Hoofdstuk 5.19.
HOUT


Afdeling 5.19.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.19.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 19.

 

§ 2.

[...]


Art. 5.19.1.2.

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is de exploitatie van een inrichting verboden, die overeenkomstig rubriek 19 van de indelingslijst is ingedeeld in de eerste klasse en die gelegen is in een woongebied.

 

§ 2.

De in § 1 vermelde verbodsbepaling is niet van toepassing op bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.


Art. 5.19.1.3.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden gedurende de periode vanaf 19 uur tot 7 uur, alsook op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Art. 5.19.1.4.

§ 1.

Afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Met uitsluiting van alle algemene emissiegrenswaarden, vermeld in hoofdstuk 4.4, zijn de volgende emissiegrenswaarden, die betrekking hebben op een referentiezuurstofgehalte van 18%, van toepassing op de geloosde afgassen van direct verwarmde spaan- en OSB-drogers:

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³, tenzij anders is vermeld)

 

≤ 5 MW

5 tot 20 MW

20 tot 50 MW

≥ 50 MW

totaal stof

110

35

22

15

NOX, uitgedrukt als NO2 

240

240

240

150

CO (1)

75

60

60

30

TOC

400

400

400

400

dioxinen en furanen (ng TEQ/Nm³) (2)

0,15

0,07

0,07

0,07

formaldehyde

50

50

50

50

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

15

15

15

3

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

0,60

0,60

0,60

0,30

SO2 

90

90

90

15

zware metalen

Som (3)

0,45

0,45

0,45

0,15

Hg

0,03

0,03

0,03

0,01

Cd + Tl

0,03

0,03

0,03

0,01

(1) uurgemiddelde na verbranding

(2) gemiddelden, bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip 'toxische equivalentie'.

(3) som = Sb, As, Pb, Cr, Co, Cu, Sn, Ni, V, Mn

 

Bij toepassing van vaste of vloeibare brandstoffen in direct verwarmde spaan- en OSB-drogers mag het massagehalte aan zwavel 1%, bij vaste brandstoffen ten opzichte van een onderste stookwaarde van 29,3 MJ/kg, niet overschrijden of de afgassen worden gelijkwaardig gereinigd.

 

De normen voor HCl, HF en de zware metalen (Sb + As + Pb + Cr + Co + Cu + Sn + Ni + V + Mn, Hg en Cd + Tl) zijn alleen van toepassing als niet-verontreinigd behandeld houtafval wordt gestookt of als brandstof wordt meegestookt.

 

§ 4.

Met uitsluiting van alle algemene emissiegrenswaarden, vermeld in hoofdstuk 4.4, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de geloosde afgassen van indirect verwarmde spaan- en OSB-drogers en hybride verwarmde spaan- en OSB-drogers:

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stofmassastroom 

≤ 500 g/h

500 t/m 5000 g/h

> 5000 g/h

totaal stof

- nieuw

- bestaand

150

150

20

50 (1)

20

20

formaldehyde (nat gas)

50

50

20

TOC (nat gas)

300

300

300

(1) Voor hybride verwarmde spaan- en OSB-drogers waarbij de gebruikte gassen niet vooraf gereinigd zijn, wordt dat 20 mg/Nm³.

 

In afwijking van artikel 4.4.3.1, §1, hebben de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid, betrekking op nat gas als dat expliciet vermeld wordt.

 

§ 5.

Er geldt voor de afgassen van de persen voor de productie van houtvezelplaten, OSB-platen of spaanplaten een emissiegrenswaarde voor de organische stoffen, vermeld in bijlage 4.4.2, 9° en 10°, van 0,06 kg per kubieke meter geproduceerde plaat.

 

§ 6.

Voor de organische stoffen, vermeld in paragraaf 5, geldt in de afgassen van de persen voor de productie van houtvezelplaten, OSB-platen of spaanplaten een halfjaarlijkse meetfrequentie.

 

§ 7.

Voor de afgassen die afkomstig zijn van direct verwarmde spaan-, OSB- en houtvezelplaatdrogers, indirect verwarmde spaan-, OSB- en houtvezelplaatdrogers en hybride verwarmde spaan-, OSB- en houtvezelplaatdrogers, gelden de volgende meetfrequenties:

 

stof

CO

dioxinen 
en furanen

TOC 

formaldehyde

NOX

HCl

HF

zware metalen:

som (1)

Hg

Cd + Tl

meetfrequenties voor direct verwarmde spaan-, OSB- en houtvezelplaatdrogers

< 50 MW

- onbehandeld hout en onbehandeld houtafval

- niet-verontreinigd behandeld houtafval

3-mdl

 

 

3-mdl

3-mdl

 

 

3-mdl

jaarlijks

 

 

jaarlijks

6-mdl

 

 

6-mdl

6-mdl

 

 

6-mdl

3-mdl

 

 

3-mdl

-

 

 

6-mdl

-

 

 

6-mdl

-

 

 

6-mdl

≥ 50 MW

- onbehandeld hout en onbehandeld houtafval

- niet-verontreinigd behandeld houtafval

 

3-mdl

 

 

3-mdl

 

3-mdl

 

 

3-mdl

 

6-mdl

 

 

6-mdl

 

3-mdl

 

 

3-mdl

 

3-mdl

 

 

3-mdl

 

continu

 

 

continu

 

-

 

 

3-mdl

 

-

 

 

3-mdl

 

-

 

 

6-mdl

meetfrequenties voor indirect verwarmde spaan-, OSB- en houtvezelplaatdrogers en hybride verwarmde spaan-, OSB- en houtvezelplaatdrogers

 

6-mdl

-

-

6-mdl

6-mdl

-

-

-

-

(1) som = Sb, As, Pb, Cr, Co, Cu, Sn, Ni, V, Mn


Afdeling 5.19.2.
Chemisch behandelen van hout en soortgelijke produkten


Subafdeling 5.19.2.1.
Gemeenschappelijke bepalingen


Art. 5.19.2.1.1.

§ 1.

Bij de opstelling van houtdrenkingsinstallaties in een lokaal is dit laatste ontworpen en gebouwd rekening houdend met de eigenschappen van de drenkvloeistoffen.

 

§ 2.

De bij de werkzaamheden vrijkomende dampen worden derwijze verwijderd dat de buurt er niet door wordt gehinderd.

 

§ 3.

Maatregelen zijn getroffen om de verspreiding van de drenkvloeistoffen te voorkomen, inzonderheid dient:

de stabiliteit van de kuipen en houders onder alle omstandigheden gewaarborgd;
de ondersteuning van de kuipen en houders derwijze te zijn dat de belasting geen ongelijke inzakkingen of overmatige spanningen kan veroorzaken, die een gevaar voor kantelen of breuk zouden inhouden;

elk overlopen van de kuipen en houders verhinderd; Dompel- en drenkinstallaties zijn uitgerust met een overloopbeveiliging. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de verplichting om dompel- en drenkinstallaties uit te rusten met een overloopbeveiliging vanaf 1 januari 2015.

elke kuip voorzien van een deksel of onder een afdak geplaatst;
het uitdruipen van het hout te gebeuren in of boven de kuipen of houders; elke andere werkwijze, die gelijkwaardige waarborgen inzake het opvangen van de drenkvloeistof biedt, is toegelaten;
de kuip en houder derwijze opgesteld dat een gemakkelijk toezicht en onderhoud ervan mogelijk is, zowel langs de buiten- als langs de binnenzijde; ingegraven kuipen en houders zijn verboden;
de kuip en houder boven een dichte inkuiping geplaatst, die voldoet aan de volgende voorschriften:
a) de wanden hebben een voldoende mechanische weerstand om de accidenteel aanwezige vloeistoffen te weerhouden;
b) de wanden en de bodem zijn voldoende chemisch inert ten overstaan van deze vloeistoffen;
c) de nuttige inhoud is tenminste gelijk aan de inhoud van de grootste erboven geplaatste kuip of houder;
d) elke verbinding tussen een inkuiping en een grondwater, een openbare riolering, een waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren is verboden;
e) de inkuipingen mogen enkel vervangen worden door andere vloeistofopvanginrichtingen, indien deze een gelijkwaardige veiligheid waarborgen;
er voor zorgend dat de openingen voor het vullen en ledigen, pompen, kleppen, enz. hetzij binnen, hetzij boven vloeistofopvanginrichtingen zijn geplaatst, die voldoen aan de bepalingen van sub 7°, tenzij gelijkwaardige maatregelen zijn genomen om de verspreiding van de vloeistoffen te voorkomen;
om verduurzamingsproduct te kunnen opvangen en hergebruiken van zowel de eigenlijke verduurzaming als de nabehandeling, waarmee zowel de zuivere gebruiksoplossing van het verduurzamingsmiddel als het neerslagwater van beregening van opgeslagen verduurzaamd hout wordt bedoeld, worden afdruiprichels, afvoergoten, vergaarbakken en dergelijke, alsook gesloten omloopsystemen geplaatst. In geval van watergedragen producten worden de opgevangen restproducten hergebruikt. 

 

§ 4.

Accidenteel verspreide vloeistoffen mogen geenszins rechtstreeks naar een grondwater, een openbare riolering, waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren afgevoerd worden. Ze worden onmiddellijk verzameld en verwerkt overeenkomstig de toepasselijke reglementering. De exploitant beschikt over de middelen en/of het materiaal die een snelle uitvoering van deze maatregelen toelaten.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

Indien nodig voor de bepaling van de te treffen saneringsmaatregelen, moet de exploitant op zijn kosten de vereiste metingen laten uitvoeren door een daartoe erkende milieudeskundige.

 

§ 7.

De werkzaamheden met drenkvloeistoffen worden enkel toevertrouwd aan bevoegde personen, die op de hoogte zijn van de aan de vloeistoffen verbonden gevaren voor de buurt en de verontreiniging van de omgeving. Nauwkeurige schriftelijke onderrichtingen betreffende de bij ongeval of incident te nemen maatregelen worden aan de betrokken personen gegeven; de nodige middelen staan daartoe ter beschikking.

 

§ 8.

Bij gebruik van ontvlambare drenkmiddelen is het verboden binnen een zone van drie meter omheen de kuipen of houders:

te roken;
open gloeielementen te gebruiken, open vuur te maken en vonken te verwekken tenzij maatregelen zijn genomen om het brandgevaar tegen te gaan en om desgevallend elk begin van brand onmiddellijk te kunnen bekampen;
gemakkelijk brandbare stoffen te stapelen.

 

§ 9.

In de onmiddellijke omgeving van de drenkkuipen worden de toepasselijke reglementaire pictogrammen aangebracht.

 

§ 10.

Hout of soortgelijke producten moeten verduurzaamd worden onder dak. Daarna moet een voldoende lange fixatieperiode volgen. De exploitant beschikt over een procedure die de fixatieperiode bepaalt en rekening houdt met de zomer- of wintertemperatuur, het gebruikte verduurzamingsproduct, de temperatuur tijdens het proces en de nabehandeling, de luchtvochtigheid, de houtsoort en het houtvochtgehalte. De plaats waar de fixatie plaatsvindt moet voorzien zijn van een afdak en als het behandelde hout niet drupvrij is, moet het vers verduurzaamde hout gedurende de eerste dagen na de behandeling op een vloeistofdichte ondergrond opgeslagen worden.

 

§ 11.

De nabehandelingsinstallatie moet bij de verduurzaming zo dicht mogelijk in de omgeving van de eigenlijke verduurzamingsinstallatie geplaatst worden, bovengronds en op een verharde, vloeistofdichte ondergrond. Vers verduurzaamd hout wordt getransporteerd naar de nabehandelingsinstallatie over een verharde, vloeistofdichte ondergrond.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt specifiek voor de houtverduurzaming:

1° een overkapping aangebracht over het uitrijspoor tussen de nabehandelings- en verduurzamingsinstallatie;

2° in een overkapping voorzien voor de opslag van (vers) verduurzaamd hout dat niet drupvrij is.

 

§ 12.

Impregneren met solventgedragen systemen of creosoot gebeurt met een installatie die voorzien is van een afzuiginstallatie met een zuiveringstrap, tenzij een dubbelvacuüm toegepast wordt.

 

§ 13.

Bij drenken of dompelen met solventgedragen systemen heeft de drenkbak een deksel met een afzuiging. Voor inrichtingen met een solventgebruik van meer dan 25 ton solvent/jaar wordt aansluitend op de afzuiging een installatie voor de zuivering van de afgassen geplaatst.

 

§ 14.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 12 en 13, vanaf 1 januari 2015.


Art. 5.19.2.1.2.

Bij het gebruik van creosootolie als houtverduurzamingsproduct worden de nodige preventieve maatregelen getroffen waardoor de emissies beperkt worden tot een niveau dat niet hoger is dan bij het gebruik van WEI type C als houtverduurzamingsproduct. De exploitant staaft dit via een verslag opgesteld door een erkende MER-deskundige in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Dit verslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. Creosootolie van WEI type C voldoet aan de volgende specificaties:

 

eigenschap

WEI type C

dichtheid 20/4°C (g/ml)

1,03 - 1,17

watergehalte (vol%)

 

 - origineel creosoot

max. 1

 - gebruikt creosoot

max. 3

kristallisatietemperatuur (°C)

max. 50

waterextraheerbare fenolen (m/m %)

max. 3

onoplosbare materie

 

 - origineel creosoot

max. 0,4

 - gebruikt creosoot

max. 0,6

kookpuntgebied (vol %)

 

 - destillaat tot 235 °C

-

 - destillaat tot 300 °C

max. 10

 - destillaat tot 355 °C

65 - 95

benzo[a]pyreengehalte  (mg/kg)

max. 50

vlampunt (°C)

min. 61

dampdruk bij 25°C (hPa)

< 1

 


Subafdeling 5.19.2.2.
Indompeling in vloeistoffen bij atmosferische druk


Art. 5.19.2.2.1. De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de houtdrenkingsinstallaties waarbij de behandeling bestaat in het indompelen in vloeistoffen bij atmosferische druk.

Art. 5.19.2.2.2.

§ 1.

De installaties worden onder een afdak of in een lokaal geplaatst.

 

§ 2.

De drenkvloeistoffen, de hierbij gebruikte grondstoffen, alsmede het geïmpregneerde hout worden derwijze opgeslagen en behandeld, dat gevaarlijke, hinderlijke of ongezonde omstandigheden voor de buurt, alsmede elke verontreiniging, worden voorkomen.

 

§ 3.

De drenkvloeistoffen worden klaargemaakt en gebruikt in geschikte kuipen, ontworpen en gebouwd volgens een code van goede praktijk, rekening houdend met de eigenschappen van deze vloeistoffen.

 

§ 4.

Maatregelen zijn getroffen om het vallen van ongewenste voorwerpen of stoffen in de kuipen te voorkomen. Een dichte afdekking of gelijkwaardig alternatief voorkomt de verspreiding uit de drenkinstallatie van gevaarlijke, giftige en onwelriekende dampen.


Art. 5.19.2.2.3. Bij het gebruik van carbolineum of creosoot als houtverduurzamingsproduct is drenken of dompelen bij atmosferische druk verboden.

Subafdeling 5.19.2.3.
Behandeling in druktoestellen


Art. 5.19.2.3.1. De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de houtdrenkingsinstallaties waarbij de behandeling gebeurt in druktoestellen.

Art. 5.19.2.3.2.

§ 1.

De drenkvloeistoffen, de hierbij gebruikte grondstoffen, alsmede het geïmpregneerde hout worden derwijze opgeslagen en behandeld, dat gevaarlijke, hinderlijke of ongezonde omstandigheden voor de buurt, alsmede verontreiniging van de omgeving, worden voorkomen.

 

§ 2.

De drenkvloeistoffen worden klaargemaakt en gebruikt in geschikte kuipen, ontworpen en gebouwd volgens een code van goede praktijk, rekening houdend met de eigenschappen van deze vloeistoffen.


Art. 5.19.2.3.3.

De drukhouders worden gebouwd en geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk met inachtname van de volgende voorschriften:

de drukhouders worden berekend en uitgevoerd rekening houdende met de spanningen te wijten aan de dienstdruk en temperatuur;
de drukhouders zijn voorzien van een identificatieplaat waarop de naam van de bouwer, de maximum dienstdruk en het bouwjaar vermeld zijn;
de exploitant houdt ter beschikking van de toezichthouders, een attest opgesteld door een milieudeskundige erkend in de discipline toestellen en installaties onder druk waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de houder al of niet voldoet aan de voorwaarden van dit reglement;
de nodige maatregelen worden genomen om te verhinderen dat de maximum dienstdruk met meer dan 10 % overschreden wordt; hiertoe wordt de installatie met volgende bedrijfsklare toestellen uitgerust:
a) een veiligheidsklep die in werking treedt van zodra de druk in de houder de maximum dienstdruk bereikt; de verbinding tussen het druktoestel en de veiligheidsklep mag geen enkel sluitingstoestel bevatten;
b) een goed zichtbare manometer, waarvan de schaal een duidelijk merkteken draagt bij de maximum dienstdruk;
c) een manostaat die elke drukverhoging verhindert, zodra de maximum dienstdruk wordt bereikt;
de in sub a), sub b) en sub c) bedoelde toestellen mogen vervangen worden door andere voorzieningen, mits deze gelijkwaardige veiligheidswaarborgen bieden;
het deksel (de deur) van de houder wordt voorzien van een doelmatige vergrendeling; speciale voorzieningen beletten:
a) het onder druk brengen van de houder zolang het deksel (de deur) niet is vergrendeld;
b) het openen van het deksel (de deur) zolang de houder onder druk staat;
bij elke inbedrijfstelling en na elke herstelling of omvorming wordt de dichtheid van de installatie zorgvuldig nagezien.
Tenzij het anders vermeld wordt in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moeten bij gebruik van creosoot de vacuümpomp en de drukaflaatleidingen uitgerust zijn met voorzieningen, bijvoorbeeld spatvanger en oliemistfilter, die voorkomen dat het impregneermiddel zich tijdens het proces via de luchtinlaat in de atmosfeer kan verspreiden. De dampen die ontsnappen uit de creosootketel bij het uitkoken van water dat verontreinigd is met creosootolie, en de dampen die ontsnappen uit de creosootketel bij het openen van de deur, moeten, voor ze naar de buitenlucht worden afgevoerd, via een doelmatige condensor of een andere doelmatige voorziening worden geleid en moeten worden gezuiverd via bijvoorbeeld een biofilter of een actieve koolfilter, of door naverbranding van de afgassen of op een gelijkwaardige wijze, om de emissie van de creosootfractie zo veel mogelijk te beperken.

Art. 5.19.2.3.4.

§ 1.

De houder wordt enkel onder druk gebracht wanneer men er zeker van is dat hij geen lucht meer bevat. Het ledigen van de met drenkvloeistof gevulde houder mag nochtans met behulp van perslucht gebeuren op voorwaarde dat de druk van de perslucht één vierde van de maximale dienstdruk niet overtreft.

 

§ 2.

De drukhouder wordt jaarlijks in- en uitwendig onderzocht door een milieudeskundige erkend in de discipline toestellen en installaties onder druk.

 

§ 3.

De exploitant vergewist zich van de goede staat van onderhoud van de installaties en van de doeltreffende werking van de veiligheidstoestellen.

 

Regelmatig wordt door een bevoegd persoon overgegaan tot een controle van de installaties (houders, buisleidingen, pompen, kleppen, slangen, koppelingen en beveiligingsinrichtingen).

 

De exploitant houdt een controleprogramma ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaar. In dit programma zijn de aard en de omvang en de periodiciteit van de uit te voeren controles omschreven, bovendien zijn de namen van de bevoegde personen en van de erkende milieudeskundige die de laatste controle heeft uitgevoerd, vermeld.

 

§ 4.

De data van de in § 3 bedoelde controles, de meetresultaten en andere vaststellingen alsmede de eventueel uitgevoerde herstellingen of wijzigingen aan de installaties, worden in een register ingeschreven dat, samen met de controleverslagen, ter beschikking gehouden wordt van de toezichthouder.

 

§ 5.

Tenminste eenmaal per jaar wordt het in § 4 bedoelde register door de exploitant of zijn afgevaardigde ondertekend nadat hij er zich van vergewist heeft dat:

het controleprogramma werd uitgevoerd;
aan de tijdens de controles gemaakte opmerkingen gepast gevolg werd gegeven;
naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen frequentere tussenkomsten en/of controles al dan niet noodzakelijk zijn.

Art. 5.19.2.3.5. Na de eigenlijke verduurzaming van het hout moet altijd een navacuüm volgen.