Hoofdstuk 5.16.
Behandelen van gassen


Afdeling 5.16.1.
Gemeenschappelijke bepalingen


Art. 5.16.1.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen vermeld in rubriek 16 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Alleen de volgende houders mogen door middel van een verplaatsbaar recipiėnt of een tankwagen gevuld worden met vloeibaar gemaakte gassen van de groepen 1, 2 of 3 als vermeld in paragraaf 4:

de vaste reservoirs op de in de melding of vergunningsaanvraag aangeduide plaats.
de verplaatsbare recipiėnten in de inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiėnten, ingedeeld in rubriek 16.4 van de indelingslijst.

 

§ 3.

De volgende voorschriften moeten met betrekking tot de opslag van gassen in acht genomen worden :

de gassen mogen niet buiten de daartoe bestemde opslagruimte worden opgeslagen;
de nodige voorzorgsmaatregelen worden getroffen om te vermijden dat gassen met elkaar of met andere stoffen in contact komen waarbij ofwel:
a)

gevaarlijke chemische reacties kunnen plaatsvinden;

b)

gassen met elkaar kunnen reageren onder vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen en dampen;

c) gassen samen ontploffingen of branden kunnen veroorzaken.

 

 

§ 4.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de gevaarlijke gassen in een van de volgende vier groepen gerangschikt waarbij gevarenpictogram GHS02 voorrang heeft op gevarenpictogram GHS06, gevarenpictogrammen GHS02 en GHS06 voorrang hebben op gevarenpictogram GHS03 en gevarenpictogrammen GHS02, GHS06 en GHS03 voorrang hebben op alle andere gevarenpictogrammen:

Groep 1:    gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02;
Groep 2:    gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS06;
Groep 3:    gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS03;
Groep 4:    de andere niet in groep 1 tot en met groep 3 bedoelde gassen.

Art. 5.16.1.2.

§ 1.

In de lokalen of op de plaatsen waar gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening geproduceerd, opgeslagen [...]of behandeld worden, moeten de nodige maatregelen worden getroffen om de vorming van gevaarlijke elektrostatische ladingen te voorkomen

 

§ 2.

De verwarming van de lokalen of van de plaatsen bedoeld in § 1, mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en de werking voldoende waarborgen bieden om brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen. Verwarmingstoestellen zijn zo geplaatst dat zij de wand van opgeslagen gasrecipiėnten niet overmatig kunnen opwarmen.

 

§ 3.

In de lokalen of de op de plaatsen vermeld in § 1 :

is het verboden vuur te maken en gebruik te maken van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken, tenzij voor onderhouds- en constructiedoeleinden op voorwaarde dat de door de exploitant of zijn aangestelde vastgestelde voorzorgsmaatregelen zijn genomen. Als ontvlambare gassen volgens de CLP-verordening effectief aanwezig zijn, wordt het gehalte aan ontvlambaar gas in de werkzone onder de grens van een vijfde van de laagste ontvlambaarheidsgrens gehouden. Dat gehalte wordt tijdens de uitvoering van de werken voortdurend gecontroleerd;
is het verboden te roken; dit rookverbod dient op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangegeven; dit rookverbod dient niet aangegeven als het lokaal of de plaats gelegen is binnen een grotere rookvrije zone; het rookverbod is dan aangegeven bij alle toegangen tot de rookvrije zone;
dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en uitwasemingen van niet-brandbare materialen te zijn;
is het verboden met motorvoertuigen binnen te rijden, tenzij noodzakelijk voorladen en lossen, onderhoud en/of constructie én op voorwaarde dat de door de exploitant of zijn aangestelde vastgestelde voorzorgsmaatregelen zijn genomen;
is de opslag van brandbare stoffen verboden binnen de 5 m van de productie/opslag/behandeling van de [...] gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening;
zijn, behalve wanneer het gaat om samengeperste [...] gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening lichter dan lucht, rioleringsputten of aansluitingen met de rioleringen verboden, tenzij ze uitgerust zijn met een luchtafsnijder waarvan de werking verzekerd is.

 

De aanwezigheid van ontvlambare stoffen, het verbod tot roken en het verbod vuur te maken dienen aangegeven via duidelijk zichtbare, door de bij koninklijk besluit van 17 juni 1997 vastgestelde pictogrammen.

 

§ 4.

Het is verboden gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40 °C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.


Art. 5.16.1.3.

De in dit hoofdstuk opgelegde voorschriften inzake de bouw van drukapparaten, lekdichtheidstest en de veiligheidsvoorzieningen van drukapparaten worden geacht geėerbiedigd te zijn voor de drukapparaten of samenstellen waarvoor een EG-verklaring van overeenstemming voor handen is en die tevens is voorzien van de CE-markering, tenzij een keuringsdienst van gebruikers de EG-verklaring heeft opgesteld.

 

Voor de drukapparaten of samenstellen met een EG-verklaring van overeenstemming dienen de wettelijke bepalingen in verband met de markering en etikettering ook na de inbedrijfstelling geėerbiedigd te blijven.


Art. 5.16.1.4.

§ 1.

De exploitant treft als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen opdat, bij herstellen, lek, ontsnapping via veiligheidsklep e.d., het ontsnappende gas de buurt niet hindert, noch de omgevingslucht, de bodem, het oppervlaktewater of grondwater verontreinigt. Zo nodig dient het ontsnappende gas via leidingen naar een geschikte plaats te worden geėvacueerd.

 

§ 2.

De evacuatieleiding van een veiligheidsklep :

moet zo zijn gedimensioneerd dat de vereiste capaciteit van de veiligheidsklep beschikbaar blijft overeenkomstig de richtlijnen van de fabrikant;
moet uitgevoerd zijn in een materiaal dat weerstand biedt aan de mechanische en chemische inwerkingen waaraan ze is blootgesteld;
mag niet kunnen worden afgesloten indien de veiligheidsklep in dienst is;
moet tegen verstopping en het binnendringen van regenwater beschermd zijn.

 

 

§ 3.

Wanneer gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening van een veiligheidsklep naar de openlucht geėvacueerd worden zijn onderstaande regels op de uitmonding van toepassing :

indien er zich binnen een straal van 5 m van de uitmonding een ventilatie- en/of luchttoevoeropening bevindt van een gebouw of een ruimte waarin zich gas kan ophopen, dan moet de evacuatieleiding uitmonden op een hoogte van ten minste 3 m boven het maaiveld, en ten minste 1 m hoger zijn dan dit gebouw;
de uitmonding gebeurt op een veilige plaats, ten minste 1 m verwijderd van ontstekingsbronnen (waaronder niet-explosieveilig elektrisch materieel);
de uitmonding moet ten minste 1 m zijn verwijderd van het verharde gedeelte van een voor publiek vrij toegankelijk terrein;
de uitmonding moet zich bevinden op een voldoende verluchte plaats waar geen gasophoping kan plaatsvinden.

 

Een andere configuratie, die volgens een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen minstens even veilig is voor de omgeving, gelet op de aard van het gas en de omgeving, is eveneens toegestaan.


Art. 5.16.1.5.

§ 1.

De elektrische installaties, toestellen en verlichtingstoestellen moeten beantwoorden aan de voorschriften van de Codex voor het Welzijn op het Werk en van het AREI (Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties), in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan.

 

§ 2.

De installatie moet beantwoorden aan de voorschriften vermeld in het koninklijk besluit van 26 maart 2003 betreffende het welzijn van de werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen.

 

§ 3.

[...]

 

Bij installaties met gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening moeten de reservoirs, de metalen steunen, de verschillende met flenzen verbonden gedeelten van buisleidingen en alle metalen onderdelen zich voortdurend onder hetzelfde elektrische potentiaal bevinden. Daartoe zijn deze verschillende elementen met elkaar verbonden door een systeem van doelmatige geleiders. Andere systemen die een gelijkwaardige beveiliging bieden, kunnen toegelaten worden door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

§ 4.

De exploitant houdt elk keuringsattest van de elektrische installatie en, indien van toepassing, het zoneringsplan ter inzage van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en van de toezichthouder en dit ten minste tot het attest van het tweede navolgende gelijkaardige onderzoek beschikbaar is.


Art. 5.16.1.6.

§ 1.

Voor de installatieleidingen voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen gelden de volgende voorschriften :

de pijpen en hun koppelingen zijn vervaardigd uit buizen met eigenschappen die verenigbaar zijn met de druk- en temperatuursvoorwaarden en het vervoerde fluļdum; voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan dienen zij van staal te zijn met hoge lasbaarheid conform een norm bedoeld voor gassen onder druk; een ander materiaal dat de vermelde hoedanigheden evenveel waarborgt, mag eveneens worden gebruikt;
voor de vaste leidingen is de maximale werkdruk als volgt te bepalen :
  a) voor de elementen in contact met niet ontspannen gassen (vloeibare fase en/of gasvormige fase), met uitzondering voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan, is de maximaal toelaatbare werkdruk ten minste gelijk aan de maximale werkdruk van het aangesloten reservoir, vermeerderd met de overdruk veroorzaakt door de eventuele compressoren en pompen;
    1) voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan is de maximale werkdruk de in bijlage 5.16.4 aangeduide waarde verhoogd met de grootste overdruk die door eventuele compressoren of pompen kan worden veroorzaakt;
    2) voor de overige gassen is de maximaal toelaatbare werkdruk ten minste gelijk aan de maximale werkdruk van het aangesloten reservoir, vermeerderd met de overdruk veroorzaakt door de eventuele compressoren en pompen;
  b) voor de elementen in contact met het ontspannen gas : de maximumdruk die na die ontspanner kan voorkomen;
eisen van maximaal toelaatbare druk (PS) en vervangtermijn voor buigbare vaste hydraulische slangen, voorzien van hun koppelingen :
  a) ofwel dienen ze zo te zijn ontworpen en vervaardigd dat ze kunnen weerstaan aan een druk van :
    1) 4 maal de maximale werkdruk voor de leidingen waarvan de nominale maat (DN) kleiner is dan 65;
    2) 3 maal de maximale werkdruk voor de leidingen waarvan de nominale maat (DN) gelijk is aan of groter is dan 65;
    dergelijke slangen dienen ten minste vijf jaar na indienstneming vervangen door nieuwe;
  b) ofwel mogen ze zijn ontworpen en vervaardigd voor een kleinere druk als ze sneller vervangen worden, of als ze na een bepaald aantal draaiuren automatisch buiten dienst gesteld worden; deze werkwijze mag alleen toegepast worden als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hieraan zijn goedkeuring geeft en de druk en het vervangsignaal expliciet in het afgeleverde attest vermeldt;
  c) ofwel mag hieromtrent de gebruiksaanwijzing van de fabrikant strikt gevolgd wordt; deze werkwijze mag alleen toegepast worden als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hieraan zijn goedkeuring geeft en hij de gebruiksaanwijzing, de druk en het vervangsignaal expliciet in het afgeleverde attest vermeldt;
  d) ofwel mag tenslotte een code van goede praktijk gevolgd worden; deze werkwijze mag alleen toegepast worden als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hieraan zijn goedkeuring geeft en hij de code van goede praktijk, de druk en het vervangsignaal expliciet in het afgeleverde attest vermeldt.

de slangen voorzien van hun koppelingen en de vaste leidingen, worden, na het monteren, onderworpen aan een proefdruk gelijk aan 1,4 maal de maximale werkdruk met een minimum van 300 kPa; deze proef wordt zo uitgevoerd dat de dichtheid en ook de afwezigheid van vervormingen en van eventuele fouten die de veiligheid zouden kunnen schaden zo nauwkeurig mogelijk nagegaan worden;

 

mits akkoord van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, kunnen de hydrostatische druktesten vervangen worden door proeven met gas onder een druk van 1,2 maal de maximale werkdruk indien de pijpen bij de constructeur hydrostatisch werden getest op een druk van ten minste 1,5 maal de maximale werkdruk; Voor de aftapslangen voorzien van hun koppelingen aangesloten op de vloeibare fase is deze proef ten minste ieder jaar te hernieuwen; ze heeft plaats aan de maximale werkdruk;

de nodige maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat in de leidingen van de vloeibare fase een druk zou kunnen ontstaan die de druk PS van de leiding met meer dan 20 % overtreft;

 

De milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen kan andere maatregelen toestaan om te beletten dat overdrukken een onveilige toestand veroorzaken.

 

 

 

§ 2.

Alle onderdelen van de installatie, zoals afsluitkranen, ontspanners, kleppen, ventielen, slangen, dichtingen, zijn ontworpen en vervaardigd rekening houdend met de eigenschappen van het gebruikte gas.

 

§ 3.

Wat betreft de pijpleidingen en slangen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan bij opslagplaatsen voor deze gassen in vaste ongekoelde houders, worden, voor de elementen in contact met het ontspannen gas, de bovenstaande bepalingen en de bepalingen van artikel 5.16.1.7 echter vervangen door de norm NBN D 51-006 « Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen.

 

§ 4.

De bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 3 gelden voor installaties geplaatst na 1 januari 2009.


Art. 5.16.1.7. [...]

Art. 5.16.1.8.

§ 1.

De onderzoeken, vermeld in dit hoofdstuk voor bepaalde installaties, uit te voeren door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, omvatten, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld in de betrokken afdeling, het volgende:

de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen onderzoekt de EG-verklaring van overeenstemming, de attesten en de gebruiksaanwijzing, die hem worden voorgelegd door de exploitant;
hij gaat na of de installatie voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk, aan de bijzondere vergunningsvoorwaarden, alsmede aan alle andere eisen die de goede en veilige werking van de installatie moeten waarborgen. Hij gaat eveneens na of de goede werking van de installatie niet in het gedrang wordt gebracht door de opstelling ervan, door de voorziene gebruiksomstandigheden of door enig ander zichtbaar gebrek;
behalve bij installaties met samengeperste lucht, onderwerpt de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen de gehele installatie aan een lekdichtheidstest volgens een code van goede praktijk. Bij de ingebruikname van de installatie wordt deze test evenwel niet uitgevoerd op de onderdelen of het geheel waarvoor een EG-verklaring van overeenstemming voorhanden is;

 

Voor een station tot bevoorrading van motorvoertuigen met lpg wordt een lekdichtheidstest uitgevoerd op de ondergrondse leidingen met een periodiciteit van:

  a) vijf jaar voor de ondergrondse leidingen die niet voorzien zijn van een kathodische bescherming;
  b) twintig jaar voor de ondergrondse leidingen die voorzien zijn van een kathodische bescherming;
de installatie wordt volgens een code van goede praktijk gecontroleerd op de staat van bewaring en op de bescherming tegen corrosie.
  a) Onderzoeken bij (her)ingebruikname

Met uitzondering van de vacuümgeļsoleerde reservoirs waarvan de binnenmantel uit roestvrij staal of aluminium bestaat, omvat het onderzoek bij (her)ingebruikname steeds een inwendig onderzoek van de houder.

Het inwendig onderzoek van de houders bij ingebruikname kan worden weggelaten in de volgende omstandigheden:

    1) de houder wordt bij de constructeur onderworpen aan een inwendig onderzoek conform de bepalingen van het Koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur;
    2) de houder wordt onmiddellijk na het inwendig onderzoek gevuld met een inert gas en op een permanente overdruk van ten minste 100 mbar bewaard. Voor lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van maximaal 13.000 liter mag in plaats van een inert gas, propaan gebruikt worden;
    3) de constructeur of zijn aangestelde persoon conform het Koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur maakt een attest op, met de naam van het inert gas en waarin ondubbelzinnig verklaard wordt dat het inwendige van de tank in goede staat is en de vulling met het inert gas op voldoende druk gebeurd is;
    4) de exploitant legt dit attest voor aan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen bij de keuring voor ingebruikname;
    5) bij twijfel over de staat van bewaring en de bescherming tegen corrosie van de nieuwe houder kan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen steeds een nieuw inwendig onderzoek uitvoeren.

 

Het inwendig onderzoek van de houders bij heringebruikname kan worden weggelaten in de volgende omstandigheden:

      1) de houder wordt bij de leverancier onderworpen aan een inwendig onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen;
      2) de houder wordt onmiddellijk na het inwendig onderzoek gevuld met een inert gas en op een permanente overdruk van ten minste 100 mbar bewaard. Voor lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van maximaal 13.000 liter mag in plaats van een inert gas, propaan gebruikt worden;
      3) de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen maakt een attest op, met de naam van het inert gas en waarin ondubbelzinnig verklaard wordt dat het inwendige van de tank in goede staat is en de vulling met het inert gas op voldoende druk gebeurd is;
      4) de exploitant legt dit attest voor aan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen bij de keuring voor heringebruikname;
      5) bij twijfel over de staat van bewaring en de bescherming tegen corrosie van de houder kan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen steeds een nieuw inwendig onderzoek uitvoeren.
  b) Periodieke onderzoeken
    1) Vacuümgeļsoleerde reservoirs

Als aan een of meerdere van de drie onderstaande condities is voldaan, mag het periodiek onderzoek zich beperken tot een uitwendig onderzoek, zo niet wordt het periodiek onderzoek steeds aangevuld met een inwendig onderzoek:

      a. het dauwpunt van het opgeslagen product is lager dan -10 °C,
      b. de binnenmantel bestaat uit roestvrij staal of aluminium
      c. als uit een risicoanalyse van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen blijkt dat, gelet op de eigenschappen van het opgeslagen product, het materiaal van het reservoir, de gebruikshistoriek van het reservoir, de opslagcondities en eventuele andere relevante parameters, geen inwendige corrosie kan optreden.
    2) lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van maximaal 13.000 liter:

Het periodiek onderzoek mag zich beperken tot een uitwendig onderzoek.

    3) lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van meer dan 13.000 liter:

Het periodiek onderzoek bestaat uit een uitwendig onderzoek aangevuld met een inwendig onderzoek. Wat het inwendig onderzoek betreft, wordt de maximumtermijn, vermeld in paragraaf 2, van de periodieke onderzoeken van vijf jaar op twintig jaar gebracht. De termijn voor het uitwendig periodiek onderzoek blijft echter vijf jaar.

    4) Voor houders met samengeperste lucht waarvan het product van de toelaatbare druk (PS) en het volume (V) groter is dan 3000 bar.liter, als de toelaatbare druk (PS) meer dan 4 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar), of waarvan PS groter is dan 3000 bar, is altijd een inwendig onderzoek vereist.
    5) Andere reservoirs voor opslag van gassen, dan deze vermeld in punt 1) tot en met 4):

Het periodiek onderzoek betreft naast een uitwendig onderzoek steeds een inwendig onderzoek, tenzij uit een risicoanalyse van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen blijkt dat, gelet op de eigenschappen van het opgeslagen product, het materiaal van het reservoir, de gebruikshistoriek van het reservoir, de opslagcondities en eventuele andere relevante parameters, geen inwendige corrosie kan optreden.

   

Deze bepalingen gelden zowel voor bovengrondse, ondergrondse als ingeterpte opslaghouders.

 

Wijziging termijnen periodieke onderzoeken:

Bovendien kan, in het algemeen, de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen de periodiciteit van de onderzoeken, vermeld in paragraaf 2, wat betreft de inwendige onderzoeken, in functie van de gedane vaststellingen of ervaring, mits motivatie, wijzigen, evenwel zonder dat de termijn tussen twee opeenvolgende inwendige onderzoeken bij verhoging van de termijn meer dan tien jaar mag bedragen. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan deze termijn van tien jaar verlengd worden tot maximaal twintig jaar.

 

Alternatieve onderzoeksmethoden ter vervanging van het inwendig onderzoek:

Het periodieke inwendige onderzoek mag vervangen worden door een alternatieve onderzoeksmethode die dezelfde waarborgen biedt. Elk deelonderzoek wordt hierbij uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. De voormelde alternatieve onderzoeksmethode en code van goede praktijk worden aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Bij het gebruik van een alternatieve onderzoeksmethode moet de periodieke herhaling korter of gelijk zijn aan de termijn, die door dit besluit of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is opgelegd. Deze termijn wordt vastgelegd op basis van een risicoanalyse uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

De voormelde milieudeskundige stelt een ondertekend attest op van de aanvaarding van de alternatieve onderzoeksmethode en gebruikte code van goede praktijk, alsook de verplichte periodiciteit op basis van de risicoanalyse. De exploitant houdt dit attest ter beschikking van de toezichthouder.

 

Aanvullende onderzoeken op basis van vaststellingen tijdens het periodiek onderzoek:

Als een reservoir sterk gecorrodeerd is, kan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, aanvullende onderzoeken, met inbegrip van een hydrostatische druktest, van het reservoir opleggen.

 

Aanvullende onderzoeken voor ondergrondse houders:

      zonder kathodische bescherming

In verband met het nagaan van de uitwendige invreting van de platen van de gasreservoirs wordt bij de ingegraven reservoirs zonder kathodische bescherming dit onderzoek verricht met behulp van ultrasone stralingen of van elk ander procedé dat de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen als toereikend beschouwt.

      met kathodische bescherming

Bij de ingegraven reservoirs met kathodische bescherming volstaat het de kathodische bescherming jaarlijks door een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie te laten nazien;

de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen controleert de goede werking van de veiligheidsvoorzieningen. Voor het nazicht van de veiligheidskleppen van vacuümgeļsoleerde gasopslagreservoirs wordt de maximumtussentijd van zes jaar vervangen door een maximumtussentijd van drie jaar. De veiligheidskleppen van de andere gasopslagreservoirs worden ten minste om de tien jaar herafgesteld;
alleen als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen het nodig acht, maar nooit bij ingebruikname als voor het desbetreffende onderdeel of als voor het samenstel een EG-verklaring van overeenstemming voorhanden is, wordt een drukweerstandproef uitgevoerd, gewoonlijk een hydrostatische druktest van de drukvaten: de beproevingsdruk is minstens gelijk aan de hoogste van de volgende waarden:
  a) de druk die overeenstemt met de maximale gebruiksbelasting die het apparaat kan weerstaan gelet op de maximaal toelaatbare druk en de maximaal toelaatbare temperatuur, vermenigvuldigd met 1,25;
  b) de maximaal toelaatbare druk, vermenigvuldigd met 1,43;

voor een drukvat zonder EG-verklaring van overeenstemming mag deze factor 1,43 vervangen worden door de factor voorzien in de code van goede praktijk, die gehanteerd werd bij het ontwerp van het drukvat; bij vacuümgeļsoleerde reservoirs wordt de proefdruk echter 1 bar hoger genomen. De hoger bepaalde beproevingsdruk mag op aanvraag van de constructeur verhoogd worden, op voorwaarde dat deze schriftelijk aantoont dat de voorgestelde beproevingdruk geen overdreven spanning in de verschillende delen van het reservoir zal veroorzaken; gedurende de proef mag in het apparaat geen significant lek of een vervorming boven een vastgestelde drempel optreden; de proef mag tot geen enkele blijvende vervorming aanleiding geven; ingeval de hydrostatische druktest schadelijk is of zeer hinderlijk voor de exploitatie, kunnen er alternatieve onderzoeksmethodes worden toegepast om te achterhalen of de sterkte nog voldoende gewaarborgd blijft;

de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen maakt het attest, vermeld in artikel 5.16.1.9, op.

 

§ 2.

De periodieke onderzoeken, vermeld in paragraaf 1, worden, tenzij een andere termijn is bepaald conform paragraaf 1 of in de volgende afdelingen, uitgevoerd ten minste om de vijf jaar, beginnend bij het onderzoek bij ingebruikname, en na elke belangrijke aanpassing of belangrijke herstelling van de installatie. Voor vacuümgeļsoleerde gasopslagreservoirs is de maximumtermijn evenwel zes jaar in plaats van vijf jaar.

 

Als in het voorgaande afgeleverde attest een kleinere maximumtermijn is opgelegd, wordt deze kleinere maximumtermijn geėerbiedigd, eventueel alleen voor de controles, vermeld in het attest.


Art. 5.16.1.9.

§ 1.

Het attest, vermeld in artikel 5.16.1.8, bevat :

de gedetailleerde opgave van de gedane controles en beproevingen, die de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen zelf heeft uitgevoerd alsmede van de hierbij gedane relevante vaststellingen;
in het geval hij beslist heeft een drukweerstandsproef uit te voeren, de motivatie van deze beslissing;
het ondubbelzinnige besluit dat :
  a) de installatie wel of niet voldoet aan de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.16 van titel II van het Vlarem, aan de bijzondere vergunningsvoorwaarden alsmede aan alle andere eisen die de goede en veilige werking van de installatie moeten waarborgen;
  b) de goede werking van de installatie wel of niet in het gedrang wordt gebracht door de opstelling ervan, door de voorziene gebruiksomstandigheden of door enig ander zichtbaar gebrek;
bij een tekort : of de installatie al dan niet in werking mag gesteld werden en zo ja binnen welke termijn deze tekorten moeten verholpen worden en welke voorzorgsmaatregelen de exploitant dient te treffen om ondertussen een aanvaardbaar veiligheidspeil te waarborgen;
bij het ontbreken van een gebruiksaanwijzing, een opsomming van de vereiste veiligheidsvoorzieningen en onderhoudshandelingen;
de termijn waarbinnen de inrichting aan een nieuw onderzoek moet onderworpen worden om in dienst te mogen blijven met in acht name van de maximumtermijnen vastgesteld in dit hoofdstuk.

 

§ 2.

De exploitant houdt elk door dit hoofdstuk voorgeschreven attest van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen ter inzage van de toezichthouders en dit ten minste tot het attest van het tweede navolgende gelijkaardige onderzoek beschikbaar is.

 

§ 3.

Wanneer volgens dit hoofdstuk onderzoeken door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen vereist zijn, mogen de desbetreffende installaties slechts in gebruik genomen of verder worden gebruikt indien uit het attest blijkt dat de goede en veilige werking van de installatie is gewaarborgd of indien, wanneer tekorten werden vastgesteld, de nodige maatregelen worden getroffen om de vastgestelde tekorten binnen de in het attest vastgestelde termijn te verhelpen en de in het attest vastgestelde nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om ondertussen een aanvaardbaar veiligheidspeil te waarborgen.

 

§ 4.

Voor elke herstelling, het aanbrengen van iedere wijziging aan het reservoir en het lassen van bijhorigheden op een gasreservoir, die volgens dit hoofdstuk aan onderzoeken door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen is onderworpen, is de voorafgaande schriftelijke toestemming vereist van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Deze milieudeskundige deelt de veiligheidsmaatregelen, die vereist zijn bij deze handelingen, schriftelijk aan de exploitant mee.

 

§ 5.

Voor de vergunningsplichtige en meldingsplichtige installaties die op 1 januari 2009 vergund respectievelijk gemeld zijn waarvoor volgens de op 1 januari 2008 bestaande regeling in dit hoofdstuk geen attest van een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen vereist was, moet het door dit hoofdstuk voorgeschreven onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen een eerste maal zijn uitgevoerd uiterlijk op 1 januari 2011.

 

Voor bovenvermelde installaties, die bovendien niet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgelegde voorschriften inzake de bouw van drukapparaten, lekdichtheidstesten de veiligheidsvoorzieningen van drukapparaten, worden deze voorschriften vervangen door volgende bepalingen : met het oog op het eerste onderzoek bezorgt de exploitant van de installatie aan de erkende milieudeskundige alle documenten die het mogelijk kunnen maken over de veiligheid van de installatie te oordelen; bij gebrek aan bewijskrachtige documenten gaat de erkende milieudeskundige over tot een grondig onderzoek van de installatie en tot elke andere controle die hij nodig acht.

 

De op 1 januari 2009 lopende attesten van een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen die volgens de op 1 januari 2008 bestaande regeling in dit hoofdstuk vereist waren, blijven geldig tot op de datum die in het attest is vermeld; is er in het attest geen datum vermeld dan blijft het attest van kracht volgens de op 1 januari 2008 bestaande regeling voor de geldigheidsduur van het attest


Afdeling 5.16.2.
Productie of omzetting van gassen


Subafdeling 5.16.2.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.16.2.1.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de rubrieken 16.1, 16.2 en 16.6 van de indelingslijst.

 

Tenzij het met inachtneming van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de productie en het gebruik van de volgende stoffen verboden:

chloorfluorkoolstoffen;
andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen;
halonen;
tetrachloorkoolstof;
1,1,1-trichloorethaan;
broomfluorkoolwaterstoffen;
broomchloormethaan.

Art. 5.16.2.1.2. Dampen, nevels en afgassen, met uitzondering van zuurstofgas, worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid

Subafdeling 5.16.2.2.
Productie van biogas door vergisting


Art. 5.16.2.2.1. Deze subafdeling is van toepassing op de productie van biogas met een of meer vergisters.

Art. 5.16.2.2.2.

De inrichting is ontoegankelijk voor onbevoegden.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, geldt voor de vergister of vergisters, waarbij de totale productiecapaciteit van biogas meer dan 100 Nm³/h bedraagt, het volgende:

de inrichting wordt omheind met een stevige en voldoende hoge (minimaal 2 meter) afsluiting; alle toegangswegen tot de inrichting worden met een poort afgesloten;
de in- en uitrit voor vrachtwagens zijn voldoende breed zodat er geen gevaarlijke verkeerssituaties op het terrein of op de openbare weg ontstaan;
de poorten worden alleen open gehouden onder toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde;
buiten de normale openingsuren worden de poorten op slot gehouden.

Art. 5.16.2.2.3.

§ 1.

De biogasopslag is voorzien van een overdrukbeveiliging (met een overdrukventiel, een waterslot of evenwaardige techniek).

 

§ 2.

Voor de vergister of vergisters, waarbij de totale productiecapaciteit van biogas meer dan 50 Nm³/h bedraagt, wordt de vergister uitgerust met een fakkel of een evenwaardige installatie.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juni 2017.

 

§ 3.

De exploitant controleert op regelmatige basis de werking van de overdrukbeveiliging. Bij een waterslot vult de exploitant wanneer nodig het water bij om doorslag van het waterslot te voorkomen.


Art. 5.16.2.2.4. Elke aanwezige vergister wordt gebouwd volgens de regels van goed vakmanschap onder het toezicht en volgens de richtlijnen van een architect of een burgerlijk ingenieur architect of een burgerlijk bouwkundig ingenieur of een industrieel ingenieur in de bouwkunde of een persoon met een gelijkwaardig diploma. Voor installaties vergund vanaf 1 juli 2014, wordt na afwerking van de bouw, door de voormelde deskundige een attest afgeleverd dat aantoont dat de bouwwerken werden uitgevoerd conform de regels van goed vakmanschap. Dat attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

Art. 5.16.2.2.5.

De exploitant beschikt bij de aanvang van de activiteiten over een werkplan dat, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, omvat:

een overzichtelijke en duidelijke handleiding over de exploitatie en het onderhoud van de inrichting;
de organisatie van de aanvoer en afvoer van onbewerkte of onverwerkte te vergisten stromen;
de organisatie van de bewerking of de verwerking van de aangevoerde te vergisten stromen;
een plan van de opslag- en behandelingsruimte(n) met aanduiding van de soort en de opslagcapaciteit voor de diverse te vergisten stromen;
de maatregelen om ervoor te zorgen dat open bekkens maximaal gevuld worden tot het niveau waarbij er geen gevaar is dat de bekkens overlopen;
de organisatie van de afvoer van de afgewerkte producten;
de bewerkings- of verwerkingswijze van de te vergisten stromen als de inrichting (tijdelijk) buiten gebruik is;
het afwateringsplan, dat het schema, de organisatie en de uitvoering van de maatregelen voor de afwatering van de inrichting of het terrein bevat;
de maatregelen voor het opvangen van storingen of ongewenste neveneffecten en het voorkomen van hinder.

 

In het werkplan wordt melding gemaakt van het volgende:

als het ammoniakgehalte in het gevormde biogas te hoog wordt: de maatregelen die genomen worden om een verstoring van de goede werking te voorkomen;
als de zwavelverbindingen in het gevormde biogas in een te hoog gehalte voorkomen: de maatregelen die worden getroffen om ze verregaand te verwijderen;
de verblijftijd, die voldoende lang is om een maximaal resultaat te behalen ten aanzien van gasproductie, kiemdoding en vermindering van vluchtige vetzuren en geur;
de maatregelen om schuimvorming te voorkomen en de voorzieningen die aanwezig zijn als er zich toch schuimvorming voordoet.

 

Het werkplan draagt de goedkeuring van de toezichthouder. Het goedgekeurde werkplan wordt opgevolgd door de toezichthouder.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen vermeld in dit artikel vanaf 1 juli 2017.


Art. 5.16.2.2.6.

Om geurhinder te voorkomen, worden de volgende maatregelen getroffen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit:

alle geur- of stofveroorzakende processen ter hoogte van de vergistingsinstallatie en de opslag- en behandelingsruimten worden uitgevoerd in een gesloten ruimte die altijd in onderdruk staat (ook bij geopende poorten);
de afgezogen ventilatielucht wordt behandeld met een zure wasser gevolgd door een biobed;
op het waswater van de zure wasser wordt een halfjaarlijkse analyse uitgevoerd , die in overeenstemming is met het monsternameprotocol dat opgenomen is in hoofdstuk 5.2.7 van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis;
zowel voor de zure wasser als voor het biobed wordt een jaarlijkse controle van het onderhoud door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL, uitgevoerd, conform de onderhoudsvoorschriften. Die controle is van toepassing voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 16.1, b), 3°, van de indelingslijst;
zowel voor de zure wasser als voor het biobed wordt een logboek bijgehouden, met daarin minimaal de bevindingen van de wekelijkse controle, de analyseresultaten van het waswater, de meetresultaten van de ammoniakmetingen, eventuele storingen of calamiteiten en de daaruit volgende acties;
in de zure wasser wordt er voorzien in een geautomatiseerd besturingssysteem voor de zuurdosering;
er gebeurt een continue registratie van het aantal draaiuren van de circulatiepomp van het waswater in de zure wasser;
gedurende het eerste jaar na ingebruikname wordt het volledige luchtwassysteem opgevolgd door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Dit is van toepassing voor de inrichtingen vermeld in rubriek 16.1, b), 3°, van de indelingslijst;
de wekelijkse controle van de goede werking van de zure wasser moet minstens omvatten: het noteren van het aantal draaiuren van de circulatiepomp van de luchtwasser, een pH-meting (ter controle van de automatische pH-meting), een nazicht van de verdeling van het waswater over het volledige filterpakket, een nazicht of het filterpakket volledig gevuld is met pakkingsmateriaal.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen vermeld in dit artikel vanaf 1 juli 2017.

 

De verplichtingen vermeld in dit artikel zijn niet van toepassing op slibvergisters horende bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie.


Art. 5.16.2.2.7.

De volgende emissiegrenswaarden voor ammoniak zijn van toepassing op de geloosde afgassen afkomstig van inrichtingen voor de productie van biogas door vergisting:

bij een massastroom van minder dan 150 g/h: 20 mg/Nm³
bij een massastroom van 150 g/h of meer: 10 mg/Nm³.


De concentratie ammoniak wordt halfjaarlijks gemeten.


Afdeling 5.16.3.
Installaties voor het fysisch behandelen van gassen


Art. 5.16.3.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubriek 16.3 van de indelingslijst.


Art. 5.16.3.2. Luchtcompressoren

§ 1.

De bepalingen van dit artikel gelden voor luchtcompressoren, als samenstel of als ter plaatse geassembleerd geheel, die een drukvat omvatten, waarvan het product van de toelaatbare druk (PS) en het volume (V) groter is dan 3.000 bar.liter, voor zover de toelaatbare druk (PS) meer dan 4 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar), of waarvan PS groter is dan 3000 bar.

 

§ 2.

De luchtcompressoren voldoen aan de volgende voorwaarden:

de bouw van het drukvat, de veiligheidsappendages en de onder druk staande appendages horende bij het drukvat beantwoorden aan een door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen aanvaarde code van goede praktijk;
elk drukvat heeft een hydrostatische druktest ondergaan; de test moet zo zijn uitgevoerd en geattesteerd dat de uitgevoerde test als evenwaardig aan de test, vermeld in artikel 5.16.1.8, §1, 6°, kan beschouwd worden;
elk drukvat draagt een plaat waarop de naam van de constructeur, het nummer van het drukvat, het fabricagejaar, de maximaal toelaatbare druk (PS), het volume (V) en de beproevingsdruk voorkomt.

 

§ 3.

De drukvaten zijn voorzien van de hieronder opgesomde veiligheidsvoorzieningen :

een of meer veiligheidskleppen die in werking treden bij een druk lager dan of gelijk aan de PS en die verhinderen dat de druk in het drukvat met meer dan 10 % deze PS kan overschrijden;
een goed zichtbaar geplaatste manometer, waarvan de schaal een goed merkbaar teken draagt, dat de PS aanwijst;
een manostaat die de motor van de compressor stillegt, zodra deze druk bereikt is, tenzij de installatie zo is gebouwd dat de druk in het reservoir niet hoger kan opgevoerd worden dan PS;
een purgeerkraan;
een inspectieopening volgens het minimum aan inspectie-openingen voor cilindrische houders aangegeven in de volgende tabel :

 

inwendige diameter (Di)in mm

lengte van het cilindrisch gedeelte L in mm

aard, schikking en aantal inspectie-openingen

Di≤ 300

 

1 klein kijkgat in iedere bodem. Bij L > 1000 mm is een bijkomend groot kijkgat te voorzien (1).

300< Di≤ 450

L ≤ 1500

2 grote kijkgaten, kort bij of in de bodem of 1 handgat (1) in het centrale 3e gedeelte van de cilindrische sectie.

 

L > 1500

een handgat kort bij iedere bodem of in de bodems. Is de afstand tussen 2 handgaten groter dan 1500 mm is een bijkomend handgat te voorzien (1).

450< Di ≤ 800

L ≤ 1500

2 grote kijkgaten, kort bij of in de bodem of 1 handgat (1) in het centrale 3e gedeelte van de cilindrische sectie.

 

1500 < L ≤ 3000

1 kopgat in het centrale 3e gedeelte van de cilindrische lichaam of een handgat kort bij elke bodem of in elke bodem. Is de afstand tussen 2 handgaten groter dan 1500 mm is een bijkomend handgat te voorzien (1).

 

L > 3000

Het aantal inspectie-openingen zal vermeerderd worden zodat de afstand tussen 2 kopgaten niet groter wordt dan 3000 mm en deze tussen 2 handgaten niet groter dan 2000 mm; Handgaten zullen gelokaliseerd worden in het cilindrisch gedeelte kort bij elke bodem of in elke bodem en in het centrale 3e gedeelte van het cilindrisch lichaam.

800<Di ≤ 1200

L ≤ 2000

1 kopgat in het centrale 3e gedeelte van de cilindrische lichaam of een handgat in het cilindrisch gedeelte kort bij elke bodem of een handgat in elke bodem of 1 mangat.

 

L > 2000

Dezelfde inspectie-openingen als in het geval Di < 800 en L > 3000, ofwel 1 mangat

Di> 1200

-

1 mangat

 

(1) kijkgaten moeten zo opgesteld staan dat zij zicht geven op de langsnaad(naden). Voor de begrippen gehanteerd in voorgaande tabel gelden de volgende definities :

• kijkgat

— klein kijkgat : opening met inwendige diameter ≥ 30 mm en opstaande rand ≤ inwendige diameter;

— groot kijkgat : opening met inwendige diameter ≥ 50 mm en opstaande rand ≤ inwendige diameter

• handgat : opening waardoor een hand en een lamp kan ingebracht worden

afmetingen : minimum 80 x 100 mm (inwendig)

opstaande rand ≤ 65 mm

opstaande rand ≤ 100 mm wanneer conisch.

• kopgat : opening waardoor een hoofd, een arm en een lamp kan ingebracht worden.

afmetingen : minimum 220 x 320 mm of diameter 320 mm (inwendig)

opstaande rand ≤ 65 mm

opstaande rand ≤ 100 mm wanneer conisch.

• mangat : opening waardoor een persoon kan binnendringen.

afmetingen : minimum 320 x 420 mm of diameter 420 mm (inwendig)

opstaande rand ≤ 150 mm

opstaande rand ≤ 100 mm wanneer conisch.

 

§ 4.

Een luchtcompressor moet bij de ingebruikname onderworpen worden aan een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. De luchtcompressoren worden verder overeenkomstig het artikel 5.16.1.8, § 2, onderworpen aan een periodiek onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen zodat een maximale beveiliging voor de buurt wordt verzekerd.

 

Voor de vergunningsplichtige en meldingsplichtige installaties die op 1 januari 2009 vergund respectievelijk gemeld zijn, geldt de overgangsregeling voorzien in artikel 5.16.1.9, § 5.


Art. 5.16.3.3. Koelinstallaties

§ 1.

Het aanwenden van chloorfluorkoolstoffen en halonen in of voorhanden houden ervan ten behoeve van koelinstallaties is verboden. Dit verbod geldt niet voor chloorfluorkoolstoffen aanwezig in hermetisch gesloten koelsystemen met een geļnstalleerde drijfkracht van 500W of minder. 

 

§ 1bis.

De volgende werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie:

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
controles op lekkage van koelinstallaties als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.

 

Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen is het bedrijf waar de koeltechnicus werkt, erkend als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de desbetreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die de werkzaamheden uitvoert aan koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen maar geen ozonlaagafbrekende stoffen bevatten en die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram, op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.

 

§ 2. De bouw en de opstelling van koelinstallaties.

De exploitant houdt een attest ter beschikking van de toezichthouder dat is opgesteld door de constructeur of een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, waaruit blijkt dat:
a) iedere installatie die werkt onder een absolute gasdruk van meer dan 100 kPa met goed gevolg de volgende beproevingen heeft ondergaan:
 
aard van de beproeving beproevingsdruk
op mechanische sterkte van:
- gegoten onderdelen
- andere dan gegoten onderdelen
op het gehele systeem na installatie :
> = 1,5 x p
> = 1,3 x p
> = 1,0 x p

Onder p moet hierbij verstaan worden de maximale werkdruk, namelijk de druk die niet mag worden overschreden, noch in werking, noch bij stilstand van de installatie, rekening houdend met de hoeveelheid niet-condenseerbare gassen, de ontdooimethode, de hoogst mogelijke temperatuur die in het systeem kan optreden zowel bij werking als bij stilstand of mogelijke andere factoren;
b) de constructie van de druktoestellen beantwoordt aan een erkende norm zoals CEN, ASME, CODAP, AD merkblatt BS5500, Kema of elke andere gelijkwaardige norm;
c) de installaties, met inbegrip van de leidingen, koppelingen, en alle andere onderdelen die koelmiddel bevatten zijn gebouwd volgens een erkende code van goede praktijk zoals bijvoorbeeld de EN-378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk;
d) voor de samengestelde delen van de installatie die voorgemonteerd werden bij de fabrikant (monoblocsystemen) wordt een attest opgemaakt door bevoegde deskundigen, in opdracht van de fabrikant, waaruit blijkt dat die delen aan de hierboven vermelde voorwaarden voldoen of dat ze voldoen aan een, in een van de landen van de Europese Gemeenschap, erkende code of norm.
Het in het eerste lid bedoelde attest is niet vereist voor de kleine installaties, namelijk installaties waarvan de nominale koelmiddelinhoud minder bedraagt dan:
a) voor installaties met een koelmiddel dat geen gevarenpictogram GHS02, GHS06 of GHS07 draagt:
1) met een thermostatisch of elektronisch expansieventiel: 10 kg;
1) met een capillair expansiesysteem: 3 kg;
b) voor installaties met een koelmiddel dat in geval van ernstige lekkage in het koelsysteem schade voor de gezondheid (gevarenpictogram GHS07) kan opleveren of dat, vermengd met lucht, brandbaar of explosief met een onderste explosiegrens van 3,5 % (V/V) of hoger is, zoals dichlooretheen, ethylchloride, methylchloride, methyleenchloride en methylformiaat: 2,5 kg;
c) voor installaties met een koelmiddel dat in geval van ernstige lekkage in het koelmiddelsysteem gevaar voor ernstige vergiftiging (gevarenpictogram GHS06) kan opleveren of dat, vermengd met lucht, brandbaar of explosief met een onderste explosiegrens lager dan 3,5 % (V/V) is, zoals butaan, ethaan, etheen, isobutaan, propaan, propeen en zwaveldioxyde: 1 kg.
het attest, vermeld in het eerste lid, is niet vereist voor installaties die beantwoorden aan de voorwaarden, vermeld in de volgende besluiten:
a) het koninklijk besluit van 21 april 2016 betreffende het op de markt brengen van elektrisch materiaal;
b) het koninklijk besluit van 12 augustus 2008 betreffende het op de markt brengen van machines;
c) het koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur of het koninklijk besluit van 11 juli 2016 betreffende het op de markt aanbieden van drukapparatuur;
De handelingen, voorafgaand aan de ingebruikname van een koelinstallatie, moeten gebeuren conform de bepalingen van de norm EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk.

 

 

§ 3. Onderhoud

De bewerkingen die verband houden met koelinstallaties en waarbij de mogelijkheid tot het ontsnappen van koelmiddel bestaat, moeten worden uitgevoerd door bevoegde koeltechnici.
De nodige voorzorgen zijn getroffen opdat bij een herstelling, een lek, een ontsnapping via veiligheidsklep e.d., het ontsnappende koelmiddel de buurt niet kan hinderen, noch het milieu kan bezoedelen. Om de eventuele lekken tot het strikte minimum te beperken worden de koelinstallaties en toebehoren onderhouden volgens de norm EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk en afhankelijk van de gebruikswijze, regelmatig onderzocht door een bevoegd koeltechnicus. Bij vaststellen van lekkage moeten onmiddellijk de nodige herstellingen worden uitgevoerd om die lekkage te verhelpen en moet een nieuwe controle op lekdichtheid worden uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken worden ingeschreven in een register dat ter inzage is van de toezichthouder.
In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen modaliteiten en de frequentie van die onderzoeken nader worden bepaald.
Dit punt voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen. De toegankelijke delen van een airconditioningsysteem of een gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 12 kW worden iedere vijf jaar gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), van het VLAREL. Een nieuw airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 12 kW wordt binnen twaalf maanden na de inbedrijfstelling een eerste keer gekeurd. De keuring omvat een beoordeling van het rendement en de dimensionering van het airconditioningsysteem vergeleken
met de koelingsbehoeften van het gebouw en, in voorkomend geval, rekening houdend met het vermogen van het airconditioningsysteem om zijn prestaties onder gemiddelde werkingsomstandigheden te optimaliseren. De elementen waaruit de keuring bestaat zijn opgenomen in bijlage 5.16.8. De Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, kan bijlage 5.16.8 aanvullen of wijzigen. Het keuringsverslag bevat minstens het resultaat van de keuring, en ook aanbevelingen voor een kostenefficiėnte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem. De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthouder. De keuring is niet verplicht voor:
  a) airconditioningsystemen die onder een overeengekomen energieprestatiecriterium of een contractuele regeling vallen waarin een niveau van energie-efficiėntieverbetering is vermeld;
  b) airconditioningsystemen die worden beheerd door een nutsbedrijf- of netwerkexploitant en daarom aan prestatiemonitoringsmaatregelen aan de systeemzijde zijn onderworpen;
  c) niet-residentiėle gebouwen met een of meer airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen die voorzien zijn van gebouwautomatiserings- en controlesystemen als vermeld in artikel 11.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

 

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 4°, a) en b), moet de aanpak hetzelfde globale resultaat opleveren als de keuring. De airconditioningsystemen moeten worden onderworpen aan een regelmatige beoordeling. De Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, kan de nadere regels vaststellen om na te gaan of aan deze voorwaarde is voldaan.

 

§ 4. Terugwinning van koelmiddelen

Bij definitieve buitenbedrijfstelling moet het koelmiddel binnen de maand worden verwijderd. Bij buitenbedrijfstelling of bij herstellingen waarbij het koelmiddel moet worden afgetapt, moet het koelmiddel met doelmatige apparatuur door bevoegde koeltechnici worden opgevangen in speciaal daarvoor bestemde en gemarkeerde recipiėnten.

 

[...]

 

§ 5.

De bepalingen van de hiernavolgende paragrafen van dit artikel zijn van toepassing op koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonlaagafbrekende stoffen en op koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer. De bepalingen van de hiernavolgende paragrafen van dit artikel zijn niet van toepassing op hermetisch afgesloten koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg mits dergelijke installaties als hermetisch afgesloten zijn geėtiketteerd.

 

§ 6. Relatief lekverlies

Alle maatregelen die overeenkomstig de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, worden genomen om het relatief lekverlies zoveel mogelijk en in elk geval tot maximaal 5% per kalenderjaar te beperken. Het relatief lekverlies wordt na elke bijvulling van een koelinstallatie berekend en genoteerd in het installatiegebonden logboek.

 

Bij vaststelling van lekkage worden zo snel mogelijk en uiterlijk binnen de veertien dagen na de vaststelling de nodige maatregelen genomen die overeenkomstig de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, om het lek op te sporen en te dichten. Nieuw koelmiddel mag pas bijgevuld worden nadat het defect verholpen is en een bevoegde koeltechnicus een controle op lekdichtheid heeft uitgevoerd. Een nieuwe controle op lekdichtheid wordt uitgevoerd binnen een maand na de herstelling maar niet op de dag van de herstelling zelf.

 

Als het relatief lekverlies gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren telkens meer dan 10% bedraagt, wordt de installatie binnen twaalf maanden na de vaststelling buiten bedrijf gesteld en wordt dat binnen de veertien dagen na de vaststelling schriftelijk per brief of per e-mail gemeld aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving. Op basis van een gemotiveerde aanvraag kan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, een afwijking op de buitenbedrijfstelling van de koelinstallatie goedkeuren. Die aanvraag bevat minstens een rapport van een bevoegde koeltechnicus waaruit blijkt dat de lekkage niet te wijten is aan de ouderdom of aan een verkeerde werking van de installatie. In het voormelde rapport worden de maatregelen beschreven die genomen werden om de lekken op te sporen en te dichten. Als om redenen van technische complexiteit die vervanging binnen twaalf maanden niet mogelijk is, wordt de termijn voor vervanging zo kort mogelijk gehouden. De eventuele verlenging van de termijn moet goedgekeurd worden door de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

 

Als aan koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van meer dan 30 kg het relatief lekverlies meer dan 100% bedraagt, wordt dat binnen de veertien dagen na de vaststelling schriftelijk per brief of per e-mail gemeld aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

 

§ 7. Periodieke lekdichtheidscontrole

De periodieke lekdichtheidscontrole moet voldoen aan de volgende vereisten :

als bij de controles, vermeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat, het vermoeden van lekkage bestaat, moet de controle uitgevoerd worden met lekdetectieapparatuur die geschikt is voor het betreffende koelmiddel en met een detectiegrens van ten minste 5 g per jaar, onder een lichte overdruk ten opzichte van de normale bedrijfsdruk;
zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd.

 

§ 8. Documentatie

De exploitant moet bij een koelinstallatie op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart beschikbaar hebben. Die instructiekaart moet ten minste vermelden:
a) indien van toepassing, de naam, het adres en het telefoonnummer van de installateur en van de onderhoudsdienst;
b) het type koelmiddel dat wordt gebruikt;
c) de maximaal toelaatbare werkdrukken (hoge- en lagedrukzijde);
d) instructies over de wijze waarop een koelsysteem in of buiten bedrijf kan worden gesteld;
e) instructies over de wijze waarop het koelsysteem in geval van nood buiten werking kan worden gesteld.
De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden:
a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud; Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel- en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht;
c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen;
d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling;
e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming;
f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles;
g) significante periodes van buitenbedrijfstelling;
h) indien de installatie buiten dienst is gesteld: de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen;
i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het erkenningsnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het erkenningsnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;
j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.
Om controle over de toegevoegde en afgetapte koelmiddelen mogelijk te maken, moet de exploitant de volgende documenten ter beschikking van de toezichthouder houden:
a) de facturen met betrekking tot de aangekochte hoeveelheden koelmiddelen;
b) het in sub 2° bedoelde logboek.

Art. 5.16.3.4. Installaties voor het fysisch behandelen van gassen andere dan luchtcompressoren en koelinstallaties

§ 1.

De bepalingen van dit artikel gelden voor de volgende installaties voor zover de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur meer dan 0,5 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar) :

installaties met drukvaten, boven de volgende grenzen :
  a) bij drukvaten voor gassen van groep 2 of groep 4, wanneer de maximaal toelaatbare druk PS groter is dan 1000 bar of wanneer het product van PS en V groter is dan 1000 bar.l;
b) bij drukvaten voor andere gassen wanneer PS groter is dan 200 bar of wanneer het product van PS en V groter is dan 200 bar.l;
installaties met installatieleidingen, boven de volgende grenzen :
  a) voor gassen van groep 2 of groep 4, wanneer de nominale maat DN groter is dan 250 en tezelfdertijd het product van PS en DN groter is dan 5.000 bar;
  b) voor andere gassen wanneer DN groter is dan 100 en tezelfdertijd het product van PS en DN groter is dan 3.500 bar of wanneer DN groter is dan 350;

 

§ 2.

De installaties dienen te voldoen aan de volgende voorwaarden :

de bouw van de drukapparaten beantwoordt aan een door de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen aanvaarde code van goede praktijk;
ofwel is de controle op de bouw toevertrouwd aan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Ofwel wordt de controle op de bouw geattesteerd door een aangemelde instantie.
elk drukvat draagt een plaat waarop de naam van de constructeur, het nummer van het drukvat, het fabricagejaar, de maximaal toelaatbare druk (PS), het volume (V) en de beproevingsdruk voorkomt.

 

§ 3.

De volgende veiligheidsvoorzieningen moeten worden voorzien :

1°  wanneer de toelaatbare grenzen van een drukapparaat onder redelijkerwijs te voorziene omstandigheden kunnen worden overschreden, moet het drukapparaat zijn uitgerust met passende veiligheidstoestellen, tenzij de beveiliging wordt gegarandeerd door andere in de installatie ingebouwde veiligheidsvoorzieningen. De beveiligingsvoorzieningen en de combinaties daarvan omvatten :
  a) de veiligheidsappendages;
  b) naar gelang het geval passende controlevoorzieningen, zoals aanwijsinstrumenten en/of alarmeringsapparatuur, waarmee automatisch of manueel toereikende maatregelen kunnen worden genomen om de drukapparaten binnen de toelaatbare grenzen te houden;
zo nodig zijn de drukapparaten voorzien van toereikende aftap- en ontluchtingsmiddelen teneinde :
  a) schadelijke effecten, zoals waterslag, inzakken ten gevolge van het vacuüm, corrosie en onbeheerste chemische reacties te voorkomen; alle fasen van het gebruik en de beproeving, met name de drukbeproeving, dienen in aanmerking te worden genomen;
  b) reiniging, inspectie en onderhoud onder volledig veilige omstandigheden mogelijk te maken;
Indien dit ter verzekering van de voortdurende veiligheid van de drukapparaten noodzakelijk is, moeten er inspectieopeningen volgens artikel 5.16.3.2, § 3, 5°, aanwezig zijn. Andere middelen om te mogen stellen dat de drukapparaten zich in veilige staat bevinden mogen worden toegepast :
  a) wanneer het apparaat te klein is om fysieke toegang tot het inwendige gedeelte te verlenen;
  b) of wanneer het openen van het drukapparaat nadelige gevolgen zou hebben voor het inwendige gedeelte;
  c) of wanneer is aangetoond dat de stof die in het apparaat aanwezig is, niet schadelijk is voor het materiaal waaruit het apparaat is vervaardigd en een ander proces van inwendige degradatie redelijkerwijs niet verwacht mag worden.

 

 

§ 4

Een installatie moet bij de ingebruikname onderworpen worden aan een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. De installatie wordt verder overeenkomstig het artikel 5.16.1.8, § 2, onderworpen aan een periodiek onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen zodat een maximale beveiliging voor de buurt wordt verzekerd.

 

Voor de vergunningsplichtige en meldingsplichtige installaties die op 1 januari 2009 vergund respectievelijk gemeld zijn, geldt de overgangsregeling voorzien in artikel 5.16.1.9, § 5.


Afdeling 5.16.4.
Niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiėnten en bevoorrading van motorvoertuigen met lpg


Subafdeling 5.16.4.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.16.4.1.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 16.4 van de indelingslijst.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op het laden en lossen van tankwagens, tankwagons en laadketels.


Art. 5.16.4.1.2.

Artikel 5.16.4.1.3 is niet van toepassing op inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen.


Art. 5.16.4.1.3. Sproeiinstallatie

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt een vaste installatie voor het besproeien met water aangebracht:

boven en bij de bovengrondse opslagtanks van vulcentra voor verplaatsbare recipiėnten die gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GSH02 volgens de CLP-verordening bevatten;

boven de oppervlakte waar de toestellen en installaties voor de vulling van verplaatsbare recipiėnten die gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GSH02 volgens de CLP-verordening bevatten, zich bevinden alsmede de zone binnen een straal van 1,5 m rond voormelde toestellen en installaties. [...]

Elk systeem dat evenwaardige veiligheidswaarborgen biedt, is eveneens aanvaardbaar.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde sproeiinstallatie heeft tenminste de volgende eigenschappen:

de capaciteit is zodanig dat, in geval van brand in de nabijheid van het vulcentrum, de temperatuur van de opgeslagen vloeibaar gemaakte gassen niet boven 50°C kan stijgen. Het minimumdebiet bedraagt 10 liter/min/m², waarbij m² als volgt wordt bepaald:
a) voor cilindrische opslagtanks: lengte x diameter;
b) voor bolvormige opslagtanks: 1/4 xπx diameter x diameter;
c) voor de andere inrichtingen: de oppervlakte en zone, vermeld in paragraaf 1, 2°; 
er is een voldoende hoeveelheid water opgeslagen om de volledige sproeiinstallatie ten minste gedurende 1 uur in werking te kunnen houden, tenzij een aansluiting op een openbaar waterdistributienet dezelfde waarborgen biedt; indien een vergunning voorhanden is voor waterafname uit een openbare waterloop met een voldoende debiet is er ook aan deze voorwaarde voldaan;
de sproeiinstallatie moet bediend kunnen worden vanaf tenminste twee oordeelkundig gekozen plaatsen die in alle omstandigheden gemakkelijk kunnen bereikt worden en voldoende verwijderd zijn van de te beveiligen installaties;
de sproeiinstallatie start automatisch bij het ontstaan van brand aan de te beveiligen installaties; het branddetectiesysteem wordt daartoe volgens een code van goede praktijk opgesteld;
indien de sproeiinstallatie niet gevoed wordt door het openbaar waterdistributienet, is deze zodanig uitgerust dat bij het uitvallen van de normaal voorziene voedings- of bevoorradingsmiddelen de werking automatisch en volledig overgenomen wordt met handhaving van de sub 1° voorgeschreven minimumcapaciteit door een enkel hiervoor dienstige:
a) ofwel een noodgroep;
b) ofwel een aansluiting op het openbaar laagspanningsnet, wanneer de stroomvoorziening van de inrichting gebeurt via een eigen statische transformator die aangesloten is op het hoogspanningsnet en die in de inrichting is opgesteld;
de sproeiinstallatie met haar toebehoren wordt goed onderhouden, zij is steeds bedrijfsklaar en is op afdoende wijze beschermd tegen corrosie, verstopping of vorstschade.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, 1°, vanaf 1 januari 2015;

 

§ 3.

Controle en periodiek onderzoek

De in § 1 bedoelde sproeiinstallatie met haar toebehoren wordt tenminste om de maand op de goede werking getest door de exploitant of een door hem aangestelde deskundige. De testresultaten worden genoteerd in een notitieboek dat ter beschikking wordt gehouden van de toezichthouder alsmede van de erkende milieudeskundige belast met de in sub 2° vermelde controles.
De goede werking van de sproeiinstallatie met haar toebehoren wordt vóór de ingebruikname en vervolgens tenminste jaarlijks gecontroleerd door een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk.
De erkende milieudeskundige stelt met betrekking tot elke uitgevoerde controle een verslag op waarin hij tenminste vermeldt:
a) de gedetailleerde opgave van de gedane nazichten, onderzoeken en beproevingen, welke hijzelf uitgevoerd heeft alsmede van de hierbij gedane vaststellingen;
b) het ondubbelzinnige besluit dat de sproei-installatie al of niet:
- voldoet aan onderhavige voorschriften alsmede aan alle andere eisen die de goede en veilige werking van de sproei-installatie moeten waarborgen;
- een conceptiefout of enig ander zichtbaar gebrek vertoont dat de goede werking van de sproei-installatie zou kunnen schaden.
Het voormelde controleverslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.
Het vulcentrum mag slechts worden in gebruik genomen, respectievelijk verder worden geėxploiteerd, indien:
a) uit de sub 1° en sub 2° bedoelde onderzoeks- en controleresultaten blijkt dat de goede en veilige werking van de sproei-installatie is gewaarborgd;
b) de nodige maatregelen zijn getroffen om de vastgestelde tekorten binnen de in het controleverslag gestelde termijn te verhelpen en mits de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om ondertussen dezelfde veiligheidseisen verder te waarborgen.

Subafdeling 5.16.4.2.
Verplaatsbare recipiėnten


Art. 5.16.4.2.1. Het is verboden verplaatsbare recipinten gevuld of bestemd om gevuld te worden met samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen:
boven de toegelaten lading te vullen;
te vullen die niet beantwoorden aan de op deze recipiėnten toepasselijke produktvoorschriften.

Art. 5.16.4.2.2.

Met behoud van de toepassing van subafdeling 5.17.3.2 worden de acetyleengasflessen in de periode onmiddellijk volgend op het vullen, geplaatst onder een luifel of afdak teneinde ze te vrijwaren van de inwerking van zonnestralen.


Subafdeling 5.16.4.3.
Vulcentra voor verplaatsbare recipiėnten die vloeibaar gemaakte petroleumgassen bevatten


Art. 5.16.4.3.1. Vulpost

§ 1.

Voor de toepassing van de hierna volgende voorwaarden wordt aangenomen dat de vulpost begrensd is door de ruimte, bepaald door het geheel der punten die op minder dan 3 m van het uiteinde van de buisleidingen of de vulslangen, in al hun mogelijke standen, gelegen zijn.

 

§ 2.

Het gedeelte van de in § 1 bepaalde ruimte, dat van de rest van deze ruimte, welke de vulinstallaties omvat, gescheiden is door een volle muur van 2,50 m hoogte, maakt geen deel uit van de vulpost.

 

§ 3.

Indien de vulinstallatie is ondergebracht onder een afdak, al of niet met een muur aan een enkele zijde, dan wordt deze vulinstallatie beschouwd als een vulpost in open lucht.

 

§ 4.

De plaatsen voor het ontgassen van de recipiėnten en andere bijzondere werken waardoor gassen kunnen vrijkomen, vergroot met een veiligheidszone van 3 m breedte, zijn aan dezelfde voorwaarden onderworpen als deze betreffende de vulposten.

 

In geval deze werken in een lokaal worden uitgevoerd dan is het geheel van het lokaal aan dezelfde voorwaarden onderworpen als de vulposten.

 

§ 5.

De plaatsen waar de pompen, compressoren, verschillende toestellen en onderdelen zijn opgesteld, zijn aan dezelfde voorwaarden onderworpen als deze betreffende de vulposten. In geval deze elementen in een lokaal zijn ingericht, dan is het geheel van het lokaal aan dezelfde voorwaarden onderworpen als de vulposten.

 

Indien deze elementen in open lucht zijn opgesteld, dan zijn deze voorschriften van toepassing in de ruimte begrensd door het geheel van punten gelegen op 1,50 m van deze elementen en van ieder punt waar een ontsnapping van gas te vrezen is.

 

§ 6.

Boven de vulpost bestaat er geen enkele verdieping. Het dak van het vullokaal bestaat uit lichte materialen.

 

§ 7.

Indien de vulpost in een lokaal is ingericht dan dient dit lokaal doelmatig verlucht. In geval van natuurlijke verluchting zijn tegen de grond, in de open lucht uitmondende openingen aangebracht.

In geval van gedwongen verluchting mogen de vuloperaties slechts uitgevoerd worden wanneer het mechanisch verluchtingssysteem in werking is.

 

§ 8.

De vulpost mag voor geen ander doel gebruikt worden. Alleen de voor de goede werking van de installatie onontbeerlijke verrichtingen zijn er toegelaten.

 

§ 9.

Het permanent opslaan van verplaatsbare recipinten in de vulpost is verboden.


Art. 5.16.4.3.2. Afstandsregels

§ 1.

De ligging en de inrichting van de vulpost en van de vulinstallatie beletten dat het gas, zelfs plaatselijk, blijft hangen.

 

§ 2.

Tussen de vulpost enerzijds en de openbare weg en de naburige eigendommen anderzijds, dient een afstand,gemeten in horizontale projectie, te bestaan van tenminste 5 m. Deze afstand mag tot 3 m worden beperkt wanneer tussen de vulpost en de openbare weg, respectievelijk de naburige eigendom, een volle, gasdichte en onbrandbare muur van tenminste 2,5 m hoogte is geplaatst, derwijze dat de afstand tussen voornoemde elementen, in horizontale projectie omheen deze muur gemeten, tenminste 5 m bedraagt.

 

§ 3.

De vulpost dient daarenboven te zijn gelegen op minimum 3 m van alle plaatsen die niet onderworpen zijn aan het open vuurverbod.


Art. 5.16.4.3.3. Omheining

§ 1.

De vulposten en andere ruimten bedoeld in artikel 5.16.4.3.1., dienen omringd door een stevige en onbrandbare omheining van ten minste 2,50 m hoogte. In de zone binnen deze omheining is het verboden te roken en met gloeiende voorwerpen binnen te dringen, vuur te maken, er hout, schaafkrullen en andere gemakkelijk brandbare stoffen gedroogd gras inbegrepen te laten liggen.

 

§ 2.

Aan al de toegangen tot de in § 1 bedoelde zone zijn op zichtbare wijze berichten aangeplakt betreffende het verbod te roken of vuur te maken en het verbod er binnen te treden zonder dienstredenen. Voormelde toegangen zijn voorzien van deuren die buiten de exploitatie-uren op slot zijn.

 

§ 3.

Alle gebouwen binnen de in § 1 bedoelde zone zijn opgetrokken in onbrandbare materialen of ten minste in materialen die het vuur niet verspreiden.

 

§ 4.

De houders, de metalen steunen, de verschillende gedeelten van buisleidingen en al de metalen onderdelen bevinden zich voortdurend onder hetzelfde elektrisch potentiaal. Te dien einde zijn deze verschillende elementen met elkaar verbonden door een systeem van doelmatige geleiders.

 

§ 5.

In de in § 1 bedoelde omheinde zone mogen slechts de voertuigen nodig voor de bevoorrading, voor het laden en het lossen van de verplaatsbare recipiėnten of voor de onontbeerlijke werken, binnendringen.


Art. 5.16.4.3.4. Vullingsvloer

§ 1.

De bodem van de vulpost bestaat uit een onbrandbaar en voor de vulstof inert materiaal en is zo aangelegd dat de stabiliteit van de recipiėnten er verzekerd is.

 

§ 2.

De vullingsvloer mag enkel de toestellen die voor de vul- en/of overtappingsoperaties en aanverwante operaties strikt noodzakelijk zijn bevatten. Slechts de voedingsrecipinten, die voor de vul- of overtappingsoperaties noodzakelijk zijn, mogen er verblijven. Wanneer het een installatie betreft voor de vulling van recipiėnten met een waterinhoudsvermogen kleiner dan, of gelijk aan 1 liter mag het totaal volume van deze recipiėnten in geen geval 500 l overschrijden.

 

§ 3.

De vullingsvloer dient geheel horizontaal te zijn en mag geen verbindingen met een lager gelegen lokaal hebben. De openingen van de mangaten en van de rioleringsputten zijn voorzien van goed passende volle deksels. Iedere rioolopening en iedere verbinding van de riolering van het vulcentrum met de riolering erbuiten zijn voorzien van doeltreffende luchtafsnijders.

 

§ 4.

De vullingsvloer dient in voortdurende staat van reinheid gehouden en dient volkomen ontdaan van overblijfsels van lompen, papier, hout, droog gras of andere brandbare elementen.


Art. 5.16.4.3.5. Installaties

§ 1.

De vulinstallatie met bijhorende veiligheidstoestellen, leidingen en dichtingen, is gebouwd volgens een code van goede praktijk en moet kunnen weerstaan aan de mechanische, thermische of chemische invloeden die zij bij het gebruik kunnen ondergaan, derwijze dat het gevaar voor gasemissies, brand en ontploffingen tot een strikt minimum wordt beperkt.

 

Inzonderheid dienen:

alle elementen van de vaste buisleidingen die in aanraking komen of kunnen komen met de vloeibare en/of de niet ontspannen gasvormige fase, derwijze zijn opgevat en verwezenlijkt dat ze kunnen weerstaan aan een druk die ten minste gelijk is aan de dienstdruk van de houder, vermeerderd met de overdruk veroorzaakt door de eventuele compressoren en pompen;
de sub 1° bedoelde buisleidingen en hun verbindingsstukken van staal te zijn met hoge lasbaarheid conform een norm bedoeld voor gassen onder druk; andere materialen mogen eveneens worden gebruikt op voorwaarde dat deze een evenwaardige hoedanigheid waarborgen;
de buigbare slangen voorzien van hun verbindingsstukken derwijze te zijn opgevat en verwezenlijkt dat ze kunnen weerstaan aan een druk gaande tot:
a) 4 maal de maximumdienstdruk voor de buisleidingen waarvan de nominale diameter kleiner is dan 65 mm;
b) 3 maal de maximumdienstdruk voor de buisleidingen waarvan de nominale diameter gelijk is aan of groter is dan 65 mm;
de ingegraven buisleidingen zijn beschermd door een bekleding gevormd door ten minste twee lagen henneplinnen doordrenkt met asfalt en een laag warm aangebrachte asfalt of door gelijk welk andere bekleding die gelijkwaardige hoedanigheden bezit wat betreft de bescherming tegen corrosie.

 

§ 2.

Alle nodige maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat in de leidingen van de vloeibare fase drukkingen, die meer dan 20 % de maximumdienstdruk van de leidingen overtreffen, zouden kunnen ontstaan.

 

§ 3.

Al de buizen, kruis- of andere verbindingen dienen vervaardigd in voldoende taai en voor de vulstof inerte materialen.

 

§ 4.

Het vast buizenstel dient gemakkelijk bereikbaar te zijn. Het dient derwijze geplaatst of beschermd dat het beschut is tegen elke toevallige schok.

 

§ 5.

Onverminderd het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties [...] moet het aantal elektrische apparaten in de zone op minder dan 1,5 m van een vulinstallatie voor gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening beperkt zijn tot het strikte minimum. De in deze zone geplaatste elektrische apparaten en installaties:

mogen geen vonken kunnen verwekken;
moeten een beschermingsgraad hebben van tenminste I.P. 44 volgens de norm NBN-C20-001; dit voorschrift is echter niet van toepassing op het materieel voor ontploffingsgevaarlijke ruimten;
moeten met laagspanning gevoed worden;
moeten door middel van een algemene alpolige schakelaar, die steeds bereikbaar is en buiten de bedoelde zone is geplaatst, volledig van de tankzuil kunnen afgezonderd worden;

 

§ 6.

Stroomaansluitingen en looplampen  mogen noch geplaatst, noch gebruikt worden op de vulplaats.

 

§ 7.

Alle metalen delen van de installatie alsook de massa's van het elektrisch materieel ander dan van klasse II, zijn geaard volgens de voorwaarden voorzien in het A.R.E.I..

 

§ 8.

Een vulplaats is uitgerust met een aantal oordeelkundig opgestelde gasdetectoren.

 

Bij ballonvaarttanks, die gevuld worden op volume, zonder gasterugvoer, is het niet verplicht om de vulplaats met gasdetectoren uit te rusten.

 

§ 9.

De vulinstallatie is zo opgevat dat het vullen automatisch stopt als een vooraf ingesteld gewicht overschreden wordt.

 

Het is ook toegelaten om ballonvaarttanks te vullen op volume zonder gasterugvoer als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

de ballonvaarttanks worden minstens jaarlijks geļnspecteerd door een door het Directoraat-generaal Luchtvaart erkende werkplaats van het type M, support F, volgens het European Aviation Safety Agency;
de ballonvaarttanks worden gevuld op volume in openlucht;
de ballonvaarttanks worden niet in de ballonmand gevuld;
de ballonvaarttanks worden gevuld volgens de richtlijnen van het vluchthandboek van de ballon waar de ballonvaarttank bij hoort;
de ballonvaarttanks worden niet gevuld op volume bij ongunstige weersomstandigheden zoals mist, waarbij er een verhoogde kans op lokale ophoping van gas is;
in het vulstation is er een inrichting, zoals een overmaatse lege fles, aanwezig waarmee de ballonvaarttanks kunnen worden leeggemaakt, zonder dat daarbij gas in de atmosfeer wordt afgeblazen;
de exploitant bezorgt beschadigde flessen aan een door het Directoraat-generaal Luchtvaart erkende werkplaats van het type M, support F, volgens het European Aviation Safety Agency;
de ballonvaarttanks kunnen alleen gevuld worden op volume met een dodemansknop;
er is een noodstopsysteem aanwezig dat vanaf minstens twee plaatsen op het terrein in werking kan worden gebracht. De plaatsen met een noodknop zijn goed bereikbaar, duidelijk aangeduid en bevinden zich aan de vluchtroutes;
10° als een noodknop in werking wordt gesteld, sluit automatisch de gestuurde afsluiter, die vanop afstand gestuurd wordt als vermeld in paragraaf 11.

 

§ 10.

Een installatie die de lekdichtheid van elke fles controleert overeenkomstig de voorschriften voorzien in artikel 5.16.4.3.7., § 8, moet aanwezig zijn.

 

§ 11.

Minstens de vloeistofafname van de opslagtanks dient voorzien te zijn van op afstand gestuurde afsluiters.


Art. 5.16.4.3.6. Controles

§ 1.

De installatie met inbegrip van de bijhorende veiligheidstoestellen, leidingen en dichtingen, moet, vóór ze in dienst wordt gesteld, worden gecontroleerd door een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Inzonderheid dient na montage, het hele buizenstel een drukproef te ondergaan op een drukking van tenminste 1,5 x de dienstdruk.

 

Voor bestaande installaties dient de in het eerste lid bedoelde controle te worden uitgevoerd uiterlijk binnen een termijn van 12 kalendermaanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

 

§ 2.

De installatie met inbegrip van de bijhorende veiligheidstoestellen, leidingen en dichtingen, dient volgens een code van goede praktijk periodiek en tenminste jaarlijks gecontroleerd op gasdichtheid bij normale dienstdruk en op de bescherming tegen corrosie van bovengrondse leidingen door een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

§ 3.

De erkende milieudeskundige maakt met betrekking tot de in de §§ 1 en 2 bedoelde controles verslagen op die ter inzage worden gehouden van de toezichthouder. De inrichting mag slechts worden in gebruik genomen, respectievelijk verder worden geėxploiteerd, indien uit deze controleverslagen blijkt dat de voorschriften van dit reglement zijn nageleefd en de goede en veilige werking van de installatie is gewaarborgd.


Art. 5.16.4.3.7. Vuloperaties

§ 1.

Iedere toegang tot de in artikel 5.16.4.3.3. bedoelde omheinde zone, iedere beweging, ieder laden en lossen van voertuigen gebeurt onder toelating of onder het toezicht van de exploitant of een bevoegde persoon daartoe schriftelijk aangewezen door de exploitant. Deze bevoegde persoon is volledig op de hoogte van de maatregelen die in geval van brand of ander incident moeten getroffen worden en is tijdens alle vul-, laad- en losoperaties voortdurend aanwezig, om alle verrichtingen in de inrichting te leiden.

 

§ 2.

De recipiėnten welke een dichtheidsdefect, een vervorming of welke beschadiging ook vertonen die een risico inhouden mogen niet worden gevuld.

 

§ 3.

Het vullen of het ledigen van de reservoirs dient te gebeuren op een gepaste wijze en met geschikt gereedschap.

 

§ 4.

Schikkingen dienen getroffen om het omverwerpen of kantelen van de recipiėnten te vermijden.

 

§ 5.

Een aangepast blustoestel met poeder of koolzuuranhydride dient geplaatst in de omgeving van de vulinstallatie.

 

§ 6.

Het is verboden te roken of onbeschermd vuur te maken op minder dan 5 m afstand van de vulinstallatie. Dit verbod dient op in 't oog springende wijze en goed leesbaar of met reglementaire pictogrammen aangebracht aan de buitenwand van elke toegangsdeur tot de in artikel 5.16.4.3.3. bedoelde omheinde zone.

 

§ 7.

De recipiėnten waarvan de keuringsdatum verstreken is mogen niet worden gevuld.

 

§ 8.

Na het vullen moet iedere fles gecontroleerd worden op lekdichtheid van zowel de kraanuitlaat als de verbinding kraan-flessenhals om iedere fles te verwijderen die een lek zou vertonen.


Subafdeling 5.16.4.4.
Bevoorradingsstations van motorvoertuigen met lpg


Art. 5.16.4.4.0.

Voor niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiėnten en bevoorrading van motorvoertuigen met lpg, gelden de volgende algemene voorwaarden:

de exploitant houdt de installatie in goede staat;
op ten minste één meter afstand van de houder wordt een hekwerk uit metaaldraadvlechtwerk met een minimumhoogte van twee meter aangebracht; het is verboden binnen die omheining motorvoertuigen binnen te laten;
als de houder definitief buiten dienst gesteld wordt, is de exploitant verplicht de houder te verwijderen, of de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat gas in de houder aanwezig blijft en er voor te zorgen dat de stabiliteit van de houder gewaarborgd blijft;
lpg-stations die na 1 juli 2014 vergund zijn, voldoen wat de bouw van het station betreft onmiddellijk aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 5.16.6.2;
de lpg-stations die voor 1 juli 2014 vergund zijn, voldoen aan de voorwaarden vermeld in bijlage 5.16.6.2, tegen uiterlijk 1 januari 2019;
in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen voor het bevoorraden van motorvoertuigen die binnen het bedrijf blijven en die ter plaatse met lpg worden bevoorraad, voorwaarden worden opgelegd die afwijken van deze subafdeling.


     


Art. 5.16.4.4.1. Afstandsregels

§ 1.

De ligging en de inrichting van de verdeelzuilen en van de vulplaats beletten dat het gas, zelfs plaatselijk, blijft hangen.

 

§ 2.

Tussen de verdeelzuilen en de vulplaats enerzijds en de openbare weg en de naburige eigendommen anderzijds, dient een afstand,gemeten in horizontale projectie, te bestaan van tenminste 3 m. Deze afstand mag tot 1 m worden beperkt wanneer tussen de verdeelzuilen en de vulplaats enerzijds en de openbare weg, respectievelijk de naburige eigendom anderzijds, een volle, dichte en onbrandbare muur van tenminste 2,5 m hoogte is geplaatst, derwijze dat de afstand tussen voornoemde elementen, in horizontale projectie omheen deze muur gemeten, tenminste 3 m bedraagt.

 

§ 3.

De verdeelzuil en vulplaats dienen daarenboven op minimum 3 m van alle vensters, deuren, en alle andere openingen van lokalen bestemd tot werkhuis, bureel, magazijn of woning alsmede van iedere plaats die niet onderworpen is aan het open vuurverbod, te zijn gelegen.

 

§ 4.

Het is verboden tankwagens te gebruiken als bewarings-of bevoorradingsreservoir.

 

§ 5.

De voeding van de LPG-pomp mag enkel geschieden vanuit een vaste gashouder.

 

§ 6.

De houder en de bijhorende leidingen zijn zo opgesteld dat ze ofwel niet direct kunnen aangereden worden door een motorvoertuig ofwel zodanig beschermd tegen aanrijding van een motorvoertuig dat een lek van de houder of bijhorende leidingen wordt voorkomen.


Art. 5.16.4.4.2. Vulplaats

§ 1.

De vulplaats, zijnde de plaats waar het motorvoertuig moet stationeren tijdens de bevoorrading, dient de vorm te hebben van een rechthoek met een lengte van tenminste 5 m en een breedte van tenminste 2 m. Deze vulplaats moet duidelijk worden afgebakend en aangeduid, bv. door een markering op de grond.

 

§ 2.

Het is verboden [...] motorvoertuigen met LPG te bevoorraden waarvan het vulpunt zich niet binnen de overeenkomstig § 1 aangeduide vulplaats bevindt.

 

§ 3.

De vulplaats bevindt zich in open lucht. Ze mag nochtans met een afdak overdekt zijn.

 

§ 4.

Op de vulplaats zelf, of in de zone van 3 m die vulplaats en verdeelzuilen omringt, zijn rioleringsopeningen en geulen verboden, behalve wanneer zij voorzien zijn van een luchtafsnijder waarvan de werking gewaarborgd is in alle omstandigheden.

De eventuele bezinkput van de verdeelzuilen moet met droog zand worden opgevuld.

 

§ 5.

De vulplaats dient voldoende verlicht.


Art. 5.16.4.4.3. Zone van open vuurverbod

§ 1.

De zone van open vuurverbod omvat de vulplaats en een strook van 3 m gelegen omheen de vulplaats en de verdeelzuilen. Deze zone strekt zich uit tot minstens 1 m boven het hoogst gelegen punt van de leidingen en van de installatie-onderdelen die vloeibaar gemaakte petroleumgassen bevatten, zonder dat bedoelde hoogte kleiner mag zijn dan 2,50 m.

 

§ 2.

In de in § 1 bedoelde zone is het verboden te roken en vuur te maken. De motor van de motorvoertuigen dient tijdens de bevoorrading stilgelegd.

 

§ 3.

Het in § 2 vermelde rookverbod alsmede de verplichting de motors van de motorvoertuigen tijdens de bevoorrading te stoppen moeten duidelijk zichtbaar worden uitgehangen.

 

§ 4.

In de in § 1 bedoelde zone van open vuurverbod is het verboden over te gaan tot om het even welk herstellings- of onderhoudswerk aan een voertuig.

 

§ 5.

De in § 1 bedoelde zone van open vuurverbod moet zindelijk gehouden worden, en vrij van lompen, papier, hout, droog gras en ander brandbaar materiaal.

 

§ 6.

De vulplaatsen voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen en deze voor andere motorbrandstoffen mogen over een gemeenschappelijke zone van open vuurverbod beschikken.


Art. 5.16.4.4.4. Verdeelzuilen

§ 1.

De verdeelzuilen moeten zowel wat opvatting als wat verwezenlijking betreft, geschikt zijn voor de verdeling van vloeibaar gemaakte petroleumgassen. Zij zijn opgesteld in open lucht. Ze mogen nochtans overdekt zijn met een afdak.

 

§ 2.

De verdeelzuilen moeten worden geplaatst :

langs en op een afstand van maximum 2 m van de grote as van de rechthoek welke de vulplaats afbakent;
op een voldoende stevig eilandje waaraan ze worden verankerd zodat de breekveiligheid, bedoeld in § 5, kan werken en beschermd door palen van ten minste 70 cm hoogte; deze schikkingen gelden niet voor verdeelzuilen van het hangende type.

 

§ 3.

In de verdeelzuil moet de gasaanvoerleiding voorzien zijn van een handkraan en een gestuurde afsluiter (9) van het normaal gesloten type. Deze kranen bevinden zich stroomopwaarts van de meter.

 

§ 4.

Een doorstroombegrenzer is geplaatst tussen voormelde meter en de tankslang. De lengte van de tankslang mag niet meer bedragen dan 7 m.

 

§ 5.

De tankslang is voorzien van een veiligheidsinrichting (bv. een breekkoppeling) die doorbreekt wanneer een te sterke tractie wordt uitgeoefend op de slang. Deze inrichting bevindt zich tussen de in § 4 bedoelde doorstroombegrenzer en het vulpistool. Voormelde veiligheidsinrichting moet voorzien zijn van een afsluitklep, welke na breuk op haar plaats blijft en in werking treedt. De nodige voorzorgen worden genomen om te vermijden dat de verdeelslang rond de palen wordt gewikkeld, waardoor de breekkoppeling niet kan functioneren.

 

§ 6.

Het inhoudsvermogen van het gedeelte van de buisleiding, stroomafwaarts van de kraan die zich op het einde van de slang bevindt, mag niet groter zijn dan 20 cm3.

 

§ 7.

Het vulpistool moet kunnen afgegrendeld worden bij zijn ophangpunt.

 

§ 8.

De slangen van de verdeelzuil moeten kunnen weerstaan aan een druk van tenminste viermaal de hoogste werkingsdruk. Deze slangen moeten bovendien in goede staat worden gehouden, en vervangen worden bij vervorming of om het even welk defect.

 

§ 9.

Als de verdeelzuil zich op minder dan drie meter van een verdeelzuil voor benzine of gasolie bevindt, moet de elektrische installatie van de benzine- en gasoliepompen en -zuilen voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.16.4.4.5.

 

§ 10.

De bevoorradingsstations beantwoorden bovendien aan al de volgende eisen:

een gestuurde afsluiter is stroomopwaarts van de handkraan van de aanvoerleiding van de zuil geplaatst. Die gestuurde afsluiter is van het normaal gesloten type. De afsluiter kan in alle omstandigheden gesloten worden of in gesloten toestand gehouden worden vanuit de controlecabine. Niet-publiek toegankelijke bevoorradingsstations voldoen ook aan die voorwaarden, maar de aanwezigheid van een controlecabine is dan niet verplicht;
de verdeelzuil wordt in werking gesteld door middel van een drukknop of om het even welk ander vergelijkbaar systeem, waarop de gebruiker doorlopend druk moet uitoefenen met zijn hand om de pomp in werking te stellen en de gestuurde afsluiter te openen. Zodra er geen druk meer wordt uitgeoefend, valt de pomp stil en gaat de gestuurde afsluiter dicht;
de eindkraan van het vulpistool is uitgerust met een automatische inrichting die de doorstroom belet als het pistool niet op de vulmond is aangesloten of ervan losraakt.

 

 

§ 11.

De nummers tussen haakjes in dit artikel verwijzen naar figuur 1 en 2 van bijlage 5.16.6.2.


Art. 5.16.4.4.5. Elektrische installatie

Onverminderd de bepalingen van artikel 5.16.1.2. zijn de volgende bepalingen van toepassing op de elektrische installatie in de inrichting:

het aantal elektrische apparaten in de zone van open vuurverbod moet beperkt zijn tot het strikte minimum; de beschermingsgraad van het elektrisch materieel is ten minste I.P. 44 volgens het A.R.E.I.; dit voorschrift is echter niet van toepassing op het materieel voor ontploffingsgevaarlijke ruimten;
de elektrische installatie moet met laagspanning gevoed worden;
een algemene alpolige schakelaar, steeds bereikbaar en buiten de open vuurverbodzone geplaatst, moet toelaten de elektrische installatie volledig van de verdeelzuil af te zonderen met uitzondering van een intrinsiek veilig circuit 12 of 24 volt, gebruikt voor sturingen;
stroomaansluitingen en looplampen mogen noch geplaatst, noch gebruikt worden op de vulplaats;
de elektrische uitrusting van de verdeelzuil is uitgevoerd volgens een van de beschermingswijzen vermeld in artikels 106 en 107 van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties (A.R.E.I.) [...]; het gedeelte van de verdeelzuil dat het telwerk bevat mag nochtans uitgevoerd zijn met gewoon materieel met een beschermingsgraad van tenminste I.P. 44 wanneer bedoeld gedeelte hermetisch gescheiden is van het onderste gedeelte van de zuil waar de toevoer- en tankleidingen van de brandstof zijn ondergebracht;
alle metalen delen van de installatie alsook de massa's van het elektrisch materieel ander dan van klasse II, zijn geaard volgens de voorwaarden voorzien in het A.R.E.I..;
tijdens de vulling moet een antistatische verbinding tot stand gebracht worden tussen de verdeelzuil en het motorvoertuig.

 


Art. 5.16.4.4.6. Bescherming tegen brand

[...]


Art. 5.16.4.4.7. Vuloperaties

§ 1.

Het is verboden de LPG-tank te vullen van een motorvoertuig ingeschreven in Belgiė, zo de montage van de LPG-installatie van dit motorvoertuig niet voldoet aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 9 mei 2001 betreffende het gebruik van vloeibaar gemaakte petroleumgassen (LPG) voor de aandrijving van motorvoertuigen. Voor de naleving van deze bepalingen, kan de exploitant of zijn aangestelde vragen hem het bij het motorvoertuig horende getuigschrift, bedoeld in artikel 10 van voormeld koninklijk besluit, voor te leggen.

 

In het geval van bevoorradingsstations met selfservice moet dit verbod, duidelijk zichtbaar uitgehangen worden op het niveau van de verdeelzuil.

 

§ 2.

Uitsluitend LPG-recipiėnten welke zich aan boord van motorvoertuigen bevinden en dienstig zijn als brandstoftank mogen worden gevuld.

 

LPG-recipiėnten met een inhoudsvermogen kleiner dan of gelijk aan 120 liter mogen evenwel worden gevuld mits naleving van de volgende voorwaarden:

de tanks zijn voorzien van voetsteunen, een vulaansluiting met dubbele terugslagklep, een gasfase-afname, een vloeistofstandaanwijzer, een veiligheidsklep en een proefkraan ter controle van de maximale vulling;
de tanks mogen niet worden gevuld door zelfbediening; ze mogen slechts worden gevuld door de exploitant of door een behoorlijk op de hoogte gebrachte aangestelde nadat deze er zich heeft van vergewist dat bedoelde tanks zijn voorzien van hogervermelde uitrustingen, dat de tanks de beproevingsdatum en ijkstempel voorgeschreven in artikel 5.16.4.2.1. dragen , dat de termijn van herbeproeving niet overschreden is en dat het niet gaat om tanks, die duidelijk een dichtheidsdefect of een andere abnormaliteit die een aanduiding vormt voor een risicoverhoging vertonen

 

§ 3.

De exploitant van het bevoorradingsstation moet een bevoegd persoon zijn, volledig op de hoogte van de exploitatie van het bevoorradingsstation en van de maatregelen die te nemen zijn, in geval er zich een incident voordoet. De exploitant moet zich ervan verzekeren dat zijn aangestelde eveneens aan deze eisen beantwoordt.

 

Bij een lpg-station moet de exploitant of zijn aangestelde tijdens de bedrijfsuren in het bevoorradingsstation bestendig aanwezig zijn en zelf de vuloperaties verrichten of toezicht houden vanuit de controlecabine.

 

Bij een niet publiek toegankelijk bevoorradingsstation moet de exploitant of zijn aangestelde tijdens de bedrijfsuren van het bevoorradingsstation aanwezig zijn in de ingedeelde inrichting of activiteit en zelf de vuloperaties verrichten of toezicht hierop houden, maar de aanwezigheid van een controlecabine is niet verplicht. Toezicht tijdens de vuloperaties is niet vereist als werknemers een gepaste opleiding hebben genoten.

 

§ 4.

De nodige maatregelen worden getroffen opdat de motorvoertuigen niet kunnen bevoorraad worden bij afwezigheid van de exploitant van het bevoorradingstation of zijn aangestelde.

 

Wanneer het bevoorradingsstation niet in dienst is, moet de schakelaar waarvan sprake onder artikel 5.16.4.4.5., 3° zich in de stand "open" bevinden.

 

§ 5.

Bij lpg-stations met selfservice mag de verdeelzuil alleen vanuit de controlecabine in dienst gesteld worden. Bij niet publiek toegankelijke bevoorradingsstations mag de verdeelzuil alleen in dienst gesteld worden door de exploitant of zijn aangestelde.

 

Het gebruik van de verdeelzuil in een lpg-station wordt automatisch in de controlecabine gemeld, en moet van daaruit op elk ogenblik onderbroken kunnen worden door de gestuurde afsluiter te sluiten, vermeld in artikel 5.16.4.4.4, §10, 1°. Bij niet publiek toegankelijke bevoorradingsstations moet de verdeelzuil op elk ogenblik onderbroken kunnen worden door de gestuurde afsluiter te sluiten, vermeld in artikel 5.16.4.4.4, §10, 1°.

 

Als er zich benzine- of dieselpompen bevinden op minder dan drie meter van de lpg-verdeelzuil van een lpg-station, moet hun werking ook onderbroken kunnen worden vanuit de controlecabine. Voor niet publiek toegankelijke bevoorradingsstations moet de werking van benzine- of dieselpompen die zich op minder dan drie meter van de lpg-verdeelzuil bevinden, vanop een veilige afstand onderbroken kunnen worden.

 

§ 6.

Bij lpg-stations met selfservice worden duidelijke instructies, met verklarende tekeningen, goed zichtbaar voor de verbruiker, aan de verdeelzuil en ook in de controlecabine opgehangen. Bij niet publiek toegankelijke bevoorradingsstations is die verplichting alleen van toepassing op de verdeelzuil.

 

§ 7.

Duidelijke en nauwkeurige veiligheids- en ingreepinstructies hangen op in de controlecabine van het bevoorradingsstation. Bij niet publiek toegankelijke bevoorradingsstations hangen die instructies op in de nabijheid van de bediening van het bevoorradingsstation.

 

§ 8.

Geen enkele bedrijfsbewerking mag worden uitgevoerd zo de installatie niet in volmaakte staat van werking is.

 

§ 9.

Het is verboden op hetzelfde moment een lpg-houder en een gasoliehouder of benzinehouder van hetzelfde bevoorradingsstation te vullen.


Art. 5.16.4.4.8. Herstellings- en onderhoudswerken

§ 1.

Elke beschadiging moet binnen de kortst mogelijke tijd worden hersteld.

 

§ 1bis.

Werkzaamheden worden binnen de gezoneerde gebieden uitgevoerd in overeenstemming met de veiligheidseisen en -voorwaarden in het explosieveiligheidsdocument en de zoneringsplannen. Zodra afgeweken wordt van voormelde veiligheidseisen en -voorwaarden, worden de werkzaamheden vooraf onderworpen aan een risicoanalyse en worden de maatregelen die daaruit afgeleid zijn, opgenomen in schriftelijke instructies voor de uitvoerders, bijvoorbeeld in een werkvergunning voor gevaarlijk werk.

 

§ 2.

In de zone van open vuurverbod mogen herstellings- en onderhoudswerken van de installatie van het bevoorradingsstation, waarbij open vuur gebruikt wordt of waarbij vonken kunnen veroorzaakt worden, slechts uitgevoerd worden nadat de installatie is stilgelegd, en voor zover het gehalte aan brandbaar gas in de werkzone minder bedraagt dan een vijfde van de laagste ontvlambaarheidsgrens.

 

Dit gehalte moet tijdens de uitvoering van de werken voortdurend gecontroleerd worden.


Art. 5.16.4.4.9. Controles

§ 1.

Het bevoorradingsstation mag niet in dienst genomen worden alvorens de exploitant in het bezit is van een verslag afgeleverd door een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, waaruit blijkt dat het bevoorradingsstation voldoet aan de voorschriften van dit reglement. De erkende milieudeskundige stelt dit verslag op aan de hand van onderzoekingen die hij zelf uitvoert of aan de hand van relevante, door een deskundige opgestelde attesten, die de exploitant kan voorleggen.

 

§ 2.

De controle op de naleving van onderhavige voorschriften door een erkend milieudeskundige wordt ten minste vijfjaarlijks hernieuwd. Er dient eveneens een controle plaats te vinden na elke belangrijke wijziging van de betrokken installaties.


Art. 5.16.4.4.10. Ondergrondse houder of ondergrondse leidingen

§ 1.

Met behoud van de toepassing van subafdeling 5.17.3.3 beantwoorden de ingegraven houders of ondergrondse leidingen die vloeibaar gemaakte petroleumgassen bevatten en aangewend worden in bevoorradingsstations voor motorbrandstof aan de volgende voorwaarden:

de installatie, de bekleding, de kathodische bescherming en de uitrusting van ingegraven houders worden uitgevoerd volgens een code van goede praktijk;
de minimumafstand in horizontale projectie gemeten, die de houders, de kranen, de kleppen, de pompen en de vulopeningen van die houders moet scheiden van elke opening van een woonlokaal, van elke opening van een werklokaal dat niet onderworpen is aan het open vuurverbod, van elke openbare weg, van elke naburige eigendom en van riolen, bedraagt 5 m;
de nodige voorzieningen worden getroffen om de houder en de ondergrondse leidingen, tegen corrosie te beschermen; de aard en de omvang van deze voorzieningen worden bepaald door de exploitant in overleg met en op basis van het advies van een bevoegd deskundige of van een milieudeskundige erkend in de discipline bodemcorrosie; dit advies steunt ondermeer op een onderzoek van de bodemgesteldheid, dat tenminste betrekking heeft op de soortgelijke weerstand en de zuurtegraad (pH) van de bodem, alsook het al dan niet aanwezig zijn van zwerfstromen en sulfaatreducerende bacteriėn; in elk geval dient de houder voorzien van een bekleding en van een kathodische bescherming;
de sub 3° bedoelde kathodische beschermingen dienen tenminste aan volgende regels te voldoen:
a) de bekleding van de houder en de ondergrondse leidingen heeft een diėlektrische weerstand van tenminste 3 kV/mm;
b de kathodische bescherming is zodanig dat het te beschermen oppervlak een polarisatiepotentiaal heeft van -850 mV of een meer negatieve waarde, gemeten ten opzichte van een Cu/Cu SO4-referentieėlektrode; het potentiaal bedraagt -950 mV of een meer negatieve waarde, wanneer sulfaatreducerende bacteriėn in de bodem aanwezig zijn;
de houder wordt verankerd in een onvervormbare fundering aangebracht op de bodem van de uitgraving; nadat de houder in de uitgraving is geplaatst en alvorens hij wordt bedekt gaat een erkend milieudeskundige na of de bekleding van de houder nog in goede staat verkeert en de diėlektrische weerstand tenminste gelijk is aan deze die door de bevoegde deskundige goedgekeurd is; indien dit niet het geval is, wordt de oorzaak opgespoord en verholpen, waarna de diėlektrische weerstand opnieuw gemeten wordt; de houder wordt bedekt met een 50 cm dikke laag inerte en onbrandbare gezeefde materialen; indien andere methoden van verankering een gelijkwaardige waarborg verzekeren zijn deze eveneens toegelaten;
de houder is elektrisch geļsoleerd van het bovengrondse deel van de installatie; het geheel van de bovengrondse leidingen wordt stroomopwaarts van deze isolatie elektrisch geaard;
het attest van goedkeuring dat de erkende milieudeskundige aflevert na kennis genomen te hebben van het onderzoek van de bodemgesteldheid vermeldt eveneens:
a) de goedkeuring van de bekleding van de houder en van de ondergrondse leidingen, rekening houdend met de bodemgesteldheid;
b) de goedkeuring van de keuze van de kathodische bescherming;
c) het resultaat van de sub 5° vermelde meting van de diėlektrische weerstand van de bekleding;
d) de polarisatiepotentiaal van het te beschermen oppervlak gemeten ten opzichte van de Cu/CuSO4 referentieėlektrode;
de erkende milieudeskundige gaat tenminste eenmaal per jaar na of de kathodische bescherming nog aan de in sub 4° gestelde eisen voldoet; indien de milieudeskundige vaststelt dat de kathodische bescherming niet meer voldoet aan de bepalingen van sub 4° of indien hij twijfels heeft over de goede werking over de goede werking van de kathodische bescherming, gaat hij na of de diėlektrische weerstand van de bekleding nog voldoet aan de in sub 4° gestelde eisen; bij vaststelling van beschadiging van de bekleding wordt de houder ultrasoon onderzocht om na te gaan of er geen uitwendige corrosie is opgetreden; in voorkomend geval dienen passende maatregelen getroffen;
de exploitant houdt de installatie in goede staat;
10° op tenminste 1 m afstand van de houder wordt een hekwerk uit metaaldraadvlechtwerk met een minimumhoogte van 2 m aangebracht; het is verboden binnen deze omheining motorvoertuigen binnen te laten;
11° de exploitant is verplicht de houder te verwijderen, wanneer deze definitief buiten dienst gesteld wordt of de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat gas in de houder aanwezig blijft, bijvoorbeeld door de houder op te vullen met zand.

 

§ 2.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen voor het bevoorraden van motorvoertuigen die binnen het bedrijf blijven en die ter plaatse met LPG worden bevoorraad, voorwaarden worden opgelegd die afwijken van de bepalingen van onderhavige afdeling.


Art. 5.16.4.4.11. Risico-afstandsregels

§ 1.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.12.1 en 5.16.4.4.1 worden de nodige minimale risicoafstanden in acht genomen om de buurt te beschermen tegen de risico's voor de gevolgen van accidentele gebeurtenissen die eigen zijn aan de aanwezigheid of de uitbating van het lpg-station.

 

De afstand tussen de slanghaspel van de tankwagen en de perceelgrens bedraagt minimaal vijf meter.

 

Voor de lpg-stations die zowel aan de standaardcriteria, vermeld in bijlage 5.16.6.1, als aan de minimale technische eisen, vermeld in bijlage 5.16.6.2, beantwoorden, gelden met toepassing van het eerste lid de minimale risicoafstandsregels, vermeld in bijlage 5.16.6.3.

 

Voor het bepalen van de risicoafstandregels wordt de volgende werkwijze gevolgd :

voor lpg-opslagtanks met een waterinhoud tussen 3.000 en 40.000 liter wordt de risicoafstand bepaald door lineaire interpolatie tussen de waarden die verkregen zijn uit de tabellen van de lpg-opslagtanks, met de dichtstbijgelegen waterinhouden;
voor de lpg-stations, die niet aan de standaardcriteria, vermeld in bijlage 5.16.6.1, en de minimale technische eisen, vermeld in bijlage 5.16.6.2, beantwoorden, gelden de geļndividualiseerde minimale risicoafstanden die nodig zijn volgens de bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gevoegde individuele veiligheidsstudie, uitgevoerd door een erkend VR-deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, e), van het VLAREL.

 

De risicoafstanden, vermeld in de individuele veiligheidsstudie, kunnen nooit minder zijn dan:

voor lpg-houders met een waterinhoud kleiner dan of gelijk aan 3.000 liter: de risicoafstanden voor lpg-opslagtanks met een waterinhoud van 3.000 liter
voor lpg-houders met een waterinhoud tussen 3.000 en 40.000 liter: de minimale risicoafstand die bepaald wordt door lineaire interpolatie tussen de waarden die verkregen zijn uit de tabellen van de lpg-houders, met de dichtstbijgelegen volumes en doorzetten
voor lpg-houders met een waterinhoud gelijk aan of groter dan 40.000: de risicoafstanden voor lpg-houders met een waterinhoud van 40.000 liter
voor lpg-stations met een jaaromzet die kleiner is dan 50 m3/jaar: de risicoafstanden die corresponderen met een jaaromzet van 50 m3/jaar.

 

§ 2.

In afwijking van artikel 3.2.1.1 voldoen lpg-stations die de eerste maal voor 1 januari 2009 zijn vergund, uiterlijk op 1 januari 2019 aan de risicoafstandsregels van dit artikel.


Art. 5.16.4.4.12. Koppeling van de noodstopsystemen van tankwagens en van het lpg-station.

Het lpg-station wordt voorzien van een koppeling tussen het noodstopsysteem van het lpg-station en de noodstopsystemen van de tankwagen. De vulling van de houder kan pas plaatsvinden als beide systemen gekoppeld zijn. Bij gebruik van de noodstop van de tankwagen wordt ook het noodstopsysteem voor het lpg-station geactiveerd, en omgekeerd.

 

In afwijking van artikel 3.2.1.1, voldoen lpg-stations die de eerste maal voor 1 juli 2014 zijn vergund, uiterlijk op 1 januari 2019, aan de verplichtingen, vermeld in het eerste lid.


Afdeling 5.16.5.
Opslagplaatsen in verplaatsbare recipiėnten


Art. 5.16.5.1. Algemene bepalingen

[...]


Art. 5.16.5.2. Veiligheidsscherm

[...]


Art. 5.16.5.3. Inrichting opslagplaatsen

[...]


Art. 5.16.5.4. Afstandsregels voor open opslagplaatsen

[...]


Art. 5.16.5.5. Afstandsregels voor gesloten opslagplaatsen

[...]


Art. 5.16.5.6. Bouw van de open opslagplaatsen

[...]


Art. 5.16.5.7. Bouw van de gesloten opslagplaatsen

[...]


Art. 5.16.5.8. Verlichting.

[...]


Art. 5.16.5.9. Verwarming.

[...]


Art. 5.16.5.10. Elektriciteit - Rook- en vuurverbod

[...]


Art. 5.16.5.11. Toegang tot de opslagplaats.

[...]


Art. 5.16.5.12. Verplaatsbare recipiėnten

[...]


Afdeling 5.16.6.
Opslagplaatsen voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen, in vaste reservoirs

[...]


Art. 5.16.6.1. [...]

Art. 5.16.6.2. Inrichting opslagplaatsen

[...]


Art. 5.16.6.3. Afstandsregels voor opslagplaatsen van gassen andere dan vloeibaar gemaakte handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders

[...]


Art. 5.16.6.4. Bouw van houders voor gassen andere dan vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan.

[...]


Art. 5.16.6.5. Waterdrukproef

[...]


Art. 5.16.6.6. Identificatieplaat

[...]


Art. 5.16.6.7. Attest van goedkeuring.

[...]


Art. 5.16.6.8. Periodiek onderzoek van de opslagplaatsen en van de houders

[...]


Art. 5.16.6.9. Vullen van de houders.

[...]


Art. 5.16.6.10. De elektrische installatie.

[...]


Art. 5.16.6.11. Pijpleidingen en slangen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders.

[...]


Art. 5.16.6.12. Herstelling van de houders voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders.

[...]


Art. 5.16.6.13. Afsluiting van houders voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders.

[...]


Art. 5.16.6.14. Bescherming tegen brand.

[...]


Art. 5.16.6.15. Onderhoud.

[...]


Art. 5.16.6.16. Inbedrijfstelling van de opslagplaatsen.

[...]


Art. 5.16.6.17. Bestaande opslagplaatsen

[...]


Afdeling 5.16.7.
Niet voor publiek toegankelijke aardgasaflevereenheden ("home compressors") met een totale capaciteit tot en met 20 Nm³/uur aanzuigzijdig debiet.


Art. 5.16.7.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen ingedeeld in subrubriek 16.9, c) van de indelingslijst.


Art. 5.16.7.2.

De aflevereenheid moet zo zijn geļnstalleerd dat:

geen hinder wordt veroorzaakt aan het gasleverende bedrijf of andere gebruikers van aardgas;
geen schade aan de binnenleiding wordt veroorzaakt;
de goede werking van andere toestellen, die op de binnenleiding zijn aangesloten, niet nadelig wordt beļnvloed;
geen geluiden of trillingen in de binnenleiding ontstaan.
deze inlaatzijdig is voorzien van een inrichting, die automatisch de eenheid uitschakelt en vergrendelt, zodra de druk in het leidinggedeelte voor de eenheid beneden een aanvaardbaar minimum daalt.

Art. 5.16.7.3. Het uitlaatzijdig koppelen van aflevereenheden is niet toegelaten.

Art. 5.16.7.4.

Het watergehalte van het aardgas geleverd aan het motorvoertuig mag niet hoger zijn dan 30 mg/Nm³. Indien hieraan niet wordt voldaan, moet een geschikte gasdroger zijn toegepast. De droger mag het odorant niet noemenswaardig uit het aardgas verwijderen.


Art. 5.16.7.5.

§ 1.

Een aflevereenheid moet:

zijn opgesteld op een gefundeerd oppervlak voor het vermijden van te hoge spanningen in leidingen en aansluitingen;
toegankelijk zijn voor onderhoud en bediening.

 

§ 2.

Opstelling van een aflevereenheid in de buitenlucht is toegelaten op plaatsen die ten minste 1 m zijn verwijderd van een deur of ventilatieopening in een gevel.

 

[...]

 

§ 3.

Opstelling van een aflevereenheid in een omsloten ruimte is toegelaten, mits de afblaasveiligheden van een afblaasleiding, bedoeld in artikel 5.16.7.7, § 7, zijn voorzien.

 

Voor het bepalen van de gevarenzones wordt van een secundaire gevarenbron uitgegaan. Maatgevend voor het lekdebiet is de maximaal mogelijke massastroom door een slang of leiding waardoor, binnen de betreffende ruimte, gecomprimeerd aardgas wordt getransporteerd.

 

Wanneer het toestel of het afleverpunt aan het motorvoertuig zich in een besloten ruimte bevindt, dan wordt deze ruimte afdoende geventileerd en voorzien van een geschikte gasdetectie. In geval van detectie van gas, wordt de volledige installatie spanningsloos geplaatst, het vullen gestopt en treedt het waarschuwingssysteem in werking. De gasdetectie wordt onderhouden volgens de voorschriften van de fabrikant.

 

§ 4.

Indien een aflevereenheid en/of het afleverpunt van een overkapping is voorzien, moet deze zo zijn uitgevoerd dat onder de overkapping geen ophoping van aardgas mogelijk is.

 

§ 5.

De aflevereenheid moet zo zijn opgesteld en beschermd, dat deze is gevrijwaard tegen mechanische beschadiging.

 

Een bescherming kan zijn het plaatsen van stalen/betonnen palen (schamppaal, vangrail), die in de grond zijn ingebracht en ongeveer 100 cm boven de grond uitsteken.

 

§ 6.

De referentietemperatuur moet op een dusdanige plaats worden gemeten, dat geen grote temperatuurverschillen kunnen optreden tussen de plaats waar de referentietemperatuur wordt gemeten en de plaats van het aangesloten motorvoertuig.

 

Aan de hand van de referentietemperatuur wordt de afleverdruk aan het motorvoertuig bepaald, zo dat de druk in het brandstofreservoir van het motorvoertuig bij een temperatuur van 15 °C gelijk is aan 20 MPa (200 bar). De referentietemperatuur wordt meestal bij de aflevereenheid gemeten. Indien het motorvoertuig gedurende het vullen op een zeer koude plaats staat en de aflevereenheid niet, ontstaat er een groot temperatuurverschil tussen beide plaatsen. Het aardgas wordt dan gevuld in een koude tank (en warm gemeten). Indien het motorvoertuig wordt verwarmd (zon) kan de druk in de tank hoog oplopen en de maximale waarde worden overschreden.


Art. 5.16.7.6.

§ 1.

Tijdens het afleveren van aardgas aan een motorvoertuig is het niet toegelaten dat wordt gerookt of op enigerlei andere wijze open vuur aanwezig is. De motor van het motorvoertuig mag niet draaien. Op of nabij de aflevereenheid moeten dienovereenkomstig veiligheidstekens duidelijk zichtbaar zijn aangebracht.

 

§ 2.

Het afleveren van aardgas aan het motorvoertuig (de vulhandeling) is alleen toegelaten mits:

het motorvoertuig, de aflevereenheid en de afleverslang zich op één perceel bevinden,
en
op een plaats die meer dan 3 m van de erfscheiding van het perceel is verwijderd.

 

§ 3.

Het vullen in de buitenlucht is toegelaten op plaatsen die ten minste 1 m zijn verwijderd van een deur of ventilatieopening in een gevel.

 

§ 4.

Het vullen in omsloten ruimten is toegelaten:

in ruimten met een inhoud van meer dan 60 m3;
waarbij de afblaasveiligheden zijn voorzien van een afblaasleiding, bedoeld in artikel 5.16.7.7, § 7.

Voor het bepalen van de gevarenzones wordt van een secundaire gevarenbron uitgegaan. Maatgevend voor het lekdebiet is de maximaal mogelijke massastroom door een slang of leiding waardoor, binnen de betreffende ruimte, gecomprimeerd aardgas wordt getransporteerd.


Art. 5.16.7.7.

§ 1.

Het uitlaatzijdig aanbrengen van leidingen, elektrische schakelingen of appendages, is alleen toegelaten volgens de voorschriften van de fabrikant.

 

§ 2.

De leidingmaterialen en verbindingstechnieken/-systemen, die in de aardgasaflevereenheid worden toegepast, moeten geschikt zijn voor het doel waarvoor ze worden toegepast en voor de omstandigheden (druk, temperatuur, milieu, enz.) waaronder ze worden gebruikt.

 

§ 3.

Een afleverzuil moet:

zo zijn opgesteld en beschermd, dat deze tegen mechanische beschadiging is gevrijwaard;
zo zijn geļnstalleerd dat er, indien een motorvoertuig wegrijdt terwijl de afleverslang nog is aangekoppeld, geen schade aan de afleverzuil of het leidingwerk ontstaat; hierbij wordt er van uitgegaan dat de breekveiligheid naar behoren functioneert.

 

§ 4.

Een afleverslang moet:

geschikt zijn voor het transporteren van aardgas onder een druk van nominaal 20 MPa (200 bar)(PN 250 of hoger);
een voorziening hebben die de aardgasstroom automatisch onderbreekt indien een motorvoertuig wegrijdt terwijl de afleverslang nog is aangekoppeld (losbreekkoppeling of breekveiligheid). De trekkracht om de aardgasstroom te stoppen mag maximaal 200 N zijn, gemeten onder de ongunstigste hoek waaronder deze kracht op de slang werkt en terwijl de slang onder de afleverdruk wordt belast;
zo zijn aangebracht dat de afleverslang niet op de grond ligt.

 

§ 5.

De afleverslang moet voorzien zijn van een vulaansluiting, die pas na het aankoppelen aan het brandstofreservoir de brandstofstroom vrijgeeft. Bij het ontkoppelen van de slang moet de aansluiting drukloos zijn voordat deze kan worden ontkoppeld en moet de gastoevoer automatisch en onmiddellijk sluiten.

 

§ 6.

De uitstroom van aardgas uit afblaasveiligheden van de aflevereenheid moet op een veilige plaats in de buitenlucht gebeuren en aan de volgende voorwaarden voldoen:

indien er zich binnen een straal van 5 m van de afblaasveiligheid een ventilatie en/of luchttoevoeropeningen bevinden van een gebouw of een ruimte waarin zich gas kan ophopen, dan moet de afblaasveiligheid uitmonden op een hoogte van ten minste 3 m boven het maaiveld, en ten minste 1 m hoger zijn dan dit gebouw;
ten minste 1 m zijn verwijderd van ontstekingsbronnen (waaronder niet explosieveilig elektrisch materieel);
ten minste 1 m zijn verwijderd van het verharde gedeelte van een voor publiek vrij toegankelijk terrein.

 

§ 7.

Indien een afblaasveiligheid van een afblaasleiding moet voorzien zijn, moet deze afblaasleiding:

zo zijn gedimensioneerd dat de capaciteit van de afblaasveiligheid niet méér wordt beperkt dan volgens de fabrikant is toegelaten;
zijn vervaardigd van mechanisch weerstandbiedend en onbrandbaar materiaal;
niet afsluitbaar zijn;
zijn beschermd tegen verstopping en inwatering;
uitmonden op een voldoende verluchte plaats waar geen gasophoping kan plaatsvinden.

Art. 5.16.7.8.

§ 1.

De exploitant houdt de resultaten van de keuring bij ingebruikname ter inzage van de toezichthouder en dit tot na verwijdering van de aflevereenheid. De exploitant houdt de resultaten van de periodiek voorgeschreven metingen, keuringen en controles bij ter inzage van de toezichthouder en dit ten minste tot de resultaten van de eerstvolgende meting, keuring of controle van de aflevereenheid beschikbaar zijn.

 

§ 2.

De gehele installatie moet zo vaak als volgens opgave van de fabrikant nodig is, en ten minste éénmaal voor de ingebruikname en vervolgens ten minste éénmaal per twee jaar, volgens de specificaties van de fabricant, worden gecontroleerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Indien bij de controle gebreken worden geconstateerd, moet voor reparatie of vernieuwing worden gezorgd.

 

§ 3.

De afleverslang(en) moet(en) ten minste [...] éénmaal per twee jaar, worden afgeperst [...] op een effectieve druk van 25 MPa (250 bar). Indien bij deze proef geen gebreken worden vastgesteld en ook visueel geen ernstige beschadiging wordt vastgesteld, kunnen de beproefde afleverslangen opnieuw worden ingezet.

 

Indien een aflevereenheid beschikt over een automatische lekproefinrichting hoeft de sterktebeproeving slechts éénmaal per [...] vier jaar, te worden uitgevoerd.


Art. 5.16.7.9. De aflevereenheid wordt alleen bevoorraad vanuit het openbaar aardgasleidingnet of een leidingnet voor tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas.

Afdeling 5.16.8.
Inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd samengeperst biogas, andere dan deze vermeld in afdeling 5.16.7


Art. 5.16.8.1.

Deze afdeling is van toepassing op inrichtingen, ingedeeld in rubrieken 16.9.d en 16.9.e van de indelingslijst voor de verdeling van samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd samengeperst biogas.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, geldt deze afdeling ook voor de aardgasafleverinstallaties die niet voor publiek toegankelijk zijn.


Art. 5.16.8.2.

§ 1.

De aardgasafleverinstallatie wordt geconstrueerd overeenkomstig een code van goede praktijk, in overleg met een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, [...]. Voor de constructie van de aardgasafleverinstallatie mag alleen gebruikgemaakt worden van producten en onderdelen die voldoen aan de toepasselijke codes van goede praktijk.

 

§ 1/1.

 

Deze paragraaf voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen.

 

Connectoren en aansluitpunten van publiek toegankelijke inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met CNG die met ingang van 18 november 2017 in gebruik worden genomen of worden vernieuwd, voldoen aan de technische specificaties van de norm NBN EN ISO 14469:2017, delen I en II.

 

§ 2.

De aardgasafleverinstallatie wordt alleen bevoorraad vanuit het openbaar aardgasleidingnet of een leidingnet voor tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas.

 

§ 3.

De exploitant treft de nodige maatregelen om schade aan de compressor en de aardgasopslag door aanrijding of vandalisme te voorkomen. De compressor en de aardgasopslag zijn ontoegankelijk voor onbevoegden.

 

§ 4.

De in openlucht opgestelde installatieonderdelen zijn op doelmatige wijze beschermd tegen de schadelijke gevolgen van weersinvloeden.

 

§ 5.

Als de compressor of aardgasopslag geplaatst is in een gesloten lokaal, is het lokaal:

[...] uitsluitend voor dat doel bestemd;
[...] zo ingericht dat er geen ophoping van gas kan ontstaan;
[...] doeltreffend en voldoende geventileerd;
[...] uitgerust met een doeltreffende installatie die zowel bij gasdetectie als bij branddetectie in het lokaal het aardgasstation stillegt;
5°  [...] volledig opgebouwd uit daartoe geschikte materialen inzake brandveiligheid en scherfwerking;
tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, [...] voorzien van doelmatige explosieluiken of is de bovenzijde of zijwand van het lokaal uitgevoerd als zwakke wand, waarbij deze gericht zijn in een richting waar er geen personen te verwachten zijn, zodat de gevolgen van een interne explosie worden beperkt. 

 

§ 6.

De elektromagnetische afsluiters van de aardgasafleverinstallatie zijn zo uitgevoerd dat ze bij het wegvallen van de elektrische voeding automatisch de veilige positie innemen.

 

§ 7.

De exploitant stelt een zoneringsplan op. De elektrische installatie wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties en het zoneringsplan. Binnen een gezoneerd gebied is:

het verboden te roken;
de aanwezigheid van open vuur verboden;
de aanwezigheid van voorwerpen met een oppervlaktetemperatuur van meer dan 300 °C (573 K) verboden;
de aanwezigheid van verbrandingsmotoren, machines en andere toestellen verboden, tenzij de uitvoering van deze apparaten voldoet aan de Europese wetgeving voor toepassing in explosieve gebieden en geschikt is voor de desbetreffende zone. 

 

Tijdelijk werken met deze apparaten is toegestaan als de gebruiker specifieke regels volgt volgens ATEX 137.

 

De verboden worden door middel van genormeerde veiligheidssignalering aangegeven.

 

De exploitant voorziet één of meer schakelaars in het niet-gevaarlijke gebied, die de elektrische installatie binnen het explosiegevaarlijke gebied in alle polen en fasen tegelijkertijd kan uitschakelen.


Art. 5.16.8.3. De vulplaats

De vulplaats, dat is de plaats om het motorvoertuig te stationeren tijdens de bevoorrading, bevindt zich volledig op het terrein van de inrichting.

 

De vulplaats bevindt zich in openlucht. De eventuele overkapping ervan is zo uitgevoerd dat ophoping van het afgeleverde gas niet mogelijk is.

 

De vulplaats is voldoende verlicht.


Art. 5.16.8.4. De tankzuil

§ 1.

De tankzuil wordt:

voldoende stevig verankerd, zodat de losbreekkoppeling van de verdeelslang kan werken; 
voldoende beschermd tegen aanrijding;
doeltreffend geventileerd;
voorzien van een debietbegrenzer die de aardgasstroom automatisch onderbreekt in geval van breuk van de verdeelslang;
voorzien van een beveiliging die de gastoevoer onderbreekt, mocht de tankzuil uit positie gebracht worden door externe invloeden. 

 

 

§ 2.

De tankzuil is uitgerust met:

een drukknop of een gelijkwaardig systeem, die zodanig is ingericht dat de aflevering van het gas alleen kan plaatsvinden door het met de hand indrukken van deze knop. Bij het wegvallen van de druk op de knop stopt de aflevering van het gas automatisch en onmiddellijk, of
met een start- en stopknop. De startknop start de vulcyclus; de stopknop beėindigt onmiddellijk de vulcyclus. 

 

 

§ 3.

De tankzuil is uitgerust met een totaal afleversysteem, dat op basis van een continue massameting, continue druk- en temperatuurmeting tijdens het tanken de afleverhoeveelheid voor de ontvangende voertuigtanks automatisch berekent en regelt. Bij het bereiken van de door de maximale vulhoeveelheid regeling berekende tankhoeveelheid, wordt de vulcyclus beėindigd. De volgende beveiligingen worden door de regeling geactiveerd:

noodstop afschakeling bij slangbreuk (te hoge flow);
2°  noodstop afschakeling bij te hoge drukval;
noodstop afschakeling bij te hoge flow naar motorvoertuig (instelbaar);
overschrijden van de tanktijd (instelbaar); 
noodstop afschakeling op grond van een signaal van de drukmeting.

 

Op de tankzuil is daarenboven een onafhankelijk werkende overdrukbeveiliging aangebracht, die zodanig is afgesteld dat de verdeeldruk aan het motorvoertuig niet meer bedraagt dan:

250 bar voor installaties met temperatuurcompensatie;
210 bar voor installaties zonder temperatuurcompensatie. 

 

 

§ 4.

De tankzuil van een onbemand aardgasafleverinstallatie is uitgerust met een temperatuurgevoelig element, dat bij stijging van de temperatuur boven de 343K (70 °C) binnenin de tankzuil, alle spanningsvoerende delen van de tankzuil definitief buiten werking stelt en de gastoevoer afsluit.

 

§ 5.

De tankzuil is zodanig opgevat dat de verdeelslang niet kan afslijten of geen knikken kan vertonen. Er wordt ook voorkomen dat de verdeelslang op de grond ligt.

 

§ 6.

De tankzuil is uitgerust met een verdeelslang die:

een losbreekkoppeling heeft; 
2°  niet langer is dan 5 m en waarvan het buigzame deel bestaat uit één stuk;
een barstdruk heeft van minimaal 800 bar;
indien noodzakelijk voorzien is van een corrosiebestendige bewapening;
uitgerust is met een vulpistool dat:
a) pas na het aankoppelen aan de vulaansluiting van het motorvoertuig geopend kan worden;
b) bij het loskoppelen onmiddellijk en automatisch sluit;
c) alleen ontkoppeld kan worden als de overdruk in de koppeling volledig gereduceerd is. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het gas daarvoor automatisch afgelaten naar een aflaatreservoir om het bij een volgende tankbeurt te recupereren. Het aflaatreservoir wordt op onderdruk gebracht voor het tanken start. Als de elektrische voeding uitvalt, wordt het gas automatisch afgelaten naar het aflaatreservoir, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. 

 

 


Art. 5.16.8.5. Afstandsregels

§ 1.

Tussen enerzijds de compressor en de tankzuil en anderzijds de openbare weg en de naburige eigendommen, geldt een minimale afstand, gemeten in horizontale projectie, van ten minste 3 m.

 

§ 2.

De compressor en de tankzuil liggen op minimaal 3 m van alle vensters, deuren, en alle andere openingen van lokalen die bestemd zijn als werkhuis, kantoor, magazijn of woning, alsook van iedere plaats die niet onderworpen is aan het openvuurverbod.

 

§ 3.

De minimale afstand tussen de tankzuil enerzijds en de compressor en aardgasopslag anderzijds bedraagt 1,5 m, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 4.

Tussen de compressor en aardgasopslag enerzijds, en de vulpunten, de mondingen van de ontluchtingsleidingen, de tankzuilen, de bovengrondse houders voor vloeibare motorbrandstoffen en lpg en de vulplaatsen voor lpg anderzijds, geldt onverminderd de bepalingen van artikel 5.17.3.3.3 een minimale afstand van 5 m.

 

§ 5.

De in paragraaf 1 tot en met 4 vermelde minimale veiligheidsafstanden mogen verminderd worden tot minimaal 1 m door de constructie van een voorziening met een brandwerendheid van ten minste 60 minuten bepaald in overeenstemming met NBN-EN 13501 op voorwaarde dat de horizontaal omheen de voorziening gemeten afstand tussen de beschouwde installaties en de aangegeven elementen gelijk is aan of meer bedraagt dan de in deze paragrafen voorgeschreven minimale veiligheidsafstanden. De voorziening, die bestaat uit een muur, wand, scherm of behuizing, moet in ieder geval de hoogte van de beschouwde installaties hebben met een minimum hoogte van 2 m en moet minstens langs de hele lengte van deze installaties gelegen zijn.

 

De gevaarlijke zone volgens het zoneringsplan mag niet voorbij de bedoelde voorziening reiken.

 

§ 6.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, gelden voor aardgasafleverinstallaties de strengste van de volgende afstandsregels tussen enerzijds:

de meest nabijgelegen bestaande of potentiėle woning, die niet behoort tot de te vergunnen inrichting;
andere gebouwen dan woningen die niet behoren tot de te vergunnen inrichting, met regelmatige bezetting door mensen;
kwetsbare locaties,

 

en anderzijds:

de compressor: 10 m;
de aardgasopslag met een waterinhoudsvermogen van:
a) tot en met 3000 l: 10 m;
b) meer dan 3000 l tot en met 5000 l: 15 m;
c) meer dan 5000 l tot en met 10.000 l: 20 m;
de tankzuil: 15 m. 

 

 

§ 7.

Voor aardgasafleverinstallaties met een aardgasopslag met een waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 l gelden voor de bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gevoegde individuele veiligheidsstudie, uitgevoerd door een erkende VR-deskundige, [...], de volgende risicocriteria:

de plaatsgebonden risicocontour van 10-5 overschrijdt de grenzen van de inrichting niet; 
de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 overschrijdt geen bestaande of potentiėle woning, niet behorend tot de te vergunnen inrichting of geen gebouwen andere dan woningen, niet behorend tot de te vergunnen inrichting, met regelmatige bezetting door mensen;
de plaatsgebonden risicocontour van 10-7 overschrijdt geen kwetsbare locaties;
het groepsrisico is aanvaardbaar. 

Art. 5.16.8.6. Veiligheidsvoorzieningen

§ 1.

In de gastoevoerleiding naar de compressor is op een afstand van minimaal 10 m van de compressor een handbediende afsluiter aangebracht. De plaats van de afsluiter wordt duidelijk aangegeven. De afsluiter is goed bereikbaar en wordt doeltreffend beschermd tegen gevaar van beschadiging door het verkeer.

 

§ 2.

De installatie wordt zo uitgevoerd dat het binnendringen van lucht in gasvoerende delen niet mogelijk is. Aan de compressor is een voorziening aangebracht die de compressor uitschakelt zodra de druk aan de zuigzijde daalt beneden 50% van de door de fabrikant voorgeschreven druk.

 

Deze bepaling is van toepassing voor de bevoorrading van de compressorinstallatie vanuit een aardgas- of tot aardgas opgewaardeerd biogasnetwerk met zeer lage druk (<100 mbar).

 

§ 3.

De aardgasafleverinstallatie wordt uitgerust met overdrukbeveiligingen op de installatieonderdelen waarin een gasdruk kan ontstaan die hoger is dan de maximale bedrijfsdruk. Daarvoor wordt gebruikgemaakt van een afblaasveiligheid met een gecontroleerde en veilige afvoer van het gecomprimeerde gas. De gecontroleerde afvoer is met behoud van de toepassing van artikel 5.16.1.4 verticaal naar omhoog gericht.

 

De compressor is uitgerust met een pressostaat die het volledig aardgasafleverinstallatie stillegt en de overdruk afvoert.

 

§ 4.

Indien de compressor niet is uitgerust met een terugstroombeveiliging, is de toevoerleiding van het gas naar het tankstation voorzien van een elektromagnetische afsluiter die alleen geopend is als de compressor in werking is.

 

§ 5.

Indien in de aardgasafleverinstallatie condensatie van het gas zich kan voordoen, is de aardgasafleverinstallatie uitgerust met drooginstallaties voor het gas zodat het dauwpunt van het water in het gas voldoende laag is om condensatie te vermijden.

 

§ 6.

De aardgasafleverinstallatie is uitgerust met minimaal twee noodstopknoppenin de nabijheid van de tankzuil in de twee voor de hand liggende vluchtrichtingen. De noodstopknoppen zijn voldoende zichtbaar en zodanig opgesteld dat ze altijd goed bereikbaar zijn.

 

De noodstop zorgt ervoor dat de aardgasafleverinstallatie op een veilige wijze tot stilstand komt, waarbij de gastoevoer automatisch wordt afgesloten. Als er in de inrichting ook andere brandstofverdeelinstallaties aanwezig zijn, legt de noodstop ook die brandstofverdeelinstallaties stil.

 

§ 7.

Als de elektrische voedingsspanning wegvalt, komt de installatie automatisch in een veilige toestand waarbij de elektromagnetische afsluiters op de gastoevoer automatisch worden gesloten. In voorkomend geval stopt de tankbeurt die aan de gang is en wordt, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, het gas in de verdeelslang afgelaten naar het aflaatreservoir. Als de spanning weer opkomt, blijft het aardgasafleverinstallatie in de veilige positie en wordt het niet automatisch opnieuw opgestart.

 

§ 8.

De exploitant of zijn aangestelde wordt bij gebruik van een noodstop, technische alarmen in de installatie of het automatisch stilleggen van de installatie door een beveiligingssysteem onmiddellijk en automatisch op de hoogte gebracht.

 

§ 9.

Als de aardgasafleverinstallatie via een noodstop of beveiliging in een veilige toestand komt, verloopt de opstart overeenkomstig een procedure, die voor de in dienst name van de aardgasafleverinstallatie of bij grote veranderingen aan de aardgasafleverinstallatie is goedgekeurd door een erkende milieudeskundige, in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, [...].

 

§ 10.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.12.1 en 5.16.1.2 wordt in overleg met de plaatselijke brandweer voorzien in brandblusmiddelen die aangepast zijn aan de lokale risico’s.


Art. 5.16.8.7. Exploitatie van de aardgasafleverinstallatie

Uitsluitend recipiėnten die conform de vigerende wetgeving dienstig zijn als brandstoftank voor de aandrijfmotor van motorvoertuigen op aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, mogen worden gevuld in de aardgasafleverinstallatie.

 

In de aardgasafleverinstallatie worden duidelijke instructies met pictogrammen, inbegrepen de aanduiding dat de tankzuil alleen bestemd is voor de bevoorrading van geschikte motorvoertuigen op aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, goed zichtbaar opgehangen voor de verbruiker.

 

Een motorvoertuig wordt pas bevoorraad als zijn motor stilgelegd is. De bepalingen van deze paragraaf worden duidelijk zichtbaar opgehangen.

 

De exploitant voorziet in een noodplan dat wordt afgestemd met de gemeentelijke veiligheidscel. Op het aardgasstation worden duidelijk de instructies van het noodplan voor de gebruiker opgehangen.


Art. 5.16.8.8. Controles

De aardgasafleverinstallatie mag niet in dienst genomen worden voor de exploitant in het bezit is van een attest dat afgeleverd is door een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, [...], waaruit op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de aardgasafleverinstallatie voldoet aan de voorschriften van dit hoofdstuk. De erkende milieudeskundige stelt het attest op aan de hand van onderzoeken die hij zelf uitvoert, of op basis van attesten die door andere erkende milieudeskundigen opgesteld zijn en die de exploitant kan voorleggen.

 

De aardgasafleverinstallatie wordt overeenkomstig artikel 5.16.1.8, §2, periodiek onderzocht door een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, [...].

 

In geval van een onbemand aardgasafleverinstallatie wordt minstens wekelijks een visuele inspectie uitgevoerd door de exploitant of zijn aangestelde.

 

Om de twaalf maanden worden de verdeelslangen onderworpen aan een druktest bij een druk van minimaal 375 bar door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. De verdeelslangen worden daarvoor van de verdeelzuil verwijderd en mogen alleen opnieuw in dienst genomen worden als bij die beproeving geen gebreken optreden.

 

Onverminderd de overige bepalingen aangaande de periodieke onderzoeken opgenomen in hoofdstuk 5.16, wordt de aardgasafleverinstallatie onderworpen aan het keuringsschema zoals opgenomen in bijlage 5.16.7. De drooginstallaties worden jaarlijks aan een controle onderworpen door de exploitant of zijn aangestelde.

 

Van de controles en keuringen, vermeld in het eerste tot en met zesde lid, wordt door de vermelde uitvoerder van de keuring een attest opgesteld. De exploitant houdt die attesten ter beschikking van de toezichthoudende overheid.


Art. 5.16.8.9. Overgangsbepalingen

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen van deze afdeling vanaf 1 januari 2015.

Afdeling 5.16.9.
Inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met waterstof


Art. 5.16.9.1.

Deze afdeling is van toepassing op inrichtingen, ingedeeld in rubriek 16.4, 1° van de indelingslijst voor de bevoorrading van motorvoertuigen met waterstof.

 

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, geldt deze afdeling ook voor de waterstofafleverinstallaties die niet voor publiek toegankelijk zijn.


Art. 5.16.9.2.

Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen.

 

Publiek toegankelijke inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met waterstof die met ingang van 18 november 2017 in gebruik worden genomen of worden vernieuwd, voldoen aan de volgende technische specificaties:

Inrichtingen in de open lucht waar gasvormige waterstof kan worden getankt voor gebruik in motorvoertuigen, dienen te voldoen aan de technische voorschriften van de ISO/TS 19880-1 specificatie voor de brandstofvoorziening met gasvormige waterstof;
De zuiverheid van de waterstof die bij inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met waterstof kan worden getankt, dient te voldoen aan de technische specificaties van de ISO 14687-2-norm;
Inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met waterstof dienen gebruik te maken van algoritmen en apparatuur die voldoen aan de ISO/TS 19880-1 specificatie voor de brandstofvoorziening met gasvormige waterstof;
Connectoren voor motorvoertuigen voor het tanken van gasvormige waterstof moeten voldoen aan de norm EN ISO 17268 voor “Vulaansluitingen voor wegvoertuigen met gasvormige waterstof als motorbrandstof” vanaf het moment dat de certificering van connectoren die voldoen aan de norm EN ISO 17268 is afgerond. Connectoren die geļnstalleerd worden voor deze datum, voldoen alleen aan de norm ISO 17268.