Hoofdstuk 5.4.
BEDEKKINGSMIDDELEN (VERVEN, VERNISSEN, INKTEN, EMAILS, METAALPOEDERS EN ANALOGE PRODUKTEN, AFBIJT- EN BEITSMIDDELEN), KLEURSTOFFEN EN PIGMENTEN


Afdeling 5.4.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.4.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de rubrieken 4 en 21 van de indelingslijst, zoals nader gepreciseerd in de hierna volgende afdelingen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de drooginstallaties die een integrerend deel uitmaken van de spuitcabine met als enig doel het drogingsproces te activeren en waarvan de objecttemperatuur de 100°C niet overschrijdt.


Art. 5.4.1.2.

§ 1.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.4.1.1. te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen is:

in een waterwingebied of in een beschermingszone type I, II of III;
in een gebied ander dan een industriegebied.

 

§ 2.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.4.1.1. te exploiteren waarvan de bedrijfsgebouwen en/of opslagruimten gelegen zijn op minder dan 50 m afstand van:

een woongebied;
een parkgebied;
een recreatiegebied.

 

§ 3.

De verbodsbepalingen van §§ 1 en 2 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.

 

§ 4.

De verbodsbepalingen van §§ 1 en 2 gelden evenmin voor de in de derde klasse ingedeelde inrichtingen bedoeld in subrubriek 4.3 van de indelingslijst.

 

§ 5.

De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 4.4 van de indelingslijst, die uitsluitend bestemd zijn voor didactische en recreatieve doeleinden.

 

§ 6.

De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 2, gelden niet voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 4.4 van de indelingslijst, die bestemd zijn voor het uitharden van poederlakken in moffelovens.


Art. 5.4.1.3.

§ 1.

De produktie en het gebruik van loodhoudende email is verboden.

 

§ 2.

Loodwit, loodsulfaat en andere witte loodhoudende pigmenten welke in de droge stof meer dan 2 % in gewicht berekend in metaaltoestand bevatten, alsmede verven of andere bedekkingsmiddelen die voormelde stoffen bevatten mogen:

niet worden geproduceerd, opgeslagen noch gebruikt in een inrichting ingedeeld in de 3de klasse;
in een inrichting ingedeeld in 1ste of 2de klasse slechts worden geproduceerd, opgeslagen en/of gebruikt mits uitdrukkelijk toegelaten in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 3.

De produktie en het gebruik van polychloorbifenylen- (PCB's) en polychloorterfenylen- (PCT's) houdende pigmenten, lakken, verven en andere bedekkingsmiddelen is verboden.


Art. 5.4.1.4.

§ 1.

De exploitant van een inrichting waarin de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2 worden geproduceerd, gebruikt en/of opgeslagen, dient een register bij te houden waarin tenminste de volgende gegevens zijn vermeld:

gegevens omtrent de vervaardigde, respectievelijk in de inrichting binnengekomen produkten: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, die in de inrichting wordt geproduceerd, respectievelijk binnengebracht;
gegevens omtrent de opslag: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de aanduiding van de plaats samen met de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, waar deze produkten in de inrichting zijn opgeslagen;
gegevens omtrent de afvoer uit de inrichting: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2:
a) de in de inrichting zelf verwerkte hoeveelheid;
b) de naam van degene aan wie het produkt werd geleverd, de leveringsdatum, het nummer van de factuur en de geleverde hoeveelheid.

 

§ 2.

Het in § 1 bedoelde register wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van tenminste 3 jaar.


Art. 5.4.1.5.

Onverminderd de voorschriften inzake gevaarlijke producten, worden met betrekking tot de opslag in de inrichting van grondstoffen, tussenprodukten, produkten en reststoffen, de volgende voorschriften in acht genomen:
 

de stoffen en produkten mogen niet buiten de daartoe bestemde verwerkings- en opslagruimte worden opgeslagen; de hoeveelheid in de inrichting opgeslagen stoffen en produkten mag niet meer bedragen dan de hoeveelheden overeenstemmend met de produktie en/of het verbruik in de inrichting van één maand tenzij in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wanneer het om een 1ste of 2de klasse-inrichting gaat, grotere hoeveelheden zijn vergund;
de ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, ontvlambare vaste stoffen van gevarencategorie 1, ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 en vloeistoffen en vaste stoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS03 volgens de CLP-verordening, worden binnen de inrichting in een afzonderlijk gebouw, ruimtelijk gescheiden van de andere gebouwen, opslagruimten en installaties, opgesteld; in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen minimumafstanden met betrekking tot voormelde ruimtelijke scheiding worden opgelegd;
de constructie van de ruimten voor de behandeling en opslag van vloeibare stoffen en produkten is zodanig dat accidenteel gemorste stoffen en lekvloeistoffen in een opvanginrichting terechtkomen en vervolgens, waar nodig, via opvanggoten naar één of meerdere opvangputten geleid worden; de opslag zelf in die ruimten van de niet inerte vaste stoffen in bulk die uitloogbare gevaarlijke stoffen bevatten, zoals gedefinieerd in afdeling 4.1.7. moet gebeuren volgens de voorschriften van die afdeling; de bovengrondse tanks en/of vaten zelf die gevaarlijke stoffen bevatten, zoals gedefinieerd in afdeling 4.1.7. en die geplaatst worden in die ruimten, moeten voldoen aan de voorschriften van die afdeling;
de nodige voorzorgsmaatregelen dienen getroffen om te vermijden dat stoffen of produkten met elkaar in contact komen waarbij gevaarlijke chemische reacties kunnen plaatsvinden of die met elkaar kunnen reageren onder vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen en dampen;
bussen, vaten, tanks en recipiënten waarin stoffen of produkten opgeslagen zijn die wegens hun aard en eigenschappen ruimtelijk gescheiden opgeslagen moeten worden, mogen niet in éénzelfde inkuiping worden geplaatst;
de bussen, vaten, tanks en/of recipiënten:
a) mogen enkel worden geplaatst in de daartoe voorziene compartimenten;
b) moeten voorzien zijn van een duidelijk zichtbare en goed leesbare identificatie waaruit de aard van de stof of produkt die deze bevatten duidelijk blijkt;
c) dienen de nodige voorzieningen te hebben om representatieve monsters van de inhoud te kunnen nemen;
d) dienen dermate beveiligd dat ongevallen en lekken tijdens het overpompen van de stoffen maximaal worden vermeden;
verborgen leidingen en/of verbindingskanalen met andere tanks of houders zijn verboden;
in geval er vastgesteld wordt dat een bus, vat, tank of recipiënt lekt, moet de inhoud hiervan onmiddellijk in een andere geschikte houder worden overgepompt.
de tanks welke gebruikt worden voor het opslaan van stoffen of produkten die aanleiding kunnen geven tot toxische en/of hinderlijke dampen of die een dampdruk hebben van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C, moeten voorzien zijn van een doeltreffend systeem om zowel bij de opslag als bij het manipuleren elke vorm van luchtverontreiniging te vermijden;
stoffen in bulk mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde compartimenten.

 


Art. 5.4.1.6.

§ 1.

In de inrichting moeten de nodige interventiemiddelen, zoals absorptiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, enz., aanwezig zijn om in geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.

 

§ 2.

De installaties voor de produktie van lak, verf, drukinkten en/of pigmenten, voor de bereiding en/of het aanbrengen van bedekkingsmiddelen alsmede voor het thermisch behandelen van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen moeten opgesteld worden in een volledig van de opslagruimten door brandvrije muren afgescheiden lokaal. De vloer van dit lokaal moet voorzien zijn van een opvanggoot en één of meer opvangputten. De vloer, de opvanggoot en de opvangputten moeten uitgevoerd zijn in voor de erop terechtkomende stoffen ondoorlatend en chemisch inert materiaal.

 

§ 3.

De globale opvanginrichting van de volledige installatie, de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag, de inkuipingen, de compartimenten voor bulkafvalstoffen, de overlopen of veiligheidsuitlaten van de tanks, alsmede het opslaggebouw voor de ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, ontvlambare vaste stoffen van gevarencategorie 1, ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 en vloeistoffen en vaste stoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS03 volgens de CLP-verordening, mogen op geen enkele manier rechtstreeks in verbinding staan met een openbare riolering, een grondwaterlaag, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewater

 

§ 4.

De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag moeten regelmatig, en tenminste na elke kalamiteit, geledigd worden. De bekomen afvalstroom moet op een aangepaste manier verwijderd worden.


Art. 5.4.1.7.

Het is verboden vloeistoffen of vaste stoffen gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40° C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.


Afdeling 5.4.2.
Produktie van lak, verf, drukinkten, kleurstoffen en/of pigmenten


Art. 5.4.2.1.

De voorschriften van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubrieken 4.1, 21.1 en 21.2 van de indelingslijst.


Art. 5.4.2.2.

§ 1.

De hele installatie dient ontworpen en in goede staat onderhouden dermate dat lekkages van stoffen en produkten alsmede de emissies van verontreinigende stoffen in de omgevingslucht maximaal worden voorkomen.

 

§ 2.

De nodige maatregelen dienen getroffen om de vorming van elektro-statische ladingen te voorkomen. Inzonderheid dienen daartoe alle metalen delen van de installaties, van de stofopzuiginstallatie en van de opslagtanks alsmede van de laad- en losinrichtingen geaard.

 

§ 3.

“In geval er vloeistoffen of vaste stoffen gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening worden gebruikt of geproduceerd:

mag de verwarming van de lokalen, waarin de installaties voor de produktie van lak, verf, drukinkten en/of pigmenten zijn ondergebracht, enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;
dienen met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat in de in sub 1° bedoelde lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst;
moeten de vluchtdeuren van de sub 1° bedoelde lokalen langs buiten opendraaien en dienen de doorgangen van elke hindernis vrijgehouden;
mag in de sub 1° bedoelde lokalen een maximum hoeveelheid van gebruikte grondstoffen en gefabriceerde produkten worden gestockeerd die overeenstemt met de behoeften, respectievelijk de produktie van één dag;
mogen in de sub 1° bedoelde lokalen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken;
is het verboden te roken in de sub 1° bedoelde lokalen; dit rookverbod dient in goed leesbare letters op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbare materialen te zijn.

Art. 5.4.2.3.

§ 1.

Dampen, nevels en afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan, opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 2.

Als een tank manueel gevuld wordt met vaste stoffen via een vulopening of een mangat, is de tank uitgerust met een extern lokaal afzuigsysteem.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze paragraaf, vanaf 1 januari 2015.

 

§ 3.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

Parameter

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

totaal stof

10,0

organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

100,0

Sb + Pb + Cr + Cu + Mn + V + Sn

5,0


Art. 5.4.2.3bis.

§ 1.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.

 

§ 2.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 3.

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.


Art. 5.4.2.4.

Onverminderd de verbodsbepalingen van artikel 5.4.1.3., § 2 is het bereiden van loodwit onderworpen aan de volgende voorwaarden:
 

het smelten van het lood moet gebeuren in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal; de smeltverrichtingen mogen uitsluitend gebeuren onder een mechanische rookvang die de dampen en nevels naar een filterinstallatie afvoert; tijdens het aftappen van het gesmolten lood moet de opening in deze rookvang beperkt zijn tot het voor de uitvoering van de verrichtingen strikt noodzakelijke; deze opening moet verder maximaal volledig gesloten worden gehouden;
de nodige maatregelen dienen getroffen om te vermijden dat het wegnemen van de roosters, de plaatjes of de mest het minste stof zou veroorzaken; indien nodig zullen deze roosters, plaatjes of elk mestbed hiertoe op voldoende wijze bevochtigd worden;
het manueel afkloppen, afbijten en zeven is verboden; vanaf het afbijten van de roosters tot na het einde van het verbrijzelen met water, moet het loodwit volledig machinaal worden gemanipuleerd;
de loodwitbroodjes moeten machinaal verbrijzeld worden en de verbrijzel-, maal- en builtoestellen dienen derwijze opgesteld dat het loodwit automatisch van het een in het ander toestel komt; deze toestellen dienen eveneens in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal opgesteld; de niet in het water gedompelde machinale bijt- of verbrijzeltoestellen alsmede de maal- en builtoestellen moeten voorzien zijn van goed dichtgesloten metalen bekledingen welke verbonden zijn met een voldoende krachtige stofafzuigingsinstallatie, derwijze geplaatst dat de emissies van loodhoudend stof naar een filterinstallatie worden afgevoerd; voormelde toestellen mogen slechts geopend worden na volledige neerslag van het poederachtige stof;
het verpakken van droog loodwit mag uitsluitend machinaal gebeuren en moet derwijze geschieden dat hoegenaamd geen stof kan ontsnappen;
het loodwitpoeder mag enkel machinaal in de laadtrechter van de pletmachine met olie gebracht worden, derwijze dat er hoegenaamd geen stof kan ontstaan; deze trechter dient voorzien van een bekleding verbonden met een stofafzuigingsinstallatie aangesloten op een filterinstallatie;
het mengen van het droog lood met de olie alsook de eerste verbrijzelverrichtingen moeten in een volkomen dicht gesloten toestel geschieden; vanuit dit toestel moet de loodwitdeeg automatisch naar de verschillende pletrollen worden gevoerd;

Art. 5.4.2.5.

§ 1.

Onverminderd de verbodsbepalingen van artikel 5.4.1.3., § 2 is het bereiden van loodoxyden (massicot, loodglit, menie) onderworpen aan de volgende voorwaarden:

de nodige voorzorgen worden getroffen opdat tijdens het roeren en het uit de oven halen geen dampen of stoffen vrijkomen in de omgeving; inzonderheid dienen daartoe boven de ovendeuren kunstmatige rookvangen geplaatst die de verontreinigende stoffen naar een filterinstallatie afvoeren;
het tot poeder stampen en builen dient te gebeuren in luchtdicht gesloten toestellen die slechts na volledige neerslag van de poederachtige stof mogen worden geopend;
bij het overgieten, het in vaten doen, het samendrukken en elke andere behandeling, dienen de nodige voorzorgen genomen om het opjagen van stof volkomen te verhinderen;

 

§ 2.

Onverminderd de verbodsbepalingen van artikel 5.4.1.3., § 2 is het bereiden van loodchromaat en van verven die loodchromaat bevatten onderworpen aan de volgende voorwaarden:
het tot poeder stampen, builen, samendrukken en verpakken dient te gebeuren in luchtdicht gesloten toestellen die slechts na volledige neerslag van de poederachtige stof mogen worden geopend;

 

§ 3.

Onverminderd de verbodsbepalingen van artikel 5.4.1.3., § 2 is het bereiden van loodarsenaat onderworpen aan de volgende voorwaarden:

de invretende vloeistoffen dienen mechanisch te worden vervoerd en overgegoten;
de vaten en recipiënten die voor de reacties en de behandelingen dienen, moeten uit materiaal zijn vervaardigd dat door de aangewende stoffen niet kan worden aangetast;
het tot poeder stampen, het builen, het samendrukken, het inpakken en alle andere behandelingen van de grondstoffen of van het bereid produkt moeten derwijze geschieden dat er zich in de omgeving geen stof kan verspreiden.

Afdeling 5.4.3.
Aanbrengen van bedekkingsmiddelen


Subafdeling 5.4.3.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.4.3.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubrieken 4.2 en 4.3 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De bepalingen van deze subafdeling zijn niet van toepassing op het aanbrengen van bedekkingsmiddelen op romp, boven- en onderbouw en interne delen van vaartuigen voor zee- en binnenvaart, met uitzondering van de pleziervaartuigjes, wanneer dat aanbrengen gebeurt in de inrichtingen zoals bedoeld in rubriek 42 van de indelingslijst.

 

§ 3.

Voor wat het aanbrengen van bedekkingsmiddelen op volumineuze metalen constructies betreft, kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de bepalingen van deze subafdeling afwijkende voorwaarden worden opgelegd.


Art. 5.4.3.1.2.

Tenzij anders in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermeld:

dienen mechanische, thermische en chemische voorbehandeling van voorwerpen, te geschieden in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat door brandvrije muren van de opslagruimten voor stoffen, produkten, tussenprodukten en reststoffen alsmede van de lokalen waarin de bedekkingsmiddelen op de voorwerpen worden aangebracht is gescheiden;
dienen pneumatisch, warm, airless en electrostatisch spuiten, alsook emailleren en elektroforetisch lakken te geschieden in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat door brandvrije muren van de opslagruimten voor stoffen, produkten, tussenprodukten en reststoffen alsmede van de lokalen waarin de voorbehandeling van voorwerpen gebeurt, is gescheiden;
de bepalingen van sub 1° en 2° zijn niet van toepassing op inrichtingen welke werken met het "in lijn"- of "lopende band"-principe.

Art. 5.4.3.1.3.

§ 1.

Dampen, nevels die bij het verstuiven gevormd worden, moeten op de plaats zelf van hun ontstaan worden opgezogen, verwijderd, verdicht, opgeslorpt of te niet gedaan zodat zij niet kunnen:

in het lokaal blijven hangen of zich in de belendende lokalen verspreiden;
het gebuurte hinderen;
bij toeval ontbranden zowel binnen als buiten het verstuivingslokaal.

 

§ 2.

De leidingen en buizen voor de ontruiming van de dampen en nevels die vrijkomen bij verstuiving worden zó aangelegd dat de neerslag, die er in ontstaat, gemakkelijk kan ontruimd worden. Zij worden regelmatig gereinigd met procédé's die alle veiligheidswaarborgen bieden. Het is verboden ze met vlam of met elk ander procédé dat vonken kan verwekken, te reinigen, wanneer in de bestuivingsinstallatie ontvlambare stoffen worden gebruikt. Alle metalen delen ervan dienen geaard te zijn.

 

§ 3.

In geval er ontvlambare produkten worden gebruikt :

mag de verwarming van de lokalen waarin de installaties voor het aanbrengen van bedekkingsmiddelen zijn ondergebracht, enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;
dienen met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat in de sub 1° bedoelde lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst;
moeten de vluchtdeuren van de sub 1° bedoelde lokalen langs buiten opendraaien en dienen de doorgangen van elke hindernis vrijgehouden;
mag in de sub 1° bedoelde lokalen een maximum hoeveelheid van gebruikte grondstoffen en bedekkingsmiddelen worden gestockeerd die overeenstemt met de behoeften van één dag; van deze beperking mag om procestechnische redenen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gemotiveerd worden afgeweken;
mogen in de sub 1° bedoelde lokalen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken;
is het verboden te roken in de sub 1° bedoelde lokalen; dit rookverbod dient in goed leesbare letters op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;
dienen de cabines voor verstuiving alsmede de dompelbakken en sproeitunnels met de aarde verbonden; deze cabines en tunnels alsmede de afvoerinstallaties van de dampen en nevels mogen geen dode ruimte vertonen in dewelke zich ontplofbare mengsels of ophopingen zouden kunnen vormen;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbaar materiaal te zijn.

 


Art. 5.4.3.1.4.

§ 1.

Dampen, nevels en afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de respectieve geloosde afgassen. Als verschillende van die afgassen door dezelfde schoorsteen in de open lucht worden geloosd, gelden alle emissiegrenswaarden voor elke respectieve emissie:

emissies van ventilatielucht:

Parameter

emissiegrenswaarde

organische stoffen, uitgedrukt als totaal

organische koolstof, voor andere

installaties dan de installaties, vermeld in

punt 4° en 5°

75,0 mg/Nm³

emissies van dampen en nevels uit de voorbehandelingszone:

  a)

bij mechanische voorbehandeling:

Parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof bij een massastroom van:

 

-           < 500 g/h

-           > 500 g/h

150 mg/Nm³
50 mg/Nm³

  b)  

bij thermische voorbehandeling:

Parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof bij een massastroom van:

 

-           < 500 g/h

-           > 500g/h

150 mg/Nm³
50 mg/Nm³

CO

100,0 mg/Nm³

zwaveldioxide (SO2)

100,0 mg/Nm³

stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2

100,0 mg/Nm³

  c)

bij chemische voorbehandeling:

Parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof bij een massastroom van:

-           < 500 g/h

-           > 500g/h

150 mg/Nm³
50 mg/Nm³

som 1,1,1-trichloorethaan, per-, tri- en tetrachloorethyleen bij een massastroom van 2 kg/h of meer

100,0 mg/Nm³

methyleenchloride bij een massastroom van 3 kg/h of meer

150,0 mg/Nm³

emissies van dampen en nevels uit de spuitzone of uit het spuitlokaal:

 

Parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof:

 

tot en met 30 juni 2017, bij een massastroom van:

-           < 500 g/h

-           > 500g/h

Vanaf 1 juli 2017

 

 

150 mg/Nm³
50 mg/Nm³

10 mg/Nm³

organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof voor andere installaties dan de installaties, vermeld in punt 4° en 5°

75,0 mg/Nm³

voor installaties voor het in serie spuiten van carrosserieën van personenwagens gelden met betrekking tot de emissie van organische oplosmiddelen de volgende emissiegrenswaarden voor het afgas van de gehele installatie, met inbegrip van het conserveren, uitgedrukt in g per m2 ruwbouwcarrosserie:

spuiten in een toplaag

60,0 g/m²

basislak + vernisspuiten

120,0 g/m²

voor installaties voor het spuiten van vrachtwagens, vrachtwagencabines, bestelwagens, autobussen, autocars, aanhangwagens, opleggers zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, en industriële carrosserieën worden de emissiegrenswaarden voor organische oplosmiddelen in het afgas van de gehele installatie vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Deze emissiegrenswaarden voor vluchtige organische stoffen gelden evenmin voor de onder rubriek 4.3 vallende activiteit “aanbrengen van een laklaag op voertuigen of een deel daarvan als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek”, als de exploitant kan aantonen dat alleen producten worden gebruikt die voldoen aan de productnormen als vastgesteld door het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen.

 

Voor inrichtingen als vermeld in subafdeling 5.4.3.2, gelden deze emissiegrenswaarden voor vluchtige organische stoffen niet, als aangetoond kan worden dat de totale emissie van vluchtige organische stoffen niet meer bedraagt dan de beoogde emissie, vermeld in bijlage 5.59.2.

 

 

§ 2BIS.

De emissiegrenswaarden voor organische oplosmiddelen zijn niet van toepassing voor inrichtingen die tevens onder de subrubriek 59.7.1° of 2° vallen, indien de exploitant voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk 5.59. Voor inrichtingen voor het coaten van hout die gebruik maken van minder dan 15 ton/jaar solventhoudende bedekkingsmiddelen, kan de exploitant ofwel voldoen aan de emissiegrenswaarden geldig voor de inrichtingen bedoeld in subrubriek 59.7.1°, van de indelingslijst, ofwel naar keuze op één van de volgende vereenvoudigde manieren aantonen dat voldaan wordt aan de bepalingen van het equivalent reductieprogramma :

a) de exploitant toont ten alle tijde aan dat alleen gebruik gemaakt wordt van bedekkingsmiddelen met een solventgehalte < 150 g/l;
b) de exploitant toont aan dat het gewogen gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van alle ingezette producten die bij het aanbrengen van bedekkingsmiddelen gebruikt worden lager ligt dan 560 g/l;
c) de exploitant toont, met een vereenvoudigde oplosmiddelenboekhouding, jaarlijks aan dat in het voorbije jaar voldaan wordt aan de bepalingen van het equivalent reductieprogramma.

 

Voor het bepalen van het gewogen gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van alle ingezette producten bij het aanbrengen van bedekkingsmiddelen als vermeld in het eerste lid, b), voor een bepaalde periode, gaat de exploitant als volgt tewerk :

opstellen van een lijst van alle producten, zijnde bedekkingsmiddelen, reinigingsproducten, verdunners, die bij het aanbrengen van bedekkingsmiddelen gebruikt worden; voor elk product wordt het gehalte oplosmiddelen en het gehalte aan deklaagmateriaal (uitgedrukt als droge stof) genoteerd; bij het opstellen van deze lijst worden de solventarme of solventvrije bedekkingsmiddelen mee opgenomen; de gehaltes worden genoteerd als g VOS/l;
noteren van de hoeveelheden van aangekochte en in het proces ingezette producten en dit voor alle producten op de lijst onder 1° van onderhavig lid; dit gebeurt door voor elk product :
de in de beschouwde periode aangekochte hoeveelheden te sommeren;
hiervan de terug doorverkochte of op een andere manier afgevoerde niet gebruikte producten van af te trekken;
bij het begin en einde van deze periode een inventaris te maken van de hoeveelheid;
in voorraad en de toename in voorraad af te trekken respectievelijk de afname in voorraad bij te tellen;
het resultaat uit te drukken in liter;
voor elk voor het aanbrengen van bedekkingsmiddelen ingezette product, de hoeveelheid ingezette VOS in g bepalen door het VOS-gehalte, bepaald onder 1° van dit lid, en de ingezette hoeveelheid, bepaald onder 2° van dit lid, met elkaar te vermenigvuldigen;
het gewogen gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen te bepalen door het onder 3° van dit lid bepaalde getal te delen door de som, in liter, van alle van aangekochte en in het proces ingezette producten zoals bepaald onder 2° van dit lid.

 

Voor het opstellen van de vereenvoudigde oplosmiddelenboekhouding als vermeld in het eerste lid, c), voor een bepaalde periode gaat de exploitant als volgt te werk :

opstellen van een lijst van alle producten, zijnde bedekkingsmiddelen, reinigingsproducten, verdunners, die bij het aanbrengen van bedekkingsmiddelen gebruikt worden; voor elk product wordt het gehalte oplosmiddelen en het gehalte aan deklaagmateriaal (uitgedrukt als droge stof) genoteerd; bij het opstellen van deze lijst worden de solventarme of solventvrije bedekkingsmiddelen mee opgenomen; de gehaltes worden genoteerd als g VOS/l of in kg/kg (gewichts-%);
noteren van de hoeveelheden van aangekochte en in het proces ingezette producten en dit voor alle producten op de lijst onder 1° van dit lid; dit gebeurt door voor elk product :
  de in de beschouwde periode aangekochte hoeveelheden te sommeren;
  hiervan de terug doorverkochte of op een andere manier afgevoerde niet gebruikte producten van af te trekken;
  bij het begin en einde van deze periode een inventaris te maken van de hoeveelheid in voorraad en de toename in voorraad af te trekken respectievelijk de afname in voorraad bij te tellen;
per product de hoeveelheid oplosmiddelen en de hoeveelheid deklaagmateriaal bepalen die met de aangekochte en in het proces ingezette producten zijn ingezet;
het totaal van de in de periode in het proces ingezette oplosmiddelen bepalen door de hoeveelheden bepaald in 3° van dit lid te sommeren;
noteren van de hoeveelheden solventhoudende afvalstoffen die in de periode zijn afgehaald door een geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of - makelaar; op basis van het solventgehalte bepaald met een representatief staal van deze solventhoudende afvalstoffen, de hoeveelheid oplosmiddel berekenen dat via deze afvalstoffen is afgevoerd;
bepalen van de hoeveelheid oplosmiddel waarvan aangenomen wordt dat ze geëmitteerd werd in de voorbije periode, door van de hoeveelheid in het proces ingezette oplosmiddelen zoals bepaald in 4° van dit lid, de hoeveelheid oplosmiddelen die via afvalstoffen is afgevoerd zoals bepaald in 5° van dit lid, af te trekken; deze hoeveelheid wordt uitgedrukt in kg;
het totaal van de in de periode in het proces ingezet deklaagmateriaal bepalen door de hoeveelheden bepaald in 3° van dit lid te sommeren. Dit totaal wordt uitgedrukt in kg;

 

Er wordt voldaan aan de bepalingen van het equivalent reductieprogramma, indien de hoeveelheid oplosmiddelen waarvan wordt aangenomen dat ze is geëmitteerd zoals bepaald in het derde lid, 6°, kleiner is dan 2,4 maal de hoeveelheid in het proces ingezet deklaagmateriaal, zoals bepaald in het derde lid, 7°.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig, afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.

 

§ 5.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 6.

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.


Subafdeling 5.4.3.2.
Overspuiten van voertuigen


Art. 5.4.3.2.1.

De bepalingen van deze subafdeling gelden met behoud van de toepassing van de bepalingen van subafdeling 5.4.3.1 en hoofdstuk 5.59. Ze zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in subrubriek 59.3, 2°, van de indelingslijst. Ze zijn tevens van toepassing op de inrichtingen, vermeld in subrubriek 4.3, voor zover er de activiteit « aanbrengen van een coating op voertuigen of een deel daarvan als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek » wordt uitgeoefend. De bepalingen van deze subafdeling gelden niet als de spuitactiviteiten rechtstreeks gekoppeld zijn aan de productie van nieuwe voertuigen binnen dezelfde inrichting.


Art. 5.4.3.2.2.

§ 1.

Alle werkzaamheden die aanleiding kunnen geven tot emissie van geur, rook of stof moeten worden uitgevoerd binnen in een gebouw. Tijdens deze werkzaamheden zijn ramen en deuren van het gebouw gesloten.

 

§ 2.

Alle emissies naar de lucht, met uitzondering van stoom of waterdamp, moeten kleurloos zijn en zonder zichtbare mist of druppels.

 

§ 3.

Alle spuitwerk moet in een spuitcabine uitgevoerd worden. Dat is een volledig gesloten ruimte waarvan de afgezogen lucht via stoffilters naar buiten wordt geleid en die geconstrueerd is om het spuiten van voertuigen onder gecontroleerde omstandigheden te doen plaatsvinden.

 

§ 4.

In afwijking van paragraaf 3 mogen grondverven in een voorbehandelingsruimte verspoten worden als de grondlagen nog nageschuurd moeten worden en het spuitwerk zich beperkt tot één onderdeel per voertuig. De voorbehandelingsruimte waar de spuitactiviteiten plaatsvinden, wordt zo ingericht dat de verspreiding van verfdeeltjes en oplosmiddelen wordt vermeden. Dat wordt gerealiseerd met behulp van het volgende, waarbij de afgezogen lucht via stoffilters naar buiten wordt geleid :

afscherming van de rest van de werkruimte, bijvoorbeeld door middel van gordijnen of door een open cabine;
afzuiging binnen de afgeschermde zone, zodat een onderdruk ontstaat die verspreiding van stof en oplosmiddelen naar de rest van de werkruimte voorkomt.

 

 

§ 5.

Als de spuitcabine uitgerust is met een actief koolfilter, dan:

moeten de afgassen die ontstaan bij het spuiten in de voorbehandelingsruimte naar een actief koolfilter geleid worden;
moet die zo vaak vervangen of geregenereerd worden, dat de goede werking ervan gegarandeerd is.

 

§ 6.

Bij defecten of pannes van installatie of apparatuur die kunnen leiden tot abnormale emissies moeten de werkzaamheden onmiddellijk gestaakt worden. De werkzaamheden worden pas hervat als de normale werking opnieuw kan worden gegarandeerd.

 

§ 7.

Alle personeel dat spuitwerk uitvoert, moet de noodzakelijke opleiding krijgen, alsook alle instructies met betrekking tot hun verplichtingen in verband met de controle van de installatie en van de emissies in de lucht.


Art. 5.4.3.2.3.

§ 1.

Elektrische of andere gereedschappen die stofemissies kunnen veroorzaken moeten voorzien zijn van afzuiging naar stoffilters. Waar abrasieve straalapparatuur wordt toegepast, moet het extract van zulke installaties worden afgevoerd naar stoffilters.

 

§ 2.

Het mengen van de bedekkingsmiddelen en het reinigen van de apparatuur moet steeds in een ruimte gebeuren, voorzien van een afzuiging naar stoffilters.

 

§ 3.

De volgende emissiegrenswaarden voor totaal stof zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

-           spuiten

10 mg/Nm³

-           reinigen apparatuur

10 mg/Nm³

-           mengen van bedekkingsmiddelen

10 mg/Nm³

-           abrasief stralen

50 mg/Nm³

-           andere bronnen

50 mg/Nm³

 

§ 4.

In afwijking van de algemene bepalingen inzake meetstrategie zijn periodieke meetverplichtingen voor het spuiten niet vereist als de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthouder houdt, waarin aangetoond wordt dat aan de emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm3 voor het spuiten, vermeld in paragraaf 3, voldaan is. Dit verslag wordt opgesteld door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL en bevat minstens de volgende elementen:

het verslag van een meting waaruit blijkt dat de emissiegrenswaarde gehaald wordt;
een beschrijving van de voorwaarden die bij de exploitatie nageleefd moeten worden zodat de emissiegrenswaarde te allen tijde gerespecteerd kan worden.

 

De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt.

 

In plaats van dit verslag kan ook een verslag aanvaard worden van een identieke spuitcabine. In dat geval moet de exploitant een attest toevoegen van de leverancier waarin die bevestigt dat de spuitcabine identiek is aan de cabine waarover het verslag werd opgesteld.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

Bij de exploitatie van de spuitcabines worden de voorwaarden nageleefd die beschreven zijn in het verslag, vermeld in § 4.

 

§ 7.

De spuitcabine mag niet onder een positieve druk staan die groter is dan 267 Pa. Elke spuitcabine is daarom uitgerust met een drukmeter die telkens aan het begin van een spuitcyclus wordt gecontroleerd. Er moet tevens een geluidsalarm in de spuitinstallatie aanwezig zijn, dat een signaal geeft in geval van een te grote overdruk, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 8.

Alle droge, stofferige materialen moeten in gesloten recipiënten worden bewaard.


Art. 5.4.3.2.4.

§ 1.

Alle spuitwerk moet worden uitgevoerd met toestellen die een aanbrengrendement hebben van ten minste 65 %. Tijdens het spuiten wordt de luchttoevoer ingesteld zodat een druk van 70 kPa aan de luchtkap van het spuitpistool niet overschreden wordt. Elke inrichting beschikt over een meettoestel om die druk te kunnen meten.

 

Andere spuitapparatuur mag gebruikt worden, als aangetoond kan worden dat bedekkingsmiddelen kunnen worden aangebracht met een spuitrendement van ten minste 65 %.

 

§ 2.

Bij het reinigen van spuitpistolen en -installaties moet steeds een recipiënt aangebracht worden om de spoelvloeistoffen op te vangen. Als hierbij organische oplosmiddelen gebruikt worden, moet de reiniging steeds in een volledig gesloten automatisch reinigingsapparaat gebeuren, of in een andere schoonmaakmachine met gelijke of lagere emissies.

 

§ 3.

Testen van het spuitpistool en proefspuiten na het schoonmaken moet worden uitgevoerd in de schoonmaakmachine die een afzuiging bevat, of in een aparte ruimte die ook voorzien is van een afzuiging.

 

Bovendien moet een recipiënt worden aangebracht om de verspoten bedekkings- of schoonmaakmiddelen op te vangen.

 

§ 4.

Recipiënten die oplosmiddelhoudende producten of afval bevatten, moeten goed gesloten worden bewaard. Schoonmaakdoeken die doordrenkt zijn met organische oplosmiddelen moeten na gebruik in gesloten containers worden bewaard.

 

§ 5.

Washprimers op basis van organische oplosmiddelen mogen enkel worden gebruikt als ze noodzakelijk zijn voor de aanhechting van opeenvolgende lagen op blote metalen, op aluminium, zinkplaat of gegalvaniseerde metalen. Het gebruik van zulke washprimers moet worden beperkt tot ten hoogste 5 volumepercent van alle bedekkingsmiddelen, uitgezonderd wanneer beitsprimer wordt aangebracht als eerste laag op aluminium en uitgezonderd voor voertuigen met een massa die groter is dan 3,5 ton.


Art. 5.4.3.2.5.

Voor de activiteit « aanbrengen van een coating op voertuigen of een deel daarvan als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek » geldt artikel 5.4.3.2.3, § 4, pas vanaf 1 januari 2010.


Afdeling 5.4.4.
Thermisch behandelen van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen


Art. 5.4.4.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 4.4 van de indelingslijst.


Art. 5.4.4.2.

§ 1.

Tenzij anders in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermeld, dienen het emailleren en moffelen van voorwerpen te geschieden in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat door brandvrije muren van de opslagruimten voor stoffen, produkten, tussenprodukten en reststoffen alsmede van de lokalen waarin de voorbehandeling van voorwerpen of het aanbrengen van een bedekkingsmiddel gebeurt, is gescheiden.

 

Voormelde bepaling is niet van toepassing op inrichtingen die werken met het "in lijn"- of "lopende band"-systeem.

 

§ 2.

De verwarmingsinstallatie van de emailleer-, moffel- of droogovens is zodanig geregeld dat een overmatige verwarming onmogelijk is, en brand- en ontploffingsgevaar wordt vermeden. Het in de oven te behandelen voorwerp mag geen onderdelen of stoffen bevatten die bij verwarming brand of een ontploffing kunnen veroorzaken.

 

De tunnels alsmede de afvoerinstallaties van de dampen en nevels mogen geen dode ruimte vertonen in dewelke zich ontplofbare mengsels of ophopingen zouden kunnen vormen. De schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels zijn van onbrandbaar materiaal.

 

§ 3.

Dampen en nevels die bij het emailleren, moffelen of drogen gevormd worden, worden op de plaats van hun ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 4.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de geloosde afgassen:

parameter

emissiegrenswaarde

totaal stof

 

-           bij pyrolyse-ovens

30,0 mg/Nm³

-           in de overige gevallen

3,0 mg/Nm³

CO: richtwaarde

100,0 mg/Nm³

zwaveldioxide (SO2)

100,0 mg/Nm³

organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

50,0 mg/Nm³

stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2: richtwaarde

100,0 mg/Nm³

 

In die gevallen waar naverbranding wordt toegepast als behandelingstechnologie, wordt de concentratie van de stikstofoxiden, organische stoffen en koolstofmonoxide bepaald tijdens een meetcampagne als functie van de temperatuur in de naverbrander.

 

Op basis van de interpretatie van die metingen wordt de optimale temperatuur gekozen waarbij voldaan is aan de vermelde emissiegrenswaarde met betrekking tot de emissie aan organische stoffen.

 

De naverbranding wordt ingesteld op de optimale temperatuur en wordt continu geregistreerd.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig, afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.

 

§ 7.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5 zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 8.

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.