Hoofdstuk 5.11.
DRUKKERIJEN EN FOTOGRAFISCHE INDUSTRIEËN


Art. 5.11.0.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de rubriek 11 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in § 1 te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen is in een waterwingebied en/of beschermingszone I, II of III.

 

§ 3.

De verbodsbepalingen van § 2 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.


Art. 5.11.0.2.

§ 1.

Het gebruik van polychloorbifenylen- (PCB's) en polychloorterfenylen- (PCT's) houdende pigmenten of andere produkten is verboden.

 

§ 2.

Indien een inrichting vergunningsplichtig is wegens indeling in de rubriek 11 van de indelingslijst moet iedere opslag van gevaarlijke stoffen, voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk 5.17. "Gevaarlijke stoffen" van dit besluit mits onder de aldaar ingedeelde opslaghoeveelheden te vallen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan voor de scheidingsafstanden tussen twee groepen en/of subgroepen met niet-ingedeelde opslaghoeveelheden evenwel een gemotiveerde afwijking verleend worden.


Art. 5.11.0.3.

§ 1.

De machines en installaties waarin gevaarlijke stoffen behandeld worden, met name een fysische of chemische verandering ondergaan, moeten opgesteld worden in een volledig van de opslagruimten door brandvrije muren afgescheiden lokaal. De vloer is uitgevoerd in een materiaal dat ondoorlatend en chemisch inert is voor de stoffen die erop terechtkomen.

 

§ 2.

De globale opvanginrichting van de volledige installatie, de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag, de inkuipingen, de compartimenten voor bulkafvalstoffen, de overlopen of veiligheidsuitlaten van de tanks, alsmede het opslaggebouw voor stoffen en produkten met buitengewone risico's mogen op geen enkele manier in verbinding staan met een openbare riolering, een grondwaterlaag, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewater.

 

§ 3.

De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag moeten regelmatig, en tenminste na elke kalamiteit, geledigd worden. De bekomen afvalstroom moet op een aangepaste manier verwijderd worden.

 

§ 4.

De personen en het personeel tewerkgesteld in de inrichting moeten op de hoogte zijn van de aard en de gevaarsaspecten van de opgeslagen respectievelijk geproduceerde stoffen en produkten alsmede van de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden. Hiertoe dient een schriftelijke instructie verstrekt.


Art. 5.11.0.4.

§ 1.

De machines en installaties dienen ontworpen en in goede staat onderhouden dermate dat lekkages van stoffen en produkten alsmede de emissies van verontreinigende stoffen in de omgevingslucht maximaal worden voorkomen.

 

§ 2.

De nodige maatregelen dienen getroffen om de vorming van elektro-statische ladingen te voorkomen. Inzonderheid dienen daartoe alle metalen delen van de installaties, van de stofopzuiginstallatie en van de opslagtanks alsmede van de laad- en losinrichtingen geaard.

 

§ 3.

Als er producten, gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening, worden gebruikt of geproduceerd:

mag de verwarming van de lokalen enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;
dienen met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat in de lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst;
moeten de vluchtdeuren van de lokalen langs buiten opendraaien en dienen de doorgangen van elke hindernis vrijgehouden;
mag in de lokalen andere dan opslagruimten een maximum hoeveelheid van gebruikte en gefabriceerde produkten worden gestockeerd die overeenstemt met de behoeften, respectievelijk de produktie van één dag; de verpakkingen die in gebruik zijn aan de machines, zoals o.a. een verpakking solvent aan elke drukpers, wordt hierbij niet in aanmerking genomen;
mogen in de lokalen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken;
is het verboden te roken in de lokalen; dit rookverbod dient in goed leesbare letters op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbare materialen te zijn.

 

§ 4.

Het is verboden producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40° C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

[...]


Art. 5.11.0.5.

§ 1.

Dampen, nevels en afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de geloosde afgassen:

parameter

emissiegrenswaarde

1° organische stoffen: voor installaties voor het bedrukken van baan- of plaatvormige materialen met rotatiedrukmachines met inbegrip van de bijbehorende drooginstallaties

[...]

[...]

b)    bij gebruik van oplosmiddelen of harshoudende drukinkten op rotatiedrukpersen (andere dan typo en coldsetoffset-rotatie) met een nominaal verbruik van meer dan 5 kg organische oplosmiddelen per uur, wordt de emissie aan totaal organisch koolstof beperkt tot:

 

-       bij thermische naverbranding :

50,0 mg/Nm³

-       bij katalytische naverbranding :

100,0 mg/Nm³

-       bij solventrecuperatie door condensatie of met een actief-koolfilter :

150,0 mg/Nm³

[...]

[...]

4° de volgende stofvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 25 g/h of meer:

-       lood en zijn verbindingen uitgedrukt in Pb

5,0 mg/Nm³

-       chroom en zijn verbindingen uitgedrukt in Cr

5,0 mg/Nm³

 

§ 2bis.

De emissiegrenswaarden voor organische stoffen, vermeld in § 2, en in de rubrieken 10°, 11° van bijlage 4.4.2, gelden niet voor de activiteiten 1, 2 en 3 van bijlage 5.59.1 als de inrichting voor deze activiteiten voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk 5.59.
[...]
De regeling van lid 1° geldt ook voor inrichtingen waarvoor het oplosmiddelverbruik van de betrokken activiteiten kleiner is dan de drempelwaarde van bijlage 5.59.1. In dat geval zijn de hoogste emissiegrenswaarden van toepassing, voor de betrokken activiteit opgenomen in bijlage 5.59.1.

 

 

§ 2ter.

De emissie aan VOS die op jaarbasis vrijkomt bij de drukactiviteit flexografie op papier en karton, mag vanaf 1 januari 2010 maximaal 30 % van de referentie-emissie bedragen. De referentie-emissie wordt berekend volgens de richtlijnen van bijlage 5.59.2. De exploitant bezorgt de gegevens die nodig zijn om de toetsing aan die grenswaarde te maken, aan de toezichthoudende overheid of de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als die daarom verzoekt.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.