Subafdeling 5.2.2.7.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van schroot


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.7.1.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van schroot kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, volgende afvalstoffen worden aanvaard:

- ferro- en non-ferroschroot;

 

§ 2.

Schroot in de vorm van recipiėnten zoals vaten, tanks of buisvormige structuren die gevaarlijke stoffen hebben bevat of ermee verontreinigd zijn, kan maar op de inrichting worden aanvaard voor zover de recipiėnten :


ofwel leeg zijn en gereinigd werden;

ofwel leeg zijn en maximaal een dunne laag verf en/of inkt bevatten die een stevige en hechtende bekleding vormt.

 

 

§ 3.

Wit schroot of afgedankte consumptiegoederen die gassen of vloeistoffen bevatten kunnen slechts worden behandeld indien het in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen bijkomende voorwaarden worden opgelegd naargelang de aard van de behandelingen die op de afvalstoffen mogen gebeuren.

 

§ 4.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen worden aanvaard, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 5.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke behandelingen kunnen gebeuren, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 6.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van schroot, ingedeeld in klasse 3.


De uitbating.

Art. 5.2.2.7.2.

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden ferro- en nonferroschroot opgeslagen op een vloeistofdichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput of in vloeistofdichte containers overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden.

 

§ 2.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gebeuren de behandelingen op een vloeistofdichte vloer met een afwateringssysteem.

 

§ 3.

De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen. Grote opslaghoeveelheden en lange opslagtijden worden vermeden. Daartoe worden alle opgeslagen materialen regelmatig afgevoerd.