Hoofdstuk 5.9.
DIEREN


Afdeling 5.9.1.
Toepassingsgebied


Art. 5.9.1.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7, 9.8 en 9.9 van de indelingslijst alsmede op de opslagplaatsen van dierlijke mest bedoeld in subrubriek 28.2 van de indelingslijst die zijn gehecht aan voormelde inrichtingen.


Art. 5.9.1.2. [...]

Afdeling 5.9.2.
Bijkomende voorwaarden voor de beperking van ammoniakemissie


Stallen.


Art. 5.9.2.1.

§ 1.

Een stal dient gebouwd uit duurzame en degelijke materialen overeenkomstig een code van goede praktijk, of bij ontstentenis daarvan volgens de regels van goed vakmanschap, onder het toezicht van een architekt, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde of een landbouwkundig ingenieur of een bio-ingenieur derwijze dat de hinder voor het leefmilieu wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast.

 

§ 2.

De volle vloeren van een stal zijn uitgevoerd in verhard materiaal. Ze moeten mestdicht zijn. Indien nodig dient de mestdichtheid verzekerd te worden door een mestbestendige afdichtingslaag. Deze vloeren hellen af teneinde een gemakkelijke afvoer van mest, mengmest of spoelwaters te verzekeren.

 

§ 3.

Het is verboden vloeren van stallen, mestkanalen en mestkelders te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput.


Bijkomende constructie- en gebruiksvoorwaarden voor stallen met betrekking tot de beperking van ammoniakemissie.


Art. 5.9.2.1bis.

§ 1

Voor alle pluimvee- en varkensinrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt verleend voor:

- de exploitatie van een nieuwe inrichting, al dan niet in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting
- de verandering van een bestaande veeteeltinrichting waarbij een of meerdere nieuwe stallen worden gebouwd
- de verandering van een bestaande veeteeltinrichting door samenvoeging van veeteeltinrichtingen waarbij tevens één of meerdere nieuwe stallen worden gebouwd

dienen de nieuw te bouwen stallen ammoniakemissiearm te worden gebouwd indien er voor de betreffende diercategorie een techniek is opgenomen in de lijst van ammoniakemissiearme stallen [...].

 

Deze verplichting geldt niet voor:

een pluimvee-inrichting met in totaal minder dan 500 stuks pluimvee;
een varkensinrichting met in totaal minder dan 50 varkens (inclusief biggen).

 

§ 1/1.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, stelt de lijst van ammoniakemissiearme stallen vast, alsook de nadere regels voor de aanvraag tot wijziging van de lijst.

 

§ 2.

Na afwerking van de bouw van een ammoniakemissiearme stal en de uitvoering van de verschillende daarin verwerkte amoniakemissiearme stalsystemen dient door de toezichthoudende architect, ingenieur-architect, burgerlijk bouwkundig ingenieur, industrieel ingenieur bouwkunde, landbouwkundig ingenieur of bio-ingenieur, een attest afgeleverd te worden dat aantoont dat de bouwwerken werden uitgevoerd conform de ammoniakemissiearme staltechnieken zoals beschreven in de lijst vastgesteld bij besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu. Dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

 

§ 3.

Stallen die gebouwd werden volgens staltechnieken die als ammoniakemissiearm werden beschouwd bij besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu, behouden hun statuut van ammoniakemissiearme stal, zelfs indien de techniek bij volgende ministeriële besluiten tot vaststelling van de ammoniakemissiearme staltechnieken niet langer wordt weerhouden. Bij verbouwingen van deze stal waarbij de verbouwing een negatieve impact heeft op de ammoniakemissie, moet voldaan worden aan de eisen voor ammoniakemissiearme stallen zoals opgenomen in de meest recente versie van de lijst.

 

§ 4.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, stelt nadere regels vast voor de uitvoering en het gebruik van de ammoniakemissiearme stallen die op de lijst opgenomen zijn met het oog op het behoud van de ammoniakemissieverminderende aspecten van die stallen.

 

§ 5.

De inlaat en de uitlaat van een luchtwassysteem is bereikbaar en toegankelijk met het oog op de veilige en praktische uitvoering van controlemetingen conform een code van goede praktijk. Voor installaties die voor 1 juli 2016 vergund zijn, geldt deze verplichting, vanaf 1 september 2018.


Opslagplaatsen voor vaste dierlijke mest buiten de stal.


Art. 5.9.2.2.

§ 1.

Permanente opslagplaatsen van vaste dierlijke mest buiten de stal dienen voorzien te zijn van een vloer uitgevoerd in verhard materiaal. De vloer moet mestdicht zijn. Indien nodig dient de mestdichtheid verzekerd te worden door een mestbestendige afdichtingslaag.

 

Deze opslagplaatsen moeten langs drie zijden omgeven zijn door mestdichte wanden van voldoende hoogte die aan dezelfde eisen voldoen als deze gesteld aan de vloer. De vierde zijde moet dermate aangelegd zijn dat afspoeling van het drain- en regenwater uit deze permanente opslagplaats niet mogelijk is.

 

§ 2.

De vloer is zodanig uitgevoerd dat dunne mest en afvloeiwater worden opgevangen en verzameld in mestdichte, gesloten opslagruimten (aalputten).

 

De plaatsing wordt zo gekozen dat het risico op verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt de de helling en de afvloeirichting van de vloer van de mestopslagplaats niet in de richting van oppervlaktewater georiënteerd. Die verplichting geldt alleen voor mestopslagplaatsen die na 1 juli 2016 vergund zijn.

 

§ 3.

De inplanting wordt zodanig gekozen dat geurhinder voor de omgeving wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast.

 

§ 4.

Het is verboden opslagplaatsen voor vaste dierlijke mest en de bijhorende aalputten te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput.

 

§ 5.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient de inrichting, ingeval op de inrichting vaste dierlijke mest geproduceerd wordt, te beschikken over één of meer mestopslagplaatsen voor vaste dierlijke mest met een totale capaciteit die voldoende is om ten minste de hoeveelheid vaste dierlijke mest te stockeren die gedurende een periode van 6 maanden wordt geproduceerd door de dieren die op basis van het aantal dierplaatsen in de stal(len) kunnen worden gehouden.

 

Ten laatste op 31 december 2011 wordt deze capaciteit op een hoeveelheid overeenstemmend met 9 maanden gebracht voor dieren die steeds op stal staan.

 

In afwijking van voorgaande bepalingen bedraagt voor stalmest de periode ten minste 3 maanden.

 

Het benodigde volume dient berekend op basis van de richtlijnen voor opslagcapaciteit voor mest vermeld in bijlage 5.28, hoofdstuk 7.

 

Aan deze bepalingen wordt eveneens geacht voldaan te zijn wanneer de exploitant van de inrichting aantoont op een andere reglementaire manier gedurende de beschouwde periode te kunnen voorkomen dat de voormelde mesthoeveelheid of een gedeelte ervan op cultuurgrond wordt opgebracht.


Opslagplaatsen voor mengmest.


Art. 5.9.2.3.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, dient de inrichting met mengmest te beschikken over één of meer mestopslagplaatsen met een totale capaciteit die voldoende is om ten minste de hoeveelheid mest te stockeren die gedurende een periode van 6 maanden wordt geproduceerd door de dieren die op basis van het aantal dierplaatsen in de stal(len) kunnen worden gehouden.

 

Ten laatste op 31 december 2011 wordt deze capaciteit op een hoeveelheid overeenstemmend met 9 maanden gebracht voor dieren die steeds op stal staan. Het benodigde volume dient berekend op basis van de richtlijnen voor opslagcapaciteit voor mest vermeld in bijlage 5.28, hoofdstuk 7.

 

Aan deze bepalingen wordt eveneens geacht voldaan te zijn wanneer de exploitant van de inrichting aantoont op een andere reglementaire manier gedurende de beschouwde periode te kunnen voorkomen dat de voormelde mesthoeveelheid of een gedeelte ervan op cultuurgrond wordt opgebracht.

 

§ 2.

De bodem, de wanden en de kanaalverbindingen met stallen of andere opslagruimten dienen gebouwd uit duurzame en degelijke materialen volgens de regels van goed vakmanschap zoals vermeld in bijlage 5.28, hoofdstuk 1 of 2 bij dit besluit, onder de controle van een architekt, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde, een landbouwkundig ingenieur of een bio-ingenieur derwijze dat de hinder voor het leefmilieu wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast.

 

In afwijking van voorgaande bepaling, is het voor bestaande inrichtingen ook toegelaten dat de bij de inrichting opgerichte opslagplaatsen van mengmest voldoen aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 5.28, hoofdstuk 3 (foliebassins en mestzakken).

 

Opslagplaatsen voor mengmest kunnen ondergronds of gelijk aan of boven de belendende grond worden gebouwd.

 

§ 3.

Het is verboden opslagplaatsen voor mengmest te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput.

 

§ 4.

Opslagplaatsen gelegen buiten de stallen zijn, de noodzakelijke ontluchtingspijpen uitgezonderd, afgesloten van de buitenlucht. Voor de opslagplaatsen bestemd voor opslag van effluenten met een laag gehalte aan ammoniakale stikstof, zoals bepaald in het meststoffendecreet, afkomstig van mestbe- of mestverwerkingsinstallaties kan hiervan worden afgeweken in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 5.

Ingeval van een mestkelder dienen de zuig- en vulleidingen voor het ledigen en (eventueel) vullen van de mengmestkelder evenals de noodzakelijke openingen voor het mengen van de inhoud van de mengmestkelder buiten de stal gelegen te zijn. Er moet een mestdichte voorziening zijn om gemorste mengmest op te vangen tijdens het vullen en/of lossen. Een mengmestkelder moet zodanig zijn uitgevoerd dat er geen ruimten boven de mest kunnen ontstaan die volledig van de buitenlucht zijn afgesloten.
Ingeval van een ander type van mengmestopslagplaats dient ter plaatse van de vul- en zuigleiding een mestdichte morsput van tenminste 125 l. aanwezig te zijn; leidingen en afsluiters die niet op een vorstvrije diepte zijn aangelegd, moeten tegen bevriezen worden beschermd; in een vul- of aftapleiding die onder druk staat van de inhoud van de opslagplaats moeten tenminste twee afsluiters aanwezig zijn; de buitenste afsluiter moet met een veiligheidsslot kunnen worden afgesloten; in de leidingen waarin hevelwerking kan optreden moeten afsluiters en ontluchtingsvoorzieningen zijn aangebracht.

 

§ 6.

Binnen een waterwingebied en/of de beschermingszones type I, II of III mogen enkel mengmestkelders met bodem en opstaande muren uit gewapend beton, overeenkomstig de huidige Belgische en/of Europese normen en voorschriften of mestsilo's, worden geëxploiteerd. In geval van het gebruik van andere materialen dient de degelijkheid van de voorgestelde uitvoering door een deskundige studie te worden aangetoond. Deze studie wordt ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid.


Plaatsen voorzien voor mestbewerkings- of mestverwerkingsinstallaties.


Art. 5.9.2.4.

§ 1.

Bij het gebruik van een installatie voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest worden de nodige voorzieningen getroffen opdat eventueel gemorste mest kan worden opgevangen en terug in de bestaande mestopslag terecht komt.

 

De exploitant neemt alle noodzakelijke maatregelen teneinde te voorkomen dat reinigingswater, percolaat of mest kan terecht komen op de bodem en zeker niet kan terechtkomen in de afvoeren die bestemd zijn voor de afvoer van hemelwater.


Afdeling 5.9.3.
Algemene voorwaarden met betrekking tot de ligging van stallen


Art. 5.9.3.1. [...]

Afdeling 5.9.4.
Bijkomende voorwaarden met betrekking tot de ligging van varkensstallen


Waarderingspunten.


Art. 5.9.4.1.

In functie van de conceptie van de stal enerzijds en van de wijze van inrichting van de mestopslag anderzijds wordt aan elke varkensstal en/of mestopslag behorende tot de inrichting een waardering toegekend uitgedrukt in punten als volgt:

 

 Omschrijving Punten
1) Stalsystemen:  
a) stal uitgerust met een systeem voor mestafvoer meerdere malen per dag (cfr. spoelmestsysteem)  80
b)  diepstrooiselstal (enzymen - compost)  80
c) potstal, waaronder verstaan een stal waarin de dieren op geregelde tijdstippen voldoende bijgestrooid worden en waarbij de volledige strooisellaag slechts wordt verwijderd na een volledige stalperiode, dit is nadat de dieren de stal hebben verlaten;   60
d) stal met volle vloer, ingestrooid (inbegrepen betonplaten met conische openingen, de zgn. "strorooster");   30
e)  stalvloer met een roosteroppervlakte van meer dan 50 %;
Noot: onder stalvloer wordt verstaan de ruimte waar dieren kunnen aanwezig zijn.
 20
f) stalvloer met een roosteroppervlakte van 50 % of minder  10
g) stal met volle vloeren, niet ingestrooid.  10
h) ammoniakemissie-arme stal   110
2)  Stalverluchtingssystemen:  
a) Mechanische verluchtingssystemen aangesloten op een installatie ter bestrijding van geurhinder;    110
b) Mechanische verluchtingssystemen niet aangesloten op een installatie ter bestrijding van geurhinder;   
Met verticale uitstoot:   

a)

uitlaatopening 0,5 m of meer boven de nok  
- zonder pet  50
- met pet  30
b) uitlaatopening minder dan 0,5 m boven de nok   
- zonder pet  40
- met pet  20
Met zijdelingse uitstoot   10
c) Natuurlijke verluchtingssystemen:  
1°   zonder afdekking (open nok-trekschouw)  20
met afdekking   10
3)  Opslag van vaste dierlijke mest:  
a) driezijdig omsloten mestvaalt;    50
b) transportwagen;   50
c) potstal, waaronder verstaan een stal waarin de dieren op geregelde tijdstippen voldoende bijgestrooid worden en waarbij de volledige strooisellaag slechts wordt verwijderd na een volledige stalperiode, dit is nadat de dieren de stal hebben verlaten.   0
4) Opslag mengmest  
a) opslag in het stalgebouw:    
- mestkelder onder stalvloer, zonder geurafsnijder;  20
- mestkelder onder rooster, zonder geurafsnijder;    20
- mestkelder onder rooster, met geurafsnijder, met beperkte opslag (max. 3 weken)   50
b)  opslag buiten de stal  
- gesloten opslag;   50
- eenvoudige afdekking;  30
- open opslag.  0

 

Voor nieuwe systemen, die niet in deze tabel voorkomen, kan de aanvrager, steunend op een gelijkwaardige benadering als deze van voormelde tabel, een gemotiveerd voorstel doen van bepaling van het aantal punten. Dit voorstel kan gevoegd worden, hetzij bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, hetzij bij een afwijkingsaanvraag op bepalingen van dit reglement.


Waarderingspunten per inrichting.


Art. 5.9.4.2.

Het voor de inrichting in aanmerking te nemen aantal waarderingspunten wordt berekend op de wijze als hierna bepaald.
 

Varkensstallen:
a) Per varkensstal:
Aan elke varkensstal behorende tot de inrichting wordt een aantal waarderingspunten "Wst" toegekend als de som van het aantal punten dat overeenkomstig artikel 5.9.4.1. voor het stalsysteem (sub 1) van artikel 5.9.4.1.) en voor het stalverluchtingssysteem (sub 2) van artikel 5.9.4.1.) met betrekking tot de stal dient toegekend.
b) Voor alle stallen behorende tot de inrichting:
In geval de inrichting meerdere varkensstallen omvat, wordt aan alle varkensstallen behorende tot de inrichting gezamenlijk een aantal waarderingspunten "Wv" toegekend als het gewogen gemiddelde, berekend als volgt:

waarin:
Wv = het aantal waarderingspunten toegekend aan alle varkensstallen behorende tot de inrichting;
∑ (Wstn x Vstn) = de som van de produkten van het aantal waarderingspunten per varkensstal met het aantal varkensplaatsen van de overeenstemmende varkensstal;
∑ Vstn = de som van het aantal varkensplaatsen van alle varkensstallen behorende tot de inrichting.
Opslagplaatsen van vaste dierlijke mest en van mengmest:
a) Per mestopslag:
Aan elke opslag van vaste dierlijke mest (sub 3) van artikel 5.9.4.1. alsmede aan elke opslag van mengmest (sub 4) van artikel 5.9.4.1. behorende tot de inrichting wordt overeenkomstig artikel 5.9.4.1. een aantal waarderingspunten toegekend.
b) Voor alle opslagplaatsen van dierlijke mest behorende tot de inrichting:
In geval de inrichting meerdere mestopslagplaatsen omvat, dienen aan alle mestopslagplaatsen behorende tot de inrichting gezamenlijk een aantal waarderingspunten "Wm" toegekend als het gewogen gemiddelde, berekend als volgt:

waarin:
Wm = het aantal waarderingspunten toegekend aan alle opslagplaatsen van vaste dierlijke mest en van mengmest behorende tot de inrichting;
∑ (WMon X A) = de som van de produkten van het aantal waarderingspunten per opslagplaats van vaste dierlijke mest en/of van mengmest met het aantal dieren waarvan de mest opgevangen wordt in de betrokken opslagplaats;
∑ A = de som van het aantal dieren waarvan de mest wordt opgevangen in de betrokken opslagplaats.
De inrichting:
Het aantal waarderingspunten dat aan de inrichting wordt toegekend is gelijk aan de som van het aantal waarderingspunten overeenkomstig sub 1° en sub 2° respectievelijk toegekend aan alle varkensstallen behorende tot de inrichting gezamenlijk en de verschillende mestopslagplaatsen behorende tot de inrichting gezamenlijk.

Verbods- en afstandsregels.


Art. 5.9.4.3.

Het is verboden varkenshouderijen te exploiteren, indien zij gelegen zijn :

geheel of gedeeltelijk in een waterwingebied en/of een beschermingszone type I, II of III;

geheel of gedeeltelijk in een gebied ander dan agrarische gebieden.

 


Art. 5.9.4.4.

Tussen elke stal en/of opslag van vaste dierlijke mest of mengmest van de inrichting gelegen in agrarisch gebied enerzijds en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan een woongebied met een landelijk karakter en ten opzichte van elk in het bosdecreet van 13 juni 1990 aangegeven bosreservaat anderzijds, moet in functie van het aantal varkens dat in de inrichting wordt gehouden, uitgedrukt in varkenseenheden, en van het overeenkomstig artikel 5.9.4.2 voor de inrichting berekend aantal waarderingspunten, ten minste de volgende afstand bestaan:

 

Waarderingspunten, toegekend

aan de inrichting

Minimale afstand in meter bij volgend aantal varkenseenheden

van 100

tot 500

van 501

tot 1 050

van 1 051

tot 1 575

van 1 576

tot 2 100

van 2 101

tot 2 625

meer dan

2 625

<50 250 300 350 verbod verbod verbod
50 − 100 200 225 250 300 350 400
101 − 150 100 150 200 250 300 350
151 − 200 50 100 150 200 250 300
> 200 50 50 100 150 200 300

 

voor de toepassing van voormelde bepalingen wordt :

- één zeug inclusief biggen gelijkgesteld aan 2,5 varkenseenheden;

- een ander varken > 10 weken gelijkgesteld aan 1 varkenseenheid.

 

 


Art. 5.9.4.5. [...]

Art. 5.9.4.6.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

[...]


Afdeling 5.9.5.
Bijkomende voorwaarden met betrekking tot de ligging van pluimveestallen


Waarderingspunten.


Art. 5.9.5.1.

§ 1.

In functie van de conceptie van de stal enerzijds en van de wijze van inrichting van de mestopslag anderzijds wordt aan elke pluimveestal en/of mestopslag behorende tot de inrichting een waardering toegekend uitgedrukt in punten als volgt:

 

 Omschrijving Punten
1) Stalsystemen  
a) strooiselvloer (droge mest);   60
b) roostervloer (dunne mest);   20
c) batterij zonder geforceerde mestdrogerij;   
- open mestopslag onder de batterij;   20
- regelmatige mestafvoer naar een afgesloten put;   40
- dagelijkse mestafvoer naar een afgesloten put;   80
d) batterij met geforceerde mestdroging door middel van ventilatoren, plafondwaaiers of een vergelijkbaar systeem (bv deeppit- of highrisestal kanalenstal mestbandbatterij met mestdroging)   110
e) ammoniakemissie-arme stal   110
2) Stalverluchtingssysteem  
a) Mechanische verluchtingssystemen aangesloten op een installatie ter bestrijding van geurhinder;   110
b) Mechanische verluchtingssystemen niet aangesloten op een installatie ter bestrijding van geurhinder;   
Met vertikale uitstoot:   
a) uitlaatopening 0,5 m of meer boven de nok   
 - zonder pet   50
 - met pet   30
 b) uitlaatopening minder dan 0,5 m boven de nok   
 - zonder pet 40
 - met pet  20
Met zijdelingse uitstoot;  10
c) Natuurlijke verluchtingssystemen  
zonder afdekking (open nok - trekschouw);  20
met afdekking;  10
3) Opslag dierlijk mest  
- geen opslag van mest (onmiddellijke afvoer); 50
- gesloten opslag;  40
- eenvoudige afdekking;  30
- open opslag, open mestgoten  0

 

Voor nieuwe systemen, die niet in deze tabel voorkomen, kan de aanvrager, steunend op een gelijkwaardige benadering als deze van voormelde tabel, een gemotiveerd voorstel doen van bepaling van het aantal punten. Dit voorstel kan gevoegd worden, hetzij bij het dossier voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, hetzij bij een afwijkingsaanvraag op bepalingen van dit reglement.


Waarderingspunten per inrichting.


Art. 5.9.5.2.

Het voor de inrichting in aanmerking te nemen aantal waarderingspunten wordt berekend op de wijze als hierna bepaald.

Pluimveestallen:
a) Per pluimveestal:
Aan elke pluimveestal behorende tot de inrichting wordt een aantal waarderingspunten "Wst" toegekend als de som van het aantal punten dat overeenkomstig artikel 5.9.5.1. voor het stalsysteem (sub 1) van artikel 5.9.5.1.) en voor het stalverluchtingssysteem (sub 2) van artikel 5.9.5.1.) met betrekking tot de stal dient toegekend.

b)

c)

Voor alle stallen behorende tot de inrichting:
In geval de inrichting meerdere pluimveestallen omvat, wordt aan alle pluimveestallen behorende tot de inrichting gezamenlijk een aantal waarderingspunten "Wp" toegekend als het gewogen gemiddelde, berekend als volgt:

waarin:
Wp = het aantal waarderingspunten toegekend aan alle pluimveestallen behorende tot de inrichting;
∑ (Wstn x Pstn) = de som van de producten van het aantal waarderingspunten per pluimveestal met het aantal stuks pluimvee dat in de overeenstemmende pluimveestal kan gehouden worden;
∑ Pstn= de som van het aantal stuks pluimvee dat in alle pluimveestallen behorende tot de inrichting kan worden gehouden.
Opslagplaatsen van dierlijke mest:
a) Per opslag dierlijke mest:
Met betrekking tot de opslag van dierlijke mest (sub 3) van artikel 5.9.5.1.) behorende tot de inrichting wordt overeenkomstig artikel 5.9.5.1. een aantal waarderingspunten toegekend.
b) Voor alle opslagplaatsen van dierlijke mest behorende tot de inrichting:
In geval de inrichting meerdere opslagplaatsen van dierlijke mest omvat, dienen aan alle opslagplaatsen behorende tot de inrichting gezamenlijk een aantal waarderingspunten "Wm" toegekend als het gewogen gemiddelde, berekend als volgt:

waarin:
Wm = het aantal waarderingspunten toegekend aan alle opslagplaatsen van dierlijke mest behorende tot de inrichting;
∑ (WMon x A) = de som van de producten van het aantal waarderingspunten per opslagplaats van dierlijke mest met het aantal dieren waarvan de mest opgevangen wordt in de betrokken opslagplaats;
∑ A = de som van het aantal dieren waarvan de mest wordt opgevangen in de betrokken opslagplaats.
De inrichting:
Het aantal waarderingspunten dat aan de inrichting wordt toegekend is gelijk aan de som van het aantal waarderingspunten overeenkomstig sub 1° en sub 2° respectievelijk toegekend aan alle pluimveestallen behorende tot de inrichting gezamenlijk en de verschillende soorten van opslag van dierlijke mest behorende tot de inrichting gezamenlijk.

Verbods- en afstandsregels.


Art. 5.9.5.3.

§ 1.

Het is verboden inrichtingen omvattende één of meer pluimveestallen met mengmest, ongeacht het aantal stuks afgemaakt dat in de inrichting wordt gehouden, te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwingebied en/of een beschermingszone type I, II of III.

 

§ 2.

Het is verboden inrichtingen omvattende één of meer pluimveestallen met gezamenlijk meer dan 2.000 stuks pluimvee te exploiteren die geheel gelegen zijn in een gebied ander dan woongebieden met landelijk karakter of agrarische gebieden.

 

§ 3.

Het is verboden pluimveestallen met gezamenlijk meer dan 10.000 stuks pluimvee te exploiteren die geheel gelegen zijn in een gebied ander dan agrarische gebieden.

 

§ 4.

Tussen elke stal en/of opslag van dierlijke mest van een inrichting, gelegen in een woongebied met landelijk karakter enerzijds, en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan een woongebied met een landelijk karakter anderzijds, dient in functie van het aantal stuks pluimvee dat in de inrichting wordt gehouden en van het overeenkomstig artikel 5.9.5.2. berekend aantal waarderingspunten, tenminste de volgende afstand te bestaan:

 

 

Vereiste minimumafstand in m bij aantal stuks pluimvee

Waarderingspunten toegekend aan de inrichting

< 5000

van 5.001 tot 10.000

< 75

100

150

75 - 150

75

100

151 of meer

50

75

 

Het is verboden in een inrichting, omvattende één of meer pluimveestallen, die geheel gelegen is in een woongebied met landelijk karakter, meer [...] stuks pluimvee te houden dan het aantal dat in functie van voormelde criteria en de afstandsregels is toegelaten.

 

§ 5.

Tussen elke stal en/of opslag van dierlijke mest of mengmest van een inrichting, gelegen in een agrarisch gebied enerzijds en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan woongebieden met een landelijk karakter anderzijds, dient in functie van het aantal stuks pluimvee dat in de inrichting wordt gehouden en van het overeenkomstig artikel 5.9.5.2. berekend aantal waarderingspunten, tenminste de volgende afstand te bestaan:

 

 

Waarderingspunten toegekend aan de inrichting

Vereiste minimumafstand in m bij aantal stuks pluimvee

≤ 5000

van 5.001 tot 10.000

van 10.001 tot 20.000

van 20.001 tot 40.000

van 40.001 tot 60.000

van 60.001 tot 80.000

> 80.000

< 75

100

150

200

300

400

verbod

verbod

75 -150

75

100

150

225

300

verbod

verbod

151 -200

50

75

100

150

200

250

300

> 200

50

75

100

150

200

225

250

Het is verboden in een inrichting, omvattende een of meer pluimveestallen, die geheel gelegen is in een agrarisch gebied, meer [...] stuks pluimvee te houden dan het aantal dat in functie van voormelde criteria en de afstandsregels is toegelaten.

 

§ 6.

[...]

 

 


Afdeling 5.9.6.
Bijkomende voorwaarden met betrekking tot de ligging van stallen, andere dan varkens- en pluimveestallen


Art. 5.9.6.1.

§ 1.

Voor gemengde inrichtingen die varkens- en/of pluimveestallen omvatten, zijn de voorschriften van dit hoofdstuk, met inbegrip van de verbods- en afstandsregels, onverminderd van toepassing op de varkensstallen respectievelijk de pluimveestallen behorende tot de gemengde inrichting.

 

§ 2.

Onverminderd de bijzondere milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden opgelegd, gelden voor de stallen andere dan varkens- en pluimveestallen de volgende verbodsregels:

het is verboden inrichtingen omvattende één of meer stallen, andere dan varkens- en pluimveestallen, ongeacht het aantal dieren dat in de inrichting wordt gehouden, te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwingebied en/of een beschermingszone type I, II of III;
het is verboden inrichtingen omvattende één of meer stallen, andere dan varkens- en pluimveestallen met gezamenlijk meer dan 200 gespeende [...] grote zoogdieren (rubrieken 9.4.2., 9.4.3. en 9.5. van de indelingslijst), meer dan 2.000 gespeend [...] kleine herkauwers (rubriek 9.6 van de indelingslijst) of meer dan 10.000 gespeende konijnen, knaagdieren, e.d.(rubriek 9.7 van de indelingslijst) te exploiteren die geheel gelegen zijn in een gebied ander dan woongebieden met een landelijk karakter of agrarische gebieden.

Deze aantallen gelden ook bij cumulatie van deze categorieën op grond van volgende omrekeningsfactor:
1 gespeend [...] groot zoogdier = 10 gespeende [...] kleine herkauwers = 50 gespeende konijnen, knaagdieren, e.d..

[...]
Het is verboden inrichtingen omvattende één of meer stallen, andere dan varkens- en pluimveestallen met gezamenlijk meer dan 500 gespeende [...] grote zoogdieren (rubrieken 9.4.2., 9.4.3. en 9.5. van de indelingslijst), meer dan 5.000 gespeende [...] kleine herkauwers (rubriek 9.6 van de indelingslijst) of meer dan 25.000 gespeende konijnen, knaagdieren, e.d.(rubriek 9.7 van de indelingslijst) te exploiteren die geheel gelegen zijn in een gebied ander dan agrarische gebieden.

Deze aantallen gelden ook bij cumulatie van deze categorieën op grond van volgende omrekeningsfactor:

1 gespeend  groot zoogdier = 10 gespeende  kleine herkauwers = 50 gespeende konijnen, knaagdieren, e.d..

 

§ 3.

De verbod- en afstandsregels vermeld in § 1 en § 2 zijn niet van toepassing op proefdierinrichtingen. Voor de toepassing van deze bepalingen wordt onder proefdierinrichtingen verstaan : inrichtingen waar levende gewervelde dieren, met inbegrip van vrij levende en/of tot voortplanting in staat zijnde larvale vormen, met uitsluiting van andere foetale of embryonale vormen, worden gehouden die worden gebruikt in proeven, of voor proefdoeleinden zijn bestemd, met uitzondering van inrichtingen waar vee voor praktijkonderzoek wordt ingezet.


Afdeling 5.9.7.
Voorwaarden met betrekking tot controle-inrichtingen


Art. 5.9.7.1.

§ 1.

In de inrichtingen met mengmest waarin ofwel meer dan 2.500 varkens, ofwel meer dan 1.500 [...] grote zoogdieren andere dan varkens, ofwel meer dan 40.000 stuks pluimvee kunnen worden gehouden, of in de inrichtingen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen de beschermingszones van een grondwaterwinning, worden op kosten van de exploitant waarnemingsbuizen (peilputten) op oordeelkundige wijze aangebracht.

 

De waarnemingsbuizen bestaan uit een materiaal dat door de opgeslagen vloeistoffen niet kan worden aangetast. Ze worden uitgevoerd volgens de regels van goed vakmanschap zoals weergegeven in bijlage 5.28 bij dit besluit of volgens een andere evenwaardige code van goede praktijk.

 

Het aantal en de aard van de inplanting, alsook de uitvoering en de lengte worden bepaald in overleg met de toezichthoudende overheid en, in voorkomend geval, met de exploitant van de te beschermen waterwinning.

 

§ 2.

In overleg met de toezichthoudende overheid en, in voorkomend geval, met de exploitant van de te beschermen waterwinning mogen de onder ' 1 bedoelde waarnemingsbuizen echter vervangen worden door gelijkwaardige controlevoorzieningen die rekening houden met de hydrogeologische gegevens van de bodem.

 

§ 3.

De uitvoeringsplannen en de boorverslagen van de onder vorige §§ 1 en 2 bedoelde waarnemingsbuizen of controle-inrichtingen worden ter beschikking gesteld van de toezichthoudende overheid.


Afdeling 5.9.8.
Voorwaarden met betrekking tot de beperking van de milieuhinder


Voorkoming van geurhinder bij verluchting van stallen.


Art. 5.9.8.1.

§ 1.

De ventilatie van stallen, mechanisch of natuurlijk, is zodanig uitgevoerd dat de verontreiniging van de omgevingslucht wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast.

 

§ 2.

Ramen blijven gesloten voor zover zij geen functie hebben bij de luchtverversing. Buitendeuren die conceptueel geen functie hebben bij de luchtverversing zijn enkel open voor doorgang van personen, dieren of goederen of in geval van overmacht.


Voorkoming van stofhinder afkomstig van droogvoeder.


Art. 5.9.8.2. Droogvoeder, dat aanleiding kan geven tot stofhinder, wordt opgeslagen in silo's of in verpakte vorm.
Maatregelen worden getroffen om hinderlijke stofverspreiding bij het vullen van voedersilo's te voorkomen of tot een vanuit ecologisch oogpunt aanvaardbare grenswaarde te beperken.

Dierlijke mest.


Art. 5.9.8.3.

§ 1.

Het uitspreiden of opslaan van vaste dierlijke mest of mengmest binnen de inrichting buiten de daartoe speciaal voorziene opslagruimten is verboden.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

De geproduceerde dierlijke mest dient overeenkomstig het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen en zijn uitvoeringsbesluiten afgezet op een ecologisch verantwoorde wijze.


Algemene milieuhygiënische maatregelen.


Art. 5.9.8.4.

§ 1.

De inrichting, de dieren en de naaste, eigen omgeving worden in een goede hygiënisch verantwoorde toestand gehouden. Bij reinigingsactiviteiten worden ten minste de volgende of gelijkwaardige maatregelen getroffen:

grof vuil droog verwijderen;
hogedrukreinigers na elke productiecyclus gebruiken;
maatregelen ter voorkoming van vloerbevuiling toepassen;
leidingen en ventilatoren in mechanisch geventileerde stallen regelmatig reinigen;
in een degelijke watertoevoer voorzien.

 

[...]

 

§ 2.

Het maximum aantal dieren in elke stal is volgens landbouwtechnische normen begrensd door het type en de grootte van de stal.

Het maximum aantal dieren vermeld in de vergunning of in de melding mag niet overschreden worden.

 

§ 3.

Doeltreffende bestrijdingsmaatregelen worden getroffen ter voorkoming van ongedierte zoals ratten, muizen en insecten.

 

§ 4.

Onverminderd de ter zake van toepassing zijnde reglementaire bepalingen mogen krengen niet op het terrein van de inrichting worden begraven. De exploitant treft de nodige schikkingen om de krengen onmiddellijk af te zonderen van de gezonde dieren en opdat zij zo spoedig mogelijk worden opgehaald door een inrichting bedoeld in rubriek 2.2.4 van de indelingslijst. In afwachting en ter voorkoming van verdere besmettingen worden:

- lichaamsdelen, organen en krengen van kleine dieren (pluimvee, konijnen, biggen tot ca. 20 kg, e.d.) bewaard in gesloten kadavertonnen;
- krengen van middelgrote dieren (varkens, kalveren, schapen e.d.) bewaard op een gemakkelijke te reinigen en te ontsmetten krengenplaats, uitgevoerd in harde materialen, onder een passende, gesloten afdekking uit duurzaam en goed onderhoudbaar materiaal; deze krengenplaats moet gemakkelijk herkenbaar en bereikbaar zijn voor de ophaalwagen van de inrichting bedoeld in rubriek 2.2.4 van de indelingslijst;
- krengen van grote dieren (runderen, paarden, e.d.) bewaard onder een passende, gesloten afdekking uit duurzaam en goed onderhoudbaar materiaal;
- alle andere schikkingen getroffen om kontakten met derden te vermijden.

De sub 2° en sub 3° bedoelde afdekking moet derwijze zijn dat katten, honden, andere dieren en insecten zich geen toegang kunnen verschaffen tot de krengen.

 

§ 5.

Reststromen, bestemd voor de voeding van de dieren, worden in gesloten en gemakkelijk te reinigen recipiënten bewaard, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Afvalwaters.


Art. 5.9.8.5.

§ 1.

Elke lozing van dierlijke mest onder de vorm van gier, mengmest of onder om het even welke andere vorm, in de openbare riolering, in een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of in een oppervlaktewater is verboden. Dit verbod geldt niet voor het lozen van het effluent na bewerking of verwerking van dierlijke mest, indien hiervoor de nodige vergunning (rubriek 3) is verleend.

 

§ 2.

Alle dierlijke mest in vloeibare vorm alsmede het percolaat van vaste dierlijke mest wordt opgevangen en verzameld in een mestdichte opslagruimte of opslagplaats binnen of buiten de stal.

 

§ 3.

De lozing van terrein- of afvalwaters afkomstig van het reinigen van de inrichting is onderworpen aan de voorschriften van toepassing op de in de rubrieken 3 en 52 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen.

 

§ 4.

In de veeteelt worden doeltreffende maatregelen genomen om de vervuiling te beperken van het hemelwater dat afvloeit van de kuilplaat.

 

§ 5.

In de veeteelt worden de silosappen van de kuilplaat opgevangen en uitgereden op het land of verwijderd op een gelijkwaardige wijze.

 

Deze verplichting geldt alleen voor inrichtingen die na 1 juli 2016 vergund zijn.

 

§ 6.

De kuilplaat wordt zo geplaatst dat het risico op verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt de helling en de afvloeirichting van de vloer van de kuilplaat niet in de richting van oppervlaktewater georiënteerd.

 

Deze verplichting geldt alleen voor kuilplaten die na 1 juli 2016 vergund zijn.


Afdeling 5.9.9.
Voorwaarden met betrekking tot het toezicht


Art. 5.9.9.1. De exploitant zorgt voor de goede staat van de inrichting inzonderheid van de stallen, opslagplaatsen voor dierlijke mest en mengmest en toebehoren, door een regelmatig onderhoud en controle.

Art. 5.9.9.2.

§ 1.

De exploitant van een inrichting zoals bedoeld in art. 5.9.7.1. §1 controleert ten minste om de 3 maanden het grondwater op aanwezigheid van mengmest afkomstig van lekken.

 

§ 2.

Bovendien dient in § 1 bedoelde exploitant op zijn kosten ten minste om de drie jaar een grondwateronderzoek te laten uitvoeren door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL.

De exploitant zendt een afschrift van de analyseresultaten aan de Afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving en in voorkomend geval aan de exploitant van de te beschermen waterwinning.De exploitant van een inrichting, gelegen in een beschermingszone, moet bovendien de controle van de peilputten door de betrokken waterleidingsmaatschappij toelaten wanneer deze hierom verzoekt.

 

§ 3.

In geval uit het onderzoek van de in § 1 bedoelde waarnemingsbuizen of de gelijkwaardige controlevoorzieningen, of uit andere waarnemingen blijkt dat de mestdichtheid van de stallen of mestopslagplaatsen niet meer is verzekerd, treft de exploitant de nodige maatregelen om deze mestdichtheid zo vlug mogelijk te herstellen. In afwachting van herstelling mogen geen jonge of bijkomende dieren worden aangebracht. De uitvoering van de herstelling dient geattesteerd door een architekt, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde, een landbouwkundig ingenieur (richting boerderijbouwkunde) of een bio-ingenieur in de landbouwkunde (landelijke genie).


Art. 5.9.9.3. Bij definitieve buitengebruikstelling van een mestopslagplaats dient deze volledig leeggemaakt.
Hierbij worden de nodige maatregelen getroffen inzake explosiebeveiliging en voorkoming van bodem-, oppervlakte- en grondwaterverontreiniging.

Art. 5.9.9.4.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

In geval de exploitant, inzonderheid op basis van de in de artikelen 5.9.9.1. en/of 5.9.9.2. bedoelde controles, kennis heeft van enige ernstige verontreiniging bij de exploitatie van de inrichting, dient hij dit onmiddellijk te melden aan de in § 1 vermelde afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving.


Afdeling 5.9.10.
Voorwaarden met betrekking tot bestaande stallen en mestopslagplaatsen


Art. 5.9.10.1.

Onverminderd de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde voorwaarden dienen de bestaande stallen en mestopslagplaatsen binnen een termijn van 1 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit te voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 5.9.2.1., § 3, 5.9.2.2. § 1, 2 en 4 en 5.9.2.3., § 1 en in de afdelingen 5.9.7. tot en met 5.9.9. van dit besluit.


Afdeling 5.9.11.
Bijkomende voorwaarden met betrekking tot mestbewerking en/of mestverwerking bij stallen


Art. 5.9.11.1. De exploitant houdt een register bij van de mestbewerking en/of mestverwerking.

Art. 5.9.11.2.

De uitbating van de mestverwerkings- en mestbewerkingsinstallaties dient te voldoen aan de bepalingen vermeld onder artikel 5.28.3.4.2, 5.28.3.5.1, 5.28.3.5.2 en 5.28.3.5.3.


Art. 5.9.11.3.

Het gebruik van bedrijfseigen kippenmest als brandstof is toegestaan als aan de bepalingen uit de EU-Verordening nr. 592/2014 is voldaan en de vrijkomende energie steeds nuttig kan worden toegepast.


De opvolging van de nutriëntenstroom.

[...]


Afdeling 5.9.12.
Milieuvoorwaarden met betrekking tot inrichtingen waarin honden worden gehouden


Art. 5.9.12.1.

De voorwaarden van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 9.9 van de indelingslijst, met uitzondering van de inrichtingen voor het africhten van honden.


Art. 5.9.12.2.

De inrichting is voorzien van een omheining die de dieren belet te ontsnappen. Aan de zijkanten die uitgeven op andermans woning en op de openbare weg, moet die omheining uit ondoorzichtige elementen met een minimale hoogte van twee meter bestaan. Er moet in een afsluitpoort voorzien worden zodat onbevoegden geen toegang hebben.

 

De hokken moeten een afdoende geluidsisolatie hebben en rond de hokken en de speelweiden moet er een beplanting worden aangebracht zodat de dieren niet gestoord worden door de omgeving.

 

Het is verboden inrichtingen waarin meer dan tien honden worden gehouden te exploiteren die geheel gelegen zijn in een woongebied, ander dan een woongebied met een landelijk karakter, of in een woonuitbreidingsgebied. 

 

Alle rustverstorende activiteiten zijn verboden tussen 22 en 7 uur.

 

De honden worden tussen 22 en 7 uur binnengehouden, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

Kadavers van honden moeten door een destructiebedrijf verwijderd worden. In afwachting van ophaling worden ze in een gesloten recipiënt bewaard.


Afdeling 5.9.13.
Milieuvoorwaarden voor publiek toegankelijke inrichtingen waar dieren worden gehouden


Art. 5.9.13.1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 9.1 van de indelingslijst, met uitzondering van kinderboerderijen gekoppeld aan een land- of tuinbouwbedrijf.

 

Artikelen 5.9.13.7 tot en met 5.9.13.13 zijn alleen van toepassing op inrichtingen die zijn ingedeeld in rubriek 9.1 en die publiek toegankelijk zijn gedurende zeven dagen of meer per jaar.


Art. 5.9.13.2.

De inrichting is voorzien van een voldoende hoge, stevige en beveiligde omheining die de dieren belet te ontsnappen en die de veiligheid van de bezoekers kan garanderen. Er wordt voorzien in een afsluitpoort zodat onbevoegden geen toegang hebben tot de inrichting.

 

Rondom het terrein wordt een afscherming aangebracht zodat de dieren visueel niet gestoord worden door de omgeving, tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

Kadavers van de dieren worden zo snel mogelijk verwijderd. In afwachting van ophaling worden kadavers van kleine dieren in een gesloten recipiënt bewaard. Kadavers van grotere dieren worden bewaard onder een passende, gesloten afdekking uit duurzaam en goed onderhoudbaar materiaal. De afdekking moet derwijze zijn dat katten, honden, andere dieren en insecten zich geen toegang kunnen verschaffen tot de kadavers.

 

De inrichting is uitgerust met ten minste één gemakkelijk te bereiken telefoontoestel, dat aanwezig is op een vaste plaats.


Art. 5.9.13.3.

Er geldt een algemeen rookverbod in de gebouwen die behoren tot de inrichting. Het rookverbod wordt overeenkomstig de reglementair voorgeschreven pictogrammen op alle nuttige plaatsen aangegeven.


Art. 5.9.13.4.

De hokken worden in stevig materiaal gebouwd en worden goed geventileerd. Ze worden regelmatig gereinigd.

 

De volledige inrichting wordt altijd in een propere en goed onderhouden staat gehouden. Doeltreffende bestrijdingsmaatregelen worden getroffen ter voorkoming van ongedierte zoals ratten, muizen en insecten.


Art. 5.9.13.5.

De vaste dierlijke mest wordt buiten de stallen, hokken en andere dierenverblijven opgeslagen in opslagplaatsen voor vaste dierlijke mest conform artikel 5.9.2.2, §1 tot en met §4.

 

De opgeslagen mest wordt regelmatig afgevoerd.


Art. 5.9.13.6.

Reststromen, bestemd voor de voeding van de dieren, worden in gesloten en gemakkelijk te reinigen recipiënten bewaard, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Art. 5.9.13.7.

De exploitant geeft ter hoogte van de toegang van zijn inrichting duidelijk en ondubbelzinnig het maximum aantal toegelaten personen van zijn inrichting aan.

 

Voor inrichtingen die vóór 1 oktober 2019 vergund zijn, geldt de verplichting, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juli 2022.


Art. 5.9.13.8.

De exploitant legt een veiligheidsdossier aan waarin alle belangrijke stukken over veiligheid worden bijgehouden. Dat veiligheidsdossier omvat, als dat van toepassing is, minstens de volgende documenten:

de afgeleverde keuringsattesten van de elektrische installatie, vermeld in artikel 5.9.13.9;
het goedgekeurde noodplan, vermeld in artikel 5.9.13.10;
de evacuatieplannen en het verslag van de controle van het brandbestrijdingsmateriaal, vermeld in artikel 5.9.13.11;
de samenstelling van de eerste interventieploeg, vermeld in artikel 5.9.13.12.

 

Het veiligheidsdossier, vermeld in het eerste lid, ligt ter inzage voor de toezichthouder.

 

Voor inrichtingen die vóór 1 oktober 2019 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 oktober 2022.


Art. 5.9.13.9.

De elektrische installaties binnen de inrichting voldoen aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, afgekort AREI. De afgeleverde keuringsattesten, uitgevoerd conform het AREI, worden door de exploitant bij het veiligheidsdossier gevoegd.

 

Als de normale stroom uitvalt, verzekeren autonome bronnen automatisch en onmiddellijk minstens de werking van de onderstaande installaties, als die aanwezig zijn in de publiek toegankelijke delen, gedurende minimaal één uur:

de veiligheidsverlichting en de noodverlichting;
de installaties voor melding, waarschuwing en alarm;
de installaties voor rook- en warmteafvoer;
andere installaties of toestellen die bij brand in dienst moeten blijven.

 


Art. 5.9.13.10.

De exploitant stelt een intern noodplan op om adequaat te kunnen reageren bij brand of een andere calamiteit, zoals de ontsnapping van al dan niet gevaarlijke dieren. Het noodplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde brandweer en de politie. Het goedgekeurde noodplan wordt in het veiligheidsdossier bewaard.

 

De volgende specifieke maatregelen worden genomen bij de ontsnapping van al dan niet gevaarlijke dieren, tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit:

er is één oproepnummer dat permanent in verbinding staat met een interne centrale;
de noodzakelijke plannen en afspraken bij ontsnapping van gevaarlijke dieren worden vastgelegd en bestaan minstens uit:
  a) gedocumenteerde noodplannen in samenwerking met de politiediensten met als doel het dier te immobiliseren;
  b) evacuatieplannen voor de bezoekers;
de dierenverblijven zijn zo ontworpen en onderhouden dat de dieren in geen enkele omstandigheid kunnen ontsnappen en dat de veiligheid van de dieren, het publiek, de omwonenden en het personeel gewaarborgd is.

 


Art. 5.9.13.11.

Een grondplan van de inrichting met aanduiding van de evacuatiewegen en de locatie van de brandbestrijdingsmiddelen wordt correct georiënteerd opgehangen in de nabijheid van elke in- en uitgang van de publiek toegankelijke lokalen.

 

Elke uitgang of nooduitgang wordt aangegeven door reglementaire pictogrammen.

 

Het is verboden om in toegangs- en uitgangswegen voorwerpen te plaatsen die de vlotte evacuatie kunnen belemmeren. Alle bezoekers kunnen alle uitgangen gebruiken.

 

De noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen worden bepaald en aangebracht in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. In aansluiting met art. 4.1.12.1 dient de exploitant binnen de twee maanden na het bekomen van de vergunning overleg te vragen aan de brandweer. Deze aanvraag en alle navolgende communicatie (overleg, richtlijnen, …) worden bijgehouden in het veiligheidsdossier.

 

Het brandbestrijdingsmateriaal wordt jaarlijks gecontroleerd door een instantie die daarvoor bevoegd is. Van die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bij het veiligheidsdossier gevoegd.


Art. 5.9.13.12.

Als het gaat om een inrichting met meer dan duizend toegelaten aanwezigen, richt de exploitant een eerste interventieploeg op die uit twee teams bestaat: een team van interventieleden die de brand proberen te controleren in afwachting van de komst van de bevoegde brandweer en een team van evacuatieverantwoordelijken die toezien op een vlotte evacuatie van personeel en publiek, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. De exploitant raadpleegt de bevoegde brandweer om die dienst samen te stellen en goed te laten functioneren. De lijst van het personeel waaruit die dienst bestaat, wordt bij het veiligheidsdossier gevoegd. De interventieploeg houdt minstens één keer per jaar een oefening.


Art. 5.9.13.13.

Op het terrein van de inrichting zijn informatieborden aangebracht die de bezoekers wijzen op de gevaren van de aanwezige dieren, met duidelijke vermelding van de verbodsbepalingen.


Afdeling 5.9.14.
Milieuvoorwaarden voor inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden worden gehouden


Art. 5.9.14.1.

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is deze afdeling van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 9.2 van de indelingslijst.


Art. 5.9.14.2.

In deze afdeling wordt verstaan onder terrarium: een kunstmatige leefomgeving van een in gevangenschap gehouden diersoort die bestaat uit een voldoende afsluiting van de omgeving zodat de dieren niet kunnen ontsnappen.


Art. 5.9.14.3.

De dieren worden gehouden in een terrarium dat is aangepast aan de specifieke behoeften van de diersoort.

 

Het terrarium wordt gebouwd uit slagvaste materialen. Het gebruikte glas is minimaal 6 mm dik. Kieren ter hoogte van schuiframen of ventilatie-openingen worden tot een minimum beperkt en worden vermeden als dat mogelijk is.

 

Het terrarium is voorzien van een informatiebord waar minstens de volgende gegevens op vermeld staan:

de soortnaam van het dier, zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke benaming;
het aantal individuen in het terrarium, uitgezonderd de ongewervelden;
als dat van toepassing is: een waarschuwing dat er agressieve, giftige of gevaarlijke dieren in zitten.

 

De terraria staan opgesteld in een afgesloten ruimte die altijd vrij is van obstakels en andere hindernissen. Die afgesloten ruimte is volledig naad- en kierdicht.


Art. 5.9.14.4.

Bij de inrichtingen, ingedeeld in rubriek 9.2.1, kan de afgesloten ruimte waarin de terraria zijn opgesteld, alleen betreden worden via een afgesloten sas. Dat sas is voorzien van twee deuren waarin een glaspartij is aangebracht. De glaspartij in beide deuren laat toe om eventueel ontsnapte dieren te detecteren in het sas voor de deur wordt geopend. De buitendeur die toegang geeft tot de afgesloten ruimte is voorzien van een informatiebord waar minstens de volgende gegevens op vermeld staan:

de soortnaam van het dier, zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke benaming;
het aantal terraria en het aantal individuen in elk terrarium;
een waarschuwing dat er agressieve, giftige of gevaarlijke dieren in een of meerdere van de terraria zitten;
een lijst met belangrijke telefoonnummers die gebeld kunnen worden in geval van calamiteiten, zoals een ontsnapping of een ongeval.

 

In de afgesloten ruimte van inrichtingen, ingedeeld in rubriek 9.2.1, zijn een brandmelder en brandblusser aanwezig.

 

Voor de inrichtingen die vóór 1 oktober 2019 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in artikel 5.9.14.3 en 5.9.14.4, vanaf 1 oktober 2022.