Hoofdstuk 5.28.
MINERALE MESTSTOFFEN EN DIERLIJKE MEST


Afdeling 5.28.1.
Minerale meststoffen


Art. 5.28.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 28.1 van de indelingslijst.


Art. 5.28.1.2.

§ 1.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.28.1.1. te exploiteren:

die geheel of gedeeltelijk gelegen is in een waterwingebied en/of een beschermingszone I, II of III of in een woongebied;
waarvan de bedrijfsgebouwen en/of opslagruimten gelegen zijn op minder dan 100 m afstand van een woongebied.

 

§ 2.

De verbodsbepalingen van § 1 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan, zoals bedoeld in artikel 1.1.2.

 

Behalve voor wat betreft de waterwingebieden en de beschermingszones type I en II, gelden de verbodsbepalingen van § 1 evenmin voor opslagplaatsen van minerale meststoffen, bedoeld in subrubriek 28.1.f van de indelingslijst.


Art. 5.28.1.3. [...]

Art. 5.28.1.4. [...]

Art. 5.28.1.5. [...]

Art. 5.28.1.6.

Afgassen worden op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en zo nodig naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde

Stof uit een installatie voor het granuleren, drogen of koelen van minerale meststoffen

75 mg/Nm³

Stof uit een installatie voor het granuleren en drogen van minerale meststoffen, uitgaande van het natprocédé, waarbij de basis- granuleervloeistof meer dan 10% vocht bevat, waarde voor aftrek van het vocht

75 mg/Nm³


Art. 5.28.1.7.

§ 1.

Wanneer minerale meststoffen opgeslagen zijn in bulk dienen de opslagplaatsen een dichte wand te hebben langs drie zijden die tenminste 1,5 m hoog is en van een betonnen vloer. De vierde zijde moet dermate aangelegd zijn dat afspoeling van het drain- en hemelwater uit deze permanente opslagplaats niet mogelijk is. Bij bulkopslag is een minimale vorm van overdekking tegen het stuiven noodzakelijk.

 

§ 2.

De silo waarin meststoffen zijn opgeslagen voldoet aan de volgende voorwaarden [...]:

de silo is vervaardigd van kunststof, metaal, beton of gelijkwaardige materialen volgens de regels van goed vakmanschap en is voldoende sterk uitgevoerd;
de silo moet zijn voorzien van een ontluchting met een voldoende grote diameter derwijze dat bij het aftappen geen onderdruk in de silo kan ontstaan;
in éénzelfde silo mogen uitsluitend de meststoffen worden opgeslagen waarvoor de silo is bestemd [...].

 


Afdeling 5.28.2.
Dierlijke mest


Toepassingsgebied.


Art. 5.28.2.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubriek 28.2 van de indelingslijst met uitzondering van de opslagplaatsen van dierlijke mest die zijn gehecht aan een inrichting als bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden als categorie 1-, categorie 2- of categorie 3-materiaal behandeld, verzameld en afgevoerd overeenkomstig de voorschriften, vermeld in de verordening dierlijke bijproducten en haar uitvoerende verordening (EU) nr. 142/2011.


Verbods- en afstandsregels.


Art. 5.28.2.2.

§ 1.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.28.2.1. te exploiteren:

die geheel of gedeeltelijk gelegen is in een waterwingebied en/of een beschermingszone I, II of III of in een woongebied;
die gelegen is op minder dan 100 m afstand van een woongebied.

 

§ 2.

De verbodsbepalingen van § 1 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan zoals bedoeld in artikel 1.1.2., noch voor opslagplaatsen van dierlijke mest die zijn gehecht aan niet-ingedeelde stallen.


Uitvoering opslagplaatsen.


Art. 5.28.2.3.

§ 1.

Opslagplaatsen voor vaste dierlijke mest dienen uitgevoerd te worden zoals beschreven is in hoofdstuk 5.9., artikel 5.9.2.2 en artikel 5.9.8.5, §1, §2 en §3.

 

§ 2.

Opslagplaatsen voor mengmest moeten voldoen aan volgende voorwaarden:

a) de opslagplaats moet zijn vervaardigd van kunststof, hout, metaal, beton of een evenwaardig materiaal of uit een combinatie van deze materialen. De opslagplaats moet worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van goed vakmanschap zoals beschreven in bijlage 5.28 bij dit besluit (hoofdstuk 1 voor de mestkelder, hoofdstuk 2 voor de mestsilo of hoofdstuk 3 voor het foliebassin of de mestzak.
b) de opslagplaats dient volledig te worden afgedekt. De afdekking moet bestaan uit, ofwel:
i) een betonnen, stalen of houten afdekking;
ii) een afdekking met vlakke of gegolfde platen van vezelcement of van kunststof;
iii) een drijvende afdekking;
iv) een afdekking uit kunststofzeilen;
De afdekking moet worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5.28, hoofdstuk 4, of enige andere code van goede praktijk, mits aanvaard door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Voor de opslagplaatsen bestemd voor opslag van effluenten met een laag gehalte aan ammoniakale stikstof, zoals bepaald in het meststoffendecreet, afkomstig van mestbe- of mestverwerkingsinstallaties kan hiervan worden afgeweken in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.
c) de opslagplaats moet zijn voorzien van een ontluchting met een voldoende grote diameter derwijze dat bij het verladen geen drukveranderingen in de opslagplaats kunnen ontstaan;
d) de constructie van een mengmestopslagplaats moet zodanig zijn uitgevoerd dat risico's voor de bedienende personen en derden worden vermeden; daartoe moeten de openingen voor het mengen van de mest en/of mangaten worden afgedekt met een stevig deksel;
e) de opslagplaats mag niet voorzien zijn van overstorten noch afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een besterfput;
f) ter plaatse van de vul- en zuigleiding moet een mestdichte morsput van tenminste 125 l aanwezig zijn; leidingen en afsluiters die niet op vorstvrije diepte zijn aangelegd moeten tegen bevriezen zijn beschermd; in een vul- of aftapleiding die onder druk staat van de inhoud van de mestopslagplaats moeten tenminste twee afsluiters aanwezig zijn; de buitenste afsluiter moet met een veiligheidsslot kunnen worden afgesloten; in leidingen waarin hevelwerking kan optreden, moeten afsluiters of ontluchtingsvoorzieningen zijn aangebracht.
g) voor mestopslag die bij een mestverwerkingsinstallatie hoort: De aanvoerdarm voor vloeibare mest vanuit de betreffende vrachtwagen beschikt over een vloeistofdichte snelkoppeling die past op de gesloten voorraadkelder of een gelijkwaardig alternatief. Ter hoogte van de koppelingen wordt ook in lekbakken voorzien die de mest alsnog kunnen opvangen. De vrachtwagen staat tijdens het lossen op een verharde vloer, voldoende dicht is zodat de bodem en het grond- en of oppervlaktewater niet verontreinigd kunnen worden. Alle run-off van deze verharding wordt opgevangen. Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden deze verplichtingen vanaf 1 juli 2017.

 

 

§ 3.

In afwijking van de bepalingen van § 1 mag voor een periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit en verstrijkend op 1 januari 2000 dierlijke mest worden opgeslagen in een open mestsilo of open foliebassin, mits deze opslagplaatsen voldoen aan de volgende voorwaarden:

 

de opslagplaats mag niet zijn gehecht aan een inrichting als bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de indelingslijst.
de opslagplaats:
a) dient volledig te zijn gelegen in een agrarisch gebied;
b) mag noch geheel noch gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwingebied of een beschermingszone type I, II of III;
de opslagplaats, dient daarenboven gelegen te zijn op een afstand van tenminste:
a) 1.000 m van een woongebied en 500 m van een bevaarbare waterloop of een onbevaarbare geklasseerde waterloop en van een groengebied wanneer het een inrichting als bedoeld in subrubriek 28.2.c.1 betreft;
b) 1.500 m van een woongebied en 500 m van een bevaarbare waterloop of een onbevaarbare geklasseerde waterloop en van een groengebied wanneer het een inrichting als bedoeld in subrubriek 28.2.c.2 betreft;
de oplagplaats mag niet voorzien zijn van overstorten noch afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een besterfput.

 

 

§ 4. Exploitatie opslagplaatsen

De exploitant zorgt voor de goede staat van onderhoud van de mestopslagplaatsen door een regelmatig onderhoud en controle.
[...]
Bij definitieve buitengebruikstelling van een mestopslagplaats moet deze volledig worden leeggemaakt.


Hierbij moeten de nodige maatregelen worden getroffen inzake explosiebeveiliging en voorkoming van bodem-, oppervlakte- en grondwaterverontreiniging.

 

§ 5.

In de inrichtingen met opslagplaatsen van dierlijke mest zoals bedoeld in subrubriek 28.2 met een opslagcapaciteit van meer dan 1000 m3, of die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen de beschermingszones van een grondwaterwinning, worden op kosten van de exploitant waarnemingsbuizen (peilputten) op oordeelkundige wijze aangebracht. De voorwaarden, gesteld met betrekking tot controle-inrichtingen van art. 5.9.7.1. zijn van toepassing.

 

§ 6.

De exploitant van een inrichting zoals bedoeld in § 5, controleert ten minste om de 3 maanden het grondwater op aanwezigheid van mengmest afkomstig van lekken.

 

§ 7.

Bovendien dient op aanvraag van en op kosten van de in § 5 bedoelde exploitant ten minste om de drie jaar een grondwateronderzoek uitgevoerd door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL.

De exploitant zendt een afschrift van de analyseresultaten aan de Afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving en in voorkomend geval aan de exploitant van de te beschermen waterwinning. De exploitant van een inrichting, gelegen in een beschermingszone, moet bovendien de controle van de peilputten door de betrokken waterleidingsmaatschappij toelaten wanneer deze hierom verzoekt.

 

§ 8.

In geval uit het onderzoek van de in § 5 bedoelde waarnemingsbuizen of de gelijkwaardige controlevoorzieningen, of uit andere waarnemingen blijkt dat de mestdichtheid van de stallen of mestopslagplaatsen niet meer is verzekerd, treft de exploitant de nodige maatregelen om deze mestdichtheid zo vlug mogelijk te herstellen. De uitvoering van de herstelling dient geattesteerd door een architekt, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde, een landbouwkundig ingenieur (richting boerderijbouwkunde) of een bio-ingenieur in de landbouwkunde (landelijke genie).

 

§ 9. Voorwaarden met betrekking tot bestaande mestopslagplaatsen

Onverminderd de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde voorwaarden moeten de bestaande opslagplaatsen voor vaste mest vanaf 1 januari 1998 voldoen aan de bepalingen van artikel 5.9.2.2. § 1, 2 en 4.
Onverminderd de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde voorwaarden moeten de bestaande opslagplaatsen voor mengmest vanaf 1 januari 1998 voldoen aan de bepalingen van artikel 5.28.2.3. § 2 b) tot en met f).

Afdeling 5.28.3.
Bewerking en verwerking van dierlijke mest


Onderafdeling 5.28.3.1.
Toepassingsgebied


Art. 5.28.3.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 28.3 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Wanneer in de in § 1 bedoelde inrichting tevens afvalstoffen mee worden verwerkt, gelden eveneens de toepasselijke voorwaarden uit hoofdstuk 5.2.

 

§ 3.

De dierlijke bijproducten worden als categorie 1-, categorie 2- of categorie 3-materiaal behandeld, verzameld en afgevoerd overeenkomstig de voorschriften, vermeld in de verordening dierlijke bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en haar uitvoerende verordening (EU) nr. 142/2011.


Onderafdeling 5.28.3.2.
De aanvaarding van dierlijke mest en nutriëntenstroom


Art. 5.28.3.2.1.

§ 1.

De aanvoer, de aanvaarding, de opslag, de be- en verwerking en de afvoer van dierlijke mest en/of de be- en verwerkte eindproducten zijn enkel toegelaten mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

 

§ 2.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in dit besluit is de installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie verplicht. De ijking gebeurt overeenkomstig de ijkwet. De toegang van de aanvoerende vrachtwagens en/of tractoren en aanhangwagens is slechts toegelaten over de in werking zijnde weegbrug.

 

§ 3.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag de normale aanvoer van dierlijke mest niet vóór 7 uur en na 19 uur plaatsvinden.


Art. 5.28.3.2.2.

§ 1.

In de inrichting voor de be- en verwerking van dierlijke mest mag alleen die dierlijke mest worden aanvaard waarvoor de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit werd verleend.

 

§ 2.

De exploitant is verantwoordelijk voor de aanvaarding van dierlijke mest. Hij controleert de aangevoerde dierlijke mest op zijn herkomst, oorsprong, aard en hoeveelheid. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt elke vracht minstens visueel geïnspecteerd.

 

§ 3.

[...]


Art. 5.28.3.2.3.

§ 1.

De exploitant houdt een register bij. De exploitant noteert in dit register tenminste:

gegevens over de aangevoerde dierlijke mest:
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type(droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest [...];
f) [...];
g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer.
gegevens over de eventueel afgevoerde onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest:
a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte,);
c) de bestemming van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest [...];
f) [...];
g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer.
gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing):
a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten;
b) de aard van de afgewerkte producten;
c) de bestemming van de afgewerkte producten;
d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten [...];
f) [...];
gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest:
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest [...];
f) [...];
g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer;
de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.
gegevens over de aanvoer van andere (grond)stoffen:
a. het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de andere (grond)stoffen;
b. de aard van de andere (grond)stoffen;
c. de herkomst van de andere (grond)stoffen;
d. de hoeveelheid (massa en volume) van andere (grond)stoffen [...];
e. [...];

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Het register, bedoeld in § 1, ligt ter inzage van de toezichthouders.

 

§ 4.

Van de verplichting tot het bijhouden van de registergegevens, vermeld in paragraaf 1, kan worden afgeweken als het niet gaat om transporten van meststoffen die geweigerd zijn, als vermeld in paragraaf 1, 4°, als er geen opmerkingen over de dierlijke mest en de aan- en afvoer zijn, en als bovendien aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:

het transport wordt uitgevoerd door een erkende mestvoerder die daarvoor gebruikmaakt van het AGR-GPS-systeem, vermeld in artikel 18, §4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot het bepalen van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende uitvoering van artikel 8, §5, 3°, van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
op de inrichting is een door de Vlaamse Landmaatschappij ter beschikking gestelde internetapplicatie ter inzage van de toezichthouders beschikbaar, waarin elk transport, vermeld in punt 1°, is opgenomen, en waarvan op verzoek van de toezichthouders onmiddellijk een uittreksel afgedrukt kan worden en ter beschikking kan worden gesteld. 

 

 


Art. 5.28.3.2.4.

§ 1.

De hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde dierlijke mest en de hoeveelheid aangevoerde andere (grond)stoffen moeten in het register, bedoeld in artikel 5.28.3.2.3, worden getotaliseerd respectievelijk per dag, per maand en per kalenderjaar en dit voor wat betreft de dierlijke mest per type. Op eenvoudig verzoek worden deze gegevens meegedeeld aan de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij. De hoeveelheid aangevoerde dierlijke mest wordt eveneens getotaliseerd per Mestbanknummer per kalenderjaar.

 

§ 2.

[...]


Onderafdeling 5.28.3.3.
Het Werkplan


Art. 5.28.3.3.1.

§ 1.

De exploitant beschikt bij de aanvang der activiteiten over een werkplan dat, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, omvat:

een overzichtelijke en duidelijke handleiding over de exploitatie en het onderhoud van de inrichting;
de organisatie van de aanvoer en afvoer van onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest;
de organisatie van de bewerking en/of de verwerking van de aangevoerde dierlijke mest;
een plan van de opslag- en behandelingsruimte(n) met aanduiding van de soort en de opslagcapaciteit voor de diverse mestsoorten;
de organisatie van de afvoer van de afgewerkte produkten;
de be- en/of verwerkingswijze van de dierlijke mest indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is;
het afwateringsplan omvattende het schema, de organisatie en de uitvoering van de maatregelen inzake de afwatering van de inrichting en/of het terrein;
de maatregelen voor het opvangen van storingen of ongewenste neveneffecten en het voorkomen van hinder.

 

§ 2.

Het werkplan dient de goedkeuring van de toezichthoudende overheid te dragen. Het goedgekeurde werkplan wordt opgevolgd door de toezichthouder.


Onderafdeling 5.28.3.4.
Uitbating


Art. 5.28.3.4.1.

§ 1.

Om geurhinder te voorkomen, moeten de volgende maatregelen worden getroffen:

het laden en lossen van de mest gebeurt in afgesloten ruimten;
de ontvangstruimte, de mengkelder en de voorraadtank zijn in gesloten uitvoering;
de mestbewerkingsoperaties en de mestverwerkingsoperaties zijn maximaal overkapt en ingeperkt om tot een efficiënte afzuiging en behandeling van luchtemissies te komen. Daarvan kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit afgeweken worden voor de nabezinker, de slibopslag, de nitrificatie-en denitrificatiebekkens en de effluentlagune. De exploitant zorgt ervoor dat het open bekken maximaal gevuld wordt tot het niveau waarbij er geen gevaar is dat het bekken overloopt of dat lozing mogelijk is;
De afgezogen ventilatielucht wordt behandeld door middel van filtratie over een biobed en zure wassers die regelmatig worden opgevolgd en goed onderhouden door:
  a)

een halfjaarlijkse analyse van het spuiwater uit te voeren in overeenstemming met het monsternameprotocol, vermeld in hoofdstuk 5.2.7 van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2. en artikel 5.9.2.1bis van dit besluit;

  b)

een jaarlijkse controle van het onderhoud door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL, te laten uitvoeren conform de onderhoudsvoorschriften. Dit is van toepassing voor de inrichtingen vermeld in rubriek 28.3, b) en c), van de indelingslijst;

  c) de onderhoudshandelingen en controles bij te houden.

Elke alternatieve methode met een gelijkwaardig of beter rendement om ammoniakemissie en hinder te voorkomen kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegelaten.


Art. 5.28.3.4.2.

In zoverre deze technieken worden toegepast, moeten, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, de volgende voorschriften in acht worden genomen:

algenkweek:
de belasting moet zodanig worden ingesteld dat het ammoniakgehalte in de vijver laag is om te voorkomen dat door de hoge pH-waarde de emissie van ammoniak aanzienlijke vormen aanneemt;
ammoniak strippen en absorberen:
a) de pH-waarde in de absorptievloeistof moet voldoende laag worden ingesteld om de verwijdering van ammoniak te maximaliseren;
b) maatregelen moeten worden genomen om de schuimvorming te beheren;
c) de deeltjes moeten voldoende worden verwijderd om de verstopping van pakkingmateriaal te voorkomen;
d) de temperatuur moet optimaal geregeld worden;
biologische behandeling dunne mest:
a) de temperatuur in het beluchtingsbassin moet voldoende hoog worden gehouden (> 10°C), ook tijdens de winter, in relatie tot de slibbelasting;
b) er moet een voldoende beluchtingscapaciteit aanwezig zijn;
c) er moet voldoende BZV beschikbaar worden gehouden voor denitrificatie;
d) er moet voldoende rekening worden gehouden met de slechte bezinkbaarheid van het actieve slib bij varkensmest; zo nodig moet kalk of een ander vlokmiddel worden toegevoegd;
composteren:
a) de beluchting en/of omzetting moet voldoende zijn om stankemissies te beperken;
b) kiemdoding is te maximaliseren door een hoge temperatuur te realiseren in combinatie met een voldoende lange verblijftijd; ongelijke behandelingsomstandigheden moeten worden vermeden;
c) de ammoniakemissie is te verminderen door de verhouding C/N in het grondstofmengsel te verhogen [...];
d) bij gesloten compostering moet de ammoniakemissie worden geminimaliseerd met zure wassing van de uitgaande lucht; een biofilter wordt vervolgens voorzien om de geur en ammoniak verder te verwijderen; Elke alternatieve methode met een gelijkwaardig of beter rendement om ammoniakemissie en hinder te voorkomen kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegelaten.
drogen:
a) zo nodig moet gedroogd materiaal worden bijgemengd gelet op de plakkerigheid bij drogestofgehaltes van ongeveer 40 tot 60 %;
b) hoogwaardige staalsoorten moeten worden gebruikt in het licht van de sterke corrosie;
c) om de gasvormige emissies te beperken moeten de afgassen van de thermische drogers worden behandeld met technieken als stofwassing, zure wassing, biofiltratie en naverbranding;
d) bij droging van pluimveemest met ventilatielucht moet binnen enkele dagen het gewenste drogestofgehalte worden bereikt, om de vorming van ammoniak en urinezuur te beperken;
e) het product moet een drogestofgehalte bereiken van meer dan 80 %, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
indampen:
a) maatregelen moeten worden genomen om de schuimvorming en vervuiling van het verwarmende oppervlak te beheren;
b) de niet-condenseerbare afgassen worden behandeld met technieken zoals zure wassing, biofiltratie en naverbranding om de gasvormige emissies te beperken;
kalkbehandeling:
maatregelen moeten worden genomen om te vermijden dat door een verhoging van de pH-waarde een sterke uitstoot van ammoniak ontstaat; zo nodig kan door een nabehandeling met een zure wassing de emissie sterk worden verminderd;
mechanische scheiding:
a) maatregelen moeten worden genomen om de schuimvorming bij gebruik van centrifuges te beheren;
b) bij open scheidingssystemen met een relatief lange verblijftijd, met name strofiltratie, moet de ammoniakemissie onder controle worden gebracht;
c) de inzet van een bodemfilter als scheidingsmethode mag niet leiden tot een verzadiging van de bodemfilter;
membraanfiltratie:
a) onopgeloste delen in mest moeten vooraf verregaand worden verwijderd om verstopping van de membranen te beperken; bij omgekeerde osmose moet er aldus steeds een microfiltratie als voorbehandeling zijn;
b) de keuze van het membraantype (keramisch, polymeer) en van de membraanconfiguratie (buisvormig, holle vezel) moet aan de doelstellingen zijn aangepast;
10° oxidatie:
de installatie moet ontworpen zijn rekening houdend met de sterke corrosie en erosie bij hoge temperatuur en druk;
11° productvormgeving:
ingeval van pelletiseren moet erover gewaakt worden dat:
- het product een drogestofgehalte heeft van meer dan 80 %;
- de stof- en geuremissies maximaal worden beperkt, zo nodig door stofvangers aangevuld met biofiltratie;
 
13°

vergisten:

de samenstelling van de aangevoerde mest moet zo constant mogelijk worden gehouden.

 


Onderafdeling 5.28.3.5.
Emissiegrenswaarden


Art. 5.28.3.5.1.

§ 1.

Elke verbrandingsinstallatie (verbranding, pyrolyse, thermolyse of een gelijkaardige techniek) voor dierlijke mest moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) Installaties vergund voor 28 december 2002, moeten tot en met 27 december 2005 voldoen aan de emissiegrenswaarden en meetverplichtingen voor verbrandingsinrichtingen voor huishoudelijke afvalstoffen zoals vastgesteld in afdeling 5.2.3. Vanaf 28 december 2005 zijn alle bepalingen van subafdeling 5.2.3bis.1 van toepassing.
b) Installaties vergund op en na 28 december 2002, moeten voldoen aan alle bepalingen van subafdeling 5.2.3bis.1.

 

§ 2.

Aanvullend aan paragraaf 1 zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de geloosde afgassen die afkomstig zijn van verbrandingsinstallaties voor dierlijke mest. Deze emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 11%:

 

Emissiegrenswaarden in mg/Nm³

halfuurgemiddelden

NH3

50

H2S

5

NOX, uitgedrukt als NO2

200 met als richtwaarde 100

 

 

§ 3.

Voor verbrandingsinstallaties voor dierlijke mest worden op initiatief en kosten van de exploitant minstens om de zes maanden metingen verricht van de concentraties van NH3 en H2S in de afgassen.


Art. 5.28.3.5.2.

Er geldt een emissiegrenswaarde voor ammoniak van 10 mg/Nm³ bij een massastroom van 150 g/h of meer voor de afgezogen ventilatielucht van mestdroog- en gelijkaardige installaties.

 

Tot 30 juni 2017 geldt voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, in afwijking van het eerste lid, een emissiegrenswaarde voor ammoniak van 10 mg/Nm³ bij een massastroom van 5 kg/h of meer.


Art. 5.28.3.5.3.

In een inrichting met een biologische en/of fysico-chemische behandeling van de dierlijke mest of een gelijkaardige techniek, moeten de geloosde afvalwaters voldoen aan de sectorale lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater, vastgesteld in punt 24bis, b) van bijlage 5.3.2 bij dit besluit.


Afdeling 5.28.4.
Andere meststoffen


Toepassingsgebied.


Art. 5.28.4.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de rubriek 28.4 van de indelingslijst met uitzondering van de opslagplaatsen van dierlijke mest die zijn gehecht aan een inrichting als bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de indelingslijst.


Verbods- en afstandsregels.


Art. 5.28.4.2.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.28.4.1. te exploiteren die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

ze ligt geheel of gedeeltelijk in een waterwingebied, in een beschermingszone I, II of III of in een woongebied;
ze ligt op minder dan 100 meter afstand van een woongebied.

 

Het eerste lid geldt niet voor inrichtingen die al vergund zijn voor de opslag van dierlijke mest (rubriek 28.2 van de indelingslijst) of gedeelten ervan als vermeld in artikel 1.1.2.


Uitvoering van opslagplaatsen.


Art. 5.28.4.3.

§ 1.

Opslagplaatsen voor andere vaste meststoffen voldoen aan al de volgende voorwaarden:

permanente opslagplaatsen voor andere vaste meststoffen zijn voorzien van een vloer die uitgevoerd is in verhard materiaal. De vloer is mestdicht. Als dat nodig is, wordt de mestdichtheid verzekerd door een mestbestendige afdichtingslaag. De opslagplaatsen zijn aan drie kanten omgeven door mestdichte wanden van voldoende hoogte die aan dezelfde eisen voldoen als de vloer. De vierde kant is zo aangelegd dat afspoeling van het drain- en regenwater uit die permanente opslagplaats niet mogelijk is;
de vloer is zo uitgevoerd dat uitloogwater en afvloeiwater worden opgevangen en verzameld in mestdichte, gesloten opslagruimten;
de opslagplaatsen worden zo geplaatst dat geurhinder voor de omgeving wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast;
de opslagplaatsen voor andere vaste meststoffen en de bijbehorende opslagruimten zijn niet voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of een verliesput.

 

§ 2.

Opslagplaatsen voor andere vloeibare meststoffen voldoen aan al de volgende voorwaarden:

de bodem, de wanden en de kanaalverbindingen met andere opslagruimten worden gebouwd uit duurzame en degelijke materialen volgens de regels van goed vakmanschap, vermeld in bijlage 5.28, hoofdstuk 1, 2 of 3, onder de controle van een architect, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde, een landbouwkundig ingenieur of een bio-ingenieur, zodat de hinder voor het leefmilieu wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast. Binnen een waterwingebied of beschermingszones type I, II of III mogen alleen opslagruimten met bodem en opstaande muren uit gewapend beton, overeenkomstig de huidige Belgische of Europese normen en voorschriften of mestsilo's, worden geëxploiteerd. Als andere materialen worden gebruikt, wordt de degelijkheid van de voorgestelde uitvoering door een deskundige studie aangetoond. Die studie wordt ter beschikking gehouden van de toezichthouder;
de opslagplaats wordt volledig afgedekt. De afdekking is op een van de volgende manieren uitgevoerd:
  a) een betonnen, stalen of houten afdekking;
  b) een afdekking met vlakke of gegolfde platen van vezelcement of van kunststof;
  c) een drijvende afdekking;
  d) een afdekking uit kunststofzeilen;
de opslagplaats is voorzien van een ontluchting met een voldoende grote diameter zodat bij het verladen geen drukveranderingen in de opslagplaats kunnen ontstaan;
de constructie van een opslagplaats voor andere vloeibare meststoffen is zo uitgevoerd dat risico's voor de bedienende personen en derden worden vermeden, waardoor de openingen voor het mengen van de andere meststof of mangaten worden afgedekt met een stevig deksel;
de opslagplaats is niet voorzien van overstorten, noch van afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of een besterfput;
ter hoogte van de vul- en zuigleiding is een mestdichte morsput van ten minste 125 liter aanwezig. De leidingen en afsluiters die niet op vorstvrije diepte zijn aangelegd, zijn beschermd tegen bevriezen. In een vul- of aftapleiding die onder druk staat van de inhoud van de opslagplaats voor andere vloeibare meststoffen zijn ten minste twee afsluiters aanwezig. De buitenste afsluiter kan met een veiligheidsslot worden afgesloten. In de leidingen waarin hevelwerking kan optreden, zijn afsluiters of ontluchtingsvoorzieningen aangebracht;
voor de opslag van andere vloeibare meststoffen die bij een mestverwerkingsinstallatie horen, beschikt de aanvoerdarm voor andere vloeibare meststoffen vanuit de betreffende vrachtwagen over een vloeistofdichte snelkoppeling die past op de gesloten voorraadkelder of een gelijkwaardig alternatief. Ter hoogte van de koppelingen wordt in lekbakken voorzien die de andere vloeibare meststoffen alsnog kunnen opvangen. De vrachtwagen staat tijdens het lossen op een verharde vloer, die voldoende dicht is zodat de bodem en het grond- of oppervlaktewater niet verontreinigd kunnen worden. Alle run-off van die verharding wordt opgevangen.

 

De afdekking, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt uitgevoerd conform bijlage 5.28, hoofdstuk 4, of een andere code van goede praktijk, als dat aanvaard wordt door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Voor de opslagplaatsen die bestemd zijn voor de opslag van effluenten met een laag gehalte aan ammoniakale stikstof als vermeld in het Meststoffendecreet, afkomstig van mestbewerkings- of mestverwerkingsinstallaties, kan van die verplichting worden afgeweken in een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

Voor inrichtingen die voor 1 oktober 2019 vergund zijn, gelden deze verplichtingen vanaf 1 oktober 2022.

 

§ 3.  Exploitatie opslagplaatsen

 

De exploitant onderhoudt en controleert de mestopslagplaatsen regelmatig.

 

Bij definitieve buitengebruikstelling van een mestopslagplaats wordt die volledig leeggemaakt. Daarbij worden de nodige maatregelen getroffen voor explosiebeveiliging en om van bodem-, oppervlakte- en grondwaterverontreiniging te voorkomen.

 

§ 4.

In de inrichtingen met opslagplaatsen voor andere vloeibare meststoffen, vermeld in rubriek 28.4 van de indelingslijst, met een opslagcapaciteit van meer dan 1000 m³, of die geheel of gedeeltelijk binnen de beschermingszones van een grondwaterwinning liggen, worden op kosten van de exploitant waarnemingsbuizen of gelijkwaardige controlevoorzieningen op oordeelkundige wijze aangebracht, tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. De voorwaarden voor controle-inrichtingen, vermeld in artikel 5.9.7.1, zijn van toepassing.

 

§ 5.

De exploitant van een inrichting, vermeld in paragraaf 4, controleert ten minste om de drie maanden het grondwater op aanwezigheid van andere vloeibare meststoffen die afkomstig zijn van lekken.

 

§ 6.

Bovendien wordt op verzoek van en op kosten van de exploitant, vermeld in paragraaf 4, ten minste om de drie jaar een grondwateronderzoek uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL.

 

De exploitant stuurt een afschrift van de analyseresultaten naar de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en in voorkomend geval naar de exploitant van de te beschermen waterwinning. De exploitant van een inrichting gelegen in een beschermingszone moet bovendien de peilputten laten controleren door de betrokken waterleidingsmaatschappij als die daarom verzoekt.

 

§ 7.

Als uit het onderzoek van de waarnemingsbuizen of de gelijkwaardige controlevoorzieningen, vermeld in paragraaf 4, of uit andere waarnemingen blijkt dat de mestdichtheid van de mestopslagplaatsen niet meer is verzekerd, treft de exploitant de nodige maatregelen om die mestdichtheid zo vlug mogelijk te herstellen. De uitvoering van de herstelling wordt geattesteerd door een architect, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde, een landbouwkundig ingenieur (richting boerderijbouwkunde) of een bio-ingenieur in de landbouwkunde (landelijke genie).