Art. 5.3.2.4.

§ 1.

In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden vastgesteld in hoofdstuk 4.2, gelden voor de lozingen van bedrijfsafvalwaters in functie van de aard van de bedrijvigheid voor de lozingen :

in openbare riolering [...] in het centrale gebied, een collectief geoptimaliseerde buitengebied of een collectief te optimaliseren buitengebied van een gemeente waarvoor een definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, de in bijlage 5.3.2 bepaalde emissiegrenswaarden voor lozing in openbare riolering;
in oppervlaktewater [...], respectievelijk een individueel te optimaliseren buitengebied van een gemeente waarvoor een definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, de in bijlage 5.3.2 bepaalde emissiegrenswaarden voor de lozing in oppervlaktewater.

Bij overschrijding van de temperatuursdrempels, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, 4° geldt eveneens de in dat artikel vermelde mogelijkheid om bij wege van uitdrukkelijke vergunning een afwijking toe te staan.

 

§ 2.

Indien dit nodig is om de voor het ontvangende oppervlaktewater geldende kwaliteitsnormen te kunnen bereiken, worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.3.0.1. in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit emissiegrenswaarden opgelegd die strenger zijn dan de algemene of sectorale voorwaarden. Voor de parameters die in de sectorale voorwaarden met de nota v.g.t.g. zijn aangeduid worden in de vergunning emissiegrenswaarden opgelegd [...].

 

§ 3.

De vergunningverlenende overheid kan op basis van vergaande waterbesparende maatregelen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor bepaalde parameters hogere emissiegrenswaarden toestaan dan de emissiegrenswaarden, vermeld in paragraaf 1, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:

het betreffen parameters die aanleiding geven tot concentratieverhoging;
de exploitant stelt lozingsvoorwaarden voor, rekening houdend met het overeenstemmende debiet (waterbesparing);
de exploitant toont aan dat:
a) de BBT inzake preventie en waterzuivering wordt toegepast om de lozing van de parameters in kwestie te beperken;
b) technieken worden toegepast die op een intensieve wijze het waterverbruik beperken;
c) de milieukwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater daardoor niet in het gedrang komen door de toepassing van de hogere emissiegrenswaarden;
d) er geen acute toxiciteit wordt veroorzaakt in het oppervlaktewater door de toepassing van hogere emissiegrenswaarden;
de exploitant maakt een waterbalans op. 

 

§ 4.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan het voorwerp van de vergunning worden beperkt door oplegging van de maximum hoeveelheid afvalwater die per uur, per dag, per maand en/of per jaar mag worden geloosd.

 

§ 5.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen voor parameters, waarvoor voor het ontvangende oppervlaktewater milieukwaliteitsnormen van kracht zijn, maar geen emissiegrenswaarde is bepaald in de algemene of sectoriële voorwaarden, emissiegrenswaarden worden opgelegd in functie van de te bereiken kwaliteitsnormen.

 

§ 6.

[...]

 

§ 7.

[...]

 

§ 8.

In de gevallen waarin de overwogen maatregelen op technische gronden niet overeenstemmen met de beste beschikbare technieken dient voorafgaandelijk een toelating tot afwijking van de bepalingen van § 7 overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 1.2. van dit besluit bekomen. Ongeacht de gekozen methode en voordat de toelating tot afwijking respectievelijk de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt verleend, wordt de rechtvaardiging van deze gronden, via de geëigende kanalen aan de EU-Commissie medegedeeld.