Afdeling 5.2.2.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen


Subafdeling 5.2.2.1.
Containerparken


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.1.1.

§ 1.

Op een containerpark kunnen de volgende huishoudelijke afvalstoffen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de vergunning, selectief worden ingezameld en opgeslagen:

metaalafval;
bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;
glasafval;
papier- en kartonafval;
textielafval;
kunststofafval;
houtafval;
snoeihout, tuinafval en gazonmaaisel;
rubberbanden;
10° afgewerkte motorolie;
11° gebruikte frituuroliėn en -vetten;
12° andere in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen.

 

 

§ 1bis.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden bepaald dat bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard en samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen mogen worden aanvaard voorzover ze de normale werking van het containerpark niet hinderen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder "bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen" verstaan: afvalstoffen die ontstaan ten gevolge van activiteiten die van dezelfde aard zijn als deze van de normale werking van een particuliere huishouding.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen ingezameld en opgeslagen worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

Op het containerpark wordt een container opgesteld voor de opvang van de niet recupereerbare restfractie die bij het sorteren ontstaat.

 

§ 4.

De afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, worden altijd gescheiden opgeslagen in aangepaste recipiėnten of stockageruimten.


Art. 5.2.2.1.2. In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, is geen weegbrug vereist en worden in het register enkel ingeschreven de gegevens inzake de afgevoerde afvalstoffen en de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.

De uitbating.

Art. 5.2.2.1.3.

§ 1.

De containers worden geplaatst op een vloeistofdichte vloer, die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

 

§ 2.

De containers voor afgewerkte motorolie, die tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een maximum inhoudsvermogen van 2 x 1.000 liter mogen hebben, worden geplaatst in een vloeistofdichte en oliebestendige inkuiping met een inhoud die tenminste gelijk is aan de inhoud van de daarin opgestelde oliecontainers.

 

§ 3.

Het ingezamelde asbestcementafval of ander asbesthoudend afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, moet gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen.

 

§ 4.

De ingezamelde elektrische en elektronische toestellen worden op een milieuverantwoorde wijze opgeslagen. Koel- en vriestoestellen worden droog [...] en zodanig geplaatst dat het koelcircuit niet kan beschadigd worden. Beeldschermen worden in intacte toestand opgeslagen.


Subafdeling 5.2.2.2.
Inrichtingen voor het opslaan en sorteren van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong, aansluitend bij containerparken


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.2.1.

§ 1.

De afvalstoffen die in de inrichting kunnen worden opgeslagen zijn kleine gevaarlijke afvalstoffen van huishoudelijke oorsprong (verder KGA genoemd).

 

§ 1bis.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden bepaald dat KGA van bedrijfsmatige oorsprong dat omwille van aard, samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar is met KGA van huishoudelijke oorsprong, mag worden aanvaard voorzover dit KGA de normale werking van de inrichting voor het opslaan en sorteren van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong, aansluitend bij containerparken niet hindert.

 

§ 2.

Alleen KGA dat met in achtname van de bepalingen van de toepasselijke wetgeving wordt afgegeven, mag worden aanvaard.


Art. 5.2.2.2.2.

§ 1.

De aanvoer, de aanvaarding, en de sortering van het KGA is enkel toegelaten mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. De exploitant of voornoemde afgevaardigde beheerst voldoende scheikunde en heeft voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de chemische stoffen die mogen worden aanvaard en van de bijhorende veiligheidsvoorschriften . De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthouder.

 

§ 2.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist en worden in het register enkel ingeschreven de gegevens inzake de afgevoerde afvalstoffen en de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.


De uitbating.

Art. 5.2.2.2.3.

§ 1.

De ingezamelde afvalstoffen worden onmiddellijk en uiterlijk vóór het beėindigen van zijn dagtaak door de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde gesorteerd en opgeslagen op een wijze dat elk risico wordt vermeden.

 

§ 2.

Het KGA wordt onderverdeeld en samengebracht volgens de chemische samenstelling, aard of eigenschappen van de verschillende afvalstoffen. De deelcontainers of recipinten dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijbehorende gevarenpictogrammen.

 

§ 3.

De opslag van KGA gebeurt in een vloeistofdichte gecompartimenteerde container (KGA-kluis) of in een gesloten opslaglokaal, overeenkomstig het goedgekeurde werkplan.

 

§ 4.

Als er wordt vastgesteld dat een recipiėnt met KGA lekt, wordt het recipiėnt of de inhoud ervan onmiddellijk overgebracht in een ander gepast recipiėnt en worden de gelekte vloeistoffen opgeruimd. In de inrichting zijn daartoe voldoende reserverecipinten en absorptiemateriaal aanwezig. Lege verontreinigde recipiėnten en verontreinigd absorptiemateriaal wordt afgevoerd met het KGA.


Subafdeling 5.2.2.3.
Opslag en compostering van groenafval, GFT-afval en organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen


Gemeenschappelijke bepalingen.

Art. 5.2.2.3.1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de subrubrieken 2.2.3, a), b) en c) van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.3.2. In afwijking van de algemeen geldende bepalingen voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug, groenscherm noch afvalstoffenregister vereist voor inrichtingen ingedeeld in klasse 3.

Art. 5.2.2.3.3. Buiten de openingsuren dient de composteerinstallatie te zijn afgesloten voor onbevoegden. [...]

Art. 5.2.2.3.4.

De exploitant houdt een compostdagboek bij met vermelding van gegevens inzake temperatuurmetingen, data van het omzetten en afoogsten.


Art. 5.2.2.3.5.

§ 1.

De bedrijfsvoering van de aerobe compostering moet zo zijn dat :

in de composthopen een aerobe gelijkmatige compostering verzekerd wordt;
de composteringstijd zo is dat het proces optimaal verloopt teneinde een bruikbaar eindproduct te bekomen.

 

 

§ 2.

De inrichting voor aerobe compostering beschikt over een spreidplaats om de volledige compostering te verzekeren. Bij het opzetten van de composthopen wordt het te composteren materiaal voldoende bevochtigd om een goed composteringsproces te verzekeren. Tijdens het composteringsproces wordt het substraat regelmatig gekeerd zodat de aerobe omstandigheden in de hopen steeds gehandhaafd blijven. De uitrusting voor het beluchten of het keren moet aanwezig zijn.

 

§ 3.

Tussentijdse opslag van compost dient stofvrij te gebeuren en in hopen van maximum 4 meter hoogte.

 

§ 4.

Composteerinstallaties met een composteerruimte groter dan 10 m; dienen voorzien te zijn van een vloeistofdichte vloer, die is uitgerust met een afwateringssysteem. Het afvloeiwater wordt opgevangen, indien nodig behandeld, en opgeslagen met het oog op het gebruik ervan voor het bevochtigen van de te composteren afvalstoffen.


Inrichtingen voor het composteren van uitsluitend groenafval.

Art. 5.2.2.3.6.

In de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, a) mogen uitsluitend composteerbare afvalstoffen afkomstig van het onderhoud van tuinen en plantsoenen worden aanvaard.


Inrichtingen voor het composteren van groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval).

Art. 5.2.2.3.7.

In de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, b) mag uitsluitend het volgende groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) worden aanvaard :

in de composteerinstallaties bedoeld in de subrubriek 2.2.3, b), 1° : GFT-afval van huishoudelijke oorsprong verbonden aan een wooncomplex en/of wijk;
in de composteerinstallaties bedoeld in de subrubriek 2.2.3, b), 2° : GFT-afval van huishoudelijke oorsprong verbonden aan een woonwijk; de gebiedsafbakening rond de composteerinstallatie gebeurt in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op basis van de capaciteit van de composteerinstallatie en het aantal inwoners dat onvoldoende mogelijkheden heeft tot thuiscomposteren; de exploitant registreert de producenten van de aangeboden afvalstoffen;
in de composteerinstallaties vermeld in de subrubriek 2.2.3, b), 3° : het GFT-afval omschreven in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

Art. 5.2.2.3.8.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mag de compost die door een composteerinstallatie, ingedeeld in klasse 3, wordt geproduceerd uitsluitend :

worden geleverd aan diegenen die GFT-afval hebben aangeleverd en/of
worden gebruikt als bodemverbeterend middel in openbare groenvoorzieningen in de gemeente waar de inrichting wordt geėxploiteerd.

Inrichtingen voor het composteren van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen.

Art. 5.2.2.3.9.

In de composteerinstallaties, vermeld in de subrubriek 2.2.3, c), mogen uitsluitend organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen worden aanvaard als omschreven in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Subafdeling 5.2.2.3bis.
Opslag en voorbehandeling van maaisel in afwachting van een nuttige toepassing


Art. 5.2.2.3bis.1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, d) van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.3bis.2. In afwijking van de algemeen geldende bepalingen voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug, groenscherm noch afvalstoffenregister vereist voor inrichtingen ingedeeld in klasse 3.

Art. 5.2.2.3bis.3. In de inrichting mag uitsluitend maaisel afkomstig van het beheer van bermen en natuurgebieden worden aanvaard.

Art. 5.2.2.3bis.4. De bedrijfsvoering op het terrein moet zo zijn dat :

de opslag en voorbehandeling gecontroleerd gebeuren waarbij de biologische processen worden stilgelegd of op zijn minst dermate beperkt dat elke vorm van geurhinder of bodemverontreiniging uitgesloten is;

de voorbehandeling is afgestemd op de uiteindelijke verwerking.

 


Art. 5.2.2.3bis.5. [...]

Art. 5.2.2.3bis.6. [...]

Subafdeling 5.2.2.3ter.
Opslag en biologische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen


Art. 5.2.2.3ter.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de rubrieken 2.2.3, e), 2.2.3, f), 2.3.3,a) en 2.3.7,d) van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.3ter.2. De exploitant zorgt ervoor dat open bekkens maximaal gevuld worden tot het niveau waarbij er geen gevaar is dat de bekkens overlopen.

Art. 5.2.2.3ter.3.

De aanvoerdarm voor vloeibare organisch-biologische afvalstoffen vanuit de betreffende vrachtwagen beschikt over een vloeistofdichte snelkoppeling die past op de gesloten opslagvoorziening of een gelijkwaardig alternatief. Ter hoogte van de koppelingen wordt ook in lekbakken voorzien die de organisch-biologische afvalstoffen alsnog kunnen opvangen. De vrachtwagen staat tijdens het lossen op een verharde vloer, voldoende dicht zodat de bodem en het grond- en of oppervlaktewater niet verontreinigd kunnen worden. Alle run-off van die verharding wordt opgevangen.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juli 2017.


Subafdeling 5.2.2.4.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van bepaalde ongevaarlijke vaste afvalstoffen


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.4.1.

§ 1

In de inrichting voor het opslaan en behandelen van ongevaarlijke afvalstoffen kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, de volgende vaste afvalstoffen worden verwerkt:

 

selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen bestaande uit papier-, hout-, karton-, textiel-, plastiek-, metaal-,glas- en rubberafval.
de bedrijfsafvalstoffen die omwille van de herkomst, de aard en de samenstelling vergelijkbaar zijn met de in 1° vermelde huishoudelijke afvalstoffen;
inerte afvalstoffen:
a) reststoffen afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken, met uitzondering van asfalt, hout, plastiek, andere kunststoffen aangewend in de bouwsector en afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten;
b) reststoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of kwartair tijdperk behoren (zand-, klei-, leem-, mergel- en grindafzettingen);
inerte afvalstoffen verontreinigd met asfalt, hout, plastiek en andere kunsstoffen aangewend in de bouwsector, met uitzondering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten.
bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;

 

§ 2

Volgende afvalstoffen mogen in geen geval in de inrichting worden aanvaard:

gevaarlijke afvalstoffen met inbegrip van KGA, uitgezonderd, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;
groente-, fruit- en tuinafval en afval van dierlijke oorsprong;
niet selectief ingezameld huisvuil;

 

§ 3

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 4

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bepaald welke behandelingen zoals sorteren, opslaan, overslaan, breken en persen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.


De uitbating.

Art. 5.2.2.4.2.

§ 1

Het behandelen gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

 

§ 2

De opslag van de gesorteerde materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze op daartoe aangewezen vloeren of in containers, voor zover dit geen aanleiding geeft tot hinder en overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Niet nuttig toepasbare afvalstoffen mogen buiten de sorteervloer enkel in containers worden opgeslagen. De opslag van de afvalstoffen, al dan niet in containers, gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

 

§ 3

In afwijking van § 1 en § 2 gebeurt het opslaan en behandelen van inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt op een verharde niet-vloeistofdichte bodem, zonder dat die moet uitgerust zijn met een vloeistofdichte verharding.

 

§ 4

Om stof en lawaai te beperken kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, al dan niet ter aanvulling van het groenscherm, de aanleg van een aarden wal worden opgelegd.

 

§ 5

De exploitant treft de nodige maatregelen om lange opslagtijden en grote opslaghoeveelheden te vermijden. Afvalstoffen die niet voor nuttige toepassing in aanmerking komen en de gesorteerde materialen worden regelmatig afgevoerd. Afvalstoffen die aanleiding geven tot hinder voor de omgeving worden onmiddellijk afgevoerd.

 

§ 6

De verwerking van voertuigbanden moet zo gebeuren dat de banden worden gesorteerd naar de volgende categorieėn:

die welke in aanmerking komen voor rechtstreeks hergebruik als tweedehands;
die welke in aanmerking komen voor loopvlakvernieuwing;
die welke noch in aanmerking komen voor rechtstreeks hergebruik als tweedehands, noch voor loopvlakvernieuwing.

 

§ 7

Op bouw- en sloopafval waarin via visuele keuring vastgesteld wordt dat asbestcement aanwezig is, worden er in geen geval breekactiviteiten uitgevoerd.


Art. 5.2.2.4.3. Het ingezamelde asbestcementafval of andere asbesthoudende afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, dient gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval te worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen.

Subafdeling 5.2.2.4bis.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen, afkomstig van één specifiek bouw- en sloopwerf of wegenwerk, waarbij minstens 50% van de stoffen na behandeling nuttig worden aangewend op de plaats van ontstaan, waarbij de inrichting niet langer dan één jaar in exploitatie zal zijn en waarbij de inrichting zich op maximaal 1.000 m van het wegenwerk bevindt of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf


Art. 5.2.2.4bis.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.2.2, h), van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.4bis.2.

In de inrichting worden alleen afvalstoffen aanvaard, opgeslagen en behandeld, afkomstig van de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk dat expliciet in het meldingsdossier is vermeld en geļdentificeerd. De opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen en gerecycleerde granulaten is beperkt tot de hoeveelheden, vermeld in het meldingsformulier.

 

In de inrichting worden alleen de volgende soorten afvalstoffen opgeslagen en behandeld:

inerte afvalstoffen die bestaan uit de steenachtige fractie van bouw- en sloopafval, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken; 
niet-teerhoudend asfalt, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken.

 

De volgende afvalstoffen mogen niet verwerkt worden in de inrichting:

teerhoudend asfalt;
bouw- en sloopafval dat asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, bevat;
bouw- en sloopafval dat vrije asbestvezels of asbeststof bevat;
andere gevaarlijke afvalstoffen;
andere niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet vermeld in het tweede lid van dit artikel. 

 

 


Art. 5.2.2.4bis.3.

De op de inrichting toegelaten handelingen zijn beperkt tot:

de opslag;
het sorteren en voorbereidende mechanische behandeling, zoals crushen met het oog op het breken;
het breken; 
het zeven. 

 


Art. 5.2.2.4bis.4. De inrichting ligt op een afstand van maximaal 1.000 m van het wegenwerk, gemeten vanaf de perceelsgrenzen of de afgebakende werfzone van het wegenwerk, of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf.

Art. 5.2.2.4bis.5.

De opslag van te breken puin en gerecycleerde granulaten is beperkt tot maximaal één jaar na de datum van de melding.

 

De verwerking van de afvalstoffen is beperkt tot maximaal zestig werkdagen binnen de periode van één jaar, vermeld in het eerste lid.

 

De termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen niet verlengd worden.


Art. 5.2.2.4bis.6. De aanvoer en de verwerking van afvalstoffen, alsook de afvoer van gerecycleerde granulaten en restfracties, zijn verboden op weekdagen tussen 19 uur en 7 uur, en op zaterdagen, zondagen en feestdagen.

Art. 5.2.2.4bis.7. De inrichting wordt gedurende de volledige periode van exploitatie voorzien van een vaste of tijdelijke afsluiting die de toegang voor rollend materieel onmogelijk maakt. Ook de toegangsweg wordt voorzien van een afsluitmogelijkheid.

Art. 5.2.2.4bis.8.

Aan de toegangsweg wordt op een vanaf de openbare weg goed zichtbare plaats een uithangbord geplaatst waarop duidelijk leesbaar de volgende vermeldingen zijn opgenomen:

“toegang verboden voor onbevoegden”;
de aard van de inrichting;
de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
de normale openingsuren; 
de datum van aanvang en beėindiging van de activiteiten;
het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid; 
bij brand of onheil: het telefoonnummer van de brandweer. 

 


Art. 5.2.2.4bis.9.

Voor de inrichtingen bedoeld in deze subafdeling zijn de bepalingen van afdeling 4.5.5 van toepassing. Overdag wordt in afwijking van deze subafdeling het specifieke geluid in openlucht van de inrichting tijdens het mechanisch behandelen op de in artikel 1, §3 en §4, van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten zodanig beperkt dat de richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit, verhoogd met 20 dB(A), niet wordt overschreden. Deze bepaling is niet van toepassing ter hoogte van stiltebehoevende instellingen, waarvoor afdeling 4.5.5 blijft gelden.


Art. 5.2.2.4bis.10.

§ 1.

Voor de aanvang van de mechanische behandeling van de afvalstoffen bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de overheid waarbij de melding is ingediend, en aan de bevoegde toezichthoudende overheid:

de datum van aanvang en de duur van de periode dat de afvalstoffen mechanisch behandeld zullen worden;
de afstand van de inrichting tot de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk;
de identificatiegegevens van de puinbreker, zoals vastgesteld in het kader van het Geografisch Informatiesysteem (GIS);
een afschrift van het certificaat van de puinbreker die ingezet zal worden, afgeleverd door een geaccrediteerde keuringsinstelling in het kader van het VLAREA;
een beschrijving van de bronsterkte (LW) van de puinbreker in dB(A);
de afstand van de puinbreker tot de dichtstbijzijnde woning en stiltebehoevende instelling. 

 

 

§ 2.

Het register dat de exploitant met toepassing van de afvalstoffenregelgeving bijhoudt, bevat daarnaast de volgende gegevens:

op elk ogenblik: de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen te behandelen afvalstoffen; 
op elk ogenblik: de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen gerecycleerde granulaten;
de tijdstippen (dagen en uren) waarop er afvalstoffen mechanisch worden behandeld. 

 

 

§ 3.

Inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt worden opgeslagen en behandeld op een vlakke verharde bodem, zonder dat uitrusting met een vloeistofdichte verharding noodzakelijk is. De afvalstoffen en gerecycleerde granulaten worden gestapeld op een veilige manier, zonder risico voor de omgeving.

 

§ 4.

De exploitant treft de nodige maatregelen zodat afvalstoffen die niet nuttig worden aangewend binnen de bouw- en sloopwerf of het wegenwerk waarbij de inrichting hoort, regelmatig worden afgevoerd.

 

§ 5.

De inrichting beschikt over een geijkte weeginstallatie met automatische registratie.

 

§ 6.

Tijdens de periodes van aan- en afvoer en tijdens de mechanische behandeling is altijd een verantwoordelijke persoon aanwezig met voldoende vakbekwaamheid en kennis van de na te leven voorwaarden en de te nemen maatregelen. De exploitant deelt de naam van die persoon schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

 

§ 7.

De exploitant treft alle nodige maatregelen om stofhinder te voorkomen en te beperken.

 

Er wordt zo nodig gebruik gemaakt van een sproei-installatie of sproeiwagen om de opgeslagen en te breken afvalstoffen en gerecycleerde granulaten, alsook de stofgevoelige delen van het terrein, vochtig te houden, zowel tijdens de opslagfase als tijdens het breken.

 

Bij het transport van bouw- en sloopafval en van afval van wegenwerken naar de inrichting en bij afvoer van gerecycleerde granulaten worden de nodige voorzieningen, zoals afdekken of bevochtigen, getroffen om ladingverlies en stofverspreiding tegen te gaan.

 

§ 8.

De machines worden zo opgesteld dat trillingen naar de omgeving worden voorkomen.

 

§ 9.

De puinbreker is uitgerust met een webgebaseerd informatiesysteem dat gelinkt is aan een gps-systeem. Het informatiesysteem is operationeel telkens als de puinbreker in werking is.

 

Het webgebaseerde informatiesysteem, vermeld in het eerste lid, laat de certificatie-instelling en de toezichthouder toe om de locatie van de productie-installatie te visualiseren, de operationaliteit te volgen en de productieperiode na te gaan. Die gegevens worden bijgehouden en opgelijst in een centrale databank die online beschikbaar is voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.

 

§ 10.

Binnen dertig dagen na het beėindigen van de activiteiten en binnen de periode van één jaar exploitatie, vermeld in artikel 5.2.2.4bis.5, §1, wordt het terrein volledig schoongemaakt.


Subafdeling 5.2.2.5.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, niet elders vermeld


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.5.1.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen kunnen gevaarlijke huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden verwerkt.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bepaald welke behandelingen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.


De uitbating.

Art. 5.2.2.5.2.

§ 1.

Voor afval van brandbare vloeistoffen gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.6 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling. Voor afvalstoffen met gevaarlijke eigenschappen zoals vermeld in verordening (EU) 1357/2014 van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.17 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling.

 

§ 2.

De opslag van gevaarlijke afvalstoffen dient te gebeuren in een gecompartimenteerde opslagplaats eventueel aangevuld met vaste houders of tanks voor vloeibare afvalstoffen. De afvalstoffen mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde compartimenten, houders of tanks overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Verborgen leidingen en/of verbindingskanalen tussen tanks of houders zijn verboden.

 

§ 3.

De behandelings- en opslagruimten voor vloeibare afvalstoffen zijn zo geconstrueerd dat accidenteel uit de recipiėnten ontsnapte vloeistoffen en morsvloeistoffen worden opgevangen in een inkuiping. Dubbelwandige houders, uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem, hoeven niet in of boven een inkuiping geplaatst te worden. De bevloering, opvanggoten, opvangputten en inkuiping zijn ondoordringbaar en chemisch inert voor de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen. De inkuiping kan de vloeistofmassa die bij lekkage kan vrijkomen, weerstaan. Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moet de inhoud van de opvangputten of de inkuiping minstens gelijk zijn aan de hoeveelheid vloeistoffen die in het betreffende compartiment worden opgeslagen.

 

§ 4.

Afvalstoffen met buitengewone risico's, inzonderheid samengeperste gassen en voor zelfontbranding vatbare stoffen, worden opgeslagen in een afzonderlijk gebouw, ruimtelijk gescheiden van de andere gebouwen, opslagruimten en installaties. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen minimumafstanden met betrekking tot de ruimtelijke scheiding worden opgelegd. Containers, vaten, tanks en recipiėnten waarin afvalstoffen worden opgeslagen die wegens hun aard en eigenschappen ruimtelijk gescheiden opgeslagen moeten worden, mogen niet in éénzelfde inkuiping worden geplaatst.

 

§ 5.

De containers, houders, tanks en andere recipiėnten:

dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijbehorende gevarenpictogrammen;
zijn zo geconstrueerd en geplaatst dat een vlotte en representatieve monstername van de inhoud mogelijk is;
worden dermate beveiligd dat ongevallen en lekken tijdens het overpompen van de afvalstoffen maximaal worden vermeden.

 

§ 6.

In de inrichting zijn de nodige interventiemiddelen, zoals absorptiemateriaal, overmaatse vaten en beschermingsmiddelen aanwezig om bij lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.

 

§ 7.

De exploitant beschikt over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie die het afvalwater zuivert om in alle omstandigheden te voldoen aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

 

§ 8.

Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.5.3/1, § 1 en § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen moet niet-herbruikbare afgedankte elektrische of elektronische apparatuur op de volgende wijze verwerkt worden :

de apparaten worden ontdaan van de verschillende schadelijke onderdelen, inzonderheid die welke gevaarlijke stoffen of componenten bevatten;
a) uit gescheiden ingezamelde afgedankte elektrische of elektronische apparatuur moeten ten minstens de volgende stoffen, mengsels en onderdelen worden afgezonderd:
    1) condensatoren:
      aa) PCB/PCT-houdende condensatoren en andere PCB-bevattende componenten;
      ab) elektrolytische condensatoren die tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen bevatten (hoogte > 25 mm, diameter > 25 mm, of met een naar verhouding vergelijkbaar volume);
    2) onderdelen die kwik bevatten;
    3) alle batterijen en accumulatoren;
    4) printplaten:
      aa) printplaten van mobiele telefoons;
      ab) printplaten van andere apparaten als de oppervlakte van de printplaat meer dan 10 cm_ bedraagt;
    5) alle tonercassettes en inkthoudende recipiėnten (al of niet leeg, droge, pasteuze of vloeibare inkt) en inktlinten;
    6) kunststoffen die gebromeerde brandvertragers bevatten;
    7) asbesthoudende onderdelen;
    8) beeldschermen:
      aa) beeldbuizen: kathodestraalbuizen;
      ab) lcd-schermen (in voorkomend geval met toebehoren) met een oppervlak van meer dan 100 cm² en schermen met een achtergrondverlichting met behulp van gasontladingslampen;
    9) chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK’s en HCFK’s) of fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), koolwaterstoffen (HC’s);
    10) gasontladingslampen;
    11) uitwendige elektrische kabels;
    12) onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten;
    13) alle onderdelen die radioactieve stoffen bevatten;
    14) alle vloeistoffen;
  b) de volgende onderdelen worden als volgt behandeld :
    1) beeldbuizen : de fluorescerende laag wordt afgezonderd;
    2) gasontladingslampen : het kwik wordt afgezonderd.

 

§ 9.

De gassen uit apparatuur die de ozonlaag aantasten of een aardopwarmingspotentieel hebben van meer dan 15 GWP, zoals in isolatieschuim en koelcircuits, worden adequaat verwijderd en behandeld. Gassen die de ozonlaag aantasten, worden behandeld overeenkomstig verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen.


Het isolatiemateriaal dat ozonlaagafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevat, wordt met een gesloten ontgassingssysteem ontdaan van die stoffen in een daarvoor vergunde inrichting.

 

De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit stationaire koelinstallaties mag alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie.

 

Het derde lid is niet van toepassing voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de terugwinning. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de overeenkomstige categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het derde lid is niet van toepassing voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen op een persoon die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.

 

Het derde lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.

 

Het derde lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.

 

§ 9bis.

De selectieve behandeling, vermeld in paragraaf 8 en 9, van materialen en onderdelen van afgedankte EEA wordt, rekening houdend met milieuoverwegingen en de wenselijkheid van voorbereiding voor hergebruik en recyclage, zo toegepast dat het op milieuverantwoorde wijze voorbereiden voor hergebruik en recycleren van onderdelen van complete apparaten niet bemoeilijkt wordt.

 

§ 10.

De opslag, met inbegrip van de tijdelijke opslag, de behandeling en de verwerking van afgedankte batterijen en accu's vindt plaats op overdekte locaties met vloeistofdichte vloer of in weersbestendig afgedekte en zuurbestendige containers. De verwerking van afgedankte batterijen en accu's omvat minimaal het wegnemen van alle vloeistoffen en zuren.


Art. 5.2.2.5.3.

§ 1.

De exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde beheerst voldoende scheikunde en heeft voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de chemische stoffen die mogen worden aanvaard en van de bijhorende veiligheidsvoorschriften . De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthouder.

 

§ 2.

De gevaarlijke afvalstoffen worden bij aanvoer door de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde opgeslagen en behandeld op een wijze dat risico's maximaal worden vermeden.

 

§ 3.

De gevaarlijke afvalstoffen worden onderverdeeld en samengebracht volgens de chemische samenstelling, aard of eigenschappen.

 

§ 4.

De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen die met elkaar kunnen reageren tot ongecontroleerde reacties leiden of tot de vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen of dampen.

 

§ 5.

Als er wordt vastgesteld dat een recipiėnt met gevaarlijk afval lekt, wordt het recipiėnt of de inhoud ervan onmiddellijk overgebracht in een ander gepast recipint en worden de gelekte vloeistoffen opgeruimd.

 

§ 6.

De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag worden regelmatig, en tenminste na elke calamiteit, geledigd. De bekomen afvalstroom wordt op een aangepaste manier verwerkt.

 

§ 7.

Lege verontreinigde recipiėnten en verontreinigd absorptiemateriaal worden opgeslagen en behandeld volgens de aard van de stoffen waarmee ze verontreinigd zijn. Niet herbruikbare recipinten krijgen een aangepaste verwerkingswijze.


Subafdeling 5.2.2.6.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken


Art. 5.2.2.6.1. [...]

De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.6.2.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, gedepollueerde en niet-gedepollueerde voertuigwrakken en onderdelen ervan worden opgeslagen en behandeld en volgende afvalstoffen afkomstig van behandeling van de voertuigwrakken tijdelijk worden opgeslagen:

 

- vloeistoffen, inzonderheid koelmiddelen voor airconditioning, remvloeistof, motor-, transmissie- en aandrijfolie, hydraulische olie, brandstoffen, koelvloeistof, ruitensproeier-vloeistof;
- metalen onderdelen;
- motoroliefilters;
- gastanks;
- loodstartbatterijen;
- pyrotechnische delen van airbags/gordels;
- katalysatoren;
- voertuigbanden;
- glas;
- grote kunststofonderdelen, zoals bumpers, instrumentenborden en vloeistoftanks.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, onder meer volgende behandelingen gebeuren:

 

- het aftappen van vloeistoffen;
- het demonteren van onderdelen;
- het vernietigen, met inbegrip van het indrukken

 

§ 4.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke behandelingen kunnen gebeuren, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 5.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken, ingedeeld in klasse-2 of -3.

 

§ 6.

[...]


De uitbating.

Art. 5.2.2.6.3.

§ 1.

Overeenkomstig de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, worden de plaatsen op het terrein waar voor het milieu schadelijke vloeistoffen op de bodem kunnen lekken, uitgerust met een vloeistofdichte vloer. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is deze vloeistofdichte vloer uitgerust met een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput, zodat gelekte vloeistoffen noch de bodem, noch het grond- of oppervlaktewater kunnen verontreinigen. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. Deze bepalingen gelden inzonderheid voor volgende plaatsen:

de stelplaatsen voor lekkende voertuigwrakken;
de plaatsen waar niet-gedepollueerde voertuigwrakken worden opgeslagen of gedepollueerd;
de plaatsen waar gedepollueerde voertuigwrakken worden opgeslagen;
de opslagplaatsen voor batterijen en vloeistofhoudende recipiėnten of onderdelen;
de plaatsen waar voertuigen of onderdelen worden gereinigd;
de plaatsen waar voertuigwrakken worden vernietigd, met inbegrip van indrukken;
andere plaatsen bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

Niet-gedepollueerde voertuigwrakken worden zo geplaatst dat nog aanwezige vloeistoffen niet uit het wrak kunnen lekken. Niet-gedepollueerde voertuigwrakken mogen niet worden gestapeld, behalve met gebruik van stapelrekken voor zover dit in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen.

 

§ 3.

Het stapelen van gedepolueerde voertuigwrakken, al dan niet met gebruik van stapelrekken, kan enkel gebeuren voor zover het in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen.


Art. 5.2.2.6.4.

§ 1.

De volgende activiteiten worden duidelijk van elkaar gescheiden in ruimten die specifiek daarvoor bestemd en ingericht zijn:

de inzameling van de voertuigwrakken;
de tijdelijke opslag van de niet-gedepollueerde voertuigwrakken;
de tijdelijke opslag van de gedepollueerde voertuigwrakken;
de opslag van vloeistoffen en andere materialen;
de opslag van onderdelen;
de opslag van afval;
de verwerking.

 

In afwijking van het eerste lid, 2° en 3°, mogen niet-gedepollueerde en gedepollueerde voertuigwrakken wel gezamenlijk worden opgeslagen als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

de inrichting beschikt niet over een shredderinstallatie;
elk gedepollueerd voertuigwrak wordt gemarkeerd met een duidelijk herkenbaar etiket dat zichtbaar is vanaf de begane grond.

 

Het verwerkingsproces is zo georganiseerd dat de stoffen die gevaarlijk zijn voor het milieu, zo snel mogelijk verwerkt worden.

 

§ 2.

De demontage en het vernietigen, met inbegrip van het indrukken, en elke andere behandeling van voertuigwrakken worden altijd voorafgegaan door een depollutie van het voertuigwrak. In afwijking van de depollutieplicht moeten werkplaatsen voor het nazicht, de herstelling en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) alvorens te demonteren, alleen de onderdelen depollueren die aanleiding kunnen geven tot lekkage van vloeistoffen, of die het vrijkomen van gevaarlijke stoffen of andere milieuschade kunnen veroorzaken.

 

De materialen en onderdelen van het wrak worden zodanig verwerkt dat de shredderresidu’s optimaal nuttig toegepast kunnen worden en geenszins als gevaarlijke afvalstof verwerkt of verwijderd worden.

 

De depollutie bestaat uit het verplicht ontdoen of gescheiden inzamelen van alle vloeistoffen, tenzij ze nodig zijn voor het hergebruik van de onderdelen in kwestie, en van polluerende of schadelijke bestanddelen in het voertuigwrak zodra het ingeleverd wordt, voorafgaand aan elke verdere behandeling, en meer bepaald:

aftappen en afzonderlijk opslaan van de vloeistoffen;
aftappen van de koelmiddelen voor airconditioning met een gesloten systeem;
leegmaken van de remvloeistoftank;
aftappen van de motorolie, transmissieolie en de aandrijfolie;
demonteren van de motoroliefilter;
leegmaken van de brandstoftank door gebruik te maken van rechtstreekse afzuiging in de tank of van een spatvrij leegloopsysteem;
aftappen van het differentieel en eventueel van het verdeeldrijfwerk;
aftappen van de olie van de stuurinrichting of stuurbekrachtiging;
aftappen van hydraulische oliėn uit wielophangingssystemen;
10° aftappen van koelvloeistof;
11° aftappen van ruitensproeiervloeistof;
12° demonteren van eventuele gastanks;
13° demonteren van de loodstartbatterijen;
14° onschadelijk maken van pyrotechnische delen van airbags/gordels;
15° demonteren van katalysatoren en andere gevaarlijke onderdelen.
16° demonteren of gescheiden inzamelen van de onderdelen en materialen die gemerkt of herkenbaar gemaakt moeten worden overeenkomstig bijlage I bij het koninklijk besluit van 19 maart 2004 houdende productnormen voor voertuigen.

Het aftappen van de vloeistoffen gebeurt zo grondig mogelijk. Onderdelen die belangrijke hoeveelheden vloeistof bevatten, die moeilijk afgetapt kunnen worden en waarbij bij het demonteren vloeistof kan weglekken, worden zo veel mogelijk van het wrak gedemonteerd. Na het aftappen worden de aftappluggen weer aangebracht.

 

§ 3.

Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in § 2 worden lekkende voertuigwrakken onmiddellijk ontdaan van de betreffende nog aanwezige vloeistoffen.

 

§ 4.

De demontage of ontmanteling bestaat uit het ontdoen van het voertuigwrak van zo mogelijk nuttig toe te passen onderdelen, met inbegrip van vervangingsonderdelen met het oog op hergebruik.

 

Volgende materialen en onderdelen worden gedemonteerd en selectief ingezameld met het oog op recycling:

katalysatoren;
metalen onderdelen die koper, aluminium en magnesium bevatten, indien deze metalen na shredding niet zodanig worden gescheiden dat ze als materialen kunnen teruggewonnen worden;
banden en grote kunststofonderdelen zoals bumpers, instrumentenbord, vloeistoftanks, indien deze materialen na shredding niet zodanig worden gescheiden dat ze als materialen kunnen teruggewonnen worden;
glas, indien dit glas na shredding niet zo wordt gescheiden dat het als materiaal kan teruggewonnen worden.

De onderdelen van afgedankte voertuigen dienen als volgt verwerkt:

herbruikbare onderdelen worden hergebruikt, rekening houdend met de eisen inzake veiligheid; meer bepaald dient een eventueel verbod van de constructeur op het in de handel brengen van de veiligheidsonderdelen van het ingeleverde afgedankte voertuig te worden geėerbiedigd.
niet-herbruikbare onderdelen worden zoveel mogelijk nuttig toegepast waarbij, voorzover daartegen geen milieubezwaren bestaan de voorkeur wordt gegeven aan recycling.

 

§ 5.

Grote opslaghoeveelheden en lange opslagtijden worden vermeden. Daartoe worden alle opgeslagen materialen, voor herbruik gedemonteerde wisselstukken uitgezonderd, regelmatig afgevoerd.

 

§ 6.

De opslaghandelingen worden zodanig verricht dat schade aan onderdelen die vloeistoffen bevatten of aan onderdelen voor nuttige toepassing en reserveonderdelen voorkomen wordt.


Art. 5.2.2.6.5.

§ 1.

De uit de wrakken verwijderde vloeistoffen worden bewaard in de daarvoor bestemde gesloten vaten of tanks overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Ieder vat of tank draagt een duidelijk leesbare vermelding van de inhoud en de overeenstemmende gevarenpictogrammen. Vaten met vloeistoffen worden geplaatst op een overdekte vloeistofdichte vloer uitgerust met een opvangsysteem voor lekvloeistoffen. De verschillende soorten oliėn en vloeistoffen worden apart gehouden en mogen in geen geval worden gemengd.

 

§ 2.

De batterijen en accu's worden opgeslagen in weerbestendig afgedekte en zuurbestendige containers.

 

§ 3.

In de inrichting is voldoende absorptiemateriaal aanwezig. Verontreinigd absorptiemateriaal wordt afgevoerd naar een daartoe geschikte inrichting.


Subafdeling 5.2.2.7.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van schroot


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.7.1.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van schroot kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, volgende afvalstoffen worden aanvaard:

- ferro- en non-ferroschroot;

 

§ 2.

Schroot in de vorm van recipiėnten zoals vaten, tanks of buisvormige structuren die gevaarlijke stoffen hebben bevat of ermee verontreinigd zijn, kan maar op de inrichting worden aanvaard voor zover de recipiėnten :


ofwel leeg zijn en gereinigd werden;

ofwel leeg zijn en maximaal een dunne laag verf en/of inkt bevatten die een stevige en hechtende bekleding vormt.

 

 

§ 3.

Wit schroot of afgedankte consumptiegoederen die gassen of vloeistoffen bevatten kunnen slechts worden behandeld indien het in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen bijkomende voorwaarden worden opgelegd naargelang de aard van de behandelingen die op de afvalstoffen mogen gebeuren.

 

§ 4.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen worden aanvaard, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 5.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke behandelingen kunnen gebeuren, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 6.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van schroot, ingedeeld in klasse 3.


De uitbating.

Art. 5.2.2.7.2.

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden ferro- en nonferroschroot opgeslagen op een vloeistofdichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput of in vloeistofdichte containers overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden.

 

§ 2.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gebeuren de behandelingen op een vloeistofdichte vloer met een afwateringssysteem.

 

§ 3.

De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen. Grote opslaghoeveelheden en lange opslagtijden worden vermeden. Daartoe worden alle opgeslagen materialen regelmatig afgevoerd.


Subafdeling 5.2.2.8.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.8.1.

§ 1.

In de inrichting voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie mogen uitsluitend die soorten afgewerkte olie worden aanvaard die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn vermeld. Indien in de vergunning geen soorten zijn vermeld is de vergunning beperkt tot de soorten vermeld in de aanvraag.

 

§ 2.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bepaald welke behandelingen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie.


De uitbating.

Art. 5.2.2.8.2.

§ 1.

De opslag van afgewerkte olie moet voldoen aan de voorwaarden voor het opslaan van brandbare vloeistoffen opgenomen in afdeling 5.6.2.

 

§ 2.

De exploitant van een inrichting voor het opslaan of behandelen van afgewerkte olie moet over voldoende technische middelen beschikken om afgewerkte olie op te slaan of te behandelen, zonder verontreiniging van het milieu te veroorzaken. De exploitant van een inrichting voor het behandelen van afgewerkte olie moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie die het bij het behandelen vrijkomende afvalwater zuivert om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

 

§ 3.

De opslagtanks en houders voor afgewerkte olie zijn zo geconstrueerd en geplaatst dat een vlotte en representatieve monstername van de inhoud mogelijk is.

 

§ 4.

Het is verboden in de voor afgewerkte olie vergunde opslagtanks of houders andere stoffen te bewaren.

 

§ 5.

Het is verboden aan afgewerkte olie, water, oplosmiddelen of enig andere stof toe te voegen.

 

§ 6.

De residu's die tijdens de opslag van afgewerkte olie ontstaan, worden afgegeven aan een geschikte verwerkingsinrichting.


Art. 5.2.2.8.3. [...]

Art. 5.2.2.8.4. [...]

Art. 5.2.2.8.5. [...]

Art. 5.2.2.8.6.

§ 1.

De exploitant van een vergunde opslagplaats voor afgewerkte olie stelt een bankgarantie ten gunste van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 2.

Het bedrag van de bankgarantie wordt vastgesteld op 49,58 euro per kubieke meter vergunde opslagcapaciteit. Het bewijs van de gegeven bankgarantie wordt binnen de dertig dagen na betekening van de vergunning overgelegd aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij alsmede aan de toezichthouder.

 

§ 3.

De bankgarantie kan mits akkoord van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gelicht worden wanneer overeenkomstig de bepalingen van dit reglement en de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit alle afgewerkte olie uit de inrichting is verwijderd en de exploitant geen nieuwe afgewerkte olie meer aanvoert in de inrichting.

 

§ 4.

De toezichthouder bezorgt een schriftelijk verslag hieromtrent aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Deze kan desgevallend de bankgarantie aanwenden voor de ambtshalve verwerking van de afvalstoffen.

 

§ 5.

De bepalingen omtrent de bankgarantie gelden niet voor de opslag van afgewerkte olie die ontstaat bij garages, machineparken en herstel- of onderhoudswerkplaatsen, noch voor de opslag op containerparken, noch voor de opslag rechtstreeks verbonden aan inrichtingen voor de verbranding van afgewerkte olie.


Subafdeling 5.2.2.9.
Inrichtingen voor het reinigen van recipienten waarin stoffen werden opgeslagen of vervoerd


Art. 5.2.2.9.1. De volgende voorwaarden gelden voor de reinigingsactiviteit onverminderd de voorwaarden die gelden voor andere activiteiten zoals het uitblutsen, stralen en verven van metalen of andere materialen.

De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.9.2.

§ 1.

In de inrichting voor het reinigen van recipiėnten kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, lege recipiėnten worden gereinigd. Recipiėnten zijn verpakkingen, containers, laadkisten voor vervoer, vaten, tanks, tankwagens, bulkwagens, spoorwagons en scheepsruimen, exclusief kratten en rolcontainers voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, huisvuilwagens en veegmachines.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke recipiėnten kunnen worden gereinigd, is de vergunning beperkt tot de recipiėnten die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activitei wordt bepaald welke behandelingen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activitei daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 4.

Voor het uitbranden van recipiėnten gelden de voorwaarden die gelden voor het verbranden van afvalstoffen die overeenkomen met de stoffen die de recipiėnten hebben bevat.

 

§ 5.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het reinigen van recipiėnten waarin stoffen werden opgeslagen of vervoerd.


De uitbating.

Art. 5.2.2.9.3.

§ 1.

De constructie van de reinigingsinrichting is zodanig dat op geen enkele wijze afvalstoffen in het milieu kunnen terechtkomen. De vloeren van de reinigingsinrichting, de reinigingsbanen, de opvanggoten en de afvoerkanalen, zijn vloeistofdicht en chemisch inert ten overstaan van de afvalstoffen die ermee in contact kunnen komen. Elke verbinding tussen de eigenlijke reinigingsinrichting en een grondwaterlaag, een openbare riolering, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewaters is verboden.

 

§ 2.

De exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiėnten moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om de bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie dient te worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting. De hele afvalwaterbehandelingsinstallatie is vloeistofdicht en chemisch inert ten overstaan van de afvalstromen die erin behandeld worden. Behalve het lozingspunt van het effluent, mag er geen enkele verbinding bestaan tussen de afvalwaterbehandelingsinstallatie en een grondwaterlaag, een openbare riolering, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewaters.

 

§ 3.

De restladingen en de spoelwaters die niet kunnen worden behandeld in de afvalwaterbehandelingsinstallatie, en de afvalstoffen die ontstaan na de behandeling worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

 

§ 4.

De constructie van de opslagruimten van vloeibare afvalstoffen en de eigenlijke reinigingsruimten is zodanig dat wegstromende vloeistoffen en morsvloeistoffen worden opgevangen. De bevloering, opvanggoten en opvangputten zijn vloeistofdicht en chemisch inert ten overstaan van de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen.

 

§ 5.

De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen die met elkaar kunnen reageren tot ongecontroleerde reacties leiden of tot de vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen of dampen.

 

§ 6.

De containers of vaten waarin de afvalstoffen van de reinigingsactiviteiten worden opgeslagen:

  1. mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde opslagruimten op een oppervlak dat vloeistofdicht en chemisch inert is ten overstaan van de afvalstoffen die zich in deze containers of vaten bevinden;
  2. worden in een inkuiping geplaatst die vloeistofdicht en chemisch inert is ten overstaan van de afvalstoffen die zich in deze containers of vaten bevinden; de inhoud van deze inkuiping is zodanig dat deze al de erin opgeslagen vloeistoffen kan bevatten.
  3. dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijbehorende gevarenpictogrammen.

 

§ 7.

Bij het reinigen van recipiėnten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35°C, bevat hebben, met uitzondering van vaten :

worden de recipiėnten koud voorgespoeld;
wordt het spoelwater gesloten afgevoerd naar de afvoergoot, bijvoorbeeld door aan de uitstroomopening van de tank een afvoerslang te koppelen die uitmondt onder het waterniveau van de afvoergoten;
wordt het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen.

 

 

§ 8.

Bij het reinigen van vaten wordt, zowel bij het spoelen van de vaten met behulp van een organisch oplosmiddel of een zuur, als bij het spoelen van de vaten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C bevat hebben, met behulp van warm of heet water of loog:

de lucht afgezogen en behandeld met een gaswasser, een actiefkoolfilter, een naverbrander, een biofilter of een ander gelijkwaardig behandelingssysteem;
het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen. 

 

 

§ 9.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 8, vanaf 1 januari 2015.


Subafdeling 5.2.2.9bis.
Inrichtingen voor de verwerking van extern aangevoerd bedrijfsafvalwater en vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen


Art. 5.2.2.9bis.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de volgende activiteiten:

de voorbehandeling van extern aangevoerde vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen waarbij afvalwater ontstaat, en de zuivering van dat afvalwater;
de zuivering van extern aangevoerd bedrijfsafvalwater.

Art. 5.2.2.9bis.2. Voor geleide emissiepunten van procesonderdelen en handelingen die afgedekt en afgezogen worden, geldt er voor vluchtige organische stoffen met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C een emissiegrenswaarde voor de som van de organische stoffen van 20 mg/Nm³ in het geloosde afgas.

Subafdeling 5.2.2.10.
Inrichtingen voor het opslaan en verwerken van dierlijke bijproducten die worden beschouwd als afvalstoffen


Art. 5.2.2.10.1.

§ 1.

De inrichting omvat een rein en een onrein gedeelte, die gescheiden zijn om besmetting of herbesmetting van de eindproducten te voorkomen.

 

§ 2.

Het onreine gedeelte van het bedrijf omvat de ruimten voor het in ontvangst nemen van de dierlijke bijproducten, alle behandelingsruimten van het productieproces en de zuiveringsinstallaties voor afgassen en afvalwater.

 

§ 3.

Het reine gedeelte van het bedrijf omvat de opslag en behandelingsruimten voor de stoffen die een behandeling overeenkomstig bijlage IV van de verordening (EU) nr. 142/2011 hebben ondergaan.

 

§ 4.

De verwerking van de afvalstoffen gebeurt in een gesloten verwerkingsinstallatie.


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.10.2.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden de aangevoerde afvalstoffen uiterlijk binnen 24 uur na aanvoer verwerkt.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

[...]


De inrichting en infrastructuur.

Art. 5.2.2.10.3.

§ 1.

Op elke plaats van de inrichting waar ze ontstaan, worden geurbeladen afgassen afgezogen en naar een aangepaste afgasbehandelingsinstallatie gevoerd. De afgassen worden in elk geval afgezogen in de ontvangstruimte, de opslagruimte en boven de breek- of maalinstallatie.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Het afvalwater van de inrichting moet gemakkelijk kunnen wegvloeien naar geschikte opvangputten.

 

§ 4.

Het afvalwater wordt behandeld in een aangepaste afvalwaterbehandelingsinstallatie tot het beantwoordt aan de lozingsnormen en zonder geurhinder te veroorzaken.

 

§ 5.

Afvalwater dat afkomstig is uit de onreine zone moet C voor zover dat praktisch uitvoerbaar is C zo worden behandeld dat er geen ziekteverwekkers meer aanwezig zijn.


Art. 5.2.2.10.4.

De procedures, methodes en apparatuur voor monsterneming van de verwerkte producten dragen de goedkeuring van de toezichthoudende overheid. De praktische uitvoering van de monsternemingen wordt vooraf goedgekeurd door een daarvoor erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL, tenzij de monsternemingen door een ter zake erkende [...] laboratorium zelf worden uitgevoerd.


Art. 5.2.2.10.5. [...]

Art. 5.2.2.10.6. [...]

De verwerking.

Art. 5.2.2.10.7. [...]

Art. 5.2.2.10.8. [...]

Art. 5.2.2.10.9. [...]

Art. 5.2.2.10.10. [...]

Hygiėne-eisen voor de eindproducten.

Art. 5.2.2.10.11. [...]

Controle.

Art. 5.2.2.10.12. [...]

Art. 5.2.2.10.13. [...]

Verplichtingen voor de overheid.

Art. 5.2.2.10.14. [...]

Subafdeling 5.2.2.11.
Inrichtingen voor het behandelen van afvalstoffen in, of deel uitmakend van, een rioolwaterzuiveringsinstallatie


Art. 5.2.2.11.1. Deze subafdeling is van toepassing op inrichtingen voor de behandeling van afvalstoffen in, of deel uitmakend van, rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Art. 5.2.2.11.2.

§ 1.

In afwijking van artikel 5.2.1.2 is geen weegbrug vereist.

 

§ 2.

In afwijking van artikel 5.2.1.3 moet het werkplan enkel omvatten:

de organisatie van de aanvoer van de afvalstoffen;
de organisatie van de verwerking van de aangevoerde afvalstoffen;
de organisatie van de afvoer van de afvalstoffen;
de verwerkingswijze van de aangevoerde afvalstoffen indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is;
de maatregelen voor het opvangen van ongewenste neveneffecten en het voorkomen van de hinder.

 

§ 3.

In afwijking van artikel 5.2.1.5, § 1, moet geen uithangbord worden voorzien.


Subafdeling 5.2.2.12.
Thermische grondreinigingsinstallaties


Art. 5.2.2.12.1.

Deze subafdeling is van toepassing op die installaties, vermeld in rubriek 2.2.5 van de indelingslijst, die bestemd zijn voor het reinigen van uitgegraven bodem door middel van verhittingsprocessen.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze subafdeling, vanaf 1 januari 2015.


Art. 5.2.2.12.2.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

parameters

emissiegrenswaarden bij een zuurstofgehalte van 11%

 

daggemiddelde
 in mg/Nm3

halfuurwaarde
 in mg/Nm3

CO

50

100

totaal stofdeeltjes

10

30

gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof

10

20

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt in HCl

10

60

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt in HF

1

4

zwaveldioxide (SO2)

50

200

stikstofoxiden, uitgedrukt in NO2

200

400

kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg

0,03

0,05

 

gemiddelde over minimaal 6 uur en maximaal 8 uur in ng TEQ/Nm³

dioxinen en furanen

0,1

 

Met behoud van de toepassing van de andere bepalingen van hoofdstuk 4.4, wordt de concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, minstens met de onderstaande frequentie gemeten:

 

 

meetfrequentie

CO, zwaveldioxiden, stikstofoxiden

continu

dioxinen en furanen

tweemaal per jaar

de andere parameters

om de drie maanden

 

[...]


Subafdeling 5.2.2.13.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen met vochtige hitte en mechanische verkleining van infectieuze afvalstoffen met uitzondering van dierlijke bijproducten


Art. 5.2.2.13.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen die ingedeeld zijn in subrubriek 2.3.13 van de indelingslijst.

 

In de inrichtingen, vermeld in het eerste lid, mogen uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verwerkt:

 

infectieuze afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie als vermeld in artikel 1.2.1, §2, 74°/1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
infectieuze afvalstoffen afkomstig van GGO’s en pathogene organismen van inrichtingen die ingedeeld zijn onder de rubriek 51 van de indelingslijst, behalve wanneer ze behoren tot inperkingsniveau 3 of 4. Decontaminatie sluit de mogelijkheden waarin voorzien is voor ingeperkt gebruik niet uit.

 

De algemene voorwaarden, vermeld in artikel 5.2.1.2, § 2 en § 3, en artikel 5.2.1.5, zijn niet van toepassing op de inrichtingen die alleen afvalstoffen behandelen die afkomstig zijn van bedrijfseigen activiteiten.


Art. 5.2.2.13.2.

De decontaminatie-installatie wordt zodanig gebouwd, uitgerust en geėxploiteerd dat de afvalstoffen zo gelijkmatig en volledig mogelijk worden gedecontamineerd met behulp van vochtige hitte. Technieken die werken met droge hitte zijn niet toegestaan.


De voorwaarden voor temperatuur en druk zijn beschreven in bijlage 5.2.2.13.A en 5.2.2.13.B.

 

De werkingsdruk van het toestel is aangepast aan de werkingstemperatuur zodat altijd gegarandeerd is dat de opgewekte stoom verzadigd is. De decontaminatiefase start als de vooropgestelde temperatuur en druk bereikt zijn.


Alleen als alle bepalingen van de code van goede praktijk, vemeld in bijlage 5.2.2.13.C, nageleefd worden, kan er gesproken worden van een afdoende decontaminatie.


Art. 5.2.2.13.3.

De inrichting omvat een rein en een onrein deel, die op passende wijze zijn gescheiden om besmetting of herbesmetting van de eindproducten te voorkomen. Het onreine deel omvat de ruimte voor de opslag van de niet-behandelde afvalstoffen en de decontaminatieapparatuur. Het reine gedeelte omvat de opslag van de stoffen die de decontaminatiefase hebben ondergaan.


De aangevoerde infectieuze afvalstoffen worden zo spoedig mogelijk en minstens wekelijks verwerkt. De verwerkingsfrequentie wordt afgestemd op de opslagcapaciteit van de ruimte waar het afval wordt opgeslagen in afwachting van decontaminatie.


Gassen en dampen worden over een HEPA-filter geleid voor ze door de installatie worden uitgestoten.


De decontaminatie-installatie beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 5.2.2.13.C.


De monitoring van de decontaminatie-installatie beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 5.2.2.13.C.


De geregistreerde gegevens worden geklasseerd en gedurende twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.


De meetapparaten worden regelmatig geijkt door de instantie of persoon die verantwoordelijk is voor het onderhoud. In geval van abnormale werkingsomstandigheden worden voorzieningen getroffen overeenkomstig bijlage 5.2.2.13.C.


Art. 5.2.2.13.4.

De decontaminatie-installatie bevat een onderhoudsprogramma en een onderhoudsprotocol die minstens de onderhoudsbeurten van bijlage 5.2.2.13.C omvatten.


De decontaminatie-installatie wordt gedocumenteerd in een logboek dat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 5.2.2.13.C, omvat.


De procesparameters die zijn geregistreerd per decontaminatiecyclus en de resultaten van het onderhoudsprogramma worden gedurende minstens twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.2.2.13.5.

§ 1.

De installatie voldoet aan de volgende keuringen :

door een keuring bij ingebruikname toont de exploitant dat de installatie volgens de vooropgestelde procesparameters opereert, de registratieapparatuur correct gekalibreerd is en er een afdoende afdoding plaatsvindt van pathogene en/of genetisch gemodificeerde micro-organismen;
via een periodieke keuring toont de exploitant aan dat de installatie nog altijd in staat is om een afdoende afdoding van pathogene en/of genetisch gemodificeerde micro-organismen te verzekeren. Initieel wordt deze controle maandelijks uitgevoerd. Na een periode van twaalf maanden waarin alle maandelijkse keuringen een gunstig resultaat opleveren, wordt de keuring om de drie maanden uitgevoerd;
na gebeurtenissen die een invloed kunnen hebben op de goede werking van de installatie wordt met een uitzonderlijke keuring aangetoond dat de goede werking gegarandeerd blijft. Dat gebeurt in elk geval na een reparatie, na een defect en bij elke significante wijziging van het te verwerken afval.


Voor het testorganisme van biologische indicatoren worden sporen gebruikt van Bacillus subtilis, Geobacillus stearothermophilus of een ander organisme waarvan kan worden aangetoond dat het minstens een gelijke weerstand heeft tegen decontaminatie met vochtige stoom.

 

§ 2.

De rapporten van de prototypekeuring, de keuring bij ingebruikname en de protocollen voor periodieke en uitzonderlijke keuring worden gevalideerd door de technisch deskundige. De validaties worden aangevraagd door de exploitant van de installatie en worden op zijn kosten uitgevoerd.


Deze documenten en het validatiedocument worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

De rapporten van de periodieke en uitzonderlijke keuringen worden, samen met het logboek van onderhoud, reparaties en belading, in de inrichting gedurende twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.2.2.13.6. De risicohoudende medische afvalstoffen die een decontaminatiecyclus hebben doorlopen, worden pas vrijgegeven als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen als de geregistreerde procesparameters gecontroleerd zijn door de verantwoordelijke voor de decontaminatie. Daarvoor tekent hij een vrijgaveformulier dat op verzoek van de geregistreerde inzamelaar kan worden voorgelegd. Als de procesparameters of de resultaten van de biologische controle na het proces afwijken van de voorschriften, worden de afvalstoffen behandeld als risicohoudende medische afvalstoffen.

Art. 5.2.2.13.7.

Er worden preventieve maatregelen voor de werknemers getroffen overeenkomstig bijlage 5.2.2.13.C.