalwaterbehandelingsinstallatie en de zuivering van het slib niet worden gehinderd;
ervoor te zorgen dat lozingen uit de afvalwaterzuiveringsinstallaties geen nadelige invloed op het milieu hebben of verhinderen dat de ontvangende wateren aan de door dit reglement voorgeschreven milieukwaliteitsdoelstellingen voldoen;
ervoor te zorgen dat slib op een uit milieu-oogpunt verantwoorde wijze veilig kan worden afgevoerd.

Art. 5.3.2.3.

§ 1.

Gezuiverd afvalwater dient indien mogelijk te worden hergebruikt.

 

§ 2.

Het van de zuivering van afvalwater afkomstig slib wordt indien mogelijk hergebruikt. Onverminderd de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en van zijn uitvoeringsbesluiten, dienen de afvoertrajecten van dien aard te zijn dat de nadelige gevolgen voor het milieu minimaal zijn. De verwerking en verwijdering van het slib dient te gebeuren overeenkomstig de bepalingen van het hoofdstuk 5.2. van dit reglement.

 

§ 3.

Het storten van het van de zuivering van afvalwater afkomstig slib in oppervlaktewater is verboden.


Art. 5.3.2.4.

§ 1.

In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden vastgesteld in hoofdstuk 4.2, gelden voor de lozingen van bedrijfsafvalwaters in functie van de aard van de bedrijvigheid voor de lozingen :

in openbare riolering [...] in het centrale gebied, een collectief geoptimaliseerde buitengebied of een collectief te optimaliseren buitengebied van een gemeente waarvoor een definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, de in bijlage 5.3.2 bepaalde emissiegrenswaarden voor lozing in openbare riolering;
in oppervlaktewater [...], respectievelijk een individueel te optimaliseren buitengebied van een gemeente waarvoor een definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, de in bijlage 5.3.2 bepaalde emissiegrenswaarden voor de lozing in oppervlaktewater.

Bij overschrijding van de temperatuursdrempels, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, 4° geldt eveneens de in dat artikel vermelde mogelijkheid om bij wege van uitdrukkelijke vergunning een afwijking toe te staan.

 

§ 2.

Indien dit nodig is om de voor het ontvangende oppervlaktewater geldende kwaliteitsnormen te kunnen bereiken, worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.3.0.1. in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit emissiegrenswaarden opgelegd die strenger zijn dan de algemene of sectorale voorwaarden. Voor de parameters die in de sectorale voorwaarden met de nota v.g.t.g. zijn aangeduid worden in de vergunning emissiegrenswaarden opgelegd ter voorkoming van een overmatige belasting met zuurstofbindende stoffen van het oppervlaktewater waarin wordt geloosd.

 

§ 3.

De vergunningverlenende overheid kan op basis van vergaande waterbesparende maatregelen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor bepaalde parameters hogere emissiegrenswaarden toestaan dan de emissiegrenswaarden, vermeld in paragraaf 1, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:

het betreffen parameters die aanleiding geven tot concentratieverhoging;
de exploitant stelt lozingsvoorwaarden voor, rekening houdend met het overeenstemmende debiet (waterbesparing);
de exploitant toont aan dat:
a) de BBT inzake preventie en waterzuivering wordt toegepast om de lozing van de parameters in kwestie te beperken;
b) technieken worden toegepast die op een intensieve wijze het waterverbruik beperken;
c) de milieukwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater daardoor niet in het gedrang komen door de toepassing van de hogere emissiegrenswaarden;
d) er geen acute toxiciteit wordt veroorzaakt in het oppervlaktewater door de toepassing van hogere emissiegrenswaarden;
de exploitant maakt een waterbalans op. 

 

§ 4.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan het voorwerp van de vergunning worden beperkt door oplegging van de maximum hoeveelheid afvalwater die per uur, per dag, per maand en/of per jaar mag worden geloosd.

 

§ 5.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen voor parameters, waarvoor voor het ontvangende oppervlaktewater milieukwaliteitsnormen van kracht zijn, maar geen emissiegrenswaarde is bepaald in de algemene of sectoriële voorwaarden, emissiegrenswaarden worden opgelegd in functie van de te bereiken kwaliteitsnormen.

 

§ 6.

[...]

 

§ 7.

[...]

 

§ 8.

In de gevallen waarin de overwogen maatregelen op technische gronden niet overeenstemmen met de beste beschikbare technieken dient voorafgaandelijk een toelating tot afwijking van de bepalingen van § 7 overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 1.2. van dit besluit bekomen. Ongeacht de gekozen methode en voordat de toelating tot afwijking respectievelijk de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt verleend, wordt de rechtvaardiging van deze gronden, via de geëigende kanalen aan de EU-Commissie medegedeeld.


Hoofdstuk 5.4.
BEDEKKINGSMIDDELEN (VERVEN, VERNISSEN, INKTEN, EMAILS, METAALPOEDERS EN ANALOGE PRODUKTEN, AFBIJT- EN BEITSMIDDELEN), KLEURSTOFFEN EN PIGMENTEN


Afdeling 5.4.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.4.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de rubrieken 4 en 21 van de indelingslijst, zoals nader gepreciseerd in de hierna volgende afdelingen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de drooginstallaties die een integrerend deel uitmaken van de spuitcabine met als enig doel het drogingsproces te activeren en waarvan de objecttemperatuur de 100°C niet overschrijdt.


Art. 5.4.1.2.

§ 1.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.4.1.1. te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen is:

in een waterwingebied of in een beschermingszone type I, II of III;
in een gebied ander dan een industriegebied.

 

§ 2.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.4.1.1. te exploiteren waarvan de bedrijfsgebouwen en/of opslagruimten gelegen zijn op minder dan 50 m afstand van:

een woongebied;
een parkgebied;
een recreatiegebied.

 

§ 3.

De verbodsbepalingen van §§ 1 en 2 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.

 

§ 4.

De verbodsbepalingen van §§ 1 en 2 gelden evenmin voor de in de derde klasse ingedeelde inrichtingen bedoeld in subrubriek 4.3 van de indelingslijst.

 

§ 5.

De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 4.4 van de indelingslijst, die uitsluitend bestemd zijn voor didactische en recreatieve doeleinden.

 

§ 6.

De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 2, gelden niet voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 4.4 van de indelingslijst, die bestemd zijn voor het uitharden van poederlakken in moffelovens.


Art. 5.4.1.3.

§ 1.

De produktie en het gebruik van loodhoudende email is verboden.

 

§ 2.

Loodwit, loodsulfaat en andere witte loodhoudende pigmenten welke in de droge stof meer dan 2 % in gewicht berekend in metaaltoestand bevatten, alsmede verven of andere bedekkingsmiddelen die voormelde stoffen bevatten mogen:

niet worden geproduceerd, opgeslagen noch gebruikt in een inrichting ingedeeld in de 3de klasse;
in een inrichting ingedeeld in 1ste of 2de klasse slechts worden geproduceerd, opgeslagen en/of gebruikt mits uitdrukkelijk toegelaten in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 3.

De produktie en het gebruik van polychloorbifenylen- (PCB's) en polychloorterfenylen- (PCT's) houdende pigmenten, lakken, verven en andere bedekkingsmiddelen is verboden.


Art. 5.4.1.4.

§ 1.

De exploitant van een inrichting waarin de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2 worden geproduceerd, gebruikt en/of opgeslagen, dient een register bij te houden waarin tenminste de volgende gegevens zijn vermeld:

gegevens omtrent de vervaardigde, respectievelijk in de inrichting binnengekomen produkten: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, die in de inrichting wordt geproduceerd, respectievelijk binnengebracht;
gegevens omtrent de opslag: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de aanduiding van de plaats samen met de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, waar deze produkten in de inrichting zijn opgeslagen;
gegevens omtrent de afvoer uit de inrichting: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2:
a) de in de inrichting zelf verwerkte hoeveelheid;
b) de naam van degene aan wie het produkt werd geleverd, de leveringsdatum, het nummer van de factuur en de geleverde hoeveelheid.

 

§ 2.

Het in § 1 bedoelde register wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van tenminste 3 jaar.


Art. 5.4.1.5.

Onverminderd de voorschriften inzake gevaarlijke producten, worden met betrekking tot de opslag in de inrichting van grondstoffen, tussenprodukten, produkten en reststoffen, de volgende voorschriften in acht genomen:
 

de stoffen en produkten mogen niet buiten de daartoe bestemde verwerkings- en opslagruimte worden opgeslagen; de hoeveelheid in de inrichting opgeslagen stoffen en produkten mag niet meer bedragen dan de hoeveelheden overeenstemmend met de produktie en/of het verbruik in de inrichting van één maand tenzij in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wanneer het om een 1ste of 2de klasse-inrichting gaat, grotere hoeveelheden zijn vergund;
de ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, ontvlambare vaste stoffen van gevarencategorie 1, ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 en vloeistoffen en vaste stoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS03 volgens de CLP-verordening, worden binnen de inrichting in een afzonderlijk gebouw, ruimtelijk gescheiden van de andere gebouwen, opslagruimten en installaties, opgesteld; in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen minimumafstanden met betrekking tot voormelde ruimtelijke scheiding worden opgelegd;
de constructie van de ruimten voor de behandeling en opslag van vloeibare stoffen en produkten is zodanig dat accidenteel gemorste stoffen en lekvloeistoffen in een opvanginrichting terechtkomen en vervolgens, waar nodig, via opvanggoten naar één of meerdere opvangputten geleid worden; de opslag zelf in die ruimten van de niet inerte vaste stoffen in bulk die uitloogbare gevaarlijke stoffen bevatten, zoals gedefinieerd in afdeling 4.1.7. moet gebeuren volgens de voorschriften van die afdeling; de bovengrondse tanks en/of vaten zelf die gevaarlijke stoffen bevatten, zoals gedefinieerd in afdeling 4.1.7. en die geplaatst worden in die ruimten, moeten voldoen aan de voorschriften van die afdeling;
de nodige voorzorgsmaatregelen dienen getroffen om te vermijden dat stoffen of produkten met elkaar in contact komen waarbij gevaarlijke chemische reacties kunnen plaatsvinden of die met elkaar kunnen reageren onder vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen en dampen;
bussen, vaten, tanks en recipiënten waarin stoffen of produkten opgeslagen zijn die wegens hun aard en eigenschappen ruimtelijk gescheiden opgeslagen moeten worden, mogen niet in éénzelfde inkuiping worden geplaatst;
de bussen, vaten, tanks en/of recipiënten:
a) mogen enkel worden geplaatst in de daartoe voorziene compartimenten;
b) moeten voorzien zijn van een duidelijk zichtbare en goed leesbare identificatie waaruit de aard van de stof of produkt die deze bevatten duidelijk blijkt;
c) dienen de nodige voorzieningen te hebben om representatieve monsters van de inhoud te kunnen nemen;
d) dienen dermate beveiligd dat ongevallen en lekken tijdens het overpompen van de stoffen maximaal worden vermeden;
verborgen leidingen en/of verbindingskanalen met andere tanks of houders zijn verboden;
in geval er vastgesteld wordt dat een bus, vat, tank of recipiënt lekt, moet de inhoud hiervan onmiddellijk in een andere geschikte houder worden overgepompt.
de tanks welke gebruikt worden voor het opslaan van stoffen of produkten die aanleiding kunnen geven tot toxische en/of hinderlijke dampen of die een dampdruk hebben van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C, moeten voorzien zijn van een doeltreffend systeem om zowel bij de opslag als bij het manipuleren elke vorm van luchtverontreiniging te vermijden;
stoffen in bulk mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde compartimenten.

 


Art. 5.4.1.6.

§ 1.

In de inrichting moeten de nodige interventiemiddelen, zoals absorptiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, enz., aanwezig zijn om in geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.

 

§ 2.

De installaties voor de produktie van lak, verf, drukinkten en/of pigmenten, voor de bereiding en/of het aanbrengen van bedekkingsmiddelen alsmede voor het thermisch behandelen van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen moeten opgesteld worden in een volledig van de opslagruimten door brandvrije muren afgescheiden lokaal. De vloer van dit lokaal moet voorzien zijn van een opvanggoot en één of meer opvangputten. De vloer, de opvanggoot en de opvangputten moeten uitgevoerd zijn in voor de erop terechtkomende stoffen ondoorlatend en chemisch inert materiaal.

 

§ 3.

De globale opvanginrichting van de volledige installatie, de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag, de inkuipingen, de compartimenten voor bulkafvalstoffen, de overlopen of veiligheidsuitlaten van de tanks, alsmede het opslaggebouw voor de ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, ontvlambare vaste stoffen van gevarencategorie 1, ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 en vloeistoffen en vaste stoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS03 volgens de CLP-verordening, mogen op geen enkele manier rechtstreeks in verbinding staan met een openbare riolering, een grondwaterlaag, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewater

 

§ 4.

De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag moeten regelmatig, en tenminste na elke kalamiteit, geledigd worden. De bekomen afvalstroom moet op een aangepaste manier verwijderd worden.


Art. 5.4.1.7.

Het is verboden vloeistoffen of vaste stoffen gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40° C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.


Afdeling 5.4.2.
Produktie van lak, verf, drukinkten, kleurstoffen en/of pigmenten


Art. 5.4.2.1.

De voorschriften van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubrieken 4.1, 21.1 en 21.2 van de indelingslijst.


Art. 5.4.2.2.

§ 1.

De hele installatie dient ontworpen en in goede staat onderhouden dermate dat lekkages van stoffen en produkten alsmede de emissies van verontreinigende stoffen in de omgevingslucht maximaal worden voorkomen.

 

§ 2.

De nodige maatregelen dienen getroffen om de vorming van elektro-statische ladingen te voorkomen. Inzonderheid dienen daartoe alle metalen delen van de installaties, van de stofopzuiginstallatie en van de opslagtanks alsmede van de laad- en losinrichtingen geaard.

 

§ 3.

“In geval er vloeistoffen of vaste stoffen gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening worden gebruikt of geproduceerd:

mag de verwarming van de lokalen, waarin de installaties voor de produktie van lak, verf, drukinkten en/of pigmenten zijn ondergebracht, enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;
dienen met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat in de in sub 1° bedoelde lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst;
moeten de vluchtdeuren van de sub 1° bedoelde lokalen langs buiten opendraaien en dienen de doorgangen van elke hindernis vrijgehouden;
mag in de sub 1° bedoelde lokalen een maximum hoeveelheid van gebruikte grondstoffen en gefabriceerde produkten worden gestockeerd die overeenstemt met de behoeften, respectievelijk de produktie van één dag;
mogen in de sub 1° bedoelde lokalen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken;
is het verboden te roken in de sub 1° bedoelde lokalen; dit rookverbod dient in goed leesbare letters op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbare materialen te zijn.

Art. 5.4.2.3.

§ 1.

Dampen, nevels en afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan, opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 2.

Als een tank manueel gevuld wordt met vaste stoffen via een vulopening of een mangat, is de tank uitgerust met een extern lokaal afzuigsysteem.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze paragraaf, vanaf 1 januari 2015.

 

§ 3.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

Parameter

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

totaal stof

10,0

organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

100,0

Sb + Pb + Cr + Cu + Mn + V + Sn

5,0


Art. 5.4.2.3bis.

§ 1.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.

 

§ 2.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 3.

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.


Art. 5.4.2.4.

Onverminderd de verbodsbepalingen van artikel 5.4.1.3., § 2 is het bereiden van loodwit onderworpen aan de volgende voorwaarden:
 

het smelten van het lood moet gebeuren in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal; de smeltverrichtingen mogen uitsluitend gebeuren onder een mechanische rookvang die de dampen en nevels naar een filterinstallatie afvoert; tijdens het aftappen van het gesmolten lood moet de opening in deze rookvang beperkt zijn tot het voor de uitvoering van de verrichtingen strikt noodzakelijke; deze opening moet verder maximaal volledig gesloten worden gehouden;
de nodige maatregelen dienen getroffen om te vermijden dat het wegnemen van de roosters, de plaatjes of de mest het minste stof zou veroorzaken; indien nodig zullen deze roosters, plaatjes of elk mestbed hiertoe op voldoende wijze bevochtigd worden;
het manueel afkloppen, afbijten en zeven is verboden; vanaf het afbijten van de roosters tot na het einde van het verbrijzelen met water, moet het loodwit volledig machinaal worden gemanipuleerd;
de loodwitbroodjes moeten machinaal verbrijzeld worden en de verbrijzel-, maal- en builtoestellen dienen derwijze opgesteld dat het loodwit automatisch van het een in het ander toestel komt; deze toestellen dienen eveneens in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal opgesteld; de niet in het water gedompelde machinale bijt- of verbrijzeltoestellen alsmede de maal- en builtoestellen moeten voorzien zijn van goed dichtgesloten metalen bekledingen welke verbonden zijn met een voldoende krachtige stofafzuigingsinstallatie, derwijze geplaatst dat de emissies van loodhoudend stof naar een filterinstallatie worden afgevoerd; voormelde toestellen mogen slechts geopend worden na volledige neerslag van het poederachtige stof;
het verpakken van droog loodwit mag uitsluitend machinaal gebeuren en moet derwijze geschieden dat hoegenaamd geen stof kan ontsnappen;
het loodwitpoeder mag enkel machinaal in de laadtrechter van de pletmachine met olie gebracht worden, derwijze dat er hoegenaamd geen stof kan ontstaan; deze trechter dient voorzien van een bekleding verbonden met een stofafzuigingsinstallatie aangesloten op een filterinstallatie;
het mengen van het droog lood met de olie alsook de eerste verbrijzelverrichtingen moeten in een volkomen dicht gesloten toestel geschieden; vanuit dit toestel moet de loodwitdeeg automatisch naar de verschillende pletrollen worden gevoerd;

Art. 5.4.2.5.

§ 1.

Onverminderd de verbodsbepalingen van artikel 5.4.1.3., § 2 is het bereiden van loodoxyden (massicot, loodglit, menie) onderworpen aan de volgende voorwaarden:

de nodige voorzorgen worden getroffen opdat tijdens het roeren en het uit de oven halen geen dampen of stoffen vrijkomen in de omgeving; inzonderheid dienen daartoe boven de ovendeuren kunstmatige rookvangen geplaatst die de verontreinigende stoffen naar een filterinstallatie afvoeren;
het tot poeder stampen en builen dient te gebeuren in luchtdicht gesloten toestellen die slechts na volledige neerslag van de poederachtige stof mogen worden geopend;
bij het overgieten, het in vaten doen, het samendrukken en elke andere behandeling, dienen de nodige voorzorgen genomen om het opjagen van stof volkomen te verhinderen;

 

§ 2.

Onverminderd de verbodsbepalingen van artikel 5.4.1.3., § 2 is het bereiden van loodchromaat en van verven die loodchromaat bevatten onderworpen aan de volgende voorwaarden:
het tot poeder stampen, builen, samendrukken en verpakken dient te gebeuren in luchtdicht gesloten toestellen die slechts na volledige neerslag van de poederachtige stof mogen worden geopend;

 

§ 3.

Onverminderd de verbodsbepalingen van artikel 5.4.1.3., § 2 is het bereiden van loodarsenaat onderworpen aan de volgende voorwaarden:

de invretende vloeistoffen dienen mechanisch te worden vervoerd en overgegoten;
de vaten en recipiënten die voor de reacties en de behandelingen dienen, moeten uit materiaal zijn vervaardigd dat door de aangewende stoffen niet kan worden aangetast;
het tot poeder stampen, het builen, het samendrukken, het inpakken en alle andere behandelingen van de grondstoffen of van het bereid produkt moeten derwijze geschieden dat er zich in de omgeving geen stof kan verspreiden.

Afdeling 5.4.3.
Aanbrengen van bedekkingsmiddelen


Subafdeling 5.4.3.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.4.3.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubrieken 4.2 en 4.3 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De bepalingen van deze subafdeling zijn niet van toepassing op het aanbrengen van bedekkingsmiddelen op romp, boven- en onderbouw en interne delen van vaartuigen voor zee- en binnenvaart, met uitzondering van de pleziervaartuigjes, wanneer dat aanbrengen gebeurt in de inrichtingen zoals bedoeld in rubriek 42 van de indelingslijst.

 

§ 3.

Voor wat het aanbrengen van bedekkingsmiddelen op volumineuze metalen constructies betreft, kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de bepalingen van deze subafdeling afwijkende voorwaarden worden opgelegd.


Art. 5.4.3.1.2.

Tenzij anders in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermeld:

dienen mechanische, thermische en chemische voorbehandeling van voorwerpen, te geschieden in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat door brandvrije muren van de opslagruimten voor stoffen, produkten, tussenprodukten en reststoffen alsmede van de lokalen waarin de bedekkingsmiddelen op de voorwerpen worden aangebracht is gescheiden;
dienen pneumatisch, warm, airless en electrostatisch spuiten, alsook emailleren en elektroforetisch lakken te geschieden in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat door brandvrije muren van de opslagruimten voor stoffen, produkten, tussenprodukten en reststoffen alsmede van de lokalen waarin de voorbehandeling van voorwerpen gebeurt, is gescheiden;
de bepalingen van sub 1° en 2° zijn niet van toepassing op inrichtingen welke werken met het "in lijn"- of "lopende band"-principe.

Art. 5.4.3.1.3.

§ 1.

Dampen, nevels die bij het verstuiven gevormd worden, moeten op de plaats zelf van hun ontstaan worden opgezogen, verwijderd, verdicht, opgeslorpt of te niet gedaan zodat zij niet kunnen:

in het lokaal blijven hangen of zich in de belendende lokalen verspreiden;
het gebuurte hinderen;
bij toeval ontbranden zowel binnen als buiten het verstuivingslokaal.

 

§ 2.

De leidingen en buizen voor de ontruiming van de dampen en nevels die vrijkomen bij verstuiving worden zó aangelegd dat de neerslag, die er in ontstaat, gemakkelijk kan ontruimd worden. Zij worden regelmatig gereinigd met procédé's die alle veiligheidswaarborgen bieden. Het is verboden ze met vlam of met elk ander procédé dat vonken kan verwekken, te reinigen, wanneer in de bestuivingsinstallatie ontvlambare stoffen worden gebruikt. Alle metalen delen ervan dienen geaard te zijn.

 

§ 3.

In geval er ontvlambare produkten worden gebruikt :

mag de verwarming van de lokalen waarin de installaties voor het aanbrengen van bedekkingsmiddelen zijn ondergebracht, enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;
dienen met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat in de sub 1° bedoelde lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst;
moeten de vluchtdeuren van de sub 1° bedoelde lokalen langs buiten opendraaien en dienen de doorgangen van elke hindernis vrijgehouden;
mag in de sub 1° bedoelde lokalen een maximum hoeveelheid van gebruikte grondstoffen en bedekkingsmiddelen worden gestockeerd die overeenstemt met de behoeften van één dag; van deze beperking mag om procestechnische redenen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gemotiveerd worden afgeweken;
mogen in de sub 1° bedoelde lokalen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken;
is het verboden te roken in de sub 1° bedoelde lokalen; dit rookverbod dient in goed leesbare letters op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;
dienen de cabines voor verstuiving alsmede de dompelbakken en sproeitunnels met de aarde verbonden; deze cabines en tunnels alsmede de afvoerinstallaties van de dampen en nevels mogen geen dode ruimte vertonen in dewelke zich ontplofbare mengsels of ophopingen zouden kunnen vormen;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbaar materiaal te zijn.

 


Art. 5.4.3.1.4.

§ 1.

Dampen, nevels en afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de respectieve geloosde afgassen. Als verschillende van die afgassen door dezelfde schoorsteen in de open lucht worden geloosd, gelden alle emissiegrenswaarden voor elke respectieve emissie:

emissies van ventilatielucht:

Parameter

emissiegrenswaarde

organische stoffen, uitgedrukt als totaal

organische koolstof, voor andere

installaties dan de installaties, vermeld in

punt 4° en 5°

75,0 mg/Nm³

emissies van dampen en nevels uit de voorbehandelingszone:

  a)

bij mechanische voorbehandeling:

Parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof bij een massastroom van:

 

-           < 500 g/h

-           > 500 g/h

150 mg/Nm³
50 mg/Nm³

  b)  

bij thermische voorbehandeling:

Parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof bij een massastroom van:

 

-           < 500 g/h

-           > 500g/h

150 mg/Nm³
50 mg/Nm³

CO

100,0 mg/Nm³

zwaveldioxide (SO2)

100,0 mg/Nm³

stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2

100,0 mg/Nm³

  c)

bij chemische voorbehandeling:

Parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof bij een massastroom van:

-           < 500 g/h

-           > 500g/h

150 mg/Nm³
50 mg/Nm³

som 1,1,1-trichloorethaan, per-, tri- en tetrachloorethyleen bij een massastroom van 2 kg/h of meer

100,0 mg/Nm³

methyleenchloride bij een massastroom van 3 kg/h of meer

150,0 mg/Nm³

emissies van dampen en nevels uit de spuitzone of uit het spuitlokaal:

 

Parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof:

 

tot en met 30 juni 2017, bij een massastroom van:

-           < 500 g/h

-           > 500g/h

Vanaf 1 juli 2017

 

 

150 mg/Nm³
50 mg/Nm³

10 mg/Nm³

organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof voor andere installaties dan de installaties, vermeld in punt 4° en 5°

75,0 mg/Nm³

voor installaties voor het in serie spuiten van carrosserieën van personenwagens gelden met betrekking tot de emissie van organische oplosmiddelen de volgende emissiegrenswaarden voor het afgas van de gehele installatie, met inbegrip van het conserveren, uitgedrukt in g per m2 ruwbouwcarrosserie:

spuiten in een toplaag

60,0 g/m²

basislak + vernisspuiten

120,0 g/m²

voor installaties voor het spuiten van vrachtwagens, vrachtwagencabines, bestelwagens, autobussen, autocars, aanhangwagens, opleggers en industriële carrosserieën worden de emissiegrenswaarden voor organische oplosmiddelen in het afgas van de gehele installatie vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Deze emissiegrenswaarden voor vluchtige organische stoffen gelden evenmin voor de onder rubriek 4.3 vallende activiteit “aanbrengen van een laklaag op voertuigen of een deel daarvan als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek”, als de exploitant kan aantonen dat alleen producten worden gebruikt die voldoen aan de productnormen als vastgesteld door het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen.

 

Voor inrichtingen als vermeld in subafdeling 5.4.3.2, gelden deze emissiegrenswaarden voor vluchtige organische stoffen niet, als aangetoond kan worden dat de totale emissie van vluchtige organische stoffen niet meer bedraagt dan de beoogde emissie, vermeld in bijlage 5.59.2.

 

 

§ 2BIS.

De emissiegrenswaarden voor organische oplosmiddelen zijn niet van toepassing voor inrichtingen die tevens onder de subrubriek 59.7.1° of 2° vallen, indien de exploitant voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk 5.59. Voor inrichtingen voor het coaten van hout die gebruik maken van minder dan 15 ton/jaar solventhoudende bedekkingsmiddelen, kan de exploitant ofwel voldoen aan de emissiegrenswaarden geldig voor de inrichtingen bedoeld in subrubriek 59.7.1°, van de indelingslijst, ofwel naar keuze op één van de volgende vereenvoudigde manieren aantonen dat voldaan wordt aan de bepalingen van het equivalent reductieprogramma :

a) de exploitant toont ten alle tijde aan dat alleen gebruik gemaakt wordt van bedekkingsmiddelen met een solventgehalte < 150 g/l;
b) de exploitant toont aan dat het gewogen gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van alle ingezette producten die bij het aanbrengen van bedekkingsmiddelen gebruikt worden lager ligt dan 560 g/l;
c) de exploitant toont, met een vereenvoudigde oplosmiddelenboekhouding, jaarlijks aan dat in het voorbije jaar voldaan wordt aan de bepalingen van het equivalent reductieprogramma.

 

Voor het bepalen van het gewogen gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van alle ingezette producten bij het aanbrengen van bedekkingsmiddelen als vermeld in het eerste lid, b), voor een bepaalde periode, gaat de exploitant als volgt tewerk :

opstellen van een lijst van alle producten, zijnde bedekkingsmiddelen, reinigingsproducten, verdunners, die bij het aanbrengen van bedekkingsmiddelen gebruikt worden; voor elk product wordt het gehalte oplosmiddelen en het gehalte aan deklaagmateriaal (uitgedrukt als droge stof) genoteerd; bij het opstellen van deze lijst worden de solventarme of solventvrije bedekkingsmiddelen mee opgenomen; de gehaltes worden genoteerd als g VOS/l;
noteren van de hoeveelheden van aangekochte en in het proces ingezette producten en dit voor alle producten op de lijst onder 1° van onderhavig lid; dit gebeurt door voor elk product :
de in de beschouwde periode aangekochte hoeveelheden te sommeren;
hiervan de terug doorverkochte of op een andere manier afgevoerde niet gebruikte producten van af te trekken;
bij het begin en einde van deze periode een inventaris te maken van de hoeveelheid;
in voorraad en de toename in voorraad af te trekken respectievelijk de afname in voorraad bij te tellen;
het resultaat uit te drukken in liter;
voor elk voor het aanbrengen van bedekkingsmiddelen ingezette product, de hoeveelheid ingezette VOS in g bepalen door het VOS-gehalte, bepaald onder 1° van dit lid, en de ingezette hoeveelheid, bepaald onder 2° van dit lid, met elkaar te vermenigvuldigen;
het gewogen gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen te bepalen door het onder 3° van dit lid bepaalde getal te delen door de som, in liter, van alle van aangekochte en in het proces ingezette producten zoals bepaald onder 2° van dit lid.

 

Voor het opstellen van de vereenvoudigde oplosmiddelenboekhouding als vermeld in het eerste lid, c), voor een bepaalde periode gaat de exploitant als volgt te werk :

opstellen van een lijst van alle producten, zijnde bedekkingsmiddelen, reinigingsproducten, verdunners, die bij het aanbrengen van bedekkingsmiddelen gebruikt worden; voor elk product wordt het gehalte oplosmiddelen en het gehalte aan deklaagmateriaal (uitgedrukt als droge stof) genoteerd; bij het opstellen van deze lijst worden de solventarme of solventvrije bedekkingsmiddelen mee opgenomen; de gehaltes worden genoteerd als g VOS/l of in kg/kg (gewichts-%);
noteren van de hoeveelheden van aangekochte en in het proces ingezette producten en dit voor alle producten op de lijst onder 1° van dit lid; dit gebeurt door voor elk product :
  de in de beschouwde periode aangekochte hoeveelheden te sommeren;
  hiervan de terug doorverkochte of op een andere manier afgevoerde niet gebruikte producten van af te trekken;
  bij het begin en einde van deze periode een inventaris te maken van de hoeveelheid in voorraad en de toename in voorraad af te trekken respectievelijk de afname in voorraad bij te tellen;
per product de hoeveelheid oplosmiddelen en de hoeveelheid deklaagmateriaal bepalen die met de aangekochte en in het proces ingezette producten zijn ingezet;
het totaal van de in de periode in het proces ingezette oplosmiddelen bepalen door de hoeveelheden bepaald in 3° van dit lid te sommeren;
noteren van de hoeveelheden solventhoudende afvalstoffen die in de periode zijn afgehaald door een geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of - makelaar; op basis van het solventgehalte bepaald met een representatief staal van deze solventhoudende afvalstoffen, de hoeveelheid oplosmiddel berekenen dat via deze afvalstoffen is afgevoerd;
bepalen van de hoeveelheid oplosmiddel waarvan aangenomen wordt dat ze geëmitteerd werd in de voorbije periode, door van de hoeveelheid in het proces ingezette oplosmiddelen zoals bepaald in 4° van dit lid, de hoeveelheid oplosmiddelen die via afvalstoffen is afgevoerd zoals bepaald in 5° van dit lid, af te trekken; deze hoeveelheid wordt uitgedrukt in kg;
het totaal van de in de periode in het proces ingezet deklaagmateriaal bepalen door de hoeveelheden bepaald in 3° van dit lid te sommeren. Dit totaal wordt uitgedrukt in kg;

 

Er wordt voldaan aan de bepalingen van het equivalent reductieprogramma, indien de hoeveelheid oplosmiddelen waarvan wordt aangenomen dat ze is geëmitteerd zoals bepaald in het derde lid, 6°, kleiner is dan 2,4 maal de hoeveelheid in het proces ingezet deklaagmateriaal, zoals bepaald in het derde lid, 7°.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig, afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.

 

§ 5.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 6.

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.


Subafdeling 5.4.3.2.
Overspuiten van voertuigen


Art. 5.4.3.2.1.

De bepalingen van deze subafdeling gelden met behoud van de toepassing van de bepalingen van subafdeling 5.4.3.1 en hoofdstuk 5.59. Ze zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in subrubriek 59.3, 2°, van de indelingslijst. Ze zijn tevens van toepassing op de inrichtingen, vermeld in subrubriek 4.3, voor zover er de activiteit « aanbrengen van een coating op voertuigen of een deel daarvan als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek » wordt uitgeoefend. De bepalingen van deze subafdeling gelden niet als de spuitactiviteiten rechtstreeks gekoppeld zijn aan de productie van nieuwe voertuigen binnen dezelfde inrichting.


Art. 5.4.3.2.2.

§ 1.

Alle werkzaamheden die aanleiding kunnen geven tot emissie van geur, rook of stof moeten worden uitgevoerd binnen in een gebouw. Tijdens deze werkzaamheden zijn ramen en deuren van het gebouw gesloten.

 

§ 2.

Alle emissies naar de lucht, met uitzondering van stoom of waterdamp, moeten kleurloos zijn en zonder zichtbare mist of druppels.

 

§ 3.

Alle spuitwerk moet in een spuitcabine uitgevoerd worden. Dat is een volledig gesloten ruimte waarvan de afgezogen lucht via stoffilters naar buiten wordt geleid en die geconstrueerd is om het spuiten van voertuigen onder gecontroleerde omstandigheden te doen plaatsvinden.

 

§ 4.

In afwijking van paragraaf 3 mogen grondverven in een voorbehandelingsruimte verspoten worden als de grondlagen nog nageschuurd moeten worden en het spuitwerk zich beperkt tot één onderdeel per voertuig. De voorbehandelingsruimte waar de spuitactiviteiten plaatsvinden, wordt zo ingericht dat de verspreiding van verfdeeltjes en oplosmiddelen wordt vermeden. Dat wordt gerealiseerd met behulp van het volgende, waarbij de afgezogen lucht via stoffilters naar buiten wordt geleid :

afscherming van de rest van de werkruimte, bijvoorbeeld door middel van gordijnen of door een open cabine;
afzuiging binnen de afgeschermde zone, zodat een onderdruk ontstaat die verspreiding van stof en oplosmiddelen naar de rest van de werkruimte voorkomt.

 

 

§ 5.

Als de spuitcabine uitgerust is met een actief koolfilter, dan:

moeten de afgassen die ontstaan bij het spuiten in de voorbehandelingsruimte naar een actief koolfilter geleid worden;
moet die zo vaak vervangen of geregenereerd worden, dat de goede werking ervan gegarandeerd is.

 

§ 6.

Bij defecten of pannes van installatie of apparatuur die kunnen leiden tot abnormale emissies moeten de werkzaamheden onmiddellijk gestaakt worden. De werkzaamheden worden pas hervat als de normale werking opnieuw kan worden gegarandeerd.

 

§ 7.

Alle personeel dat spuitwerk uitvoert, moet de noodzakelijke opleiding krijgen, alsook alle instructies met betrekking tot hun verplichtingen in verband met de controle van de installatie en van de emissies in de lucht.


Art. 5.4.3.2.3.

§ 1.

Elektrische of andere gereedschappen die stofemissies kunnen veroorzaken moeten voorzien zijn van afzuiging naar stoffilters. Waar abrasieve straalapparatuur wordt toegepast, moet het extract van zulke installaties worden afgevoerd naar stoffilters.

 

§ 2.

Het mengen van de bedekkingsmiddelen en het reinigen van de apparatuur moet steeds in een ruimte gebeuren, voorzien van een afzuiging naar stoffilters.

 

§ 3.

De volgende emissiegrenswaarden voor totaal stof zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

-           spuiten

10 mg/Nm³

-           reinigen apparatuur

10 mg/Nm³

-           mengen van bedekkingsmiddelen

10 mg/Nm³

-           abrasief stralen

50 mg/Nm³

-           andere bronnen

50 mg/Nm³

 

§ 4.

Voor elke spuitcabine houdt de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthoudende overheid,waarin aangetoond wordt dat aan de emissiegrenswaarde 10 mg/Nm3 voor het spuiten, zoals vermeld in § 3, voldaan is. Dit verslag wordt opgesteld door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL en bevat minstens de volgende elementen:

het verslag van een meting waaruit blijkt dat de emissiegrenswaarde gehaald wordt;
een beschrijving van de voorwaarden die bij de exploitatie nageleefd moeten worden zodat de emissiegrenswaarde te allen tijde gerespecteerd kan worden.

 

De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt.

 

In plaats van dit verslag kan ook een verslag aanvaard worden van een identieke spuitcabine. In dat geval moet de exploitant een attest toevoegen van de leverancier waarin die bevestigt dat de spuitcabine identiek is aan de cabine waarover het verslag werd opgesteld.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

Bij de exploitatie van de spuitcabines worden de voorwaarden nageleefd die beschreven zijn in het verslag, vermeld in § 4.

 

§ 7.

De spuitcabine mag niet onder een positieve druk staan die groter is dan 267 Pa. Elke spuitcabine is daarom uitgerust met een drukmeter die telkens aan het begin van een spuitcyclus wordt gecontroleerd. Er moet tevens een geluidsalarm in de spuitinstallatie aanwezig zijn, dat een signaal geeft in geval van een te grote overdruk, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 8.

Alle droge, stofferige materialen moeten in gesloten recipiënten worden bewaard.


Art. 5.4.3.2.4.

§ 1.

Alle spuitwerk moet worden uitgevoerd met toestellen die een aanbrengrendement hebben van ten minste 65 %. Tijdens het spuiten wordt de luchttoevoer ingesteld zodat een druk van 70 kPa aan de luchtkap van het spuitpistool niet overschreden wordt. Elke inrichting beschikt over een meettoestel om die druk te kunnen meten.

 

Andere spuitapparatuur mag gebruikt worden, als aangetoond kan worden dat bedekkingsmiddelen kunnen worden aangebracht met een spuitrendement van ten minste 65 %.

 

§ 2.

Bij het reinigen van spuitpistolen en -installaties moet steeds een recipiënt aangebracht worden om de spoelvloeistoffen op te vangen. Als hierbij organische oplosmiddelen gebruikt worden, moet de reiniging steeds in een volledig gesloten automatisch reinigingsapparaat gebeuren, of in een andere schoonmaakmachine met gelijke of lagere emissies.

 

§ 3.

Testen van het spuitpistool en proefspuiten na het schoonmaken moet worden uitgevoerd in de schoonmaakmachine die een afzuiging bevat, of in een aparte ruimte die ook voorzien is van een afzuiging.

 

Bovendien moet een recipiënt worden aangebracht om de verspoten bedekkings- of schoonmaakmiddelen op te vangen.

 

§ 4.

Recipiënten die oplosmiddelhoudende producten of afval bevatten, moeten goed gesloten worden bewaard. Schoonmaakdoeken die doordrenkt zijn met organische oplosmiddelen moeten na gebruik in gesloten containers worden bewaard.

 

§ 5.

Washprimers op basis van organische oplosmiddelen mogen enkel worden gebruikt als ze noodzakelijk zijn voor de aanhechting van opeenvolgende lagen op blote metalen, op aluminium, zinkplaat of gegalvaniseerde metalen. Het gebruik van zulke washprimers moet worden beperkt tot ten hoogste 5 volumepercent van alle bedekkingsmiddelen, uitgezonderd wanneer beitsprimer wordt aangebracht als eerste laag op aluminium en uitgezonderd voor voertuigen met een massa die groter is dan 3,5 ton.


Art. 5.4.3.2.5.

Voor de activiteit « aanbrengen van een coating op voertuigen of een deel daarvan als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek » geldt artikel 5.4.3.2.3, § 4, pas vanaf 1 januari 2010.


Afdeling 5.4.4.
Thermisch behandelen van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen


Art. 5.4.4.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 4.4 van de indelingslijst.


Art. 5.4.4.2.

§ 1.

Tenzij anders in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermeld, dienen het emailleren en moffelen van voorwerpen te geschieden in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat door brandvrije muren van de opslagruimten voor stoffen, produkten, tussenprodukten en reststoffen alsmede van de lokalen waarin de voorbehandeling van voorwerpen of het aanbrengen van een bedekkingsmiddel gebeurt, is gescheiden.

 

Voormelde bepaling is niet van toepassing op inrichtingen die werken met het "in lijn"- of "lopende band"-systeem.

 

§ 2.

De verwarmingsinstallatie van de emailleer-, moffel- of droogovens is zodanig geregeld dat een overmatige verwarming onmogelijk is, en brand- en ontploffingsgevaar wordt vermeden. Het in de oven te behandelen voorwerp mag geen onderdelen of stoffen bevatten die bij verwarming brand of een ontploffing kunnen veroorzaken.

 

De tunnels alsmede de afvoerinstallaties van de dampen en nevels mogen geen dode ruimte vertonen in dewelke zich ontplofbare mengsels of ophopingen zouden kunnen vormen. De schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels zijn van onbrandbaar materiaal.

 

§ 3.

Dampen en nevels die bij het emailleren, moffelen of drogen gevormd worden, worden op de plaats van hun ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 4.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de geloosde afgassen:

parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof

 

-           bij pyrolyse-ovens

30,0 mg/Nm³

-           in de overige gevallen

3,0 mg/Nm³

CO: richtwaarde

100,0 mg/Nm³

zwaveldioxide (SO2)

100,0 mg/Nm³

organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

50,0 mg/Nm³

stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2: richtwaarde

100,0 mg/Nm³

 

In die gevallen waar naverbranding wordt toegepast als behandelingstechnologie, wordt de concentratie van de stikstofoxiden, organische stoffen en koolstofmonoxide bepaald tijdens een meetcampagne als functie van de temperatuur in de naverbrander.

 

Op basis van de interpretatie van die metingen wordt de optimale temperatuur gekozen waarbij voldaan is aan de vermelde emissiegrenswaarde met betrekking tot de emissie aan organische stoffen.

 

De naverbranding wordt ingesteld op de optimale temperatuur en wordt continu geregistreerd.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig, afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.

 

§ 7.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5 zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 8.

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.


Hoofdstuk 5.5.
Pesticiden


Afdeling 5.5.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.5.1.1.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 5 van de indelingslijst.


Art. 5.5.1.2.

§ 1.

Tenzij het anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is het verboden inrichtingen als vermeld in rubriek 5.1, 5.2, 5.4 en 5.5 van de indelingslijst, te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn :

in een waterwingebied of een beschermingszone type I, II of III;
in een ander gebied dan een industriegebied 
op minder dan 100 meter afstand van :
a) een woongebied
b) een parkgebied
c) een recreatiegebied.

 

§ 2.

De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.


Art. 5.5.1.3.

§ 1.

Tenzij het anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt bij de ingang van inrichtingen als vermeld in rubriek 5.1, 5.2, 5.4 en 5.5 van de indelingslijst, een identificatie- en informatiebord van ten minste 1 m2 aangebracht waarop duidelijk leesbaar ten minste de volgende vermeldingen voorkomen :

« PESTICIDEN »;
naam, adres en telefoonnummer van de exploitant.

 

§ 2.

De inrichtingen als vermeld in rubriek 5.1, 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5 van de indelingslijst, zijn omheind met een stevige afsluiting die ten minste 2 m hoog is, of bevinden zich in een volledig afgesloten lokaal, zodat de inrichting niet toegankelijk is voor onbevoegden. De toegangspoorten zijn buiten de openingsuren gesloten.


Art. 5.5.1.4.

§ 1.

De exploitant is verantwoordelijk voor het aanvaarden, formuleren, verpakken of afvoeren van de pesticiden.

 

§ 2.

Tenzij het anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is het produceren, formuleren, opslaan of verpakken verboden van :

methylbromide;
2°  dicyaan, cyaanwaterstof (blauwzuur) en zijn zouten (cyaniden);
 organische cyaanverbindingen (nitrillen).

 

§ 3.

De exploitant van een inrichting waar pesticiden geformuleerd worden, houdt een register of een alternatieve informatiedrager bij waarin, tenzij het anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, ten minste de volgende gegevens worden vermeld :

de hoeveelheid actieve stoffen, uitgedrukt in kilogram of ton 100 % actief, die in de inrichting wordt geproduceerd of verwerkt;
gegevens over de afvoer uit de inrichting :
a) de hoeveelheid die als afval wordt verwijderd;
b) de hoeveelheid die als product of grondstof aan derden is geleverd.

 

Die gegevens worden zo opgeslagen dat het op elk ogenblik mogelijk is om de hoeveelheden pesticiden die in het bedrijf aanwezig zijn, te bepalen.

 

§ 4.

Het register of de alternatieve informatiedrager, vermeld in paragraaf 3, wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder gedurende een periode van ten minste twee jaar.


Art. 5.5.1.5.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 5.17 en tenzij het anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt methylbromide opgeslagen in drukvaten met een inhoud van maximaal 100 kg methylbromide per vat. De methylbromidevaten worden verticaal opgesteld met de afsluiter van het vat aan de bovenzijde. Vaten met methylbromide worden tegen weersinvloeden zoals zonnestraling en regen beschermd en mogen niet op elkaar zijn gestapeld. Gedurende de opslag worden de afsluiters van de methylbromidevaten tegen mechanische beschadiging beschermd door afsluitdoppen. Lege vaten worden op dezelfde manier opgeslagen als volle vaten.

 

§ 2.

De personen die tewerkgesteld zijn in de inrichting, zijn op de hoogte van de aard en de gevaaraspecten van de geformuleerde en verpakte pesticiden, en van de maatregelen die moeten genomen worden bij onregelmatigheden. Daartoe verstrekt de exploitant de nodige actuele instructies. Ten minste eenmaal per jaar worden die instructies door de exploitant geëvalueerd.


Art. 5.5.1.6.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de afgassen die geloosd worden door de inrichtingen, vermeld in rubriek 5.1 en 5.4 van de indelingslijst:

Parameter

Emissiegrens-waarde

chloor vanaf een massastroom van 50 g/h of meer

5,0 mg/Nm³

totaal stof:

installaties voor de productie van pesticiden of werkzame stoffen ervan en installaties waarin pesticiden of werkzame stoffen ervan worden gemalen of machinaal gemengd, verpakt of overgegoten, bij een massastroom van 25 g/h of meer

  • voor acuut toxische pesticiden van gevarencategorie 1 volgens de CLP-verordening of zeer persistente, zeer bioaccumuleerbare pesticiden

5,0 mg/Nm³

  • voor acuut toxische pesticiden van gevarencategorie 2, 3 en 4 volgens de CLP-verordening, of persistente, bioaccumulerende pesticiden, of pesticiden gekenmerkt door gevarenpictogram GHS05 volgens de CLP-verordening

20,0 mg/Nm³

  • voor de overige pesticiden

100,0 mg/Nm³

 

§ 2.

[...]


Art. 5.5.1.7.

§ 1.

Het is verboden producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40 °C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.

 

§ 2.

De lokalen worden alleen verwarmd door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen. In de lokalen geldt een rookverbod en worden geen werken verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken, tenzij voor onderhouds- of herstellingswerken op voorwaarde dat daarvoor de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen. Het rookverbod wordt in goed leesbare letters of met reglementaire pictogrammen op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen in de lokalen aangeplakt.


Afdeling 5.5.2.
Inrichtingen voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen, en inrichtingen voor het schoonmaken van apparatuur, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, die behoren bij een inrichting voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen


Art. 5.5.2.1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de rubrieken 2.3.2, f), 2.3.3, b) en 5.6. van de indelingslijst.


Art. 5.5.2.2. Op de inrichting kan alleen apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen worden toegelaten, nadat ze op de meest doeltreffende manier werd gereinigd in het veld volgens een code van goede praktijk.

Art. 5.5.2.3.

§ 1.

De plaatsen op het terrein waar restvloeistoffen op de bodem kunnen terecht komen, worden uitgerust met een vloeistofdichte vloer of opvang, zodat die restvloeistoffen noch de bodem, noch het grond- of oppervlaktewater kunnen verontreinigen. De vloer of opvang wordt aangelegd met een lekdicht afwateringssysteem.

 

§ 2.

De behandelings- en opslagruimten voor restvloeistoffen en gezuiverde vloeistof worden lekdicht geconstrueerd.

 

§ 3.

De gebruikte constructiematerialen zijn chemisch inert ten overstaan van de restvloeistoffen die ermee in contact kunnen komen.

 

§ 4.

De schoonmaakplaatsen worden ingericht zodat de reiniging op zorgvuldige wijze kan gebeuren en het ontstaan van nevels tot een minimum wordt beperkt of afwezig is.

 

§ 5.

Na ieder gebruik wordt de schoonmaakplaats gereinigd zodat er geen verontreinigd hemelwater ontstaat. Niet-verontreinigd hemelwater wordt via een controleput, waarin gemakkelijk een schepstaal kan worden genomen, afzonderlijk afgevoerd.

 

§ 6.

Uitgezonderd voor niet-verontreinigd hemelwater zijn verboden : overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of directe of indirecte lozing naar het grondwater.


Art. 5.5.2.4.

§ 1.

Als de restvloeistoffen op de inrichting biologisch gezuiverd worden, worden de gezuiverde vloeistoffen opgevangen voor hergebruik en worden ze niet geloosd.

 

Als de restvloeistoffen of de gezuiverde vloeistoffen, niet op de inrichting hergebruikt kunnen worden, worden ze op reglementaire wijze afgevoerd en behandeld.

 

§ 2.

Bij een fysicochemische zuivering worden de vaste restanten op reglementaire wijze afgevoerd en behandeld.


Art. 5.5.2.5.

De exploitant houdt een gebruiksregister bij (afzonderlijk of in combinatie met een ander register) waarin de gegevens kunnen worden gekoppeld aan de uitgevoerde bespuitingen en gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. In dat register worden de volgende gegevens genoteerd, met de vermelding van datum :

de hoeveelheid te behandelen restvloeistoffen;
de hoeveelheid opgeslagen en hergebruikte gezuiverde vloeistoffen en hun bestemming;
bij biologische behandeling, de hoeveelheid en de afvoerwijze van het substraat;
bij fysico-chemische zuivering, de hoeveelheid en de afvoerwijze van de vaste restanten;
de vaststelling en omschrijving van een onregelmatigheid en de genomen herstelmaatregelen.

 


Hoofdstuk 5.6.
Brandstoffen en brandbare vloeistoffen


Afdeling 5.6.1.
Brandbare vloeistoffen


Subafdeling 5.6.1.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.6.1.1.1.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op de opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen zoals ingedeeld in rubriek 6.4 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De kortstondige opslag samenhangend met het vervoer over de weg, per spoor, over binnenwateren of zeewateren of door de lucht, met inbegrip van laden en lossen en de overbrenging naar of van een andere tak van vervoer in havens, op kaden of in spoorwegemplacementen is niet onderworpen aan de voorschriften van dit besluit.

 

Wanneer de vloeistoffen, vermeld in dit besluit, echter worden opgeslagen in opslagplaatsen die gelegen zijn in havens, langs kaden of spoorwegemplacementen en die bestemd zijn om regelmatig dergelijke vloeistoffen kortstondig op te slaan, dan zijn deze opslagplaatsen wel onderworpen aan de voorschriften van dit besluit.


Art. 5.6.1.1.2. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de exploitatie van een tankenpark verboden in een waterwingebied of een beschermingszone type I, II of III.

Art. 5.6.1.1.3.

§ 1.

De dichtheid van de leidingen, de koppelingen, de kranen en de toebehoren is verzekerd. Zij worden op een doeltreffende manier tegen corrosie beschermd.

 

§ 2.

De niet-toegankelijke leidingen worden aangelegd in een met fijnkorrelig inert materiaal aangevulde greppel. Deze greppel is vloeistofdicht en helt af naar een vloeistofdichte opvangput.

 

Dit systeem mag vervangen worden door een alternatief systeem dat naar voorkoming van bodem- of grondwaterverontreiniging dezelfde waarborgen biedt als dit systeem. Het alternatief systeem dient te worden aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige. Dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder. Een kopie van het attest wordt door de exploitant bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.


Art. 5.6.1.1.4.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van verdere bepalingen, worden de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om te vermijden dat producten met elkaar in contact komen waarbij:

gevaarlijke chemische reacties kunnen plaatsvinden; 
producten met elkaar kunnen reageren onder vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen en dampen;
producten samen ontploffingen of branden kunnen veroorzaken.

      

 

§ 2.

Als in de inrichting naast brandbare vloeistoffen ook gevaarlijke producten ingedeeld in rubriek 17 worden opgeslagen, wordt de opslagplaats verdeeld in verschillende compartimenten volgens bijlage 5.6.1.

 

Deze compartimenten worden aangegeven door middel van wanden, veiligheidsschermen, markeringen op de grond, kettingen of vaste afbakeningen op 1 m hoogte.

 

§ 3.

Ten opzichte van bovengrondse compartimenten voor de opslag van brandbare vloeistoffen en gevaarlijke producten worden minimale scheidingsafstanden gerespecteerd zoals vermeld in bijlage 5.6.1.

 

§ 4.

De afstanden, vermeld in paragraaf 3, mogen verminderd worden door de constructie van een veiligheidsscherm, op voorwaarde dat de afstand, die horizontaal omheen dit scherm wordt gemeten, tussen het beschouwde compartiment en de elementen, vermeld in bijlage 5.6.1, minstens gelijk is aan de minimale scheidingsafstanden, vermeld in paragraaf 3.

 

Het veiligheidsscherm is ofwel van metselwerk met een dikte van ten minste 18 cm, ofwel van beton met een dikte van ten minste 10 cm, ofwel van enig ander materiaal met een zodanige dikte dat een equivalente brandweerstandscoëfficiënt verkregen wordt. Het scherm heeft een hoogte van minimaal 2 m en overschrijdt de maximale hoogte van de opgeslagen recipiënten of houders met minimaal 0,5 m.

 

§ 5.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden afgeweken van voormelde minimale scheidingsafstanden tussen brandbare vloeistoffen en gevaarlijke producten onderling:

ofwel door toepassing van een code van goede praktijk aangaande scheidingsafstanden tussen gevaarlijke producten;
ofwel en inzonderheid steunend op de resultaten van het veiligheidsrapport of op basis van een risicoanalyse opgesteld door een VR-deskundige.

 

§ 6.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn de scheidingsafstanden niet van toepassing op:

1°  de producten opgeslagen in laboratoria; 
2°  de producten waarvan de totale opslagcapaciteit per opslagplaats lager is dan de ondergrens vermeld in rubriek 6.4.1;
3°  opslagplaatsen voor maximaal 5000 liter brandbare vloeistoffen in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter binnen de inrichting.

 

§ 7.

In de opslagplaatsen en in de zones die begrensd zijn door de scheidingsafstanden of veiligheidsschermen, vermeld in bijlage 5.6.1, is het verboden enige fabricatie- of andere behandelingsoperatie uit te voeren die geen betrekking heeft op de opslag en overslag van de producten.

 

 

§ 8.

De producten mogen niet buiten de opslagruimte, die daartoe bestemd is, worden opgeslagen. De verplaatsbare lege gecontamineerde recipiënten die gevaarlijke producten hebben bevat, worden opgeslagen op een plaats, die hiervoor voorbehouden is en die duidelijk is aangegeven.


Art. 5.6.1.1.5.

§ 1.

De verwarming van de lokalen waar brandbare vloeistoffen worden opgeslagen, mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om brandrisico te voorkomen.

 

§ 2.

In de lokalen waar brandbare vloeistoffen worden opgeslagen:

mogen geen werkzaamheden worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken, tenzij voor onderhouds- of herstellingswerken op voorwaarde dat hiervoor de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen en mits schriftelijke instructies, opgesteld of geviseerd door de preventieadviseur of door de exploitant;
is het verboden te roken; dit rookverbod wordt in goed leesbare letters of met reglementaire pictogrammen op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt; de verplichting tot het aanbrengen van het voorgeschreven pictogram "rookverbod" is niet van toepassing als dit pictogram is aangebracht bij de ingang van het bedrijf en als dit vuur- en rookverbod geldt voor het hele bedrijf;
zijn de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en uitwasemingen van onbrandbare of zelfdovende materialen.

 

 

§ 3.

Het is verboden:

te roken, vuur te maken of brandbare stoffen op te slaan boven of nabij de houders, bij de pompen, de leidingen, de verdeelzuilen, de vulplaatsen en de losplaats voor de tankwagen binnen de grenzen van de gezoneerde plaatsen zoals weergegeven in het zoneringsplan, bepaald volgens het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties;
op de plaatsen niet toegankelijk voor het publiek, schoenen of klederen te dragen die aanleiding tot vonkoverslag kunnen geven;

 

§ 4.

De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 3, worden verduidelijkt aan de hand van reglementaire veiligheidspictogrammen, voor zover zij beschikbaar zijn.


Art. 5.6.1.1.6.

§ 1.

De elektrische installaties, toestellen en verlichtingstoestellen beantwoorden aan de voorschriften van de Codex voor het Welzijn op het Werk en van het AREI (Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties), in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan.

 

§ 2.

Met behoud van de toepassing van de reglementaire bepalingen, worden de elektrische installaties in zones waar gevaar bestaat voor brand en ontploffing door de toevallige aanwezigheid van een ontplofbaar mengsel, ontworpen en uitgevoerd volgens de vereisten van een zoneringsplan.

 

§ 3.

Voor installaties waarop het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties nog niet van toepassing is, geschiedt de zone-indeling overeenkomstig artikel 105 van dit Algemeen Reglement.


Art. 5.6.1.1.7.

§ 1.

De exploitant van een inrichting, die ingedeeld is in klasse 1, houdt een register of een alternatieve informatiedrager bij waarin ten minste de aard en de hoeveelheden van de opgeslagen brandbare vloeistoffen worden vermeld.

 

Deze gegevens worden zo opgeslagen dat het mogelijk is om op elk ogenblik de in het bedrijf aanwezige hoeveelheden brandbare vloeistoffen te bepalen.

 

§ 2.

Het register of de alternatieve informatiedrager, vermeld in paragraaf 1, wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van ten minste 1 maand.


Art. 5.6.1.1.8.

De personen tewerkgesteld in de inrichting zijn op de hoogte van de aard en de gevaaraspecten van de opgeslagen brandbare vloeistoffen en van de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden.

 

De exploitant moet kunnen aantonen dat hij hiertoe de nodige en actuele instructies heeft verstrekt.

 

Ten minste éénmaal per jaar worden deze instructies door de exploitant geëvalueerd.

 


Art. 5.6.1.1.9.

§ 1.

Er worden maatregelen getroffen om een effectief toezicht over de verschillende lokalen en opslagplaatsen van de inrichting te verzekeren.

 

§ 2.

De gebouwen, houders, indijkingen, toestellen, en dergelijke, worden in volmaakte staat van onderhoud behouden. Elke gebrekkigheid die de bescherming van mens en milieu in het gedrang brengt, moet onverwijld worden verholpen.


Art. 5.6.1.1.10.

Met betrekking tot het vullen van de vaste houders en tankwagens gelden de volgende regels:

 

1°  de nodige maatregelen worden getroffen om het morsen van brandbare vloeistoffen en verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen; 
de soepele slang, die dient voor het bevoorraden, wordt door een toestel met schroefkoppeling of een gelijkwaardig systeem met de opening van de houder of van de kanalisatie verbonden;
elke vulverrichting gebeurt onder het toezicht van de exploitant of zijn aangestelde; dit toezicht wordt zo georganiseerd dat de vuloperatie kan gecontroleerd worden en in geval van een incident onverwijld kan worden ingegrepen;

om overvulling te voorkomen wordt bij de vaste houders een overvulbeveiliging voorzien, zijnde:

  a) ofwel een waarschuwingssysteem, waarbij een akoestisch signaal, dat steeds op de vulplaats hoorbaar moet zijn voor de leverancier en deze verwittigt zodra de te vullen houder voor 95% is gevuld; dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn;
  b) ofwel een beveiligingssysteem, waarbij de vloeistoftoevoer automatisch wordt afgesloten zodra de te vullen houder voor maximum 98% is gevuld; dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn; 

bij opslagplaatsen die deel uitmaken van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen moet het beveiligingssysteem, vermeld in b), worden voorzien;  

5°  elke houder wordt voorzien van een mogelijkheid tot peilmeting;
de standplaats van de tankwagen, de zones waar de vulmonden van de vulleidingen gegroepeerd zijn en de vulzones bij de verdeelinstallatie bevinden zich steeds op het terrein van de inrichting en zijn:
  a) voldoende draagkrachtig en vloeistofdicht; 
  b) voorzien van de nodige hellingen en eventueel opstaande randen, zodat alle gemorste vloeistoffen afvloeien naar een opvangsysteem; de verwijdering van de opgevangen vloeistoffen gebeurt overeenkomstig de reglementaire bepalingen, inzonderheid inzake de verwijdering van afvalstoffen;

Dit punt is niet van toepassing voor opslagplaatsen uitsluitend bestemd voor de verwarming van gebouwen.  

Dit punt is evenmin van toepassing op opslagplaatsen van brandbare vloeistoffen die in klasse 3 zijn ingedeeld;

afdoende maatregelen worden getroffen voor het handhaven van de opslag bij atmosferische druk;
Het ondergronds verluchtings- en dampterugvoerleidingwerk voldoet aan dezelfde eisen als het overige leidingwerk; het bovengronds geïnstalleerd verluchtingsleidingwerk is bovendien mechanisch voldoende sterk;
het is verboden een houder te vullen met een andere vloeistof dan deze waarvoor de houder is ontworpen, tenzij na onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige is bewezen dat hij hiervoor geschikt is.

Art. 5.6.1.1.11.

De overvulbeveiliging zoals beschreven in bijlage 5.17.7 moet worden vervaardigd overeenkomstig een code van goede praktijk, aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

De controle op de bouw wordt uitgevoerd overeenkomstig de gekozen code van goede praktijk, door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

De controle op de bouw voor in serie vervaardigde overvulbeveiligingen mag worden beperkt tot één prototypekeuring. De prototypekeuring wordt uitgevoerd volgens bijlage 5.17.7 door een voormelde milieudeskundige. Het verslag van de keuring vermeldt de uitgevoerde controles en wordt ondertekend door voormelde deskundige.

 

De exploitant beschikt voor elke overvulbeveiliging over een attest dat door de constructeur is ondertekend. Dit attest vermeldt het nummer van het prototype-keuringsattest en ook de milieudeskundige (en zijn erkenningsnummer) die het keuringsattest heeft afgeleverd. Tevens bevestigt de constructeur in het attest dat de overvulbeveiliging gebouwd en gecontroleerd werd overeenkomstig dit besluit.


Art. 5.6.1.1.12. De exploitant beschikt aangaande de bouwbewijzen, keuringen en beproevingen die door deze afdeling zijn voorgeschreven, over attesten waarin de gebruikte codes van goede praktijk, de uitgevoerde controles en de relevante vaststellingen duidelijk vermeld zijn. Hij houdt de vermelde attesten steeds ter beschikking van de toezichthouder.

Art. 5.6.1.1.13. Met behoud van de toepassing van dit hoofdstuk, gebeurt het transport, de plaatsing en de aansluiting van houders volgens de geldende Belgische of Europese normen.

Subafdeling 5.6.1.2.
Opslag van brandbare vloeistoffen in ondergrondse houders


Art. 5.6.1.2.1.

§ 1.

De vereiste maatregelen worden getroffen om de houders maximaal tegen mechanische beschadiging en corrosie te beschermen.

 

§ 2.

De afstand tussen de houder en de grenzen van de percelen van derden bedraagt ten minste drie meter. De afstand tussen de houder en de kelderruimte van eigen bedrijfsgebouwen, bedraagt ten minste twee meter. De afstand tussen de houder en de muur van eigen bedrijfsgebouwen bedraagt ten minste 0,75 meter. De onderlinge afstand tussen de houders bedraagt ten minste 0,5 meter.

 

De afstand tussen de houder voor brandbare vloeistoffen die geen deel uitmaken van een verdeelinstallatie, en de grenzen van de percelen van derden bedraagt ten minste 1 meter.

 

§ 3.

Bij gevaar voor overstroming of hoge waterstand worden de nodige voorzieningen aangebracht om te beletten dat de ledige houders zouden worden opgelicht.


Art. 5.6.1.2.2.

§ 1.

Op een duidelijk zichtbare en goed bereikbare plaats bij de houder, wordt een kenplaat aangebracht overeenkomstig bijlage 5.17.2.

 

§ 2.

Nabij de vulopening en nabij het mangat worden de volgende aanduidingen duidelijk en leesbaar aangebracht:

het nummer van de houder;
de naam of de codenummers of -letters van de opgeslagen brandbare vloeistof;
het waterinhoudsvermogen van de houder.

   

Deze paragraaf is niet van toepassing op opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen die uitsluitend bestemd zijn voor de verwarming van gebouwen.


Art. 5.6.1.2.3.

§ 1.

De ontluchtingsleiding mondt uit in de open lucht op ten minste drie meter hoogte boven het maaiveld en op minstens drie meter van elke opening in een lokaal en de grenzen van de percelen van derden.

 

De plaatsing van de monding van ontluchtingspijpen onder constructiegedeelten, zoals bijvoorbeeld dakoversteken, is verboden.

 

§ 2.

Paragraaf 1 is niet van toepassing op de ontluchtingsleidingen behorende bij opslagplaatsen van brandbare vloeistoffen die geen deel uitmaken van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen. Voor deze opslagplaatsen wordt er voor gezorgd dat door de plaatsing en de hoogte waarop de ontluchtingsleidingen uitmonden de buurt niet overdreven gehinderd wordt, meer in het bijzonder ten gevolge van het vullen van de houders.


Art. 5.6.1.2.4.

§ 1.

De opslag in rechtstreeks in de grond ingegraven houders is alleen toegelaten in:

dubbelwandige metalen houders die vervaardigd zijn volgens de bepalingen, vermeld in bijlage 5.17.2;
houders uit gewapende thermo-hardende kunststoffen die vervaardigd zijn volgens de bepalingen, vermeld in bijlage 5.17.2;
houders uit roestvrij staal die vervaardigd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk die aanvaard is door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige;
een opslagsysteem dat naar voorkoming van bodem- of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen biedt als voormelde houders;

dit opslagsysteem moet worden aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder een kopie van het attest wordt door de exploitant bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

 

§ 2.

Alle houders zijn uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem. Deze verplichting geldt niet voor houders uit gewapende thermohardende kunststoffen of uit roestvrij staal die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen minder dan 10.000 l bedraagt.

 

Het lekdetectiesysteem voor nieuwe houders beantwoordt aan de overeenkomstige bepalingen van bijlage 5.17.3.

 

§ 3.

Vóór de plaatsing van een metalen houder met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 10.000 l, en de leidingen die erbij horen:

binnen een waterwingebied of een beschermingszone type I of II, of
in de omgeving van elektrische geleiders waar belangrijke zwerfstromen kunnen aanwezig zijn, wordt de corrosiviteit van de bodem en van de opvulgrond bepaald en gecategoriseerd door een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, volgens de werkwijzen, vermeld in bijlage 5.17.5.

 

De bepaling van de corrosiviteit mag niet geschieden onder extreme omstandigheden van droogte of bij vorst.

 

Van deze paragraaf mag afgezien worden als de corrosiviteit van de bodem en opvulgrond reeds werd bepaald tijdens de laatste vijf jaar of wanneer zonder voorafgaand bodemcorrosiviteitsonderzoek kathodische bescherming wordt aangebracht. Het aanbrengen van deze kathodische bescherming gebeurt onder toezicht van een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie.

 

§ 4.

Kathodische bescherming:

als het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 3, "corrosief" of "sterk corrosief" is, wordt kathodische bescherming aangebracht;
als het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 3, "matig corrosief" is, mag er in eerste instantie voor geopteerd worden geen kathodische bescherming te plaatsen. In dit geval dient een corrosiemonitoring aan de hand van een permanente of periodieke potentiaalmeting uitgevoerd te worden; bij een potentiaalmeting meer positief dan -500 mV ten opzichte van een Cu/CuSO4 referentie-elektrode, wijzend op mogelijke corrosie of zwerfstromen, wordt kathodische bescherming aangebracht;
als het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 3, "weinig corrosief" is en de houder is adequaat bekleed, is kathodische bescherming niet noodzakelijk.

 

De kathodische bescherming brengt het gehele oppervlak van de houder, met inbegrip van de metalen leidingen (indien nodig), op een potentiaal van -850 mV of een grotere negatieve waarde gemeten ten opzichte van een Cu/CuSO4 referentie-elektrode. In anaërobe gronden bedraagt deze potentiaal ten minste -950 mV.

 

 

§ 5.

De houders worden met een laag aarde, zand of een ander aangepast inert materiaal van ten minste 50 cm dik, bedekt.

 

Er worden maatregelen getroffen om de doorgang van voertuigen of het opslaan van vrachten boven de houders te beletten, tenzij deze door een niet-brandbare en voldoende weerstand biedende vloer worden beschut.


Art. 5.6.1.2.5.

§ 1.

De opslag in houders geplaatst in een groeve is alleen toegelaten in:

enkel- of dubbelwandige metalen houders die vervaardigd zijn volgens de bepalingen, vermeld in bijlage 5.17.2; 
houders uit gewapende thermohardende kunststoffen die vervaardigd zijn volgens de bepalingen, vermeld in bijlage 5.17.2; 
houders uit roestvrij staal die vervaardigd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk die aanvaard is door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of een bevoegd deskundige;
een opslagsysteem dat naar voorkoming van bodem- of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen biedt als voormelde houders; dit opslagsysteem wordt aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder; een kopie van het attest wordt door de exploitant bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

 

§ 2.

Alle houders worden uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem. Deze verplichting geldt niet voor houders uit gewapende thermohardende kunststoffen of uit roestvrij staal die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individuele waterinhoudsvermogen minder dan 10.000 l bedraagt.

 

Het lekdetectiesysteem beantwoordt aan bijlage 5.17.3.

 

§ 3.

De groeve wordt gebouwd volgens bijlage 5.17.6. De wanden mogen niet raken aan gemeenschappelijke eigendomsmuren.

 

§ 4.

In het laagste punt van de groeve worden de nodige voorzieningen aangebracht om eventuele lekvloeistof of water te kunnen vaststellen en verwijderen.

 

§ 5.

Het is verboden aan de groeve een andere bestemming te geven dan die voor de opslagruimte van de houders. Enkel de leidingen vereist voor de exploitatie van de erin geplaatste houders mogen doorheen de groeve worden gevoerd.

 

§ 6.

Als de houder een inhoud heeft die groter is dan 2000 l is er rondom de houder een vrije ruimte van ten minste 50 cm breed om het onderzoek van de houder mogelijk te maken.

 

§ 7.

Er worden maatregelen getroffen om de doorgang van voertuigen of het opslaan van vrachten boven de groeve te beletten, tenzij deze door een niet-brandbare en voldoende weerstand biedende vloer worden beschut.

 

§ 8.

Een prefabconstructie, bestaande uit een betonnen cilindrische houder waarin een enkelwandige metalen houder is geplaatst, is alleen toegelaten voor de opslag van brandbare vloeistoffen bestemd voor de verwarming van gebouwen met een waterinhoudsvermogen van maximaal 5300 l en mits de metalen houder en de prefab betonnen cilindrische houder worden gebouwd volgens een prototype, aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige.


Art. 5.6.1.2.6.

§ 1.

De controle op de bouw gebeurt overeenkomstig bijlage 5.17.2.

 

De controle van afzonderlijk gebouwde houders wordt uitgevoerd door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige.

 

De controle van in serie gebouwde houders mag beperkt worden tot één prototype. De prototypekeuring wordt uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen waarvan de erkenning toelaat prototypekeuringen uit te voeren.

 

Het verslag van deze keuring vermeldt de uitgevoerde controles en wordt ondertekend door voormelde deskundige

 

§ 2.

De exploitant beschikt voor elke houder over een "verklaring van conformiteit van de houder", die ondertekend is door door de constructeur en opgemaakt is overeenkomstig het modelformulier in bijlage 5.17.2.

De houders zijn voorzien van de kenplaat die door de constructeur is aangebracht.


Art. 5.6.1.2.7.

Vóór het plaatsen van de houder, hetzij rechtstreeks in de grond, hetzij in een groeve, wordt gecontroleerd of de houder en in voorkomend geval ook de groeve, beantwoorden aan de voorschriften van dit besluit.

 

Na de installatie, maar vóór de ingebruikname van de houder, wordt gecontroleerd of de houder, de leidingen en de toebehoren, het waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling, het lekdetectiesysteem en, in voorkomend geval, de kathodische bescherming en de aanwezige voorzieningen ten behoeve van damprecuperatie, voldoen aan de voorschriften van dit besluit.

 

Voormelde controles worden uitgevoerd onder toezicht van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of een bevoegd deskundige of voor de opslag brandbare vloeistoffen, bestemd voor de verwarming van gebouwen van een erkend technicus. De controle van de eventuele kathodische bescherming gebeurt in samenwerking met een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie.


Art. 5.6.1.2.8.

§ 1.

Ten minste om het jaar voor de houders gelegen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones en om de twee jaar voor de houders gelegen in de andere gebieden, wordt de installatie onderworpen aan een beperkt onderzoek, omvattende indien relevant:

de inzage van het vorig rapport of attest; 

de controle op de goede staat van de overvulbeveiliging;

de controle op de aanwezigheid van water en slib in de enkelwandige houder voor vloeibare brandstoffen (bijlage 5.17.4),voor zover mogelijk en zonder dat de houder daarvoor dient blootgelegd. Bij materiële onmogelijkheid deze controle uit te voeren, wordt een dichtheidsbeproeving, conform artikel 5.6.1.2.8, §2, 5°, uitgevoerd;
een onderzoek naar zichtbare of organoleptisch waarneembare verontreiniging aan de oppervlakte buiten de houder (bijlage 5.17.4); 
een onderzoek van de staat van de uitwendige zichtbare delen van de houder, de afsluiters, leidingen, pompen, en andere;
de controle op de doeltreffendheid van de eventuele aanwezige kathodische bescherming of corrosiemonitoring;
de controle op de doeltreffendheid van het lekdetectiesysteem;
een dichtheidsbeproeving conform punt 5° van paragraaf 2 van dit artikel op de houders, vermeld in artikel 5.6.1.2.11, §4.

 

 

 

§ 2.

Behalve voor houders uit gewapende thermohardende kunststoffen wordt ten minste om de tien jaar, voor de houders gelegen in de waterwingebieden en de beschermingszones, en om de vijftien jaar voor de houders gelegen in de andere gebieden, de installatie onderworpen aan een algemeen onderzoek, omvattende:

het beperkt onderzoek, vermeld in paragraaf 1;
de staat van de binnenwand bij een vastgestelde belangrijke aanwezigheid van water of slib; als een inwendige inspectie vereist is, wordt de houder inwendig gereinigd; voor zover technisch mogelijk, worden de binnenwand en de inwendige delen van de houder onderzocht en wordt waar nodig een niet-destructief onderzoek uitgevoerd om de wanddikte van de houder te bepalen; 
de staat van de buitenbekleding, voor zover technisch mogelijk en zonder dat de houder daarvoor dient blootgelegd; 
 in voorkomend geval, met name de situatie als vermeld in artikel 5.6.1.2.4, §3, de detectie van eventueel optredende corrosie aan de hand van een potentiaalmeting en een meting van de corrosiviteit van de aanpalende bodem;
een dichtheidsbeproeving op rechtstreeks in de grond ingegraven enkelwandige houders bij een overdruk van minstens 30 kPa gedurende minimum 1 uur of bij een onderdruk van hoogstens 30 kPa; beproeving bij een overdruk van meer dan 30 kPa mag enkel geschieden indien de houders daartoe volledig worden gevuld met water; niet toegankelijke enkelwandige leidingen worden beproefd bij een overdruk van tenminste 30 kPa gedurende 1 uur of bij een onderdruk van ten hoogste 30 kPa; een gelijkwaardige beproeving, waarbij maximaal gezocht wordt naar het detecteren van niet-dichte tanks of het classificeren van tanks naargelang de kwaliteitstoestand, uitgevoerd overeenkomstig een code van goede praktijk, die aanvaard is door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, is eveneens toegelaten. 

 

 

 

§ 3.

Voor de houders gelegen buiten de waterwingebieden en de beschermingszones kan van deze termijn, vermeld in paragraaf 1 en 2, afgeweken worden bij gebruik van een controlemethode die toelaat de kwaliteit en de levensduur in te schatten van de tank. De erkenning van laatstgenoemde controlemethode en de bijhorende criteria om de maximale termijn voor de hercontrole te bepalen, gebeurt door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en bijkomend wordt aangetoond dat deze controlemethode als basis dient voor het voorkomen van de milieuschade die kan ontstaan vanaf de eerste controle met dit systeem.

 

§ 4.

De periodieke onderzoeken, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor opslagplaatsen van brandbare vloeistoffen, bestemd voor de verwarming van gebouwen, door een erkende stookolietechnicus.

 

De controle met betrekking tot corrosie en kathodische bescherming gebeurt in samenwerking met een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie.


Art. 5.6.1.2.9.

Naar aanleiding van de controle, vermeld in artikel 5.6.1.2.7, bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.6.1.2.8, stelt de deskundige of de erkende stookolietechnicus een attest op waaruit ondubbelzinnig blijkt of de houder en de installatie al dan niet voldoen aan de voorschriften van dit besluit. Voormeld conformiteitsattest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of erkende stookolietechnicus, die het onderzoek heeft uitgevoerd.

 

Zij brengen op de vulleiding een duidelijk zichtbare en leesbare klever of plaat aan, waarop zijn erkenningsnummer, het jaartal en de maand van hetzij de controle bij de plaatsing, hetzij de laatst uitgevoerde controle en van de volgende uit te voeren controle vermeld zijn.

 

De klever of plaat heeft de volgende kleur:

groen, als de houder en de installatie voldoen aan dit besluit; 
oranje, als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit, doch de vastgestelde gebreken geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder;
rood, als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of aanleiding hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder of als, volgend op een periode van maximaal zes maanden met oranje label of plaat, nog altijd dezelfde gebreken aan de houder en de installatie worden vastgesteld.

Art. 5.6.1.2.10.

Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een groene klever of plaat, vermeld in artikel 5.6.1.2.9, mogen worden gevuld, bijgevuld en geëxploiteerd.

 

Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een oranje klever of plaat, vermeld in artikel 5.6.1.2.9, mogen nog worden gevuld of bijgevuld en geëxploiteerd tijdens een overgangsperiode van maximum zes maanden die ingaat de eerste van de maand volgend op de maand vermeld op de bedoelde oranje klever of plaat. In dit geval wordt een nieuwe controle uitgevoerd vóór het verstrijken van voormelde termijn.

 

Het verlenen van een oranje klever of plaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje klever of plaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit reglement, gevolgd door een groene of rode klever.

 

In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.

 

Het is verboden houders waarvan de vulleiding voorzien is van een rode klever of plaat, vermeld in artikel 5.6.1.2.9, te vullen of te laten vullen. De exploitant treft alle nodige maatregelen, overeenkomstig het attest van de erkende milieudeskundige, bevoegd deskundige of stookolietechnicus, om de opslaginstallatie terug in goede staat te brengen waarna de opslaginstallatie terug aan een controle wordt onderworpen. Binnen veertien dagen nadat een rode klever of plaat aangebracht werd, maakt de exploitant of op zijn verzoek de erkende milieudeskundige, bevoegde deskundige of de stookolietechnicus hiervan melding bij de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor grondwater.

 

Het is eveneens verboden houders waarvan de vulleiding niet voorzien is van een klever of plaat, vermeld in artikel 5.6.1.2.9, te vullen of te laten vullen.

 

 


Art. 5.6.1.2.11.

§ 1.

Als bestaande houders voor de opslag van brandbare vloeistoffen worden beschouwd:

houders waarvan de exploitatie is vergund op 1 januari 1993 of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid; 
houders die op 1 september 1991 reeds in gebruik waren genomen en niet in toepassing van titel I van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming als gevaarlijk, ongezond of hinderlijke inrichting waren ingedeeld;
houders waarvoor vóór 1 juli 1993 de melding is geschied overeenkomstig titel I van het VLAREM.

 

Deze houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

De afstands- en verbodsregels alsmede de bepalingen van deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen en het vulpunt zijn niet van toepassing op bestaande houders.

 

§ 3.

Het algemeen onderzoek, vermeld in artikel 5.6.1.2.8, §2, wordt een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op de data vermeld in onderstaande tabel, afhankelijk van de ligging en de klasse.

 

product

klasse

ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones

 

 

binnen

buiten

Brandbare vloeistoffen

1, 2

1 augustus 1997

1 augustus 1999

Brandbare vloeistoffen

3

1 augustus 1998

1 augustus 2000

 

In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in werking worden gehouden.

 

Voor dezelfde data wordt een corrosiviteitsonderzoek overeenkomstig artikel 5.6.1.2.4, §3, uitgevoerd op de volgende ingegraven metalen houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 10.000 l evenals de leidingen die erbij horen:

enkelwandige houders; 
dubbelwandige houders binnen een waterwingebied of een beschermingszone type I en II;
dubbelwandige houders binnen de omgeving van elektrische geleiders waar belangrijke zwerfstromen aanwezig kunnen zijn.

 

Vanaf de datum van het eerste algemeen onderzoek worden de periodieke onderzoeken uitgevoerd volgens artikel 5.6.1.2.8 en 5.6.1.2.9.

 

§ 4.

Met behoud van de toepassing van de bijzondere voorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn opgelegd, zijn de bestaande houders uiterlijk op de data vermeld in onderstaande tabel uitgerust met:

een waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling dat voldoet aan bijlage 5.17.7; 
een lekdetectie die voldoet aan bijlage 5.17.3;
een kathodische bescherming die voldoet aan deze afdeling ;

 

 

 

product

klasse

ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones

 

 

binnen

buiten

Brandbare vloeistoffen

1, 2

1 augustus 1998

1 augustus 2000

Brandbare vloeistoffen

3

1 augustus 1999

1 augustus 2001

 

§ 5.

Voor bestaande houders voor opslag van brandbare vloeistoffen die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen minder dan 5000 liter bedraagt, is het niet verplicht om de houder uit te rusten met een lekdetectie.

 

De lekdetectie is evenmin verplicht voor houders die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen minder dan 10.000 liter bedraagt.

 

§ 6.

Bij vervanging van houders, vermeld in paragraaf 1, voldoet de nieuwe houder aan alle voorschriften van dit besluit, behalve voor wat betreft de afstandsregels.


Art. 5.6.1.2.12.

§ 1.

Voor ondergrondse houders waarin brandbare vloeistoffen in opslag zijn, die voor 1 juni 2015 niet ingedeeld waren en vanaf diezelfde datum ingedeeld worden in rubriek 6.4 van de indelingslijst, zijn de afstands- en verbodsregels en de scheidingsafstanden alsmede de bepalingen van deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen, het vulpunt en de vulplaats niet van toepassing.

 

Het algemeen onderzoek als vermeld in artikel 5.6.1.2.8, §2 wordt een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op 1 juni 2016 voor houders gelegen binnen waterwingebied of beschermingszones en op 1 juni 2018 voor houders gelegen buiten waterwingebied of beschermingszones.

In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in gebruik worden gehouden.

 

Voor dezelfde data wordt een corrosiviteitsonderzoek conform artikel 5.6.1.2.4, §3, uitgevoerd op de volgende ingegraven metalen houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 10.000 l evenals de leidingen die erbij horen:

enkelwandige houders;
 dubbelwandige houders binnen een waterwingebied of een beschermingszone type I en II;
dubbelwandige houders binnen de omgeving van elektrische geleiders waar belangrijke zwerfstromen aanwezig kunnen zijn.

 

Vanaf de datum van het eerste algemeen onderzoek worden de periodieke onderzoeken uitgevoerd conform artikel 5.6.1.2.8. en 5.6.1.2.9.

 

§ 2.

De houders, vermeld in paragraaf 1, zijn uiterlijk op 1 juni 2016 indien gelegen binnen waterwingebied of beschermingszones en 1 juni 2018 indien gelegen buiten waterwingebied of beschermingszones uitgerust met:

het waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling dat voldoet aan de bepalingen, vermeld in bijlage 5.17.7; 
de lekdetectie die voldoet aan de bepalingen, vermeld in bijlage 5.17.3;
de kathodische bescherming die voldoet aan subafdeling 5.6.1.2.

 

 

§ 3.

Voor houders, vermeld in paragraaf 1, die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen minder dan 5000 liter bedraagt, is het niet verplicht om de houder uit te rusten met een lekdetectie.

 

De lekdetectie is evenmin verplicht voor houders, vermeld in paragraaf 1, die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen minder dan 10.000 liter bedraagt.

 

§ 4.

Bij vervanging van de houders, vermeld in paragraaf 1, voldoet de nieuwe houder aan alle voorschriften van deze afdeling, behalve voor wat betreft de afstands- en verbodsregels en de scheidingsafstanden.

 

§ 5.

De houders, vermeld in paragraaf 1, worden bij de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geacht bestaande houders te zijn zoals vermeld in artikel 5.6.1.2.11, §1, tweede lid.

 

§ 6.

Voor ondergrondse houders waarvoor de opslag van brandbare vloeistoffen op 1 juni 2015 was vergund, of waarvoor vóór 1 juni 2015 een vergunningsaanvraag of mededeling kleine verandering is ingediend, met als voorwerp rubriek 17.2 of 17.3 van de indelingslijst zoals deze van toepassing was vóór 1 juni 2015 en waarvoor de opslag van brandbare vloeistoffen vanaf 1 juni 2015 ingedeeld is in rubriek 6.4, en vanaf deze datum aan strengere voorwaarden worden onderworpen, gelden, met behoud van de toepassing van bijzondere voorwaarden, die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn opgelegd, ten aanzien van de strengere voorwaarden, dezelfde overgangsbepalingen als voor de houders, vermeld in paragraaf 1.  


Art. 5.6.1.2.13.

§ 1.

Als lekken worden vastgesteld, treft de exploitant alle nodige maatregelen om explosiegevaar te voorkomen en verdere bodem- en grondwaterverontreiniging zoveel mogelijk te beperken.

 

§ 2.

Na vakkundige herstelling mag de houder slechts opnieuw in gebruik worden genomen nadat deze een geslaagde dichtheidsbeproeving, als vermeld in artikel 5.6.1.2.8, heeft ondergaan en een attest werd afgeleverd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor de opslag van brandbare vloeistoffen bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkende stookolietechnicus. Hieruit moet ondubbelzinnig blijken dat de houder en de installatie voldoen aan de voorschriften van dit besluit.

 

§ 3.

Bij definitieve buitengebruikstelling van houders, al dan niet wegens lekken, wordt binnen een termijn van 36 maanden de houder geledigd, gereinigd en verwijderd met behoud van de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

Bij materiële onmogelijkheid om de houder te verwijderen, wordt binnen dezelfde termijn, in overleg met een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, met een bevoegd deskundige of voor de opslag van brandbare vloeistoffen bestemd voor de verwarming van gebouwen met een erkende stookolietechnicus, de houder geledigd, gereinigd en gevuld met zand, schuim of een gelijkwaardig inert materiaal. Hierbij worden de nodige maatregelen inzake explosiebeveiliging en voorkoming van grondwaterverontreiniging getroffen.

Vanaf 1 juni 2015 stelt de deskundige of de erkende stookolietechnicus naar aanleiding van de buitengebruikstelling van de houder een attest op waaruit ondubbelzinnig moet blijken dat de buitengebruikstelling werd uitgevoerd volgens de regels van het vak. Dit attest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of de erkende stookolietechnicus.


Subafdeling 5.6.1.3.
Opslag van brandbare vloeistoffen in bovengrondse houders


Art. 5.6.1.3.1.

De houders worden in of boven een inkuiping geplaatst teneinde brandverspreiding, bodem- of grondwaterverontreiniging te voorkomen. Gelijkwaardige opvangsystemen kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegelaten.

 

Voor dubbelwandige houders, uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem geldt deze verplichting niet.


Art. 5.6.1.3.2.

De vaste houders worden gebouwd volgens bijlage 5.17.2.


Art. 5.6.1.3.3.

§ 1.

De controle op de bouw van vaste houders gebeurt overeenkomstig de bijlage 5.17.2.

 

De controle van afzonderlijk gebouwde houders wordt uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige.

 

De controle van in serie gebouwde houders mag beperkt worden tot één prototype; de prototypekeuring wordt uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen waarvan de erkenning toelaat prototypekeuringen uit te voeren.

 

Het verslag van deze keuring vermeldt de uitgevoerde controles en wordt ondertekend door voormelde deskundige.

 

§ 2.

De exploitant beschikt voor elke houder over een "verklaring van conformiteit van de houder", die ondertekend is door de constructeur en opgemaakt is overeenkomstig het modelformulier in bijlage 5.17.2.

 

De houders zijn voorzien van de kenplaat die door de constructeur is aangebracht.


Art. 5.6.1.3.4.

Vóór het plaatsen van de vaste houder wordt gecontroleerd of de houder en de funderingen beantwoorden aan de voorschriften van dit besluit.

 

Na de installatie, maar vóór de in gebruikname van de houder, wordt gecontroleerd of de houder, de leidingen en de toebehoren, het waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling, de inkuiping en de brandbestrijdingsmiddelen en in voorkomend geval, het lekdetectiesysteem en de aanwezige voorzieningen ten behoeve van damprecuperatie voldoen aan de voorschriften van dit besluit.

 

Voormelde controles worden uitgevoerd onder toezicht van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of een bevoegd deskundige of voor de opslag van brandbare vloeistoffen, bestemd voor de verwarming van gebouwen, van een erkende stookolietechnicus.


Art. 5.6.1.3.5.

§ 1.

Op de vaste houder wordt op een zichtbare en goed bereikbare plaats een kenplaat aangebracht, overeenkomstig bijlage 5.17.2.

 

§ 2.

Nabij de vulopening en op een goed zichtbare plaats op de vaste houder worden de volgende aanduidingen duidelijk leesbaar aangebracht:

het nummer van de houder;
de naam of de codenummers of -letters van de opgeslagen brandbare vloeistof;
het waterinhoudsvermogen van de houder.

 

Deze paragraaf is niet van toepassing op opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen die uitsluitend bestemd zijn voor de verwarming van gebouwen.


Art. 5.6.1.3.6.

§ 1.

De inkuiping en de fundering voor vaste houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 10.000 l worden gebouwd volgens een code van goede praktijk onder het toezicht en volgens de richtlijnen van een architect, een burgerlijk ingenieur architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur of een industrieel ingenieur in de bouwkunde.

 

Voor in klasse 1 of 2 ingedeelde opslagplaatsen bevestigt voormelde deskundige in een attest dat hij de aangewende code van goede praktijk aanvaardt en dat deze werd nageleefd.

 

§ 2.

Vaste houders dienen op een steunblok of -vlak van voldoende afmetingen geplaatst te worden om te beletten dat de belasting ongelijke inzakkingen veroorzaakt, waaruit een gevaar voor kanteling of voor breuk zou kunnen ontstaan. Voor de opstelling van houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 50.000 l wordt een stabiliteitsstudie gemaakt door de deskundige, vermeld in paragraaf 1.

 

§ 3.

De inkuiping is bestand tegen de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen en is vloeistofdicht. De inkuiping heeft een voldoende sterkte om te weerstaan aan de vloeistofmassa die bij breuk uit de grootste in de inkuiping geplaatste houder kan ontsnappen.

 

De vloer is zodanig aangelegd dat de verspreiding van de lekvloeistoffen minimaal blijft en dat de lekvloeistoffen gemakkelijk kunnen worden verwijderd.

 

§ 4.

In geval de inkuiping wordt gemaakt van aarden afdammingen bestaan deze afdammingen uit zeer kleiachtige, vaste en stevig verdichte aarde, waarvan de hellingen maximaal 4/4 en de dikte op de bovenkant minstens 50 cm bedragen. De vloer mag uit dezelfde materialen worden vervaardigd. De dammen worden met gras bezaaid. Aan de basis mogen evenwel zorgvuldig berekende steunmuren van maximum 1 m hoogte, opgetrokken worden.

 

§ 5.

Het doorvoeren van leidingen doorheen de inkuiping is alleen toegelaten als de dichtheid van de inkuiping verzekerd blijft.

 

§ 6.

Als de inkuiping breder is dan 30 meter worden de reddingsladders of -trappen zo geplaatst dat een persoon die vlucht geen grotere afstand moet afleggen dan de halve breedte van de inkuiping plus 15 meter om een reddingsladder of -trap te bereiken.


Art. 5.6.1.3.7.

§ 1.

Voor opslagplaatsen in vaste houders of verplaatsbare recipiënten gelegen binnen een waterwingebied of beschermingszone, is de minimale capaciteit van de inkuiping gelijk aan het totale waterinhoudsvermogen van alle erin geplaatste houders of recipiënten.

 

§ 2.

Voor opslagplaatsen in vaste houders, gelegen buiten een waterwingebied of beschermingszone dient de minimale capaciteit van de inkuiping het waterinhoudsvermogen van de grootste houder te kunnen bevatten. Dubbelwandige houders uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem hoeven niet in rekening te worden gebracht.

 

Als uit een risicoanalyse van de exploitant blijkt dat producten in opgeslagen toestand over een voldoende hoge dynamische viscositeit (zoals bijvoorbeeld extra zware stookolie) beschikken, volstaat echter een opstaande rand.

 

Bij opslag van brandbare vloeistoffen samen met gevaarlijke vloeistoffen ingedeeld in rubriek 17 in één inkuiping worden de strengste voorschriften nageleefd.

 

§ 3.

Voor de opslagplaatsen gelegen buiten een waterwingebied of beschermingszone van brandbare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten mag de capaciteit van de inkuiping worden beperkt tot 10% van het totale waterinhoudsvermogen van de erin opgeslagen recipiënten. In ieder geval is de capaciteit van de inkuiping minstens gelijk aan het inhoudsvermogen van het grootste recipiënt geplaatst in de inkuiping.


Art. 5.6.1.3.8.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, bedraagt de afstand tussen de houders onderling ten minste 0,5 m en tussen de houders en de binnenwanden van de inkuiping of de onderkant van de dammen ten minste de helft van de hoogte van de houders.

 

Deze laatste verplichting vervalt:

bij opslag van gevaarlijke vloeistoffen in dubbelmantelhouders of houders met ringmantel of een gelijkwaardige afscherming, die er voor zorgt dat eventuele lekvloeistof binnen de inkuiping terechtkomt, of
bij opslag van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van meer dan 100 °C of extra zware stookolie, ongeacht het vlampunt, en een voldoende viscositeit waardoor de eventuele lekvloeistof binnen de inkuiping terechtkomt.

Art. 5.6.1.3.9.

§ 1.

De constructie van alle ruimten voor de behandeling van brandbare vloeistoffen is zodanig uitgevoerd dat accidenteel gemorste stoffen of lekvloeistoffen kunnen opgevangen worden.

 

§ 2.

De inhoud van een lekkende houder wordt onverwijld in een andere geschikte houder overgepompt of overgeladen. Gemorste vloeistoffen worden onverwijld geïmmobiliseerd en in een speciaal daartoe bestemd vat gebracht. In de inrichting zijn de nodige interventiemiddelen, zoals absorptie- en neutralisatiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, en dergelijke, aanwezig om in geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.

 

§ 3.

De opvanginrichtingen en de opvangputten worden regelmatig, en ten minste na elke calamiteit, geledigd. De verkregen afvalstroom wordt op een aangepaste manier verwijderd.


Art. 5.6.1.3.10.

Alle nodige maatregelen worden getroffen om het hemelwater dat zich eventueel in de inkuiping bevindt regelmatig te verwijderen.

 

Alvorens het hemelwater te verwijderen, verzekert de exploitant zich van de afwezigheid van het opgeslagen product in het water. Als het water opgeslagen producten bevat, treft hij alle maatregelen om verontreiniging van bodem, grond- of oppervlaktewater te voorkomen.


Art. 5.6.1.3.11.

§ 1.

In de omgeving van tankenparken gelegen binnen een waterwingebied of een beschermingszone worden op oordeelkundige wijze, in overleg met de lokale waterbedelingsmaatschappij of een milieudeskundige in de disciplines grondwater of bodem, waarnemingsbuizen (peilputten) aangebracht overeenkomstig bijlage 5.17.3, aangaande de detectie van lekken onder gas- of vloeistofvorm buiten de opslaghouder.

 

De waarnemingsbuizen (peilputten) bestaan uit een materiaal dat door de opgeslagen vloeistoffen niet kan worden aangetast.

 

De verbuizing is over de volledige lengte uitgevoerd als filterbuis; ze heeft een inwendige diameter van minimum 5 cm, reikt minimaal 1 m dieper dan het laagste niveau van de freatische grondwatertafel en is van boven afgedicht.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden ten minste drie waarnemingsbuizen aangebracht.

 

De uitvoeringsplannen en de boorverslagen zijn ter inzage van de toezichthouder.

 

§ 2.

Regelmatig controleert de exploitant in de peilputten het grondwater op de aanwezigheid van verontreiniging.

 

Voor tankenparken wordt, ten minste om de twee jaar, een grondwateronderzoek uitgevoerd, hetzij door de exploitant, met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een milieudeskundige in de discipline grondwater, hetzij door voormelde milieudeskundige zelf.


Art. 5.6.1.3.12.

De bereikbaarheid van het tankenpark wordt zodanig opgevat dat:

het verkeer in de zones waar redelijkerwijze brand- en ontploffingsgevaar bestaat tot een minimum wordt beperkt;
het tankenpark op een gemakkelijke wijze toegankelijk is;
een gemakkelijke toegang bestaat voor het interventiematerieel;
de voertuigen waarmee de producten worden af- of aangevoerd zich tijdens het laden of lossen, voorzover dit technisch mogelijk is, bevinden op een laad-losplaats gelegen buiten de reglementaire grootte van de rijbaan

     


Art. 5.6.1.3.13.

§ 1.

De exploitant van een tankenpark houdt op oordeelkundige plaatsen in de inrichting een dossier ter beschikking van de bevoegde brandweer met ten minste de volgende gegevens:

een plan van het tankenpark en de toegangswegen;
een beschrijving van de brandbestrijdingsmiddelen met aanduiding ervan op een plan;
een beschrijving van de opgeslagen producten met de voornaamste fysische en chemische eigenschappen (gevarenkaarten) met indien van toepassing de vermelding van de indeling volgens de CLP-verordening, van het UN- nummer en van de ADR-code;
het waterinhoudsvermogen van de houders;
de samenstelling van de eventuele eigen brandweerdienst.

    

Elke andere evenwaardige manier van informatieverstrekking is toegelaten mits het akkoord van de toezichthouder en van de bevoegde brandweer.

 


Art. 5.6.1.3.14.

§ 1.

Ten minste om de drie jaar, zonder dat de periode tussen twee opeenvolgende onderzoeken 40 maanden mag overschrijden, worden de installaties aan een beperkt onderzoek onderworpen.

 

Dit onderzoek omvat indien relevant:

 

de inzage van het vorig rapport of attest;  
de controle op de goede staat van de overvulbeveiliging;
een onderzoek naar zichtbare of organoleptisch waarneembare verontreiniging aan de oppervlakte buiten de houder volgens bijlage 5.17.4;
het onderzoek van de algemene staat van de installatie, omvattende
  a)  het opsporen van lekken en lekaanwijzingen;
  b)  het onderzoek van de staat van de platen, de verbindingen en de stompen van de houder;
  c)  het onderzoek van de staat van de toebehoren als: afsluiters, temperatuur-, druk-, niveaumeting en aarding;
  d)  het onderzoek van de drukbeveiligings- en alarmtoestellen;
  e)  het onderzoek van de staat van de buitenbekleding, hetzij de schildering of de isolatie;
  f)  het onderzoek van de funderingen of steunblokken met het oog op de stabiliteit en de afwatering;
  g)  het onderzoek van de inkuiping voor wat betreft inhoud, dichtheid, verontreiniging, peilputten;
  h)  het onderzoek van de staat van de leidingen en de toebehoren binnen de inkuiping.
     
 

Bovendien wordt voor verticale houders:

 

a) waar nodig, een niet-destructief onderzoek uitgevoerd op de mantel en de dakplaten van de houders om de plaatdikte en eventuele corrosie, zowel in- als uitwendig te bepalen;

 

b) op vraag van de milieudeskundige of de bevoegde deskundige de zetting bepaald, door de hoogte te meten van een aantal gelijkmatig over de omtrek van de bodemrand verdeelde punten.

 

 

 

 

h)

het onderzoek van de staat van de eventueel aanwezige emissiebeperkende maatregelen, met uitzondering van intern vlottende daken.

 

§ 2.

Ten minste om de twintig jaar worden de installaties aan een algemeen onderzoek onderworpen. Voorafgaand aan dit onderzoek wordt de houder inwendig gereinigd.

 

Dit onderzoek omvat:

 

het beperkt onderzoek, vermeld in paragraaf 1; 
het onderzoek op de staat van de binnenwand;
voor verticale houders omvat het onderzoek bovendien:
  a) het onderzoek van de staat van het vakwerk en de inwendige toebehoren zoals afsluiters, verwarmingsspiralen, dak- en bodemwateraflaten en afdichtingen van de vlottende daken;
  b) het onderzoek van de bodemplaten voor het opsporen van in- en uitwendige corrosie;
  c) het onderzoek van bodemvervorming en eventueel het opmeten van het profiel;
een drukproef op de eventuele verwarmingspijpen.

 

Voor houders, bestemd voor de opslag van brandbare vloeistoffen met een vlampunt tot 100 °C, met een individueel inhoudsvermogen tot en met 20.000 liter en voor houders, bestemd voor de opslag van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van meer dan 100 °C, met een individueel inhoudsvermogen tot en met 50.000 liter alsook voor in klasse 2 ingedeelde opslag van brandbare vloeistoffen die bij omgevingstemperatuur vast zijn, wordt enkel het beperkt onderzoek, vermeld in paragraaf 1, uitgevoerd.

 

Evenwaardige onderzoeken kunnen worden uitgevoerd zonder de houder inwendig te reinigen. De periodieke herhaling dient in dit geval korter te zijn dan 20 jaar en deze termijn wordt vastgelegd op basis van een risicoanalyse uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Elk deelonderzoek wordt uitgevoerd volgens een code van goede praktijk aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

§ 3.

De periodieke onderzoeken worden uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor de opslag van brandbare vloeistoffen bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkende stookolietechnicus.

 

§ 4.

Voor de houders gelegen buiten de waterwingebieden en de beschermingszones kan van deze termijn, vermeld in paragraaf 1 en 2, afgeweken worden bij gebruik van een controlemethode die toelaat de kwaliteit en de levensduur in te schatten van de tank. De erkenning van laatstgenoemde controlemethode en de bijhorende criteria om de maximale termijn voor de hercontrole te bepalen, gebeurt door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en bijkomend wordt aangetoond dat deze controlemethode als basis dient voor het voorkomen van de milieuschade die kan ontstaan vanaf de eerste controle met dit systeem.


Art. 5.6.1.3.15.

Naar aanleiding van de controle, vermeld in artikel 5.6.1.3.4,bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.6.1.3.14, stelt de deskundigen of de erkende stookolietechnicus, een attest op waaruit ondubbelzinnig blijkt of de houder en de installatie al dan niet voldoen aan de voorschriften van dit besluit. Het voormelde attest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of erkende stookolietechnicus, die het onderzoek heeft uitgevoerd.

 

Behalve in het geval van een tankenpark brengen zij op of nabij de vulleiding een duidelijk zichtbare en leesbare klever of plaat aan, waarop zijn erkenningsnummer, het jaartal en de maand van hetzij de controle bij de plaatsing, hetzij de laatst uitgevoerde controle, en van de volgende uit te voeren controle vermeld zijn.

 

De klever of plaat heeft de volgende kleur:

groen, als de houder en de installatie voldoen aan dit reglement; 
oranje, als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit, doch de vastgestelde gebreken geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder;
rood, als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of aanleiding hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder of als, volgend op een periode van maximaal zes maanden met oranje label of plaat, nog altijd dezelfde gebreken aan de houder en de installatie worden vastgesteld.

Art. 5.6.1.3.16.

Alleen houders waarvan de vulleiding voorzien is van een groene klever of plaat, zoals vermeld in artikel 5.6.1.3.15, mogen worden gevuld, bijgevuld en geëxploiteerd.

 

Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een oranje klever of plaat, vermeld in artikel 5.6.1.3.15, mogen nog worden gevuld of bijgevuld tijdens een overgangsperiode van maximum zes maanden. Die gaat in op de eerste van de maand die volgt op de maand, vermeld op de bedoelde oranje klever of plaat. In dit geval wordt een nieuwe controle uitgevoerd vóór het verstrijken van voormelde termijn.

 

Het verlenen van een oranje klever of plaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje klever of plaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit reglement, gevolgd door een groene of rode klever.

 

In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.

 

Het is verboden houders waarvan de vulleiding voorzien is van een rode klever of plaat, vermeld in artikel 5.6.1.3.15, te vullen of te laten vullen. De exploitant dient alle nodige maatregelen te treffen, overeenkomstig het attest van de erkende milieudeskundige, bevoegd deskundige of stookolietechnicus, om de opslaginstallatie terug in goede staat te brengen waarna de opslaginstallatie terug aan een controle dient onderworpen. Binnen de veertien dagen nadat een rode klever of plaat aangebracht werd, maakt de exploitant of op zijn verzoek de erkende milieudeskundige, bevoegde deskundige of de stookolietechnicus hiervan melding bij de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor grondwater.

 

Het is eveneens verboden houders waarvan de vulleiding niet voorzien is van een klever of plaat, vermeld in artikel 5.6.1.3.15, te vullen of te laten vullen.


Art. 5.6.1.3.17.

§ 1.

Als bestaande houders voor de opslag van brandbare vloeistoffen worden beschouwd:

houders waarvan de exploitatie is vergund op 1 januari 1993 of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid;
houders die op 1 september 1991 reeds in gebruik waren genomen en niet in toepassing van titel I van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming als gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichting waren ingedeeld;
houders waarvoor vóór 1 juli 1993 de melding werd gedaan overeenkomstig titel I van het VLAREM.

 

Deze houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

De afstands- en verbodsregels alsmede de bepalingen van deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen en het vulpunt gelden niet voor bestaande houders.

 

§ 3.

Het algemeen onderzoek, vermeld in artikel 5.6.1.3.14, §2, wordt, voorzover technisch mogelijk, een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op de data, vermeld in onderstaande tabel, afhankelijk van de ligging.

 

product

klasse

ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones

 

 

binnen

buiten

brandbare vloeistoffen

1, 2, 3

1 augustus 1998

1 augustus 2000

 

Vanaf de datum van het eerste algemene onderzoek worden de periodieke onderzoeken uitgevoerd conform artikel 5.6.1.3.14 en 5.6.1.3.15.

 

§ 4.

Met behoud van de toepassing van de bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voldoen de bestaande houders uiterlijk op de data vermeld in onderstaande tabel aan dit hoofdstuk, met uitzondering van de voorschriften inzake: 

de constructie en de plaatsing van de houders en van de leidingen mits evenwel voldaan wordt aan paragraaf 3; 
de bouw en de vloeistofdichtheid van de inkuiping van tankenparken.

 

product

klasse

ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones

 

 

binnen

buiten

Brandbare vloeistoffen

1, 2, 3

1 augustus 1999

1 augustus 2001

 

§ 5.

Bij vervanging van de houders, vermeld in paragraaf 1, voldoet de nieuwe houder aan alle voorschriften van dit hoofdstuk, behalve voor wat betreft de afstandsregels.

 

§ 6.

In afwijking van paragraaf 4, voldoen bestaande houders, die geen deel uitmaken van een tankenpark, uiterlijk op 1 januari 2003 aan artikel 5.6.1.3.6, 5.6.1.3.7 en 5.6.1.3.8.

 

§ 7.

In bestaande tankenparken voor de opslag van brandbare vloeistoffen die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone zijn sinds 1 augustus 1997 waarnemingsbuizen geplaatst overeenkomstig artikel 5.6.1.3.11.

 

Deze verplichtingen gelden eveneens binnen een termijn van 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het afbakeningsbesluit van een waterwingebied of een beschermingszone.

 

§ 8.

In bestaande tankenparken die niet beschikken over een vloeistofdichte inkuiping en die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone zijn waarnemingsbuizen geplaatst overeenkomstig artikel 5.6.1.3.11.


Art. 5.6.1.3.18.

§ 1.

Voor bovengrondse houders waarin brandbare vloeistoffen in opslag zijn, die voor 1 juni 2015 niet ingedeeld waren en vanaf diezelfde datum ingedeeld worden in rubriek 6.4 van de indelingslijst, zijn de afstands- en verbodsregels en de scheidingsafstanden, alsmede de bepalingen van deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen, de inkuiping, de vulplaats en het vulpunt niet van toepassing.

 

Aan de overige bepalingen van deze afdeling wordt voldaan uiterlijk op 1 juni 2016 indien gelegen binnen waterwingebied of beschermingszones en, 1 juni 2018 indien gelegen buiten waterwingebied of beschermingszones.

 

Het algemeen onderzoek, vermeld in artikel 5.6.1.3.14, §2, wordt, voorzover technisch mogelijk, een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op 1 juni 2016 voor houders gelegen binnen waterwingebied of beschermingszones en op 1 juni 2018 voor houders gelegen buiten waterwingebied of beschermingszones.

In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in gebruik worden gehouden. Vanaf de datum van het eerste algemeen onderzoek worden de periodieke onderzoeken uitgevoerd conform artikel 5.6.1.3.14 en 5.6.1.3.15.

 

§ 2.

Bij vervanging van de houders, vermeld in paragraaf 1, voldoen de nieuwe houders aan alle voorschriften van deze afdeling, behalve voor wat betreft de afstands- en verbodsregels en de scheidingsafstanden.

 

§ 3.

De houders, vermeld in paragraaf 1, worden bij de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geacht bestaande houders te zijn, zoals vermeld in artikel 5.6.1.3.17, §1, tweede lid.

 

§ 4.

In afwijking van paragraaf 1, voldoen de houders die in die paragraaf vermeld worden en die geen deel uitmaken van een tankenpark, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, uiterlijk op 1 juni 2020 aan artikel 5.6.1.3.1, 5.6.1.3.6, 5.6.1.3.7 en 5.6.1.3.8.

 

§ 5.

In tankenparken met houders, vermeld in paragraaf 1, die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone worden uiterlijk voor 1 juni 2017 waarnemingsbuizen geplaatst overeenkomstig artikel 5.6.1.3.11 tenzij deze reeds geplaatst zijn op basis van dit besluit.

 

Deze verplichtingen gelden eveneens binnen een termijn van 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het afbakeningsbesluit van een waterwingebied of een beschermingszone.

 

§ 6.

In tankenparken met bestaande houders, vermeld in paragraaf 1, die niet beschikken over een vloeistofdichte inkuiping en die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone, worden uiterlijk voor 1 juni 2017 waarnemingsbuizen geplaatst overeenkomstig artikel 5.6.1.3.11.

 

§ 7.

Voor bovengrondse houders waarvoor de opslag van brandbare vloeistoffen op 1 juni 2015 was vergund, of waarvoor vóór 1 juni 2015 een vergunningsaanvraag of mededeling kleine verandering is ingediend, met als voorwerp rubriek 17.2 of rubriek 17.3 van de indelingslijst zoals deze van toepassing was voor 1 juni 2015 en waarvoor de opslag van brandbare vloeistoffen vanaf 1 juni 2015 ingedeeld is in rubriek 6.4 en vanaf deze datum aan strengere voorwaarden worden onderworpen, gelden, met behoud van de toepassing van de bijzondere voorwaarden, die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn opgelegd, ten aanzien van de strengere voorwaarden dezelfde overgangsbepalingen als voor de houders zoals vermeld in paragraaf 1.

 

In afwijking hiervan moeten de houders die in deze paragraaf vermeld worden en die geen deel uitmaken van een tankenpark blijven voldoen aan artikel 5.17.3.1, 5.17.3.6, 5.17.3.7 en 5.17.3.8 zoals van toepassing voor 1 juni 2015.


Art. 5.6.1.3.19.

§ 1.

Als lekken worden vastgesteld treft de exploitant de nodige maatregelen om explosiegevaar te voorkomen en om verdere bodem- en grondwaterverontreiniging zoveel mogelijk te beperken.

 

§ 2.

Na vakkundige herstelling mag de houder slechts opnieuw in gebruik worden genomen nadat een attest werd afgeleverd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor de opslag van brandbare vloeistoffen bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkende stookolietechnicus. Hieruit moet ondubbelzinnig blijken dat de houder en de installatie voldoen aan de voorschriften van dit besluit.

 

§ 3.

Bij definitieve buitengebruikstelling van houders, al dan niet wegens lekken, wordt binnen een termijn van 36 maanden de houder geledigd, gereinigd en verwijderd met behoud van de toepassing van besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

Bij materiële onmogelijkheid om de houder te verwijderen, wordt binnen dezelfde termijn, in overleg met een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of met een bevoegd deskundige of voor de opslag van brandbare vloeistoffen bestemd voor de verwarming van gebouwen met een erkende stookolietechnicus, de houder geledigd en gereinigd en worden de nodige maatregelen getroffen voor explosiebeveiliging en om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen.

 

Vanaf 1 juni 2015 stelt de deskundige of de erkende stookolietechnicus naar aanleiding van de buitengebruikstelling van de houder een attest op waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de buitengebruikstelling werd uitgevoerd volgens de regels van het vak. Dit attest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of de erkende stookolietechnicus.


Afdeling 5.6.2.
Brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen


Subafdeling 5.6.2.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.6.2.1.1.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 6.5 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Het is verboden een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen voor de verdeling van benzine rechtstreeks onder een gebouw te plaatsen of onder de verticale projectie ervan. Een luifel wordt niet beschouwd als een gebouw.

 

§ 3.

De exploitatie van een verdeelinstallatie voor benzine die rechtstreeks onder een gebouw of onder de verticale projectie ervan is gelegen, is verboden, tenzij voor de verdeelstations met een doorzet van 100 m³/jaar of minder waarvan de geldende vergunningstermijn nog niet verlopen is.

 

§ 4.

Paragraaf 2 en 3 zijn niet van toepassing op brandstofverdeelinstallaties behorend tot het “in lijn”- of “lopende band”-systeem van autoassemblagebedrijven waar de nieuwe geassembleerde benzineauto's voor de eerste maal getankt worden.

 

§ 5.

Gedurende de periode, vermeld in artikel 14, §2, 1°, 5, en artikel 15, §2, van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de uitvoering en financiering van bodemsanering van tankstations, zoals gewijzigd bij het Samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van bodemsanering van tankstations, mag geen enkele omgevingsvergunning voor de exploitatie van een tankstation verleend worden op een terrein waarvoor een ontvankelijke aanvraag tot tussenkomst in het kader van sluiting, al dan niet bij wijze van overgangsmaatregel, bij het Fonds, vermeld in artikel 2, 13°, van het voormelde samenwerkingsakkoord, is ingediend. Dat verbod geldt evenwel niet als het mandaat van het voormelde Fonds eindigt alvorens de bodemsanering beëindigd is of als de erkenning van het Fonds opgeheven wordt.

 

De periode, vermeld in het eerste lid, waarin geen omgevingsvergunning voor de exploitatie afgeleverd mag worden, zal blijken uit het Bofas-attest, vermeld in addendum R6.5 van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Als uit het Bofas-attest, vermeld in addendum R6.5 van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, blijkt dat voor het terrein bij het voormelde Fonds een ontvankelijke aanvraag tot tussenkomst in het kader van sluiting, al dan niet bij wijze van overgangsmaatregel, is ingediend waarbij de uitbating van het tankstation is stopgezet vóór 1 januari 1993, mag geen omgevingsvergunning voor de exploitatie afgeleverd worden, tenzij als bijlage bij het attest een document is bezorgd dat opgesteld is door de OVAM, waaruit blijkt dat de uitvoering van de bodemsanering niet wordt gehinderd door de nieuwe uitbating van het tankstation.


Art. 5.6.2.1.2.

Met behoud van de toepassing van de voorschriften van dit besluit, worden de nodige maatregelen getroffen om het morsen van vloeibare brandstoffen, verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen.

 

In geval van een incident worden onmiddellijk doeltreffende maatregelen getroffen om de verspreiding van vloeibare brandstoffen te voorkomen.


Art. 5.6.2.1.3.

§ 1.

De elektrische installaties, toestellen en verlichtingstoestellen beantwoorden aan de voorschriften van de Codex voor het Welzijn op het Werk en van het AREI (Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties), in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan. Deze installaties kunnen vanuit een veilige en steeds gemakkelijk te bereiken plaats manueel worden stilgelegd.

 

§ 2.

Als op minder dan drie meter van benzinepompen en gasoliepompen en benzinezuilen en gasoliezuilen zich een verdeelzuil voor lpg bevindt, voldoen de elektrische installaties van de benzine- en gasoliepompen en -zuilen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.16.4.4.5.

 

§ 3.

Het is verboden op hetzelfde moment een lpg-houder te vullen en een gasoliehouder of benzinehouder van hetzelfde bevoorradingsstation te vullen.


Art. 5.6.2.1.4. Het bevoorraden van eender welk voertuig gebeurt slechts na het stilleggen van de motoren van dit voertuig.

Art. 5.6.2.1.5.

§ 1.

De bevoorradingsstandplaats van de motorvoertuigen voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 bevindt zich steeds in de open lucht en op het terrein van de inrichting. De vloer van de voormelde standplaats is vloeistofdicht en voldoende draagkrachtig. Deze vloer is voorzien van de nodige hellingen en eventueel opstaande randen, zodat alle gemorste vloeibare brandstoffen afvloeien naar een collector en overeenkomstig de reglementaire bepalingen worden verwijderd.

 

Onder de voormelde standplaats mogen geen groeven, kruipkelders of lokalen worden ingericht. 

 

§ 2.

Paragraaf 1 is niet van toepassing op het “in lijn'” of “lopende band”-systeem van autoassemblagebedrijven waar de nieuwe geassembleerde auto's voor de eerste maal getankt worden. Met behoud van de toepassing van de andere wettelijke of reglementaire bepalingen ter zake treft de exploitant de vereiste beschermingsmaatregelen tegen de risico's van brand, ontploffing en verontreiniging. De brandstofbevoorrading van de motorvoertuigen gebeurt boven een inkuiping teneinde brandverspreiding, bodem- of grondwaterverontreiniging te voorkomen.


Art. 5.6.2.1.6.

Elke vaste houder die deel uitmaakt van een verdeelinstallatie voor de bevoorrading van motorvoertuigen wordt voorzien van een eigen vulleiding.

 

Het vulpunt voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 1:

bevindt zich in horizontale projectie op ten minste 2 m afstand van de rand van de houder voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 1;
bevindt zich niet in een gesloten of open gebouw;
is gelegen op ten minste 3 m van elke kelderruimte en van de grenzen van de percelen van derden.

 

 


Subafdeling 5.6.2.2.
Beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) bij de verdeling van benzine


Art. 5.6.2.2.1.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van de overige voorschriften van dit besluit, beantwoorden de verdeelinstallaties voor benzine aan de technische voorschriften van bijlage 5.17.9, §4.

 

§ 2.

Dit artikel is niet van toepassing op verdeelinstallaties met een doorzet van minder dan 100 m³ per jaar.


Art. 5.6.2.2.2. De exploitant houdt een register bij waarin de doorzetgegevens worden vermeld. Dit register is ter beschikking van de toezichthouder.

Subafdeling 5.6.2.3.
Damprecuperatie fase ii


Art. 5.6.2.3.1.

Deze subafdeling voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van motorvoertuigen in benzinestations.


Art. 5.6.2.3.2.

§ 1.

Deze subafdeling is van toepassing op de benzinestations van de inrichtingen, vermeld in subrubriek 6.5 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Als het feitelijke of voorziene benzinedebiet maximaal 100 m³/jaar bedraagt, houdt de exploitant een bewijs daarvan ter beschikking van de toezichthouder.

 

§ 3.

Artikel 5.6.2.3.3 tot en met 5.6.2.3.8 zijn van toepassing als het feitelijke of voorziene benzinedebiet meer dan 100 m³/jaar bedraagt.

 

§ 4.

Artikel 5.6.2.3.3 tot en met 5.6.2.3.8 zijn niet van toepassing op de benzinestations van inrichtingen die uitsluitend in verband met de vervaardiging en aflevering van nieuwe motorvoertuigen worden gebruikt.

 

Voor de benzinestations vermeld in het eerste lid, geldt dat de totale emissie die bij het tanken in de atmosfeer vrijkomt, maximaal 5 g C per liter getankte benzine bedraagt. De exploitant toont aan dat die emissiegrenswaarde niet wordt overschreden.

 

Als nabehandelingsapparatuur wordt ingezet om die emissiegrenswaarde te behalen, zal uiterlijk drie maanden na de datum van ingebruikstelling en vervolgens minstens eenmaal per jaar een erkend laboratorium in de discipline lucht, een verslag opstellen waarin de resultaten van de metingen die uitgevoerd zijn om de gemiddelde koolstofuitstoot van dampen te bepalen, worden besproken en worden getoetst aan de voormelde emissiegrenswaarde. Tussen twee controlemetingen verloopt maximaal een termijn van vijftien maanden.


Art. 5.6.2.3.3.

§ 1.

Benzine wordt afgeleverd aan motorvoertuigen via een fase II-benzinedampterugwinningssysteem.

 

§ 2.

Een actief fase II-benzinedampterugwinningssysteem, als vermeld in bijlage 5.6.2, wordt toegepast, of een ander gelijkwaardig systeem, als dat in de milieuvergunning is toegelaten.

 

§ 3.

Het benzinedampafvangrendement bedraagt ten minste 85%.

 

In afwijking van het eerste lid geldt een minimum rendement van 75% voor benzinedampterugwinningssystemen van bestaande benzinetankstations waarvan de vacuümpomp of het regelventiel niet vervangen is op of na 1 januari 2012. Voor bestaande inrichtingen met een feitelijk of voorzien debiet van meer dan 3000 m³/jaar geldt die afwijking tot en met 30 december 2018. De afwijking geldt niet voor bestaande benzinestations die op of na 1 januari 2012 uitgebreid gerenoveerd zijn.

 

§ 4.

De damp-benzineverhouding bedraagt ten minste 0,95 en niet meer dan 1,05.

 

§ 5.

De dampretourleidingen voldoen aan artikel 5.6.1.1.3. Ze hellen voldoende af opdat het gevormde condensaat naar de houder loopt.

 

§ 6.

De vulpistolen vangen de dampen uit de brandstoftank zo goed mogelijk op.

 

Het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is vrij van scheuren, gaten en andere gebreken.

 

§ 7.

De onderdelen die in het systeem worden gebruikt, geven geen aanleiding tot het optreden van brand of explosie van de gerecupereerde benzinedampen.

 

De dampretour fase II en de daaropvolgende dampretour fase I bevatten op de juiste plaatsen doelmatige, vlamkerende voorzieningen.

 

 

§ 8.

Het ontluchtingssysteem voor de benzinehouders is fysiek gescheiden van het ontluchtingssysteem voor de dieselhouders.

 

Maatregelen worden genomen om te vermijden dat bij de bevoorrading van de benzinehouders emissies optreden door de werking van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem.

 

§ 9.

In een benzinestation dat uitgerust is met een fase II-benzinedampterugwinningssysteem wordt op de benzinepomp of in de buurt van de benzinepomp een uithangbord, een zelfklever of een andere melding aangebracht om de consumenten daarvan op de hoogte te brengen.


Art. 5.6.2.3.4.

§ 1.

Het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is door de producent gecertificeerd conform de norm EN 16321-1:2013.

 

In afwijking van het eerste lid is het fase II-benzinedampterugwinningssysteem door de producent gecertificeerd conform de TÜV-keuringsmethode voor benzinedampterugwinningssystemen of conform andere relevante Europese technische normen of typegoedkeuringsprocedures voor benzinedampterugwinningssystemen van bestaande benzinetankstations die gecertificeerd zijn voor 1 september 2015.

 

Het certificaat van elk benzinedampterugwinningssysteem vermeldt expliciet het minimale rendement, vermeld in artikel 5.6.2.3.3, §3.

 

In afwijking van het derde lid is de expliciete vermelding van het rendement niet vereist voor benzinedampterugwinningssystemen met een minimaal benzineafvangrendement van 75% als vermeld in artikel 5.6.2.3.3, §3, tweede lid, als de erkend deskundige dat percentage kan afleiden uit de informatie op het certificaat. Als het certificaat geen expliciet rendement bevat, noteert de erkend deskundige het minimale rendement van het benzinedampterugwinningssysteem in een attest, als vermeld in artikel 5.6.2.3.6, §3, uiterlijk tegen het eerstvolgende beperkte onderzoek.

 

§ 2.

Voor de eerste ingebruikname en bij elke wezenlijke verandering van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem worden de technische voorschriften, vermeld in artikel 5.6.2.3.3 gecontroleerd. Bij die initiële controle wordt geverifieerd of het systeem op goede wijze geplaatst is.

 

§ 3.

Eenmaal per kalenderjaar wordt, zonder dat de periode tussen twee opeenvolgende metingen vijftien maanden mag overschrijden, de overeenstemming van de damp-benzineverhouding van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem met de damp-benzineverhouding, vermeld in artikel 5.6.2.3.3, §4, gemeten conform de norm EN 16321-2:2013. De eerste meting wordt uiterlijk uitgevoerd op 31 december 2012.

 

In afwijking van het eerste lid mag voor tankstations met een debiet van minder dan 500 m³/jaar de meting van de damp-benzineverhouding, om de twee jaar vervangen worden door de test, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 6. De eerste meting wordt uiterlijk uitgevoerd op 31 december 2012 of uiterlijk twee jaar na de vorige meting.

 

In afwijking van het eerste lid wordt de damp-benzineverhouding om de drie jaar gemeten, als het benzinedampterugwinningssysteem uitgerust is met een automatisch bewakingssysteem. De eerste meting wordt uiterlijk uitgevoerd op 31 december 2012 of uiterlijk drie jaar na de vorige meting.

 

 

§ 4.

In aanvulling op de meting, vermeld in paragraaf 3, wordt bij tankstations met een feitelijk of voorzien debiet van meer dan 3000 m³ de activiteit van alle pompen van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem tweemaal per jaar getest, overeenkomstig de procedure, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 6. Tussen twee controletesten verloopt minimaal een termijn van twee maanden. De eerste test wordt uiterlijk op 31 augustus 2012 uitgevoerd.

 

Van de testfrequentie, vermeld in het eerste lid, kan afgeweken worden, overeenkomstig bijlage 5.6.3, punt 6.

 

§ 5.

Het resultaat van de testen, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 6, alsook de datum waarop die testen uitgevoerd zijn, worden genoteerd in het verslag van de milieucoördinator, vermeld in artikel 4.1.9.1.3, §3.


Art. 5.6.2.3.5.

Het fase II-benzinedampterugwinningssysteem wordt gelijktijdig met de houders waarop dat systeem aangesloten is, periodiek onderworpen aan een beperkt en een algemeen onderzoek. Fase II-benzinedampterugwinningssystemen die aangesloten zijn op gewapende thermohardende kunststofhouders worden ten minste om de vijftien jaar aan een algemeen onderzoek onderworpen.

 

Het beperkte onderzoek omvat, als dat relevant is:

 de inzage van de meest recente attesten, vermeld in artikel 5.6.2.3.6, §3;
 een onderzoek van de goede staat van de installatie en van de uitwendige zichtbare delen van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem ;
 de inzage van het verslag, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, §5;
 de controle van de conformiteit van het systeem en zijn houders met het certificaat, volgens de procedure, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 1.

 

Het algemene onderzoek omvat de onderzoeken van het beperkte onderzoek, vermeld in het tweede lid, alsook de dichtheidsbeproeving van de niet-toegankelijke enkelwandige dampretourleidingen.


Art. 5.6.2.3.6.

§ 1.

De initiële controle, de algemene en de beperkte onderzoeken, de metingen en de testen, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, paragraaf 2 tot en met 5 en in artikel 5.6.2.3.5, worden uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige.

 

In afwijking van het eerste lid kan de test, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 6, uitgevoerd worden door de milieucoördinator of door de exploitant in aanwezigheid van de milieucoördinator.

 

§ 2.

Gebreken of disfuncties in het fase II-benzinedampterugwinningssysteem worden door of onder toezicht van de erkend of bevoegd deskundige binnen vijf werkdagen na de vaststelling hersteld. Bij een overschrijding van deze termijn wordt de pomp stilgelegd tot de herstellingen zijn uitgevoerd.

 

§ 3.

De deskundige stelt van elke controle, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, paragraaf 2 en 3 en in artikel 5.6.2.3.5, in voorkomend geval met inbegrip van de test, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 6, een attest op waaruit ondubbelzinnig blijkt of het fase II-benzinedampterugwinningssysteem voldoet aan de voorschriften van het reglement.

 

De attesten, vermeld in het eerste lid, bevatten de volgende gegevens:

de bevindingen van de uitgevoerde onderzoeken en metingen; 
het erkenningsnummer van de deskundige die het attest heeft opgesteld;
de naam en de handtekening van de deskundige die het attest heeft opgesteld.

 

 


Art. 5.6.2.3.7. Het is verboden om een benzinestation te exploiteren dat rechtstreeks onder een gebouw of onder de verticale projectie van een gebouw ligt.

Art. 5.6.2.3.8.

§ 1.

De exploitant geeft uiterlijk drie maanden na de datum van de ingebruikname van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem de volgende gegevens door aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning:

naam en adres van de exploitant;
referentie(s) van de lopende vergunning(en);
aantal verdeelzuilen, pompen en vulpistolen voor benzine;
type fase II-benzinedampterugwinningssysteem;
datum van ingebruikname van het systeem;
kopie van het certificaat van het systeem, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, §1;
attest van de initiële controle, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, §2;

orde van de grootte van het debiet.

 

 

 

§ 2.

De exploitant houdt een kopie van de gegevens, vermeld in paragraaf 1, en het bewijs van de melding ervan aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, ter inzage van de toezichthouder.

 

De exploitant houdt vanaf drie maanden na de datum van de ingebruikname van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem, de volgende gegevens ter inzage van de toezichthouder:

het gemeten debiet en de orde van grootte van het voorziene debiet; 
de attesten vermeld in artikel 5.6.2.3.6, §3;
de verslagen van de milieucoördinator, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, §5.

Afdeling 5.6.3.
Opslagplaatsen

[...]


Art. 5.6.3.1. [...]

Hoofdstuk 5.7.
CHEMICALIEN


Afdeling 5.7.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.7.1.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 7 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De stoffen die onder de toepassing vallen van de reglementering inzake gevaarlijke stoffen, inzonderheid de bepalingen van hoofdstuk 5.17., mogen uitsluitend in de inrichting worden binnengebracht, opgeslagen, gebruikt en uit de inrichting worden afgevoerd mits stipte naleving van de bepalingen van voormelde reglementeringen.

 

§ 3.

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt onder "produktiecapaciteit" verstaan: de totale capaciteit tijdens een ononderbroken werking van 24 uur, vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal dagen per jaar gedurende dewelke de installaties in staat zijn te werken onder normale onderhouds- en veiligheidsvoorwaarden. Deze capaciteit wordt uitgedrukt in ton.


Art. 5.7.1.2.

§ 1.

De exploitant is verantwoordelijk voor de aanvaarding, fabricatie, produktie, bereiding, verwerking, behandeling, formuleren, verpakken en/of de afvoer van de stoffen en produkten.

 

§ 2.

Tenzij met in achtneming van de verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de productie en het gebruik verboden van :

1) chloorfluorkoolstoffen;
2) andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen;
3) halonen;
4) tetrachloorkoolstof;
5) 1,1,1-trichloorethaan;
6) broomfluorkoolwaterstoffen;
7) broomchloormethaan.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

De productie van de volgende stoffen is verboden behoudens wanneer de productie van een of meer ervan uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten:

methylbromide;
dicyaan, cyaanwaterstof (blauwzuur) en zijn zouten (cyaniden);
organische cyaanverbindingen (nitrillen).

Art. 5.7.1.3.

§ 1.

Indien een inrichting vergunningsplichtig is wegens indeling in de rubriek 7 van de indelingslijst moet iedere opslag van gevaarlijke stoffen, eveneens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk 5.17. "Gevaarlijke stoffen" van dit besluit, mits onder de aldaar ingedeelde opslaghoeveelheden te vallen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan voor de scheidingsafstanden tussen twee groepen en/of subgroepen met niet-ingedeelde opslaghoeveelheden evenwel een gemotiveerde afwijking verleend worden.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit moet methylbromide zijn opgeslagen in drukvaten met een inhoud van maximaal 100 kg methylbromide per vat; de methylbromidevaten moeten vertikaal worden opgesteld met de afsluiter van het vat aan de bovenzijde; vaten met methylbromide moeten tegen weersinvloeden zoals zonnestraling en regen zijn beschermd en mogen niet op elkaar zijn gestapeld; gedurende de opslag dienen de afsluiters van de methylbromidevaten tegen mechanische beschadiging te zijn beschermd door afsluitdoppen; lege vaten moeten als volle vaten worden bewaard;

 

§ 3.

De constructie van alle ruimten voor de behandeling van gevaarlijke producten is zodanig uitgevoerd dat toevallig gemorste stoffen en lekvloeistoffen opgevangen kunnen worden.

 

Om brandverspreiding te voorkomen moeten alle ruimten voor de behandeling van ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 of 2 volgens de CLP-verordening zo geconstrueerd worden dat toevallig gemorste stoffen en lekvloeistoffen in een opvanginrichting terechtkomen en vervolgens via opvanggoten naar één of meerdere opvangputten geleid worden.

 

De bedoelde opvanginrichting mag op geen enkele manier, noch onrechtstreeks, noch rechtstreeks, in verbinding staan met een openbare riolering, een oppervlaktewater, een verzamelbekken voor oppervlaktewater, een gracht of een grondwaterlaag.

 

De opvanginrichting en de opvangputten moeten regelmatig, en ten minste na elke calamiteit geledigd worden. De verkregen afvalstroom wordt op een aangepaste manier verwijderd [...].

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

De personen en het personeel tewerkgesteld in de inrichting moeten op de hoogte zijn van de aard en de gevaarsaspecten van de geproduceerde stoffen en producten alsmede van de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden. Hiertoe verstrekt de exploitant de nodige actuele instructies. Tenminst éénmaal per jaar moeten deze instructies door de exploitant worden geëvalueerd.


Art. 5.7.1.4.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de geloosde afgassen. In afwijking van artikel 4.4.3.3, §1, hebben de emissiegrenswaarden betrekking op nat gas bij gebruik van stoominjectoren:

parameter

emissiegrenswaarde

1° acrylonitril:

in het afgas van de verbrandingsinstallaties voor de productie van acrylonitril,

ongeacht de massastroom

0,2 mg/Nm³

overige bij een massastroom van 25 g/h of meer

5,0 mg/Nm³

2° de volgende organische stof, bij een massastroom per stof van 100 g/h of meer:

1,2-dichloorethaan

bij de productie ervan

5,0 mg/Nm³

in andere gevallen

20,0 mg/Nm³

3° totaal stof: installaties voor de productie van bestrijdingsmiddelen of werkzame stoffen ervan,

bij een massastroom van 25 g/h of meer :

voor acuut toxische pesticiden van gevarencategorie 1 volgens de CLP-verordening of zeer persistente,

zeer bioaccumuleerbare pesticiden

5,0 mg/Nm³

voor acuut toxische pesticiden van gevarencategorie 2, 3 en 4 volgens de CLP-verordening of persistente,

zeer bioaccumulerende pesticiden, of pesticiden gekenmerkt door gevarenpictogram GHS05 volgens de CLP-verordening

20,0 mg/Nm³

voor de overige pesticiden

100,0 mg/Nm³

 

 

§ 2.

De afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en, na de eventueel noodzakelijke zuivering ter naleving van de emissie- en immissievoorschriften, die van toepassing zijn, in de omgevingslucht geloosd via een schoorsteen. De minimumhoogte van de schoorsteen wordt bepaald overeenkomstig het schoorsteenhoogteberekeningssysteem, vermeld in artikel 4.4.2.3.


Afdeling 5.7.2.
Productie van titaandioxide


Art. 5.7.2.1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen die titaandioxide produceren, vermeld in rubriek 7.11.2°, e), van de indelingslijst.


Art. 5.7.2.2.

§ 1.

Het is verboden de volgende afvalstoffen te lozen :

vaste afvalstoffen;
moederlogen, afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van titanylsulfaat van installaties die het sulfaatproces toepassen, inclusief zure afvalstoffen die met die logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5 % vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten en, inclusief die moederlogen welke zijn verdund tot ze 0,5 % of minder vrij zwavelzuur bevatten;
afvalstoffen afkomstig van installaties die het chlorideproces toepassen en die meer dan 0,5 % vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, inclusief afvalstoffen die zijn verdund tot ze 0,5 % of minder vrij zoutzuur bevatten;
filterzouten en slibvormige en vloeibare afvalstoffen die vrijkomen bij de behandeling (concentratie of neutralisatie) van de afvalstoffen, vermeld in punt 2° en 3°, en die verschillende zware metalen bevatten, maar met uitsluiting van geneutraliseerde en gefilterde of gedecanteerde afvalstoffen die alleen sporen van zware metalen bevatten en die, vóór verdunning van welke aard ook, een pH-waarde van meer dan 5,5 hebben.

 

 

§ 2.

Emissies in water mogen de onderstaande emissiegrenswaarden niet overschrijden :

installaties die van het sulfaatproces gebruikmaken (jaarlijks gemiddelde) : 550 kg sulfaat per geproduceerde ton titaandioxide;
installaties die van het chlorideproces gebruikmaken (jaarlijks gemiddelde) :
a) 130 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van natuurlijk rutiel;
b) 228 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van synthetisch rutiel;
c) 330 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van slakken. Voor installaties die in zout water (in estuaria, langs de kust, in volle zee) lozen mag een emissiegrenswaarde gelden van 450 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van slakken;
installaties die van het chlorideproces gebruikmaken en die meer dan één soort erts gebruiken : de waarden, vermeld in punt 2°, evenredig met de hoeveelheden waarin die ertsen worden gebruikt.

 


Art. 5.7.2.3.

§ 1.

De emissie van zuurdruppels in de lucht uit installaties wordt voorkomen.

 

§ 2.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

voor stof : een uurgemiddelde van 50 mg/Nm3 uit de voornaamste bronnen en een uurgemiddelde van 150 mg/Nm3 uit andere bronnen;
voor lozingen van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide, afkomstig van ontsluiting en roosting, met inbegrip van zuurdruppels, berekend als SO2-equivalent :
a) 1) als er van het sulfaatproces gebruikgemaakt wordt: een jaargemiddelde van 6 kg per geproduceerde ton titaandioxide;
  2) als er van het chlorideproces gebruikgemaakt wordt: een jaargemiddelde van  1,7 kg per geproduceerde ton titaandioxide;
b) een uurgemiddelde van 500 mg/Nm3 voor installaties voor de concentratie van afvalzuren;
voor chloor in het geval van installaties die gebruikmaken van het chlorideproces :
a) een dagelijkse gemiddelde van 5 mg/Nm3;
b) tot een momentane waarde van 40 mg/Nm3.

 


Art. 5.7.2.4.

De monitoring van emissie in de lucht omvat ten minste een continue meting van :


lozingen van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide, afkomstig van ontsluiting en roosting uit inrichtingen voor de concentratie van afvalzuren in installaties die van het sulfaatproces gebruikmaken;

chloor dat afkomstig is uit de voornaamste bronnen in installaties die gebruikmaken van het chlorideproces;

stof dat afkomstig is uit de voornaamste bronnen.

 


Art. 5.7.2.5.

De monitoring van emissies in lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2. De monitoring van emissies in water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2.

 

Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd.

 

Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit waarborgen.


Afdeling 5.7.3.
Produktie van zwaveldioxyde, zwaveltrioxyde, zwavelzuur of oleum


Art. 5.7.3.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in rubriek 7 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen voor de produktie van zwaveldioxyde, zwaveltrioxyde, zwavelzuur of oleum.

 

§ 2.

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt "omzettingsgraad van SO2 naar SO3" gedefinieerd als volgt:

 

In deze formule zijn SO2in en SO2uit de SO2-vrachten in respectievelijk de gasstroom voor conversie en na conversie.

 

§ 3.

De omzettingsgraad houdt rekening met het effect van eventuele nageschakelde technieken om de SO2-emissies te beperken.


Art. 5.7.3.2.

§ 1.

Indien, in functie van de als grondstof aangewende gassen, het vanuit het oogpunt van de beste beschikbare technieken technisch mogelijk is, dient het dubbel-contactprocédé aangewend voor de omzetting van SO2 naar SO3. Elk ander procédé is toegelaten mits dit vanuit milieuhygiënisch oogpunt tenminste gelijkwaardig is en inzonderheid dezelfde of een hogere omzettingsgraad waarborgt.

 

§ 2.

Het enkel-contactprocédé (geen tussenabsorptie) is enkel toegelaten wanneer als grondstof gassen worden aangewend met een SO2-concentratie lager dan 10 %. Voor installaties die een eerste keer vergund zijn op 1 januari 2010 of later is dat alleen toegestaan als de SO2-concentratie in de als grondstof gebruikte gassen lager is dan 5 %.

 

§ 3.

Het natte katalyseprocédé is enkel toegelaten bij het roosten van molybdeensulfide en voor afgasontzwaveling.

 

§ 4.

[...]
De omzettingsgraad bedraagt, als jaargemiddelde, ten minste: 
a)

drooggasprocedés :

1) bij toepassing van het enkelcontactprocedé : 
a. bij variërende gasomstandigheden : 99,1 %;
b. bij constante gasomstandigheden : 99,7 %;
2) bij toepassing van het dubbelcontactprocedé :
a. bij variërende gasomstandigheden : 99,7 %; 
b. bij constante gasomstandigheden :
- voor installaties vergund voor 1 januari 2010 : 99,8 %;
- voor installaties vergund op 1 januari 2010 of later : 99,9 %;
b)

natgasprocedés : bij de toepassing van het nattekatalyseprocedé moet een omzettingsgraad van ten minste 98,0 % worden bereikt. Voor installaties die een eerste keer vergund zijn op 1 januari 2010 of later, bedraagt de minimale omzettingsgraad 99,0 %.

 

De omzettingsgraad als daggemiddelde bedraagt ten minste :

a) de minimale omzettingsgraad als jaargemiddelde, verminderd met 0,6 procentpunt, bij de toepassing van het enkelcontactprocedé of het nattekatalyseprocedé;
b) de minimale omzettingsgraad als jaargemiddelde, verminderd met 0,2 procentpunt, bij de toepassing van het dubbelcontactprocedé. 

 

 

§ 5.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

zwaveldioxide: 1.700 mg/Nm³ met behoud van de toepassing van de omzettingsgraad, vermeld in artikel 5.7.5.1;
zwaveltrioxide:
  a) bij constante gasomstandigheden: 60 mg/Nm³;
  b) in de overige gevallen: 120 mg/Nm³.

 

 

§ 6.

[...]

 

§ 7.

De omzettingsgraden vermeld in § 4 van dit artikel zijn niet van toepassing op SO3-generatoren van klasse 3 die dienen om de afscheiding van vliegassen te bevorderen door SO3-injectie in de afgassen van stookinstallaties. Voor de aldus behandelde afgassen gelden de SO3-emissiegrenswaarden van de overeenkomstige stookinstallatie.


Art. 5.7.3.3. Om een abnormale toename van de emissies van zwaveldioxide zo snel mogelijk vast te stellen, wordt een continue monitoring van geschikte procesparameters uitgevoerd op initiatief en kosten van de exploitant. De gegevens worden voor minstens drie jaar bijgehouden en ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid.

Afdeling 5.7.4.
Produktie van salpeterzuur


Art. 5.7.4.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in subrubriek 7.1 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen voor de produktie van salpeterzuur.

 

§ 2.

Voor stikstofoxiden in de geloosde afgassen, uitgedrukt als NO2, geldt een emissiegrenswaarde, als maandgemiddelde, van 190 mg/Nm³ voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie voor 1 januari 2014 is verleend, en een emissiegrenswaarde, als maandgemiddelde, van 160 mg/Nm³ voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie op of na 1 januari 2014 is verleend.

 

Daarenboven mogen de afgassen alleen kleurloos in de omgevingslucht worden geloosd.


Afdeling 5.7.5.
Produktie van chloor


Art. 5.7.5.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in subrubriek 7.5 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen.

 

§ 2.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

chloor:
a) bij installaties voor de produktie van chloor met volledig vloeibaar maken: 6 mg/Nm3;
b) in de andere gevallen: 1 mg/Nm3;
kwik en zijn verbindingen:
a) bij een massastroom van 1 g/h of meer: 0,2 mg/Nm3
b) bij alkalichloride-elektrolyse volgens het amalgaamprocédé mogen de emissies aan kwik in de uit de cellenzaal afgevoerde lucht, als jaargemiddelde, niet meer bedragen dan:
i) 1,5 g per ton chloorproduktie, voor nieuwe installaties;
ii) 2 g per ton chloorproduktie, voor bestaande installaties;
iii) de kwik in de waterstof, geloosd in de atmosfeer of verbrand, is begrepen in deze emissiegrenswaarde.

 

§ 3.

De bouw van nieuwe installaties voor de produktie van chloor volgens het kwikcelprocédé zullen niet meer vergund worden. Het kwikcelprocedé mag na het jaar 2010 niet meer toegepast worden, behoudens wanneer het gaat om een procedé dat gebruik maakt van kaliumchloride (KCl) in welk geval de toepassing nog wordt toegelaten tot en met het jaar 2015

 

De toelating tot verdere toepassing van het "kaliumchloride (KCl)"-procedé na 2010 is afhankelijk van de naleving van de volgende voorwaarden:

de inrichting is behoorlijk vergund voor de verlengde periode waarin het procedé wordt toegepast;
de exploitant brengt de overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, er vóór 1 januari 2011 schriftelijk van op de hoogte dat het "kaliumchloride (KCl)”-procedé na 2010 verder zal worden toegepast met vermelding van de beoogde definitieve stopzettingsdatum die vóór 1 januari 2016 moet vallen. De bevoegde overheid bezorgt onmiddellijk een kopie van de voormelde schriftelijke kennisgeving aan:
a) de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
b) de afdeling, bevoegd voor milieu-inspectie;
de exploitant bezorgt samen met de schriftelijke kennisgeving, vermeld in punt 2°, aan de overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, een plan voor de definitieve stopzetting van de kwikcelinstallaties. Dat plan bevat inzonderheid:
a) een verbintenis tot definitieve stopzetting uiterlijk op 31 december 2015 van de vermelde kwikcelinstallaties;
b) een stappenplan met de maatregelen die zullen worden getroffen voor:
1) de definitieve stopzetting op de vooropgestelde datum;
2) de reconversie van de installaties;
3) de beoogde kwikemissiereducties;
4) de veilige opslag en afvoer van het kwik.

 

Het plan, vermeld in het tweede lid, 3°, is niet vereist als de betrokken bedrijfsorganisaties vóór 1 januari 2011 met het Vlaamse Gewest een definitief goedgekeurde milieubeleidsovereenkomst als vermeld in het decreet van 15 juni 1994 betreffende de milieubeleidsovereenkomsten, hebben gesloten die alle aangelegenheden, vermeld in het tweede lid, 3°, a) en b), voor de beschouwde sector tot voorwerp heeft.

 

Om de emissies van kwik te beperken en om het ontstaan van met kwik vervuild afval tijdens de buitengebruikstelling of ombouw van kwikcelleninstallaties te beperken, is op 1 september 2016 een buitengebruikstellingsplan beschikbaar en wordt dat uitgevoerd. Al de volgende kenmerken zijn in het buitengebruikstellingsplan verwerkt:

 het betrekken van een deel van het personeel dat ervaring heeft met het beheer van de voormalige installatie, bij alle fasen van uitwerking en uitvoering;  
het voorzien in procedures en instructies voor alle uitvoeringsfasen;  
het voorzien in een gedetailleerd trainings- en toezichtprogramma voor personeel zonder ervaring met het werken met kwik;  
het bepalen van de hoeveelheid metallisch kwik dat moet worden teruggewonnen en het schatten van de hoeveelheid afval die moet worden afgevoerd, en van de kwikvervuiling die zich daarin bevindt;  
het voorzien in werkzones die:  
a) zijn voorzien van een overdakking; 
b) zijn uitgerust met een gladde, aflopende en ondoordringbare vloer om gemorste kwik naar een opvangbak te leiden; 
c) goed verlicht zijn; 
d) vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen; 
e) zijn uitgerust met een watertoevoer voor wassen; 
f) zijn aangesloten op een afvalwaterbehandelingssysteem; 
het legen van de cellen en overbrengen van metallisch kwik naar houders door:  
a) het systeem gesloten te houden als dat mogelijk is; 
b) het kwik te wassen; 
c) kwik over te brengen onder invloed van de zwaartekracht als dat mogelijk is; 
d) vaste onzuiverheden te verwijderen uit het kwik, als dat noodzakelijk is; 
e) de houders te vullen tot ≤ 80 % van hun volumetrische inhoud; 
f) de houders hermetisch af te dichten na het vullen; 
g) de lege cellen te wassen en vervolgens te vullen met water; 
het uitvoeren van alle ontmantelings- en sloopactiviteiten door:  
a) hete methoden om uitrusting te slopen, te vervangen door koude methoden, als dat mogelijk is; 
b) vervuilde uitrusting op te slaan in daarvoor geschikte zones; 
c) de vloer in het werkgebied regelmatig te wassen; 
d) gemorst kwik snel op te ruimen door middel van ademhalingsuitrusting met actievekoolfilters; 
e) afvalstromen te registreren; 
f) afval dat met kwik is vervuild, te scheiden van afval dat niet met kwik is vervuild; 
g) afval dat met kwik vervuild is geraakt, te decontamineren door mechanische en fysieke behandelingstechnieken, chemische behandelingstechnieken of thermische behandelingstechnieken te gebruiken; 
h) gedecontamineerde uitrusting te hergebruiken of te recyclen, als dat mogelijk is; 
i) het gebouw waarin de cellenzaal zich bevindt, te reinigen, door de muren en de vloer schoon te maken, en vervolgens te coaten of te verven, zodat ze een ondoordringbaar oppervlak hebben als het gebouw opnieuw zal worden gebruikt; 
j) de afvalwateropvangsystemen in of rond de installatie te reinigen of te vervangen; 
k) het werkgebied af te sluiten en ventilatielucht te zuiveren als er hoge concentraties kwik worden verwacht. Zuiveringstechnieken voor ventilatielucht zijn onder meer adsorptie op jodium- of zwavelhoudende actieve kool, gasreinigen met hypochloriet of gechloreerd pekel, of het toevoegen van chloor om vast dikwikdichloride te vormen; 
l) kwikhoudend afvalwater, waaronder waswater dat afkomstig is van het reinigen van beschermende uitrusting, te behandelen; 
m) kwik in lucht, water en afval te monitoren, onder meer gedurende een gepaste tijd na de afronding van de buitengebruikstelling of ombouw; 
indien nodig, tussentijdse opslag van metallisch kwik op de locatie in opslagruimtes die:  
a) goed verlicht en weerbestendig zijn; 
b) zijn uitgerust met een geschikte secondaire insluiting die 110% van het vloeistofvolume van een afzonderlijke houder kan vasthouden; 
c) vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen; 
d) zijn uitgerust met ademhalingsuitrusting met actievekoolfilters; 
e) periodiek worden geïnspecteerd, zowel visueel als met kwikbewakingsapparatuur; 
indien nodig, het transport, mogelijke verdere behandeling en afvoer van afval.  

Afdeling 5.7.6.
Produktie van zwavel


Art. 5.7.6.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in subrubriek 7.1 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen voor de produktie van zwavel.

 

§ 2.

Bij Claus-installaties moet de volgende zwavelomzettingsgraad worden bereikt:

 

bij een productiecapaciteit tot en met 20 ton zwavel per dag: 97 %;
bij een productiecapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 50 ton zwavel per dag : 98 %;
bij een productiecapaciteit van meer dan 50 ton zwavel per dag:
a) 99,5 % bij Claus-installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2004;
b) 99 % bij andere Claus-installaties dan die welke bedoeld worden onder a).

 

 

§ 3.

Er geldt een emissiegrenswaarde voor waterstofsulfide in de geloosde afgassen, die daarvoor vooraf worden behandeld in een naverbrandingsinstallatie, van 10 mg/Nm³.

 

§ 4.

De SO2-emissieconcentraties en de zwavelomzettingsgraad van Claus-eenheden die deel uitmaken van een petroleumraffinaderij worden geregeld door artikel 5.20.2.2 en 5.20.2.7 (« Petroleumraffinaderijen ») van hoofdstuk 5.20.


Afdeling 5.7.7.
Produktie van organische chemicaliën of oplosmiddelen


Art. 5.7.7.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in rubriek 7 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen voor de produktie van organische chemicaliën of oplosmiddelen.

 

§ 2.

De afgassen van installaties voor de productie van 1,2-dichloorethaan en van vinylchloride worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid. Daarbij moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:

er geldt voor 1,2-dichloorethaan in de geloosde afgassen, een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³;
voor dioxinen en furanen geldt een emissiegrenswaarde van 0,1 ng TEQ/Nm³. De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.

 

De massaconcentratie van dioxinen en furanen moet op initiatief van en op kosten van de exploitant ten minste eenmaal per jaar gemeten worden volgens de voorschriften van de norm NBN EN 1948 door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL. Elke gemeten emissiegrenswaarde voldoet na verrekening van de nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, aan de voorgeschreven emissiegrenswaarde. Als de gemeten concentratie, na verrekening van de voormelde nauwkeurigheid, de emissiegrenswaarde overschrijdt, zijn binnen drie maanden een nieuwe monstername en analyse verplicht.

 

§ 3.

De afgassen die uit het reactorsysteem en de absorber komen van een installatie voor de productie van acrylonitril, worden naar een verbrandingsinstallatie geleid. Er geldt voor acrylonitril in de geloosde afgassen een emissiegrenswaarde van 0,2 mg/Nm³. De afgassen die vrijkomen bij de zuivering van de reactieproducten (destillatie) en bij het afvullen, worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Afdeling 5.7.8.
Produktie van koolwaterstoffen in petrochemische installaties niet behorend tot een petroleumraffinaderij


Art. 5.7.8.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in rubriek 7.3 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen voor de produktie van koolwaterstoffen.

 

§ 2.

Afgassen die bij procesinstallaties discontinu vrijkomen, zoals afgassen die bij het regenereren van katalysatoren, bij inspectie- en bij schoonmaakwerkzaamheden voorkomen, moeten naar een verbrandingsinstallatie worden geleid of gelijkwaardige maatregelen tot emissievermindering moeten worden toegepast.

 

§ 3.

Afgassen die bij het opstarten of stilleggen van de installatie vrijkomen, moeten zoveel mogelijk via een opvangsysteem voor afgassen worden teruggeleid of in processtookinstallaties worden verbrand. Wanneer dit niet mogelijk is moeten de afgassen naar een fakkel worden geleid waarin voor organische stoffen een emissiegraad van 1 %, ten opzichte van het totale koolstofgehalte, niet mag worden overschreden.

 

§ 4.

Afgassen uit ontzwavelingsinstallaties of andere bronnen met een volumegehalte aan waterstofsulfide van meer dan 0,4% en een massastroom aan waterstofsulfide van meer dan 2 ton/dag worden verder verwerkt.

 

Afgassen die niet verder worden verwerkt, worden naar een naverbrandingsinstallatie geleid.

 

Er geldt voor waterstofsulfide in het geloosde afgas een emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm³.

 

Waterstofsulfidehoudend water mag pas zo worden verwerkt als daarbij geen afgas in de atmosfeer kan terechtkomen.

 

§ 5.

Bij het overladen van uitgangs-, tussen- en eindprodukten moeten de emissies aan organische stoffen met een dampdruk van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C door passende maatregelen worden verminderd, zoals door gaspendel, afzuigen en overbrengen naar een afgasbehandelingsinstallatie.

 

§ 6.

[...]

 

§ 7.

Proceswater mag pas na ontgassen in een open systeem worden geleid. De hierbij opgevangen afgassen moeten door wassen of verbranden worden gereinigd.


Afdeling 5.7.9.
Produktie van koolstof


Art. 5.7.9.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in subrubriek 7.1 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen voor de produktie van koolstof (harde bruinkool) of elektrografiet voor bv. elektroden, stroomafnemers of apparaatonderdelen.

 

§ 2.

De volgende emissiegrenswaarden voor organische stoffen, uitgedrukt in mg/Nm³, zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

bij mengen en vormen, van meng- en vormgevingsinstallaties waarin pek, teer of andere vluchtige bind- en vloeimiddelen bij verhoogde temperatuur worden verwerkt, uitgedrukt als totaal organische koolstof: 100 mg/Nm³;
bij branden, van ovens met één kamer, ovens met gecombineerde kamers en tunnelovens, uitgedrukt als totaal organische koolstof: 500 mg/Nm³;
bij branden, van ringovens voor grafietelektroden en koolstofstenen, uitgedrukt als totaal organische koolstof: 200 mg/Nm³;
bij impregneren, van impregneerinstallaties waarin impregneermiddelen op teerbasis worden gebruikt, uitgedrukt als totaal organische koolstof: 50 mg/Nm³.

Afdeling 5.7.10.
Fabricatie van peroxyden


Art. 5.7.10.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 7.6 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De organische peroxyden mogen enkel worden gefabriceerd mits hiervoor in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit uitdrukkelijk toelating is verleend;

 

De organische peroxyden die zeer heftig thermisch kunnen exploderen en/of kunnen detoneren dienen in de inrichting bewaard op een temperatuur lager dan de in functie van de aard van de stof uit veiligheidsoogpunt toelaatbare maximumtemperatuur; voor de hierna aangegeven stoffen bedraagt deze maximumtemperatuur respectievelijk:

 

- acetylcyclohexaansulfonylperoxyde:

- 10 C°;

- barnsteenzuurperoxyde:

+ 10 C°;

- ter-butylperoxydeisopropylcarbonaat:

kamertemperatuur;

- tert-butylperoxypivalaat:

- 10 °C;

- dibenzoylperoxyde:

kamertemperatuur;

- dicyclohexylperoxydicarbonaat:

+ 5 °C;

- diisopropylperoxydicarbonaat:

- 15 °C.

 

§ 3.

De in § 2 bedoelde peroxyden die uit veiligheidsoogpunt op een temperatuur lager dan de kamertemperatuur in de inrichting dienen bewaard, moeten worden opgeslagen:

ofwel in koel- of diepvrieskasten opgesteld in het fabricatiegebouw, in welk geval per kast een hoeveelheid van maximum 30 kg niet-gekoelde organische peroxyden mag worden bewaard;
ofwel in koel- of diepvrieskasten, opgesteld in een vrijstaand opslaggebouw waarin uitsluitend bedoelde peroxyden worden opgeslagen, in welk geval per kast een hoeveelheid van maximum 150 kg niet-gekoelde organische peroxyden mag worden bewaard;
ofwel in een vrijstaand uitsluitend daartoe bestemd koelgebouw, in welk geval, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, in één koelgebouw een hoeveelheid van maximum 500 kg niet-gekoelde organische peroxyden mag worden bewaard.

Afdeling 5.7.11.
Produktie van polyvinylchloride


Art. 5.7.11.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in rubriek 7 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen voor de productie van polyvinylchloride.

 

§ 2.

Op de overgangsplaats van het gesloten systeem voor het opwerken of drogen naar het open systeem moet het restgehalte aan vinylchloride (VC) in het polymerizaat zo laag mogelijk worden gehouden. Daarbij mogen de volgende maximumwaarden van het maandgemiddelde niet worden overschreden:

 

- massa-PVC

10 mg VC / kg PVC;

- suspensie-homopolymerizaten

0,10 g VC / kg PVC;

- suspensie-copolymerizaten

0,40 g VC / kg PVC;

- micro-suspensie-PVC en emulsie-PVC

1,5 g VC / kg PVC.

 

 

§ 3.

Ter verdere vermindering van de massaconcentratie aan vinylchloride in het afgas moet voor zover mogelijk het afgewerkte afgas van de drooginstallatie worden gebruikt als verbrandingsgas in stookinstallaties.


Afdeling 5.7.12.
Productie van caprolactam


Art. 5.7.12.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in rubriek 7 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen voor de productie van caprolactam.

 

§ 2.

Bij de productie van caprolactam volgens het Raschig-procédé mag de emissie van NO2 maximaal 15 kg NOx/ton geproduceerd caprolactam bedragen.


Afdeling 5.7.13.
Productie van polyacrylonitril-kunststoffen


Art. 5.7.13.1.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 7 van de indelingslijst, voor de productie van polyacrylonitril-kunststoffen.

 

§ 2. Productie en verwerking van acrylonitril-polymerizaten voor vezels.

Er geldt voor acrylonitril in het geloosde afgas van de drooginstallaties een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3.

 

De acrylonitrilhoudende afgassen die afkomstig zijn uit de reactieketels, uit de intensieve afgassing, uit de suspensieverzamelbak en uit de wasfilter worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid. Er geldt voor acrylonitril in het geloosde afgas een emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm3.

 

Bij het tot vezels verspinnen van het polymeer worden de stromen afgas met een acrylonitril-gehalte van meer dan 5 mg/m3 naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 3. Productie van ABS-kunststoffen.

Emulsiepolymerisatie:

de acrylonitrilhoudende afgassen die vrijkomen bij de polymerisatie, bij het neerslaan en bij het reinigen van de reactor worden naar een verbrandingsinstallatie geleid; er geldt voor acrylonitril in het geloosde afgas van de drooginstallatie een emissiegrenswaarde van 25 mg/Nm3 als maandgemiddelde; 

Gecombineerde oplossing-/emulsiepolymerisatie:

de acrylonitrilhoudende afgassen die vrijkomen bij de reactoren, bij de tussenopslag, bij het neerslaan, bij het ontwateren, bij het terugwinnen van oplosmiddelen en bij de mengers worden naar een verbrandingsinstallatie geleid; er geldt voor de vrijkomende emissies van acrylonitril in de buurt van de mengerafvoer een emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm3 als maandgemiddelde. 

 

§ 4. Productie van NBR-rubber.

De acrylonitrilhoudende afgassen die vrijkomen bij de butadieenterugwinning, bij de latex-tussenopslag en bij het wassen van de vaste rubber worden naar een verbrandingsinstallatie geleid.

 

De afgassen die bij de acrylonitrilterugwinning vrijkomen, worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

Er geldt voor acrylonitril in het afgas van de drooginstallatie een emissiegrenswaarde van 15 mg/Nm3.

 

§ 5. Productie van dispersies door emulsiepolymerisatie van acrylonitril.

De acrylonitrilhoudende afgassen die vrijkomen uit de monomeerontvangers, uit de reactoren, uit de tussenopslagtanks en uit de condensatoren worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid als het acrylonitrilgehalte meer dan 5 mg/m3 bedraagt.


Afdeling 5.7.14.
Productie en verwerking van viscose


Art. 5.7.14.1.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 7, voor de productie van viscose.

 

§ 2.

De afgassen van de viscoseproductie, van het opwerken van het spinbad en van de nabehandeling bij de productie van textielrayon worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op het geloosde afgas:

voor waterstofsulfide: 5 mg/Nm3 als daggemiddelde;
voor koolstofdisulfide: 0,10 g/Nm3 als daggemiddelde.

 

§ 3.

Bij de productie van celwol en cellofaan worden de afgassen van de spinmachines en van de nabehandeling naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op het geloosde afgas:

voor waterstofsulfide: 5 mg/Nm3 als daggemiddelde;
voor koolstofdisulfide: 0,15 g/Nm3 als daggemiddelde.

 

§ 4.

De beste beschikbare technieken worden toegepast om de emissies van waterstofsulfide en koolstofdisulfide maximaal te beperken en zo mogelijk te voorkomen.

 

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op het geloosde afgas:

voor waterstofsulfide : 50 mg/Nm³ als daggemiddelde;
voor koolstofdisulfide naargelang het viscoseproduct:
  a) celwol : 150 mg/Nm³;
  b) cellofaan : 150 mg/Nm³;
  c) rayon (textiel) : 150 mg/Nm³;
  d) kunstdarm : 400 mg/Nm³;
  e) kunstzeem : 400 mg/Nm³;
  d) rayon (technisch) : 600 mg/Nm³.

 


Afdeling 5.7.15.
Productie van email


Art. 5.7.15.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in rubriek 7 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen voor de productie van email.


Art. 5.7.15.2.

§ 1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de emailproductie:

voor gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als waterstoffluoride: 15 mg/Nm³ met als richtwaarde 5 mg/Nm³;
voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2: 15 kg per ton geproduceerd email als maandgemiddelde met een maximale concentratie van 2.200 mg/Nm³ met als richtwaarde 500 mg/Nm³.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden de emissiewaarden van de stoffen, vermeld in paragraaf 1, continu gemeten.


Afdeling 5.7.16.
Batchprocessen in de fijnchemie en de farmacie


Art. 5.7.16.1.

Voor processen in de fijnchemie en de farmacie worden de voorwaarden voor de emissiegrenswaarde in mg/Nm3 voor batchprocessen die niet groter zijn dan 500 kg zuiver eindproduct per batch, vervangen door de volgende regelgeving:

het proces moet voldoen aan een maximale totale emissie van maximum 15 % van de solventinput.


Afdeling 5.7.17.
Productie van soda


Art. 5.7.17.1.

Deze afdeling is van toepassing op inrichtingen voor de productie van soda, vermeld in rubriek 7.9 van de indelingslijst.


Art. 5.7.17.2.

Er geldt een emissiegrenswaarde voor CO van 175 mg/Nm³ voor de geloosde afgassen van de stookinstallaties voor de productie van soda.

 

De concentratie CO in de afgassen van de stookinstallaties voor de productie van soda wordt continu gemeten.

 

De installatie voldoet aan de emissiegrenswaarde, vermeld in het eerste lid, als uit de evaluatie van de resultaten van de continue metingen voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar blijkt dat geen gevalideerd maandgemiddelde hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde en geen gevalideerd daggemiddelde hoger is dan het dubbele van de toepasselijke emissiegrenswaarde.


Hoofdstuk 5.8.
DIAMANTBEWERKING


Art. 5.8.0.1.

Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 april 1970 betreffende de aanneming van de werkplaatsen van de diamantnijverheid dienen de inrichtingen bedoeld in rubriek 8 van de indelingslijst te voldoen aan de volgende voorwaarden:

de bij de diamantbewerking ontstane stofemissies dienen op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en geloosd via een schoorsteen die tenminste één meter hoger is dan de daknok van de inrichting;
volgende emissiegrenswaarden gelden voor stofdeeltjes totaal met betrekking tot de langs de in sub 1° bedoelde schoorsteen geloosde afvalgassen:
a) bij een massastroom van <= 500 g/h: 150,0 mg/Nm3;
b) bij een massastroom van > 500 g/h: 50,0 mg/Nm3.

 


Hoofdstuk 5.9.
DIEREN


Afdeling 5.9.1.
Toepassingsgebied


Art. 5.9.1.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7, 9.8 en 9.9 van de indelingslijst alsmede op de opslagplaatsen van dierlijke mest bedoeld in subrubriek 28.2 van de indelingslijst die zijn gehecht aan voormelde inrichtingen.


Art. 5.9.1.2. [...]

Afdeling 5.9.2.
Bijkomende voorwaarden voor de beperking van ammoniakemissie


Stallen.


Art. 5.9.2.1.

§ 1.

Een stal dient gebouwd uit duurzame en degelijke materialen overeenkomstig een code van goede praktijk, of bij ontstentenis daarvan volgens de regels van goed vakmanschap, onder het toezicht van een architekt, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde of een landbouwkundig ingenieur of een bio-ingenieur derwijze dat de hinder voor het leefmilieu wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast.

 

§ 2.

De volle vloeren van een stal zijn uitgevoerd in verhard materiaal. Ze moeten mestdicht zijn. Indien nodig dient de mestdichtheid verzekerd te worden door een mestbestendige afdichtingslaag. Deze vloeren hellen af teneinde een gemakkelijke afvoer van mest, mengmest of spoelwaters te verzekeren.

 

§ 3.

Het is verboden vloeren van stallen, mestkanalen en mestkelders te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput.


Bijkomende constructie- en gebruiksvoorwaarden voor stallen met betrekking tot de beperking van ammoniakemissie.


Art. 5.9.2.1bis.

§ 1

Voor alle pluimvee- en varkensinrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt verleend voor:

- de exploitatie van een nieuwe inrichting, al dan niet in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting
- de verandering van een bestaande veeteeltinrichting waarbij een of meerdere nieuwe stallen worden gebouwd
- de verandering van een bestaande veeteeltinrichting door samenvoeging van veeteeltinrichtingen waarbij tevens één of meerdere nieuwe stallen worden gebouwd

dienen de nieuw te bouwen stallen ammoniakemissiearm te worden gebouwd indien er voor de betreffende diercategorie een techniek is opgenomen in de lijst van ammoniakemissiearme stallen [...].

 

Deze verplichting geldt niet voor:

een pluimvee-inrichting met in totaal minder dan 500 stuks pluimvee;
een varkensinrichting met in totaal minder dan 50 varkens (inclusief biggen).

 

§ 1/1.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, stelt de lijst van ammoniakemissiearme stallen vast, alsook de nadere regels voor de aanvraag tot wijziging van de lijst.

 

§ 2.

Na afwerking van de bouw van een ammoniakemissiearme stal en de uitvoering van de verschillende daarin verwerkte amoniakemissiearme stalsystemen dient door de toezichthoudende architect, ingenieur-architect, burgerlijk bouwkundig ingenieur, industrieel ingenieur bouwkunde, landbouwkundig ingenieur of bio-ingenieur, een attest afgeleverd te worden dat aantoont dat de bouwwerken werden uitgevoerd conform de ammoniakemissiearme staltechnieken zoals beschreven in de lijst vastgesteld bij besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu. Dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

 

§ 3.

Stallen die gebouwd werden volgens staltechnieken die als ammoniakemissiearm werden beschouwd bij besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu, behouden hun statuut van ammoniakemissiearme stal, zelfs indien de techniek bij volgende ministeriële besluiten tot vaststelling van de ammoniakemissiearme staltechnieken niet langer wordt weerhouden. Bij verbouwingen van deze stal waarbij de verbouwing een negatieve impact heeft op de ammoniakemissie, moet voldaan worden aan de eisen voor ammoniakemissiearme stallen zoals opgenomen in de meest recente versie van de lijst.

 

§ 4.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, stelt nadere regels vast voor de uitvoering en het gebruik van de ammoniakemissiearme stallen die op de lijst opgenomen zijn met het oog op het behoud van de ammoniakemissieverminderende aspecten van die stallen.

 

§ 5.

De inlaat en de uitlaat van een luchtwassysteem is bereikbaar en toegankelijk met het oog op de veilige en praktische uitvoering van controlemetingen conform een code van goede praktijk. Voor installaties die voor 1 juli 2016 vergund zijn, geldt deze verplichting, vanaf 1 september 2018.


Opslagplaatsen voor vaste dierlijke mest buiten de stal.


Art. 5.9.2.2.

§ 1.

Permanente opslagplaatsen van vaste dierlijke mest buiten de stal dienen voorzien te zijn van een vloer uitgevoerd in verhard materiaal. De vloer moet mestdicht zijn. Indien nodig dient de mestdichtheid verzekerd te worden door een mestbestendige afdichtingslaag.

 

Deze opslagplaatsen moeten langs drie zijden omgeven zijn door mestdichte wanden van voldoende hoogte die aan dezelfde eisen voldoen als deze gesteld aan de vloer. De vierde zijde moet dermate aangelegd zijn dat afspoeling van het drain- en regenwater uit deze permanente opslagplaats niet mogelijk is.

 

§ 2.

De vloer is zodanig uitgevoerd dat dunne mest en afvloeiwater worden opgevangen en verzameld in mestdichte, gesloten opslagruimten (aalputten).

 

De plaatsing wordt zo gekozen dat het risico op verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt de de helling en de afvloeirichting van de vloer van de mestopslagplaats niet in de richting van oppervlaktewater georiënteerd. Die verplichting geldt alleen voor mestopslagplaatsen die na 1 juli 2016 vergund zijn.

 

§ 3.

De inplanting wordt zodanig gekozen dat geurhinder voor de omgeving wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast.

 

§ 4.

Het is verboden opslagplaatsen voor vaste dierlijke mest en de bijhorende aalputten te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput.

 

§ 5.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient de inrichting, ingeval op de inrichting vaste dierlijke mest geproduceerd wordt, te beschikken over één of meer mestopslagplaatsen voor vaste dierlijke mest met een totale capaciteit die voldoende is om ten minste de hoeveelheid vaste dierlijke mest te stockeren die gedurende een periode van 6 maanden wordt geproduceerd door de dieren die op basis van het aantal dierplaatsen in de stal(len) kunnen worden gehouden.

 

Ten laatste op 31 december 2011 wordt deze capaciteit op een hoeveelheid overeenstemmend met 9 maanden gebracht voor dieren die steeds op stal staan.

 

In afwijking van voorgaande bepalingen bedraagt voor stalmest de periode ten minste 3 maanden.

 

Het benodigde volume dient berekend op basis van de richtlijnen voor opslagcapaciteit voor mest vermeld in bijlage 5.9., hoofdstuk 7.

 

Aan deze bepalingen wordt eveneens geacht voldaan te zijn wanneer de exploitant van de inrichting aantoont op een andere reglementaire manier gedurende de beschouwde periode te kunnen voorkomen dat de voormelde mesthoeveelheid of een gedeelte ervan op cultuurgrond wordt opgebracht.


Opslagplaatsen voor mengmest.


Art. 5.9.2.3.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, dient de inrichting met mengmest te beschikken over één of meer mestopslagplaatsen met een totale capaciteit die voldoende is om ten minste de hoeveelheid mest te stockeren die gedurende een periode van 6 maanden wordt geproduceerd door de dieren die op basis van het aantal dierplaatsen in de stal(len) kunnen worden gehouden.

 

Ten laatste op 31 december 2011 wordt deze capaciteit op een hoeveelheid overeenstemmend met 9 maanden gebracht voor dieren die steeds op stal staan. Het benodigde volume dient berekend op basis van de richtlijnen voor opslagcapaciteit voor mest vermeld in bijlage 5.9, hoofdstuk 7.

 

Aan deze bepalingen wordt eveneens geacht voldaan te zijn wanneer de exploitant van de inrichting aantoont op een andere reglementaire manier gedurende de beschouwde periode te kunnen voorkomen dat de voormelde mesthoeveelheid of een gedeelte ervan op cultuurgrond wordt opgebracht.

 

§ 2.

De bodem, de wanden en de kanaalverbindingen met stallen of andere opslagruimten dienen gebouwd uit duurzame en degelijke materialen volgens de regels van goed vakmanschap zoals vermeld in bijlage 5.9., hoofdstuk 1 of 2 bij dit besluit, onder de controle van een architekt, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde, een landbouwkundig ingenieur of een bio-ingenieur derwijze dat de hinder voor het leefmilieu wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast.

 

In afwijking van voorgaande bepaling, is het voor bestaande inrichtingen ook toegelaten dat de bij de inrichting opgerichte opslagplaatsen van mengmest voldoen aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 5.9, hoofdstuk 3 (foliebassins en mestzakken).

 

Opslagplaatsen voor mengmest kunnen ondergronds of gelijk aan of boven de belendende grond worden gebouwd.

 

§ 3.

Het is verboden opslagplaatsen voor mengmest te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput.

 

§ 4.

Opslagplaatsen gelegen buiten de stallen zijn, de noodzakelijke ontluchtingspijpen uitgezonderd, afgesloten van de buitenlucht. Voor de opslagplaatsen bestemd voor opslag van effluenten met een laag gehalte aan ammoniakale stikstof, zoals bepaald in het meststoffendecreet, afkomstig van mestbe- of mestverwerkingsinstallaties kan hiervan worden afgeweken in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 5.

Ingeval van een mestkelder dienen de zuig- en vulleidingen voor het ledigen en (eventueel) vullen van de mengmestkelder evenals de noodzakelijke openingen voor het mengen van de inhoud van de mengmestkelder buiten de stal gelegen te zijn. Er moet een mestdichte voorziening zijn om gemorste mengmest op te vangen tijdens het vullen en/of lossen. Een mengmestkelder moet zodanig zijn uitgevoerd dat er geen ruimten boven de mest kunnen ontstaan die volledig van de buitenlucht zijn afgesloten.
Ingeval van een ander type van mengmestopslagplaats dient ter plaatse van de vul- en zuigleiding een mestdichte morsput van tenminste 125 l. aanwezig te zijn; leidingen en afsluiters die niet op een vorstvrije diepte zijn aangelegd, moeten tegen bevriezen worden beschermd; in een vul- of aftapleiding die onder druk staat van de inhoud van de opslagplaats moeten tenminste twee afsluiters aanwezig zijn; de buitenste afsluiter moet met een veiligheidsslot kunnen worden afgesloten; in de leidingen waarin hevelwerking kan optreden moeten afsluiters en ontluchtingsvoorzieningen zijn aangebracht.

 

§ 6.

Binnen een waterwingebied en/of de beschermingszones type I, II of III mogen enkel mengmestkelders met bodem en opstaande muren uit gewapend beton, overeenkomstig de huidige Belgische en/of Europese normen en voorschriften of mestsilo's, worden geëxploiteerd. In geval van het gebruik van andere materialen dient de degelijkheid van de voorgestelde uitvoering door een deskundige studie te worden aangetoond. Deze studie wordt ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid.


Plaatsen voorzien voor mestbewerkings- of mestverwerkingsinstallaties.


Art. 5.9.2.4.

§ 1.

Bij het gebruik van een installatie voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest worden de nodige voorzieningen getroffen opdat eventueel gemorste mest kan worden opgevangen en terug in de bestaande mestopslag terecht komt.

 

De exploitant neemt alle noodzakelijke maatregelen teneinde te voorkomen dat reinigingswater, percolaat of mest kan terecht komen op de bodem en zeker niet kan terechtkomen in de afvoeren die bestemd zijn voor de afvoer van hemelwater.


Afdeling 5.9.3.
Algemene voorwaarden met betrekking tot de ligging van stallen


Art. 5.9.3.1. [...]

Afdeling 5.9.4.
Bijkomende voorwaarden met betrekking tot de ligging van varkensstallen


Waarderingspunten.


Art. 5.9.4.1.

In functie van de conceptie van de stal enerzijds en van de wijze van inrichting van de mestopslag anderzijds wordt aan elke varkensstal en/of mestopslag behorende tot de inrichting een waardering toegekend uitgedrukt in punten als volgt:

 

 Omschrijving Punten
1) Stalsystemen:  
a) stal uitgerust met een systeem voor mestafvoer meerdere malen per dag (cfr. spoelmestsysteem)  80
b)  diepstrooiselstal (enzymen - compost)  80
c) potstal, waaronder verstaan een stal waarin de dieren op geregelde tijdstippen voldoende bijgestrooid worden en waarbij de volledige strooisellaag slechts wordt verwijderd na een volledige stalperiode, dit is nadat de dieren de stal hebben verlaten;   60
d) stal met volle vloer, ingestrooid (inbegrepen betonplaten met conische openingen, de zgn. "strorooster");   30
e)  stalvloer met een roosteroppervlakte van meer dan 50 %;
Noot: onder stalvloer wordt verstaan de ruimte waar dieren kunnen aanwezig zijn.
 20
f) stalvloer met een roosteroppervlakte van 50 % of minder  10
g) stal met volle vloeren, niet ingestrooid.  10
h) ammoniakemissie-arme stal   110
2)  Stalverluchtingssystemen:  
a) Mechanische verluchtingssystemen aangesloten op een installatie ter bestrijding van geurhinder;    110
b) Mechanische verluchtingssystemen niet aangesloten op een installatie ter bestrijding van geurhinder;   
Met verticale uitstoot:   

a)

uitlaatopening 0,5 m of meer boven de nok  
- zonder pet  50
- met pet  30
b) uitlaatopening minder dan 0,5 m boven de nok   
- zonder pet  40
- met pet  20
Met zijdelingse uitstoot   10
c) Natuurlijke verluchtingssystemen:  
1°   zonder afdekking (open nok-trekschouw)  20
met afdekking   10
3)  Opslag van vaste dierlijke mest:  
a) driezijdig omsloten mestvaalt;    50
b) transportwagen;   50
c) potstal, waaronder verstaan een stal waarin de dieren op geregelde tijdstippen voldoende bijgestrooid worden en waarbij de volledige strooisellaag slechts wordt verwijderd na een volledige stalperiode, dit is nadat de dieren de stal hebben verlaten.   0
4) Opslag mengmest  
a) opslag in het stalgebouw:    
- mestkelder onder stalvloer, zonder geurafsnijder;  20
- mestkelder onder rooster, zonder geurafsnijder;    20
- mestkelder onder rooster, met geurafsnijder, met beperkte opslag (max. 3 weken)   50
b)  opslag buiten de stal  
- gesloten opslag;   50
- eenvoudige afdekking;  30
- open opslag.  0

 

Voor nieuwe systemen, die niet in deze tabel voorkomen, kan de aanvrager, steunend op een gelijkwaardige benadering als deze van voormelde tabel, een gemotiveerd voorstel doen van bepaling van het aantal punten. Dit voorstel kan gevoegd worden, hetzij bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, hetzij bij een afwijkingsaanvraag op bepalingen van dit reglement.


Waarderingspunten per inrichting.


Art. 5.9.4.2.

Het voor de inrichting in aanmerking te nemen aantal waarderingspunten wordt berekend op de wijze als hierna bepaald.
 

Varkensstallen:
a) Per varkensstal:
Aan elke varkensstal behorende tot de inrichting wordt een aantal waarderingspunten "Wst" toegekend als de som van het aantal punten dat overeenkomstig artikel 5.9.4.1. voor het stalsysteem (sub 1) van artikel 5.9.4.1.) en voor het stalverluchtingssysteem (sub 2) van artikel 5.9.4.1.) met betrekking tot de stal dient toegekend.
b) Voor alle stallen behorende tot de inrichting:
In geval de inrichting meerdere varkensstallen omvat, wordt aan alle varkensstallen behorende tot de inrichting gezamenlijk een aantal waarderingspunten "Wv" toegekend als het gewogen gemiddelde, berekend als volgt:

waarin:
Wv = het aantal waarderingspunten toegekend aan alle varkensstallen behorende tot de inrichting;
∑ (Wstn x Vstn) = de som van de produkten van het aantal waarderingspunten per varkensstal met het aantal varkensplaatsen van de overeenstemmende varkensstal;
∑ Vstn = de som van het aantal varkensplaatsen van alle varkensstallen behorende tot de inrichting.
Opslagplaatsen van vaste dierlijke mest en van mengmest:
a) Per mestopslag:
Aan elke opslag van vaste dierlijke mest (sub 3) van artikel 5.9.4.1. alsmede aan elke opslag van mengmest (sub 4) van artikel 5.9.4.1. behorende tot de inrichting wordt overeenkomstig artikel 5.9.4.1. een aantal waarderingspunten toegekend.
b) Voor alle opslagplaatsen van dierlijke mest behorende tot de inrichting:
In geval de inrichting meerdere mestopslagplaatsen omvat, dienen aan alle mestopslagplaatsen behorende tot de inrichting gezamenlijk een aantal waarderingspunten "Wm" toegekend als het gewogen gemiddelde, berekend als volgt:

waarin:
Wm = het aantal waarderingspunten toegekend aan alle opslagplaatsen van vaste dierlijke mest en van mengmest behorende tot de inrichting;
∑ (WMon X A) = de som van de produkten van het aantal waarderingspunten per opslagplaats van vaste dierlijke mest en/of van mengmest met het aantal dieren waarvan de mest opgevangen wordt in de betrokken opslagplaats;
∑ A = de som van het aantal dieren waarvan de mest wordt opgevangen in de betrokken opslagplaats.
De inrichting:
Het aantal waarderingspunten dat aan de inrichting wordt toegekend is gelijk aan de som van het aantal waarderingspunten overeenkomstig sub 1° en sub 2° respectievelijk toegekend aan alle varkensstallen behorende tot de inrichting gezamenlijk en de verschillende mestopslagplaatsen behorende tot de inrichting gezamenlijk.

Verbods- en afstandsregels.


Art. 5.9.4.3.

Het is verboden varkenshouderijen te exploiteren, indien zij gelegen zijn :

geheel of gedeeltelijk in een waterwingebied en/of een beschermingszone type I, II of III;

geheel of gedeeltelijk in een gebied ander dan agrarische gebieden.

 


Art. 5.9.4.4.

Tussen elke stal en/of opslag van vaste dierlijke mest of mengmest van de inrichting gelegen in agrarisch gebied enerzijds en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan een woongebied met een landelijk karakter en ten opzichte van elk in het bosdecreet van 13 juni 1990 aangegeven bosreservaat anderzijds, moet in functie van het aantal varkens dat in de inrichting wordt gehouden, uitgedrukt in varkenseenheden, en van het overeenkomstig artikel 5.9.4.2 voor de inrichting berekend aantal waarderingspunten, ten minste de volgende afstand bestaan:

 

Waarderingspunten, toegekend

aan de inrichting

Minimale afstand in meter bij volgend aantal varkenseenheden

van 100

tot 500

van 501

tot 1 050

van 1 051

tot 1 575

van 1 576

tot 2 100

van 2 101

tot 2 625

meer dan

2 625

<50 250 300 350 verbod verbod verbod
50 − 100 200 225 250 300 350 400
101 − 150 100 150 200 250 300 350
151 − 200 50 100 150 200 250 300
> 200 50 50 100 150 200 300

 

voor de toepassing van voormelde bepalingen wordt :

- één zeug inclusief biggen gelijkgesteld aan 2,5 varkenseenheden;

- een ander varken > 10 weken gelijkgesteld aan 1 varkenseenheid.

 

 


Art. 5.9.4.5. [...]

Art. 5.9.4.6.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

[...]


Afdeling 5.9.5.
Bijkomende voorwaarden met betrekking tot de ligging van pluimveestallen


Waarderingspunten.


Art. 5.9.5.1.

§ 1.

In functie van de conceptie van de stal enerzijds en van de wijze van inrichting van de mestopslag anderzijds wordt aan elke pluimveestal en/of mestopslag behorende tot de inrichting een waardering toegekend uitgedrukt in punten als volgt:

 

 Omschrijving Punten
1) Stalsystemen  
a) strooiselvloer (droge mest);   60
b) roostervloer (dunne mest);   20
c) batterij zonder geforceerde mestdrogerij;   
- open mestopslag onder de batterij;   20
- regelmatige mestafvoer naar een afgesloten put;   40
- dagelijkse mestafvoer naar een afgesloten put;   80
d) batterij met geforceerde mestdroging door middel van ventilatoren, plafondwaaiers of een vergelijkbaar systeem (bv deeppit- of highrisestal kanalenstal mestbandbatterij met mestdroging)   110
e) ammoniakemissie-arme stal   110
2) Stalverluchtingssysteem  
a) Mechanische verluchtingssystemen aangesloten op een installatie ter bestrijding van geurhinder;   110
b) Mechanische verluchtingssystemen niet aangesloten op een installatie ter bestrijding van geurhinder;   
Met vertikale uitstoot:   
a) uitlaatopening 0,5 m of meer boven de nok   
 - zonder pet   50
 - met pet   30
 b) uitlaatopening minder dan 0,5 m boven de nok   
 - zonder pet 40
 - met pet  20
Met zijdelingse uitstoot;  10
c) Natuurlijke verluchtingssystemen  
zonder afdekking (open nok - trekschouw);  20
met afdekking;  10
3) Opslag dierlijk mest  
- geen opslag van mest (onmiddellijke afvoer); 50
- gesloten opslag;  40
- eenvoudige afdekking;  30
- open opslag, open mestgoten  0

 

Voor nieuwe systemen, die niet in deze tabel voorkomen, kan de aanvrager, steunend op een gelijkwaardige benadering als deze van voormelde tabel, een gemotiveerd voorstel doen van bepaling van het aantal punten. Dit voorstel kan gevoegd worden, hetzij bij het dossier voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, hetzij bij een afwijkingsaanvraag op bepalingen van dit reglement.


Waarderingspunten per inrichting.


Art. 5.9.5.2.

Het voor de inrichting in aanmerking te nemen aantal waarderingspunten wordt berekend op de wijze als hierna bepaald.

Pluimveestallen:
a) Per pluimveestal:
Aan elke pluimveestal behorende tot de inrichting wordt een aantal waarderingspunten "Wst" toegekend als de som van het aantal punten dat overeenkomstig artikel 5.9.5.1. voor het stalsysteem (sub 1) van artikel 5.9.5.1.) en voor het stalverluchtingssysteem (sub 2) van artikel 5.9.5.1.) met betrekking tot de stal dient toegekend.

b)

c)

Voor alle stallen behorende tot de inrichting:
In geval de inrichting meerdere pluimveestallen omvat, wordt aan alle pluimveestallen behorende tot de inrichting gezamenlijk een aantal waarderingspunten "Wp" toegekend als het gewogen gemiddelde, berekend als volgt:

waarin:
Wp = het aantal waarderingspunten toegekend aan alle pluimveestallen behorende tot de inrichting;
∑ (Wstn x Pstn) = de som van de produkten van het aantal waarderingspunten per pluimveestal met het aantal stuks gevogelte dat in de overeenstemmende pluimveestal kan gehouden worden;
∑ Pstn= de som van het aantal stuks gevogelte dat in alle pluimveestallen behorende tot de inrichting kan worden gehouden.
Opslagplaatsen van dierlijke mest:
a) Per opslag dierlijke mest:
Met betrekking tot de opslag van dierlijke mest (sub 3) van artikel 5.9.5.1.) behorende tot de inrichting wordt overeenkomstig artikel 5.9.5.1. een aantal waarderingspunten toegekend.
b) Voor alle opslagplaatsen van dierlijke mest behorende tot de inrichting:
In geval de inrichting meerdere opslagplaatsen van dierlijke mest omvat, dienen aan alle opslagplaatsen behorende tot de inrichting gezamenlijk een aantal waarderingspunten "Wm" toegekend als het gewogen gemiddelde, berekend als volgt:

waarin:
Wm = het aantal waarderingspunten toegekend aan alle opslagplaatsen van dierlijke mest behorende tot de inrichting;
∑ (WMon x A) = de som van de produkten van het aantal waarderingspunten per opslagplaats van dierlijke mest met het aantal dieren waarvan de mest opgevangen wordt in de betrokken opslagplaats;
∑ A = de som van het aantal dieren waarvan de mest wordt opgevangen in de betrokken opslagplaats.
De inrichting:
Het aantal waarderingspunten dat aan de inrichting wordt toegekend is gelijk aan de som van het aantal waarderingspunten overeenkomstig sub 1° en sub 2° respectievelijk toegekend aan alle pluimveestallen behorende tot de inrichting gezamenlijk en de verschillende soorten van opslag van dierlijke mest behorende tot de inrichting gezamenlijk.

Verbods- en afstandsregels.


Art. 5.9.5.3.

§ 1.

Het is verboden inrichtingen omvattende één of meer pluimveestallen met mengmest, ongeacht het aantal stuks gevogelte dat in de inrichting wordt gehouden, te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwingebied en/of een beschermingszone type I, II of III.

 

§ 2.

Het is verboden inrichtingen omvattende één of meer pluimveestallen met gezamenlijk meer dan 2.000 stuks gevogelte te exploiteren die geheel gelegen zijn in een gebied ander dan woongebieden met landelijk karakter of agrarische gebieden.

 

§ 3.

Het is verboden pluimveestallen met gezamenlijk meer dan 10.000 stuks gevogelte te exploiteren die geheel gelegen zijn in een gebied ander dan agrarische gebieden.

 

§ 4.

Tussen elke stal en/of opslag van dierlijke mest van een inrichting, gelegen in een woongebied met landelijk karakter enerzijds, en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan een woongebied met een landelijk karakter anderzijds, dient in functie van het aantal stuks gevogelte dat in de inrichting wordt gehouden en van het overeenkomstig artikel 5.9.5.2. berekend aantal waarderingspunten, tenminste de volgende afstand te bestaan:

 

 

Vereiste minimumafstand in m bij aantal stuks gevogelte

Waarderingspunten toegekend aan de inrichting

< 5000

van 5.001 tot 10.000

< 75

100

150

75 - 150

75

100

151 of meer

50

75

 

Het is verboden in een inrichting, omvattende één of meer pluimveestallen, die geheel gelegen is in een woongebied met landelijk karakter, meer kippen of stuks gevogelte te houden dan het aantal dat in functie van voormelde criteria en de afstandsregels is toegelaten.

 

§ 5.

Tussen elke stal en/of opslag van dierlijke mest of mengmest van een inrichting, gelegen in een agrarisch gebied enerzijds en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan woongebieden met een landelijk karakter anderzijds, dient in functie van het aantal stuks gevogelte dat in de inrichting wordt gehouden en van het overeenkomstig artikel 5.9.5.2. berekend aantal waarderingspunten, tenminste de volgende afstand te bestaan:

 

 

Waarderingspunten toegekend aan de inrichting

Vereiste minimumafstand in m bij aantal stuks gevogelte

≤ 5000

van 5.001 tot 10.000

van 10.001 tot 20.000

van 20.001 tot 40.000

van 40.001 tot 60.000

van 60.001 tot 80.000

> 80.000

< 75

100

150

200

300

400

verbod

verbod

75 -150

75

100

150

225

300

verbod

verbod

151 -200

50

75

100

150

200

250

300

> 200

50

75

100

150

200

225

250

Het is verboden in een inrichting, omvattende een of meer pluimveestallen, die geheel gelegen is in een agrarisch gebied, meer kippen of stuks gevogelte te houden dan het aantal dat in functie van voormelde criteria en de afstandsregels is toegelaten.

 

§ 6.

[...]

 

 


Afdeling 5.9.6.
Bijkomende voorwaarden met betrekking tot de ligging van stallen, andere dan varkens- en pluimveestallen


Art. 5.9.6.1.

§ 1.

Voor gemengde inrichtingen die varkens- en/of pluimveestallen omvatten, zijn de voorschriften van dit hoofdstuk, met inbegrip van de verbods- en afstandsregels, onverminderd van toepassing op de varkensstallen respectievelijk de pluimveestallen behorende tot de gemengde inrichting.

 

§ 2.

Onverminderd de bijzondere milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden opgelegd, gelden voor de stallen andere dan varkens- en pluimveestallen de volgende verbodsregels:

het is verboden inrichtingen omvattende één of meer stallen, andere dan varkens- en pluimveestallen, ongeacht het aantal dieren dat in de inrichting wordt gehouden, te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwingebied en/of een beschermingszone type I, II of III;
het is verboden inrichtingen omvattende één of meer stallen, andere dan varkens- en pluimveestallen met gezamenlijk meer dan 200 gespeende inheemse grote zoogdieren (rubrieken 9.4.2., 9.4.3. en 9.5. van de indelingslijst), meer dan 2.000 gespeende inheemse kleine herkauwers (rubriek 9.6 van de indelingslijst) of meer dan 10.000 gespeende konijnen, knaagdieren, e.d.(rubriek 9.7 van de indelingslijst) te exploiteren die geheel gelegen zijn in een gebied ander dan woongebieden met een landelijk karakter of agrarische gebieden.

Deze aantallen gelden ook bij cumulatie van deze categorieën op grond van volgende omrekeningsfactor:
1 gespeend inheems groot zoogdier = 10 gespeende inheemse kleine herkauwers = 50 gespeende konijnen, knaagdieren, e.d..

[...]
Het is verboden inrichtingen omvattende één of meer stallen, andere dan varkens- en pluimveestallen met gezamenlijk meer dan 500 gespeende inheemse grote zoogdieren (rubrieken 9.4.2., 9.4.3. en 9.5. van de indelingslijst), meer dan 5.000 gespeende inheemse kleine herkauwers (rubriek 9.6 van de indelingslijst) of meer dan 25.000 gespeende konijnen, knaagdieren, e.d.(rubriek 9.7 van de indelingslijst) te exploiteren die geheel gelegen zijn in een gebied ander dan agrarische gebieden.

Deze aantallen gelden ook bij cumulatie van deze categorieën op grond van volgende omrekeningsfactor:

1 gespeend inheems groot zoogdier = 10 gespeende inheemse kleine herkauwers = 50 gespeende konijnen, knaagdieren, e.d..

 

§ 3.

De verbod- en afstandsregels vermeld in § 1 en § 2 zijn niet van toepassing op proefdierinrichtingen. Voor de toepassing van deze bepalingen wordt onder proefdierinrichtingen verstaan : inrichtingen waar levende gewervelde dieren, met inbegrip van vrij levende en/of tot voortplanting in staat zijnde larvale vormen, met uitsluiting van andere foetale of embryonale vormen, worden gehouden die worden gebruikt in proeven, of voor proefdoeleinden zijn bestemd, met uitzondering van inrichtingen waar vee voor praktijkonderzoek wordt ingezet.


Afdeling 5.9.7.
Voorwaarden met betrekking tot controle-inrichtingen


Art. 5.9.7.1.

§ 1.

In de inrichtingen met mengmest waarin ofwel meer dan 2.500 varkens, ofwel meer dan 1.500 inheemse grote zoogdieren andere dan varkens, ofwel meer dan 40.000 stuks gevogelte kunnen worden gehouden, of in de inrichtingen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen de beschermingszones van een grondwaterwinning, worden op kosten van de exploitant waarnemingsbuizen (peilputten) op oordeelkundige wijze aangebracht.

 

De waarnemingsbuizen bestaan uit een materiaal dat door de opgeslagen vloeistoffen niet kan worden aangetast. Ze worden uitgevoerd volgens de regels van goed vakmanschap zoals weergegeven in bijlage 5.9. bij dit besluit of volgens een andere evenwaardige code van goede praktijk.

 

Het aantal en de aard van de inplanting, alsook de uitvoering en de lengte worden bepaald in overleg met de toezichthoudende overheid en, in voorkomend geval, met de exploitant van de te beschermen waterwinning.

 

§ 2.

In overleg met de toezichthoudende overheid en, in voorkomend geval, met de exploitant van de te beschermen waterwinning mogen de onder ' 1 bedoelde waarnemingsbuizen echter vervangen worden door gelijkwaardige controlevoorzieningen die rekening houden met de hydrogeologische gegevens van de bodem.

 

§ 3.

De uitvoeringsplannen en de boorverslagen van de onder vorige §§ 1 en 2 bedoelde waarnemingsbuizen of controle-inrichtingen worden ter beschikking gesteld van de toezichthoudende overheid.


Afdeling 5.9.8.
Voorwaarden met betrekking tot de beperking van de milieuhinder


Voorkoming van geurhinder bij verluchting van stallen.


Art. 5.9.8.1.

§ 1.

De ventilatie van stallen, mechanisch of natuurlijk, is zodanig uitgevoerd dat de verontreiniging van de omgevingslucht wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast.

 

§ 2.

Ramen blijven gesloten voor zover zij geen functie hebben bij de luchtverversing. Buitendeuren die conceptueel geen functie hebben bij de luchtverversing zijn enkel open voor doorgang van personen, dieren of goederen of in geval van overmacht.


Voorkoming van stofhinder afkomstig van droogvoeder.


Art. 5.9.8.2. Droogvoeder, dat aanleiding kan geven tot stofhinder, wordt opgeslagen in silo's of in verpakte vorm.
Maatregelen worden getroffen om hinderlijke stofverspreiding bij het vullen van voedersilo's te voorkomen of tot een vanuit ecologisch oogpunt aanvaardbare grenswaarde te beperken.

Dierlijke mest.


Art. 5.9.8.3.

§ 1.

Het uitspreiden of opslaan van vaste dierlijke mest of mengmest binnen de inrichting buiten de daartoe speciaal voorziene opslagruimten is verboden.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

De geproduceerde dierlijke mest dient overeenkomstig het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen en zijn uitvoeringsbesluiten afgezet op een ecologisch verantwoorde wijze.


Algemene milieuhygiënische maatregelen.


Art. 5.9.8.4.

§ 1.

De inrichting, de dieren en de naaste, eigen omgeving worden in een goede hygiënisch verantwoorde toestand gehouden. Bij reinigingsactiviteiten worden ten minste de volgende of gelijkwaardige maatregelen getroffen:

grof vuil droog verwijderen;
hogedrukreinigers na elke productiecyclus gebruiken;
maatregelen ter voorkoming van vloerbevuiling toepassen;
leidingen en ventilatoren in mechanisch geventileerde stallen regelmatig reinigen;
in een degelijke watertoevoer voorzien.

 

Het reinigingswater van pluimveestallen is geen meststof. Er wordt in voldoende opslagcapaciteit voorzien zodat het reinigingswater kan worden uitgereden op het land. Elke lozing van het reinigingswater in de openbare riolering, in een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of in een oppervlaktewater is verboden, tenzij de nodige vergunning is verleend.

 

§ 2.

Het maximum aantal dieren in elke stal is volgens landbouwtechnische normen begrensd door het type en de grootte van de stal.

Het maximum aantal dieren vermeld in de vergunning of in de melding mag niet overschreden worden.

 

§ 3.

Doeltreffende bestrijdingsmaatregelen worden getroffen ter voorkoming van ongedierte zoals ratten, muizen en insecten.

 

§ 4.

Onverminderd de ter zake van toepassing zijnde reglementaire bepalingen mogen krengen niet op het terrein van de inrichting worden begraven. De exploitant treft de nodige schikkingen om de krengen onmiddellijk af te zonderen van de gezonde dieren en opdat zij zo spoedig mogelijk worden opgehaald door een inrichting bedoeld in rubriek 2.2.4 van de indelingslijst. In afwachting en ter voorkoming van verdere besmettingen worden:

- lichaamsdelen, organen en krengen van kleine dieren (pluimvee, konijnen, biggen tot ca. 20 kg, e.d.) bewaard in gesloten kadavertonnen;
- krengen van middelgrote dieren (varkens, kalveren, schapen e.d.) bewaard op een gemakkelijke te reinigen en te ontsmetten krengenplaats, uitgevoerd in harde materialen, onder een passende, gesloten afdekking uit duurzaam en goed onderhoudbaar materiaal; deze krengenplaats moet gemakkelijk herkenbaar en bereikbaar zijn voor de ophaalwagen van de inrichting bedoeld in rubriek 2.2.4 van de indelingslijst;
- krengen van grote dieren (runderen, paarden, e.d.) bewaard onder een passende, gesloten afdekking uit duurzaam en goed onderhoudbaar materiaal;
- alle andere schikkingen getroffen om kontakten met derden te vermijden.

De sub 2° en sub 3° bedoelde afdekking moet derwijze zijn dat katten, honden, andere dieren en insecten zich geen toegang kunnen verschaffen tot de krengen.

 

§ 5.

Reststromen, bestemd voor de voeding van de dieren, worden in gesloten en gemakkelijk te reinigen recipiënten bewaard, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Afvalwaters.


Art. 5.9.8.5.

§ 1.

Elke lozing van dierlijke mest onder de vorm van gier, mengmest of onder om het even welke andere vorm, in de openbare riolering, in een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of in een oppervlaktewater is verboden. Dit verbod geldt niet voor het lozen van het effluent na bewerking of verwerking van dierlijke mest, indien hiervoor de nodige vergunning (rubriek 3) is verleend.

 

§ 2.

Alle dierlijke mest in vloeibare vorm alsmede het percolaat van vaste dierlijke mest wordt opgevangen en verzameld in een mestdichte opslagruimte of opslagplaats binnen of buiten de stal.

 

§ 3.

De lozing van terrein- of afvalwaters afkomstig van het reinigen van de inrichting is onderworpen aan de voorschriften van toepassing op de in de rubrieken 3 en 52 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen.

 

§ 4.

In de veeteelt worden doeltreffende maatregelen genomen om de vervuiling te beperken van het hemelwater dat afvloeit van de kuilplaat.

 

§ 5.

In de veeteelt worden de silosappen van de kuilplaat opgevangen en uitgereden op het land of verwijderd op een gelijkwaardige wijze.

 

Deze verplichting geldt alleen voor inrichtingen die na 1 juli 2016 vergund zijn.

 

§ 6.

De kuilplaat wordt zo geplaatst dat het risico op verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt de helling en de afvloeirichting van de vloer van de kuilplaat niet in de richting van oppervlaktewater georiënteerd.

 

Deze verplichting geldt alleen voor kuilplaten die na 1 juli 2016 vergund zijn.


Afdeling 5.9.9.
Voorwaarden met betrekking tot het toezicht


Art. 5.9.9.1. De exploitant zorgt voor de goede staat van de inrichting inzonderheid van de stallen, opslagplaatsen voor dierlijke mest en mengmest en toebehoren, door een regelmatig onderhoud en controle.

Art. 5.9.9.2.

§ 1.

De exploitant van een inrichting zoals bedoeld in art. 5.9.7.1. §1 controleert ten minste om de 3 maanden het grondwater op aanwezigheid van mengmest afkomstig van lekken.

 

§ 2.

Bovendien dient in § 1 bedoelde exploitant op zijn kosten ten minste om de drie jaar een grondwateronderzoek te laten uitvoeren door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL.

De exploitant zendt een afschrift van de analyseresultaten aan de Afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving en in voorkomend geval aan de exploitant van de te beschermen waterwinning.De exploitant van een inrichting, gelegen in een beschermingszone, moet bovendien de controle van de peilputten door de betrokken waterleidingsmaatschappij toelaten wanneer deze hierom verzoekt.

 

§ 3.

In geval uit het onderzoek van de in § 1 bedoelde waarnemingsbuizen of de gelijkwaardige controlevoorzieningen, of uit andere waarnemingen blijkt dat de mestdichtheid van de stallen of mestopslagplaatsen niet meer is verzekerd, treft de exploitant de nodige maatregelen om deze mestdichtheid zo vlug mogelijk te herstellen. In afwachting van herstelling mogen geen jonge of bijkomende dieren worden aangebracht. De uitvoering van de herstelling dient geattesteerd door een architekt, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde, een landbouwkundig ingenieur (richting boerderijbouwkunde) of een bio-ingenieur in de landbouwkunde (landelijke genie).


Art. 5.9.9.3. Bij definitieve buitengebruikstelling van een mestopslagplaats dient deze volledig leeggemaakt.
Hierbij worden de nodige maatregelen getroffen inzake explosiebeveiliging en voorkoming van bodem-, oppervlakte- en grondwaterverontreiniging.

Art. 5.9.9.4.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

In geval de exploitant, inzonderheid op basis van de in de artikelen 5.9.9.1. en/of 5.9.9.2. bedoelde controles, kennis heeft van enige ernstige verontreiniging bij de exploitatie van de inrichting, dient hij dit onmiddellijk te melden aan de in § 1 vermelde afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving.


Afdeling 5.9.10.
Voorwaarden met betrekking tot bestaande stallen en mestopslagplaatsen


Art. 5.9.10.1.

Onverminderd de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde voorwaarden dienen de bestaande stallen en mestopslagplaatsen binnen een termijn van 1 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit te voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 5.9.2.1., § 3, 5.9.2.2. § 1, 2 en 4 en 5.9.2.3., § 1 en in de afdelingen 5.9.7. tot en met 5.9.9. van dit besluit.


Afdeling 5.9.11.
Bijkomende voorwaarden met betrekking tot mestbewerking en/of mestverwerking bij stallen


De opvolging van de nutriëntenstroom.


Art. 5.9.11.1. De exploitant houdt een register bij van de mestbewerking en/of mestverwerking.

Art. 5.9.11.2.

De uitbating van de mestverwerkings- en mestbewerkingsinstallaties dient te voldoen aan de bepalingen vermeld onder artikel 5.28.3.4.2, 5.28.3.5.1, 5.28.3.5.2 en 5.28.3.5.3.


Afdeling 5.9.12.
Milieuvoorwaarden met betrekking tot inrichtingen waarin honden worden gehouden


Art. 5.9.12.1.

De voorwaarden van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 9.9 van de indelingslijst, met uitzondering van de inrichtingen voor het africhten van honden.


Art. 5.9.12.2.

De inrichting is voorzien van een omheining die de dieren belet te ontsnappen. Aan de zijkanten die uitgeven op andermans woning en op de openbare weg, moet die omheining uit ondoorzichtige elementen met een minimale hoogte van twee meter bestaan. Er moet in een afsluitpoort voorzien worden zodat onbevoegden geen toegang hebben.

 

De hokken moeten een afdoende geluidsisolatie hebben en rond de hokken en de speelweiden moet er een beplanting worden aangebracht zodat de dieren niet gestoord worden door de omgeving.

 

Het is verboden inrichtingen waarin meer dan tien honden worden gehouden te exploiteren die geheel gelegen zijn in een woongebied, ander dan een woongebied met een landelijk karakter, of in een woonuitbreidingsgebied. 

 

Alle rustverstorende activiteiten zijn verboden tussen 22 en 7 uur.

 

De honden worden tussen 22 en 7 uur binnengehouden, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

Kadavers van honden moeten door een destructiebedrijf verwijderd worden. In afwachting van ophaling worden ze in een gesloten recipiënt bewaard.


Hoofdstuk 5.10.
DRANKEN


Art. 5.10.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 10 van de indelingslijst.


Art. 5.10.0.2. [...]

Art. 5.10.0.3.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Dampen, nevels en afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan, opgevangen en naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 4.

De nodige maatregelen dienen getroffen om stofexplosies te vermijden. Inzonderheid dienen daartoe, naast de maatregelen voorgeschreven in § 3, de nodige voorzorgen genomen om de vorming van elektro-statische ladingen te voorkomen. Met dit doel dienen alle metalen delen van de installaties, van de stofopzuiginstallatie en van de opslagtanks alsmede van de laad- en losinrichtingen met de aarde verbonden.


Art. 5.10.0.4.

§ 1.

De verwarming van de lokalen waarin distilleerinstallaties zijn ondergebracht mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen.

 

§ 2.

Met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat dienen in de in § 1 bedoelde lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

[...]


Art. 5.10.0.5.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Hoofdstuk 5.11.
DRUKKERIJEN EN FOTOGRAFISCHE INDUSTRIEËN


Art. 5.11.0.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de rubriek 11 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in § 1 te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen is in een waterwingebied en/of beschermingszone I, II of III.

 

§ 3.

De verbodsbepalingen van § 2 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.


Art. 5.11.0.2.

§ 1.

Het gebruik van polychloorbifenylen- (PCB's) en polychloorterfenylen- (PCT's) houdende pigmenten of andere produkten is verboden.

 

§ 2.

Indien een inrichting vergunningsplichtig is wegens indeling in de rubriek 11 van de indelingslijst moet iedere opslag van gevaarlijke stoffen, voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk 5.17. "Gevaarlijke stoffen" van dit besluit mits onder de aldaar ingedeelde opslaghoeveelheden te vallen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan voor de scheidingsafstanden tussen twee groepen en/of subgroepen met niet-ingedeelde opslaghoeveelheden evenwel een gemotiveerde afwijking verleend worden.


Art. 5.11.0.3.

§ 1.

De machines en installaties waarin gevaarlijke stoffen behandeld worden, met name een fysische of chemische verandering ondergaan, moeten opgesteld worden in een volledig van de opslagruimten door brandvrije muren afgescheiden lokaal. De vloer is uitgevoerd in een materiaal dat ondoorlatend en chemisch inert is voor de stoffen die erop terechtkomen.

 

§ 2.

De globale opvanginrichting van de volledige installatie, de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag, de inkuipingen, de compartimenten voor bulkafvalstoffen, de overlopen of veiligheidsuitlaten van de tanks, alsmede het opslaggebouw voor stoffen en produkten met buitengewone risico's mogen op geen enkele manier in verbinding staan met een openbare riolering, een grondwaterlaag, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewater.

 

§ 3.

De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag moeten regelmatig, en tenminste na elke kalamiteit, geledigd worden. De bekomen afvalstroom moet op een aangepaste manier verwijderd worden.

 

§ 4.

De personen en het personeel tewerkgesteld in de inrichting moeten op de hoogte zijn van de aard en de gevaarsaspecten van de opgeslagen respectievelijk geproduceerde stoffen en produkten alsmede van de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden. Hiertoe dient een schriftelijke instructie verstrekt.


Art. 5.11.0.4.

§ 1.

De machines en installaties dienen ontworpen en in goede staat onderhouden dermate dat lekkages van stoffen en produkten alsmede de emissies van verontreinigende stoffen in de omgevingslucht maximaal worden voorkomen.

 

§ 2.

De nodige maatregelen dienen getroffen om de vorming van elektro-statische ladingen te voorkomen. Inzonderheid dienen daartoe alle metalen delen van de installaties, van de stofopzuiginstallatie en van de opslagtanks alsmede van de laad- en losinrichtingen geaard.

 

§ 3.

Als er producten, gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening, worden gebruikt of geproduceerd:

mag de verwarming van de lokalen enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;
dienen met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat in de lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst;
moeten de vluchtdeuren van de lokalen langs buiten opendraaien en dienen de doorgangen van elke hindernis vrijgehouden;
mag in de lokalen andere dan opslagruimten een maximum hoeveelheid van gebruikte en gefabriceerde produkten worden gestockeerd die overeenstemt met de behoeften, respectievelijk de produktie van één dag; de verpakkingen die in gebruik zijn aan de machines, zoals o.a. een verpakking solvent aan elke drukpers, wordt hierbij niet in aanmerking genomen;
mogen in de lokalen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken;
is het verboden te roken in de lokalen; dit rookverbod dient in goed leesbare letters op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbare materialen te zijn.

 

§ 4.

Het is verboden producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40° C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

[...]


Art. 5.11.0.5.

§ 1.

Dampen, nevels en afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de geloosde afgassen:

parameter

emissiegrenswaarde

1° organische stoffen: voor installaties voor het bedrukken van baan- of plaatvormige materialen met rotatiedrukmachines met inbegrip van de bijbehorende drooginstallaties

[...]

[...]

b)    bij gebruik van oplosmiddelen of harshoudende drukinkten op rotatiedrukpersen (andere dan typo en coldsetoffset-rotatie) met een nominaal verbruik van meer dan 5 kg organische oplosmiddelen per uur, wordt de emissie aan totaal organisch koolstof beperkt tot:

 

-       bij thermische naverbranding :

50,0 mg/Nm³

-       bij katalytische naverbranding :

100,0 mg/Nm³

-       bij solventrecuperatie door condensatie of met een actief-koolfilter :

150,0 mg/Nm³

[...]

[...]

4° de volgende stofvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 25 g/h of meer:

-       lood en zijn verbindingen uitgedrukt in Pb

5,0 mg/Nm³

-       chroom en zijn verbindingen uitgedrukt in Cr

5,0 mg/Nm³

 

§ 2bis.

De emissiegrenswaarden voor organische stoffen, vermeld in § 2, en in de rubrieken 10°, 11° van bijlage 4.4.2, gelden niet voor de activiteiten 1, 2 en 3 van bijlage 5.59.1 als de inrichting voor deze activiteiten voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk 5.59.
[...]
De regeling van lid 1° geldt ook voor inrichtingen waarvoor het oplosmiddelverbruik van de betrokken activiteiten kleiner is dan de drempelwaarde van bijlage 5.59.1. In dat geval zijn de hoogste emissiegrenswaarden van toepassing, voor de betrokken activiteit opgenomen in bijlage 5.59.1.

 

 

§ 2ter.

De emissie aan VOS die op jaarbasis vrijkomt bij de drukactiviteit flexografie op papier en karton, mag vanaf 1 januari 2010 maximaal 30 % van de referentie-emissie bedragen. De referentie-emissie wordt berekend volgens de richtlijnen van bijlage 5.59.2. De exploitant bezorgt de gegevens die nodig zijn om de toetsing aan die grenswaarde te maken, aan de toezichthoudende overheid of de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als die daarom verzoekt.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Hoofdstuk 5.12.
ELEKTRICITEIT


Art. 5.12.0.1.

Onverminderd de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installatie (AREI) zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 12 van de indelingslijst.

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op mobiele elektrische noodgroepen, noch op elektriciteitsproduktiegroepen of transformatoren tijdelijk ingezet voor de elektrische voeding van werktuigen, toestellen en installaties gebruikt bij de uitvoering van de eigenlijke bouw-, sloop- of wegeniswerken.


Art. 5.12.0.2. Transformatoren

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten, dienen met betrekking tot de transformatoren de volgende voorschriften nageleefd:

transformatoren die polychloorbifenylen (PCB's) of polychloorterfenylen (PCT's) bevatten, zoals askareltransformatoren, zijn verboden;
de transformator is beschermd tegen het binnendringen van regenwater of grondwater;
de vloer(en), wanden en zoldering(en) van het lokaal waarin de transformator is geplaatst, hebben een brandweerstand van tenminste een half uur (Rf½h); hetzelfde geldt voor de deuren en vensters in deze scheidingselementen, die voorzien zijn van een automatisch sluitingsmechanisme en niet mogen geblokkeerd worden in open stand; de in het eerste lid gestelde bepalingen zijn niet van toepassing op transformatoren opgesteld in open lucht of in gesloten metalen kasten.
de nodige maatregelen zijn getroffen om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen; daartoe dient inzonderheid onder de transformator een vloeistofdichte inkuiping voorzien die bij lek de diëlektrische vloeistof opvangt. wanneer het gaat om een bestaande transformator dient voormelde inkuiping aangebracht bij een eerste vernieuwing, wijziging, vervanging of verplaatsing van de transformator.

 

§ 2.

De verbodsbepaling, vermeld in §1, 1°, is alleen niet van toepassing op pcb's of pct's bevattende transformatoren die conform artikel 5.2.8.5, §2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, verder mogen worden gebruikt. Met behoud van de toepassing van de voorschriften vermeld in paragraaf 1, worden met betrekking tot deze pcb's of pct's bevattende transformatoren bijkomend de volgende voorwaarden nageleefd:

de transformatoren worden uitsluitend in open lucht of in een daartoe bestemd brandvrij lokaal opgesteld; in dit lokaal mogen geen transformatoren die geen pcb's of pct's bevatten worden opgesteld, tenzij een brandweerstandbiedende scheiding tussen de verschillende transformatoren van tenminste een half uur (Rf½h) is voorzien; op de buitenwand van de toegangsdeur(en) tot voormeld lokaal en binnen dit lokaal zelf wordt met letters van ten minste 8 cm hoogte duidelijk leesbaar de volgende tekst aangebracht: "Opgelet: PCB's-houdende transfo"; voormelde tekst mag worden vervangen door de reglementaire pictogrammen, die ter zake gelden; voormeld lokaal wordt verlucht via een verluchtingsrooster met een brandweerstand van ten minste één uur (Rf1h); in de gesloten elektriciteitslokalen mogen alternatieve maatregelen worden getroffen op voorwaarde dat deze aan het eerste lid gelijkwaardige veiligheidswaarborgen bieden;
de transformatoren worden regelmatig op lekken gecontroleerd; eventuele lekken worden onmiddellijk gedicht; de toezichthouder wordt in kennis gesteld van elk vastgesteld lek en van de getroffen maatregelen;
alle met pcb's of pct's verontreinigde materialen, met inbegrip van poetsvodden, werkkledij, en dergelijke, worden afgevoerd naar een inrichting voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen;
het aflaten van olie met pcb’s en pct’s of het wegnemen van de buitenplaten (zogenaamde ontkuiping) mag uitsluitend gebeuren bij firma die daartoe vergund is; wegens mogelijke residuele pcb's of pct's mag het hervullen niet gebeuren met gewone (brandbare) olie maar wel met bijvoorbeeld siliconenolie;
met behoud van de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen met betrekking tot pcb’s gelden met betrekking tot de bestaande tranformatoren die pcb's bevatten bijkomend de volgende voorwaarden:
  het bijvullen van transformatoren met pcb's is verboden;
  het onderhoud van transformatoren die pcb's bevatten, mag, totdat ze conform het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen met betrekking tot PCB’s gereinigd worden, buiten gebruik worden gesteld of verwijderd worden, uitsluitend worden voortgezet indien het doel daarvan is ervoor te zorgen dat de PCB's die deze apparaten bevatten, voldoen aan de technische normen of specificaties inzake diëlektrische kwaliteit, mits de transformatoren in goede staat zijn en geen lekken vertonen.

Art. 5.12.0.3. Accumulatoren

§ 1.

De vast opgestelde batterijen, andere dan droge batterijen, zijn ondergebracht in een uitsluitend daarvoor bestemd lokaal of een uitsluitend daarvoor bestemde ruimte of kast. Het daarvoor bestemde lokaal is gebouwd uit onbrandbare materialen met een brandweerstand Rf van minstens een half uur, bepaald volgens de voorschriften van de norm NBN 713-020. De deuren tussen het lokaal en de rest van de gebouwen hebben dezelfde brandweerstand en zijn voorzien van een automatische sluiting.

 

§ 2.

De vloer van het in § 1 bedoelde lokaal bestaat uit ondoordringbare en voor elektrolyten inerte materialen en dient zodanig aangelegd dat elke verontreiniging van het grondwater, het oppervlaktewater en de bodem wordt voorkomen.

 

§ 3.

Het in § 1 bedoelde lokaal wordt bestendig en doeltreffend verlucht zodat de atmosfeer er nooit explosiegevaar vertoont. Daartoe moet de concentratie van ontplofbare gevaarlijke gassen steeds lager zijn dan 1/10de van de onderste explosiegrens.


Art. 5.12.0.4.

§ 1.

De verwarming van de lokalen waarin de vast opgestelde transformatoren, de vast opgestelde batterijen andere dan droge batterijen en de vaste inrichtingen voor het laden van accumulatoren zijn ondergebracht, mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;

 

§ 2.

Met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat dienen in de lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst.

 

§ 3.

De vluchtdeuren van de in § 1 bedoelde lokalen moeten langs buiten opendraaien en de doorgangen dienen van elke hindernis vrijgehouden.

 

§ 4.

In de in § 1 bedoelde lokalen:

mogen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken, tenzij voor onderhouds- en/of herstellingswerken op voorwaarde dat hiervoor de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen;
is het verboden te roken; dit rookverbod dient in goed leesbare letters op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbare materialen te zijn.

Art. 5.12.0.5.

§ 1.

Het is verboden producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40° C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

[...]


Hoofdstuk 5.13.
FARMACEUTISCHE STOFFEN


Art. 5.13.0.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 13 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in § 1 te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen is in een waterwingebied en/of beschermingszone I, II of III.

 

§ 3.

De verbodsbepalingen van § 2 gelden niet voor bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.


Art. 5.13.0.2.

Indien een inrichting vergunningsplichtig is wegens indeling in de rubriek 13 van de indelingslijst moet iedere opslag van gevaarlijke stoffen voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk 5.17. "Gevaarlijke stoffen" van dit besluit mits onder de aldaar ingedeelde opslaghoeveelheden te vallen.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan voor de scheidingsafstanden tussen twee groepen en/of subgroepen met niet-ingedeelde opslaghoeveelheden evenwel een gemotiveerde afwijking verleend worden.


Art. 5.13.0.3.

§ 1.

De machines en installaties dienen ontworpen en in goede staat onderhouden dermate dat lekkages van stoffen en produkten alsmede de emissies van verontreinigende stoffen in de omgevingslucht maximaal worden voorkomen.

 

De machines en installaties waarin gevaarlijke stoffen behandeld worden, met name een fysische of chemische verandering ondergaan, moeten opgesteld worden in een volledig van de opslagruimten door brandvrije muren afgescheiden lokaal. De vloer van dit lokaal moet voorzien zijn van een opvanggoot en één of meer opvangputten. De vloer, de opvanggoot en de opvangputten moeten uitgevoerd zijn in voor de erop terechtkomende stoffen ondoorlatend en chemisch inert materiaal.

 

§ 2.

De globale opvanginrichting van de volledige installatie, de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag, de inkuipingen, de compartimenten voor bulkafvalstoffen, de overlopen of veiligheidsuitlaten van de tanks, alsmede het opslaggebouw voor stoffen en produkten met buitengewone risico's mogen op geen enkele manier in verbinding staan met een openbare riolering, een grondwaterlaag, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewater.

 

§ 3.

De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag moeten regelmatig, en tenminste na elke kalamiteit, geledigd worden. De bekomen afvalstroom moet op een aangepaste manier verwijderd worden.

 

§ 4.

De personen en het personeel tewerkgesteld in de inrichting moeten op de hoogte zijn van de aard en de gevaarsaspecten van de opgeslagen respectievelijk geproduceerde stoffen en produkten alsmede van de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden. Hiertoe verstrekt de exploitant de nodige actuele instructies. Ten minste éénmaal per jaar moeten deze instructies door de exploitant worden geëvalueerd.


Art. 5.13.0.4.

§ 1.

Het is verboden producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40° C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.

 

§ 2.

De nodige maatregelen dienen getroffen om de vorming van elektro-statische ladingen te voorkomen. Inzonderheid dienen daartoe alle metalen delen van de installaties, van de stofopzuiginstallatie en van de opslagtanks alsmede van de laad- en losinrichtingen geaard.

 

§ 3.

De verwarming van de lokalen waarin producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening worden gebruikt of geproduceerd, mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

In de in § 3 bedoelde lokalen:

mogen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken;
is het verboden te roken; dit rookverbod dient in goed leesbare letters of met reglementaire pictogrammen op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbare materialen te zijn.

Art. 5.13.0.5.

§ 1.

Dampen, nevels en afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.

 

§ 4.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Hoofdstuk 5.14.
FOTOGRAFISCHE PRODUKTEN


Art. 5.14.0.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 14 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in § 1 te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen is in een waterwingebied en/of beschermingszone I, II of III.

 

§ 3.

De verbodsbepalingen van § 2 gelden niet voor bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.

 

§ 4.

Het gebruik van polychloorbifenylen- (PCB's) en polychloorterfenylen- (PCT's) houdende pigmenten of andere produkten is verboden.

 

§ 5.

Indien een inrichting vergunningsplichtig is wegens indeling in de rubriek 14 van de indelingslijst moet iedere opslag van gevaarlijke stoffen, ongeacht of deze volgens de indelingslijst al of niet is ingedeeld, voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk 5.17. "Gevaarlijke stoffen" van dit besluit. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan voor de scheidingsafstanden tussen twee groepen en/of subgroepen met niet-ingedeelde opslaghoeveelheden evenwel een gemotiveerde afwijking verleend worden.

 

§ 6.

Dampen, nevels en afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 7.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Hoofdstuk 5.15.
GARAGES, PARKEERPLAATSEN EN HERSTELLINGSWERKPLAATSEN VOOR MOTORVOERTUIGEN


Art. 5.15.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 15 van de indelingslijst.


Art. 5.15.0.2.

§ 1.

De vloer van de garages en herstellingswerkplaatsen is effen, ondoordringbaar en onbrandbaar.

 

§ 2.

De bewoonde lokalen beschikken over ten minste één toegang die van de garage, herstellingswerkplaats en aanhorigheden onafhankelijk is.

 

§ 3.

De inrijgangen die van de garages en herstellingswerkplaatsen gescheiden zijn door een openluchtkoer van ten minste 3 m diepte, worden niet beschouwd als aanhorigheden voor de toepassing van paragraaf 2.


Art. 5.15.0.3. De garages en herstellingswerkplaatsen worden doeltreffend verlucht zodat de atmosfeer er nooit giftig of ontplofbaar kan worden. De nodige maatregelen worden getroffen als er brandstofdampen kunnen vrijkomen.

Art. 5.15.0.4.

§ 1.

De verwarming van de parkeerruimten voor autovoertuigen en aanhangwagens, andere dan personenwagens, de garages en de herstellingswerkplaatsen mag alleen geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen.

 

§ 2.

Blustoestellen in goede staat worden in de lokalen, vermeld in paragraaf 1, dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst.

 

§ 3.

De vluchtdeuren van de lokalen, vermeld in paragraaf 1, draaien naar buiten open en de doorgangen worden van elke hindernis vrijgehouden.


Art. 5.15.0.5.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

Het is verboden in de parkeerruimten voor autovoertuigen, in de garages en herstellingswerkplaatsen:

gemakkelijk brandbare materialen of producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening, met uitzondering van de gevaarlijke vloeistoffen van groep 2, op te stapelen;
bussen met benzine of waarin benzine geweest is te plaatsen.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

[...]


Art. 5.15.0.6.

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

De nodige maatregelen dienen getroffen om de buurt niet te hinderen door geluid en trillingen veroorzaakt door:

het verkeer van voertuigen van, naar en op de parkeerplaatsen;
de luchtconditioneringsapparaten, ventilatoren enz. aangewend om de parkeerruimten, garages en herstellingswerkplaatsen te verluchten of te ventileren;
het warmdraaien van motoren of de werking van koelinstallaties op geparkeerde voertuigen; hiertoe dient inzonderheid tussen een niet in een gesloten lokaal ingerichte parkeerplaats en elke naburige woning een ruimtelijke scheiding te bestaan van tenminste 50 m; bij werking van koelinstallaties op geparkeerde voertuigen dient daarenboven tussen de parkeerplaats en de naburige woningen gelegen binnen een straal van 100 m een geluidsdempend bufferscherm voorzien; Andere maatregelen die gelijkwaardige waarborgen om de buurt te vrijwaren van geluid- en trillingshinder bieden, zijn eveneens toegelaten.

Art. 5.15.0.7.

De plaatsen waar geaccidenteerde voertuigen worden gestald, zijn uitgerust met een vloeistofdichte vloer. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de vloeistofdichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput, zodat gelekte vloeistoffen noch de bodem noch het grondwater noch het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.

 

De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden.


Art. 5.15.0.8.

De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen die onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, vallen, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/5, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de terugwinning uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.


Art. 5.15.0.9.

§ 1. Waterverbruik

Voor een automatische bus- of truckwash met een bruto waterverbruik van meer dan 1500 m³ per jaar: de wasinstallatie is voorzien van een zuiverings- of recyclage unit die minstens 70% van het totale debiet was- en spoelwater hergebruikt in de wasinstallatie.

 

Voor een automatische carwashinstallatie, in de vorm van een roll-over of een wasstraat, met een bruto waterverbruik van meer dan 1500 m³ per jaar: de wasinstallatie is voorzien van een zuiverings- of recyclage-unit die de toevoer van vers water, in de vorm van leiding-, grond- of regenwater, beperkt tot maximaal 80 liter per voertuig dat gewassen wordt.

 

§ 2.

In de mate van het mogelijke wordt er maximaal gebruikgemaakt van regenwater als vers water.


Art. 5.15.0.10.

Afvalwater van inrichtingen, vermeld in rubriek 15.4 van deindelingslijst.

Alle verontreinigde afvalwaters worden, voor ze geloosd worden, verzameld en afgevoerd naar een bezink- en koolwaterstofverwijderingsinstallatie. Wanneer wordt geloosd in oppervlaktewater wordt deze bijkomend uitgerust met een coalescentiefilter. De koolwaterstofafscheiders worden zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De afvalstoffen die daarbij vrijkomen, worden opgehaald door een daartoe geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of - makelaar. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider en houdt van die inspecties een logboek bij.


Art. 5.15.0.11.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in artikel 5.15.0.9 en 5.15.0.10, vanaf 1 januari 2017.


Hoofdstuk 5.16.
Behandelen van gassen


Afdeling 5.16.1.
Gemeenschappelijke bepalingen


Art. 5.16.1.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen vermeld in rubriek 16 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Alleen de volgende houders mogen door middel van een verplaatsbaar recipiënt of een tankwagen gevuld worden met vloeibaar gemaakte gassen van de groepen 1, 2 of 3 als vermeld in paragraaf 4:

de vaste reservoirs op de in de melding of vergunningsaanvraag aangeduide plaats.
de verplaatsbare recipiënten in de inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten, ingedeeld in rubriek 16.4 van de indelingslijst.

 

§ 3.

De volgende voorschriften moeten met betrekking tot de opslag van gassen in acht genomen worden :

de gassen mogen niet buiten de daartoe bestemde opslagruimte worden opgeslagen;
de nodige voorzorgsmaatregelen worden getroffen om te vermijden dat gassen met elkaar of met andere stoffen in contact komen waarbij ofwel:
a)

gevaarlijke chemische reacties kunnen plaatsvinden;

b)

gassen met elkaar kunnen reageren onder vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen en dampen;

c) gassen samen ontploffingen of branden kunnen veroorzaken.

 

 

§ 4.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de gevaarlijke gassen in een van de volgende vier groepen gerangschikt waarbij gevarenpictogram GHS02 voorrang heeft op gevarenpictogram GHS06, gevarenpictogrammen GHS02 en GHS06 voorrang hebben op gevarenpictogram GHS03 en gevarenpictogrammen GHS02, GHS06 en GHS03 voorrang hebben op alle andere gevarenpictogrammen:

Groep 1:    gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02;
Groep 2:    gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS06;
Groep 3:    gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS03;
Groep 4:    de andere niet in groep 1 tot en met groep 3 bedoelde gassen.

Art. 5.16.1.2.

§ 1.

In de lokalen of op de plaatsen waar gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening geproduceerd, opgeslagen [...]of behandeld worden, moeten de nodige maatregelen worden getroffen om de vorming van gevaarlijke elektrostatische ladingen te voorkomen

 

§ 2.

De verwarming van de lokalen of van de plaatsen bedoeld in § 1, mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en de werking voldoende waarborgen bieden om brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen. Verwarmingstoestellen zijn zo geplaatst dat zij de wand van opgeslagen gasrecipiënten niet overmatig kunnen opwarmen.

 

§ 3.

In de lokalen of de op de plaatsen vermeld in § 1 :

is het verboden vuur te maken en gebruik te maken van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken, tenzij voor onderhouds- en constructiedoeleinden op voorwaarde dat de door de exploitant of zijn aangestelde vastgestelde voorzorgsmaatregelen zijn genomen. Als ontvlambare gassen volgens de CLP-verordening effectief aanwezig zijn, wordt het gehalte aan ontvlambaar gas in de werkzone onder de grens van een vijfde van de laagste ontvlambaarheidsgrens gehouden. Dat gehalte wordt tijdens de uitvoering van de werken voortdurend gecontroleerd;
is het verboden te roken; dit rookverbod dient op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangegeven; dit rookverbod dient niet aangegeven als het lokaal of de plaats gelegen is binnen een grotere rookvrije zone; het rookverbod is dan aangegeven bij alle toegangen tot de rookvrije zone;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en uitwasemingen van niet-brandbare materialen te zijn;
is het verboden met voertuigen binnen te rijden, tenzij noodzakelijk voorladen en lossen, onderhoud en/of constructie én op voorwaarde dat de door de exploitant of zijn aangestelde vastgestelde voorzorgsmaatregelen zijn genomen;
is de opslag van brandbare stoffen verboden binnen de 5 m van de productie/opslag/behandeling van de [...] gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening;
zijn, behalve wanneer het gaat om samengeperste [...] gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening lichter dan lucht, rioleringsputten of aansluitingen met de rioleringen verboden, tenzij ze uitgerust zijn met een luchtafsnijder waarvan de werking verzekerd is.

 

De aanwezigheid van ontvlambare stoffen, het verbod tot roken en het verbod vuur te maken dienen aangegeven via duidelijk zichtbare, door de bij koninklijk besluit van 17 juni 1997 vastgestelde pictogrammen.

 

§ 4.

Het is verboden gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40 °C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.


Art. 5.16.1.3.

De in dit hoofdstuk opgelegde voorschriften inzake de bouw van drukapparaten, lekdichtheidstest en de veiligheidsvoorzieningen van drukapparaten worden geacht geëerbiedigd te zijn voor de drukapparaten of samenstellen waarvoor een EG-verklaring van overeenstemming voor handen is en die tevens is voorzien van de CE-markering, tenzij een keuringsdienst van gebruikers de EG-verklaring heeft opgesteld.

 

Voor de drukapparaten of samenstellen met een EG-verklaring van overeenstemming dienen de wettelijke bepalingen in verband met de markering en etikettering ook na de inbedrijfstelling geëerbiedigd te blijven.


Art. 5.16.1.4.

§ 1.

De exploitant treft als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen opdat, bij herstellen, lek, ontsnapping via veiligheidsklep e.d., het ontsnappende gas de buurt niet hindert, noch de omgevingslucht, de bodem, het oppervlaktewater of grondwater verontreinigt. Zo nodig dient het ontsnappende gas via leidingen naar een geschikte plaats te worden geëvacueerd.

 

§ 2.

De evacuatieleiding van een veiligheidsklep :

moet zo zijn gedimensioneerd dat de vereiste capaciteit van de veiligheidsklep beschikbaar blijft overeenkomstig de richtlijnen van de fabrikant;
moet uitgevoerd zijn in een materiaal dat weerstand biedt aan de mechanische en chemische inwerkingen waaraan ze is blootgesteld;
mag niet kunnen worden afgesloten indien de veiligheidsklep in dienst is;
moet tegen verstopping en het binnendringen van regenwater beschermd zijn.

 

 

§ 3.

Wanneer gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening van een veiligheidsklep naar de openlucht geëvacueerd worden zijn onderstaande regels op de uitmonding van toepassing :

indien er zich binnen een straal van 5 m van de uitmonding een ventilatie- en/of luchttoevoeropening bevindt van een gebouw of een ruimte waarin zich gas kan ophopen, dan moet de evacuatieleiding uitmonden op een hoogte van ten minste 3 m boven het maaiveld, en ten minste 1 m hoger zijn dan dit gebouw;
de uitmonding gebeurt op een veilige plaats, ten minste 1 m verwijderd van ontstekingsbronnen (waaronder niet-explosieveilig elektrisch materieel);
de uitmonding moet ten minste 1 m zijn verwijderd van het verharde gedeelte van een voor publiek vrij toegankelijk terrein;
de uitmonding moet zich bevinden op een voldoende verluchte plaats waar geen gasophoping kan plaatsvinden.

 

Een andere configuratie, die volgens een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen minstens even veilig is voor de omgeving, gelet op de aard van het gas en de omgeving, is eveneens toegestaan.


Art. 5.16.1.5.

§ 1.

De elektrische installaties, toestellen en verlichtingstoestellen moeten beantwoorden aan de voorschriften van de Codex voor het Welzijn op het Werk en van het AREI (Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties), in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan.

 

§ 2.

De installatie moet beantwoorden aan de voorschriften vermeld in het koninklijk besluit van 26 maart 2003 betreffende het welzijn van de werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen.

 

§ 3.

[...]

 

Bij installaties met gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening moeten de reservoirs, de metalen steunen, de verschillende met flenzen verbonden gedeelten van buisleidingen en alle metalen onderdelen zich voortdurend onder hetzelfde elektrische potentiaal bevinden. Daartoe zijn deze verschillende elementen met elkaar verbonden door een systeem van doelmatige geleiders. Andere systemen die een gelijkwaardige beveiliging bieden, kunnen toegelaten worden door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

§ 4.

De exploitant houdt elk keuringsattest van de elektrische installatie en, indien van toepassing, het zoneringsplan ter inzage van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en van de toezichthouder en dit ten minste tot het attest van het tweede navolgende gelijkaardige onderzoek beschikbaar is.


Art. 5.16.1.6.

§ 1.

Voor de installatieleidingen voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen gelden de volgende voorschriften :

de pijpen en hun koppelingen zijn vervaardigd uit buizen met eigenschappen die verenigbaar zijn met de druk- en temperatuursvoorwaarden en het vervoerde fluïdum; voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan dienen zij van staal te zijn met hoge lasbaarheid conform een norm bedoeld voor gassen onder druk; een ander materiaal dat de vermelde hoedanigheden evenveel waarborgt, mag eveneens worden gebruikt;
voor de vaste leidingen is de maximale werkdruk als volgt te bepalen :
  a) voor de elementen in contact met niet ontspannen gassen (vloeibare fase en/of gasvormige fase), met uitzondering voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan, is de maximaal toelaatbare werkdruk ten minste gelijk aan de maximale werkdruk van het aangesloten reservoir, vermeerderd met de overdruk veroorzaakt door de eventuele compressoren en pompen;
    1) voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan is de maximale werkdruk de in bijlage 5.16.4 aangeduide waarde verhoogd met de grootste overdruk die door eventuele compressoren of pompen kan worden veroorzaakt;
    2) voor de overige gassen is de maximaal toelaatbare werkdruk ten minste gelijk aan de maximale werkdruk van het aangesloten reservoir, vermeerderd met de overdruk veroorzaakt door de eventuele compressoren en pompen;
  b) voor de elementen in contact met het ontspannen gas : de maximumdruk die na die ontspanner kan voorkomen;
eisen van maximaal toelaatbare druk (PS) en vervangtermijn voor buigbare vaste hydraulische slangen, voorzien van hun koppelingen :
  a) ofwel dienen ze zo te zijn ontworpen en vervaardigd dat ze kunnen weerstaan aan een druk van :
    1) 4 maal de maximale werkdruk voor de leidingen waarvan de nominale maat (DN) kleiner is dan 65;
    2) 3 maal de maximale werkdruk voor de leidingen waarvan de nominale maat (DN) gelijk is aan of groter is dan 65;
    dergelijke slangen dienen ten minste vijf jaar na indienstneming vervangen door nieuwe;
  b) ofwel mogen ze zijn ontworpen en vervaardigd voor een kleinere druk als ze sneller vervangen worden, of als ze na een bepaald aantal draaiuren automatisch buiten dienst gesteld worden; deze werkwijze mag alleen toegepast worden als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hieraan zijn goedkeuring geeft en de druk en het vervangsignaal expliciet in het afgeleverde attest vermeldt;
  c) ofwel mag hieromtrent de gebruiksaanwijzing van de fabrikant strikt gevolgd wordt; deze werkwijze mag alleen toegepast worden als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hieraan zijn goedkeuring geeft en hij de gebruiksaanwijzing, de druk en het vervangsignaal expliciet in het afgeleverde attest vermeldt;
  d) ofwel mag tenslotte een code van goede praktijk gevolgd worden; deze werkwijze mag alleen toegepast worden als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hieraan zijn goedkeuring geeft en hij de code van goede praktijk, de druk en het vervangsignaal expliciet in het afgeleverde attest vermeldt.

de slangen voorzien van hun koppelingen en de vaste leidingen, worden, na het monteren, onderworpen aan een proefdruk gelijk aan 1,4 maal de maximale werkdruk met een minimum van 300 kPa; deze proef wordt zo uitgevoerd dat de dichtheid en ook de afwezigheid van vervormingen en van eventuele fouten die de veiligheid zouden kunnen schaden zo nauwkeurig mogelijk nagegaan worden;

 

mits akkoord van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, kunnen de hydrostatische druktesten vervangen worden door proeven met gas onder een druk van 1,2 maal de maximale werkdruk indien de pijpen bij de constructeur hydrostatisch werden getest op een druk van ten minste 1,5 maal de maximale werkdruk; Voor de aftapslangen voorzien van hun koppelingen aangesloten op de vloeibare fase is deze proef ten minste ieder jaar te hernieuwen; ze heeft plaats aan de maximale werkdruk;

de nodige maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat in de leidingen van de vloeibare fase een druk zou kunnen ontstaan die de druk PS van de leiding met meer dan 20 % overtreft;

 

De milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen kan andere maatregelen toestaan om te beletten dat overdrukken een onveilige toestand veroorzaken.

 

 

 

§ 2.

Alle onderdelen van de installatie, zoals afsluitkranen, ontspanners, kleppen, ventielen, slangen, dichtingen, zijn ontworpen en vervaardigd rekening houdend met de eigenschappen van het gebruikte gas.

 

§ 3.

Wat betreft de pijpleidingen en slangen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan bij opslagplaatsen voor deze gassen in vaste ongekoelde houders, worden, voor de elementen in contact met het ontspannen gas, de bovenstaande bepalingen en de bepalingen van artikel 5.16.1.7 echter vervangen door de norm NBN D 51-006 « Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen.

 

§ 4.

De bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 3 gelden voor installaties geplaatst na 1 januari 2009.


Art. 5.16.1.7. [...]

Art. 5.16.1.8.

§ 1.

De onderzoeken, vermeld in dit hoofdstuk voor bepaalde installaties, uit te voeren door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, omvatten, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld in de betrokken afdeling, het volgende:

de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen onderzoekt de EG-verklaring van overeenstemming, de attesten en de gebruiksaanwijzing, die hem worden voorgelegd door de exploitant;
hij gaat na of de installatie voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk, aan de bijzondere vergunningsvoorwaarden, alsmede aan alle andere eisen die de goede en veilige werking van de installatie moeten waarborgen. Hij gaat eveneens na of de goede werking van de installatie niet in het gedrang wordt gebracht door de opstelling ervan, door de voorziene gebruiksomstandigheden of door enig ander zichtbaar gebrek;
behalve bij installaties met samengeperste lucht, onderwerpt de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen de gehele installatie aan een lekdichtheidstest volgens een code van goede praktijk. Bij de ingebruikname van de installatie wordt deze test evenwel niet uitgevoerd op de onderdelen of het geheel waarvoor een EG-verklaring van overeenstemming voorhanden is;

 

Voor een station tot bevoorrading van motorvoertuigen met lpg wordt een lekdichtheidstest uitgevoerd op de ondergrondse leidingen met een periodiciteit van:

  a) vijf jaar voor de ondergrondse leidingen die niet voorzien zijn van een kathodische bescherming;
  b) twintig jaar voor de ondergrondse leidingen die voorzien zijn van een kathodische bescherming;
de installatie wordt volgens een code van goede praktijk gecontroleerd op de staat van bewaring en op de bescherming tegen corrosie.
  a) Onderzoeken bij (her)ingebruikname

Met uitzondering van de vacuümgeïsoleerde reservoirs waarvan de binnenmantel uit roestvrij staal of aluminium bestaat, omvat het onderzoek bij (her)ingebruikname steeds een inwendig onderzoek van de houder.

Het inwendig onderzoek van de houders bij ingebruikname kan worden weggelaten in de volgende omstandigheden:

    1) de houder wordt bij de constructeur onderworpen aan een inwendig onderzoek conform de bepalingen van het Koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur;
    2) de houder wordt onmiddellijk na het inwendig onderzoek gevuld met een inert gas en op een permanente overdruk van ten minste 100 mbar bewaard. Voor lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van maximaal 13.000 liter mag in plaats van een inert gas, propaan gebruikt worden;
    3) de constructeur of zijn aangestelde persoon conform het Koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur maakt een attest op, met de naam van het inert gas en waarin ondubbelzinnig verklaard wordt dat het inwendige van de tank in goede staat is en de vulling met het inert gas op voldoende druk gebeurd is;
    4) de exploitant legt dit attest voor aan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen bij de keuring voor ingebruikname;
    5) bij twijfel over de staat van bewaring en de bescherming tegen corrosie van de nieuwe houder kan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen steeds een nieuw inwendig onderzoek uitvoeren.

 

Het inwendig onderzoek van de houders bij heringebruikname kan worden weggelaten in de volgende omstandigheden:

      1) de houder wordt bij de leverancier onderworpen aan een inwendig onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen;
      2) de houder wordt onmiddellijk na het inwendig onderzoek gevuld met een inert gas en op een permanente overdruk van ten minste 100 mbar bewaard. Voor lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van maximaal 13.000 liter mag in plaats van een inert gas, propaan gebruikt worden;
      3) de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen maakt een attest op, met de naam van het inert gas en waarin ondubbelzinnig verklaard wordt dat het inwendige van de tank in goede staat is en de vulling met het inert gas op voldoende druk gebeurd is;
      4) de exploitant legt dit attest voor aan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen bij de keuring voor heringebruikname;
      5) bij twijfel over de staat van bewaring en de bescherming tegen corrosie van de houder kan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen steeds een nieuw inwendig onderzoek uitvoeren.
  b) Periodieke onderzoeken
    1) Vacuümgeïsoleerde reservoirs

Als aan een of meerdere van de drie onderstaande condities is voldaan, mag het periodiek onderzoek zich beperken tot een uitwendig onderzoek, zo niet wordt het periodiek onderzoek steeds aangevuld met een inwendig onderzoek:

      a. het dauwpunt van het opgeslagen product is lager dan -10 °C,
      b. de binnenmantel bestaat uit roestvrij staal of aluminium
      c. als uit een risicoanalyse van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen blijkt dat, gelet op de eigenschappen van het opgeslagen product, het materiaal van het reservoir, de gebruikshistoriek van het reservoir, de opslagcondities en eventuele andere relevante parameters, geen inwendige corrosie kan optreden.
    2) lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van maximaal 13.000 liter:

Het periodiek onderzoek mag zich beperken tot een uitwendig onderzoek.

    3) lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van meer dan 13.000 liter:

Het periodiek onderzoek bestaat uit een uitwendig onderzoek aangevuld met een inwendig onderzoek. Wat het inwendig onderzoek betreft, wordt de maximumtermijn, vermeld in paragraaf 2, van de periodieke onderzoeken van vijf jaar op twintig jaar gebracht. De termijn voor het uitwendig periodiek onderzoek blijft echter vijf jaar.

    4) Voor houders met samengeperste lucht waarvan het product van de toelaatbare druk (PS) en het volume (V) groter is dan 3000 bar.liter, als de toelaatbare druk (PS) meer dan 4 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar), of waarvan PS groter is dan 3000 bar, is altijd een inwendig onderzoek vereist.
    5) Andere reservoirs voor opslag van gassen, dan deze vermeld in punt 1) tot en met 4):

Het periodiek onderzoek betreft naast een uitwendig onderzoek steeds een inwendig onderzoek, tenzij uit een risicoanalyse van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen blijkt dat, gelet op de eigenschappen van het opgeslagen product, het materiaal van het reservoir, de gebruikshistoriek van het reservoir, de opslagcondities en eventuele andere relevante parameters, geen inwendige corrosie kan optreden.

   

Deze bepalingen gelden zowel voor bovengrondse, ondergrondse als ingeterpte opslaghouders.

 

Wijziging termijnen periodieke onderzoeken:

Bovendien kan, in het algemeen, de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen de periodiciteit van de onderzoeken, vermeld in paragraaf 2, wat betreft de inwendige onderzoeken, in functie van de gedane vaststellingen of ervaring, mits motivatie, wijzigen, evenwel zonder dat de termijn tussen twee opeenvolgende inwendige onderzoeken bij verhoging van de termijn meer dan tien jaar mag bedragen. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan deze termijn van tien jaar verlengd worden tot maximaal twintig jaar.

 

Alternatieve onderzoeksmethoden ter vervanging van het inwendig onderzoek:

Het periodieke inwendige onderzoek mag vervangen worden door een alternatieve onderzoeksmethode die dezelfde waarborgen biedt. Elk deelonderzoek wordt hierbij uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. De voormelde alternatieve onderzoeksmethode en code van goede praktijk worden aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Bij het gebruik van een alternatieve onderzoeksmethode moet de periodieke herhaling korter of gelijk zijn aan de termijn, die door dit besluit of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is opgelegd. Deze termijn wordt vastgelegd op basis van een risicoanalyse uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

De voormelde milieudeskundige stelt een ondertekend attest op van de aanvaarding van de alternatieve onderzoeksmethode en gebruikte code van goede praktijk, alsook de verplichte periodiciteit op basis van de risicoanalyse. De exploitant houdt dit attest ter beschikking van de toezichthouder.

 

Aanvullende onderzoeken op basis van vaststellingen tijdens het periodiek onderzoek:

Als een reservoir sterk gecorrodeerd is, kan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, aanvullende onderzoeken, met inbegrip van een hydrostatische druktest, van het reservoir opleggen.

 

Aanvullende onderzoeken voor ondergrondse houders:

      zonder kathodische bescherming

In verband met het nagaan van de uitwendige invreting van de platen van de gasreservoirs wordt bij de ingegraven reservoirs zonder kathodische bescherming dit onderzoek verricht met behulp van ultrasone stralingen of van elk ander procedé dat de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen als toereikend beschouwt.

      met kathodische bescherming

Bij de ingegraven reservoirs met kathodische bescherming volstaat het de kathodische bescherming jaarlijks door een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie te laten nazien;

de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen controleert de goede werking van de veiligheidsvoorzieningen. Voor het nazicht van de veiligheidskleppen van vacuümgeïsoleerde gasopslagreservoirs wordt de maximumtussentijd van zes jaar vervangen door een maximumtussentijd van drie jaar. De veiligheidskleppen van de andere gasopslagreservoirs worden ten minste om de tien jaar herafgesteld;
alleen als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen het nodig acht, maar nooit bij ingebruikname als voor het desbetreffende onderdeel of als voor het samenstel een EG-verklaring van overeenstemming voorhanden is, wordt een drukweerstandproef uitgevoerd, gewoonlijk een hydrostatische druktest van de drukvaten: de beproevingsdruk is minstens gelijk aan de hoogste van de volgende waarden:
  a) de druk die overeenstemt met de maximale gebruiksbelasting die het apparaat kan weerstaan gelet op de maximaal toelaatbare druk en de maximaal toelaatbare temperatuur, vermenigvuldigd met 1,25;
  b) de maximaal toelaatbare druk, vermenigvuldigd met 1,43;

voor een drukvat zonder EG-verklaring van overeenstemming mag deze factor 1,43 vervangen worden door de factor voorzien in de code van goede praktijk, die gehanteerd werd bij het ontwerp van het drukvat; bij vacuümgeïsoleerde reservoirs wordt de proefdruk echter 1 bar hoger genomen. De hoger bepaalde beproevingsdruk mag op aanvraag van de constructeur verhoogd worden, op voorwaarde dat deze schriftelijk aantoont dat de voorgestelde beproevingdruk geen overdreven spanning in de verschillende delen van het reservoir zal veroorzaken; gedurende de proef mag in het apparaat geen significant lek of een vervorming boven een vastgestelde drempel optreden; de proef mag tot geen enkele blijvende vervorming aanleiding geven; ingeval de hydrostatische druktest schadelijk is of zeer hinderlijk voor de exploitatie, kunnen er alternatieve onderzoeksmethodes worden toegepast om te achterhalen of de sterkte nog voldoende gewaarborgd blijft;

de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen maakt het attest, vermeld in artikel 5.16.1.9, op.

 

§ 2.

De periodieke onderzoeken, vermeld in paragraaf 1, worden, tenzij een andere termijn is bepaald conform paragraaf 1 of in de volgende afdelingen, uitgevoerd ten minste om de vijf jaar, beginnend bij het onderzoek bij ingebruikname, en na elke belangrijke aanpassing of belangrijke herstelling van de installatie. Voor vacuümgeïsoleerde gasopslagreservoirs is de maximumtermijn evenwel zes jaar in plaats van vijf jaar.

 

Als in het voorgaande afgeleverde attest een kleinere maximumtermijn is opgelegd, wordt deze kleinere maximumtermijn geëerbiedigd, eventueel alleen voor de controles, vermeld in het attest.


Art. 5.16.1.9.

§ 1.

Het attest, vermeld in artikel 5.16.1.8, bevat :

de gedetailleerde opgave van de gedane controles en beproevingen, die de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen zelf heeft uitgevoerd alsmede van de hierbij gedane relevante vaststellingen;
in het geval hij beslist heeft een drukweerstandsproef uit te voeren, de motivatie van deze beslissing;
het ondubbelzinnige besluit dat :
  a) de installatie wel of niet voldoet aan de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.16 van titel II van het Vlarem, aan de bijzondere vergunningsvoorwaarden alsmede aan alle andere eisen die de goede en veilige werking van de installatie moeten waarborgen;
  b) de goede werking van de installatie wel of niet in het gedrang wordt gebracht door de opstelling ervan, door de voorziene gebruiksomstandigheden of door enig ander zichtbaar gebrek;
bij een tekort : of de installatie al dan niet in werking mag gesteld werden en zo ja binnen welke termijn deze tekorten moeten verholpen worden en welke voorzorgsmaatregelen de exploitant dient te treffen om ondertussen een aanvaardbaar veiligheidspeil te waarborgen;
bij het ontbreken van een gebruiksaanwijzing, een opsomming van de vereiste veiligheidsvoorzieningen en onderhoudshandelingen;
de termijn waarbinnen de inrichting aan een nieuw onderzoek moet onderworpen worden om in dienst te mogen blijven met in acht name van de maximumtermijnen vastgesteld in dit hoofdstuk.

 

§ 2.

De exploitant houdt elk door dit hoofdstuk voorgeschreven attest van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen ter inzage van de toezichthouders en dit ten minste tot het attest van het tweede navolgende gelijkaardige onderzoek beschikbaar is.

 

§ 3.

Wanneer volgens dit hoofdstuk onderzoeken door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen vereist zijn, mogen de desbetreffende installaties slechts in gebruik genomen of verder worden gebruikt indien uit het attest blijkt dat de goede en veilige werking van de installatie is gewaarborgd of indien, wanneer tekorten werden vastgesteld, de nodige maatregelen worden getroffen om de vastgestelde tekorten binnen de in het attest vastgestelde termijn te verhelpen en de in het attest vastgestelde nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om ondertussen een aanvaardbaar veiligheidspeil te waarborgen.

 

§ 4.

Voor elke herstelling, het aanbrengen van iedere wijziging aan het reservoir en het lassen van bijhorigheden op een gasreservoir, die volgens dit hoofdstuk aan onderzoeken door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen is onderworpen, is de voorafgaande schriftelijke toestemming vereist van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Deze milieudeskundige deelt de veiligheidsmaatregelen, die vereist zijn bij deze handelingen, schriftelijk aan de exploitant mee.

 

§ 5.

Voor de vergunningsplichtige en meldingsplichtige installaties die op 1 januari 2009 vergund respectievelijk gemeld zijn waarvoor volgens de op 1 januari 2008 bestaande regeling in dit hoofdstuk geen attest van een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen vereist was, moet het door dit hoofdstuk voorgeschreven onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen een eerste maal zijn uitgevoerd uiterlijk op 1 januari 2011.

 

Voor bovenvermelde installaties, die bovendien niet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgelegde voorschriften inzake de bouw van drukapparaten, lekdichtheidstesten de veiligheidsvoorzieningen van drukapparaten, worden deze voorschriften vervangen door volgende bepalingen : met het oog op het eerste onderzoek bezorgt de exploitant van de installatie aan de erkende milieudeskundige alle documenten die het mogelijk kunnen maken over de veiligheid van de installatie te oordelen; bij gebrek aan bewijskrachtige documenten gaat de erkende milieudeskundige over tot een grondig onderzoek van de installatie en tot elke andere controle die hij nodig acht.

 

De op 1 januari 2009 lopende attesten van een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen die volgens de op 1 januari 2008 bestaande regeling in dit hoofdstuk vereist waren, blijven geldig tot op de datum die in het attest is vermeld; is er in het attest geen datum vermeld dan blijft het attest van kracht volgens de op 1 januari 2008 bestaande regeling voor de geldigheidsduur van het attest


Afdeling 5.16.2.
Productie of omzetting van gassen


Subafdeling 5.16.2.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.16.2.1.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de rubrieken 16.1, 16.2 en 16.6 van de indelingslijst.

 

Tenzij het met inachtneming van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de productie en het gebruik van de volgende stoffen verboden:

chloorfluorkoolstoffen;
andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen;
halonen;
tetrachloorkoolstof;
1,1,1-trichloorethaan;
broomfluorkoolwaterstoffen;
broomchloormethaan.

Art. 5.16.2.1.2. Dampen, nevels en afgassen, met uitzondering van zuurstofgas, worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid

Subafdeling 5.16.2.2.
Productie van biogas door vergisting


Art. 5.16.2.2.1. Deze subafdeling is van toepassing op de productie van biogas met een of meer vergisters.

Art. 5.16.2.2.2.

De inrichting is ontoegankelijk voor onbevoegden.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, geldt voor de vergister of vergisters, waarbij de totale productiecapaciteit van biogas meer dan 100 Nm³/h bedraagt, het volgende:

de inrichting wordt omheind met een stevige en voldoende hoge (minimaal 2 meter) afsluiting; alle toegangswegen tot de inrichting worden met een poort afgesloten;
de in- en uitrit voor vrachtwagens zijn voldoende breed zodat er geen gevaarlijke verkeerssituaties op het terrein of op de openbare weg ontstaan;
de poorten worden alleen open gehouden onder toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde;
buiten de normale openingsuren worden de poorten op slot gehouden.

Art. 5.16.2.2.3.

§ 1.

De biogasopslag is voorzien van een overdrukbeveiliging (met een overdrukventiel, een waterslot of evenwaardige techniek).

 

§ 2.

Voor de vergister of vergisters, waarbij de totale productiecapaciteit van biogas meer dan 50 Nm³/h bedraagt, wordt de vergister uitgerust met een fakkel of een evenwaardige installatie.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juni 2017.

 

§ 3.

De exploitant controleert op regelmatige basis de werking van de overdrukbeveiliging. Bij een waterslot vult de exploitant wanneer nodig het water bij om doorslag van het waterslot te voorkomen.


Art. 5.16.2.2.4. Elke aanwezige vergister wordt gebouwd volgens de regels van goed vakmanschap onder het toezicht en volgens de richtlijnen van een architect of een burgerlijk ingenieur architect of een burgerlijk bouwkundig ingenieur of een industrieel ingenieur in de bouwkunde of een persoon met een gelijkwaardig diploma. Voor installaties vergund vanaf 1 juli 2014, wordt na afwerking van de bouw, door de voormelde deskundige een attest afgeleverd dat aantoont dat de bouwwerken werden uitgevoerd conform de regels van goed vakmanschap. Dat attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

Art. 5.16.2.2.5.

De exploitant beschikt bij de aanvang van de activiteiten over een werkplan dat, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, omvat:

een overzichtelijke en duidelijke handleiding over de exploitatie en het onderhoud van de inrichting;
de organisatie van de aanvoer en afvoer van onbewerkte of onverwerkte te vergisten stromen;
de organisatie van de bewerking of de verwerking van de aangevoerde te vergisten stromen;
een plan van de opslag- en behandelingsruimte(n) met aanduiding van de soort en de opslagcapaciteit voor de diverse te vergisten stromen;
de maatregelen om ervoor te zorgen dat open bekkens maximaal gevuld worden tot het niveau waarbij er geen gevaar is dat de bekkens overlopen;
de organisatie van de afvoer van de afgewerkte producten;
de bewerkings- of verwerkingswijze van de te vergisten stromen als de inrichting (tijdelijk) buiten gebruik is;
het afwateringsplan, dat het schema, de organisatie en de uitvoering van de maatregelen voor de afwatering van de inrichting of het terrein bevat;
de maatregelen voor het opvangen van storingen of ongewenste neveneffecten en het voorkomen van hinder.

 

In het werkplan wordt melding gemaakt van het volgende:

als het ammoniakgehalte in het gevormde biogas te hoog wordt: de maatregelen die genomen worden om een verstoring van de goede werking te voorkomen;
als de zwavelverbindingen in het gevormde biogas in een te hoog gehalte voorkomen: de maatregelen die worden getroffen om ze verregaand te verwijderen;
de verblijftijd, die voldoende lang is om een maximaal resultaat te behalen ten aanzien van gasproductie, kiemdoding en vermindering van vluchtige vetzuren en geur;
de maatregelen om schuimvorming te voorkomen en de voorzieningen die aanwezig zijn als er zich toch schuimvorming voordoet.

 

Het werkplan draagt de goedkeuring van de toezichthouder. Het goedgekeurde werkplan wordt opgevolgd door de toezichthouder.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen vermeld in dit artikel vanaf 1 juli 2017.


Art. 5.16.2.2.6.

Om geurhinder te voorkomen, worden de volgende maatregelen getroffen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit:

alle geur- of stofveroorzakende processen ter hoogte van de vergistingsinstallatie en de opslag- en behandelingsruimten worden uitgevoerd in een gesloten ruimte die altijd in onderdruk staat (ook bij geopende poorten);
de afgezogen ventilatielucht wordt behandeld met een zure wasser gevolgd door een biobed;
op het waswater van de zure wasser wordt een halfjaarlijkse analyse uitgevoerd , die in overeenstemming is met het monsternameprotocol dat opgenomen is in hoofdstuk 5.2.7 van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis;
zowel voor de zure wasser als voor het biobed wordt een jaarlijkse controle van het onderhoud door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL, uitgevoerd, conform de onderhoudsvoorschriften. Die controle is van toepassing voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 16.1, b), 3°, van de indelingslijst;
zowel voor de zure wasser als voor het biobed wordt een logboek bijgehouden, met daarin minimaal de bevindingen van de wekelijkse controle, de analyseresultaten van het waswater, de meetresultaten van de ammoniakmetingen, eventuele storingen of calamiteiten en de daaruit volgende acties;
in de zure wasser wordt er voorzien in een geautomatiseerd besturingssysteem voor de zuurdosering;
er gebeurt een continue registratie van het aantal draaiuren van de circulatiepomp van het waswater in de zure wasser;
gedurende het eerste jaar na ingebruikname wordt het volledige luchtwassysteem opgevolgd door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Dit is van toepassing voor de inrichtingen vermeld in rubriek 16.1, b), 3°, van de indelingslijst;
de wekelijkse controle van de goede werking van de zure wasser moet minstens omvatten: het noteren van het aantal draaiuren van de circulatiepomp van de luchtwasser, een pH-meting (ter controle van de automatische pH-meting), een nazicht van de verdeling van het waswater over het volledige filterpakket, een nazicht of het filterpakket volledig gevuld is met pakkingsmateriaal.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen vermeld in dit artikel vanaf 1 juli 2017.

 

De verplichtingen vermeld in dit artikel zijn niet van toepassing op slibvergisters horende bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie.


Art. 5.16.2.2.7.

Er geldt een emissiegrenswaarde voor ammoniak van 10 mg/Nm³ bij een massastroom van 150 g/h of meer voor de afgezogen ventilatielucht van vergisters. De concentratie ammoniak wordt driemaandelijks gemeten.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen vermeld in dit artikel vanaf 1 juli 2017.


Afdeling 5.16.3.
Installaties voor het fysisch behandelen van gassen


Art. 5.16.3.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubriek 16.3 van de indelingslijst.


Art. 5.16.3.2. Luchtcompressoren

§ 1.

De bepalingen van dit artikel gelden voor luchtcompressoren, als samenstel of als ter plaatse geassembleerd geheel, die een drukvat omvatten, waarvan het product van de toelaatbare druk (PS) en het volume (V) groter is dan 3.000 bar.liter, voor zover de toelaatbare druk (PS) meer dan 4 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar), of waarvan PS groter is dan 3000 bar.

 

§ 2.

De luchtcompressoren voldoen aan de volgende voorwaarden:

de bouw van het drukvat, de veiligheidsappendages en de onder druk staande appendages horende bij het drukvat beantwoorden aan een door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen aanvaarde code van goede praktijk;
elk drukvat heeft een hydrostatische druktest ondergaan; de test moet zo zijn uitgevoerd en geattesteerd dat de uitgevoerde test als evenwaardig aan de test, vermeld in artikel 5.16.1.8, §1, 6°, kan beschouwd worden;
elk drukvat draagt een plaat waarop de naam van de constructeur, het nummer van het drukvat, het fabricagejaar, de maximaal toelaatbare druk (PS), het volume (V) en de beproevingsdruk voorkomt.

 

§ 3.

De drukvaten zijn voorzien van de hieronder opgesomde veiligheidsvoorzieningen :

een of meer veiligheidskleppen die in werking treden bij een druk lager dan of gelijk aan de PS en die verhinderen dat de druk in het drukvat met meer dan 10 % deze PS kan overschrijden;
een goed zichtbaar geplaatste manometer, waarvan de schaal een goed merkbaar teken draagt, dat de PS aanwijst;
een manostaat die de motor van de compressor stillegt, zodra deze druk bereikt is, tenzij de installatie zo is gebouwd dat de druk in het reservoir niet hoger kan opgevoerd worden dan PS;
een purgeerkraan;
een inspectieopening volgens het minimum aan inspectie-openingen voor cilindrische houders aangegeven in de volgende tabel :

 

inwendige diameter (Di)in mm

lengte van het cilindrisch gedeelte L in mm

aard, schikking en aantal inspectie-openingen

Di≤ 300

 

1 klein kijkgat in iedere bodem. Bij L > 1000 mm is een bijkomend groot kijkgat te voorzien (1).

300< Di≤ 450

L ≤ 1500

2 grote kijkgaten, kort bij of in de bodem of 1 handgat (1) in het centrale 3e gedeelte van de cilindrische sectie.

 

L > 1500

een handgat kort bij iedere bodem of in de bodems. Is de afstand tussen 2 handgaten groter dan 1500 mm is een bijkomend handgat te voorzien (1).

450< Di ≤ 800

L ≤ 1500

2 grote kijkgaten, kort bij of in de bodem of 1 handgat (1) in het centrale 3e gedeelte van de cilindrische sectie.

 

1500 < L ≤ 3000

1 kopgat in het centrale 3e gedeelte van de cilindrische lichaam of een handgat kort bij elke bodem of in elke bodem. Is de afstand tussen 2 handgaten groter dan 1500 mm is een bijkomend handgat te voorzien (1).

 

L > 3000

Het aantal inspectie-openingen zal vermeerderd worden zodat de afstand tussen 2 kopgaten niet groter wordt dan 3000 mm en deze tussen 2 handgaten niet groter dan 2000 mm; Handgaten zullen gelokaliseerd worden in het cilindrisch gedeelte kort bij elke bodem of in elke bodem en in het centrale 3e gedeelte van het cilindrisch lichaam.

800<Di ≤ 1200

L ≤ 2000

1 kopgat in het centrale 3e gedeelte van de cilindrische lichaam of een handgat in het cilindrisch gedeelte kort bij elke bodem of een handgat in elke bodem of 1 mangat.

 

L > 2000

Dezelfde inspectie-openingen als in het geval Di < 800 en L > 3000, ofwel 1 mangat

Di> 1200

-

1 mangat

 

(1) kijkgaten moeten zo opgesteld staan dat zij zicht geven op de langsnaad(naden). Voor de begrippen gehanteerd in voorgaande tabel gelden de volgende definities :

• kijkgat

— klein kijkgat : opening met inwendige diameter ≥ 30 mm en opstaande rand ≤ inwendige diameter;

— groot kijkgat : opening met inwendige diameter ≥ 50 mm en opstaande rand ≤ inwendige diameter

• handgat : opening waardoor een hand en een lamp kan ingebracht worden

afmetingen : minimum 80 x 100 mm (inwendig)

opstaande rand ≤ 65 mm

opstaande rand ≤ 100 mm wanneer conisch.

• kopgat : opening waardoor een hoofd, een arm en een lamp kan ingebracht worden.

afmetingen : minimum 220 x 320 mm of diameter 320 mm (inwendig)

opstaande rand ≤ 65 mm

opstaande rand ≤ 100 mm wanneer conisch.

• mangat : opening waardoor een persoon kan binnendringen.

afmetingen : minimum 320 x 420 mm of diameter 420 mm (inwendig)

opstaande rand ≤ 150 mm

opstaande rand ≤ 100 mm wanneer conisch.

 

§ 4.

Een luchtcompressor moet bij de ingebruikname onderworpen worden aan een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. De luchtcompressoren worden verder overeenkomstig het artikel 5.16.1.8, § 2, onderworpen aan een periodiek onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen zodat een maximale beveiliging voor de buurt wordt verzekerd.

 

Voor de vergunningsplichtige en meldingsplichtige installaties die op 1 januari 2009 vergund respectievelijk gemeld zijn, geldt de overgangsregeling voorzien in artikel 5.16.1.9, § 5.


Art. 5.16.3.3. Koelinstallaties

§ 1.

Het aanwenden van chloorfluorkoolstoffen en halonen in of voorhanden houden ervan ten behoeve van koelinstallaties is verboden. Dit verbod geldt niet voor chloorfluorkoolstoffen aanwezig in hermetisch gesloten koelsystemen met een geïnstalleerde drijfkracht van 500W of minder. 

 

§ 1bis.

De volgende werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie:

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
controles op lekkage van koelinstallaties als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.

 

Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen is het bedrijf waar de koeltechnicus werkt, erkend als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de desbetreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die de werkzaamheden uitvoert aan koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen maar geen ozonlaagafbrekende stoffen bevatten en die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram, op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.

 

§ 2. De bouw en de opstelling van koelinstallaties.

De exploitant houdt een attest ter beschikking van de toezichthouder dat is opgesteld door de constructeur of een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, waaruit blijkt dat:
a) iedere installatie die werkt onder een absolute gasdruk van meer dan 100 kPa met goed gevolg de volgende beproevingen heeft ondergaan:
 
aard van de beproeving beproevingsdruk
op mechanische sterkte van:
- gegoten onderdelen
- andere dan gegoten onderdelen
op het gehele systeem na installatie :
> = 1,5 x p
> = 1,3 x p
> = 1,0 x p

Onder p moet hierbij verstaan worden de maximale werkdruk, namelijk de druk die niet mag worden overschreden, noch in werking, noch bij stilstand van de installatie, rekening houdend met de hoeveelheid niet-condenseerbare gassen, de ontdooimethode, de hoogst mogelijke temperatuur die in het systeem kan optreden zowel bij werking als bij stilstand of mogelijke andere factoren;
b) de constructie van de druktoestellen beantwoordt aan een erkende norm zoals CEN, ASME, CODAP, AD merkblatt BS5500, Kema of elke andere gelijkwaardige norm;
c) de installaties, met inbegrip van de leidingen, koppelingen, en alle andere onderdelen die koelmiddel bevatten zijn gebouwd volgens een erkende code van goede praktijk zoals bijvoorbeeld de EN-378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk;
d) voor de samengestelde delen van de installatie die voorgemonteerd werden bij de fabrikant (monoblocsystemen) wordt een attest opgemaakt door bevoegde deskundigen, in opdracht van de fabrikant, waaruit blijkt dat die delen aan de hierboven vermelde voorwaarden voldoen of dat ze voldoen aan een, in een van de landen van de Europese Gemeenschap, erkende code of norm.
Het in het eerste lid bedoelde attest is niet vereist voor de kleine installaties, namelijk installaties waarvan de nominale koelmiddelinhoud minder bedraagt dan:
a) voor installaties met een koelmiddel dat geen gevarenpictogram GHS02, GHS06 of GHS07 draagt:
1) met een thermostatisch of elektronisch expansieventiel: 10 kg;
1) met een capillair expansiesysteem: 3 kg;
b) voor installaties met een koelmiddel dat in geval van ernstige lekkage in het koelsysteem schade voor de gezondheid (gevarenpictogram GHS07) kan opleveren of dat, vermengd met lucht, brandbaar of explosief met een onderste explosiegrens van 3,5 % (V/V) of hoger is, zoals dichlooretheen, ethylchloride, methylchloride, methyleenchloride en methylformiaat: 2,5 kg;
c) voor installaties met een koelmiddel dat in geval van ernstige lekkage in het koelmiddelsysteem gevaar voor ernstige vergiftiging (gevarenpictogram GHS06) kan opleveren of dat, vermengd met lucht, brandbaar of explosief met een onderste explosiegrens lager dan 3,5 % (V/V) is, zoals butaan, ethaan, etheen, isobutaan, propaan, propeen en zwaveldioxyde: 1 kg.
het in het eerste lid bedoelde attest is niet vereist voor installaties die beantwoorden aan:
a) het koninklijk besluit van 23 maart 1977 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke bepaalde elektrische machines, apparaten en leidingen moeten bieden;
b) het koninklijk besluit van 5 mei 1995 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-Staten betreffende machines;
c) het koninklijk besluit van 13 juni 1999 tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lid-Staten betreffende drukapparatuur;
De handelingen, voorafgaand aan de ingebruikname van een koelinstallatie, moeten gebeuren conform de bepalingen van de norm EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk.

 

 

§ 3. Onderhoud

De bewerkingen die verband houden met koelinstallaties en waarbij de mogelijkheid tot het ontsnappen van koelmiddel bestaat, moeten worden uitgevoerd door bevoegde koeltechnici.
De nodige voorzorgen zijn getroffen opdat bij een herstelling, een lek, een ontsnapping via veiligheidsklep e.d., het ontsnappende koelmiddel de buurt niet kan hinderen, noch het milieu kan bezoedelen. Om de eventuele lekken tot het strikte minimum te beperken worden de koelinstallaties en toebehoren onderhouden volgens de norm EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk en afhankelijk van de gebruikswijze, regelmatig onderzocht door een bevoegd koeltechnicus. Bij vaststellen van lekkage moeten onmiddellijk de nodige herstellingen worden uitgevoerd om die lekkage te verhelpen en moet een nieuwe controle op lekdichtheid worden uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken worden ingeschreven in een register dat ter inzage is van de toezichthouder.
In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen modaliteiten en de frequentie van die onderzoeken nader worden bepaald.
Airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW worden regelmatig gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), van het VLAREL. Die keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan, rekening houdend met de koelingsbehoefte van het gebouw. De minister, bevoegd voor het leefmilieu, bepaalt uit welke elementen de keuring minstens bestaat en met welke frequentie de keuring ten minste moet worden uitgevoerd. Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem. De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid. Dit punt voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking).

 

 

§ 4. Terugwinning van koelmiddelen

Bij definitieve buitenbedrijfstelling moet het koelmiddel binnen de maand worden verwijderd. Bij buitenbedrijfstelling of bij herstellingen waarbij het koelmiddel moet worden afgetapt, moet het koelmiddel met doelmatige apparatuur door bevoegde koeltechnici worden opgevangen in speciaal daarvoor bestemde en gemarkeerde recipiënten.

 

[...]

 

§ 5.

De bepalingen van de hiernavolgende paragrafen van dit artikel zijn van toepassing op koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonlaagafbrekende stoffen en op koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer. De bepalingen van de hiernavolgende paragrafen van dit artikel zijn niet van toepassing op hermetisch afgesloten koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg mits dergelijke installaties als hermetisch afgesloten zijn geëtiketteerd.

 

§ 6. Relatief lekverlies

Alle maatregelen die overeenkomstig de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, worden genomen om het relatief lekverlies zoveel mogelijk en in elk geval tot maximaal 5% per kalenderjaar te beperken. Het relatief lekverlies wordt na elke bijvulling van een koelinstallatie berekend en genoteerd in het installatiegebonden logboek.

 

Bij vaststelling van lekkage worden zo snel mogelijk en uiterlijk binnen de veertien dagen na de vaststelling de nodige maatregelen genomen die overeenkomstig de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, om het lek op te sporen en te dichten. Nieuw koelmiddel mag pas bijgevuld worden nadat het defect verholpen is en een bevoegde koeltechnicus een controle op lekdichtheid heeft uitgevoerd. Een nieuwe controle op lekdichtheid wordt uitgevoerd binnen een maand na de herstelling maar niet op de dag van de herstelling zelf.

 

Als het relatief lekverlies gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren telkens meer dan 10% bedraagt, wordt de installatie binnen twaalf maanden na de vaststelling buiten bedrijf gesteld en wordt dat binnen de veertien dagen na de vaststelling schriftelijk per brief of per e-mail gemeld aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving. Op basis van een gemotiveerde aanvraag kan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, een afwijking op de buitenbedrijfstelling van de koelinstallatie goedkeuren. Die aanvraag bevat minstens een rapport van een bevoegde koeltechnicus waaruit blijkt dat de lekkage niet te wijten is aan de ouderdom of aan een verkeerde werking van de installatie. In het voormelde rapport worden de maatregelen beschreven die genomen werden om de lekken op te sporen en te dichten. Als om redenen van technische complexiteit die vervanging binnen twaalf maanden niet mogelijk is, wordt de termijn voor vervanging zo kort mogelijk gehouden. De eventuele verlenging van de termijn moet goedgekeurd worden door de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

 

Als aan koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van meer dan 30 kg het relatief lekverlies meer dan 100% bedraagt, wordt dat binnen de veertien dagen na de vaststelling schriftelijk per brief of per e-mail gemeld aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

 

§ 7. Periodieke lekdichtheidscontrole

De periodieke lekdichtheidscontrole moet voldoen aan de volgende vereisten :

als bij de controles, vermeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat, het vermoeden van lekkage bestaat, moet de controle uitgevoerd worden met lekdetectieapparatuur die geschikt is voor het betreffende koelmiddel en met een detectiegrens van ten minste 5 g per jaar, onder een lichte overdruk ten opzichte van de normale bedrijfsdruk;
zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd.

 

§ 8. Documentatie

De exploitant moet bij een koelinstallatie op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart beschikbaar hebben. Die instructiekaart moet ten minste vermelden:
a) indien van toepassing, de naam, het adres en het telefoonnummer van de installateur en van de onderhoudsdienst;
b) het type koelmiddel dat wordt gebruikt;
c) de maximaal toelaatbare werkdrukken (hoge- en lagedrukzijde);
d) instructies over de wijze waarop een koelsysteem in of buiten bedrijf kan worden gesteld;
e) instructies over de wijze waarop het koelsysteem in geval van nood buiten werking kan worden gesteld.
De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden:
a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud; Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel- en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht;
c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen;
d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling;
e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming;
f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles;
g) significante periodes van buitenbedrijfstelling;
h) indien de installatie buiten dienst is gesteld: de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen;
i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het certificaatnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het certificaatnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;
j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.
Om controle over de toegevoegde en afgetapte koelmiddelen mogelijk te maken, moet de exploitant de volgende documenten ter beschikking van de toezichthouder houden:
a) de facturen met betrekking tot de aangekochte hoeveelheden koelmiddelen;
b) het in sub 2° bedoelde logboek.

Art. 5.16.3.4. Installaties voor het fysisch behandelen van gassen andere dan luchtcompressoren en koelinstallaties

§ 1.

De bepalingen van dit artikel gelden voor de volgende installaties voor zover de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur meer dan 0,5 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar) :

installaties met drukvaten, boven de volgende grenzen :
  a) bij drukvaten voor gassen van groep 2 of groep 4, wanneer de maximaal toelaatbare druk PS groter is dan 1000 bar of wanneer het product van PS en V groter is dan 1000 bar.l;
b) bij drukvaten voor andere gassen wanneer PS groter is dan 200 bar of wanneer het product van PS en V groter is dan 200 bar.l;
installaties met installatieleidingen, boven de volgende grenzen :
  a) voor gassen van groep 2 of groep 4, wanneer de nominale maat DN groter is dan 250 en tezelfdertijd het product van PS en DN groter is dan 5.000 bar;
  b) voor andere gassen wanneer DN groter is dan 100 en tezelfdertijd het product van PS en DN groter is dan 3.500 bar of wanneer DN groter is dan 350;

 

§ 2.

De installaties dienen te voldoen aan de volgende voorwaarden :

de bouw van de drukapparaten beantwoordt aan een door de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen aanvaarde code van goede praktijk;
ofwel is de controle op de bouw toevertrouwd aan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Ofwel wordt de controle op de bouw geattesteerd door een aangemelde instantie.
elk drukvat draagt een plaat waarop de naam van de constructeur, het nummer van het drukvat, het fabricagejaar, de maximaal toelaatbare druk (PS), het volume (V) en de beproevingsdruk voorkomt.

 

§ 3.

De volgende veiligheidsvoorzieningen moeten worden voorzien :

1°  wanneer de toelaatbare grenzen van een drukapparaat onder redelijkerwijs te voorziene omstandigheden kunnen worden overschreden, moet het drukapparaat zijn uitgerust met passende veiligheidstoestellen, tenzij de beveiliging wordt gegarandeerd door andere in de installatie ingebouwde veiligheidsvoorzieningen. De beveiligingsvoorzieningen en de combinaties daarvan omvatten :
  a) de veiligheidsappendages;
  b) naar gelang het geval passende controlevoorzieningen, zoals aanwijsinstrumenten en/of alarmeringsapparatuur, waarmee automatisch of manueel toereikende maatregelen kunnen worden genomen om de drukapparaten binnen de toelaatbare grenzen te houden;
zo nodig zijn de drukapparaten voorzien van toereikende aftap- en ontluchtingsmiddelen teneinde :
  a) schadelijke effecten, zoals waterslag, inzakken ten gevolge van het vacuüm, corrosie en onbeheerste chemische reacties te voorkomen; alle fasen van het gebruik en de beproeving, met name de drukbeproeving, dienen in aanmerking te worden genomen;
  b) reiniging, inspectie en onderhoud onder volledig veilige omstandigheden mogelijk te maken;
Indien dit ter verzekering van de voortdurende veiligheid van de drukapparaten noodzakelijk is, moeten er inspectieopeningen volgens artikel 5.16.3.2, § 3, 5°, aanwezig zijn. Andere middelen om te mogen stellen dat de drukapparaten zich in veilige staat bevinden mogen worden toegepast :
  a) wanneer het apparaat te klein is om fysieke toegang tot het inwendige gedeelte te verlenen;
  b) of wanneer het openen van het drukapparaat nadelige gevolgen zou hebben voor het inwendige gedeelte;
  c) of wanneer is aangetoond dat de stof die in het apparaat aanwezig is, niet schadelijk is voor het materiaal waaruit het apparaat is vervaardigd en een ander proces van inwendige degradatie redelijkerwijs niet verwacht mag worden.

 

 

§ 4

Een installatie moet bij de ingebruikname onderworpen worden aan een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders