Hoofdstuk 5.17.
OPSLAG VAN GEVAARLIJKE PRODUCTEN


Art. 5.17.0.1. [...]

Afdeling 5.17.1.
Gemeenschappelijke bepalingen


Art. 5.17.1.1.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt bij de ingang van een inrichting, vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst, een identificatie- en informatiebord van tenminste 1 m² grootte aangebracht waarop duidelijk leesbaar ten minste de volgende vermeldingen voorkomen:

“VR-PLICHTIGE INRICHTING” als het een inrichting betreft, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst, dan wel “GEVAARLIJKE PRODUCTEN” als het een inrichting betreft, vermeld in rubriek 17.2.1 van de indelingslijst;
de naam, het adres en telefoonnummer van de exploitant;
het telefoonnummer van contactpersonen en voor noodgevallen (brandweer).

 

§ 2.

Bij de toegang tot een inrichting, vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst, bevindt zich een actueel situatieplan van de inrichting in een voor de hulpdiensten gemakkelijk bereikbare brandvrije kast. Op dit situatieplan is voor alle opslagplaatsen van gevaarlijke producten, aanwezig in de inrichting, duidelijk aangeduid:

de juiste liggingsplaats;

de chemische of technische benaming van het gevaarlijke product, met de vermelding van het gevarenpictogram

/de gevarenpictogrammen volgens de CLP-verordening, en van het UN-nummer;

de vermelding of het gaat om een opslag in :
  a) verplaatsbare recipiënten;
  b) vaste bovengrondse houders;
  c) rechtstreeks in de grond ingegraven houders;
  d) in een groeve geplaatste houders;
de maximum opslagcapaciteit in ton of m³;
de normale opslagtemperatuur in °C en de opslagdruk in Pa.

 

§ 3.

De kast, vermeld in paragraaf 2, draagt de vermelding "GS-SITUATIEPLAN", in zwarte letters van ten minste 8 cm hoogte op een gele achtergrond. In geval deze kast op slot wordt gehouden, wordt ofwel:

de desbetreffende vergrendelingssleutel in de onmiddellijke nabijheid van de kast bewaard achter een beschermglas dat in geval van nood met een hamertje kan worden gebroken;
de kast afgesloten met een beschermglas dat in geval van nood met een hamertje kan worden gebroken.

 

§ 4.

Van de bepalingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, mag worden afgeweken als in een alternatief systeem voorzien wordt, aanvaard door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, dat op gebied van informatie minstens dezelfde waarborgen biedt.

 

§ 5.

De nodige voorzieningen worden aangebracht om de inrichting ontoegankelijk te maken voor onbevoegden.

 

§ 6.

Paragraaf 5 is niet van toepassing op opslagplaatsen van vloeibare brandstoffen die deel uitmaken van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen.


Art. 5.17.1.2.

§ 1.

Met behoud van de verplichtingen met betrekking tot inrichtingen waarop rubriek 17.2 van de indelingslijst van toepassing is, houdt de exploitant van een inrichting die in klasse 1 is ingedeeld, een register of een alternatieve informatiedrager bij waarin, per groep, ten minste de aard en hoeveelheden van de opgeslagen gevaarlijke producten worden vermeld.

 

Deze gegevens worden zo opgeslagen dat het mogelijk is om op elk ogenblik de hoeveelheden gevaarlijke producten, die in het bedrijf aanwezig zijn, te bepalen.

 

§ 2.

Het register, vermeld in paragraaf 1, of de alternatieve informatiedrager wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van ten minste 1 maand.”;


Art. 5.17.1.3.

De exploitant van een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, kolom 2 van deel 1 en 2, bij dit besluit, stelt een preventiebeleid voor zware ongevallen vast. Dat beleid staat borg voor een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid en het milieu en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen.

 

De exploitant stelt een document op waarin hij dat beleid beschrijft. Het bevat de algemene doelen van en de beginselen voor het handelen van de exploitant, alsook de rol en de verantwoordelijkheid van het management, en de verbintenis de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en een hoog beschermingsniveau te waarborgen. De exploitant houdt het document ter beschikking van de bevoegde inspectiediensten.

 

Het tweede lid is niet van toepassing als de exploitant een document heeft opgesteld dat het preventiebeleid voor zware ongevallen beschrijft vóór de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot wijziging van het samewerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, en de informatie die opgenomen is in het document, beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en ongewijzigd is gebleven.

 

De exploitant voert het preventiebeleid voor zware ongevallen uit, met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheersysteem, in overeenstemming met bijlage 5bis. Het veiligheidsbeheersysteem is gebaseerd op de evaluatie van de risico’s en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen, de activiteiten en de complexiteit van de organisatie van de inrichting.

 

De exploitant herziet het preventiebeleid voor zware ongevallen periodiek en ten minste om de vijf jaar. Voor zover dat nodig is, stuurt de exploitant het preventiebeleid bij en past hij het document, vermeld in het tweede lid, aan overeenkomstig die bijsturing.


Art. 5.17.1.4.

De elektrische installaties, toestellen en verlichtingstoestellen beantwoorden aan de voorschriften van de Codex voor het Welzijn op het Werk en van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI), in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan.

 

Met behoud van de toepassing van de reglementaire bepalingen worden de elektrische installaties in zones waar gevaar voor brand en ontploffing door de toevallige aanwezigheid van een ontplofbaar mengsel bestaat, ontworpen en uitgevoerd volgens de vereisten van een zoneringsplan.

 

Voor installaties waarop het AREI nog niet van toepassing is, worden de zones ingedeeld overeenkomstig artikel 105 van het AREI.


Art. 5.17.1.5. [...]

Art. 5.17.1.6. [...]

Art. 5.17.1.7. [...]

Art. 5.17.1.8. [...]

Art. 5.17.1.9. [...]

Art. 5.17.1.10. [...]

Art. 5.17.1.11. [...]

Art. 5.17.1.12. [...]

Art. 5.17.1.13. [...]

Art. 5.17.1.14. [...]

Art. 5.17.1.15. [...]

Art. 5.17.1.16. [...]

Art. 5.17.1.17. [...]

Art. 5.17.1.18. [...]

Art. 5.17.1.19. [...]

Art. 5.17.1.20. [...]

Art. 5.17.1.21. [...]

Afdeling 5.17.2.
Opslagplaatsen van aërosolen


Art. 5.17.2.1.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op inrichtingen ingedeeld in rubriek 17.1.1 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Voor de toepassing van deze afdeling worden de aerosolen in een van de volgende vier groepen gerangschikt waarbij gevarenpictogram GHS02 voorrang heeft op gevarenpictogram GHS06, gevarenpictogrammen GHS02 en GHS06 voorrang hebben op gevarenpictogram GHS03 en gevarenpictogrammen GHS02, GHS06 en GHS03 voorrang hebben op alle andere gevarenpictogrammen:

Groep 1: aerosolen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02;
Groep 2: aerosolen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS06;
Groep 3: aerosolen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS03;
Groep 4: de andere niet in groep 1 tot en met groep 3 bedoelde aerosolen.

Art. 5.17.2.2.

§ 1.

De opslag van aerosolen gebeurt beschermd van de zon en wordt niet blootgesteld aan temperaturen boven 50 °C.

 

§ 2.

De opslagplaats mag niet ingericht zijn in een kelderverdieping, noch onder noch boven bewoonde lokalen of lokalen met permanente bezetting.

 

§ 3.

De vloer van de opslagplaats is resistent voor de inhoud van de opgeslagen aerosolen en is zo aangelegd dat de stabiliteit van de opslag van de recipiënten verzekerd is. De vloer van de opslagplaats mag noch openingen, noch holten of geulen bevatten, tenzij voor de afvoer van hemelwater indien een hydraulisch bediend afvoerslot of gelijkwaardig materieel is voorzien. Deze voorschriften gelden eveneens binnen de zone afgebakend door de veiligheidsafstanden, vermeld in artikel 5.17.2.4.

 

§ 4.

Aerosolen, die bij lekken aanleiding kunnen geven tot gevaarlijke reacties, mogen niet samen opgeslagen worden. Alternatieven die vermijden dat de lekkende producten, die gevaarlijk met elkaar kunnen reageren, met elkaar in contact kunnen komen, zijn eveneens toegelaten.

 

§ 5.

De opslagplaats is ontoegankelijk voor onbevoegden.


Art. 5.17.2.3.

§ 1.

Lokalen waarin aerosolen worden opgeslagen, zijn gebouwd conform de toepasselijke brandveiligheidsnormen. In overleg met de plaatselijke brandweer worden de brandblusmiddelen voorzien die aangepast zijn aan de lokale risico’s.

 

§ 2.

In de lokalen of op de plaatsen waar aerosolen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 worden opgeslagen:

worden de nodige maatregelen getroffen om de vorming van gevaarlijke elektrostatische ladingen te voorkomen;
gebeurt de verwarming alleen door middel van toestellen waarvan de plaatsing en de werking voldoende waarborgen bieden om brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen. Verwarmingstoestellen zijn zo geplaatst dat zij de wand van opgeslagen aerosolen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 niet overmatig kunnen opwarmen;
is het verboden vuur te maken en gebruik te maken van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken, tenzij dat door de exploitant of zijn aangestelde een risicoanalyse is uitgevoerd en de vastgestelde voorzorgsmaatregelen zijn genomen.De risicoanalyse en een overzicht van de vastgestelde en uitgevoerde voorzorgsmaatregelen worden op de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder;
is het verboden te roken; dit rookverbod wordt op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangegeven; dit rookverbod wordt niet aangegeven als het lokaal of de plaats gelegen is binnen een grotere rookvrije zone; het rookverbod is dan aangegeven bij alle toegangen tot de rookvrije zone;
zijn de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en uitwasemingen van niet-brandbare materialen.

 

§ 3.

De exploitant treft de noodzakelijke maatregelen om in geval van een brand in de opslagplaats voor aerosolen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 het verspreiden van projectielen van de aerosolen uit de opslagplaats tegen te gaan. Dit kan door middel van:

een voldoende sterke afscheiding van gaas met een vrije opening van maximaal 5 cm of;
opslag in een afzonderlijk afgesloten brandcompartiment met automatisch sluitende branddeuren of;
een hiervoor geschikt automatisch blussysteem dat door de brandweer is goedgekeurd;
een soortgelijk systeem waardoor het verspreiden van projectielen uit de opslagplaats voorkomen wordt.

 

§ 4.

Paragraaf 3 is niet van toepassing op inrichtingen waar de totale netto inhoud van aerosolen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 minder dan 3000 l bedraagt..Voor de overige inrichtingen kan van paragraaf 3 in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken op basis van een risicoanalyse opgesteld door de exploitant en steunend op een advies van de brandweer.


Art. 5.17.2.4.

§ 1.

Tussen een stockeringszone voor aerosolen gerangschikt in een welbepaalde groep van de groepen, vermeld in artikel 5.17.2.1, §2, enerzijds en de overige elementen, vermeld in bijlage 5.17.1, anderzijds, bestaat een minimale scheidingsafstand, uitgedrukt in m, zoals in bijlage 5.17.1 aangegeven.

 

§ 2.

De te hanteren scheidingsafstand tussen twee elementen is de grootste van de afstanden aangegeven in bijlage 5.17.1.

 

§ 3.

De scheidingsafstanden, vermeld in bijlage 5.17.1, mogen verminderd worden door de constructie van een veiligheidsscherm, op voorwaarde dat de afstand, die horizontaal omheen dit scherm gemeten wordt, tussen de beschouwde stockeringszone en voornoemde zones en elementen, gelijk is aan of meer bedraagt dan de minimale scheidingafstanden, vermeld in bijlage 5.17.1.

 

Het veiligheidsscherm is ofwel van metselwerk met een dikte van ten minste achttien cm, ofwel van beton met een dikte van ten minste tien cm, ofwel van enig ander materiaal met een dikte die een equivalente vuurweerstandscoëfficiënt heeft. Voor de open opslagplaatsen tot en met een netto inhoud van 10.000 l volstaat een dicht en onbrandbaar scherm.

 

§ 4.

De stockeringszones worden aangegeven door middel van wanden, veiligheidsschermen, markeringen op de grond, kettingen of vaste afbakeningen op 1 m hoogte.

 

§ 5.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden afgeweken van voormelde minimale scheidingsafstanden steunend op de resultaten van het veiligheidsrapport of op basis van een risicoanalyse opgesteld door een VR-deskundige.


Art. 5.17.2.5.

Voor inrichtingen, waarvoor de opslag van aerosolen op 1 juni 2015 vergund was, gelden artikel 5.17.2.3, §3, en 5.17.2.4 vanaf 1 juni 2018.”;


Art. 5.17.2.6. [...]

Art. 5.17.2.7. [...]

Art. 5.17.2.8. [...]

Art. 5.17.2.9. [...]

Art. 5.17.2.10. [...]

Art. 5.17.2.11. [...]

Art. 5.17.2.12. [...]

Afdeling 5.17.3.
Opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen


Subafdeling 5.17.3.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.17.3.1.1.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen vermeld in rubriek 17.1.2 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Alleen de volgende houders mogen door middel van een verplaatsbaar recipiënt of een tankwagen, gevuld worden met vloeibaar gemaakte gassen van de groepen 1, 2 of 3, vermeld in paragraaf 4:

de vaste reservoirs op de plaats, aangeduid in de melding of vergunningsaanvraag;
de verplaatsbare recipiënten in de inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten, ingedeeld in rubriek 16.4 van de indelingslijst.

 

  

 

§ 3.

De volgende voorschriften worden met betrekking tot de opslag van gassen in acht genomen:

de gassen mogen niet buiten de daartoe bestemde opslagruimte worden opgeslagen;
de nodige voorzorgsmaatregelen worden getroffen om te vermijden dat gassen met elkaar of met andere stoffen in contact komen waarbij ofwel:
  a) gevaarlijke chemische reacties kunnen plaatsvinden;
  b) gassen met elkaar kunnen reageren onder vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen en dampen;
  c) gassen samen ontploffingen of branden kunnen veroorzaken.

 

§ 4.

Voor de toepassing van deze afdeling worden de gevaarlijke gassen in een van de volgende vier groepen gerangschikt waarbij gevarenpictogram GHS02 voorrang heeft op gevarenpictogram GHS06, gevarenpictogrammen GHS02 en GHS06 voorrang hebben op gevarenpictogram GHS03 en gevarenpictogrammen GHS02, GHS06 en GHS03 voorrang hebben op alle andere gevarenpictogrammen:

Groep 1: gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02;
Groep 2: gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS06;
Groep 3: gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS03;
Groep 4: de andere gassen, die niet vermeld zijn in groep 1 tot en met groep 3.

Art. 5.17.3.1.2.

§ 1.

In de lokalen of op de plaatsen waar gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1) geproduceerd, opgeslagen of behandeld worden, worden de nodige maatregelen getroffen om de vorming van gevaarlijke elektrostatische ladingen te voorkomen.

 

§ 2.

De verwarming van de lokalen of van de plaatsen, vermeld in paragraaf 1, mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en de werking voldoende waarborgen bieden om brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen. Verwarmingstoestellen zijn zo geplaatst dat zij de wand van opgeslagen gasrecipiënten niet overmatig kunnen opwarmen.

 

§ 3.

In de lokalen of de op de plaatsen, vermeld in paragraaf 1:

is het verboden vuur te maken en gebruik te maken van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken, tenzij voor onderhouds- en constructiedoeleinden op voorwaarde dat de door de exploitant of zijn aangestelde vastgestelde voorzorgsmaatregelen zijn genomen. Wanneer gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1) effectief aanwezig zijn, dient het gehalte aan brandbaar gas in de werkzone onder de grens van één vijfde van de laagste ontvlambaarheidsgrens te blijven. Dit gehalte moet tijdens de uitvoering van de werken voortdurend gecontroleerd worden;
is het verboden te roken; dit rookverbod is aangegeven op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen; dit rookverbod dient niet aangegeven als het lokaal of de plaats gelegen is binnen een grotere rookvrije zone; het rookverbod is dan aangegeven bij alle toegangen tot de rookvrije zone;
zijn de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en uitwasemingen van niet-brandbare materialen;
is het verboden met motorvoertuigen binnen te rijden, tenzij noodzakelijk voorladen en lossen, onderhoud of constructie en op voorwaarde dat de voorzorgsmaatregelen, die zijn vastgesteld door de exploitant of zijn aangestelde, zijn genomen;
is de opslag van brandbare stoffen verboden binnen de 5 m van de productie/opslag/behandeling van de gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1);
zijn, behalve wanneer het gaat om samengeperste gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1) lichter dan lucht, rioleringsputten of aansluitingen met de rioleringen verboden, tenzij ze uitgerust zijn met een luchtafsnijder waarvan de werking verzekerd is.

De aanwezigheid van gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1), het verbod tot roken en het verbod vuur te maken worden aangegeven via duidelijk zichtbare pictogrammen, die zijn vastgesteld bij het koninklijk besluit van 17 juni 1997.

 

§ 4.

Het is verboden gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1) op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40 °C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.


Art. 5.17.3.1.3.

De voorschriften, vermeld in deze afdeling, inzake de bouw van drukapparaten, lekdichtheidstest en de veiligheidsvoorzieningen van drukapparaten worden geacht geëerbiedigd te zijn voor de drukapparaten of samenstellen waarvoor een EG-verklaring van overeenstemming voor handen is en die tevens is voorzien van de CE-markering, tenzij een keuringsdienst van gebruikers de EG-verklaring heeft opgesteld.

 

Voor de drukapparaten of samenstellen met een EG-verklaring van overeenstemming blijven de wettelijke bepalingen in verband met de markering en etikettering ook na de inbedrijfstelling geëerbiedigd.


Art. 5.17.3.1.4.

§ 1.

De exploitant treft als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen opdat, bij herstellen, lek, ontsnapping via veiligheidsklep, en dergelijke, het ontsnappende gas de buurt niet hindert, noch de omgevingslucht, de bodem, het oppervlaktewater of grondwater verontreinigt. Zo nodig wordt het ontsnappende gas via leidingen naar een geschikte plaats geëvacueerd.

 

§ 2.

De evacuatieleiding van een veiligheidsklep:

is zo gedimensioneerd dat de vereiste capaciteit van de veiligheidsklep beschikbaar blijft overeenkomstig de richtlijnen van de fabrikant;
is uitgevoerd in een materiaal dat weerstand biedt aan de mechanische en chemische inwerkingen waaraan ze is blootgesteld;
mag niet kunnen worden afgesloten indien de veiligheidsklep in dienst is;
is tegen verstopping en het binnendringen van regenwater beschermd.

 

§ 3.

Als gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1) van een veiligheidsklep naar de openlucht geëvacueerd worden, zijn onderstaande regels op de uitmonding van toepassing:

als er zich binnen een straal van 5 m van de uitmonding een ventilatie- of luchttoevoeropening bevindt van een gebouw of een ruimte waarin zich gas kan ophopen, dan moet de evacuatieleiding uitmonden op een hoogte van ten minste 3 m boven het maaiveld, en ten minste 1 m hoger zijn dan dit gebouw;
de uitmonding gebeurt op een veilige plaats, ten minste 1 m verwijderd van ontstekingsbronnen (waaronder niet-explosieveilig elektrisch materieel);
de uitmonding is ten minste 1 m verwijderd van het verharde gedeelte van een voor publiek vrij toegankelijk terrein;
de uitmonding bevindt zich op een voldoende verluchte plaats waar geen gasophoping kan plaatsvinden.

 

Een andere configuratie, die volgens een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen minstens even veilig is voor de omgeving, gelet op de aard van het gas en de omgeving, is eveneens toegestaan.


Art. 5.17.3.1.5.

§ 1.

De elektrische installaties, toestellen en verlichtingstoestellen beantwoorden aan de voorschriften van de Codex voor het Welzijn op het Werk en van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan.

 

§ 2.

De installatie moet beantwoorden aan de voorschriften vermeld in het koninklijk besluit van 26 maart 2003 betreffende het welzijn van de werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen.

 

§ 3.

Bij installaties met gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1) bevinden de reservoirs, de metalen steunen, de verschillende met flenzen verbonden gedeelten van buisleidingen en alle metalen onderdelen zich voortdurend onder hetzelfde elektrische potentiaal. Daartoe zijn deze verschillende elementen met elkaar verbonden door een systeem van doelmatige geleiders. Andere systemen die een gelijkwaardige beveiliging bieden, kunnen toegelaten worden door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

§ 4.

De exploitant houdt elk keuringsattest van de elektrische installatie en, indien van toepassing het zoneringsplan, ter inzage van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en van de toezichthouder en dit ten minste tot het attest van het tweede navolgende gelijkaardige onderzoek beschikbaar is.


Art. 5.17.3.1.6.

§ 1.

Voor de installatieleidingen voor gevaarlijke gassen gelden de volgende voorschriften:

de pijpen en hun koppelingen zijn vervaardigd uit buizen met eigenschappen die verenigbaar zijn met de druk- en temperatuursvoorwaarden en het vervoerde fluïdum; voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan dienen zij van staal te zijn met hoge lasbaarheid conform een norm bedoeld voor gassen onder druk; een ander materiaal dat de vermelde hoedanigheden evenveel waarborgt, mag eveneens worden gebruikt;
voor de vaste leidingen is de maximale werkdruk als volgt te bepalen:
  a) voor de elementen in contact met niet ontspannen gassen (vloeibare fase of gasvormige fase):
    1) voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan is de maximale werkdruk de in bijlage 5.16.4 aangeduide waarde verhoogd met de grootste overdruk die door eventuele compressoren of pompen kan worden veroorzaakt;
    2) voor de overige gassen is de maximaal toelaatbare werkdruk ten minste gelijk aan de maximale werkdruk van het aangesloten reservoir, vermeerderd met de overdruk veroorzaakt door de eventuele compressoren en pompen;
  b) voor de elementen in contact met het ontspannen gas: de maximumdruk die na die ontspanner kan voorkomen;
eisen van maximaal toelaatbare druk (PS) en vervangtermijn voor buigbare vaste hydraulische slangen, voorzien van hun koppelingen:
  a) ofwel zijn ze zo ontworpen en vervaardigd dat ze kunnen weerstaan aan een druk van:
    1) 4 maal de maximale werkdruk voor de leidingen waarvan de nominale maat (DN) kleiner is dan 65;
    2) 3 maal de maximale werkdruk voor de leidingen waarvan de nominale maat (DN) gelijk is aan of groter is dan 65;

dergelijke slangen worden ten minste vijf jaar na indienstneming vervangen door nieuwe;

  b) ofwel mogen ze zijn ontworpen en vervaardigd voor een kleinere druk als ze sneller vervangen worden, of als ze na een bepaald aantal draaiuren automatisch buiten dienst gesteld worden; deze werkwijze mag alleen toegepast worden als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hieraan zijn goedkeuring geeft en de druk en het vervangsignaal expliciet in het afgeleverde attest vermeldt;
  c) ofwel mag hieromtrent de gebruiksaanwijzing van de fabrikant strikt gevolgd worden; deze werkwijze mag alleen toegepast worden als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hieraan zijn goedkeuring geeft en hij de gebruiksaanwijzing, de druk en het vervangsignaal expliciet in het afgeleverde attest vermeldt;
  d) ofwel mag tenslotte een code van goede praktijk gevolgd worden; deze werkwijze mag alleen toegepast worden als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hieraan zijn goedkeuring geeft en hij de code van goede praktijk, de druk en het vervangsignaal expliciet in het afgeleverde attest vermeldt.
de slangen voorzien van hun koppelingen en de vaste leidingen, worden, na het monteren, onderworpen aan een proefdruk gelijk aan 1,4 maal de maximale werkdruk met een minimum van 300 kPa; deze proef wordt zo uitgevoerd dat de dichtheid en ook de afwezigheid van vervormingen en van eventuele fouten die de veiligheid zouden kunnen schaden zo nauwkeurig mogelijk nagegaan worden;

 

mits akkoord van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, kunnen de hydrostatische druktesten vervangen worden door proeven met gas onder een druk van 1,2 maal de maximale werkdruk indien de pijpen bij de constructeur hydrostatisch werden getest op een druk van ten minste 1,5 maal de maximale werkdruk; Voor de aftapslangen voorzien van hun koppelingen aangesloten op de vloeibare fase is deze proef ten minste ieder jaar te hernieuwen; ze heeft plaats aan de maximale werkdruk;

de nodige maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat in de leidingen van de vloeibare fase een druk zou kunnen ontstaan die de druk PS van de leiding met meer dan 20 % overtreft;

 

De milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen kan andere maatregelen toestaan om te beletten dat overdrukken een onveilige toestand veroorzaken.

 

§ 2.

Alle onderdelen van de installatie, zoals afsluitkranen, ontspanners, kleppen, ventielen, slangen, dichtingen, zijn ontworpen en vervaardigd rekening houdend met de eigenschappen van het gebruikte gas.

 

§ 3.

Wat betreft de pijpleidingen en slangen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan bij opslagplaatsen voor deze gassen in vaste ongekoelde houders, worden, voor de elementen in contact met het ontspannen gas, de bovenstaande bepalingen en artikel 5.17.3.1.7 echter vervangen door de norm NBN D 51-006 “Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen”.

 

§ 4.

Paragraaf 1 tot en met 3 gelden voor installaties geplaatst na 1 januari 2009.


Art. 5.17.3.1.7.
Voor ondergrondse gasreservoirs en gasleidingen gekoppeld aan deze reservoirs, geplaatst na 1 januari 2009, gelden bijkomend de volgende voorschriften:
de installatie, de bekleding en de uitrusting worden uitgevoerd volgens een code van goede praktijk;
bij gevaar voor overstroming of hoge waterstand worden de nodige voorzieningen aangebracht om te beletten dat een reservoir zou worden opgelicht;
de vereiste maatregelen worden getroffen om de ondergrondse reservoirs en leidingen maximaal te beschermen tegen mechanische beschadiging;

de ondergrondse houders worden met een ten minste 50 cm dikke laag grond of een ander aangepast inert materiaal bedekt. Voor LPG-houders met een maximaal inhoudsvermogen van 5.000 l volstaat een bedekking van 30 cm in plaats van 50 cm, mits de bovenzijde van de houder over de gehele lengte en over voldoende breedte tegen graafwerken wordt beschermd door een oordeelkundig geplaatst kunststofnet.

 

De ondergrondse metalen reservoirs en leidingen worden voorzien van een bekleding met een totale diëlektrische weerstand van ten minste 10 kV.

 

Vóór de plaatsing van een metalen houder en de erbij horende leidingen:

a)    binnen een waterwingebied of een beschermingszone type I of II,

of

b)    in de omgeving van elektrische geleiders waar belangrijke zwerfstromen kunnen aanwezig zijn,

wordt de corrosiviteit van de bodem en van de opvulgrond bepaald en gecategoriseerd door een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, volgens de werkwijzen, vermeld in bijlage 5.17.5. Hierbij wordt de corrosiviteit van de grond op het diepste punt van de plaats waar de metalen houder komt te liggen, of de opvulgrond, gecategoriseerd als "weinig corrosief", "matig corrosief", "corrosief" of "sterk corrosief". De bepaling van de corrosiviteit mag niet geschieden onder extreme omstandigheden van droogte of bij vorst.

 

Van bovenvernoemde bepaling van corrosiviteit mag afgezien worden als de corrosiviteit van de bodem en opvulgrond reeds werd bepaald tijdens de laatste vijf jaar of wanneer zonder voorafgaand bodemcorrosiviteitsonderzoek kathodische bescherming wordt aangebracht. Het aanbrengen van deze kathodische bescherming gebeurt onder toezicht van een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie.

 

Kathodische bescherming:

als het resultaat van het voorafgaand bodemcorrosiviteitsonderzoek, "corrosief" of "sterk corrosief" is, wordt kathodische bescherming aangebracht;
als het resultaat van het voorafgaand bodemcorrosiviteitsonderzoek, "matig corrosief" is, mag er in eerste instantie voor geopteerd worden geen kathodische bescherming te plaatsen. In dit geval wordt een corrosiemonitoring aan de hand van een permanente of periodieke potentiaalmeting uitgevoerd; bij een potentiaalmeting meer positief dan -500 mV ten opzichte van een Cu/CuSO4 referentie-elektrode, wijzend op mogelijke corrosie of zwerfstromen, wordt kathodische bescherming aangebracht;
als het resultaat van het voorafgaand bodemcorrosiviteitsonderzoek "weinig corrosief" is, is kathodische bescherming niet noodzakelijk.


Bij kathodische bescherming wordt het gehele oppervlak van de houder, met inbegrip van de metalen leidingen (indien nodig), op een potentiaal gebracht van -850 mV of een grotere negatieve waarde gemeten ten opzichte van een Cu/CuSO4 referentie-elektrode. In anaërobe gronden bedraagt dit potentiaal ten minste -950 mV.

 

Bij kathodische bescherming zijn de bovengrondse leidingen geïsoleerd van de ondergrondse leidingen.

nadat het reservoir in de uitgraving is geplaatst en alvorens hij wordt bedekt, gaat de milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie na of de bekleding van het reservoir nog in goede staat verkeert en of de diëlektrische weerstand ervan voldoende is; indien dit niet het geval is, wordt de oorzaak opgespoord en verholpen, waarna de diëlektrische weerstand opnieuw wordt gemeten; teneinde de bekleding niet te beschadigen, mag bij een controlemeting niet getest worden op een hogere diëlektrische weerstand dan de door de constructeur gewaarborgde diëlektrische weerstand;

de aanvulling van de uitgraving alsook de eventuele ophoging gebeurt met niet-corrosieve grond met korrelgrootte kleiner dan 2 mm en voor zover noodzakelijk mag een verharding ter bescherming tegen mechanische beschadiging door motorvoertuigen aangebracht worden;

de exploitant beschikt over een attest van een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie; het attest vermeldt ten minste:

a) de goedkeuring van de bekleding van het reservoir en van de ondergrondse leidingen, rekening houdend met de bodemgesteldheid;
b) de goedkeuring van de keuze van de kathodische bescherming als deze is vereist;
c) het resultaat van de meting van de diëlektrische weerstand van de bekleding, vermeld in punt 4°;
d) de polarisatiepotentiaal van het te beschermen oppervlak gemeten ten opzichte van de Cu/CuSO4 referentie-elektrode.

De exploitant houdt het attest ter inzage van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en van de toezichthouder.

 


Art. 5.17.3.1.8.

§ 1.

De onderzoeken, vermeld in deze afdeling voor bepaalde installaties, uit te voeren door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, omvatten, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld in de betrokken afdeling, het volgende:
de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen onderzoekt de EG-verklaring van overeenstemming, de attesten en de gebruiksaanwijzing, die hem worden voorgelegd door de exploitant;
hij gaat na of de installatie voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling, aan de bijzondere vergunningsvoorwaarden, alsmede aan alle andere eisen die de goede en veilige werking van de installatie moeten waarborgen. Hij gaat eveneens na of de goede werking van de installatie niet in het gedrang wordt gebracht door de opstelling ervan, door de voorziene gebruiksomstandigheden of door enig ander zichtbaar gebrek;
behalve bij installaties met samengeperste lucht, onderwerpt de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen de gehele installatie aan een lekdichtheidstest volgens een code van goede praktijk. Bij de ingebruikname van de installatie dient deze test evenwel niet te worden uitgevoerd op de onderdelen of het geheel waarvoor een EG-verklaring van overeenstemming voorhanden is;
de installatie wordt volgens een code van goede praktijk gecontroleerd op de staat van bewaring en op de bescherming tegen corrosie.
a)  Onderzoeken bij (her)ingebruikname
 

Met uitzondering van de vacuümgeïsoleerde reservoirs waarvan de binnenmantel uit roestvrij staal of aluminium bestaat, omvat het onderzoek bij (her)ingebruikname steeds een inwendig onderzoek van de houder.

Het inwendig onderzoek van de houders bij ingebruikname kan worden weggelaten in de volgende omstandigheden:

  1) de houder wordt bij de constructeur onderworpen aan een inwendig onderzoek conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur;
  2) de houder wordt onmiddellijk na het inwendig onderzoek gevuld met een inert gas en op een permanente overdruk van ten minste 100 mbar bewaard;
  3) de constructeur of zijn aangestelde persoon, conform het koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur, maakt een attest op, met de naam van het inert gas  en waarin ondubbelzinnig verklaard wordt dat het inwendige van de tank in goede staat is en de vulling met het inert gas op voldoende druk gebeurd is;
  4) de exploitant legt dit attest voor aan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen bij de keuring voor ingebruikname;
  5) bij twijfel over de staat van bewaring en de bescherming tegen corrosie van de nieuwe houder kan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen steeds een nieuw inwendig onderzoek uitvoeren.
  Het inwendig onderzoek van de houders bij heringebruikname kan worden weggelaten in de volgende omstandigheden:
  1) de houder wordt bij de leverancier onderworpen aan een inwendig onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen;
  2) de houder wordt onmiddellijk na het inwendig onderzoek gevuld met een inert gas en op een permanente overdruk van ten minste 100 mbar bewaard;
  3) de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen maakt een attest op, met de naam van het inert gas  en waarin ondubbelzinnig verklaard wordt dat het inwendige van de tank in goede staat is en de vulling met het inert gas op voldoende druk gebeurd is;
  4) de exploitant legt dit attest voor aan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen bij de keuring voor heringebruikname;
  5) bij twijfel over de staat van bewaring en de bescherming tegen corrosie van de houder kan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen steeds een nieuw inwendig onderzoek uitvoeren.
b) Periodieke onderzoeken
  1) Vacuümgeïsoleerde reservoirs
    Als aan een of meerdere van de drie onderstaande condities is voldaan, mag het periodiek onderzoek zich beperken tot een uitwendig onderzoek, zo niet wordt het periodiek onderzoek steeds aangevuld met een inwendig onderzoek:
    1. het dauwpunt van het opgeslagen product is lager dan -10 °C,
    2. de binnenmantel bestaat uit roestvrij staal of aluminium,
    3. als uit een risicoanalyse van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen blijkt dat, gelet op de eigenschappen van het opgeslagen product, het materiaal van het reservoir, de gebruikshistoriek van het reservoir, de opslagcondities en eventuele andere relevante parameters, geen inwendige corrosie kan optreden.
  2)

lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van maximaal 13.000 liter:


Het periodiek onderzoek mag zich beperken tot een uitwendig onderzoek.

  3)

lpg-reservoirs met een inhoudsvermogen van meer dan 13.000 liter:

Het periodiek onderzoek bestaat uit een uitwendig onderzoek aangevuld met een inwendig onderzoek. Wat het inwendig onderzoek betreft, wordt de i maximumtermijn, vermeld in paragraaf 2, van de periodieke onderzoeken van vijf jaar op twintig jaar gebracht. De termijn voor het uitwendig periodiek onderzoek blijft echter vijf jaar.

  4)

Voor houders met samengeperste lucht met een inhoud van meer dan 300 liter is steeds een inwendig onderzoek vereist.

  5)

Andere reservoirs voor opslag van gassen, dan deze vermeld in punt 1) tot en met 4):

 

Het periodiek onderzoek betreft naast een uitwendig onderzoek steeds een inwendig onderzoek, tenzij uit een risicoanalyse van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen blijkt dat, gelet op de eigenschappen van het opgeslagen product, het materiaal van het reservoir, de gebruikshistoriek van het reservoir, de opslagcondities en eventuele andere relevante parameters, geen inwendige corrosie kan optreden.

Deze bepalingen gelden zowel voor bovengrondse, ondergrondse als ingeterpte opslaghouders.

 

Wijziging termijnen periodieke onderzoeken:

 

Bovendien kan, in het algemeen, de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen de periodiciteit van de onderzoeken, vermeld in paragraaf 2, wat betreft de inwendige onderzoeken, in functie van de gedane vaststellingen of ervaring, mits motivatie, wijzigen, evenwel zonder dat de termijn tussen twee opeenvolgende inwendige onderzoeken bij verhoging van de termijn meer dan tien jaar mag bedragen. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan deze termijn van tien jaar verlengd worden tot maximaal twintig jaar.

 

Alternatieve onderzoeksmethoden ter vervanging van het inwendig onderzoek:

 

Het periodieke inwendige onderzoek mag vervangen worden door een alternatieve onderzoeksmethode die dezelfde waarborgen biedt. Elk deelonderzoek wordt hierbij uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. De voormelde alternatieve onderzoeksmethode en code van goede praktijk worden aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Bij het gebruik van een alternatieve onderzoeksmethode moet de periodieke herhaling korter of gelijk zijn aan de termijn, die door dit besluit of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is opgelegd. Deze termijn wordt vastgelegd op basis van een risicoanalyse uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

De voormelde milieudeskundige stelt een ondertekend attest op van de aanvaarding van de alternatieve onderzoeksmethode en gebruikte code van goede praktijk, alsook de verplichte periodiciteit op basis van de risicoanalyse. De exploitant houdt dit attest ter beschikking van de toezichthouder.

 

Aanvullende onderzoeken op basis van vaststellingen tijdens het periodiek onderzoek:

 

Als een reservoir sterk gecorrodeerd is, kan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, aanvullende onderzoeken, met inbegrip van een hydrostatische druktest, van het reservoir opleggen;

 

Aanvullende onderzoeken voor ondergrondse houders:

zonder kathodische bescherming

In verband met het nagaan van de uitwendige invreting van de platen van de gasreservoirs wordt bij de ingegraven reservoirs zonder kathodische bescherming dit onderzoek verricht met behulp van ultrasone stralingen of van elk ander procedé dat de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen als toereikend beschouwt.

met kathodische bescherming

Bij de ingegraven reservoirs met kathodische bescherming volstaat het de kathodische bescherming jaarlijks door een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie te laten nazien;

 

de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen controleert de goede werking van de veiligheidsvoorzieningen. Voor het nazicht van de veiligheidskleppen van vacuümgeïsoleerde gasopslagreservoirs wordt de maximumtussentijd van zes jaar vervangen door een maximumtussentijd van drie jaar. De veiligheidskleppen van de andere gasopslagreservoirs worden ten minste om de tien jaar herafgesteld;

alleen als de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen het nodig acht maar nooit bij ingebruikname wanneer voor het desbetreffende onderdeel of wanneer voor het samenstel een EG-verklaring van overeenstemming voorhanden is, wordt een drukweerstandproef uitgevoerd, gewoonlijk een hydrostatische druktest van de drukvaten: de beproevingsdruk is minstens gelijk aan de hoogste van de volgende waarden:

     a)    de druk die overeenstemt met de maximale gebruiksbelasting die het apparaat kan weerstaan gelet op de maximaal toelaatbare druk en de maximaal toelaatbare temperatuur, vermenigvuldigd met 1,25;

     b)    de maximaal toelaatbare druk, vermenigvuldigd met 1,43;

     voor een drukvat zonder EG-verklaring van overeenstemming mag deze factor 1,43 vervangen worden door de factor voorzien in de code van goede praktijk, die gehanteerd werd bij het ontwerp van het drukvat; bij vacuümgeïsoleerde reservoirs wordt de proefdruk echter 1 bar hoger genomen.

     De hoger bepaalde beproevingsdruk mag op aanvraag van de constructeur verhoogd worden, op voorwaarde dat deze schriftelijk aantoont dat de voorgestelde beproevingdruk geen overdreven spanning in de verschillende delen van het reservoir zal veroorzaken; gedurende de proef mag in het apparaat geen significant lek of een vervorming boven een vastgestelde drempel optreden; de proef mag tot geen enkele blijvende vervorming aanleiding geven; ingeval de hydrostatische druktest schadelijk is of zeer hinderlijk voor de exploitatie, kunnen er alternatieve onderzoeksmethodes worden toegepast om te achterhalen of de sterkte nog voldoende gewaarborgd blijft;

de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen maakt het attest, vermeld in artikel 5.17.3.1.9, op.

 

 

§ 2.

De periodieke onderzoeken, vermeld in paragraaf 1, worden, tenzij een andere termijn is bepaald overeenkomstig paragraaf 1 of in de volgende afdelingen, uitgevoerd ten minste om de vijf jaar, beginnend bij het onderzoek bij ingebruikname, en na elke belangrijke aanpassing ofbelangrijke herstelling van de installatie. Voor vacuümgeïsoleerde gasopslagreservoirs is de maximumtermijn evenwel zes jaar in plaats van vijf jaar.

 

Als in het voorgaande afgeleverde attest een kleinere maximumtermijn is opgelegd, wordt deze kleinere maximumtermijn geëerbiedigd, eventueel alleen voor de controles, bepaald in het attest.


Art. 5.17.3.1.9.

§ 1.

Het attest, vermeld in artikel 5.17.3.1.8, bevat:

de gedetailleerde opgave van de gedane controles en beproevingen, die de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen zelf heeft uitgevoerd alsmede van de hierbij gedane relevante vaststellingen;
in het geval hij beslist heeft een drukweerstandsproef uit te voeren, de motivatie van deze beslissing;
het ondubbelzinnige besluit dat:
  a) de installatie wel of niet voldoet aan de sectorale voorwaarden van deze afdeling , aan de bijzondere vergunningsvoorwaarden alsmede aan alle andere eisen die de goede en veilige werking van de installatie moeten waarborgen;
  b) de goede werking van de installatie wel of niet in het gedrang wordt gebracht door de opstelling ervan, door de voorziene gebruiksomstandigheden of door enig ander zichtbaar gebrek;
bij een tekort: of de installatie al dan niet in werking mag gesteld werden en zo ja binnen welke termijn deze tekorten moeten verholpen worden en welke voorzorgsmaatregelen de exploitant dient te treffen om ondertussen een aanvaardbaar veiligheidspeil te waarborgen;
bij het ontbreken van een gebruiksaanwijzing, een opsomming van de vereiste veiligheidsvoorzieningen en onderhoudshandelingen;
de termijn waarbinnen de inrichting aan een nieuw onderzoek moet onderworpen worden om in dienst te mogen blijven met in acht name van de maximumtermijnen vastgesteld in deze afdeling.

 

§ 2.

De exploitant houdt elk door deze afdeling voorgeschreven attest van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen ter inzage van de toezichthouder en dit ten minste tot het attest van het tweede navolgende gelijkaardige onderzoek beschikbaar is.

 

§ 3.

Als volgens deze afdeling onderzoeken door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen vereist zijn, mogen de desbetreffende installaties slechts in gebruik genomen of verder worden gebruikt indien uit het attest blijkt dat de goede en veilige werking van de installatie is gewaarborgd of indien, wanneer tekorten werden vastgesteld, de nodige maatregelen worden getroffen om de vastgestelde tekorten binnen de in het attest vastgestelde termijn te verhelpen en de in het attest vastgestelde nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om ondertussen een aanvaardbaar veiligheidspeil te waarborgen.

 

§ 4.

Voor elke herstelling, het aanbrengen van iedere wijziging aan het reservoir en het lassen van bijhorigheden op een gasreservoir, die volgens deze afdeling aan onderzoeken door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen is onderworpen, is de voorafgaande schriftelijke toestemming vereist van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Deze milieudeskundige deelt de veiligheidsmaatregelen, die vereist zijn bij deze handelingen, schriftelijk aan de exploitant mee.

 

§ 5.

Voor de vergunningsplichtige en meldingsplichtige installaties die op 1 januari 2009 vergund respectievelijk gemeld zijn waarvoor volgens de op 1 januari 2008 bestaande regeling in deze afdeling geen attest van een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen vereist was, wordt het onderzoek, vermeld in deze afdeling, door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op 1 januari 2011.

 

Voor bovenvermelde installaties, die bovendien niet voldoen aan de in deze afdeling opgelegde voorschriften inzake de bouw van drukapparaten, lekdichtheidstesten de veiligheidsvoorzieningen van drukapparaten, worden deze voorschriften vervangen door volgende bepalingen: met het oog op het eerste onderzoek bezorgt de exploitant van de installatie aan de erkende milieudeskundige alle documenten die het mogelijk kunnen maken over de veiligheid van de installatie te oordelen; bij gebrek aan bewijskrachtige documenten gaat de erkende milieudeskundige over tot een grondig onderzoek van de installatie en tot elke andere controle die hij nodig acht.

 

De op 1 januari 2009 lopende attesten van een onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen die volgens de op 1 januari 2008 bestaande regeling in deze afdeling vereist waren, blijven geldig tot op de datum die in het attest is vermeld; is er in het attest geen datum vermeld dan blijft het attest van kracht volgens de op 1 januari 2008 bestaande regeling voor de geldigheidsduur van het attest.


Subafdeling 5.17.3.2.
Opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten


Art. 5.17.3.2.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 17.1.2.1 van de indelingslijst.


Art. 5.17.3.2.2. Veiligheidsscherm

§ 1.

Het veiligheidsscherm is ofwel van metselwerk met een dikte van tenminste 18 cm, ofwel van beton met een dikte van tenminste 10 cm, ofwel van enig ander materiaal met een dikte die een equivalente vuurweerstandscoëfficiënt heeft. Voor de opslagplaatsen in open lucht tot en met een waterinhoud van 10.000 l volstaat een dicht en onbrandbaar scherm.

 

§ 2.

Het scherm heeft een hoogte van minimaal 2 m en overschrijdt de maximale hoogte van de opgeslagen recipiënten met minimaal 0,5 m.


Art. 5.17.3.2.3. Inrichting opslagplaatsen

§ 1.

Als er in de inrichting gassen gerangschikt in verschillende groepen, vermeld in artikel 5.17.3.1.1, §4, worden opgeslagen, wordt de opslagplaats verdeeld in verschillende stockeringszones, waarbij in elke stockeringszone enkel gassen gerangschikt in eenzelfde groep mogen worden gestockeerd.

Tussen deze verschillende stockeringszones bestaan minimum de afstanden, vermeld in artikel 5.17.3.2.4.

 

§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 mogen gassen gerangschikt in verschillende groepen, vermeld in artikel 5.17.3.1.1, §4, wel samen in eenzelfde stockeringszone worden gestockeerd op voorwaarde dat de minimumafstand, vermeld in artikel 5.17.3.2.4, tussen deze groepen nul meter bedraagt.

 

§ 3.

De lege recipiënten worden binnen hun respectieve stockeringszones opgeslagen op een hiervoor voorbehouden plaats die als dusdanig duidelijk is aangegeven.

 

§ 4.

De stockeringszones worden aangegeven door middel van wanden, veiligheidsschermen, markeringen op de grond, kettingen of vaste afbakeningen op 1 m hoogte. Als de opslagplaats zich in een gebouw of op een plaats bevindt dat/die voor het publiek vrij toegankelijk is, wordt deze opslagplaats of de stockeringszones afgesloten met een hekwerk van onbrandbaar materiaal van ten minste twee meter hoogte, of worden de recipiënten opgeslagen in afsluitbare metalen kooien.

 

§ 5.

In de opslagplaatsen en in de zones die begrensd zijn door de veiligheidsafstanden en de schermen, vermeld in artikel 5.17.3.2.4, is het verboden enige overtappingsoperatie uit te voeren.


Art. 5.17.3.2.4. Scheidingsafstanden voor open en gesloten opslagplaatsen

§ 1.

Tussen een stockeringszone voor gassen gerangschikt in een welbepaalde groep van de groepen, vermeld in artikel 5.17.3.1.1, §4, enerzijds en de stockeringszones voor gassen gerangschikt in andere dan de groepen, vermeld in artikel 5.17.3.1.1, §4, alsmede de elementen, vermeld in bijlage 5.17.1, anderzijds, bestaat een minimale scheidingsafstand, uitgedrukt in m, zoals in bijlage 5.17.1 aangegeven. Afhankelijk van de opslagcapaciteit gelden overeenkomstig deze bijlage verschillende scheidingsafstanden.
De te hanteren scheidingsafstand tussen twee elementen is de grootste van de afstanden vermeld in de tabel van bijlage 5.17.1. (bijvoorbeeld 600 l gas gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 van groep 1 ten opzichte van 3000 l gas gekenmerkt door gevarenpictogram GHS03 van groep 3 geven twee meter scheidingsafstand voor groep 1 ten opzichte van groep 3 en tevens vijf meter voor groep 3 ten opzichte van groep 1; de in acht te nemen minimumafstand is in dit geval dus vijf meter).

 

§ 2.

De scheidingsafstanden, vermeld in pargaraaf 1, mogen verminderd worden door de constructie van een veiligheidsscherm, op voorwaarde dat de afstand, die horizontaal omheen dit scherm wordt gemeten, tussen de beschouwde stockeringszone en voornoemde zones en elementen, gelijk is aan of meer bedraagt dan de in minimale scheidingsafstanden, vermeld in paragraaf 1.


Art. 5.17.3.2.5. Bouw van de open opslagplaatsen

§ 1.

De vloer van de open opslagplaats bestaat uit een weerstandbiedend en voor bodemverontreinigende gassen ondoordringbaar materiaal en is aldus aangelegd dat de stabiliteit van de recipiënten verzekerd is.

 

§ 2.

De vloer van de opslagplaats, waar gassen van groep 1, groep 2, groep 3 -met uitzondering van niet-diepgekoelde gassen, die naast gevarenpictogram GHS04, enkel en alleen gekenmerkt worden door gevarenpictogram GHS03 – of diepgekoelde gassen van groep 4 worden opgeslagen met een soortelijk gewicht groter dan dat van lucht, mag over zijn hele oppervlakte niet lager liggen dan het belendende terrein en mag noch openingen noch holten of geulen bevatten, tenzij voor de afvoer van hemelwater indien een hydraulisch bediend afvoerslot of gelijkwaardig materieel is voorzien. Deze voorschriften gelden eveneens binnen de zone afgebakend door scheidingsafstanden, vermeld in artikel 5.17.3.2.4.

 

§ 3.

Als de open opslagplaats gassen van groep 1 bevat, is het eventueel aanwezige dak gebouwd uit onbrandbare materialen en mag hoe dan ook slechts voor maximaal 20 % bestaan uit doorschijnend en zelfdovend materiaal.


Art. 5.17.3.2.6. Bouw van de gesloten opslagplaatsen

§ 1.

De vloer van de opslagplaats bestaat uit een weerstandbiedend en ondoordringbaar materiaal en is aldus aangelegd dat de stabiliteit van de recipiënten verzekerd is.

 

§ 2.

De opslagplaats mag niet ingericht zijn in een kelderverdieping, noch onder noch boven bewoonde lokalen. De vloer van de opslagplaats mag over zijn hele oppervlakte evenmin lager gelegen zijn dan het belendende terrein en mag noch openingen, noch holten of geulen bevatten. Deze voorschriften gelden eveneens binnen de zone afgebakend door de scheidingsafstanden, vermeld in artikel 5.17.3.2.4.

 

§ 3.

Als de gesloten opslagplaats gassen van groep 1 bevat, is het eventueel aanwezige dak gebouwd uit onbrandbare materialen en mag hoe dan ook slechts voor maximaal 20 % bestaan uit doorschijnend en zelfdovend materiaal.

 

§ 4.

De lokalen die als gesloten opslagplaatsen dienen, zijn volledig gebouwd uit onbrandbare materialen.

 

De wanden van de lokalen die dienst doen als gesloten opslagplaats beantwoorden aan de voorschriften van artikel 5.17.3.2.2.

 

De deuren draaien naar buiten open. Het gebruik van rollende panelen of rolluiken is nochtans toegelaten op voorwaarde dat ze onbrandbaar zijn en dat deze panelen, rolluiken, of de opslagplaats een of meer deuren bevatten die aan het hiervoor vermeld voorschrift voldoen.

 

De vensters hebben vaste ramen met gewapend glas.

 

De veiligheidsschermen, tussenschotten of muren rondom de stockeringszones, reiken ofwel tot aan de zoldering of hebben een minimale hoogte van drie meter en overstijgen de gasrecipiënten met ten minste een meter.

 

§ 5.

De gesloten opslagplaatsen zijn zodanig opgevat dat een doelmatige verluchting verzekerd is. Openingen die een verbinding met de buitenlucht geven, zijn zowel kort bij de vloer als in het bovenste gedeelte van elk afzonderlijk compartiment van de opslagplaats aangebracht. Deze openingen zijn voorzien van onbrandbaar traliewerk of rooster. De plaats en grootte van de openingen dienen in functie van de opslagcapaciteit oordeelkundig bepaald.


Art. 5.17.3.2.7. Verlichting

Voor de kunstmatige verlichting van de opslagplaatsen is alleen elektriciteit toegelaten.


Art. 5.17.3.2.8. Verwarming

§ 1.

Alleen verwarming door middel van vloeistof, stoom of hermetische elektrische apparaten is toegelaten evenals verwarmingssystemen die gelijkwaardige veiligheidswaarborgen bieden.

 

§ 2.

De verwarmingstoestellen zijn zodanig geplaatst dat zij de wand van de gasrecipiënten niet overmatig kunnen opwarmen.


Art. 5.17.3.2.9. Elektriciteit - Rook- en vuurverbod

§ 1.

In geval van stockering van gassen gerangschikt in groep 1, worden, met behoud van de toepassing van artikel 5.17.3.1.2, de elektrische apparaten, vermeld in paragraaf 1 en 2 van artikel 5.17.3.2.8, tot een minimum beperkt. Zij beantwoorden aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installatie voor een zone 2.

 

§ 2.

In open en gesloten opslagplaatsen alsmede in de zones die begrensd zijn door de scheidingsafstanden of de schermen, vermeld in artikel 5.17.3.2.4, is het verboden te roken, vuur te maken of gebruik te maken van toestellen met onbeschermd vuur of onbeschermde vlam, andere ontvlambare vaste stoffen van gevarencategorie 1 of 2, ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3, of brandbare stoffen op te stapelen, voor zover er zich recipiënten in deze opslagplaats bevinden.

 

§ 3.

De aanwezigheid van gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1), en het verbod tot roken en vuur te maken wordt door reglementaire pictogrammen aangeduid.


Art. 5.17.3.2.10. Toegang tot de opslagplaats

§ 1.

Alleen de aangestelden hebben toegang tot de opslagplaats.

 

§ 2.

Een duidelijk zichtbaar bericht verbiedt de toegang tot de opslagplaats aan de personen die vreemd zijn aan de inrichting en aan diegenen die er niet door hun beroepsbezigheden geroepen zijn.


Art. 5.17.3.2.11. Verplaatsbare recipiënten

Subafdeling 5.16.4.2 is van toepassing op de verplaatsbare recipiënten aanwezig of opgeslagen in de inrichting.


Subafdeling 5.17.3.3.
Opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs


Art. 5.17.3.3.1.

§ 1.

Met behoud van de toepasing van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakte handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, gewijzigd bij latere koninklijke besluiten, is deze subafdeling van toepassing op de opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen, vermeld in rubriek 17.1.2.2 van de indelingslijst, in vaste houders.

 

§ 2.

Behoudens wat bepaald is in artikel 5.17.3.3.17, is deze subafdeling niet van toepassing op de op 1 mei 1999 bestaande opslagplaatsen.


Art. 5.17.3.3.2. Inrichting opslagplaatsen

§ 1.

Als er in de inrichting gassen gerangschikt in verschillende van de groepen, vermeld in artikel 5.17.3.1.1, §4, worden opgeslagen, wordt de opslagplaats verdeeld in verschillende compartimenten, waarbij in elk compartiment alleen gassen gerangschikt in eenzelfde groep mogen worden opgeslagen.

 

Tussen deze verschillende compartimenten bestaan minimum de afstanden, vermeld in artikel 5.17.3.3.3.

 

§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 mogen gassen gerangschikt in verschillende van de groepen, vermeld in artikel 5.17.3.1.1, §4, wel samen in eenzelfde compartiment worden opgeslagen op voorwaarde dat de minimumafstand, vermeld in artikel 5.17.3.3.3, tussen deze groepen nul meter bedraagt.

 

§ 3.

In de opslagplaatsen en in de zones die begrensd zijn door de scheidingsafstanden en de schermen, vermeld in artikel 5.17.3.3.3, is het verboden overtappingsoperaties in verplaatsbare recipiënten uit te voeren.


Art. 5.17.3.3.3. Scheidingsafstanden voor opslagplaatsen van gassen andere dan vloeibaar gemaakte handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders

§ 1.

Tussen een vast opgestelde houder voor gassen gerangschikt in een welbepaalde groep van de groepen, vermeld in artikel 5.17.3.1.1, §4. enerzijds en de opslagplaatsen voor gassen gerangschikt in andere van de groepen, vermeld in artikel 5.17.3.1.1, §4, alsmede elementen, vermeld in bijlage 5.17.1, anderzijds, bestaat een minimale scheidingsafstand, uitgedrukt in m, vermeld in de tabel in bijlage 5.17.1.

 

Afhankelijk van de opslagcapaciteit gelden overeenkomstig bijlage 5.17.1 verschillende scheidingsafstanden.

 

De scheidingsafstand tussen twee elementen die te hanteren is, is de grootste van de afstanden aangegeven in de tabel.

 

§ 2.

De scheidingsafstanden, vermeld in paragraaf 1, mogen verminderd worden door de constructie van een veiligheidsscherm, op voorwaarde dat de afstand die horizontaal omheen dit scherm wordt gemeten, tussen de beschouwde gashouder(s) en voornoemde zones en elementen, gelijk is aan of meer bedraagt dan de minimale scheidingsafstanden, vermeld in paragraaf 1.

 

§ 3.

Voor opslagplaatsen van gassen andere dan vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste, vacuüm-geïsoleerde tanks kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit scheidingsafstanden worden opgelegd die afwijken van deze vermeld in paragraaf 1.


Art. 5.17.3.3.4. Bouw van houders voor gassen andere dan vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan

De bouw van de al of niet vacuüm-geïsoleerde houders voor gassen andere dan vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan, is aangepast aan het gas dat ze bevatten volgens een code van goede praktijk.


Art. 5.17.3.3.5. Waterdrukproef

De houder ondergaat, in tegenwoordigheid van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, een waterdrukproef aan een druk gelijk aan 1,33 maal de maximum dienstdruk uitgedrukt in kg/cm2, waarbij het bekomen product afgerond wordt tot de hogere eenheid.

 

Gedurende de proef mag het toestel geen enkele lekkage vertonen.

 

De proef mag tot geen enkele blijvende vervorming aanleiding geven.

 

De voormelde beproevingsdruk mag op aanvraag van de constructeur verhoogd worden, op voorwaarde dat deze schriftelijk verklaart dat de voorgestelde beproevingsdruk geen overdreven spanning in de verschillende delen van de houder zal veroorzaken.


Art. 5.17.3.3.6. Identificatieplaat

De houder draagt op een, rekening gehouden met zijn bestemming, bereikbare plaats, een vastgelaste stalen plaat, waarop volgende aanduidingen geslagen zijn:

naam of kenteken van de constructeur;
volgnummer;
inhoudsvermogen;
maximale dienstdruk;
beproevingsdruk;
de letter E gevolgd door de datum van deze beproeving en de ijkstempel van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.


De plaat omvat een vrije oppervlakte die toelaat vijfmaal de beproevingsdatum en ijkstempel te slaan.


Als de houder bestemd is om ingegraven te worden en als de plaat hierdoor gevaar loopt onzichtbaar te worden, zijn de hierboven vermelde merken eveneens op de snede van het mangat geslagen.


Art. 5.17.3.3.7. Attest van goedkeuring

De milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen stelt een attest van goedkeuring op dat de door de constructeur verstrekte documenten, de gedetailleerde opgave van de controles, nazichten, onderzoeken en beproevingen, welke hij zelf uitgevoerd heeft, vermeldt.

 

In het attest van goedkeuring besluit de erkende milieudeskundige zonder dubbelzinnigheid dat de houder al of niet in overeenstemming is met de voorschriften van een code van goede praktijk in functie van het in de houder op te slagen gas.


Art. 5.17.3.3.8. Periodiek onderzoek van de opslagplaatsen en van de houders

§ 1.

De periodieke onderzoeken worden uitgevoerd conform artikel 5.17.3.1.8, §2.

 

§ 2.

Veiligheidskleppen zijn uitwendig en uitgerust met een systeem dat toelaat zonder gasverlies en zonder het vooraf ledigen van de houder de veiligheidsklep te vervangen.

 

§ 3.

Met behoud van de controles, vermeld in artikel 5.17.3.1.8, worden vacuümgeïsoleerde houders ten minste om de twee jaar door een aangestelde van de exploitant nagezien. Veiligheidskleppen worden ten minste om de tien jaar opnieuw afgesteld.

 

§ 4.

Met behoud van de controles, vermeld in artikel 5.17.3.1.8, wordt de terugslagklep op de vullleiding tussen houder en vulpunt van een lpg-station minstens vijfjaarlijks onderzocht door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

§ 5.

Voor vacuümgeïsoleerde houders wordt de opslagplaats ten minste om de twee jaar door de exploitant of zijn aangestelde nagezien.

 

§ 6.

Wanneer het lpg-station vergund werd op basis van de risicoafstanden met een terugslagklep in de vulleiding tussen houder en vulpunt, wordt deze minstens jaarlijks door de exploitant of zijn aangestelde gecontroleerd op zijn goede werking. De bevindingen van die controles worden in een register genoteerd dat ter inzage ligt van de toezichthouder. Bij het slecht functioneren wordt de terugslagklep onmiddellijk hersteld of vervangen.


Art. 5.17.3.3.9. Vullen van de houders

§ 1.

Nauwkeurige en schriftelijke onderrichtingen worden aan de aangestelde gegeven voor de verschillende te verrichten handelingen. Een aangestelde moet voortdurend aandachtig toezicht houden op de behandelingen die aan de gang zijn.

 

§ 2.

Bij het vullen van de houders mag het percentage van vulling van de hierna opgegeven tabel in functie van de dichtheid van de vloeistof op 15 °C niet overschreden worden, het percentage van vulling zijnde het quotiënt van het gewicht van de ingehouden vloeistof en het gewicht water dat de houder zou kunnen bevatten:

maximaal percentage van vulling van de houders voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan:
 

Dichtheid van het gas
of van het mengsel op 15 °C kg/l

bovengrondse houders

ingegraven houders
alle inhoudsvermogens

 

van 0 tot 4,5 m³

groter dan 4,5 m³

 

0,497 - 0,504

41%

44%

45%

0,505 - 0,511

42%

45%

46%

0,512 - 0,520

43%

46%

47%

0,521 - 0,528

44%

47%

48%

0,529 - 0,537

45%

48%

49%

0,538 - 0,545

46%

49%

50%

0,546 - 0,553

47%

50%

51%

0,554 - 0,561

48%

51%

52%

0,562 - 0,568

49%

52%

53%

0,569 - 0,576

50%

53%

54%

0,577 - 0,585

51%

54%

55%

0,586 - 0,592

52%

55%

56%

0,593 - 0,601

53%

56%

57%

0,602 - 0,609

54%

57%

58%

0,610 - 0,618

55%

58%

59%

0,619 - 0,627

56%

59%

60%

0,628 - 0,635

57%

60%

61%

voor niet-gekoelde vloeibaar gemaakte gassen, andere dan handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan, is het maximum vullingspercentage gelijk aan 95 % van de densiteit bij 50 °C voor houders met een inhoudsvermogen kleiner dan of gelijk aan 5 m3 en aan 95 % van de densiteit bij 40 °C voor houders met een inhoudsvermogen groter dan 5 m3.

 

 

§ 3.

Het is verboden een niet gekoelde en niet-vacuüm-geïsoleerde houder, zelfs gedeeltelijk, te vullen met een vloeistof waarvan de dampspanning, bij 50 °C voor de houders met een inhoudsvermogen van minder dan 5000 l, en bij 40 °C voor de houders met een inhoudsvermogen van minstens 5000 l, hoger is dan de maximale dienstdruk waarvoor de houder werd afgenomen.

 

Lpg-systemen mogen slechts met vloeistof worden gevuld nadat ze vooreerst met de gasfase op minimale druk zijn gebracht.

 

§ 4.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mogen de slangen die voor het vullen aangewend worden slechts in open lucht gebruikt worden.

 

Voor de opslagplaatsen, ingedeeld in klasse 3, kan de erkende milieudeskundige toestemming verlenen om een gedeelte van de slang niet in open lucht te gebruiken. Deze toestemming dient uitdrukkelijk vermeld in het verslag van onderzoek van de opslagplaats.

 

§ 5.

Het is verboden een vaste houder te vullen die zichtbare gebreken vertoont die de veiligheid kunnen schaden of die niet het voorwerp uitmaakt van een verslag opgesteld door een erkend organisme of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, verslag waaruit blijkt dat de opslagplaats voldoet aan de reglementaire voorschriften en aan de opgelegde voorwaarden.


Art. 5.17.3.3.10. De elektrische installatie

§ 1.

Met behoud van de toepassing van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties zijn de volgende voorschriften van toepassing op de elektrische installaties voor opslagplaatsen van gassen behorende tot groep 1:

binnen de veiligheidszones, begrensd door de afstandsregels tot lokalen zonder open vuurverbod, vermeld in artikel 5.17.3.3.3, betreffende gassen andere dan vloeibaar gemaakte handelspropaan, -butaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, en in artikel 3 van het hogervermelde koninklijk besluit van 21 oktober 1968, wordt het aantal elektrische apparaten beperkt tot het hoogst nodige minimum; enkel laagspanningsstroom is er toegelaten; ontladingslampen van de categorieën A en B zijn evenwel toegelaten;
voor de voeding van de motoren met een minimum vermogen van 100 pk mag de voedingsspanning tussen de fazen 3000 Volt bedragen, onder volgende voorwaarden:
  a) de hele installatie is gepantserd;
  b) de dispersieweerstand van de aarding bedraagt maximum 1 Ohm;
een buiten de in punt 1° vermelde ruimten geplaatste schakelaar, die alle polen uitschakelt, moet het mogelijk maken de installatie volledig af te zonderen;
de hele elektrische installatie of elk onderdeel van de installatie mag slechts dienen voor het bedienen of beschermen van de elektrische toestellen gebruikt in bedoelde installaties;
de wijze van beveiliging van de elektrische toestellen voor opslagplaatsen voor handelsbutaan, -propaan en mengsels daarvan moet zijn:
  a) hetzij de intrinsieke veiligheid, bepaald in de norm NBN 683;
  b) hetzij de ontploffingsvaste omhulsels bepaald in de norm NBN 286;
  c) hetzij de omhulsels met inwendige overdruk, bepaald in de norm NBN 716;
  d) hetzij de zandvulling;
de elektrische toestellen mogen slechts gebruikt worden binnen de perken van de toepassing waarvoor ze werden vervaardigd;
de enige toegelaten montages voor de elektrische leidingen zijn de volgende:
  a) de montage onder TIAF buizen, bepaald in de norm NBN 45;
  b) de kabels met minerale isolatie, bepaald in de norm NBN 693;
  c) de kabels waarvan de isolering beschermd is door een waterdichte geaarde bewapening;
  d) de gepantserde soepele geaarde kabels.
  e) elke andere uitvoering die conform is aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties en die door een milieudeskundige in de discipline elektrische installatiesis goedgekeurd.

 

§ 2.

Iedere andere montage of toestel dan deze vermeld in paragraaf 1, is toegelaten als ze dezelfde waarborgen inzake hermetische dichtheid en mechanische weerstand biedt.

 

§ 3.

De installatie en het onderhoud van de elektrische toestellen beveiligd zoals vermeld in paragraaf 1, worden toevertrouwd aan bevoegd personeel, dat op de hoogte wordt gehouden van de bijzondere veiligheidsregels eigen aan dit materiaal.

 

Elke herstelling die een deel van het materiaal betreft, dat essentieel is voor het behoud van de veiligheidsinrichting volgens een van de wijzen van beveiliging, vermeld in paragraaf 1, wordt uitgevoerd in een gespecialiseerd werkhuis, zo nodig bij of onder toezicht van de constructeur.


Art. 5.17.3.3.11. Pijpleidingen en slangen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders

§ 1.

Voor wat de pijpleidingen betreft, is de maximum dienstdruk als volgt te bepalen:

voor de elementen in contact met niet ontspannen gassen (vloeibare fase of gasvormige fase): volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 december 2005, waarmee de EG-richtljn 97/23/EG van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur (Pressure Equipment Directive, PED), in intern recht werd omgezet;
voor de elementen in contact met het ontspannen gas: volgens de norm NBN D 51 006 “Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen”.

 

§ 2.

De vaste pijpleidingen zijn vervaardigd uit metalen naadloze buizen. Deze leidingen en hun koppelingen zijn opgevat en verwezenlijkt voor een in paragraaf 1 vastgestelde dienstdruk.

 

§ 3.

De vaste pijpleidingen die in contact zijn met niet ontspannen gassen zijn uit staal vervaardigd. De buizen zijn van een kwaliteit ten minste gelijk aan de klas C van het verslag nr. 70 van het Belgisch Instituut voor Normalisatie. Andere materialen mogen eveneens worden aangewend op voorwaarde dat zij gelijkwaardige kwaliteitseisen waarborgen.

 

§ 4.

De slangen, voorzien van hun koppelingen, zijn ontworpen en vervaardigd om slechts te barsten bij de volgende drukkingen:

viermaal de maximum dienstdruk, vermeld in paragraaf 1, voor de slangen met een diameter kleiner dan 2,5 duim;
driemaal de maximum dienstdruk, vermeld in paragraaf 1, voor de slangen met een diameter groter of gelijk aan 2,5 duim.

 

§ 5.

De slangen voorzien van hun koppelingen en de vaste pijpleidingen na het monteren, worden onderworpen aan een proefdruk gelijk aan 1,5 maal de maximum dienstdruk, vermeld in paragraaf 1, met een minimum van 3 kg/cm2. Deze proef wordt zo uitgevoerd dat de dichtheid en ook de afwezigheid van vervormingen en van eventuele fouten die de veiligheid zouden kunnen schaden zo nauwkeurig mogelijk nagegaan worden.

 

Voor de aftapslangen voorzien van hun koppelstukken aangesloten op de vloeibare fase is deze proef ten minste ieder jaar te hernieuwen; ze heeft plaats aan de maximum dienstdruk, vermeld in paragraaf 1.

 

§ 6.

De nodige maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat in de leidingen van de vloeibare fase drukkingen zouden kunnen ontstaan die de maximum dienstdruk van de leiding met meer dan 20 % overtreffen.

 

§ 7.

De ondergrondse leidingen zijn beschermd door middel van een bekleding gevormd door minstens twee lagen jute doordrenkt met asfalt en door een laag warm aangebrachte asfalt, of met gelijk welke andere bekleding die op gebied van bescherming tegen invreting gelijkwaardige hoedanigheden bezit.

 

§ 8.

Al de onderdelen van de installatie, zoals afsluitkranen, ontspanners, kleppen, ventielen, slangen, dichtingen, zijn opgevat en vervaardigd voor hun gebruik voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen.

 

§ 9.

De exploitant is in het bezit van een, ofwel door de installateur, ofwel door een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk, ondertekend en gedagtekend attest, waarin verklaard wordt dat de voormelde bepalingen nageleefd zijn. De exploitant houdt dit attest ter inzage van de toezichthouder.


Art. 5.17.3.3.12. Herstelling van de houders voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders

§ 1.

Vóór elke herstelling die tot risico aanleiding kan geven, moet de houder geledigd worden. Hij moet van het overige van de installatie door blindflenzen afgesloten worden. De houder wordt degelijk gereinigd.

 

§ 2.

Voordat om het even wie de houder binnengaat, wordt de atmosfeer van de houder door een bevoegde persoon met de explosiemeter gecontroleerd om de afwezigheid van ontvlambare dampen na te gaan.

 

§ 3.

Als de uit te voeren werken het gebruik van een vlam of op gloeihitte verwarmde voorwerpen omvatten, of vonken kunnen veroorzaken, wordt verse stoom in de houder en de buisleidingen ingeblazen, tot de volledige ontruiming van alle sporen van ontvlambaar gas. Mits toestemming van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, mogen andere evenwaardige ontgassingstechnieken worden aangewend.

 

§ 4.

De stoom zal slechts ingeblazen worden wanneer men er zeker van is dat de houder geen ontvlambaar mengsel kan bevatten. In dat geval zal het inblazen van een inert gas elk spoor van ontvlambaar gas verwijderen. Wanneer het inblazen van stoom of inert gas beëindigd is zal de houder gedurende ten minste twee uur zorgvuldig verlucht worden.

 

§ 5.

Als de uit te voeren werken het gebruik van een vlam of op gloeihitte gebrachte voorwerpen niet behelzen, en geen vonken kunnen veroorzaken, mag het gebruik van verse stoom vervangen worden door een verluchting van voldoende duur ofwel wordt de houder gedurende vierentwintig uur met stromend water gespoeld.

 

§ 6.

Als in de houder gebruik gemaakt wordt van elektrische toestellen, dan zijn deze van een van de typen, vermeld in artikel 5.17.3.3.10, behalve als de houder geheel ontgast werd. De voedingsspanning van de draagbare lampen is kleiner dan 50 V bij gelijkstroom en kleiner dan 25 V bij wisselstroom.

 

§ 7.

Gedurende het reinigen en het herstellen moet een luchttocht onderhouden worden in de houder.

 

§ 8.

Het aanbrengen van iedere wijziging aan de houder en het lassen van bijhorigheden op de houder moeten aan de voorafgaande toestemming van een erkende milieudeskundige onderworpen worden.


Art. 5.17.3.3.13. Afsluiting van houders voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders

De pompen en de houders worden omringd door een stevige en onbrandbare afsluiting. De toegang binnen deze afsluiting is verboden aan elke persoon die er door zijn dienst niet geroepen is. Het toegangsverbod wordt op zichtbare wijze op de afsluiting vermeld.

 

Wat de houders met een inhoudsvermogen kleiner of gelijk aan 3000 liter bovengronds of 5000 liter ondergronds betreft, mag deze afsluiting afgeschaft worden, op voorwaarde dat de bijhorigheden behalve magnetische inhoudmeter en veiligheidsklep, die zouden kunnen lekken, van een beschermingskap voorzien zijn.


Art. 5.17.3.3.14. Bescherming tegen brand

§ 1.

Binnen de zone van de opslagplaatsen voor gassen gerangschikt in groep 1 of in groep 2, begrensd door de afstanden, vermeld in artikel 5.17.3.3.3, is het verboden te roken, met brandende voorwerpen of elektronische toestellen die ontstekingsbronnen bevatten, binnen te dringen, vuur te maken, verdampers met blote vlam te gebruiken, hout, houtkrullen en andere gemakkelijk brandbare stoffen, gedroogd gras en struikgewas inbegrepen, te laten liggen.

 

Het rookverbod en het verbod vuur of open vlam te gebruiken wordt op de houders of in de nabijheid ervan in overeenstemming met de reglementair voorgeschreven pictogrammen aangeduid.

 

§ 2.

In de zone, vermeld in paragraaf 1, is de aanwezigheid van rioleringsputten of van aansluitingen met de rioleringen verboden, tenzij ze uitgerust zijn met een luchtafsnijder waarvan de werking in alle omstandigheden verzekerd is.

 

§ 3.

De houders, steunen en metalen toebehoren van houders van gassen gerangschikt in groep 1, worden met de aarde verbonden, zodanig dat de statische elektriciteit, die eventueel ontwikkeld wordt, afgeleid wordt.

 

Bij het overtappen staan de tankwagens en de spoortankwagens onder dezelfde spanning als de buisleidingen van de vaste installatie.

 

Zij worden onbeweeglijk gemaakt door middel van remmen en aangepaste wiggen.

 

§ 4.

Nauwkeurige schriftelijke onderrichtingen betreffende de te nemen maatregelen, in geval van gaslek of in geval van brand, worden aan een verantwoordelijke aangestelde of zijn plaatsvervanger gegeven.

 

§ 5.

Blustoestellen van een aan de gewenste dienst aangepast model, blustoestellen die steeds in een goede staat van werking gehouden worden, of water- schuimbrandpompen in aantal en met een debiet in verhouding tot de belangrijkheid van de opslagplaats, worden op gepaste en gemakkelijk te bereiken plaatsen opgesteld.

 

Wat de opslagplaatsen met een totaal inhoudsvermogen kleiner dan of gelijk aan 3000 liter betreft, wordt dit voorschrift slechts opgelegd gedurende het vullen.


Art. 5.17.3.3.15. Onderhoud

De houders worden in goede staat gehouden.

 

Elk gebrek dat de veiligheid van de buren of het personeel in gevaar kan brengen, wordt onmiddellijk verholpen.

 

De beschermingsbekleding op de bovengrondse buisleidingen en houders wordt in goede staat gehouden.


Art. 5.17.3.3.16. Inbedrijfstelling van de opslagplaatsen

De opslagplaatsen mogen niet in bedrijf gesteld worden alvorens de exploitant in het bezit is van een verslag, opgesteld door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, waaruit blijkt dat de opslagplaats voldoet aan de voorschriften van dit besluit alsmede aan de voorwaarden opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

De exploitant houdt het attest van goedkeuring van de houder en het verslag van onderzoek ter beschikking van de burgemeester en van de toezichthouder.


Art. 5.17.3.3.17. Bestaande opslagplaatsen

De opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen, vermeld in artikel 5.17.3.3.1, §2, beantwoorden aan de voorschriften van artikel 5.17.3.3.1, 5.17.3.3.2, 5.17.3.3.3, 5.17.3.3.8, 5.17.3.3.9, 5.17.3.3.10, 5.17.3.3.11, §§ 4, 5, 6, 7, 8 en 9, 5.17.3.3.12, 5.17.3.3.13, 5.17.3.3.14 en 5.17.3.3.15, alsook aan de volgende voorschriften:
de houder draagt de volgende identificatiemerken: nummer, maximum dienstdruk, proefdruk, letter E gevolgd door de datum van de proef en door de ijkstempel van de erkende milieudeskundige; deze merken worden er ten laatste ter gelegenheid van het eerste onderzoek van de erkende milieudeskundige op aangebracht, tenzij de houder reeds bij de bouw door een erkend milieudeskundige werd nagezien en voorzien is van de voormelde letter E gevolgd door de datum van de proef en de ijkstempel van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; dit eerste onderzoek moet ten laatste binnen de termijnen, vermeld in artikel 5.17.3.3.8, na de datum van inwerkingtreding van dit besluit plaatshebben;
het onderzoek, vermeld in punt 1°, omvat:
  a) het nazicht van de naleving van de voorschriften van dit besluit en van de voorwaarden opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
  b) het nazien van de veiligheidstoestellen;
  c) het onderzoek van de houder om zich ervan te verzekeren dat hij voldoende veiligheidswaarborgen biedt;
met het oog op dat eerste onderzoek bezorgt de eigenaar van de houder aan de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen alle documenten die het mogelijk kunnen maken over de veiligheid van de houders te oordelen; bij gebrek aan bewijskrachtige documenten gaat de erkende milieudeskundige over tot een grondig onderzoek van de houder en tot elke andere controle die hij nodig acht; ter gelegenheid van dat onderzoek stelt de milieudeskundige een verslag op met zijn vaststellingen betreffende de naleving van de reglementaire voorschriften en van de opgelegde voorwaarden; hij bepaalt in dat verslag de termijn gedurende dewelke, naar zijn mening, de houder nog veilig kan gebruikt worden voordat hij aan een nieuw onderzoek moet onderworpen worden;
de exploitant houdt het eventuele attest van goedkeuring van de houder en het verslag van onderzoek ter beschikking van de burgemeester en van de toezichthouder.

Afdeling 5.17.4.
Gevaarlijke vaste stoffen en vloeistoffen


Subafdeling 5.17.4.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.17.4.1.1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen vermeld in rubriek 17 van de indelingslijst voor zover het gevaarlijke vaste stoffen of vloeistoffen betreffen. 


Art. 5.17.4.1.2.

§ 1.

Voor de toepassing van deze afdeling moet rekening worden gehouden met alle gevarenpictogrammen waardoor een gevaarlijk product gekenmerkt wordt volgens de CLP-verordening. Voor de vloeibare brandstoffen dient enkel rekening gehouden met het gevarenpictogram GHS02.

 

§ 2.

De kortstondige opslag samenhangend met het vervoer over de weg, per spoor, over binnenwateren of zeewateren of door de lucht, met inbegrip van laden en lossen en de overbrenging naar of van een andere tak van vervoer in havens, op kaden of in spoorwegemplacementen is niet onderworpen aan de voorschriften van dit reglement.

 

Als de gevaarlijke producten, vermeld in dit besluit, echter worden opgeslagen in opslagplaatsen die gelegen zijn in havens, langs kaden of spoorwegemplacementen en die bestemd zijn om regelmatig dergelijke gevaarlijke producten kortstondig op te slaan, dan zijn deze opslagplaatsen wel onderworpen aan de voorschriften van dit besluit.


 


Art. 5.17.4.1.3.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de exploitatie van een inrichting, ingedeeld in klasse 1, voor de opslag van andere dan gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en 2 verboden:

 

in een waterwingebied of een beschermingszone type I, II of III;
in een gebied ander dan een industriegebied;
op minder dan 100 m afstand van :
  a) een woongebied;
  b) een parkgebied;
  c) een recreatiegebied

 

§ 2.

De verbodsbepalingen van paragraaf 1 gelden niet :

voor bestaande inrichtingen of gedeelten ervan, zoals vermeld in artikel 3.2.1.1;
voor gevaarlijke producten welke in een dusdanige fysicochemische toestand verkeren dat zij geen eigenschappen bezitten die een zwaar ongeval met zich kunnen meebrengen voor zover dit bevestigd wordt door een deskundige erkend voor de discipline externe veiligheid risico's voor zware ongevallen;
voor gevaarlijke producten die behoren tot de eigenlijke exploitatie van een waterwinning voor openbaar nut.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de exploitatie van een tankenpark voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en groep 2 verboden in een waterwingebied of een beschermingszone type I, II of III.

 

§ 4.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de opslag van de volgende stoffen verboden:

methylbromide;
dicyaan, cyaanwaterstof (blauwzuur) en zijn zouten (cyaniden);
organische cyaanverbindingen (nitrillen).

Art. 5.17.4.1.4.

§ 1.

De dichtheid van de leidingen, de koppelingen, de kranen en de toebehoren is verzekerd. Zij worden op een doeltreffende manier tegen corrosie te beschermd.

 

§ 2.

De niet-toegankelijke leidingen worden aangelegd in een met fijnkorrelig inert materiaal aangevulde greppel. Deze greppel is vloeistofdicht en helt af naar een vloeistofdichte opvangput.

 

Dit systeem mag vervangen worden door een alternatief systeem dat naar voorkoming van bodem- of grondwaterverontreiniging dezelfde waarborgen biedt als dit systeem. Het alternatief systeem wordt aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige. Dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder. Een kopie van het attest wordt door de exploitant bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. 


 

 

§ 3.

Het is verboden leidingen voor vervoer van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 aan te leggen in lokalen, behalve als deze leidingen uit één stuk zijn (geen verbindingen met dichtingen), of als de lokalen ingericht en gezoneerd zijn overeenkomstig de voorschriften van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties, in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan.


Art. 5.17.4.1.5.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van verdere bepalingen worden de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om te vermijden dat producten met elkaar in contact komen waarbij:

gevaarlijke chemische reacties kunnen plaatsvinden;
producten met elkaar kunnen reageren onder vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen en dampen;
producten samen ontploffingen of branden kunnen veroorzaken.

 

§ 2.

Als in de inrichting diverse producten, die gekenmerkt worden door verschillende gevarenpictogrammen, worden opgeslagen, wordt de opslagplaats verdeeld in verschillende compartimenten volgens bijlage 5.17.1.

 

Deze compartimenten worden aangegeven door middel van wanden, veiligheidsschermen, markeringen op de grond, kettingen of vaste afbakeningen op 1 m hoogte.

 

§ 3.

In de opslagplaatsen en in de zones die begrensd zijn door de scheidingsafstanden of de schermen, vermeld in bijlage 5.17.1, is het verboden enige fabricatie- of andere behandelingsoperatie uit te voeren die geen betrekking heeft op de opslag en overslag van de producten.

 

§ 4.

De producten mogen niet buiten de daartoe bestemde opslagruimte worden opgeslagen. De verplaatsbare lege gecontamineerde recipiënten die gevaarlijke producten hebben bevat, worden opgeslagen op een hiervoor voorbehouden plaats die duidelijk is aangegeven.


Art. 5.17.4.1.6.

§ 1.

Ten opzichte van bovengrondse compartimenten voor producten gekenmerkt door een of meerdere gevarenpictogrammen worden minimale scheidingsafstanden gerespecteerd zoals vermeld in bijlage 5.17.1.  

 

§ 2.

De afstanden, vermeld in paragraaf 1, mogen verminderd worden door de constructie van een veiligheidsscherm, op voorwaarde dat de afstand die horizontaal omheen dit scherm wordt gemeten tussen het beschouwde compartiment en de elementen, vermeld in bijlage 5.17.1, minstens gelijk is aan de minimale scheidingsafstanden, vermeld in paragraaf 1.

 

Het veiligheidsscherm is ofwel van metselwerk met een dikte van ten minste 18 cm, ofwel van beton met een dikte van ten minste 10 cm, ofwel van enig ander materiaal met een zodanige dikte dat een equivalente brandweerstandscoëfficiënt verkregen wordt. Het scherm heeft een hoogte van minimaal 2 m en moet de maximale hoogte van de opgeslagen recipiënten of houders met minimaal 0,5 m overschrijden.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden afgeweken van voormelde minimale scheidingsafstanden tussen gevaarlijke producten onder­ling:

ofwel door toepassing van een code van goede praktijk aangaande scheidingsafstanden tussen gevaarlijke producten;
ofwel steunend op de resultaten van het veiligheidsrapport of op basis van een risicoanalyse opgesteld door een VR-deskundige.

 

§ 4.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de scheidingsafstanden niet van toepassing op :

de vloeistoffen en vaste stoffen opgeslagen in laboratoria;
de vloeistoffen en vaste stoffen waarvan de totale opslagcapaciteit per opslagplaats lager is dan de ondergrens vermeld in klasse 3 van de overeenkomstige indelingsrubriek bepaald aan de hand van het gevarenpictogram dat voor de scheidingsafstand determinerend is;
de opslagplaatsen vermeld in rubriek 17.4.

 

 


Art. 5.17.4.1.7.

§ 1.

De nodige maatregelen (bijvoorbeeld aarding) worden getroffen om de vorming van gevaarlijke elektrostatische ladingen te voorkomen bij de opslag en behandeling van ontploffingsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01 of brandgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02. Deze paragraaf is niet van toepassing op ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een vlampunt van meer dan 55°C.

 

§ 2.

De verwarming van de lokalen waar gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen worden opgeslagen, mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om brand- en ontploffingsrisico te voorkomen.

 

§ 3.

In de lokalen waar gevaarlijke producten worden opgeslagen :

mogen geen werkzaamheden worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken, tenzij voor onderhouds- of herstellingswerken op voorwaarde dat hiervoor de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen en mits schriftelijke instructies opgesteld of geviseerd door de preventieadviseur of door de exploitant of zijn aangestelde;
is het verboden te roken; dit rookverbod dient in goed leesbare letters of met reglementaire pictogrammen op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt te worden; de verplichting tot het aanbrengen van het voorgeschreven pictogram "rookverbod" is niet van toepassing wanneer dit pictogram is aangebracht bij de ingang van het bedrijf en wanneer dit vuur- en rookverbod geldt voor het hele bedrijf;
zijn de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en uitwasemingen van onbrandbare of zelfdovende materialen.

 

§ 4.

Het is verboden:

te roken, vuur te maken of brandbare stoffen op te slaan boven of nabij de houders, bij de pompen, de leidingen, de verdeelzuilen, de vulplaatsen en de losplaats voor de tankwagen binnen de grenzen van de gezoneerde plaatsen zoals weergegeven in het zoneringsplan, bepaald volgens het Algemeen Reglement op de elektrische installaties;
op de plaatsen niet toegankelijk voor het publiek, schoenen of klederen te dragen die aanleiding tot vonkoverslag kunnen geven;
brandgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur 40°C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.

 

§ 5.

De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 4, worden verduidelijkt aan de hand van reglementaire veiligheidspictogrammen, voorzover zij beschikbaar zijn.


Art. 5.17.4.1.8. [...]

Art. 5.17.4.1.9.

§ 1.

Houders, bestemd voor de opslag van acuut toxische vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2, 3 en 4, vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS08, of vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS05 die bijtend zijn voor de huid of een ernstig oogletsel veroorzaken, die een dampdruk hebben van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C, moeten voorzien zijn van een doeltreffend systeem, zoals een dampterugvoersysteem, een vlottend dak, of een gelijkwaardig systeem, zodat zowel bij de opslag als bij de behandeling luchtverontreiniging tot een minimum wordt beperkt.

 

§ 2.

Bij het laden en lossen van opslaghouders of bevoorradende tankwagens, tankwagons of tankschepen met de vloeistoffen, vermeld in paragraaf 1, wordt luchtverontreiniging tot een minimum beperkt.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de specifieke sectorale voorwaarden inzonderheid van subafdeling 5.17.4.4, of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moeten in afwijking van paragraaf 1, houders voor de opslag van acuut toxische vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2, 3 en 4, vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS08, of vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS05 die bijtend zijn voor de huid of een ernstig oogletsel veroorzaken, die een dampdruk hebben van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C, ter beperking van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) worden uitgerust met een dampbehandelingsinstallatie met een reductiepercentage van minimaal 98 % ten opzichte van een vergelijkbare houder met een vast dak zonder dampbeheersvoozieningen (dat wil zeggen een houder met vast dak en alleen vacuüm/overdrukklep), voor zover die houders een onderdeel vormen van een GPBV-installatie, en voor zover de individuele opslagcapaciteit 500 m3 of meer bedraagt.

 

§ 4.

Tenzij anders vermeld in de specifieke sectorale voorwaarden inzonderheid van subafdeling 5.17.4.4, of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moet, in afwijking van paragraaf 1, het systeem ter beperking van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) bij houders voor de opslag van andere dan acuut toxische vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2, 3 en 4, vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS08, of vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS05 die bijtend zijn voor de huid of een ernstig oogletsel veroorzaken, die een dampdruk hebben van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C, ter beperking van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS), resulteren in een emissiereductie van minimaal 97 % ten opzichte van een vergelijkbare houder met een vast dak zonder dampbeheersvoorzieningen (d.w.z. een houder met vast dak en alleen vacuüm/overdrukklep), voor houders met intern of extern vlottend dak, voor zover die houders een onderdeel vormen van een GPBV-installatie, en voor zover de individuele opslagcapaciteit 500 m3 of meer bedraagt.

 

§ 5.

Paragraaf 3 en 4 gelden vanaf 1 januari 2015.


Art. 5.17.4.1.10.

§ 1.

De exploitant van een inrichting, ingedeeld in klasse 1, houdt een register of een alternatieve informatiedrager bij waarin, per gevarenpictogram, ten minste de aard en hoeveelheden van de opgeslagen gevaarlijke producten worden vermeld.

      

Deze gegevens worden zo opgeslagen dat het mogelijk is om op elk ogenblik de in het bedrijf aanwezige hoeveelheden gevaarlijke producten te bepalen.

 

§ 2.

Het register, vermeld in paragraaf 1, of de alternatieve informatiedrager wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van ten minste een maand.


Art. 5.17.4.1.11.

De personen tewerkgesteld in de inrichting zijn op de hoogte van de aard en de gevaaraspecten van de opgeslagen gevaarlijke producten en van de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden.

      

De exploitant moet kunnen aantonen dat hij hiertoe de nodige en actuele instructies heeft verstrekt.

      

Ten minste eenmaal per jaar worden deze instructies door de exploitant geëvalueerd.


Art. 5.17.4.1.12.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden vaste stoffen, die gevaarlijk zijn omwille van de concentratie aan uitloogbare stoffen van bijlage 2B of van de CLP-verordening, opgeslagen op een vloeistofdichte ondergrond, voorzien van een opvangsysteem voor het mogelijk verontreinigd hemelwater.

      

Giftige vaste stoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS06, voor zelfverhitting vatbare stoffen en mengsels van gevarencategorie 1 en 2, stoffen en mengsels die in contact met water ontvlambare gassen ontwikkelen van gevarencategorie 1, 2 en 3, en ontploffingsgevaarlijke  vaste stoffen gekenmerkt door gevarenpicto­gram GHS01 worden opgeslagen in een lokaal of onder een afdak op een ondoordringbare vloer.

      

In ieder geval worden de nodige maatregelen getroffen om te beletten dat het product in de openbare riolering, een grondwaterlaag of een oppervlaktewater terecht komt.


Art. 5.17.4.1.13.

§ 1.

Er worden maatregelen getroffen om een effectief toezicht over de verschillende lokalen en opslagplaatsen van de inrichting te verzekeren.

      

Vanaf een totale opslagcapaciteit in de inrichting van 1 miljoen liter gevaarlijke vloeistoffen van groep 1, wordt het toezicht voortdurend uitgevoerd door speciale bewakers of een permanent bewakingssysteem, uitgerust met een doeltreffende rook-, gas- of vlamdetectie die een alarm geeft bij een permanent bemande bewakingsdienst, in overleg met de bevoegde brandweer en een deskundige, erkend voor de discipline externe veiligheid en risico's voor zware ongevallen.

 

§ 2.

[...]


Art. 5.17.4.1.14.

§ 1.

Vooraleer aan een houder die gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 heeft bevat herstellingen of inwendige onderzoeken uit te voeren, beschikt de inrichting over een procedure die door de exploitant of zijn aangestelde werd geviseerd om dergelijke werkzaamheden uit te voeren. De procedure houdt in dat de houder moet worden gereinigd volgens een reinigingsmethode die zowel op gebied van brand- en explosiebeveiliging, als op gebied van milieubescherming voldoende waarborgen biedt.

 

§ 2.

In de werkplaats voor herstelling van houders voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 mogen geen gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 opgeslagen worden.


Art. 5.17.4.1.15.

§ 1.

Het aftappen van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 in verplaatsbare recipiënten gebeurt hetzij in open lucht, hetzij in een goed geventileerd lokaal opgetrokken uit niet-brandbare materialen. De nodige maatregelen moeten worden getroffen om gevaarlijke elektrostatische ladingen bij het aftappen te voorkomen. Deze plaats of dit lokaal zijn voorzien van reglementaire pictogrammen die wijzen op het brandgevaar.

 

§ 2.

De vloer van het lokaal, vermeld in paragraaf 1, is vloeistofdicht en niet-brandbaar en derwijze uitgevoerd dat accidenteel gemorste stoffen en lekvloeistoffen in een opvanginrichting terechtkomen en vervolgens via opvanggoten naar één of meerdere opvangputten geleid worden. De vermelde opvanginrichting mag op geen enkele wijze, noch onrechtstreeks noch rechtstreeks, in verbinding staan met een openbare riolering, een oppervlaktewater, een verzamelbekken voor oppervlaktewater, een gracht of een grondwaterlaag.

 

§ 3.

Wanneer de gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 in bovengrondse houders zijn opgeslagen, gebeurt het vullen van de verplaatsbare recipiënten op een geschikte vulplaats gelegen op ten minste tien meter van de houders of volledig buiten de inkuiping.

 

§ 4.

Het behandelen van de gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 gebeurt zodanig dat het morsen van de vloeistoffen op de vloer vermeden wordt.

 

§ 5.

De gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 worden opgeslagen in gesloten recipiënten die alle dichtheidswaarborgen bieden. Deze dichtheid wordt daarenboven onmiddellijk na het vullen gecontroleerd. Defecte recipiënten worden onmiddellijk geledigd en uit het lokaal, waar het vullen geschiedt, verwijderd.

 

§ 6.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan de maximumhoeveelheid gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 (aantal verplaatsbare recipiënten, enzovoort) die mag voorhanden zijn in de lokalen waar het vullen van de verplaatsbare recipiënten geschiedt, worden beperkt.


Art. 5.17.4.1.16.

Met betrekking tot het vullen van de vaste houders en tankwagens gelden de volgende regels :

 

de nodige maatregelen worden getroffen om het morsen van vloeistoffen en verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen;  

de soepele slang die dient voor het bevoorraden wordt door een toestel met schroefkoppeling of een gelijkwaardig systeem met de opening van de houder of van de kanalisatie verbonden;

elke vulverrichting gebeurt onder het toezicht van de exploitant of zijn aangestelde; dit toezicht wordt zo georganiseerd dat de vuloperatie kan gecontroleerd worden en in geval van een incident onverwijld kan worden ingegrepen.
om overvulling te voorkomen, wordt bij de vaste houders een overvulbeveiliging voorzien, zijnde:
  a)

ofwel een waarschuwingssysteem, waarbij een akoestisch signaal, dat steeds op de vulplaats hoorbaar moet zijn voor de leverancier en deze verwittigt zodra de te vullen houder voor 95 % is gevuld; dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn;

  b)

ofwel een beveiligingssysteem, waarbij de vloeistoftoevoer automatisch wordt afgesloten zodra de te vullen houder voor maximum 98 % is gevuld; dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn;

 

bij opslagplaatsen deel uitmakend van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen moet het beveiligingssysteem, vermeld in punt b, worden voorzien;

 

elke houder wordt voorzien van een mogelijkheid tot peilmeting;
de standplaats van de tankwagen, de zones waar de vulmonden van de vulleidingen gegroepeerd zijn en de vulzones bij de verdeelinstallatie bevinden zich steeds op het terrein van de inrichting bevinden en zijn:
  a)

voldoende draagkrachtig en vloeistofdicht;

  b)

voorzien van de nodige hellingen en eventueel opstaande randen, zodat alle gemorste vloeistoffen afvloeien naar een opvangsysteem; de verwijdering van de opgevangen vloeistoffen gebeurt overeenkomstig de reglementaire bepalingen, inzonderheid inzake de verwijdering van afvalstoffen;

 

voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 bevinden deze standplaats en deze zones zich steeds in open lucht of onder een luifel;
onder de voormelde standplaats en zones mogen geen groeven, kruipkelders of lokalen worden ingericht; in geval van weegbruggen worden doeltreffende voorzieningen aangebracht om de verspreiding van lekken te begrenzen en om explosiegevaar te voorkomen;

 

dit punt is niet van toepassing voor opslagplaatsen uitsluitend bestemd voor de verwarming van gebouwen;

 

dit punt is evenmin van toepassing op opslagplaatsen van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 die in klasse 3 zijn ingedeeld;

 

tijdens het vullen met gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 worden maatregelen getroffen tot het afvoeren van statische elektriciteit; de elektrische verbinding tussen de tankwagen en de houder wordt tot stand gebracht alvorens de vuloperatie wordt aangevangen en mag slechts worden verbroken nadat de vulslang na het vullen is afgekoppeld;

afdoende maatregelen worden getroffen voor het handhaven van de opslag bij atmosferische druk; het ondergronds verluchtings- en dampterugvoerleidingwerk voldoet aan dezelfde eisen als het overige leidingwerk; het bovengronds geïnstalleerd verluchtingsleidingwerk is bovendien mechanisch voldoende sterk;

het is verboden een houder te vullen met een andere vloeistof dan deze waarvoor de houder is ontworpen, tenzij na onderzoek door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige is bewezen dat hij hiervoor geschikt is.


Art. 5.17.4.1.17.

De overvulbeveiliging, vermeld in bijlage 5.17.7 wordt vervaardigd conform een code van goede praktijk, aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

De controle op de bouw wordt uitgevoerd overeenkomstig de gekozen code van goede praktijk, door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

De controle op de bouw voor in serie vervaardigde overvulbeveiligingen mag worden beperkt tot één prototypekeuring. De prototypekeuring wordt uitgevoerd volgens bijlage 5.17.7 door een voormelde milieudeskundige. Het verslag van de keuring vermeldt de uitgevoerde controles en wordt ondertekend door voormelde deskundige.

 

De exploitant beschikt voor elke overvulbeveiliging over een attest, ondertekend door de constructeur. Dit attest vermeldt het nummer van het prototype-keuringsattest en ook de milieudeskundige (en zijn erkenningsnummer) die het keuringsattest heeft afgeleverd. Tevens bevestigt de constructeur in het attest dat de overvulbeveiliging gebouwd en gecontroleerd werd overeenkomstig dit besluit.


Art. 5.17.4.1.18.

§ 1.

Organische peroxiden die zeer heftig thermisch kunnen exploderen of kunnen detoneren, worden in de inrichting bewaard op een temperatuur lager dan de op basis van de aard van de stof uit veiligheidsoogpunt toelaatbare maximumtemperatuur. Deze maximumtemperatuur bedraagt voor:

 

acetylcyclohexaansulfonylperoxide: - 10°C;
barnsteenzuurperoxide: + 10°C;
ter-butylperoxyisopropylcarbonaat: kamertemperatuur;
ter-butylperoxypivalaat:    - 10°C;
dibenzoylperoxide: kamertemperatuur;
dicyclohexyperoxidicarbonaat: + 5°C;
diïsopropylperoxidicarbonaat: - 15°C.

 

 

§ 2.

De peroxiden die uit veiligheidsoogpunt op een temperatuur lager dan de kamertemperatuur in de inrichting moeten worden bewaard, worden opgeslagen in:

ofwel koel- of diepvrieskasten opgesteld in het fabricatiegebouw, in welk geval per kast een hoeveelheid van maximum 30 kg niet-gekoelde organische peroxiden mag worden bewaard;
ofwel koel- of diepvrieskasten opgesteld in een vrijstaand opslaggebouw waarin uitsluitend bedoelde peroxide worden opgeslagen, in welk geval per kast een hoeveelheid van maximum 150 kg niet-gekoelde organische peroxiden mag worden bewaard;
ofwel in een vrijstaand uitsluitend daartoe bestemd koelgebouw, in welk geval, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, in één koelgebouw een hoeveelheid van maximum 500 kg niet-gekoelde organische peroxiden mag worden bewaard.

Art. 5.17.4.1.19. De exploitant beschikt aangaande de bouwbewijzen, keuringen en beproevingen die door deze afdeling zijn voorgeschreven over attesten waarin de gebruikte codes van goede praktijk, de uitgevoerde controles en de relevante vaststellingen duidelijk vermeld zijn. Hij houdt de vermelde attesten steeds ter beschikking van de toezichthouder.

Art. 5.17.4.1.20. Met behoud van de toepassing van deze afdeling gebeurt het transport, de plaatsing en de aansluiting van houders volgens de geldende Belgische of Europese normen.

Subafdeling 5.17.4.2.
Opslag van gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse houders


Art. 5.17.4.2.1.

§ 1.

De vereiste maatregelen worden getroffen om de houders maximaal tegen mechanische beschadiging en corrosie te beschermen.

 

§ 2.

Het is verboden houders bestemd voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 rechtstreeks onder een gebouw te plaatsen of onder de vertikale projectie ervan. Een luifel wordt niet als een gebouw beschouwd.

 

§ 3.

De afstand tussen de houder en de grenzen van de percelen van derden bedraagt ten minste drie meter. De afstand tussen de houder en de kelderruimte van eigen bedrijfsgebouwen, bedraagt ten minste twee meter. De afstand tussen de houder en de muur van eigen bedrijfsgebouwen bedraagt ten minste 0,75 m. De onderlinge afstand tussen de houders bedraagt ten minste 0,5 m.

 

De afstand tussen de houder voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 die geen deel uitmaken van een verdeelinstallatie, en de grenzen van de percelen van derden bedraagt ten minste een meter.

 

§ 4.

Bij gevaar voor overstroming of hoge waterstand worden de nodige voorzieningen aangebracht om te beletten dat de ledige houders zouden worden opgelicht.

 

§ 5.

Met behoud van de toepassing van deze afdeling voldoen de opslagplaatsen voor benzine en de bijbehorende installaties aan subafdeling 5.17.4.4 en subafdeling 5.6.3.2.


Art. 5.17.4.2.2.

§ 1.

Op een duidelijk zichtbare en goed bereikbare plaats bij de houder, wordt een kenplaat aangebracht conform bijlage 5.17.2.

 

§ 2.

Nabij de vulopening en nabij het mangat worden de volgende aanduidingen aangebracht :

het nummer van de houder;
de naam of de codenummers of -letters van de opgeslagen vloeistof;
de gevarenpictogrammen;
het waterinhoudsvermogen van de houder.

    

De aanduidingen moeten duidelijk leesbaar zijn.

 

Deze paragraaf is niet van toepassing op opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 die uitsluitend bestemd zijn voor de verwarming van gebouwen.


Art. 5.17.4.2.3.

§ 1.

De ontluchtingsleiding mondt uit in de open lucht op ten minste 3 meter hoogte boven het maaiveld en op minstens 3 m van elke opening in een lokaal en de grenzen van de percelen van derden.

 

De plaatsing van de monding van ontluchtingspijpen onder constructiegedeelten, zoals bijvoorbeeld dakoversteken, is verboden.

 

Alle nodige maatregelen worden getroffen om waterinfiltratie te vermijden via de ontluchtingsleiding.

 

§ 2.

Paragraaf 1 is niet van toepassing op de ontluchtingsleidingen behorende bij opslagplaatsen van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 die geen deel uitmaken van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen. Voor deze opslagplaatsen wordt er voor gezorgd dat door de plaatsing en de hoogte waarop de ontluchtingsleidingen uitmonden de buurt niet overdreven gehinderd wordt, meer in het bijzonder ten gevolge van het vullen van de houders

 

§ 3.

Voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 wordt het luchttoevoer- en het luchtafvoersysteem afgesloten met een systeem dat vlamoverslag belet.


Art. 5.17.4.2.4.

§ 1.

De opslag in rechtstreeks in de grond ingegraven houders is alleen toegelaten in:

dubbelwandige metalen houders die vervaardigd zijn volgens bijlage 5.17.2;
houders uit gewapende thermo-hardende kunststoffen die vervaardigd zijn volgens bijlage 5.17.2;
houders uit roestvrij staal die vervaardigd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk die aanvaard is door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige;

een opslagsysteem dat naar voorkoming van bodem- of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen biedt als voormelde houders;

 

dit opslagsysteem wordt aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder; een kopie van het attest wordt door de exploitant bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

Alle houders zijn uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem. Deze verplichting geldt niet voor houders uit gewapende thermohardende kunststoffen of uit roestvrij staal die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen minder dan 5000 l bedraagt, of minder dan 10.000 l als deze houders bestemd zijn voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2.

 

Het lekdetectiesysteem voor nieuwe houders beantwoordt aan de overeenkomstige bepalingen van bijlage 5.17.3.

 

§ 3.

Vóór de plaatsing van een metalen houder met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 5000 l, of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 vanaf 10.000 l, en de leidingen die erbij horen:

binnen een waterwingebied of een beschermingszone type I of II, of
in de omgeving van elektrische geleiders waar belangrijke zwerfstromen kunnen aanwezig zijn,

wordt de corrosiviteit van de bodem en van de opvulgrond bepaald en gecategoriseerd door een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, volgens de werkwijzen, vermeld in bijlage 5.17.5.

 

Hierbij wordt de corrosiviteit van de grond op het diepste punt van de plaats waar de metalen houder komt te liggen, of de opvulgrond, gecategoriseerd als "weinig corrosief", "matig corrosief", "corrosief" of "sterk corrosief".

 

De bepaling van de corrosiviteit mag niet geschieden onder extreme omstandigheden van droogte of bij vorst.

 

Van deze paragraaf mag afgezien worden wanneer de corrosiviteit van de bodem en opvulgrond reeds werd bepaald tijdens de laatste vijf jaar of wanneer zonder voorafgaand bodemcorrosiviteitsonderzoek kathodische bescherming wordt aangebracht. Het aanbrengen van deze kathodische bescherming gebeurt onder toezicht van een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie.

 

§ 4.

Kathodische bescherming:

als het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 3, "corrosief" of "sterk corrosief" is, wordt kathodische bescherming aangebracht;
als het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 3, "matig corrosief" is, mag er in eerste instantie voor geopteerd worden geen kathodische bescherming te plaatsen. In dit geval wordt een corrosiemonitoring aan de hand van een permanente of periodieke potentiaalmeting uitgevoerd; bij een potentiaalmeting meer positief dan -500 mV ten opzichte van een Cu/CuSO4 referentie-elektrode, wijzend op mogelijke corrosie of zwerfstromen, wordt kathodische bescherming aangebracht;
als het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 3, "weinig corrosief" is en de houder is adequaat bekleed, is kathodische bescherming niet noodzakelijk.

De kathodische bescherming brengt het gehele oppervlak van de houder, met inbegrip van de metalen leidingen (indien nodig), op een potentiaal van -850 mV of een grotere negatieve waarde gemeten ten opzichte van een Cu/CuSO4 referentie-elektrode. In anaërobe gronden bedraagt deze potentiaal ten minste -950 mV.

 

§ 5.

De houders worden met een ten minste 50 cm dikke laag aarde, zand of een ander aangepast inert materiaal bedekt.

 

Er worden maatregelen getroffen om de doorgang van motorvoertuigen of het opslaan van vrachten boven de houders te beletten, tenzij deze door een niet-brandbare en voldoende weerstand biedende vloer worden beschut.


Art. 5.17.4.2.5.

§ 1.

De opslag in houders geplaatst in een groeve is alleen toegelaten in:

enkel- of dubbelwandige metalen houders die vervaardigd zijn volgens bijlage 5.17.2;
houders uit gewapende thermohardende kunststoffen die vervaardigd zijn volgens bijlage 5.17.2;
houders uit roestvrij staal die vervaardigd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk die aanvaard is door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of een bevoegd deskundige;
een opslagsysteem dat naar voorkoming van bodem- of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen biedt als voormelde houders; dit opslagsysteem wordt aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder; een kopie van het attest wordt door de exploitant bezorgd aan de afdeling,bevoegd voor milieuvergunningen.

 

§ 2.

Alle houders worden uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem. Deze verplichting geldt niet voor houders uit gewapende thermohardende kunststoffen of uit roestvrij staal die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individuele waterinhoudsvermogen minder dan 5000 l bedraagt, of minder dan 10.000 l indien deze houders bestemd zijn voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2.

 

Het lekdetectiesysteem beantwoordt aan bijlage 5.17.3.

 

§ 3.

De groeve wordt gebouwd volgens bijlage 5.17.6. De wanden mogen niet raken aan gemeenschappelijke eigendomsmuren.

 

§ 4.

In het laagste punt van de groeve worden de nodige voorzieningen aangebracht om eventuele lekvloeistof of water te kunnen vaststellen en verwijderen.

 

§ 5.

Het is verboden aan de groeve een andere bestemming te geven dan die voor de opslagruimte van de houders. Alleen de leidingen vereist voor de exploitatie van de erin geplaatste houders mogen doorheen de groeve worden gevoerd.

 

§ 6.

Wanneer de houder een inhoud heeft die groter is dan 2000 l, is er rondom de houder een vrije ruimte van ten minste 50 cm breed om het onderzoek van de houder mogelijk te maken.

 

§ 7.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de opvulling van de groeve verplicht voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1.

 

Als de groeve wordt opgevuld, is er tussen de houder en de wand van de groeve een minimale afstand van 30 cm en wordt er rekening gehouden met bijlage 5.17.6 bij dit besluit.

 

§ 8.

Er worden maatregelen getroffen om de doorgang van motorvoertuigen of het opslaan van vrachten boven de groeve te beletten, tenzij deze door een niet-brandbare en voldoende weerstand biedende vloer wordt beschut.

 

§ 9.

Een prefabconstructie, bestaande uit een betonnen cilindrische houder waarin een enkelwandige metalen houder is geplaatst, is alleen toegelaten voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 bestemd voor de verwarming van gebouwen met een waterinhoudsvermogen van maximaal 5300 l en mits de metalen houder en de prefab betonnen cilindrische houder worden gebouwd volgens een prototype, aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige.


Art. 5.17.4.2.6.

§ 1.

De controle op de bouw gebeurt overeenkomstig bijlage 5.17.2.

 

De controle van afzonderlijk gebouwde houders wordt uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige.

 

De controle van in serie gebouwde houders mag beperkt worden tot één prototype. De prototypekeuring wordt uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen waarvan de erkenning toelaat prototypekeuringen uit te voeren.

 

Het verslag van deze keuring vermeldt de uitgevoerde controles en dient ondertekend te worden door voormelde deskundige.

 

§ 2.

De exploitant beschikt voor elke houder over een "verklaring van conformiteit van de houder", ondertekend door de constructeur en opgemaakt overeenkomstig het modelformulier in bijlage 5.17.2.

 

De houders zijn voorzien van een kenplaat, aangebracht door de constructeur.


Art. 5.17.4.2.7.

Vóór het plaatsen van de houder, hetzij rechtstreeks in de grond, hetzij in een groeve, wordt gecontroleerd of de houder en in voorkomend geval ook de groeve, beantwoorden aan de voorschriften van dit besluit.

 

Na de installatie, maar vóór de ingebruikname van de houder, wordt gecontroleerd of de houder, de leidingen en de toebehoren, het waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling, het lekdetectiesysteem en, in voorkomend geval, de kathodische bescherming en de aanwezige voorzieningen ten behoeve van damprecuperatie, voldoen aan de voorschriften van dit besluit.

 

Vermelde controles worden uitgevoerd onder toezicht van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of een bevoegd deskundige of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2, bestemd voor de verwarming van gebouwen van een erkende stookolietechnicus. De controle van de eventuele kathodische bescherming gebeurt in samenwerking met een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie.


Art. 5.17.4.2.8.

§ 1.

Ten minste om het jaar voor de houders gelegen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones en om de twee jaar voor de houders gelegen in de andere gebieden wordt de installatie onderworpen aan een beperkt onderzoek, omvattende indien relevant:

de inzage in de geldende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of aktename, in de verklaring van conformiteit, in het attest van de controle bij plaatsing, en in het vorige rapport of attest van het periodieke onderzoek. De exploitant verleent inzage van die documenten;
de controle op de goede staat van de overvulbeveiliging;
de controle op de aanwezigheid van water en slib in de enkelwandige houder voor vloeibare brandstoffen (bijlage 5.17.4.),voor zover mogelijk en zonder dat de houder daarvoor dient blootgelegd. Bij materiële onmogelijkheid deze controle uit te voeren, wordt een dichtheidsbeproeving, overeenkomstig artikel 5.17.4.2.8, §2, 5°, uitgevoerd;
een onderzoek naar zichtbare of organoleptisch waarneembare verontreiniging aan de oppervlakte buiten de houder (bijlage 5.17.4.);
een onderzoek van de staat van de uitwendige zichtbare delen van de houder, de afsluiters, leidingen, pompen, en andere;
de controle op de doeltreffendheid van de eventuele aanwezige kathodische bescherming of corrosiemonitoring;
de controle op de doeltreffendheid van het lekdetectiesysteem;
de controle op de doeltreffendheid van de voorzieningen ten behoeve van damprecuperatie;
een dichtheidsbeproeving overeenkomstig paragraaf 2, 5°, van dit artikel op de houders, vermeld in artikel 5.17.4.2.11, §6.
10° een onderzoek van de goede staat van de koolwaterstofafscheider.

 

 

§ 2.

Behalve voor houders uit gewapende thermohardende kunststoffen wordt ten minste om de 10 jaar, voor de houders gelegen in de waterwingebieden en de beschermingszones, en om de 15 jaar voor de houders gelegen in de andere gebieden, de installatie onderworpen aan een algemeen onderzoek, omvattende:

het beperkt onderzoek zoals vermeld in paragraaf 1;
de staat van de binnenwand bij een vastgestelde belangrijke aanwezigheid van water of slib; als een inwendige inspectie vereist is, wordt de houder inwendig gereinigd; voorzover technisch mogelijk, worden de binnenwand en de inwendige delen van de houder onderzocht en wordt waar nodig een niet-destructief onderzoek uitgevoerd om de wanddikte van de houder te bepalen;
de staat van de buitenbekleding, voorzover technisch mogelijk en zonder dat de houder daarvoor dient blootgelegd;
in voorkomend geval, met name de situatie als vermeld in artikel 5.17.4.2.4, §3, de detectie van eventueel optredende corrosie aan de hand van een potentiaalmeting en een meting van de corrosiviteit van de aanpalende bodem;
een dichtheidsbeproeving op rechtstreeks in de grond ingegraven enkelwandige houders gedurende ten minste één uur bij een overdruk van minstens 30 kPa of bij een onderdruk van hoogstens 30 kPa; beproeving bij een overdruk van meer dan 30 kPa mag enkel geschieden als de houders daartoe volledig worden gevuld met water; niet toegankelijke enkelwandige leidingen worden beproefd bij een overdruk van tenminste 30 kPa gedurende 1 uur of bij een onderdruk van ten hoogste 30 kPa; een gelijkwaardige beproeving, waarbij maximaal gezocht wordt naar het detecteren van niet-dichte tanks of het classificeren van tanks naargelang de kwaliteitstoestand, uitgevoerd overeenkomstig een code van goede praktijk, aanvaard door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, is eveneens toegelaten.

 

§ 3.

Voor de houders gelegen buiten de waterwingebieden en de beschermingszones kan van de termijn, vermeld in paragraaf 1 en 2, afgeweken worden bij gebruik van een controlemethode die toelaat de kwaliteit en de levensduur in te schatten van de tank. De erkenning van laatstgenoemde controlemethode en de bijhorende criteria om de maximale termijn voor de hercontrole te bepalen, gebeurt door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en bijkomend moet worden aangetoond dat deze controlemethode als basis dient voor het voorkomen van de milieuschade die kan ontstaan vanaf de eerste controle met dit systeem.

 

§ 4.

De periodieke onderzoeken, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor opslagplaatsen van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkende stookolietechnicus.

 

De controle met betrekking tot corrosie en kathodische bescherming gebeurt in samenwerking met een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie.


Art. 5.17.4.2.9.

Naar aanleiding van de controle, vermeld in artikel 5.17.4.2.7, bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.17.4.2.8, stellen de deskundigen of de erkend technicus een attest op waaruit ondubbelzinnig moet blijken of de houder en de installatie al dan niet voldoen aan de voorschriften van dit reglement. Voormeld conformiteitsattest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of erkende stookolietechnicus, die het onderzoek heeft uitgevoerd.

 

Ze brengen op de vulleiding een duidelijk zichtbare en leesbare klever of plaat aan, waarop zijn erkenningsnummer, het jaartal en de maand van hetzij de controle bij de plaatsing hetzij de laatst uitgevoerde controle en van de volgende uit te voeren controle vermeld zijn.

 

De klever of plaat heeft de volgende kleur:

groen: als de houder en de installatie voldoen aan dit besluit en de geldende omgevingsvergunning of aktename;
oranje: als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit of de geldende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of aktename, maar de vastgestelde gebreken geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder;
rood: als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit of de geldende omgevingsvergunning of aktename en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder, of als na een periode van maximaal zes maanden met oranje label of plaat bij de houder en de installatie nog altijd dezelfde gebreken worden vastgesteld.

Art. 5.17.4.2.10.

Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een groene klever of plaat, vermeld in artikel 5.17.4.2.9, mogen worden gevuld, bijgevuld en geëxploiteerd.

 

Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een oranje klever of plaat, vermeld in artikel 5.17.4.2.9, mogen nog worden gevuld of bijgevuld en geëxploiteerd tijdens een overgangsperiode van maximum zes maanden die ingaat de eerste van de maand volgend op de maand vermeld op de voormelde oranje klever of plaat. In dit geval wordt een nieuwe controle uitgevoerd vóór het verstrijken van voormelde termijn. Het verlenen van een oranje klever of plaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje klever of plaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit besluit, gevolgd door een groene of rode klever.

 

In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.

 

Het is verboden houders waarvan de vulleiding voorzien is van een rode klever of plaat, vermeld in artikel 5.17.4.2.9, te vullen of te laten vullen. De exploitant treft alle nodige maatregelen, overeenkomstig het attest van de erkende milieudeskundige, bevoegd deskundige of stookolietechnicus om de opslaginstallatie terug in goede staat te brengen waarna de opslaginstallatie terug aan een controle wordt onderworpen. Binnen de veertien dagen nadat een rode klever of plaat aangebracht werd, maakt de exploitant of op zijn verzoek de erkende milieudeskundige, bevoegde deskundige of de stookolietechnicus hiervan melding bij de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

 

Het is eveneens verboden houders waarvan de vulleiding niet voorzien is van een klever of plaat, vermeld in artikel 5.17.4.2.9, te vullen of te laten vullen.


Art. 5.17.4.2.11.

§ 1.

Als bestaande houders voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en 2 worden beschouwd:

houders waarvan de exploitatie is vergund op 1 januari 1993 of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid;
houders die op 1 september 1991 reeds in gebruik waren genomen en niet in toepassing van titel I van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming als gevaarlijk, ongezond of hinderlijke inrichting waren ingedeeld;
houders waarvoor vóór 1 juli 1993 de melding is geschied overeenkomstig titel I van het VLAREM.

 

Deze houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

      

In afwijking van het eerste lid, worden ook als bestaande houders voor de opslag van gasolie of stookolie beschouwd, de houders die onder de toepassing vallen van rubriek 17.3.2.1.1, 1°, a) van de indelingslijst en die vóór 1 augustus 1995 een eerste maal zijn gevuld.

 

§ 2.

Als bestaande houders voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 3 worden beschouwd de houders waarvan de exploitatie is vergund op 1 mei 1999 of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid.

 

Deze houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 3.

De afstands- en verbodsregels alsmede de bepalingen van deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen en het vulpunt zijn niet van toepassing op bestaande houders.

 

§ 4.

Het algemeen onderzoek, vermeld in artikel 5.17.4.2.8, §2, wordt een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op de data vermeld in onderstaande tabel, afhankelijk van de ligging, de aard van de opgeslagen vloeistof en de klasse:

 

product

klasse

ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones

 

 

Binnen

buiten

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 1

1, 2, 3

1 augustus 1997

1 augustus 1999

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 2

1, 2

1 augustus 1997

1 augustus 1999

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 2

3

1 augustus 1998

1 augustus 2000

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 3

1, 2, 3

1 januari 2002

1 januari 2003

 

Voor dezelfde data wordt een corrosiviteitsonderzoek conform artikel 5.17.4.2.4, §3, uitgevoerd op de volgende ingegraven metalen houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 5000 l of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 vanaf 10.000 l evenals de leidingen die erbij horen:

enkelwandige houders;
dubbelwandige houders binnen een waterwingebied of een beschermingszone type I en II;
dubbelwandige houders binnen de omgeving van elektrische geleiders waar belangrijke zwerfstromen aanwezig kunnen zijn.

 

Vanaf de datum van het eerste algemeen onderzoek worden de periodieke onderzoeken uitgevoerd volgens artikel 5.17.4.2.8 en 5.17.4.2.9.

 

In afwijking van het eerste en derde lid, worden voor bestaande houders voor de opslag van gasolie of stookolie die onder de toepassing vallen van rubriek 17.3.2.1.1, 1°, van de indelingslijst en bestemd zijn voor de verwarming van gebouwen, het algemeen onderzoek en het corrosiviteitsonderzoek of in vervanging de controlemethode zoals beschreven in artikel 5.17.4.2.8, §3, een eerste maal uitgevoerd vóór 1 augustus 2002.

 

§ 5.

Met behoud van de toepassing van de bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de bestaande houders uiterlijk op de data vermeld in onderstaande tabel uitgerust met:

een waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling dat voldoet aan bijlage 5.17.7;
een lekdetectie die voldoet aan bijlage 5.17.3;
een kathodische bescherming die voldoet aan dit hoofdstuk;

 

product

klasse

ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones

 

 

binnen

buiten

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 1

1, 2, 3

1 augustus 1998

1 augustus 2000

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 2

1, 2

1 augustus 1998

1 augustus 2000

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 2

3

1 augustus 1999

1 augustus 2001

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 3

1, 2, 3

1 januari 2003

1 januari 2005

 

§ 6.

Voor bestaande houders voor opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen minder dan 5000 liter bedraagt, is het niet verplicht om de houder uit te rusten met een lekdetectie.

 

De lekdetectie is evenmin verplicht voor houders die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen:

1° minder dan 5000 liter bedraagt als het gaat om de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1;

2° minder dan 10.000 liter bedraagt als het gaat om de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2.

 

§ 7.

Bij vervanging van de houders, vermeld in paragraaf 1 en 2, voldoet de nieuwe houder aan alle voorschriften van dit besluit, behalve voor wat betreft de scheidingsafstanden.


Art. 5.17.4.2.12.

§ 1.

Voor ondergrondse houders waarin gevaarlijke stoffen in opslag zijn, die voor 1 juni 2015 niet ingedeeld waren en vanaf die datum ingedeeld worden in rubriek 17.2 of 17.3 van de indelingslijst, zijn de afstands- en verbodsregels en de scheidingsafstanden alsmede de bepalingen van deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen, het vulpunt en de vulplaats niet van toepassing.

 

Het algemeen onderzoek, vermeld in artikel 5.17.4.2.8, §2, wordt een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op 1 juni 2016 voor houders gelegen binnen waterwingebied of beschermingszones en op 1 juni 2018 voor houders gelegen buiten waterwingebied of beschermingszones.

 

In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in gebruik worden gehouden.

 

Voor dezelfde data wordt een corrosiviteitsonderzoek conform artikel 5.17.4.2.4, §3, uitgevoerd op de volgende ingegraven metalen houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 5000 l of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 vanaf 10.000 l evenals de leidingen die erbij horen:

enkelwandige houders;
dubbelwandige houders binnen een waterwingebied of een beschermingszone type I en II;
dubbelwandige houders binnen de omgeving van elektrische geleiders waar belangrijke zwerfstromen aanwezig kunnen zijn.

 

Vanaf de datum van het eerste algemeen onderzoek worden de periodieke onderzoeken uitgevoerd conform artikel 5.17.4.2.8 en 5.17.4.2.9.

 

§ 2.

De houders zoals vermeld in paragraaf 1 moeten uiterlijk op 1 juni 2016 indien gelegen binnen waterwingebied of beschermingszones en 1 juni 2018 indien gelegen buiten waterwingebied of beschermingszones uitgerust zijn met:

het waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling dat voldoet aan bijlage 5.17.7;
de lekdetectie die voldoet aan bijlage 5.17.3;
de kathodische bescherming die voldoet aan dit hoofdstuk.

 

§ 3.

Voor houders zoals vermeld in paragraaf 1 voor opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen minder dan 5.000 liter bedraagt, is het niet verplicht om de houder uit te rusten met een lekdetectie.

 

De lekdetectie is evenmin verplicht voor houders zoals vermeld in paragraaf 1 die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen:

minder dan 5.000 liter bedraagt als het gaat om de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1;
minder dan 10.000 liter bedraagt als het gaat om de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2.

 

§ 4.

Bij vervanging van de houders, vermeld in paragraaf 1, voldoet de nieuwe houder aan alle voorschriften van dit hoofdstuk, behalve voor wat betreft de afstands- en verbodsregels en de scheidingsafstanden.

 

§ 5.

De houders, vermeld in paragraaf 1, worden bij de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geacht bestaande houders te zijn zoals vermeld in artikel 5.17.4.2.11, §2.

 

§ 6.

Voor ondergrondse houders waarvoor de opslag van gevaarlijke producten op 1 juni 2015 was vergund, of waarvoor vòòr 1 juni 2015 een vergunningsaanvraag of mededeling kleine verandering is ingediend, met als voorwerp rubriek 17.2 of rubriek 17.3 van de indelingslijst zoals deze van toepassing was vòòr 1 juni 2015 en waarvoor de opslag van gevaarlijke producten vanaf 1 juni 2015 ingedeeld is in de gewijzigde rubrieken 17.2 of 17.3 van de indelingslijst en vanaf die datum aan strengere voorwaarden worden onderworpen, gelden, met behoud van de toepassing van de bijzondere voorwaarden, die zijn opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, ten aanzien van de strengere voorwaarden dezelfde overgangsbepalingen als voor de houders zoals vermeld in paragraaf 1.


Art. 5.17.4.2.13.

§ 1.

Als lekken worden vastgesteld, treft de exploitant alle nodige maatregelen om explosiegevaar te voorkomen en verdere bodem- en grondwaterverontreiniging zoveel mogelijk te beperken.

 

§ 2.

Na vakkundige herstelling mag de houder slechts opnieuw in gebruik worden genomen nadat deze een geslaagde dichtheidsbeproeving zoals vermeld in artikel 5.17.4.2.8 heeft ondergaan en een attest werd afgeleverd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkende stookolietechnicus. Hieruit moet ondubbelzinnig blijken dat de houder en de installatie voldoen aan de voorschriften van dit besluit.

 

§ 3.

Bij definitieve buitengebruikstelling van houders, al dan niet wegens lekken, wordt binnen een termijn van 36 maanden de houder geledigd, gereinigd en verwijderd met behoud van de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

Bij materiële onmogelijkheid tot verwijderen van de houder, wordt, binnen dezelfde termijn, in overleg met een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, met een bevoegd deskundige of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 bestemd voor de verwarming van gebouwen met een erkende stookolietechnicus, de houder geledigd, gereinigd en gevuld met zand, schuim of een gelijkwaardig inert materiaal. De nodige maatregelen worden getroffen voor explosiebeveiliging en om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen

 

Vanaf 1 juni 2015 stelt de deskundige of de erkende stookolietechnicus naar aanleiding van de buitengebruikstelling van de houder een attest op waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de buitengebruikstelling werd uitgevoerd volgens de regels van het vak. Dit attest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of de erkende stookolietechnicus.


Subafdeling 5.17.4.3.
Opslag van gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse houders


Art. 5.17.4.3.1.

§ 1.

De houders worden in of boven een inkuiping geplaatst teneinde brandverspreiding, bodem- of grondwaterverontreiniging te voorkomen. Gelijkwaardige opvangsystemen kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegelaten.

 

Voor dubbelwandige houders, uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem geldt deze verplichting niet.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is het verboden opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 in vaste houders aan te leggen in kelders, in bovengrondse lokalen, rechtstreeks onder een gebouw of onder de verticale projectie ervan. Een luifel wordt niet beschouwd als een gebouw.

 

Het is verboden opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 in verplaatsbare recipiënten aan te leggen in kelderverdiepingen.


Art. 5.17.4.3.2.

§ 1.

De vaste houders worden gebouwd volgens bijlage 5.17.2.

 

§ 2.

Alle metalen gedeelten van de houders, bestemd voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1, het vlottend dak van de houders inbegrepen, worden op equipotentiaal gebracht.


Art. 5.17.4.3.3.

§ 1.

De controle op de bouw van vaste houders gebeurt conform bijlage 5.17.2.

 

De controle van afzonderlijk gebouwde houders wordt uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige.

 

De controle van in serie gebouwde houders mag beperkt worden tot één prototype; de prototypekeuring wordt uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen waarvan de erkenning toelaat prototypekeuringen uit te voeren.

 

Het verslag van deze keuring vermeldt de uitgevoerde controles en wordt ondertekend door voormelde deskundige.

 

§ 2.

De exploitant beschikt voor elke houder over een "verklaring van conformiteit van de houder", ondertekend door de constructeur en opgemaakt overeenkomstig het modelformulier in bijlage 5.17.2.

 

De houders zijn voorzien van de kenplaat, aangebracht door de constructeur.


Art. 5.17.4.3.4.

Vóór het plaatsen van de vaste houder wordt gecontroleerd of de houder en de funderingen beantwoorden aan dit besluit.

 

Na de installatie, maar vóór de in gebruikname van de houder, wordt gecontroleerd of de houder, de leidingen en de toebehoren, het waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling, de inkuiping en de brandbestrijdingsmiddelen en in voorkomend geval, het lekdetectiesysteem en de aanwezige voorzieningen ten behoeve van damprecuperatie voldoen aan dit besluit.

 

Vermelde controles worden uitgevoerd onder toezicht van een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of een bevoegd deskundige of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2, bestemd voor de verwarming van gebouwen, van een erkende stookolietechnicus.


Art. 5.17.4.3.5.

§ 1.

Op de vaste houder wordt op een zichtbare en goed bereikbare plaats een kenplaat aangebracht, conform bijlage 5.17.2.

 

§ 2.

Nabij de vulopening en op een goed zichtbare plaats op de vaste houder worden de volgende aanduidingen duidelijk leesbaar aangebracht :

het nummer van de houder;
de naam of de codenummers of -letters van de opgeslagen vloeistof;
de gevarenpictogrammen;
het waterinhoudsvermogen van de houder.

 

Deze paragraaf is niet van toepassing op opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 die uitsluitend bestemd zijn voor de verwarming van gebouwen.


Art. 5.17.4.3.6.

§ 1.

De inkuiping en de fundering voor vaste houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 10.000 l worden gebouwd volgens een code van goede praktijk onder het toezicht en volgens de richtlijnen van een architect, een burgerlijk ingenieur architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur of een industrieel ingenieur in de bouwkunde.

 

Voor in klasse 1 of 2 ingedeelde opslagplaatsen bevestigt voormelde deskundige in een attest dat hij de aangewende code van goede praktijk aanvaardt en dat deze werd nageleefd.

 

§ 2.

Vaste houders worden op een steunblok of -vlak van voldoende afmetingen geplaatst om te beletten dat de belasting ongelijke inzakkingen veroorzaakt, waaruit een gevaar voor kanteling of voor breuk zou kunnen ontstaan. Voor de opstelling van houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 50.000 l wordt een stabiliteitsstudie gemaakt door de deskundige, vermeld in paragraaf 1.

 

§ 3.

De inkuiping is bestand tegen de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen en is vloeistofdicht. De inkuiping heeft een voldoende sterkte om te weerstaan aan de vloeistofmassa die bij breuk uit de grootste in de inkuiping geplaatste houder kan ontsnappen.

 

De vloer is zodanig aangelegd dat de verspreiding van de lekvloeistoffen minimaal blijft en dat de lekvloeistoffen gemakkelijk kunnen worden verwijderd.

 

§ 4.

In geval de inkuiping wordt gemaakt van aarden afdammingen bestaan deze afdammingen uit zeer kleiachtige, vaste en stevig verdichte aarde, waarvan de hellingen maximaal 4/4 en de dikte op de bovenkant minstens 50 cm bedragen. De vloer mag uit dezelfde materialen worden vervaardigd. De dammen worden met gras bezaaid. Aan de basis mogen evenwel zorgvuldig berekende steunmuren, van maximum één meter hoogte, opgetrokken worden.

 

§ 5.

Het doorvoeren van leidingen doorheen de inkuiping is alleen toegelaten als de dichtheid van de inkuiping verzekerd blijft.

 

§ 6.

Als de inkuiping breder is dan 30 m worden de reddingsladders of -trappen zo geplaatst dat een persoon die vlucht geen grotere afstand moet afleggen dan de halve breedte van de inkuiping plus 15 m om een reddingsladder of -trap te bereiken.


Art. 5.17.4.3.7.

§ 1.

Voor opslagplaatsen in vaste houders of verplaatsbare recipiënten gelegen binnen een waterwingebied of beschermingszone, is de minimale capaciteit van de inkuiping gelijk aan het totale waterinhoudsvermogen van alle erin geplaatste houders of recipiënten.

 

§ 2.

Voor opslagplaatsen in vaste houders, gelegen buiten een waterwingebied of beschermingszone wordt de minimale capaciteit van de inkuiping als volgt bepaald (dubbelwandige houders uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem hoeven niet in rekening te worden gebracht):

voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1,ontploffingsgevaarlijke vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01 of acuut toxische vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2, de grootste van de volgende waarden:
  a) het waterinhoudsvermogen van de grootste houder, vermeerderd met 25 % van het totale waterinhoudsvermogen van de andere in de inkuiping geplaatste houders;
  b) de helft van het totale waterinhoudsvermogen van de erin geplaatste houders;
voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 in bovengrondse lokalen en kelders: het totale waterinhoudsvermogen van alle erin geplaatste houders;
voor de opslag van de overige gevaarlijke vloeistoffen: het waterinhoudsvermogen van de grootste houder.

 

Bij opslag binnen één inkuiping van diverse producten, die worden gekenmerkt door verschillende gevarenpictogrammen, worden de strengste voorschriften nageleefd.

 

§ 3.

Voor de opslagplaatsen gelegen buiten een waterwingebied of beschermingszone van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 en groep 3, in verplaatsbare recipiënten mag de capaciteit van de inkuiping worden beperkt tot 10 % van het totale waterinhoudsvermogen van de erin opgeslagen recipiënten. In ieder geval dient de capaciteit van de inkuiping minstens gelijk te zijn aan het inhoudsvermogen van het grootste recipiënt geplaatst in de inkuiping.

 

§ 4.

Voor de opslagplaatsen gelegen buiten een waterwingebied of beschermingszone van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 in verplaatsbare recipiënten moet de capaciteit van de inkuiping 25 % van het totale waterinhoudsvermogen van de erin opgeslagen recipiënten bedragen. De capaciteit mag tot 10% worden teruggebracht indien, in overleg met de bevoegde brandweer, een aangepaste brandblusinstallatie is aangebracht. In ieder geval dient de capaciteit van de inkuiping minstens gelijk te zijn aan het inhoudsvermogen van het grootste recipiënt geplaatst in de inkuiping.


Art. 5.17.4.3.8.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bedraagt de afstand tussen de houders onderling ten minste 0,5 m en tussen de houders en de binnenwanden van de inkuiping of de onderkant van de dammen ten minste de helft van de hoogte van de houders.

 

Deze laatste verplichting vervalt:

bij opslag van gevaarlijke vloeistoffen in dubbelmantelhouders of houders met ringmantel of een gelijkwaardige afscherming, die er voor zorgt dat eventuele lekvloeistof binnen de inkuiping terechtkomt, of
bij opslag van vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 100 °C en voldoende viscositeit waardoor de eventuele lekvloeistof binnen de inkuiping terechtkomt.

      


Art. 5.17.4.3.9.

Met behoud van de toepassing van andere bepalingen van dit besluit voldoen opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 in verplaatsbare recipiënten aan de volgende voorwaarden:

de opslag wordt tegen de nadelige gevolgen van de inwerking van zonnestraling of de uitstraling van gelijk welke warmtebron beschermd;
opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 samen met andere vloeistoffen is toegelaten mits deze laatste vloeistoffen het risico op of bij ongeval niet verhogen;
opslagplaatsen in een gebouw worden gebouwd zoals voorgeschreven in artikel 52 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming;
opslagplaatsen buiten gebouwen die speciaal worden gebouwd voor de opslag van deze vloeistoffen en die niet beantwoorden aan artikel 52 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming moeten zich op ten minste 10 m afstand bevinden van elk naburig gebouw;
de deuren van gesloten opslagplaatsen gaan open in de vluchtzin en zijn zelfsluitend; bij dubbele deuren blijft één deur continu vergrendeld; de andere deur moet zelfsluitend zijn; de deuren mogen tijdelijk geopend blijven als dit om bedrijfstechnische redenen vereist is. In geval van brand moeten ze evenwel automatisch sluiten. Het gebruik van schuifwanden is toegelaten op voorwaarde dat deze wanden, of het opslaglokaal, een of meer deuren tellen die aan bovenstaande voorschriften beantwoorden;
alle opslagplaatsen worden op afdoende wijze, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig geventileerd.

Art. 5.17.4.3.10.

§ 1.

De constructie van alle ruimten voor de behandeling van gevaarlijke producten is zodanig uitgevoerd dat accidenteel gemorste stoffen of lekvloeistoffen kunnen opgevangen worden.

 

Om brandverspreiding te voorkomen wordt de constructie van alle ruimten voor de behandeling van ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 of 2 zodanig uitgevoerd dat accidenteel gemorste stoffen en lekvloeistoffen in een opvanginrichting terechtkomen en vervolgens via opvanggoten naar één of meerdere opvangputten geleid worden.

 

De vermelde opvanginrichting mag op geen enkele manier, noch onrechtstreeks noch rechtstreeks, in verbinding staan met een openbare riolering, een oppervlaktewater, een verzamelbekken voor oppervlaktewater, een gracht of een grondwaterlaag.

 

§ 2.

De inhoud van een lekkende houder wordt onverwijld in een andere geschikte houder overgepompt of overgeladen. Gemorste vloeistoffen worden onverwijld geïmmobiliseerd en in een speciaal daartoe bestemd vat gebracht. In de inrichting zijn de nodige interventiemiddelen, zoals absorptie- en neutralisatiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, en dergelijke, aanwezig om in geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.

 

§ 3.

De opvanginrichtingen en de opvangputten worden regelmatig, en ten minste na elke calamiteit, geledigd. De verkregen afvalstroom wordt op een aangepaste manier verwijderd.


Art. 5.17.4.3.11.

Alle nodige maatregelen worden getroffen om het hemelwater dat zich eventueel in de inkuiping bevindt regelmatig te verwijderen.

 

Alvorens het hemelwater te verwijderen, verzekert de exploitant zich van de afwezigheid van het opgeslagen product in het water. Ingeval het water opgeslagen producten bevat, treft hij alle maatregelen om verontreiniging van bodem, grond- of oppervlaktewater te voorkomen.


Art. 5.17.4.3.12.

§ 1.

In de omgeving van tankenparken gelegen binnen een waterwingebied of een beschermingszone dienen op oordeelkundige wijze, in overleg met de lokale waterbedelingsmaatschappij en een MER-deskundige erkend in de discipline water, deeldomein geohydrologie als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL, waarnemingsbuizen (peilputten) aangebracht te worden overeenkomstig bijlage 5.17.3. aangaande de detectie van lekken onder gas- of vloeistofvorm buiten de opslaghouder.

 

De waarnemingsbuizen (peilputten) bestaan uit een materiaal dat door de opgeslagen vloeistoffen niet kan worden aangetast.

 

De verbuizing is over de volledige lengte uitgevoerd als filterbuis; ze heeft een inwendige diameter van minimum 5 cm, reikt minimaal 1 m dieper dan het laagste niveau van de freatische grondwatertafel en is van boven afgedicht.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden ten minste drie waarnemingsbuizen aangebracht.

 

De uitvoeringsplannen en de boorverslagen zijn ter inzage van de toezichthouder.

 

§ 2.

Regelmatig controleert de exploitant in de peilputten het grondwater op de aanwezigheid van verontreiniging.

 

Voor tankenparken wordt, ten minste om de twee jaar, een grondwateronderzoek uitgevoerd conform de methode, vermeld in artikel 4 van bijlage 4.2.5.2, die bij dit besluit is gevoegd, hetzij door de exploitant, met apparatuur en volgens een methode die goedgekeurd is door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, hetzij door het voormelde laboratorium zelf. Die goedkeuring is geldig voor maximaal drie jaar. De goedkeuring wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk.

 

De exploitant meldt aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de monsternames, metingen of analyses die hij zelf uitvoert en het laboratorium dat de goedkeuring van de methode verleend heeft. De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds voor de toezichthouder altijd ter inzage ligt.


Art. 5.17.4.3.13.

§ 1. Minimale blus- en koelvoorzieningen

Een tankenpark voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 is voorzien van een doeltreffende, aan de omstandigheden aangepaste, vaste schuiminstallatie of van een blus- of koelinstallatie in overleg met de bevoegde brandweer.
De inrichting beschikt over een hoeveelheid water om de houders gedurende een voldoende tijd te kunnen besproeien of te koelen. De werking van de blus-, of koelinstallaties wordt bij uitval van de normale elektrische voorziening automatisch verzekerd door noodgroepen of gelijkwaardige noodinstallaties.

 

§ 2.

Inrichtingen met houders voor de opslag van ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 ingedeeld in klasse 1 die niet of slechts tijdens de gewone werkuren bemand zijn, worden in overleg met de bevoegde brandweer uitgerust met een doeltreffende rook-, gas- of vlamdetectie die een alarm geeft bij een bemande bewakingsdienst.

 

§ 3.

Voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 in tankenparken worden de brandbestrijdingsmiddelen bij de ingebruikname onderzocht door een VR-deskundige of door een bevoegd deskundige, tenzij dit onderzoek geheel of gedeeltelijk wordt uitgevoerd door de bevoegde brandweer of door de exploitant of door zijn aangestelde in overleg met de bevoegde brandweer.


Art. 5.17.4.3.14.

De bereikbaarheid van het tankenpark wordt zodanig opgevat dat:

het verkeer in de zones waar redelijkerwijze brand- en ontploffingsgevaar bestaat tot een minimum wordt beperkt;
het tankenpark op een gemakkelijke wijze toegankelijk is;
een gemakkelijke toegang bestaat voor het interventiematerieel.
de motorvoertuigen waarmee de producten worden af- of aangevoerd zich tijdens het laden of lossen, voorzover dit technisch mogelijk is, bevinden op een laad-losplaats gelegen buiten de reglementaire grootte van de rijbaan.

Art. 5.17.4.3.15.

§ 1.

De exploitant van een tankenpark houdt op oordeelkundige plaatsen in de inrichting een dossier ter beschikking van de bevoegde brandweer, met ten minste de volgende gegevens:

een plan van het tankenpark en de toegangswegen;
een beschrijving van de brandbestrijdingsmiddelen met aanduiding ervan op een plan;
een beschrijving van de opgeslagen producten met de voornaamste fysische en chemische eigenschappen (gevarenkaarten) met de vermelding van de indeling volgens de CLP-verordening, van het UN- nummer en van de ADR-code;
het waterinhoudsvermogen van de houders;
de samenstelling van de eventuele eigen brandweerdienst.

 

Elke andere evenwaardige manier van informatieverstrekking is toegelaten mits het akkoord van de toezichthouder en van de bevoegde brandweer.


Art. 5.17.4.3.16.

§ 1.

Ten minste om de drie jaar, zonder dat de periode tussen twee opeenvolgende onderzoeken veertig maanden mag overschrijden, worden de installaties aan een beperkt onderzoek onderworpen.

 

Dit onderzoek omvat indien relevant:

de inzage in de geldende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of aktename, in de verklaring van conformiteit, in het attest van de controle bij plaatsing, en in het vorige rapport of attest van het periodieke onderzoek. De exploitant verleent inzage van die documenten;
de controle op de goede staat van de overvulbeveiliging;
een onderzoek naar zichtbare of organoleptisch waarneembare verontreiniging aan de oppervlakte buiten de houder volgens bijlage 5.17.4;
het onderzoek van de algemene staat van de installatie, omvattende:
  a) het opsporen van lekken en lekaanwijzingen;
  b) het onderzoek van de staat van de platen, de verbindingen en de stompen van de houder;
  c) het onderzoek van de staat van de toebehoren als: afsluiters, temperatuur-, druk-, niveaumeting en aarding;
  d) het onderzoek van de drukbeveiligings- en alarmtoestellen;
  e) het onderzoek van de staat van de buitenbekleding, hetzij de schildering of de isolatie;
  f) het onderzoek van de funderingen of steunblokken met het oog op de stabiliteit en de afwatering;
  g) het onderzoek van de inkuiping voor wat betreft inhoud, dichtheid, verontreiniging, peilputten;
  h) het onderzoek van de staat van de leidingen en de toebehoren binnen de inkuiping.
bovendien moet voor verticale houders:
    a) waar nodig, een niet-destructief onderzoek uitgevoerd worden op de mantel en de dakplaten van de houders om de plaatdikte en eventuele corrosie, zowel in- als uitwendig te bepalen;
    b) op vraag van de milieudeskundige of de bevoegde deskundige de zetting bepaald worden, door de hoogte te meten van een aantal gelijkmatig over de omtrek van de bodemrand verdeelde punten.
  i) het onderzoek van de staat van de eventueel aanwezige emissiebeperkende maatregelen, met uitzondering van intern vlottende daken;
  j) de controle op de doeltreffendheid van de voorzieningen voor de damprecuperatie.
  k) een onderzoek van de goede staat van de koolwaterstofafscheider.

 

§ 2.

Ten minste om de twintig jaar worden de installaties aan een algemeen onderzoek onderworpen. Voorafgaand aan dit onderzoek moet de houder inwendig worden gereinigd.

Dit onderzoek omvat:

het beperkt onderzoek, vermeld in paragraaf 1;
het onderzoek op de staat van de binnenwand;
voor verticale houders omvat het onderzoek bovendien:
  a) het onderzoek van de staat van het vakwerk en de inwendige toebehoren zoals afsluiters, verwarmingsspiralen, dak- en bodemwateraflaten en afdichtingen van de vlottende daken;
  b) het onderzoek van de bodemplaten voor het opsporen van in- en uitwendige corrosie;
  c) het onderzoek van bodemvervorming en eventueel het opmeten van het profiel;
een drukproef op de eventuele verwarmingspijpen.

 

Voor houders, bestemd voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2, met een individueel inhoudsvermogen tot en met 20.000 liter en voor in klasse 2 ingedeelde opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 die bij omgevingstemperatuur vast zijn, moet enkel het beperkt onderzoek, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd.

 

Evenwaardige onderzoeken kunnen worden uitgevoerd zonder de houder inwendig te reinigen. De periodieke herhaling dient in dit geval korter te zijn dan om de 20 jaar en deze termijn wordt vastgelegd op basis van een risicoanalyse uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Elk deelonderzoek wordt uitgevoerd volgens een code van goede praktijk aanvaard door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

§ 3.

De periodieke onderzoeken worden uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkende stookolietechnicus.

 

§ 4.

Voor de houders gelegen buiten de waterwingebieden en de beschermingszones kan van deze termijn, vermeld in paragraaf 1 en 2, afgeweken worden bij gebruik van een controlemethode die toelaat de kwaliteit en de levensduur in te schatten van de tank. De erkenning van laatstgenoemde controlemethode en de bijhorende criteria om de maximale termijn voor de hercontrole te bepalen, gebeurt door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en bijkomend moet worden aangetoond dat deze controlemethode als basis dient voor het voorkomen van de milieuschade die kan ontstaan vanaf de eerste controle met dit systeem.


Art. 5.17.4.3.17.

Naar aanleiding van de controle, vermeld in artikel 5.17.4.3.4, bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.17.4.3.16, stellen de deskundigen of de erkend technicus een attest op waaruit ondubbelzinnig moet blijken of de houder en de installatie al dan niet voldoen aan de voorschriften van dit reglement. Het bovengenoemde attest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of erkend technicus, die het onderzoek heeft uitgevoerd.

 

Behalve in het geval van een tankenpark brengen ze op of nabij de vulleiding een duidelijk zichtbare en leesbare klever of plaat aan, waarop zijn erkenningsnummer, het jaartal en de maand van hetzij de controle bij de plaatsing, hetzij de laatst uitgevoerde controle, en van de volgende uit te voeren controle vermeld zijn.

 

De klever of plaat heeft de volgende kleur:

groen: als de houder en de installatie voldoen aan dit besluit en de geldende omgevingsvergunning of aktename;
oranje: als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit of de geldende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of aktename, maar de vastgestelde gebreken geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder;
rood: als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit of de geldende omgevingsvergunning of aktename en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder, of als na een periode van maximaal zes maanden met oranje label of plaat bij de houder en de installatie nog altijd dezelfde gebreken worden vastgesteld.

Art. 5.17.4.3.18.

Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een groene klever of plaat, zoals vermeld in artikel 5.17.4.3.17, mogen worden gevuld, bijgevuld en geëxploiteerd.

 

Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een oranje klever of plaat, vermeld in artikel 5.17.4.3.17, mogen nog worden gevuld of bijgevuld en geëxploiteerd tijdens een overgangsperiode van maximum zes maanden. Die gaat in op de eerste van de maand die volgt op de maand, vermeld op de bedoelde oranje klever of plaat. In dit geval wordt een nieuwe controle uitgevoerd vóór het verstrijken van voormelde termijn. Het verlenen van een oranje klever of plaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje klever of plaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit reglement, gevolgd door een groene of rode klever.

 

In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat. 

 

Het is verboden houders waarvan de vulleiding voorzien is van een rode klever of plaat, vermeld in artikel 5.17.4.3.17, te vullen of te laten vullen. De exploitant treft alle nodige maatregelen, overeenkomstig het attest van de erkende milieudeskundige, bevoegd deskundige of stookolietechnicus, om de opslaginstallatie terug in goede staat te brengen waarna de opslaginstallatie terug aan een controle dient onderworpen. Binnen de veertien dagen nadat een rode klever of plaat aangebracht werd, maakt de exploitant of op zijn verzoek de erkende milieudeskundige, bevoegde deskundige of de stookolietechnicus hiervan melding bij de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

 

Het is eveneens verboden houders waarvan de vulleiding niet voorzien is van een klever of plaat, vermeld in artikel 5.17.4.3.17, te vullen of te laten vullen.


Art. 5.17.4.3.19.

§ 1.

Als bestaande houders voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en 2 worden beschouwd:

houders waarvan de exploitatie is vergund op 1 januari 1993 of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid;
houders die op 1 september 1991 reeds in gebruik waren genomen en niet in toepassing van titel I van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming als gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichting waren ingedeeld;
houders waarvoor vóór 1 juli 1993 de melding werd gedaan overeenkomstig titel I van het VLAREM.

 

Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

In afwijking van het eerste lid, worden ook als bestaande houders voor de opslag van gasolie of stookolie beschouwd, de houders die onder de toepassing vallen van rubriek 17.3.2.1.1, 1°, a), van de indelingslijst en die vóór 1 augustus 1995 een eerste maal zijn gevuld.

 

§ 2.

Als bestaande houders voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 3 worden beschouwd de houders waarvan de exploitatie is vergund op datum van inwerkingtreding van dit besluit of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid. Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 3.

De afstands- en verbodsregels alsmede de bepalingen van deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen en het vulpunt, gelden niet voor bestaande houders.

 

§ 4.

Het algemeen onderzoek, vermeld in artikel 5.17.4.3.16, §2, wordt, voorzover technisch mogelijk, een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op de data, vermeld in onderstaande tabel, afhankelijk van de ligging, de aard, de opgeslagen vloeistof en de klasse:

 

product

klasse

ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones

 

 

binnen

buiten

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en 2

1, 2, 3

1 augustus 1998

1 augustus 2000

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 3

1, 2, 3

1 januari 2003

1 januari 2005

 

Vanaf de datum van het eerste algemene onderzoek worden de periodieke onderzoeken uitgevoerd volgens artikel 5.17.4.3.16 en 5.17.4.3.17.

 

In afwijking van het eerste lid, wordt voor bestaande houders voor de opslag van gasolie of stookolie die onder de toepassing vallen van rubriek 17.3.2.1.1, 1°, a), van de indelingslijst, het algemeen onderzoek een eerste maal uitgevoerd vóór 1 augustus 2003.

 

§ 5.

Met behoud van de toepassing van de bijzondere milieuvoorwaarden die zijn opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voldoen de bestaande houders uiterlijk op de data vermeld in onderstaande tabel aan dit hoofdstuk, met uitzondering van de voorschriften inzake:

1° de constructie en de plaatsing van de houders en van de leidingen mits evenwel voldaan is aan paragraaf 4;

2° de bouw en de vloeistofdichtheid van de inkuiping van tankenparken.

 

product

klasse

ligging t.o.v. waterwingebieden of beschermingszones

 

 

binnen

buiten

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en 2

1, 2, 3

1 augustus 1999

1 augustus 2001

Gevaarlijke vloeistoffen van groep 3

1, 2, 3

1 januari 2004

1 januari 2006

 

§ 6.

Bij vervanging van de houders, vermeld in paragraaf 1 en 2, voldoet de nieuwe houder aan alle voorschriften van dit hoofdstuk, behalve voor wat betreft de scheidingsafstanden.

 

§ 7.

In afwijking van paragraaf 5 voldoen bestaande houders, die geen deel uitmaken van een tankenpark, uiterlijk op 1 januari 2003 aan artikel 5.17.1.3.6, 5.17.1.3.7 en 5.17.1.3.8, zoals van toepassing vóór 1 juni 2015.

 

§ 8.

In bestaande tankenparken voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en 2 die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone zijn sinds 1 augustus 1997, waarnemingsbuizen geplaatst conform artikel 5.17.4.3.12.

 

In bestaande tankenparken voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 3 die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone zijn waarnemingsbuizen geplaatst conform artikel 5.17.4.3.12.

 

Deze verplichtingen gelden eveneens binnen een termijn van 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het afbakeningsbesluit van een waterwingebied of een beschermingszone.

 

§ 9.

In bestaande tankenparken die niet beschikken over een vloeistofdichte inkuiping en die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone zijn waarnemingsbuizen geplaatst conform artikel 5.17.4.3.12.


Art. 5.17.4.3.20.

§ 1.

Voor bovengrondse houders waarin gevaarlijke stoffen in opslag zijn, die voor 1 juni 2015 niet ingedeeld waren en vanaf diezelfde datum ingedeeld worden in rubriek 17.2 of 17.3 van de indelingslijst, zijn de afstands- en verbodsregels en de scheidingsafstanden alsmede deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen, de inkuiping, de vulplaats en het vulpunt niet van toepassing.        Het algemeen onderzoek, vermeld in artikel 5.17.4.3.16. §2, wordt, voorzover technisch mogelijk, een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op 1 juni 2016 voor houders gelegen binnen waterwingebied of beschermingszones en op 1 juni 2018 voor houders gelegen buiten waterwingebied of beschermingszones.

 

In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in gebruik worden gehouden.

 

Vanaf de datum van het eerste algemeen onderzoek worden de periodieke onderzoeken uitgevoerd conform artikel 5.17.4.3.16 en 5.17.4.3.17.

 

§ 2.

Bij vervanging van de houders, vermeld in paragraaf 1, voldoet de nieuwe houder aan alle voorschriften van dit hoofdstuk, behalve voor wat betreft de afstands- en verbodsregels en de scheidingsafstanden.

 

§ 3.

De houders, vermeld in paragraaf 1, worden bij de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geacht bestaande houders te zijn zoals vermeld in artikel 5.17.4.3.19, §2.

 

§ 4.

In afwijking van paragraaf 1 voldoen de houders die in die paragraaf vermeld worden en die geen deel uitmaken van een tankenpark, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, uiterlijk op 1 juni 2020 aan artikel 5.17.4.3.1, 5.17.4.3.6, 5.17.4.3.7 en 5.17.4.3.8.

 

§ 5.

In tankenparken met houders zoals vermeld in paragraaf 1 die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone worden uiterlijk voor 1 juni 2017 waarnemingsbuizen geplaatst overeenkomstig artikel 5.17.4.3.12 tenzij deze reeds geplaatst zijn op basis van dit besluit.

 

Deze verplichtingen gelden eveneens binnen een termijn van 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het afbakeningsbesluit van een waterwingebied of een beschermingszone.

 

§ 6.

In tankenparken met bestaande houders zoals vermeld in paragraaf 1 die niet beschikken over een vloeistofdichte inkuiping en die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone, worden uiterlijk voor 1 juni 2017 waarnemingsbuizen geplaatst overeenkomstig artikel 5.17.4.3.12.

 

§ 7.

Voor bovengrondse houders waarvoor de opslag van gevaarlijke producten op 1 juni 2015 was vergund, of waarvoor vòòr 1 juni 2015 een vergunningsaanvraag of mededeling kleine verandering is ingediend, met als voorwerp rubriek 17.2 of rubriek 17.3 van de indelingslijst zoals deze van toepassing was vòòr 1 juni 2015 en waarvoor de opslag van gevaarlijke producten vanaf 1 juni 2015 ingedeeld is in de gewijzigde rubrieken 17.2 of 17.3 van de indelingslijst en vanaf die datum aan strengere voorwaarden worden onderworpen, gelden, met behoud van de toepassing van de bijzondere voorwaarden, die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn opgelegd, ten aanzien van de strengere voorwaarden dezelfde overgangsbepalingen als voor de houders zoals vermeld in paragraaf 1.

 

In afwijking hiervan moeten de houders die in deze paragraaf vermeld worden en die geen deel uitmaken van een tankenpark blijven voldoen aan artikel 5.17.3.1, 5.17.3.6, 5.17.3.7 en 5.17.3.8 zoals van toepassing voor 1 juni 2015.


Art. 5.17.4.3.21.

§ 1.

Als er lekken worden vastgesteld, treft de exploitant de nodige maatregelen om explosiegevaar te voorkomen en om verdere bodem- en grondwaterverontreiniging zoveel mogelijk te beperken.

 

§ 2.

Na vakkundige herstelling mag de houder slechts opnieuw in gebruik worden genomen nadat een attest werd afgeleverd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkende stookolietechnicus. Hieruit blijkt ondubbelzinnig dat de houder en de installatie voldoen aan de voorschriften van dit besluit.

 

§ 3.

Bij definitieve buitengebruikstelling van houders, al dan niet wegens lekken, wordt binnen een termijn van 36 maanden de houder geledigd, gereinigd en verwijderd met behoud van de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

Bij materiële onmogelijkheid tot verwijderen van de houder, wordt binnen dezelfde termijn, in overleg met een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of met een bevoegd deskundige of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 bestemd voor de verwarming van gebouwen met een erkende stookolietechnicus, de houder geledigd, gereinigd en worden de nodige maatregelen getroffen voor explosiebeveiliging en om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen..

 

Vanaf 1 juni 2015 stelt de deskundige of de erkende stookolietechnicus naar aanleiding van de buitengebruikstelling van de houder een attest op waaruit ondubbelzinnig moet blijken dat de buitengebruikstelling werd uitgevoerd volgens de regels van het vak. Dit attest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of de erkende stookolietechnicus.


Subafdeling 5.17.4.4.
Beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) bij de opslag en verlading van gevaarlijke vloeistoffen


Onderafdeling 5.17.4.4.1.
Damprecuperatie fase I

Art. 5.17.4.4.1.1.

Deze onderafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de subrubriek 17.3.2.2 van de indelingslijst, voorzover deze inrichtingen betrekking hebben op het ontvangen, opslaan en overslaan van benzine.


Art. 5.17.4.4.1.2.

Met behoud van de toepassing van de overige voorschriften van dit besluit beantwoorden de opslaginstallaties aan de technische voorschriften van bijlage 5.17.9, §2.


Art. 5.17.4.4.1.3.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van de overige voorschriften van dit besluit beantwoorden de overslaginstallaties van mobiele tanks bij terminals aan de technische voorschriften van bijlage 5.17.9, §3.

 

§ 2.

Alle terminals met overslaginstallaties voor het laden van tankwagens zijn uitgerust met minstens één laadportaal dat beantwoordt aan de specificaties voor installaties voor vulling aan de onderzijde van bijlage 5.17.9, §5.

 

§ 3.

Uiterlijk drie maanden na de datum van ingebruikneming en vervolgens minstens éénmaal per jaar dient een erkend laboratorium in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, een verslag op te stellen. Hierin worden de resultaten van de metingen uitgevoerd ter bepaling van de gemiddelde concentratie van dampen in de afvoer van de dampterugwinningseenheid weergegeven, besproken en getoetst aan de emissievoorwaarde vermeld in bijlage 5.17.9, §3. De termijn tussen twee controlemetingen mag in geen geval vijftien maanden overschrijden. Dit verslag wordt gestuurd naar de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en de Vlaamse Milieumaatschappij.


Art. 5.17.4.4.1.4.

Opslaginstallaties, die deel uitmaken van verdeelinstallaties voor benzine moeten voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 5.17.9, §4, en mogen enkel gevuld worden door mobiele tanks die beantwoorden aan het koninklijk besluit tot omzetting van artikel 5 van de richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations.


Art. 5.17.4.4.1.5. De exploitant houdt een register bij waarin de doorzetgegevens worden vermeld. Dit register is ter beschikking van de toezichthouder.

Art. 5.17.4.4.1.6. De exploitant van een dampterugwinningsinstallatie houdt een register bij waarin elke periode van buitengebruikstelling van deze installatie nauwkeurig wordt vermeld, alsmede de reden daarvan en de getroffen maatregelen. Dit register ligt ter inzage op de plaats van exploitatie. De hierin vermelde gegevens kunnen steeds door de toezichthouder worden opgevraagd of ingekeken.

Onderafdeling 5.17.4.4.2.
Op- en overslagactiviteiten in petroleumraffinaderijen

Art. 5.17.4.4.2.1. [...]

Art. 5.17.4.4.2.2. [...]

Onderafdeling 5.17.4.4.3.
Beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) bij de opslag en verlading van vluchtige vloeistoffen (exclusief benzine) in onafhankelijke opslagdepots.

Art. 5.17.4.4.3.1.

§ 1.

Deze onderafdeling is van toepassing op de opslagplaatsen, vermeld in de rubriek 17 van de indelingslijst, voor zover die opslagplaatsen betrekking hebben op het ontvangen, opslaan en overslaan van gevaarlijke vloeistoffen in een onafhankelijk opslagdepot. Deze bepalingen gelden met behoud van de toepassing van afdeling 5.17.4.

 

§ 2.

Deze onderafdeling geldt alleen voor de opslag en overslag van vloeistoffen met een dampdruk van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C. Ze gelden niet voor de opslag en overslag van benzine, noch voor de opslag en overslag van en naar tanks met een opslagcapaciteit kleiner dan 500 m³. Artikel 5.17.4.4.3.3 geldt eveneens niet voor de op- en overslag van en naar zeeschepen.


Art. 5.17.4.4.3.2.

§ 1.

De overslag van en naar mobiele tanks gebeurt met een dampterugvoersysteem of een gelijkwaardige dampbeheersvoorziening.

 

§ 2.

Ruwe aardolie, nafta, reformaat en gascondensaat worden opgeslagen in opslagtanks die uitgerust zijn met een vlottend dak of een gelijkwaardige dampbeheersvoorziening. Bij die producten geldt paragraaf 1 niet voor de overslag van en naar zeeschepen.

 

§ 3.

Voor andere producten dan de producten vermeld in paragraaf 2, geldt paragraaf 1 niet als de opslagtank in kwestie is uitgerust met een vlottend dak.

 

§ 4.

Alle extern vlottende daken zijn voorzien van een primaire afdichting om de ringvormige ruimte tussen de wand van de houder en de buitenste rand van het vlottend dak af te dichten, en van een secundaire afdichting die boven de primaire afdichting is aangebracht.

 

§ 5.

Alle intern vlottende daken hebben een primaire afdichting om de ringvormige ruimte tussen de wand van de houder en de buitenste rand van het vlottend dak af te dichten.

 

§ 6.

Voor alle primaire dichtingen, vermeld in paragraaf 4 en 5, wordt een dichting direct op de vloeistof of een metalen plaat met stalen veer gebruikt.

 

§ 7.

Andere dichtingen dan de dichtingen, vermeld in paragraaf 4, 5 en 6, zijn toegestaan als kan worden aangetoond dat ze de VOS-emissie van de opslag- of overslagactiviteit in kwestie in dezelfde mate beperken.


Art. 5.17.4.4.3.3.

§ 1.

Als de opslag en overslag van vloeistoffen, vermeld in artikel 5.17.4.4.3.1, §2, gepaard gaat met een jaarlijkse reële VOS-emissie van 20 ton of meer, worden de nodige dampbeheersvoorzieningen aangebracht zodat de jaarlijkse VOS-emissie gereduceerd wordt met 85% ten opzichte van de situatie zonder dampbeheersvoorzieningen.

 

§ 2.

Voor de toetsing van de emissies aan het reductiepercentage van 85% wordt gebruikgemaakt van de berekeningsmethode, vermeld in bijlage 5.17.12. De berekening van het reductiepercentage wordt ter beschikking gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.17.4.4.3.4.

§ 1.

Artikel 5.17.4.4.3.2 geldt vanaf 1 januari 2010.

 

In afwijking daarvan geldt het volgende:

voor opslagtanks met intern vlottende daken die al voor 1 januari 2008 in bedrijf waren, gelden paragraaf 5 en 6 vanaf het eerstvolgende algemeen onderzoek, vermeld in artikel 5.17.4.3.16, §2;
voor de belading van ruwe aardolie, nafta, reformaat en gascondensaat geldt paragraaf 1 vanaf 1 januari 2012.

 

§ 2.

artikel 5.17.4.4.3.3 geldt vanaf 1 januari 2012.


Subafdeling 5.17.4.5.
Beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) door lekverliezen in bovengrondse vaste houders


Art. 5.17.4.5.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 17 van de indelingslijst, als het bovengrondse vaste houders betreffen die organische vloeibare producten bevatten met een dampdruk van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C.

 

Deze subafdeling is niet van toepassing op de activiteiten van de inrichtingen, vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, noch op koelinstallaties vermeld in rubriek 16.3 van de indelingslijst.


Art. 5.17.4.5.2.

§ 1.

Houders die periodiek of continu vloeistoffen, vermeld in artikel 5.17.4.1.9, §1, [...] bevatten, worden jaarlijks, zonder dat een periode van zestien maanden tussen twee opeenvolgende controles wordt overschreden, met behulp van een IR-camera, op emissies naar de atmosfeer gecontroleerd zoals vermeld in de Nederlandse technische afspraak (NTA) 8399:2015.

 

Houders met een volume kleiner dan 100 m³ zijn vrijgesteld van de verplichting, vermeld in het eerste lid.

 

§ 2.

Voor houders die andere vloeistoffen bevatten dan vermeld in paragraaf 1, geldt een tweejaarlijkse controle, zonder dat een periode van tweeëndertig maanden tussen twee opeenvolgende controles wordt overschreden.

 

Houders met een volume kleiner dan 500 m³ zijn vrijgesteld van de verplichting, vermeld in het eerste lid.

 

§ 3.

De controle wordt uitgevoerd op het moment dat de houders producten bevatten met een damspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35°C.

 

§ 4.

Horizontale en bolvormige houders die reeds periodiek gecontroleerd worden op lekken in uitvoering van het meet- en beheersprogramma zoals vermeld in afdeling 4.4.6, zijn vrijgesteld van de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 2.

 

§ 5.

De controles met de IR-camera, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op 31 december 2016.  

 

§ 6.

Voor houders die niet voorzien zijn van een vlottend dak en waarvan alle potentiële emissiebronnen bereikbaar zijn met een meettoestel, vermeld in methode EN 15446:2008, kan deze methode gehanteerd worden in plaats van de methode, vermeld in paragraaf 1. In dat geval worden de metingen uitgevoerd door een voor deze metingen erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b) van het VLAREL, of door de exploitant conform artikel 4.4.6.2.3, §3. Exploitanten die opteren voor dit alternatief, maken hiervan melding bij de toezichthouder.


Art. 5.17.4.5.3.

Tot en met 31 december 2019 kunnen de controles met de IR-camera uitgevoerd worden door elke meettechnicus die over een basiskennis thermografie beschikt als vermeld in de NTA 8399:2015.

 

Vanaf 1 januari 2020 worden die metingen uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL.


Art. 5.17.4.5.4.

Van elke houder wordt door de meettechnicus een inspectierapport opgemaakt waarin de informatie van bijlage D van NTA 8399:2015 is opgenomen.

 

Daarnaast wordt van elke controle een video-opname bewaard waaruit duidelijk blijkt dat alle onderdelen van de houder zijn gecontroleerd op lekken.

 

De rapporten en video-opnames worden door de exploitant voor een periode van vijf jaar ter beschikking gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.17.4.5.5.

§ 1.

Alle emissiebronnen van houders, vermeld in artikel 5.17.4.5.2, §1, worden, voor zover mogelijk, direct na de controle gedicht. Alle andere emissiebronnen worden, voor zover mogelijk, binnen de drie maanden gedicht.

 

§ 2.

Alle emissiebronnen die niet binnen de termijnen, vermeld in paragraaf 1, kunnen hersteld worden, worden door de exploitant opgenomen in een herstelplan waarin per emissiebron wordt aangegeven waarom de herstelling niet mogelijk is binnen deze termijn, en wanneer de herstelling dan wel zal uitgevoerd worden.

 

§ 3.

Voor emissiebronnen die afkomstig zijn van apparaten die zodanig ontworpen zijn dat de waargenomen emissie als normaal kan beschouwd worden, wordt per bron gedocumenteerd waarom herstel niet mogelijk is.


Afdeling 5.17.5.
Brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen

[...]


Art. 5.17.5.1. [...]

Art. 5.17.5.2. [...]

Art. 5.17.5.3. [...]

Art. 5.17.5.4. [...]

Art. 5.17.5.5. [...]

Art. 5.17.5.6. [...]

Art. 5.17.5.7. [...]