Hoofdstuk 5.32.
ONTSPANNINGSINRICHTINGEN EN SCHIETSTANDEN


Afdeling 5.32.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.32.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 32 van de indelingslijst.


Art. 5.32.1.2.

Artikel 5.32.1.3 tot en met 5.32.1.9 zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 32.1 en 32.2 van de indelingslijst.


Art. 5.32.1.3.

De exploitant legt een veiligheidsdossier aan waarin alle belangrijke stukken over veiligheid worden bijgehouden. Dat veiligheidsdossier omvat, indien van toepassing, minimaal de volgende documenten:

de afgeleverde keuringsattesten van de elektrische installatie conform artikel 5.32.1.5;
de brandattesten van de gebruikte materialen conform artikel 5.32.1.8;
het goedgekeurde noodplan conform artikel 5.32.2.6, §2, eerste lid, en artikel 5.32.3.8, §2, eerste lid;
de samenstelling van de eerste interventieploeg, conform artikel 5.32.2.6, §2, tweede lid, en artikel 5.32.3.8, §2, tweede lid;
het verslag van de controle van het brandbestrijdingsmateriaal conform artikel 5.32.2.6, §5 en artikel 5.32.3.8, §5;
het keuringsattest van tijdelijke tribunes conform artikel 5.32.3.3, §3, vijfde lid;
het inspectieverslag van het brandgordijn en de hulpapparatuur conform artikel 5.32.4.2, §6;
het inspectieverslag van de rook- en warmteafvoerconform artikel 5.32.4.2, §7.

 

Het veiligheidsdossier, vermeld in het eerste lid, ligt ter inzage van de toezichthouder.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juli 2017.


Art. 5.32.1.4.

De exploitant geeft ter hoogte van de toegang van zijn inrichting duidelijk en ondubbelzinnig het maximaal aantal toegelaten personen van zijn inrichting aan.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, geldt de verplichting, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juli 2017.


Art. 5.32.1.5.

De elektrische installaties binnen de inrichting voldoen aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, afgekort AREI. De afgeleverde keuringsattesten, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het AREI, worden door de exploitant gevoegd in het veiligheidsdossier.

 

Als de normale stroom uitvalt, verzekeren autonome bronnen automatisch en onmiddellijk minstens de werking van onderstaande installaties, indien aanwezig, gedurende minimaal één uur:

de veiligheidsverlichting en de noodverlichting;
de installaties voor melding, waarschuwing en alarm;
de installaties voor rook- en warmteafvoer;
andere installaties of toestellen die bij brand noodzakelijk in dienst moeten blijven.

Art. 5.32.1.6.

Alle bezoekers verlaten de inrichting via toegangen en uitgangen die direct op de openbare weg uitkomen zonder door andere lokalen te gaan, die al dan niet deel uitmaken van de inrichting.

 

De gangen, de deuren en de trapkooien van de toegangs- en uitgangswegen zijn hoog genoeg om een gemakkelijk verkeer mogelijk te maken. De hoogte mag niet minder dan twee meter bedragen.

 

De breedte van de gangen, deuren en trappen van de toegangs- en uitgangswegen staat in verhouding tot het maximaal aantal personen waarvoor ze dienstig zijn. De minimale breedte bedraagt 80 cm en is ten minste gelijk, in centimeters, aan het maximaal toegelaten aantal personen voor de gangen en de deuren, aan dit aantal vermenigvuldigd met 1,25 voor de trappen die naar de uitgangen afdalen, en aan dat aantal vermenigvuldigd met 2 voor de trappen die naar de uitgangen omhoog lopen.

 

Voor inrichtingen waarvoor de vergunning na 1 juli 2014 verleend werd, mogen hellingen van meer dan 10% niet als toegangs- of uitgangsweg worden meegerekend.

 

Alle bezoekers kunnen alle uitgangen gebruiken.

 

De deuren van de toegangs- en uitgangswegen draaien open in de richting van de vluchtzin en hebben geen vergrendeling die de evacuatie op welke wijze dan ook kan belemmeren. Deuren die op de openbare weg uitkomen mogen alleen naar binnen opendraaien als ze, zodra er publiek aanwezig is, volledig openstaan tegen en stevig verankerd zijn aan een vast gedeelte van het gebouw. De deuren waardoor het publiek eventueel zou moeten gaan, openen bij de minste drukking.

 

Het is verboden om in toegangs- en uitgangswegen voorwerpen te plaatsen die de vlotte evacuatie kunnen belemmeren.


Art. 5.32.1.7.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de Codex Welzijn op het Werk omtrent de basiseisen gesteld aan arbeidsplaatsen, meer in het bijzonder de bepalingen omtrent veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, gelden de volgende voorwaarden:

elke uitgang of nooduitgang wordt aangegeven door reglementaire pictogrammen; deze pictogrammen zijn vanuit alle hoeken van de betreffende ruimte duidelijk zichtbaar en worden verlicht door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting;
in afwijking van punt 1° is ook een dynamisch evacuatiesysteem toegestaan dat zo ontworpen is dat op basis van sensoren en alarmsignalen uit de omgeving de meest aangewezen vluchtroute wordt bepaald en aan de bezoekers wordt aangegeven;
de deuren die niet op een uitgang uitkomen, zijn voorzien van een goed leesbaar opschrift "GEEN NOODUITGANG", of een gelijkwaardig pictogram;
de richting van de wegen en trappen die naar de uitgangen en de nooduitgangen leiden, wordt op uniforme wijze aangeduid en verlicht;
in de publiek toegankelijke gebouwdelen wordt de vluchtrichting ook aangeduid door middel van signalisatie op maximaal 40 cm boven de vloer; deze signalisatie wordt ook bij nood verlicht; dit mag gebeuren met nalichtende materialen.

 


Art. 5.32.1.8.

§ 1.

Alle bekleding van verticale wanden, plafonds, vloeren, meubelen en aangebrachte versieringen zijn van die aard dat ze niet tot brandvoortplanting en rookontwikkeling kunnen bijdragen en geven bij brand geen giftige gassen af. Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, geldt deze verplichting vanaf 1 juli 2017.

 

De brandattesten van de materialen, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier.

 

§ 2.

Voor de kunstmatige verlichting en voor de lichtdecoratie wordt alleen elektriciteit toegestaan.

 

§ 3.

Vast opgesteld groen licht mag in de zaal voor geen ander doel gebruikt worden.


Art. 5.32.1.9. Er geldt een algemeen rookverbod in de inrichting. Het rookverbod wordt overeenkomstig de reglementair voorgeschreven pictogrammen op alle nuttige plaatsen aangegeven.

Afdeling 5.32.2.
Inrichtingen met muziekactiviteiten


Art. 5.32.2.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.1 van de indelingslijst.

 

In afwijking van het eerste lid is voor de schouwspelzalen enkel artikel 5.32.2.2bis van toepassing. 


Art. 5.32.2.2. Geluid en trillingen

§ 1.

De bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit zijn van toepassing. [...]

 

§ 2.

De exploitatie van de inrichting en het gebruik van (een) elektronische versterker(s) die muziek voortbrengt(en) is, behalve op zon- en feestdagen, verboden vanaf 3 uur tot 7 uur.

 

In afwijking van de in deze paragraaf vermelde verbodsbepalingen kan, in functie van de plaatselijke omstandigheden, elke andere regeling inzake openings- en sluitingsuren worden vastgesteld in de bijzondere voorwaarden.


Art. 5.32.2.2bis.

§ 1.

Muziekactiviteiten met een maximaal geluidsniveau > 85 dB(A)LAeq,15min en ≤ 95 dB(A) LAeq,15min :

het maximaal geluidsniveau mag LAeq,15min 95 dB(A) niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau, gemeten als LAmax,slow 102 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan. Bij het meten van het geluidsniveau wordt zowel het geluid van muziek als het omgevingsgeluid in rekening gebracht;  
het geluidsniveau geldt ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis; 

op initiatief en op kosten van de exploitant wordt LAeq,15min altijd continu gemeten door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis, en kan ook LAmax,slow gemeten worden. Het geluidsniveau, gemeten als LAeq,15min, is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een persoon die hij heeft aangesteld.

De exploitant en de persoon die door hem is aangesteld, zijn ertoe gehouden het maximaal toegestane geluidsniveau na te leven. Als het geluidsniveau, gemeten door middel van de meetapparatuur waarin de exploitant voorziet, het maximaal toegestane geluidsniveau overschrijdt, zijn de exploitant en de persoon die hij heeft aangesteld, verplicht om onmiddellijk het geluidsniveau bij te sturen tot een niveau dat het maximaal toegestane geluidsniveau niet meer overschrijdt. In dat geval is artikel 4.1.5.3 niet van toepassing.

De verplichting tot het meten van het geluidsniveau geldt niet als door de exploitant een geluidsbegrenzer gebruikt wordt die zo is afgesteld dat het maximaal toegestane geluidsniveau gerespecteerd wordt. De geluidsbegrenzer voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis.

De exploitant informeert de bezoekers en de persoon die hij heeft aangesteld, over het maximaal toegestane geluidsniveau. Daarvoor wordt het maximaal toegestane geluidsniveau, weergegeven als LAeq,15min, op een duidelijk zichtbare plaats geafficheerd, zowel ter hoogte van de toegang tot de muziekactiviteit als ter hoogte van de mengtafel;

4°  In afwijking van punt 1° mag het maximaal geluidsniveau LAeq,15min 95 dB(A) overschreden worden, op voorwaarde dat :  
a)  de muziekactiviteit voorafgaand is aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsgrijpt; en 
b)  het college, vermeld in a), de muziekactiviteit toelaat. Met behoud van de toepassing van paragraaf 3, kan die toelating evenwel alleen gegeven worden indien de muziekactiviteit : 
1)  doorgaat tussen 12u en 0u en maximaal 3u duurt; per dag kan maximaal 1 periode van 3 u. toegelaten worden; of 
2)  gekoppeld is aan een bijzondere gelegenheid en doorgaat in een feestzaal of lokaal waarin cumulatief aan de volgende criteria wordt voldaan : 
  maximaal 12 gelegenheden per jaar;
  maximaal 2 gelegenheden per maand; 
  - de sommatie van deze gelegenheden mag zich maximaal over 24 kalenderdagen per jaar spreiden (in geval een muziekactiviteit avonduren alsook morgenuren van de daarop volgende kalenderdag omvat, worden twee kalenderdagen geteld). 

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit, vermeld in het voorgaande lid, toelaat zijn de bepalingen, vermeld in paragraaf 2, van toepassing met uitzondering van de verplichting tot het opmaken van een geluidsplan.

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit toelaat overeenkomstig punt b), 2) zijn de bepalingen vermeld in hoofdstuk 4.5 niet van toepassing.

 

Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsvindt, kan beperkende maatregelen opleggen, bijvoorbeeld voor het maximaal toegelaten geluidsniveau of voor de duur van de muziekactiviteit.

 

§ 2.

Muziekactiviteiten met een maximaal geluidsniveau > 95 dB(A)LAeq,15min [...] :

1°  het maximaal geluidsniveau mag LAeq,60min 100 dB(A) niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau, gemeten als LAeq,15min 102 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan. Bij het meten van het geluidsniveau wordt zowel het geluid van muziek als het omgevingsgeluid in rekening gebracht; 
2°  het geluidsniveau geldt ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis; 
3° 

op initiatief en op kosten van de exploitant worden LAeq,60min en LAeq,15min continu gemeten en wordt LAeq,60min geregistreerd door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis. Het geluidsniveau, gemeten als LAeq,15min, is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een persoon die hij heeft aangesteld.

De geregistreerde gegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder gedurende een periode van ten minste een maand.

De verplichting om het geluidsniveau te meten en te registreren, geldt niet als de exploitant een geluidsbegrenzer gebruikt die zo is afgesteld dat het maximaal toegestane geluidsniveau gerespecteerd wordt. De geluidsbegrenzer voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis.

De exploitant en de persoon die hij heeft aangesteld, zijn ertoe gehouden het maximaal toegestane geluidsniveau na te leven. Als het geluidsniveau, gemeten door middel van de meetapparatuur waarin de exploitant voorziet, het maximaal toegestane geluidsniveau overschrijdt, zijn de exploitant en de persoon, die hij heeft aangesteld, verplicht om onmiddellijk het geluidsniveau bij te sturen tot een niveau dat het maximaal toegestane geluidsniveau niet overschrijdt. In dat geval is artikel 4.1.5.3 niet van toepassing.

De exploitant informeert de bezoekers en de persoon die hij heeft aangesteld, over het maximaal toegestane geluidsniveau. Daarvoor wordt het maximaal toegestane geluidsniveau, weergegeven als LAeq,60min en LAeq,15min, op een duidelijk zichtbare plaats geafficheerd, zowel ter hoogte van de toegang tot de muziekactiviteit als ter hoogte van de mengtafel;

4°  de exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade :
a) het vrij en kosteloos ter beschikking stellen aan alle bezoekers van gehoorbescherming voor eenmalig gebruik; en
b) het opmaken van een geluidsplan om het geluidsniveau in de inrichting te optimaliseren in geval van permanente geluidsinstallaties die tot de inrichting behoren. Het geluidsplan moet tenminste de volgende gegevens bevatten : 
1) de optimale opstelling en keuze van de luidsprekers rekening houdend met een zo efficiënt mogelijke verdeling van het geluid; 
2) de meetplaats; 
3) het geluidsniveau ter hoogte van de meetplaats en ten minste vier andere beoordelingsplaatsen; 
4) de plaats waar het geluidsniveau geregeld wordt; 
5) de plattegrond op schaal van de volledige ruimte die toegankelijk is voor het publiek. 

 

Het geluidsplan wordt opgemaakt door een milieudeskundige die erkend is in de discipline geluid en trillingen. Dat plan maakt in voorkomend geval deel uit van het akoestische onderzoek, vermeld in artikel 5.32.2.3, § 1. Het geluidsplan is aanwezig in de inrichting en ligt ter inzage van de toezichthoudende overheid.

 

§ 3.

Muziekactiviteiten met een geluidsniveau in de inrichting > 100dB(A)LAeq,60min zijn verboden. 


Art. 5.32.2.3.

§ 1.

Naleving van de bepalingen voor geluid door nieuwe inrichtingen als vermeld in rubriek 32.1.2° van de indelingslijst

 

Uiterlijk 10 kalenderdagen vóór de eerste ingebruikname van de inrichting laat de exploitant op zijn kosten een volledig akoestisch onderzoek uitvoeren door een milieudeskundige erkend in de discipline geluid en trillingen.
Betreffende de naleving van de bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit, onverminderd de bepalingen van bijlage 4.5.2. bij dit besluit, bevat het verslag van het akoestisch onderzoek eveneens:
a) een duidelijke beschrijving van de plaats van opstelling en van het vermogen van alle toestellen en installaties die enige impakt kunnen hebben op de geluidsbelasting in de omgeving;
b) een gedetailleerde beschrijving van de meetmethode en de meetomstandigheden zodanig dat de meting steeds onder dezelfde omstandigheden kan worden overgedaan;
c) de gemeten geluidsniveaus in de inrichting en in de omgeving met duidelijke vermelding van de meetpunten.
Het akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd bij het maximaal vermogen dat wordt bereikt tijdens de exploitatie. Dit vermogen wordt vermeld in het verslag.
Het in sub 1° van deze paragraaf vermelde akoestisch onderzoek dient onmiddellijk overgedaan bij enige wijziging aan de plaats van opstelling en/of aan het vermogen van toestellen en installaties. De milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen neemt inzage van het verslag van het vorige volledig akoestisch onderzoek.
Bij niet naleving van de bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit dient onmiddellijk een saneringsonderzoek uitgevoerd door een milieudeskundige erkend in de discipline geluid en trillingen en worden de nodige saneringsmaatregelen getroffen.

Indien de inrichting niet beantwoordt aan de bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit wordt de aanvang van de exploitatie uitgesteld of de verdere exploitatie stopgezet tot de saneringsmaatregelen zijn uitgevoerd.

De vergunningverlenende overheid en de toezichthouder worden door de exploitant schriftelijk in kennis gesteld van de voorziene saneringsmaatregelen. Na het uitvoeren van deze saneringsmaatregelen wordt, in overleg met de toezichthouder een nieuw volledig akoestisch onderzoek uitgevoerd door de voormelde deskundige.

Voor nieuwe inrichtingen dient daarbij evenwel ook de termijn van ingebruikname van toepassing met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit onverminderd nageleefd.

 

§ 2.

Naleving van de bepalingen voor geluid door bestaande inrichtingen als vermeld in rubriek 32.1 van de indelingslijst: in dit geval blijven de algemene voorwaarden van afdeling 4.5.4 en 4.5.5 onverminderd van toepassing, behoudens wat betreft de verplichtingen tot uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek en tot opstelling en uitvoering van een saneringsplan. In dit geval gelden een of meer van deze verplichtingen enkel in zoverre deze is/zijn opgelegd door de vergunningverlenende overheid.

 

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt onder bestaande inrichting verstaan: ingedeelde inrichtingen waarvoor de stedenbouwkundige vergunning voor 1 januari 1999 is verleend en die op 31 december 2012 al uitgebaat of in gebruik waren of zijn.

 

 

§ 3.

De in de §§ 1 en 2 van dit artikel bedoelde onderzoeksverslagen zijn aanwezig in de inrichting. Zij zijn ter inzage van de toezichthouder.


Art. 5.32.2.4. Uitrusting gebouw

[...]


Art. 5.32.2.4bis. Toe- en uitgangswegen

[...]


Art. 5.32.2.5. Brandvoorkoming [...]

§ 1.

De verwarming van het lokaal mag niet geschieden met toestellen die een vlam of gloeiend oppervlak vertonen.

 

§ 2.

Leidingen met ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 of ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3 volgens de CLP-verordening zijn in het danslokaal of in de muren, zoldering en vloer ervan verboden.

 

§ 3.

Het opslaan van gemakkelijk brandbare materialen of producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS01 of GHS02 volgens de CLP-verordening in het danslokaal is verboden.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

[...]


Art. 5.32.2.6. Brandbestrijding

§ 1. Blusmiddelen

De exploitant brengt een uitrusting aan die bestemd is om een begin van brand te bestrijden. Als minimum geldt één bluseenheid per 150 m². De blusmiddelen zijn doelmatig gesignaleerd, makkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Inzake de benodigde brandbestrijdingsmiddelen raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 2. Noodplanning en eerste interventieploeg

De exploitant stelt een intern noodplan op om adequaat te kunnen reageren bij brand of een andere calamiteit. Het noodplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde brandweer. Het goedgekeurde noodplan wordt in het veiligheidsdossier bewaard.

 

Als het gaat om een inrichting met meer dan duizend toegelaten aanwezigen, richt de exploitant een eerste interventieploeg op die uittwee teams bestaat: een team van interventieleden die de brand trachten te controleren in afwachting van de komst van de bevoegde brandweer en een team van evacuatieverantwoordelijken die toezien op een vlotte evacuatie van personeel en publiek. Voor de samenstelling en het functioneren van deze dienst raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer. De lijst van het personeel waaruit deze dienst bestaat, wordt aan het veiligheidsdossier toegevoegd. De interventieploeg houdt minstens eenmaal per jaar een oefening.

 

§ 3. Detectie, waarschuwing en alarmering

Iedere inrichting is voorzien van een adequaat branddetectiesysteem.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem bijkomend voorzien van brandmeldknoppen.

 

Voor inrichtingen met meer dan duizend toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem verbonden met een brandcentrale. De brandcentrale geeft minimaal aan in welke zone de brand gedetecteerd wordt. De locatie van de brandcentrale wordt bepaald in overleg met de bevoegde brandweer. De exploitant beschikt daarnaast over een autonoom oproepsysteem van de interne interventieploeg.

 

Iedere inrichting beschikt over een autonome alarmeringsinstallatie die het personeel en het publiek waarschuwt als bij een incident de inrichting ontruimd moet worden.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt de muziek automatisch stopgezet en de verlichting aangestoken voordat het ontruimingsalarm afgaat. Het ontruimingsalarm wordt periodiek onderbroken met een vooraf ingesproken ontruimingsinstructie.

 

Voor de uitrusting van branddetectie, -melding en alarmering raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 4. Evacuatieplannen

Een grondplan van de inrichting met aanduiding van de evacuatiewegen en de locatie van de brandbestrijdingsmiddelen wordt correct georiënteerd opgehangen in de nabijheid van elke in- en uitgang van de publiek toegankelijke ruimten.

 

§ 5. Onderhoud en periodieke controle

Alle delen van de inrichting, de toestellen en de installaties worden goed onderhouden. Het materieel voor brandbestrijding en de elektrische installaties worden maandelijks gecontroleerd op de goede staat door de exploitant of zijn aangestelde. Het waarschuwings- en alarmsysteem worden maandelijks getest. Het brandbestrijdingsmateriaal wordt jaarlijks gecontroleerd door een daarvoor bevoegde instantie. Van die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.

 

§ 6.

De inrichting is uitgerust met ten minste één gemakkelijk te bereiken vast telefoontoestel.

 

§ 7.

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 2 en in paragraaf 3, het tweede, derde en vijfde lid, vanaf 1 juli 2017.


Afdeling 5.32.3.
Schouwspelzalen


Art. 5.32.3.1.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op schouwspelzalen als vermeld in rubriek 32.1.2° van de indelingslijst en de volgende schouwspelzalen, vermeld in rubriek 32.2 van de indelingslijst:

bioscopen;
schouwburgen, variététheaters en feestzalen met een speelruimte;
zalen voor sportmanifestaties;
polyvalente zalen waarin een activiteit als vermeld in punt 1°, 2° en 3°, plaatsvindt.

 

Artikel 5.32.3.10 is van toepassing op muziekactiviteiten in polyvalente zalen als vermeld in rubriek 32.2.2° van de indelingslijst.

 

§ 2.

Geen enkele vertoning mag worden gegeven of voortgezet zo om het even welke van de door dit hoofdstuk voorgeschreven veiligheidstoestellen niet in staat is om te werken.


Art. 5.32.3.2. Bouw

§ 1.

Moeten uit metselwerk of beton opgetrokken worden:

de muren van de zaal, van het toneel en van de toe- en uitgangswegen;
de zolderingen en vloeren die de zaal, het toneel en de toe- en uitgangswegen van om het even welke andere lokalen scheiden;
de balkons;
de trappen welke door het publiek kunnen gebruikt worden;
de stutten van voormelde zolderingen, vloeren, balkons en trappen, tenzij zij uit metalen bestanddelen bestaan.

 

 

§ 2.

Alleen voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, mogen de treden en de vloeren van de zaal in hout zijn voor zover ze geplaatst zijn op vaste grond of op een doorlopend schotwerk uit metselwerk of uit beton dat op stutten rust met een brandklasse A1. Voor inrichtingen vergund vanaf 1 juli 2014 mogen de treden en de vloeren van de zaal, de tribune en het toneel, slechts in hout zijn voor zover het hout, eventueel na een behandeling, minimaal in brandklasse B wordt geclassificeerd. De ledige ruimte welke eventueel tussen deze treden of deze vloeren eensdeels, en de vaste grond of het schotwerk anderdeels, bestaat, moet zo klein mogelijk zijn.

 

§ 3.

De eindlaagmaterialen van de dakbedekking behoren tot brandklasse A1 of zijn conform aan de beschikking 2000/553/EG van de Commissie van 6 september 2000 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot het brandgedrag aan de buitenzijde van dakbedekkingen. Als de eindlaagmaterialen niet voldoen aan de vereiste, vermeld in het eerste lid, vertonen de producten of materialen voor dakbedekking de eigenschappen van de brandklasse Broof (t1), vermeld in de beschikking 2001/671/EG van de Commissie van 21 augustus 2001 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot de indeling van het gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde.


Art. 5.32.3.3. Inrichting van de zaal

§ 1. Zitplaatsen

Om een vlotte circulatie bij gebruik en eventuele evacuatie te garanderen, worden volgende eisen gesteld aan de zaalindeling:

iedere zitplaats is minstens 50 cm breed en minstens 75 cm lang. Deze afmetingen worden respectievelijk genomen van as tot as tussen de zitplaatsen van dezelfde rij en van as tot as tussen de rijen zitplaatsen;
elke rij zitplaatsen wordt verdeeld door armleuningen of door elke andere inrichting die het plaatsen van meer dan één persoon per 50 cm breedte verhindert;
de vrije ruimte tussen de stoelenrijen bedraagt minimaal 45 cm. Die breedte mag beperkt worden tot 40 cm als de zitplaatsen geplaatst zijn op treden van ten minste 15 cm hoogte. Bij automatische klapstoelen geldt als vrije ruimte de kleinste van de ruimte tussen enerzijds de achterzijde van de voorgaande stoelenrij en anderzijds de dichtgeklapte stoel of de armleuning;
de zitplaatsen zijn stevig verankerd in de vloer of aan elkaar, met uitzondering van de zitplaatsen van de loges en de benedenloges;
voor het personeel wordt er altijd een voldoende aantal zitplaatsen gereserveerd;
de rijen zitplaatsen mogen niet meer dan tien zitplaatsen omvatten, als er maar één gang voor bestaat. Ze mogen twintig zitplaatsen omvatten als er twee gangen voor bestaan.

 

Een afwijkende indeling van de zitplaatsen kan worden toegestaan door de vergunningverlenende overheid als de exploitant kan aantonen dat de effectiviteit van de ontruiming minimaal gelijkwaardig is. Hij toont dat aan door middel van simulatieberekeningen.

 

§ 2. Staanplaatsen

De staande toeschouwers worden alleen tot de daarvoor speciaal bestemde wandelgangen toegelaten. De plaats die gereserveerd is voor staande toeschouwers, bedraagt minstens een halve vierkante meter per staande toeschouwer.

 

§ 3. Trappen.

De trappen, uitgezonderd tribunetrappen, zijn aan beide kanten van stevige leuningen voorzien. Als de trappen, uitgezonderd tribunetrappen, breder dan 2,40 meter zijn, worden ze bovendien door een of meer leuningen in verscheidene delen gescheiden, zodat de breedte van elk van die delen 2,40 meter niet overtreft en niet minder dan 0,80 meter bedraagt. Tribunetrappen zijn aan de zijde die niet naast de zitplaatsen gelegen is ook van een stevige leuning voorzien.

 

De trappen hebben geen wenteltrapvormige delen. De trappen worden verdeeld door trapbordessen van minstens 1 meter zodat elke traparm niet meer dan zeventien treden telt.

 

De trappen hebben volle stootborden. Voor trappen voor dalende evacuatie geldt deze verplichting niet. Elke trede is minstens dertig cm breed en hoogstens achttien cm hoog. Geen enkele trede mag meer dan vijf cm buiten haar stootbord uitsteken.

 

De helling van de trappen bedraagt maximaal 75 %. Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, geldt deze verplichting vanaf 1 juli 2017.

 

De voorwaarden van deze paragraaf gelden ook voor uitschuifbare of tijdelijke tribunes. Met behoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen ter zake worden de uitschuifbare tribunes jaarlijks onderworpen aan een keuring door een bevoegd persoon of een onafhankelijke keuringsorganisatie. Het keuringsattest wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.

 

Een tijdelijke tribune wordt voor ingebruikname in dienst gesteld door een bevoegd persoon of een onafhankelijk keuringsorganisatie.

De toegang onder uitschuifbare of tijdelijke tribunes wordt onmogelijk gemaakt voor publiek en onbevoegden. Elke vorm van opslag onder de tribune is verboden.

 

§ 4. Inrichtingen voor toegangscontrole.

De inrichtingen voor toegangscontrole zijn stevig verankerd en zodanig opgesteld dat voldaan blijft aan de minimaal vereiste breedte van de toegangs- en uitgangswegen. De aanwezigheid van bezoekers bij de inrichtingen voor toegangscontrole mag evenmin een belemmering vormen in geval van evacuatie.


Art. 5.32.3.4. Elektrische installatie - Verlichting

[...]


Art. 5.32.3.5. Signalisatie

[...]


Art. 5.32.3.6. Verwarming en luchtverversing

§ 1.

De lokalen worden behoorlijk verwarmd en verlucht.

 

§ 2.

Worden slechts toegelaten, de verwarmingsinstallaties:

met warm water;
met stoom onder lage druk;
met warme lucht, voor zover:
a)de warme lucht zich in de generator voortdurend onder een hogere drukking bevindt dan de gassen die doorheen de vuurhaard trekken;
b)de generator uitgerust is met een doeltreffende stoffilter;
c)de verse lucht rechtstreeks in de open lucht aangezogen wordt;
d)de aanvoerkanalen van warme lucht uit metaal zijn, of gebouwd in metselwerk;
e)de temperatuur van de warme lucht in de kanalen, waar deze in de zaal of haar aanhorigheden binnendringen, in geen enkele omstandigheid 80°C overschrijdt;
met elektriciteit, voor zover de temperatuur van de verwarmingsbestanddelen niet boven 100° C stijgt.

 

§ 3.

De stookinstallaties worden geplaatst in een goed verlucht lokaal dat uitsluitend voor dat gebruik is gereserveerd, en zijn volledig gebouwd uit materiaal van brandklasse A1. De lokalen voor stookinstallaties komen niet rechtstreeks uit op de zaal of het toneel .


Art. 5.32.3.7. Rookverbod

[...]


Art. 5.32.3.8.

§ 1. Blusmiddelen

De exploitant brengt een uitrusting aan die bestemd is om een begin van brand te bestrijden. Als minimum geldt één bluseenheid per 150 m². De blusmiddelen zijn doelmatig gesignaleerd, makkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Voor de benodigde brandbestrijdingsmiddelen raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 2. Noodplanning en eerste interventieploeg

De exploitant stelt een intern noodplan op om adequaat te kunnen reageren bij brand of een andere calamiteit. Het noodplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde brandweer. Het goedgekeurd noodplan wordt in het veiligheidsdossier bewaard.

 

De exploitant richt een eerste interventieploeg op. De betreffende ploeg bestaat uit twee teams: een team van interventieleden die de brand proberen te controleren in afwachting van de komst van de brandweer en een team van evacuatieverantwoordelijken die toezien op een vlotte evacuatie van personeel en publiek. Voor de samenstelling en het functioneren van deze dienst raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

De lijst van het personeel waaruit deze dienst bestaat, wordt aan het veiligheidsdossier toegevoegd. De interventieploeg houdt minstens eenmaal per jaar een oefening.

 

§ 3. Detectie, waarschuwing en alarmering

Iedere inrichting is voorzien van een adequaat branddetectiesysteem.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem bijkomend voorzien van brandmeldknoppen.

 

Voor inrichtingen met meer dan duizend toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem verbonden met een brandcentrale. De brandcentrale geeft minimaal aan in welke zone de brand gedetecteerd wordt. De locatie van de brandcentrale wordt bepaald in overleg met de bevoegde brandweer. De exploitant beschikt daarnaast over een autonoom oproepsysteem van de interne interventieploeg.

 

Iedere inrichting beschikt over een autonome alarmeringsinstallatie die het personeel en publiek waarschuwt als bij een incident de inrichting ontruimd moet worden.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt de vertoning automatisch stopgezet en de verlichting aangestoken voordat het ontruimingsalarm afgaat. Het ontruimingsalarm wordt periodiek onderbroken met een vooraf ingesproken ontruimingsinstructie.

 

Voor de uitrusting van branddetectie, -melding en alarmering raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 4. Evacuatieplannen

Een grondplan van de inrichting met aanduiding van de evacuatiewegen en de locatie van de brandbestrijdingsmiddelen wordt correct georiënteerd opgehangen in de nabijheid van elke in- en uitgang van de publiek toegankelijke ruimten.

 

§ 5. Onderhoud en periodieke controle

Alle delen van de inrichting, de toestellen en de installaties worden goed onderhouden. Het materiaal voor brandbestrijding en de elektrische installaties worden maandelijks gecontroleerd op de goede staat door de exploitant of zijn aangestelde. Het waarschuwings- en alarmsysteem worden maandelijks getest. Het brandbestrijdingsmaterieel wordt jaarlijks gecontroleerd door een daarvoor bevoegde instantie. Van die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.

 

§ 6.

De inrichting is uitgerust met ten minste één gemakkelijk te bereiken vast telefoontoestel.

 

§ 7.

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 2 en in paragraaf 3, het tweede, derde en vijfde lid, vanaf 1 juli 2017.


Art. 5.32.3.9. Maatregelen tegen lawaai

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. dienen de nodige maatregelen getroffen om te beletten dat het gerucht dat uit de zaal voortkomt de buren kan hinderen.


Art. 5.32.3.10. Maximaal geluidsniveau van muziekactiviteiten in de inrichting

§ 1.

Het maximaal geluidsniveau in inrichtingen vermeld in rubriek 32.2.2° van de indelingslijst mag LAeq,15min 95 dB(A) niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau gemeten als LAmax,slow 102 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan. Bij het meten van het geluidsniveau wordt zowel het geluid van muziek als het omgevingsgeluid in rekening gebracht;

 

§ 2.

Het geluidsniveau geldt ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis.

 

§ 3.

Bij muziekactiviteiten met een maximaal geluidsniveau > 85 dB(A) LAeq,15min en ≤ 95 dB(A) LAeq,15min wordt op initiatief en op kosten van de exploitant LAeq,15min altijd continu gemeten door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis en kan ook LAmax,slow gemeten worden. Het geluidsniveau, gemeten als LAeq,15min, is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een persoon die hij heeft aangesteld.

 

De exploitant en de persoon die hij heeft aangesteld, zijn ertoe gehouden het maximaal toegestane geluidsniveau na te leven. Als het geluidsniveau, gemeten door middel van de meetapparatuur waarin de exploitant voorziet, het maximaal toegestane geluidsniveau overschrijdt, zijn de exploitant en de persoon die hij heeft aangesteld, verplicht om onmiddellijk het geluidsniveau bij te sturen tot een niveau dat het maximaal toegestane geluidsniveau niet meer overschrijdt. In dat geval is artikel 4.1.5.3 niet van toepassing.

 

De verplichting om het geluidsniveau te meten, geldt niet als de exploitant een geluidsbegrenzer gebruikt die zo is afgesteld dat het maximaal toegestane geluidsniveau gerespecteerd wordt. De geluidsbegrenzer voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis.

 

De exploitant informeert de bezoekers en de persoon die hij heeft aangesteld, over het maximaal toegestane geluidsniveau. Daarvoor wordt het maximaal toegestane geluidsniveau, weergegeven als LAeq,15min, op een duidelijk zichtbare plaats geafficheerd, zowel ter hoogte van de toegang tot de muziekactiviteit als ter hoogte van de mengtafel.

 

§ 4.

Paragraaf 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 32.2.2° van de indelingslijst, op voorwaarde dat :

de muziekactiviteit voorafgaand is aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsgrijpt; en 
het college, vermeld in punt 1°, de muziekactiviteit toelaat. Die toelating kan evenwel alleen gegeven worden indien het geluidsniveau in de inrichting LAeq,60min ≤ 100 dB(A) en de muziekactiviteit :  
a) doorgaat tussen 12 u. en 0 u. en maximaal 3 u. duurt; per dag kan maximaal 1 periode van 3 u. toegelaten worden; of 
b) gekoppeld is aan een bijzondere gelegenheid en doorgaat in een schouwspelzaal waarin cumulatief aan de volgende criteria wordt voldaan : 
1)  maximaal 12 gelegenheden per jaar;  
2) maximaal 2 gelegenheden per maand; 
3) de sommatie van deze gelegenheden mag zich maximaal over 24 kalenderdagen per jaar spreiden (ingeval een muziekactiviteit avonduren alsook morgenuren van de daarop volgende kalenderdag omvat, worden twee kalenderdagen geteld). 

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit toelaat, zijn de bepalingen, vermeld in artikel 5.32.2.2bis, § 2, van toepassing met uitzondering van de verplichting tot het opmaken van een geluidsplan.

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit toelaat overeenkomstig punt 2°, b), zijn de bepalingen vermeld in hoofdstuk 4.5 niet van toepassing.

 

Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsvindt, kan beperkende maatregelen opleggen, bijvoorbeeld voor het maximaal toegelaten geluidsniveau of voor de duur van de muziekactiviteit.

 

§ 5.

Muziekactiviteiten met een geluidsniveau in de inrichting > 100 dB(A) LAeq,60min zijn verboden.


Afdeling 5.32.4.
Bijzondere voorschriften ten aanzien van schouwburgen, variététheaters en feestzalen, met een speelruimte langs boven of langs onder uitgerust met mechanische toestellen.


Art. 5.32.4.1.

Onverminderd de voorschriften van afdeling 5.32.3. voldoen de schouwburgen, variététheaters en feestzalen, met een speelruimte langs boven of langs onder uitgerust met mechanische toestellen, daarenboven [...] aan de bepalingen van deze afdeling 5.32.4.


Art. 5.32.4.2.

§ 1.

De scheidingsmuren tussen de inrichting en de aanpalende gebouwen steken minstens 1,50 m boven de voeglijn van die muren met het dak der inrichting uit.

 

§ 2.

Het toneel en zijn aanhorigheden liggen binnen een ringmuur van minstens 28 cm dikte zo hij uit metselwerk, en 15 cm dikte zo hij uit beton is opgetrokken.

 

§ 3.

Het gedeelte van deze muur, dat het toneel en de zaal scheidt, moet tot aan de buitenmuren van deze laatste worden doorgebouwd en 1,50 m boven het dak der zaal uitsteken.

Buiten de toneelopening, mogen in die muur slechts de onontbeerlijke openingen worden aangebracht. Elk van die openingen is voorzien van een deur welke naar de kant der zaal opengaat en automatisch sluit. De deuren hebben een brandwerendheid van minimaal EI160.

 

§ 4.

De trappen, ladders en bruggen voor de bediening van het toneel en zijn aanhorigheden zijn uit materiaal met een brandklasse A1 vervaardigd.

 

§ 5. Brandgordijn

De toneelopening is voorzien van een knikvast metalen brandgordijn ofwel een brandgordijn met brandwerendheid EI 60. Dat brandgordijn is in staat om het doorlaten van rook en het overslaan van het vuur van het toneel naar de zaal te verhinderen.

 

Er kan zich een zelfsluitende deur in het brandgordijn bevinden met brandwerendheid EI160. Het brandgordijn moet in maximaal 30 seconden kunnen neerdalen tot op zijn functionele hoogte. De functionele hoogte wordt bepaald in overleg met de bevoegde brandweer. Duidelijke instructies voor het bedienen van de combinatie van het brandgordijn met de rook- en warmteafvoer moeten bij de bedieningsorganen aangebracht zijn en moeten deel uitmaken van opleiding van het bevoegd personeel. Het brandgordijn is voorzien van een remmechanisme om ongevallen te voorkomen. Het brandgordijn is voldoende stijf of voorzien van wand- en vloergeleiders. De bediening van het brandgordijn bevindt zich in de zaal en op het toneel of de aanhorigheden ervan.

 

§ 6. Controle van het brandgordijn

Het brandgordijn en de hulpapparatuur ervan worden jaarlijks volledig nagezien door een bevoegd persoon of een onafhankelijke keuringsorganisatie. Het inspectieverslag wordt bewaard in het veiligheidsdossier.

 

§ 7. Rook- en warmteafvoer

Er is minstens in de toneeltoren een rook- en warmteafvoer voorzien. De bediening van de rook- en warmteafvoer kan manueel of mechanisch zijn. De bediening bevindt zich zowel op de scène als buiten de toneeltoren. De gewone ventilatie wordt automatisch buiten werking gesteld bij inwerkingtreding van de rookafvoer tenzij ze deel uitmaakt van de rook- en warmteafvoer. De rook- en warmteafvoer wordt gedimensioneerd volgens een code van goede praktijk.

 

De rook- en warmteafvoer en de hulpapparatuur ervan worden jaarlijks volledig nagezien door een bevoegd persoon of een onafhankelijke keuringsorganisatie. Het inspectieverslag wordt bewaard in het veiligheidsdossier.

 

§ 8. Uitgangen van het toneel en van zijn aanhorigheden

Het toneel en zijn aanhorigheden beschikken over uitgangen, waarvan het aantal en de schikking een snelle en veilige ontruiming van het personeel en de artiesten naar de openbare weg toelaten.

 

§ 9. Toneelmeubelen en -schermen

De voor vertoningen bestemde toneelschermen en -meubelen, welke tijdens een vertoning niet worden gebruikt, worden in een volledig uit metselwerk of beton opgetrokken speciaal lokaal geborgen. De deuren hebben een brandwerendheid van EI160 en zijn zelfsluitend


Afdeling 5.32.5.
Bijzondere voorschriften ten aanzien van bioscopen waar ontvlambare films afgedraaid worden.


Art. 5.32.5.1. [...]

Art. 5.32.5.2. Bouw van filmprojectie- en oprolkamertjes

[...]


Art. 5.32.5.3. Uitgangen van de projectie- en oprolkamertjes

[...]


Art. 5.32.5.4. Bouw der deuren

[...]


Art. 5.32.5.5. Schoorstenen

[...]


Art. 5.32.5.6. Openingen van het projectiekamertje

[...]


Art. 5.32.5.7. Elektrische installaties der projectie- en oprolkamertjes

[...]


Art. 5.32.5.8. Projectietoestel

[...]


Art. 5.32.5.9. Bewaring der films

[...]


Art. 5.32.5.10. Materieel der projectie- en oprolkamertjes

[...]


Art. 5.32.5.11. Personeel in de kamertjes

[...]


Art. 5.32.5.12. Toegang tot de projectie- en oprolkamertjes

[...]


Afdeling 5.32.5bis.
Digitale bioscopen


Art. 5.32.5bis.0.

Met behoud van de toepassing van afdeling 5.32.3 voldoen digitale bioscopen daarenboven aan deze afdeling 5.32.5bis.


Art. 5.32.5bis.1.

Digitale bioscopen worden geëxploiteerd overeenkomstig een geluidzorgsysteem.


Het geluidzorgsysteem, vermeld in het eerste lid, voldoet aan de vereisten die de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, vaststelt. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, deelt het geluidzorgsysteem voorafgaandelijk mee aan de Vlaamse Regering.


Art. 5.32.5bis.2.

Het geluidzorgsysteem, vermeld in artikel 5.32.5bis.1., eerste lid, bestaat uit maatregelen die betrekking hebben op het onderhoud en de kalibratie van de zalen, en op instellingen van het digitale geluidsysteem. Dat geluidzorgsysteem bevat ook meet- en registratieverplichtingen, indicatieve geluidsniveaus en maatregelen die de bewustmaking van de bioscoopbezoeker beogen.


Afdeling 5.32.6.
Modelvliegtuigen


Art. 5.32.6.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.6 van de indelingslijst.


Art. 5.32.6.2.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5 zijn alle in de tweede klasse ingedeelde activiteiten met modelvliegtuigen verboden vanaf 19 uur tot 7 uur.


Art. 5.32.6.3.

Alle activiteiten met modelvliegtuigen zijn verboden in natuur- en bosgebieden zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, in het bosdecreet van 13 juli 1990 en in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.


Afdeling 5.32.7.
Schietstanden in een lokaal


Subafdeling 5.32.7.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.32.7.1.1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 32.7 van de indelingslijst, die zijn ondergebracht in een gesloten lokaal.

 

Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden de schietstanden ingedeeld in de volgende zes categorieën:

categorie A1: de schietstanden, ingedeeld in rubriek 32.7.2°, c), waar op doel geschoten wordt met lange of korte vuurwapens en munitie en waarbij de kinetische energie van de kogel, gemeten op 1 meter van de loopmonding, kleiner is dan of gelijk is aan 5000 joule;
categorie A2: de schietstanden, ingedeeld in rubriek 32.7.2°, c), waar op doel geschoten wordt met lange of korte vuurwapens en munitie en waarbij de kinetische energie van de kogel, gemeten op 1 meter van de loopmonding, kleiner is dan of gelijk is aan 2500 joule;
categorie B: de schietstanden ingedeeld, in rubriek 32.7.2°, c), waar op doel geschoten wordt met korte of lange vuurwapens en munitie en waarbij de kinetische energie van de kogel, gemeten op 1 meter van de loopmonding, kleiner is dan of gelijk is aan 800 joule;
categorie C: de schietstanden, ingedeeld in rubriek 32.7.2°, b), van de indelingslijst, waar op doel geschoten wordt met lange of korte vuurwapens en munitie en waarbij de kinetische energie van de kogel, gemeten op 1 meter van de loopmonding, kleiner is dan of gelijk is aan 250 joule;
categorie D: de schietstanden, ingedeeld in rubriek 32.7.1°, c), en rubriek 32.7.1°, b), van de indelingslijst, waar er geschoten wordt met kruisbogen en/of op doel geschoten wordt met niet-vuurwapens waarbij de kinetische energie van het projectiel, gemeten op 1 meter van de loopmonding groter is dan 50 joule;
categorie E: de schietstanden, ingedeeld in rubriek 32.7.2°, a), van de indelingslijst, waarbij geschoten wordt met vuurwapens die uitsluitend met hagelpatronen werken.

 


Art. 5.32.7.1.2. Algemene bepalingen over brandvoorkoming en ?bestrijding

§ 1.

Met behoud van de toepassing van afdeling 4.1.12 beschikt de inrichting over een voldoende aantal geschikte, gebruiksklare en gemakkelijk te bereiken blustoestellen. Die blustoestellen worden ten minste jaarlijks op hun goede werking gecontroleerd door de leverancier of een erkende deskundige voor keuring en onderhoud van kleine blusmiddelen. De attesten met datum en uitslag van die controle worden bij het exploitatiedossier gevoegd. De blustoestellen mogen zich niet in de schietzone bevinden.

 

§ 2.

Het is verboden brandbare of ontplofbare stoffen in de schietruimte op te slaan.

 

§ 3.

Leidingen met brandbare gassen of ontvlambare vloeistoffen zijn verboden in het schietlokaal of in de muren, de zoldering en de vloer ervan.

 

§ 4.

Elke schutter neemt niet meer patronen mee in de schietruimte dan de patronen die hij nodig heeft voor de schietbeurt.

 

§ 5.

De volgende voorwaarden zijn alleen van toepassing op schietstanden waar vuurwapens gebruikt worden:

het is verboden in de schietstand te roken;
het lokaal wordt niet verwarmd met toestellen die een vlam of gloeiend oppervlak vertonen;
de materialen die gebruikt worden om de vloeren en de wanden te bekleden, behoren minimaal tot de klasse C-s1, d2 van de Europese normering EN13501. De materialen die gebruikt worden om het plafond te bekleden, behoren minimaal tot de klasse C-s2, d0. Ter hoogte van de gedeelten van de schietstand die deel uitmaken van een evacuatieweg, worden om de vloeren en de wanden te bekleden, materialen gebruikt die minimaal behoren tot de klasse B-s1, d1. De materialen om het plafond te bekleden, behoren dan minimaal tot de klasse B-s1, d0.

 

De verplichtingen, vermeld het eerste lid, 3°, gelden vanaf 1 juli 2022.


Art. 5.32.7.1.3. Algemene bepalingen over het onderhoud van schietstanden

§ 1.

Voor schietstanden waar vuurwapens gebruikt worden, worden alle plaatsen waar zich stof met onverbrand kruit kan bevinden, regelmatig gereinigd. De onderhoudsfrequentie is afgestemd op het gebruik van de schietstand en de gebruikte munitie. Bij de reiniging van de schietstanden wordt ervoor gezorgd er zo weinig mogelijk stof verspreid wordt.

 

Het onderhoud van de schietruimte in een gesloten lokaal omvat minstens:

de hulzen na ieder gebruik van de stand verzamelen. De hulzen worden zo verzameld dat het kruit en de hulzen gescheiden blijven of gescheiden worden door toestellen die speciaal daar voor zijn uitgerust. De lege hulzen worden bewaard in een afsluitbaar recipiënt, dat ten minste één keer per jaar wordt gereinigd met water;
de vloer één keer per gebruiksdag van de schietstand stofzuigen of nat reinigen in:
  a) de ruimte achter de schietplaatsen;
  b) de zone binnen vijf meter voor de schietplaatsen;
de volledige vloer van de schietstand na iedere vijftig gebruiksuren stofzuigen of nat reinigen;
één keer per jaar of na duizend gebruiksuren de wanden nat reinigen of stofzuigen;
één keer per jaar alle andere plaatsen reinigen waar stof zich kan ophopen;
minstens één keer per jaar de filters van de ventilatie reinigen volgens de richtlijnen van de fabrikant;
defecte verlichtingselementen onmiddellijk vervangen.

 

Als er gebruik gemaakt wordt van een stofzuiger, is het een explosie beveiligde uitvoering. Het toestel is goedgekeurd voor gebruik in ATEX zone 22 volgens de ATEX 94/9/EC norm. De stofzuiger wordt leeggemaakt in een goed geventileerde omgeving en zonder perslucht te gebruiken. De leverancier voert minstens één keer per jaar een onderhoud uit van de explosie beveiligde stofzuiger.

 

§ 2.

Het onderhoud van de kogelvanger is afgestemd op het soort kogelvanger en het onderhoudsinterval dat de fabrikant voorschrijft. Als er geen specifieke voorschriften beschikbaar zijn, is het volgende onderhoudsschema van toepassing:

iedere tienduizend patronen per schietbaan of ten minste één keer per maand klein onderhoud. Dat onderhoud omvat minstens:
  a) een visuele inspectie;
  b) het herstel van loszittende onderdelen;
  c) de verwijdering van resten van projectielen;
iedere dertigduizend patronen per schietbaan of ten minste één keer per jaar:
  a) een uitgebreide visuele inspectie van de integriteit van de kogelvang en de constructie;
  b) het herstel of de vervanging van loszittende onderdelen;
  c) het herstel of de vervanging van alle onderdelen die schade hebben opgelopen;
  d) de verwijdering van de resten van de projectielen;
  e) als er een kogelvang met stalen lamellen gebruikt wordt, de neuzen daarvan opslijpen in geval van beschadiging;
  f) als er een talud uit zand gebruikt wordt: de projectielresten daaruit verwijderen.

 

§ 3.

De datum en de aard van de onderhouds- en reinigingswerkzaamheden worden genoteerd in een register dat deel uitmaakt van het exploitatiedossier, dat de exploitant bijhoudt en ter inzage houdt voor de toezichthouder.


Art. 5.32.7.1.4. Algemene bepalingen over veiligheid

§ 1.

Op de buitenkant van alle toegangsdeuren tot de schietstand wordt het volgende bericht aangebracht in duidelijk leesbare letters: "OPGELET SCHIETSTAND - VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN".

 

§ 2.

Boven elke toegangsdeur tot het schietlokaal die van buitenaf geopend kan worden, bevindt zich aan de buitenkant van het lokaal een rood lichtsignaal dat oplicht als de schietstand in gebruik is.

 

§ 3.

Het is verboden wapens te laden of geladen wapens bij zich te hebben in de lokalen of op de terreinen van de inrichting, buiten de eigenlijke schietstand, behalve voor de personen die bevoegd zijn een geladen wapen te dragen.

 

§ 4.

De standplaatsen van de schutters zijn zo bepaald dat de uitgeworpen hulzen naburige schutters niet kunnen hinderen.

 

§ 5.

Als de schietstand door meer dan één schutter tegelijk gebruikt wordt, mag er uitsluitend geladen, eventueel ontladen en op doel geschoten worden vanaf de plaatsen die daarvoor bepaald zijn. Die voorwaarde geldt niet voor de dynamische disciplines, vermeld in artikel 5.32.7.1.13.

 

§ 6.

Het aantal toegelaten personen op de schietstand is beperkt tot de schutters, al dan niet in opleiding, de schietmonitoren of de personen die nodig zijn om de arbitrage en het toezicht uit te oefenen, en eventueel het publiek.

 

Het maximum aantal aanwezige personen wordt bepaald in overleg met de bevoegde brandweerdienst. In elk geval neemt het publiek minimaal twee meter achter de standplaats van de schutter plaats, waarbij een bezetting van maximaal twee personen per vierkante meter wordt gerespecteerd. Er is altijd ten minste een tweede persoon aanwezig gedurende de schietoefeningen.

 

§ 7.

Bij het betreden van de schietzone treedt automatisch een alarmsignaal in werking, dat bestaat uit een visueel en een akoestisch signaal.

 

§ 8.

De schietstand is uitgerust met ten minste één gemakkelijk te bereiken telefoontoestel waarmee de hulpdiensten kunnen worden verwittigd.


Art. 5.32.7.1.5. Algemene bepalingen over afval

Dit artikel is alleen van toepassing op schietstanden waar vuurwapens worden gebruikt.

 

Het verzamelde stof met onverbrand kruit wordt vochtig gehouden in afwachting van de afvoer ervan. Het verzamelde stof en de vervuilde filters, zowel van de afzuiging als van de stofzuiger, zijn aangeduid als gevaarlijk afval en worden afgevoerd overeenkomstig de reglementering die van toepassing is.

 

De lege hulzen en het kogelafval worden afgegeven voor recyclage of afgevoerd en verwijderd.


Art. 5.32.7.1.6. Verplichting om een exploitatiedossier bij te houden

Dit artikel is alleen van toepassing op schietstanden waar vuurwapens worden gebruikt.

 

De exploitant moet een exploitatiedossier bijhouden. Het exploitatiedossier mag digitaal worden bijgehouden en is altijd en op eenvoudig verzoek van de toezichthouder ter beschikking. Het exploitatiedossier omvat:

het uitvoeringsplan op een schaal van minimaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsook de aard en de plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrische schakelbord;
het attest van het bevoegde brandweerkorps over de aard en het aantal blustoestellen en de plaats ervan, alsook over het aantal toegelaten personen in de schietruimte;
de attesten over de brandweerstand, de brandreactie en het brandgedrag van de gebruikte bouwmaterialen;
de naam van de persoon die verantwoordelijk is voor de veiligheid;
de attesten over de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;
de attesten over het jaarlijkse onderhoud van de explosie beveiligde stofzuiger;
een werkregister met de lijst van de aard en de datum van de uitgevoerde nazichts- en onderhoudsbeurten en herstellingswerken.

 


Art. 5.32.7.1.7. Algemene bepalingen over signalisaties

Iedere uitgang of nooduitgang wordt aangegeven met reglementaire pictogrammen. Die pictogrammen worden verlicht door de normale verlichting en de veiligheidsverlichting. Aanvullend worden op een hoogte van maximaal 0,40 meter boven de vloer pictogrammen of andere signalisaties aangebracht die de richting van de dichtstbijzijnde nooduitgang aangeven. Die pictogrammen worden verlicht door de normale verlichting en de veiligheidsverlichting of bestaan uit nalichtende (fotoluminescerende) materialen.

 

Aanduidingen die een rookverbod opleggen, worden op goed zichtbare plaatsen aangebracht.


Art. 5.32.7.1.8. Algemene bepalingen over de gebruikte wapens en munitie

De wapens zijn altijd goed onderhouden.

 

Behalve in schietstanden, ingedeeld in categorie E, is het gebruik van hagelpatronen verboden.

 

Het is verboden om munitie met zwart kruit, spoortrekkende munitie, indringende munitie, brandstichtende munitie, ontploffende munitie, opensplijtende munitie, kwikhoudende munitie en munitie met een hardstalen kern te gebruiken, alsook andere munitie als vermeld in de Wapenwet van 8 juni 2006 .

 

Het gebruik van voorlaadwapens is verboden.

 


Art. 5.32.7.1.9. Algemene bepalingen over geluid en trillingen

Dit artikel is alleen van toepassing op schietstanden waar vuurwapens worden gebruikt.

 

Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 4.5 geldt met betrekking tot geluid en trillingen ook dit artikel.

 

Het specifieke geluid Lsp, vermeld in hoofdstuk 4.5, wordt als volgt gedefinieerd en gemeten:

Lsp is de som van het niveau van het eigenlijke relevante schietgeluid (Lrel) en het beoordelingsgetal 12 voor het impulskarakter van schietgeluid;
Lrel wordt berekend volgens de volgende formule: Lrev= 10 log10 ((10Aeq,1s/10 x n)/3600)
waarbij:
n: het totale aantal schoten per uur.
De richtgetallen voor n zijn:
a) pistool/revolver: (maximaal aantal schutters) × 150
b) lange wapens: (maximaal aantal schutters) x 45

 

Het specifiek geluid Lsp wordt getoetst aan de richtwaarden voor specifiek geluid in openlucht en niet aan de richtwaarden voor fluctuerend, incidenteel, impulsachtig en intermitterend geluid in openlucht.


Art. 5.32.7.1.10. Algemene bepalingen over verluchting en luchtverontreiniging

Dit artikel is alleen van toepassing op schietstanden waar vuurwapens worden gebruikt.

 

De schietruimte beschikt over een onafhankelijk ventilatiecircuit, gescheiden van de rest van het gebouw. De schietruimte wordt onder een lichte overdruk gehouden.

 

De schietstand is voorzien van een mechanische verluchting, zodat de schadelijke stoffen die bij het schieten in de lucht vrijkomen op een doeltreffende wijze worden verwijderd. Het ventilatiesysteem is zo ontworpen dat verse lucht wordt aangevoerd achter de schutters en ter hoogte van de kogelvanger wordt weggezogen. De capaciteit is zo dat een luchtsnelheid van minimaal 0,2 m/s bij statisch schieten en kleischijfschieten en minstens 0,4 m/s bij dynamisch schieten in de schietrichting wordt verkregen bij een laminaire luchtstroming op alle plaatsen in de schietruimte. De luchttoevoer is uitgerust met een noodstop in geval van brand.

 

Het ventilatiesysteem mag pas uitgeschakeld worden tien minuten nadat de schietactiviteiten beëindigd zijn.

 

De verspreiding van loodhoudend stof in de omgeving wordt voorkomen door een doeltreffende en brandveilige filterinstallatie op de uitlaat van het ventilatiesysteem te plaatsen.

 

De uitlaat wordt zo geplaatst dat de afgassen zich gemakkelijk en voldoende kunnen verspreiden.


Art. 5.32.7.1.11. Algemene bepalingen over de uitrusting van het gebouw

§ 1.

Dit artikel is alleen van toepassing op schietstanden waar vuurwapens worden gebruikt.

 

§ 2.

De verlichtingstoestellen en de elektriciteitsleidingen binnen de schietzone worden beschermd tegen de inslag van projectielen.

 

§ 3.

De schietstand is uitgerust met een veiligheidsverlichting die automatisch in werking treedt bij als de hoofdverlichting uitvalt.

 

§ 4.

Met behoud van de toepassing van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties worden de elektrische installaties van de schietinrichting regelmatig gecontroleerd door een bevoegde deskundige. De exploitant houdt de keuringsattesten bij in het exploitatiedossier.

 

§ 5.

Oneffenheden en uitstekende delen van constructies in de schietstand zoals balken, palen, transportmechanismen van de schietschijven en aandrijfmechanismen van silhouetten, worden zo veel mogelijk vermeden. Als ze constructief nodig zijn, worden ze op een van de volgende wijzen aangebracht:

bekleed met materiaal waar de projectielen kunnen indringen en waardoor ze weerhouden worden;
afgeschermd door staalplaten die zo aangebracht zijn dat de projectielen op een veilige wijze afketsen naar verder gelegen delen in de schietzone.

 

Het eerste lid is alleen van toepassing op uitstekende delen die de projectielen zouden kunnen terugkaatsen.

 

§ 6.

Tussen de standplaats van de schutter en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen. Die openingen zijn zo afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten. De nooduitgangen en vluchtluiken draaien naar buiten open en kunnen niet van buitenaf geopend worden.

 

§ 7.

De toegangsdeuren bevinden zich achter de standplaatsen van de schutters en draaien open in de vluchtrichting.

 

§ 8.

De plaats, de verdeling en de breedte van de uitgangen laten een snelle en gemakkelijke ontruiming van het lokaal toe.

 

§ 9.

Boven op de gewapende betonlaag die per categorie wordt bepaald, is de vloer afgewerkt met een laag in zacht materiaal. Deze opbouw verhindert dat, als de vloer wordt aangeschoten, een projectiel terugkaatst in de richting van de schutter. De vloer heeft een effen oppervlakte zodat die gemakkelijk te reinigen is. In een schietstand van categorie A1, A2 , B, C en E is de vloer opgebouwd op één van de volgende manieren:

een sportvloer met een onderlaag met een dikte van minimaal 35 mm die, als de vloer wordt aangeschoten, verhindert dat het projectiel terugkaatst in de richting van de schutter. De onderlaag wordt afgewerkt met een egaliserende toplaag. De toplaag bestaat uit brandvertragend materiaal waaruit bij brand geen giftige stoffen vrijkomen;
een zandcementbedlaag (ondervloer) met een dikte van minimaal 50 mm. Om een effen en gemakkelijk reinigbare vloer te verkrijgen, wordt de zandcementbedlaag gepolijst;
een gelijmde plankenvloer met de nerfrichting van het hout in de schietrichting;
een type vloer dat door of namens een bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie geschikt is verklaard om de functies, vermeld in deze paragraaf, te vervullen. Een attest waaruit deze geschiktheid blijkt wordt gevoegd bij de vergunningsaanvraag;
een ander type vloer wordt vooraf ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. De aanvrager toont aan dat de vloer voldoet om de functies, vermeld in deze paragraaf, te vervullen.

 


Art. 5.32.7.1.12. Algemene bepalingen over de kogelvanger

De kogelvanger vervult gelijktijdig de volgende functies:

de rechtstreeks aanschietbare wand beschermen tegen de impact;
voorkomen dat de projectielen in de schietstand terugkaatsen;
de productie van loodhoudend stof bij de impact zo klein mogelijk houden.

 


Art. 5.32.7.1.13. Schietstanden voor dynamische schietactiviteiten

Dit artikel is niet van toepassing voor de schietstanden van categorie E of de activiteiten paintball en airsoft.

 

Dynamisch schieten wordt alleen beoefend in gesloten schietstanden.

 

De volgende vereisten zijn bijkomend van toepassing op schietstanden voor dynamische schietactiviteiten. De vereisten, vermeld in punt 1° tot en met 3°, zijn alleen van toepassing op schietstanden die behoren tot categorie A1, A2, B en C:

de wanden en het plafond van de schietstand zijn vanaf de startlijn waar de dynamische disciplines plaatsvinden tot tien meter voor de kogelvanger bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en waardoor ze weerhouden worden;
aansluitend met de bekleding en tot aan de kogelvanger zijn de wand en het plafond uitgerust met een kogelvanger of bekleed met een materiaal dat de functies vervult van een kogelvanger als vermeld in artikel 5.32.7.1.12;
metalen kogelvangers zijn voorzien van een antiricochetgordijn dat voorkomt dat projectielresten terugkaatsen;
na ieder gebruik van de schietstand met vuurwapens wordt de volledige vloer van de schietstand gereinigd als vermeld in artikel 5.32.7.1.3, §2.

 


Subafdeling 5.32.7.2.
Schietstanden van categorie A1


Art. 5.32.7.2.1. Bouw

De schietzone is ten minste 25 meter lang.

 

De schietstanden zijn ondergebracht in een lokaal dat uitsluitend daarvoor bestemd is, en dat gebouwd is volgens een code van goede praktijk. De wanden, de vloer en de zoldering bestaan uit gewapend beton van minstens 19 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid.

 

De aanschietbare wand in de normale schietrichting is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger als vermeld in artikel 5.32.7.2.2.

 

Alle overige aanschietbare wanden, inclusief het plafond, zijn vanaf de schutterspositie en over een lengte van ten minste 25 meter bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en waardoor ze weerhouden worden.


Art. 5.32.7.2.2. Kogelvanger

De kogelvanger neemt een van de volgende vormen aan:

een zandlichaam waarvan het talud gevormd is door een laag zand met een dikte bovenaan van ten minste 2,5 meter;
een staalplaat met een Brinell hardheid van ten minste 320 Hb uit één laag met een dikte van ten minste 20 mm, geplaatst onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70°, met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 10 mm. Om de projectielen op te vangen, is op de bodem een lade uit staalplaat met een dikte van ten minste 10 mm geplaatst;
lamellen van staalplaat met een Brinell hardheid van ten minste 320 Hb uit één laag met een dikte van ten minste 20 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting van staalplaat met een dikte van ten minste 10 mm;
een combinatie van het type, vermeld in punt 1° en 2° of het type, vermeld in punt 1° en 3°. Bij een combinatie mag de dikte van het zandlichaam nooit minder dan 50% zijn van de waarde, vermeld in punt 1°. De staalplaten, vermeld in punt 2° en 3°, mogen in dat geval uitgevoerd conform artikel 5.32.7.3.2, 2° en 3°;
een natuurrubber granulaat kogelvanger die bestaat uit een metalen draagstructuur met daarop horizontaal gemeten minimaal 1 meter rubbergranulaat. De metalen draagstructuur is voorzien van een staalplaat met een Brinell hardheid van 500 Hb met een dikte van 8 mm;
een synthetische granulaat kogelvanger die bestaat uit een metalen draagstructuur met daarop horizontaal gemeten minimaal 2,5 meter synthetisch granulaat. De metalen draagstructuur is voorzien van een staalplaat met een Brinell hardheid van 500 Hb met een dikte van 8 mm;
een type kogelvanger dat door of namens een bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie geschikt is verklaard om de functies, vermeld in artikel 5.32.7.1.12, te vervullen. Een attest waaruit die geschiktheid blijkt, wordt bij de vergunningsaanvraag gevoegd;
een ander type kogelvanger dat vooraf ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. De aanvrager toont aan dat de kogelvanger voldoet om de functies, vermeld in 5.32.7.1.12, te vervullen.

 


Subafdeling 5.32.7.3.
Schietstanden van categorie A2


Art. 5.32.7.3.1. Bouw

De schietstanden zijn ondergebracht in een lokaal dat uitsluitend daarvoor bestemd is, en dat gebouwd is volgens een code van goede praktijk. De wanden, de vloer en de zoldering bestaan uit gewapend beton van minstens 19 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid.

 

De aanschietbare wand in de normale schietrichting is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger als vermeld in artikel 5.32.7.3.2.

 

Alle overige aanschietbare wanden, inclusief het plafond, zijn vanaf de schutterspositie en over een lengte van ten minste 10 meter bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en waardoor ze weerhouden worden.


Art. 5.32.7.3.2. Kogelvanger

De kogelvanger neemt een van de volgende vormen aan:

een zandlichaam waarvan het talud gevormd is door een laag zand met een dikte bovenaan van ten minste 1 meter;
een staalplaat met een Brinell hardheid van ten minste 320 Hb uit één laag met een dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70°, met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm. Om de projectielen op te vangen, is op de bodem een lade uit staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm geplaatst;
lamellen van staalplaat met een Brinell hardheid van ten minste 320 Hb uit één laag met een dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting van staalplaat met een dikte van ten minste 8 mm;
een combinatie van het type, vermeld in punt 1° en 2° of het type, vermeld in punt 1° en 3°. Bij een combinatie mag de dikte van het zandlichaam nooit minder dan 50% zijn van de waarde, vermeld in punt 1°. De staalplaten, vermeld in punt 2° en 3°, mogen in dat geval uitgevoerd worden conform artikel 5.32.7.4.2, 2° en 3°;
een natuurrubber granulaat kogelvanger die bestaat uit een metalen draagstructuur met daarop horizontaal gemeten minimaal 1 meter natuurrubber granulaat De metalen draagstructuur is bij voorkeur voorzien van impactplaten met een Brinell van hardheid 500 Hb met een dikte van 8 mm;
een synthetische granulaat kogelvanger die bestaat uit een metalen draagstructuur met daarop horizontaal gemeten minimaal 2,5 meter synthetisch granulaat. De metalen draagstructuur is bij voorkeur voorzien van impactplaten met een Brinell hardheid van 500 Hb met een dikte van 8 mm;
een type kogelvanger dat door of namens een bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie geschikt is verklaard om de functies, vermeld in artikel 5.32.7.1.12, te vervullen. Een attest waaruit die geschiktheid blijkt, wordt bij de vergunningsaanvraag gevoegd;
een ander type kogelvanger dat vooraf ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 


Subafdeling 5.32.7.4.
Schietstanden van categorie B


Art. 5.32.7.4.1. Bouw

De schietstanden zijn ondergebracht in een lokaal dat uitsluitend daarvoor bestemd is, en dat gebouwd is volgens een code van goede praktijk. De wanden, de vloer en de zoldering bestaan uit gewapend beton van minstens 19 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid.

 

De aanschietbare wand in de normale schietrichting is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger als vermeld in artikel 5.32.7.4.2.

 

Alle overige aanschietbare wanden, inclusief het plafond, zijn vanaf de schutterspositie en over een lengte van ten minste 10 meter bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en waardoor ze weerhouden worden.


Art. 5.32.7.4.2. Kogelvanger

De kogelvanger neemt een van de volgende vormen aan:

een zandlichaam waarvan het talud gevormd is door een laag zand met een dikte bovenaan van ten minste 0,5 meter;
een staalplaat uit één laag met een dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70°, met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm. Om de projectielen op te vangen, is op de bodem een lade uit staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm geplaatst;
lamellen van staalplaat uit één laag met een dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting van staalplaat met een dikte van ten minste 8 mm;
een combinatie van het type, vermeld in punt 1° en 2° of het type, vermeld in punt 1° en 3°. Bij een combinatie mag de dikte van het zandlichaam nooit minder dan 50% zijn van de waarde, vermeld in punt 1°. De staalplaten, vermeld in punt 2° en 3°, mogen in dat geval uitgevoerd worden conform artikel 5.32.7.5.2, 2° en 3°;
een natuurrubber granulaat kogelvanger die bestaat uit een metalen draagstructuur met daarop horizontaal gemeten minimaal 1 meter rubbergranulaat. De metalen draagstructuur is bij voorkeur voorzien van impactplaten met een Brinell hardheid van 500 Hb met een dikte van 8 mm;
een synthetische granulaat kogelvanger die bestaat uit een metalen draagstructuur met daarop horizontaal gemeten minimaal 2,5 meter synthetisch granulaat. De metalen draagstructuur is bij voorkeur voorzien van impactplaten met een Brinell hardheid van 500 Hb met een dikte van 8 mm;
een kogelvanger die bestaat uit met granulaat gevulde bakken met een kunststof voorzetplaat van minimaal 50 mm die geschikt is voor de munitie en kalibers die in de schietstand toegelaten zijn. Minimaal is er over een dikte van 20 cm granulaat aanwezig. De bak is altijd tot op 2 cm van de rand opgevuld met granulaat;
een type kogelvanger dat door of namens een bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie geschikt is verklaard om de functies, vermeld in artikel 5.32.7.1.12, te vervullen. Een attest waaruit die geschiktheid blijkt, wordt bij de vergunningsaanvraag gevoegd;
een ander type kogelvanger dat vooraf ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 


Subafdeling 5.32.7.5.
Schietstanden van categorie C


Art. 5.32.7.5.1. Bouw

De schietstand is ondergebracht in een lokaal dat uitsluitend daarvoor bestemd is. De wanden, de vloer en de zoldering bestaan uit gewapend beton van minstens 10 cm dik, uit vol metselwerk van minstens 14 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid.

 

De aanschietbare wand in de normale schietrichting is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger als vermeld in artikel 5.32.7.5.2.

 

Alle overige aanschietbare wanden, inclusief het plafond, zijn vanaf de schutterspositie en over een lengte van ten minste 10 meter bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en waardoor ze weerhouden worden.


Art. 5.32.7.5.2. Kogelvanger

De kogelvanger neemt een van de volgende vormen aan:

een zandlichaam waarvan het talud gevormd is door een laag zand met een dikte bovenaan van ten minste 0,5 meter;
een staalplaat uit één laag met een dikte van ten minste 5 mm, geplaatst onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70°, met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm. Om de projectielen op te vangen, is op de bodem een lade uit staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm geplaatst;
lamellen van staalplaat uit één laag met een dikte van ten minste 5 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting van staalplaat met een dikte van ten minste 3 mm;
een natuurrubber granulaat kogelvanger die bestaat uit een metalen draagstructuur met daarop horizontaal gemeten minimaal 1 meter rubbergranulaat De metalen draagstructuur is bij voorkeur voorzien van impactplaten met een Brinell hardheid van 500 Hb met een dikte van 8 mm;
een synthetische granulaat kogelvanger die bestaat uit een metalen draagstructuur met daarop horizontaal gemeten minimaal 2,5 meter synthetisch granulaat. De metalen draagstructuur is bij voorkeur voorzien van impactplaten met een Brinell hardheid van 500 Hb met een dikte van 8 mm;
een kogelvanger die bestaat uit met granulaat gevulde bakken met een kunststof voorzetplaat van minimaal 50 mm die geschikt is voor de munitie en kalibers, die in de schietstand toegelaten zijn. Minimaal is er over een dikte van 20 cm granulaat aanwezig. De bak is altijd tot op 2 cm van de rand opgevuld met granulaat;
een type kogelvanger dat door of namens een bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie geschikt is verklaard om de functies, vermeld in artikel 5.32.7.1.12, te vervullen. Een attest waaruit die geschiktheid blijkt, wordt bij de vergunningsaanvraag gevoegd;
een ander type kogelvanger dat vooraf ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 


Subafdeling 5.32.7.6.
Schietstanden van categorie D


Art. 5.32.7.6.1. Bouw.

De schietstand is ondergebracht in een lokaal waarvan de wanden, de vloer en de zoldering voldoende projectielbestendig zijn.

 

De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende projectielvanger.


Subafdeling 5.32.7.7.
Schietstanden van categorie E


Art. 5.32.7.7.1. Algemeen

Er worden alleen hagelwapens met een maximum kaliber van 12 gebruikt in de schietstand.

 

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn alleen loodhagelpatronen met een maximale hageldiameter van 3 mm toegelaten.


Art. 5.32.7.7.2. Bouw en kogelopvang

De schietstand is ondergebracht in een hal met een minimale hoogte van 4 meter. De wanden, de vloer en het plafond bestaan uit solide materialen, zoals beton, vol metselwerk, staalbouw, bekleed met solide panelen of gelijkwaardige materialen.

 

In de volledige schietstand wordt er binnenbekleding aangebracht, waardoor de hagelprojectielen nooit in contact kunnen komen met de buitenwand. De binnenbekleding vangt de hagel altijd op.


Afdeling 5.32.7bis.
Schietstanden in openlucht


Subafdeling 5.32.7bis.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.32.7bis.1.0.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 32.7 van de indelingslijst, die in openlucht ondergebracht zijn .

 

§ 2.

Elke uitbating van een schietstand in openlucht is verboden in natuur- en bosgebieden die vermeld zijn in:

ontwerpgewestplannen, gewestplannen en andere ruimtelijke uitvoeringsplannen;
het Bosdecreet van 13 juli 1990;
het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

 

Voor de activiteiten paintball en airsoft is het verbod, vermeld in het eerste lid, niet van toepassing als de exploitant beschikt over een machtiging, verleend door het Agentschap voor Natuur en Bos, om een risicovolle activiteit in natuur- of bosgebied te organiseren. De exploitant beschikt ook over een toestemming van de beheerder van het natuur- of bosgebied.


Art. 5.32.7bis.1.1. Het schietterrein

§ 1.

Tijdens het schieten wordt een onveilige zone in elke schietrichting in acht genomen. De onveilige zone wordt voor een worst-casescenario bepaald, rekening houdend met alle gebruikte wapens, de munitie en de inrichting van de schietstand.

 

§ 2.

Tijdens het schieten wordt ervoor gezorgd dat niemand de onveilige zone onaangekondigd betreedt.

 

§ 3.

Rondom de onveilige zone worden waarschuwingsborden geplaatst met het opschrift: “SCHIETTERREIN, het terrein achter dit bord is levensgevaarlijk wegens schietoefeningen”.

 

Voor de activiteiten paintball en airsoft wordt in het opschrift, vermeld in het eerste lid, “levensgevaarlijk” vervangen door “gevaarlijk” en “schietoefeningen” in “paintball” of “airsoft”. De waarschuwingsborden worden geplaatst op alle wegen en paden die toegang geven tot de onveilige zone.

 

§ 4.

Op de hoeken van het schietveld wordt een goed zichtbare rode vlag geplaatst.

 

§ 5.

Er wordt uitsluitend op het doel geschoten vanaf de standplaatsen van de schutters binnen het schietveld. Het schietveld wordt aangegeven met richtingspalen. Die voorwaarde is niet van toepassing bij de activiteiten paintball en airsoft.

 

§ 6.

De uiterste standplaatsen voor de schutters zijn vastgelegd met een piket of gelijkwaardig, en zijn blijvend aangegeven. Die voorwaarde is niet van toepassing bij de activiteiten paintball en airsoft.


Art. 5.32.7bis.1.2. Inrichting van de schietstand

De toeschouwers en de schutters die niet aan de beurt zijn, bevinden zich achter een materiële hindernis, die minstens 5 meter achter de schietplaats ligt. Die voorwaarde is niet van toepassing bij de activiteiten paintball en airsoft.


Art. 5.32.7bis.1.3. De wapens en munitie

De wapens zijn altijd goed onderhouden.

 

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt alleen gebruik gemaakt van stalen munitie en is het verboden loodpatronen voorhanden te hebben tijdens het schieten.

 

Het is verboden om munitie met zwart kruit, spoortrekkende munitie, indringende munitie, brandstichtende munitie, ontploffende munitie, opensplijtende munitie, kwikhoudende munitie en munitie met een hardstalen kern te gebruiken, alsook andere munitie als vermeld in de Wapenwet van 8 juni 2006.

 

Het gebruik van voorlaadwapens is verboden.

 

Als de schutter niet op de schietplaats is, bevindt zijn wapen zich op een veilige plaats.

 

Voor de schieting legt de schutter zijn patronen ter controle voor aan de hoofdscheidsrechter of de verantwoordelijke persoon.

 

Paragraaf 2 en paragraaf 3, alleen voor zwart kruit, zijn niet van toepassing op wapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde als vermeld in het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt.


Art. 5.32.7bis.1.4. Het personeel

Het toezicht wordt uitgeoefend door de verantwoordelijke persoon, bijgestaan door een of meer medewerkers en door de wedstrijdleiding. De verantwoordelijke persoon en zijn medewerkers staan in voor het veilige verloop van de schieting en nemen alle beslissingen die daarvoor nodig zijn.

 

De verantwoordelijke persoon, zijn medewerkers en de wedstrijdleiding dragen duidelijk zichtbare kentekens.

 

De minimumleeftijd van de verantwoordelijke persoon, zijn medewerkers en de operatoren is 18 jaar.


Art. 5.32.7bis.1.5. De schieting

§ 1.

Dit artikel is niet van toepassing op de activiteiten paintball en airsoft.

 

§ 2.

Op de schietplaats vertoeven geen andere personen dan de schutters die aan de beurt zijn en eventueel de scheidsrechters, de juryleden, de initiator of instructeur en de werpleider.

 

De wapens worden alleen geladen op de schietplaats.

 

De schutters mogen de schietplaats alleen verlaten met een ongeladen wapen. De schutter houdt zijn wapen altijd in de richting van het schietveld, tenzij het geopend is.

 

Als een geladen geweer defect is, meldt de schutter dat onmiddellijk aan de scheidsrechter.

 

§ 3.

De schieting mag pas beginnen na de expliciete toelating van de verantwoordelijke persoon, die vooraf gecontroleerd heeft of de veiligheid verzekerd is. De verantwoordelijke persoon of zijn medewerkers die hij daarvoor heeft aangewezen, houden verder permanent toezicht op het verloop van de schieting.

 

De schieting wordt onmiddellijk stilgelegd als de verantwoordelijke persoon de rode vlag opsteekt of een geluidssignaal laat horen.

 

§ 4.

Telkens als het nodig is dat het schietveld betreden wordt, ontladen de schutters hun wapen.

 

De schutters mogen elkaar op geen enkele manier hinderen.

 

Iedereen die zich op een onverantwoordelijke manier gedraagt, wordt van het schietterrein verwijderd.

 

 

 

 


Art. 5.32.7bis.1.6. Geluid

Behalve voor kleischieten en traditioneel buksschieten geldt voor het geluid en de trillingen artikel 5.32.7.1.9. Voor kleischieten gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.7bis.2.3. Bij buksschieten gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.7bis.3.5.


Art. 5.32.7bis.1.7. Verbods- en afstandsregels

Deze verbodsbepalingen, vermeld in het tweede lid, zijn niet van toepassing op tijdelijke inrichtingen.

 

Het is verboden een schietstand in openlucht te exploiteren waarvan de schietposten in de schietrichting op een afstand van 500 meter of minder liggen van een stilte-behoevende inrichting, een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, een natuurgebied met wetenschappelijke waarde, van een natuurreservaat, een parkgebied of een gebied voor verblijfsrecreatie.

 

De verbodsregels, vermeld in het tweede lid, zijn niet van toepassing op bestaande inrichtingen of gedeelten ervan, noch op het traditioneel buksschieten of het traditioneel klepschieten.

 

Binnen de onveilige zone, vermeld in artikel 5.32.7bis.1.1, §1, mogen in de schietrichting geen individuele woningen liggen.


Subafdeling 5.32.7bis.2.
Kleischieten

Deze subafdeling is bijkomend van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 32.7 van de indelingslijst, waar uitsluitend wordt gebruikgemaakt van hagelpatronen, en die zijn ondergebracht in openlucht.


Art. 5.32.7bis.2.1. Algemene bepalingen

Zodra de kleischijven of de brokstukken ervan ingevolge de weersomstandigheden buiten het schietveld kunnen terechtkomen, wordt de schieting onmiddellijk stilgelegd.

 

Het is verboden kleischijven te gebruiken of voorhanden te hebben die milieugevaarlijke stoffen bevatten in concentraties die de volgende waarde te boven gaan: de som van antraceen, benzo[a]antraceen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, chryseen, fenantreen, fluorantheen, indeno[1,2,3cd]pyreen, naftaleen en benzo[ghi]peryleen, mag niet meer bedragen dan 10 mg/kg.

 

 


Art. 5.32.7bis.2.2. De wapens en munitie

De gebruikte wapens zijn hagelwapens met een gladde loop met maximumkaliber 12. De schouderriem is verwijderd.

 

De patronen mogen niet langer zijn dan 70 mm, en de vulling ervan bedraagt ten hoogste 28 g. De diameter van de staalkorrels is ten hoogste 3 mm.

 

De verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op hagelwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde als vermeld in het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt.


Art. 5.32.7bis.2.3. Geluid

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de geluidsnormen, vermeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op kleischietstanden in openlucht. De schietactiviteiten zijn evenwel alleen toegelaten gedurende de periode van 10 uur tot 19 uur op zon- en feestdagen en van 10 uur tot 21 uur op de andere dagen.

 

De exploitant treft de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken en vermeldt die maatregelen in een register. Ook de controle en de wijze van controle op de maatregelen worden in het register vermeld. De exploitant houdt het register altijd ter beschikking van de toezichthouder. Naargelang de omstandigheden en de technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de huidige stand van de techniek wordt daarbij gebruikgemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties en toestellen, geluidsisolatie of -absorptie of -afscherming. Het maximale emissieniveau wordt per discipline en per categorie bepaald. Daarbij wordt rekening gehouden met de best beschikbare verantwoorde technieken. Dit maximale emissieniveau wordt ingeschreven in het register.

 


Subafdeling 5.32.7bis.3.
Traditioneel buksschieten


Art. 5.32.7bis.3.1. Het schietterrein en de inrichting van de schietstand.

Het schietterrein is volledig in eigendom van of in zijn geheel gehuurd door de exploitant van de schietstand. Het bewijs van de eventuele huurovereenkomst wordt ter inzage gehouden voor de toezichthouder.

 

De schietstand is uitgerust met een of meer schietbomen, elk voorzien van een kogelvanger, en een of meer aanlegpalen. Die worden oordeelkundig geschikt om de geluidsoverdracht naar de omliggende woningen te beperken en de veiligheid van de omwonenden te garanderen.

 

De horizontale afstand van de aanlegpaal tot de as van de overeenkomstige schietboom mag niet minder dan 8 meter en niet meer dan 10 meter bedragen.

 

Het hoogteverschil tussen de onderkant van de hark en het bodemoppervlak bedraagt minstens 14 meter.

 

De hark is uit hout vervaardigd. De hoogte en de breedte van de hark bedragen niet meer dan respectievelijk 2,5 meter en 1,5 meter.

 

Het hoogteverschil tussen de bovenkant van de aanlegpaal en het bodemoppervlak bedraagt minstens 2 meter.

 

De toeschouwers en de schutters die niet aan de beurt zijn, bevinden zich achter een materiële hindernis, die minstens 5 meter achter de schietplaats ligt.

 

De onveilige zone, vermeld in hoofdstuk C1. Veiligheid – reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS, wordt afgebakend met een materiële hindernis.


Art. 5.32.7bis.3.2. De wapens en de munitie

Als er geen schietactiviteiten plaatsvinden, worden de buksen opgeborgen buiten het bereik van onbevoegden.

 

Het ogief van de kogel mag niet puntig zijn. De lengte van het ogief mag niet groter zijn dan de halve diameter van de kogel.

 

Het kogelgewicht mag niet meer dan 45 gram bedragen.

 

De lading van de kogel wordt los gestort en voldoet chemisch aan het type “rookzwak”.

 

Er wordt alleen geschoten met buksen van kaliber 12 of kaliber 16, of met luchtbuksen van kaliber 4,5.

 

 


Art. 5.32.7bis.3.3. De schietactiviteit

Er wordt altijd zo geschoten dat alle kogels afgevangen worden door de kogelvanger.

 

Tijdens het schieten rust de buks altijd op de aanlegpaal. Ongeoefende schutters mogen alleen schieten met toepassing van een affuit. De buksmeester oordeelt of een schutter geoefend of ongeoefend is.

 

Voor de aanvang van de schietactiviteit controleert de exploitant de toestand en de werking van de kogelvangers d. Bij twijfel wordt er niet geschoten. Als de kogelvanger tijdens het schieten abnormaal reageert, wordt het schieten gestaakt.

 

De kogelvanger wordt altijd op zijn hoogste punt geplaatst voor de schietactiviteit begint.

 

Alleen de buksmeester of zijn helper mag de buks op de schietstand verplaatsen. De buks wordt altijd in ongeladen toestand verplaatst.

 

Aan de aanlegpalen bevinden zich alleen de schutters die aan de beurt zijn, de buksmeester of de helpers.

 

Tijdens de schietactiviteit bevinden er zich geen personen achter de schietboom.

 

De buksmeester, de helper en iedere schutter zijn verplicht er zorg voor te dragen dat het schieten met de buks en het laden ervan zo verloopt dat er geen gevaar voor de omgeving kan ontstaan. Er mag alleen geschoten, geladen en ontgrendeld worden als de buks op de aanlegpaal rust en als de loopmonding gericht is op de kogelvanger waarop geschoten wordt. Alleen het gebruik van de munitie van de vereniging is toegestaan. Die munitie wordt door de buksmeester klaargezet.

 

Een schutter mag geen alcoholische dranken nuttigen zolang hij aan de schietactiviteit deelneemt. Elke schutter ondertekent het aanwezige schietregister of aanwezigheidsregister voor hij begint te schieten.

 

Het is verboden te schieten door het vlak dat gevormd wordt door de as van de aanlegpaal en de as van de overeenstemmende schietboom.

 

Personen bij wie een overtreding van de voorwaarden in deze subafdeling wordt vastgesteld, worden gestraft met een definitieve uitsluiting van de schietingen.


Art. 5.32.7bis.3.4. De veiligheid

De maatregelen, vermeld in hoofdstuk C1. Veiligheid – reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS, zijn van toepassing.


Art. 5.32.7bis.3.5. Geluid

§ 1.

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de geluidsnormen, vermeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op het traditionele buksschieten.

 

§ 2.

De schietactiviteiten zijn alleen toegelaten van 10 uur tot 21 uur op werkdagen en zon- en feestdagen. Het aantal schietactiviteiten is beperkt tot maximaal één activiteit per week, met uitzondering van vijf weekends per jaar waarbij in het kader van schuttersfeesten of schietwedstrijden geoefend of geschoten wordt. De maximale duur van een activiteit is beperkt tot drie uur, met uitzondering van vijf weekends per jaar waarbij in het kader van schuttersfeesten of schietwedstrijden geoefend of geschoten wordt. Die weekends worden voor het begin van elk schietseizoen bekendgemaakt aan de toezichthouder en het gemeentebestuur.

 

§ 3.

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het aantal schoten per uur beperkt tot 120.

 

§ 4.

De exploitant treft de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht in de omgeving te beperken en vermeldt die in een register. Ook de controle en de wijze van controle op die maatregelen worden in het register vermeld. De exploitant houdt het register altijd ter beschikking van de toezichthouder.

 

Rekening houdend met de beste beschikbare technieken wordt bij de keuze van de maatregelen gebruikgemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme buksen en kogelvangers, geluidsisolatie, -absorptie of -afscherming.


Art. 5.32.7bis.3.6. Bodembescherming

De maatregelen, vermeld in hoofdstuk B1. Bodem – reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS, zijn van toepassing.


Afdeling 5.32.8.
Vaste baden, open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie


Subafdeling 5.32.8.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.32.8.1.1.

Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 32.8 van de indelingslijst, met uitzondering van de inrichtingen die verbonden zijn aan hotels of appartementsgebouwen die niet voor het publiek worden opengesteld. De voormelde inrichtingen die verbonden zijn aan hotels of appartementsgebouwen die niet voor het publiek worden opengesteld, moeten wel voldoen aan de bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op het waterbehandelingssysteem alsook op de kwaliteitsvereisten van het water en de opslag van chemicaliën.

 

Specifiek voor open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie zijn, wat deze subafdeling betreft, alleen artikel 5.32.8.1.1 tot en met 5.32.8.1.4, artikel 5.32.8.1.10, §1 en §4, en artikel 5.32.8.1.11, §4 en §5, van toepassing.


Art. 5.32.8.1.2. Brandvoorkoming en -bestrijding

Met behoud van toepassing van afdeling 4.1.12 van dit besluit beschikt de inrichting over een voldoende aantal geschikte, gebruiksklare en gemakkelijk te bereiken blustoestellen. De werking van die blustoestellen wordt ten minste jaarlijks gecontroleerd conform Titel 1 ‘algemene bepalingen betreffende de collectieve beschermingsmiddelen’ van boek IX ‘Collectieve Bescherming en individuele uitrusting’ en conform Titel 3 ‘Brandpreventie op de arbeidsplaatsen’ van boek III ‘Arbeidsplaatsen’ van de Codex over het welzijn op het werk van 28 april 2017 en in het bijzonder artikel 19 van titel I van Boek IX en artikel 22 van titel 3 van boek III. De attesten met de datum en de uitslag van die controle worden ter inzage gehouden voor de toezichthouder.

 

De bouw en inrichting van de gebouwen, alsook de aard, het aantal en de plaats van de blustoestellen worden, onafhankelijk van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of de akte van melding, bepaald in overleg met de bevoegde brandweer.

 

Alle personen kunnen geëvacueerd worden langs toegangs- en uitgangswegen naar een veilige plaats, zonder door cafés, drankzalen of andere lokalen die bij de instelling horen, of door aangrenzende eigendommen te gaan.

 

De gangen, de deuren en de trapgangen van de toegangs- en uitgangswegen, vermeld in het derde lid, zijn minstens twee meter hoog. Ze zijn dus hoog genoeg om een vlot verkeer toe te laten.

 

De breedte van de gangen, deuren en trapgangen, vermeld in het vierde lid, staat in verhouding tot het aantal personen dat maximaal in de lokalen aanwezig kan zijn. De gangen, deuren en trapgangen zijn minstens80 cm breed en zijn minstens gelijk in centimeters aan het aantal personen dat maximaal in de lokalen aanwezig kan zijn. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,25 voor de dalende trappen naar de uitgangen, en met 2 voor de stijgende trappen naar de uitgangen.

 

De personen die zich in de lokalen bevinden, kunnen alle uitgangen gebruiken.

 

Elke uitgang of nooduitgang is aangegeven met reglementaire pictogrammen. Die pictogrammen zijn vanuit alle hoeken van de lokalen goed zichtbaar. De pictogrammen worden verlicht met de normale verlichting en met noodverlichting.


Art. 5.32.8.1.3. Elektrische installatie ? verlichting

§ 1.

Bij de natuurlijke en kunstmatige verlichting wordt de weerspiegeling van het licht in het water tot een minimum beperkt. De verlichting is zo uitgevoerd dat de bodem van het bad vanuit elke invalshoek zichtbaar is.

 

§ 2.

De verlichtingsinstallatie is uitgerust met twee stroombronnen die onafhankelijk van elkaar zijn. Die bronnen leveren gelijktijdig stroom, tenzij een ervan automatisch stroom levert als de tweede uitvalt.

 

Een van de voormelde stroombronnen voedt de lampen van een verlichting die "algemene verlichting" wordt genoemd.

 

De andere bron voedt de lampen van een verlichting genoemd "noodverlichting".

 

§ 3.

De verlichtingsinstallatie wordt zo ingericht dat als een van de stroombronnen, vermeld in paragraaf 2, uitvalt, er op geen enkel ogenblik een zo grote duisternis kan zijn dat de toeschouwers, baders en het personeel erdoor gehinderd worden om naar buiten te gaan.

 

 


Art. 5.32.8.1.4. Meldingen aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid

De exploitant meldt de volgende informatie aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid:

de datum van de eerste ingebruikname;
de sluitingsperiode;
de heringebruikname van het bad of de zweminrichting;
alle bouwtechnische veranderingen, ook als die intern worden doorgevoerd.

 

De exploitant is ook verplicht om elke wijziging van de inrichting drie maanden vooraf ter goedkeuring voor te leggen aan en te bespreken met de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, met behoud van toepassing van de procedure, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 betreffende de omgevingsvergunning.

 


Art. 5.32.8.1.5.

De exploitant kan het zwembad volledig laten leeglopen in overleg met de beheerder van de ontvangende waterloop of de rioolwaterzuiveringsinstallatie.


Art. 5.32.8.1.6. Opslag van chemicaliën

§ 1.

Dit artikel geldt voor alle vaste baden waarbij chemicaliën worden gebruikt in de waterbehandeling. Voor hot whirlpools en dompelbaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt dit artikel vanaf 1 juli 2022.

 

§ 2.

Met behoud van toepassing van hoofdstuk 5.17 worden chemicaliën op de volgende wijze opgeslagen:

de flessen, toestellen en leidingen die chloor in zuivere of in geconcentreerde toestand bevatten, worden in een afzonderlijk lokaal geplaatst, dat op doeltreffende wijze aan de onder- en bovenkant verlucht wordt. De toegang tot dat lokaal is verboden voor onbevoegden;
alle flessen, toestellen en leidingen zijn volgens een code van goede praktijk vervaardigd uit materialen die inert zijn ten opzichte van het betrokken middel;
er wordt in de nodige beschermingsmiddelen voorzien conform de Codex over het welzijn op het werk en in het bijzonder conform boek IX ‘Collectieve bescherming en individuele uitrusting’;
de nodige voorzieningen worden getroffen om de buurt niet te hinderen door uitwasemingen;
producten die met elkaar kunnen reageren, worden geplaatst in volledig van elkaar gescheiden lokalen, die uitsluitend daarvoor bestemd zijn. Hun respectieve leidingen zijn voorzien van vulkoppelingen die niet met elkaar verenigbaar zijn;
de chemicaliën worden bewaard in gesloten vaten of houders, voorzien van de reglementaire etikettering. De voormelde vaten of houders bevinden zich in een waterdichte inkuiping met een capaciteit die minimaal 110 % bedraagt van het grootste vat of houder. De vaten waaruit chemicaliën worden gedoseerd, mogen niet meer product bevatten dan nodig voor een exploitatie van twee dagen;
de exploitant houdt een register bij met gegevens over het beheer van de chemicaliën, namelijk de benaming, de hoeveelheid, de leveringsdatum, de eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, de controles, de defecten, de herstellingen en de ongevallen;
de installaties worden ten minste één keer per dag door een bevoegde persoon nagekeken;
chemicaliën worden altijd geleverd onder toezicht van een bevoegde persoon die de conformiteit van de levering controleert. Bij overdekte zwembaden is de levering van de chemicaliën verboden tijdens de openingsuren voor de inrichtingen die, ten gevolge van een toegestane afwijking, de voorschriften, vermeld in artikel 5.32.8.1.7,6°, niet hebben gerealiseerd.
Daarenboven wordt een installatie die gasvormig chloor onder een druk van meer dan 105 Pa bevat, jaarlijks onderworpen aan een geslaagde waterdrukproef onder een druk gelijk aan anderhalf maal de dienstdruk. Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de ambtenaar die met het toezicht is belast. De dichtheid van deze apparatuur wordt steeds verzeker

Art. 5.32.8.1.7. Ventilatie en verwarming

Bij overdekte vaste baden worden voor de ventilatie en de verwarming de volgende maatregelen genomen:

in de zwemhal heerst er een relatieve luchtvochtigheid van maximaal gemiddeld 65%, gemeten over de hele ruimte;
de gemiddelde relatieve luchtvochtigheid wordt dagelijks manueel gemeten en in het register genoteerd;
de bezoekers worden niet gehinderd door tocht;
geen enkel afvoersysteem van lucht, damp of rook vormt hinder voor de buren;
in de zwemhal is er op een representatieve plaats een goed werkende thermometer en een hygrometer bevestigd;
de verse lucht wordt rechtstreeks van buiten aangezogen, op een plaats die ver genoeg verwijderd is van de opslagruimte voor chemicaliën en de afgevoerde lucht van het lokaal voor chlooropslag. Er wordt geen verse lucht aangezogen via een technische ruimte, tenzij door hermetisch gesloten leidingen.

 

Voor hot whirlpools en dompelbaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt dit artikel vanaf 1 oktober 2022.


Art. 5.32.8.1.8. Trichlooramines

§ 1.

Dit artikel is alleen van toepassing op overdekte vaste baden met uitzondering van de overdekte, natuurlijke zwembaden.

 

§ 2.

De richtwaarde voor het gehalte aan trichlooraminen in de lucht bedraagt 300 μg/m3 en de grenswaarde bedraagt 500 μg/m3.

 

Het gehalte aan trichlooraminen wordt door en op kosten van de exploitant gecontroleerd conform het LUC/VII/002 van het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van lucht , op gemotiveerd verzoek van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
Het tijdstip en de plaats van de meting zijn goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

 


Art. 5.32.8.1.9. Kwaliteitsvereisten voor het badwater

§ 1.

Het water van zwembaden, therapiebaden, hot whirlpools, plonsbaden en dompelbaden voldoet aan de volgende kwaliteitsvereisten in geval van chlorering:

parameter eenheid

overdekt

zwembad

openlucht-

zwembad

therapiebad hot whirlpool plonsbad (b) dompelbad
a)     chemische parameters
pH:

pH-

eenheid

           
- ondergrens   7,0 7,0 7,0 7,0 6,8 6,8
- bovengrens   7,6 7,6 7,6 7,6 8 8
vrij beschikbaar chloor (HCIO + CIO-):
- ondergrens mg/l 0,5 0,5 0,5 1 0,5 1
- bovengrens mg/l 1,5 3,0 1,5 3,0 3,0 2,0
gebonden chloor mg/l < 0,6

≤0,6/ ≤1,0

(a)

< 0,6 ≤0,6

< 0,6 / ≤1,0

(a)

<0,6
bicarbonaat mg/l > 60 richtwaarde
ureum mg/l < 2,0
chloriden mg/l

< 800

Die norm geldt niet het bij gebruik van zout houdend water (> 2000 mg

Cl/l) of bij het gebruik van zoutelektrolyse.

oxideerbaarheid
(KMnO4-verbruik

in verwarmde

oplossing en in

zuur milieu)

mg O2/l < 5
b) bacteriologische parameters

totaal aantal

kiemen bij 37°C

n/ml <100

coagulase

positieve

stafylokokken

n/100ml 0

pseudomonas

aeruginosa

n/100ml 0

Legionella

pneumophila (1

bepaling per jaar

gedurende de 2

eerste maanden

van het jaar)

n/liter  

niet

aantoonbaar

 
c) fysische parameters
temperatuur °C

< 32;

tenzij hiervoor een toelating door de

afdeling, bevoegd voor het toezicht op de

volsgezondheid, is verleend

 

< 38;

tenzij  hiervoor een

toelating door de afdeling,

bevoegd voor het toezicht

op de volksgezondheid,

is verleend

< 32;

tenzij  hiervoor een

toelating door de afdeling,

bevoegd voor het toezicht

op de volksgezondheid,

is verleend

< 20;

tenzij  hiervoor een

toelating door de afdeling,

bevoegd voor het toezicht

op de volksgezondheid,

is verleend

helderheid   doorzichtig tot op de bodem van het bad
zichtbare verontreiniging   afwezig
geur   afwezig
schuim   afwezig

volume circulerend

water per bader

(gemiddelde waarde

over de openingsuren

van één dag)

≥ 2

 

(a)

Bij openluchtzwembaden en plonsbaden waarvoor de eerste omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is verleend

vóór 1 oktober 2019 of waarvoor de eerste omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is aangevraagd

vóór 1 oktober 2019, als ze uiterlijk op 1 oktober 2020 in gebruik is genomen, geldt:

  1) tijdelijk tot en met 30 september2022 een emissiegrenswaarde voor gebonden chloor van ≤ 1,0 mg/l;
  2) vanaf 1 oktober 2022 een emissiegrenswaarde voor gebonden chloor van ≤ 0,6 mg/l.
(b) De voorwaarden voor plonsbaden zijn geldig tot en met 30 september 2022. Vanaf 1 oktober 2022 zijn er geen plonsbaden meer toegelaten.

 

§ 2.

Het water van natuurlijke zwembaden voldoet aan de volgende kwaliteitsvereisten:

parameter eenheid Grenswaarde (*)
a) chemische parameters:
pH (meting ter plaatse) Sörensen  
- ondergrens   6
- bovengrens   8,5
fosfor mg/l < 0,01 (*)
nitraat mg/l < 30 (*)
b) bacteriologische parameters:
Echerichia coli KVE/100ml <100
intestinale enterokokken KVE/100ml <50
Pseudomonas aeruginosa KVE/100ml <10
c) fysische parameters:
temperatuur °C < 23 (*)
helderheid  

doorzichtig tot op de

bodem van het bad

zichtbare verontreiniging   afwezig
geur   afwezig
schuim   afwezig
zuurstofverzadiging (meting ter plaatse) % 80-120

(*) Richtwaarde in het geval van fosofor, nitraat en temperatuur.

 

§ 3.

Voor de metingen van de kwaliteitsvereisten voor het badwater gelden de volgende voorwaarden:

door en op kosten van de exploitant wordt de helderheid, de temperatuur, de pH en, in geval van zwembaden, hot whirlpools, dompelbaden, plonsbaden en therapiebaden, eveneens het vrij beschikbaar chloor en de gebonden chloor ten minste drie keer per dag gecontroleerd, namelijk op de volgende tijdstippen:
  a) vóór de opening van de inrichting voor de bezoekers;
  b) twee keer tijdens het gebruik van het bad, evenredig gespreid over de openingsuren;
het badwater wordt op de volgende wijze bemonsterd en geanalyseerd:
  a) op kosten van de exploitant wordt het badwater bij overdekte zwembaden, overdekte natuurlijke zwembaden, hot whirlpools, dompelbaden en therapiebaden ten minste elke maand bemonsterd en geanalyseerd, en bij openluchtzwembaden, openlucht natuurlijke zwembaden en plonsbaden, twee keer per maand, , ;
  b) bij zwembaden, hot whirlpools, dompelbaden, plonsbaden en therapiebaden worden alle parameters, vermeld in paragraaf 1,onderzocht;
  c) bij natuurlijke zwembaden worden alle parameters, vermeld in paragraaf 2, onderzocht;
  d) de monstername van het badwater vindt onaangekondigd plaats tijdens de uren van de exploitatie.
De monstername wordt uitgevoerd in het badwater in het bad zelf en, tenzij hiervoor een toelating door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, is verleend, altijd ten minste twee uur na de opening van het zwembad op een plaats waar de kwaliteit het minst gunstig wordt geacht;
  e) de monstername en de analyse van de genomen monsters worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL;
  f) de analyseresultaten worden door het laboratorium rechtstreeks bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid;
de exploitant houdt een register bij dat de volgende gegevens omvat:
  a) de resultaten van de badwateranalyses, vermeld in punt 1° en 2°;
  b) als mechanische filters vereist zijn voor de waterbehandeling, de data waarop de filters worden gespoeld of het filtreermateriaal wordt vervangen;
  c) de dagelijkse bezetting van het bad;
  d) het maandelijkse waterverbruik;
  e) elke vaststelling over de technische controle bij de lediging van het zwembad;
  f) elke bijzonderheid, elk incident of ongeval;
  g) bij zwembaden, hot whirlpools, plonsbaden, dompelbaden en therapiebaden: elke vaststelling over de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen;
  Dit register, wordt ten minste vijf jaar door de exploitant bewaard en is altijd ter plaatse consulteerbaar door de toezichthouder;
elke overschrijding van de normen van de volgende parameters, waarvan de oorzaak niet binnen een halfuur gecorrigeerd is, vereist de onmiddellijke sluiting van het zwembad:
  a) de parameter doorzichtigheid, vermeld in paragraaf 2, bij natuurlijke zwembaden;
  b) de parameters pH, doorzichtigheid en vrij beschikbaar chloor, vermeld in paragraaf 1, bij zwembaden, hot whirlpools, plonsbaden, dompelbaden en therapiebaden;
de toezichthouder kan een volledige lediging van het bad eisen als de reinheid van het bad te wensen overlaat of als de kwaliteit van het water niet in overeenstemming is met de kwaliteitsvereisten, vermeld in paragraaf 1 en 2.

Bij de controle, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

de methode, vermeld in artikel 45 van het VLAREL, wordt toegepast;
de monstername of de meting wordt uitgevoerd volgens een methode, goedgekeurd door een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, dat erkend is voor de betreffende monstername of meting. De goedkeuring is maximaaldrie jaar geldig en wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk. De exploitant meldt aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, het laboratorium dat de goedkeuring van de methode verleend heeft. De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames of metingen ter inzage voor de toezichthouder.

 


Art. 5.32.8.1.10. Veiligheid

§ 1.

De exploitant neemt de nodige maatregelen om de veiligheid van de bezoekers te verzekeren.

 

§ 2.

Maximum aantal bezoekers in de zwemhal;

Bij overdekte zwembaden of overdekte natuurlijke zwembaden zal, weliswaar in functie van de evacuatiewegen, het maximum aantal aanwezige bezoekers in de zwemhal nooit hoger zijn dan de som van het maximum toegelaten aantal baders, vermeerderd met maximum 1 persoon per 2,4 m2 kadeoppervlakte.

 

Bij een wedstrijd mag afgeweken worden van het maximum aantal aanwezige bezoekers, vermeld in het eerste lid, op voorwaarde dat:

een vlotte evacuatie mogelijk blijft overeenkomstig de algemene bepalingen in verband met brandvoorkoming en –bestrijding, vermeld in artikel 5.32.8.1.2;
de nodige ruimte of locatie op de kade wordt voorzien voor reanimatiemogelijkheden en om een vlotte doorgang te verzekeren;
de nodige maatregelen worden genomen om de hygiëne en de veiligheid van het zwembad te waarborgen.

 

§ 3.

In het bad levert geen enkele aan- en afvoer van water, lucht of andere stoffen gevaar op voor de baders. Bij dompelbaden en hot whirlpools waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt dit artikel vanaf 1 oktober 2022.

 

Bij een natuurlijk zwembad wordt de ecologische filter voldoende afgeschermd voor de bezoekers.

 

§ 4.

Elk ernstig ongeval of overlijden binnen de badinrichting wordt binnen een termijn van 24 uur telefonisch of per mail gemeld aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.


Art. 5.32.8.1.11. Architectonische normen

§ 1.

Het bad en de zwemhal zijn gemakkelijk toegankelijk voor externe hulpdiensten. Bij hot whirlpools en dompelbaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt dit artikel vanaf 1 oktober 2022.

 

§ 2.

Aan de zwembadwand en –bodem kunnen bezoekers zich niet verwonden en ze zijn gemakkelijk afwasbaar. Bij dompelbaden en hot whirlpools waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt dit artikel vanaf 1 oktober 2022.

 

§ 3.

Alle interne uitrustingen en recreatieve of therapeutische voorzieningen zijn vervaardigd uit duurzaam, corrosiewerend en gemakkelijk afwasbaar materiaal waaraan de bezoekers zich niet kunnen verwonden. Bij hot whirlpools en dompelbaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt deze bepaling vanaf 1 oktober 2022.

 

Alle interne uitrustingen en recreatieve of therapeutische voorzieningen mogen de veiligheid van de baders niet in gevaar brengen.

 

§ 4.

De constructie van de recreatieve of therapeutische voorzieningen strookt met de normen van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN).

 

§ 5.

De hoogte en veerkracht van een eventuele springplank is aangepast aan de diepte van het water.

 


Art. 5.32.8.1.12. Waterbehandeling bij gechloreerde baden

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is chloor het enige toegelaten ontsmettings- en oxidatiemiddel. Bij dompelbaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt deze bepaling vanaf 1 oktober 2022.

 

Als een ander desinfectie- en oxidatiemiddel dan chloor toegelaten wordt, kunnen er in afwijking van artikel 5.32.8.1.9, §1, andere of aanvullende kwaliteitseisen opgelegd worden die in relatie staan tot het toegelaten alternatieve waterbehandelingssysteem.

 

Het gebruik van chloorstabilisatoren is niet toegelaten.

 

Het gebruik van chloorgas is verboden. Bij gechloreerde baden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 februari 1995 en die nog altijd vergund zijn, geldt dit artikel vanaf 1 oktober 2022.


Subafdeling 5.32.8.2.
Circulatiebaden


Onderafdeling 5.32.8.2.1.
Zwembaden, therapiebaden en natuurlijke zwembaden

Architectonische normen.

Art. 5.32.8.2.1.1. Bouw van de inrichting

§ 1.

De lokalen zijn gebouwd uit niet-wateropslorpend, gemakkelijk afwasbaar materiaal waaraan de bezoekers zich niet kunnen verwonden.

 

§ 2.

De vloer en de wanden zijn tot op een hoogte van 3 meter, voorzien van een corrosiebestendige, niet-wateropslorpende en gemakkelijk afwasbare bekleding.

 

§ 3.

Alle interne uitrustingen zijn vervaardigd uit corrosiebestendig en gemakkelijk afwasbaar materiaal.

 

§ 4.

Tot op een hoogte van 2 meter vanaf de begane grond worden scherpe hoeken en uitstekende elementen vermeden of afgeschermd met een bekleding waaraan de bezoekers zich niet kunnen verwonden.

 

§ 5.

Elke beglazing wordt duidelijk zichtbaar gemaakt en beveiligd.

 

§ 6.

Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot en met 2%.

 

Een alternatief voor de hellingsgraad, vermeld in het eerste lid, is aanvaardbaar in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn, als een hygiëneplan, goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, in de inrichting aanwezig is.

 


Art. 5.32.8.2.1.2. Het bad

§ 1.

De wanden zijn vanaf 1,35 meter diep voorzien van een grijprand of touw. Bij overdekte zwembaden en therapiebaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt dit artikel vanaf 1 oktober 2022.

 

§ 2.

De bodem van het bad is in zijn ondiepe gedeelte ten minste tot op een diepte van 1,35 meter slipwerend.

 

§ 3.

De diepte van het bad voldoet aan de volgende voorwaarden:

de diepte van het water wordt op regelmatige afstanden aangeduid. Elke plotse verandering van diepte wordt op een opvallende wijze zichtbaar gemaakt. Bij therapiebaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt deze bepaling vanaf 1 oktober 2022;
de diepte in het therapiebad is maximaal 1,5 meter.

 

§ 4.

De aan- en afvoer van het water zijn zodanig uitgevoerd dat in het bad geen dode hoeken met stagnerend water aanwezig zijn.

 

Het badwater wordt voor ten minste 30% gerecycleerd via de bovenafvoer.

 

Het diepste punt van de badbodem is voorzien van een afvoer om het bad volledig te ledigen. In baden van inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn, mag het restwater ook verwijderd worden met een pomp of een alternatief systeem.


Art. 5.32.8.2.1.3. Kaden en vloeren

§ 1.

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of de akte van de melding, wordt het bad volledig omringd door een kade die minstens 1,5 meter breed is.

 

§ 2.

De kaden en de vloeren voldoen aan de volgende voorwaarden:

overdekte zwembaden en overdekte natuurlijke zwembaden: bij elke toegang tot de kaden van het bad zijn er voldoendestortbaden in functie van de gebruikscapaciteit van de zwemgelegenheid, en een voetwaadbak of voldoende voetsproeiers.

De zone die door personen met schoenen wordt betreden, is volledig gescheiden van de zone waarop blootsvoets wordt gelopen;

openlucht zwembaden en openlucht natuurlijke zwembaden:
de exploitant verbiedt de baders de toegang tot het zwembad en de kaden als ze niet eerst door een voetwaadbak of langs voetsproeiers en door een stortbad zijn gegaan;
therapiebaden:de zone die de baders betreden, is volledig gescheiden van de overige delen van de inrichting.

 

§ 3.

De rechtstreekse toegang tot de kaden vanuit de kleedkamers of de recreatiezones bevindt zich bij voorkeur ter hoogte van het ondiepe gedeelte van het bad. Als dat niet het geval is, belemmert een hindernis de directe toegang tot het diepe deel.

 

§ 4.

De kaden zijn zo aangelegd dat het water daarvan niet in het bad, noch in het zuiveringscircuit terechtkomt.

 

Het water wordt afgevoerd via een voldoende aantal afvoerpunten die zo zijn gebouwd dat stilstaand water voorkomen wordt.

 

Het water wordt afgevoerd naar een openbare riolering of naar een oppervlaktewater met inachtname van de voorschriften van dit reglement en de bijzondere voorwaarden die eventueel opgelegd zijn in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in de akte van de melding.

 

Om het reinigen met een waterslang mogelijk te maken, zijn er voldoende wateraftappunten en geschikte voorzieningen om het gebruikte water te verwijderen.

 

Als de kaden niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, wordt het kuiswater via een systeem met een driewegkraan afgevoerd en wordt de turbiditeit, uitgedrukt in NTU, als extra parameter opgenomen in de maandelijkse waterkwaliteitsanalyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Die turbiditeit mag bij zwembaden en therapiebaden maximaal 0,5 NTU bedragen.

 

§ 5.

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn alle vloeren waarop blootsvoets wordt gelopen, vervaardigd uit slipwerend, gemakkelijk afwasbaar materiaal waaraan de bezoekers zich niet kunnen verwonden.

 

 

 

 

 


Art. 5.32.8.2.1.4. Omkleedcabines en stortbaden

De omkleedcabines zijn vervaardigd uit niet-wateropslorpend, gemakkelijk afwasbaar materiaal waaraan de bezoekers zich niet kunnen verwonden.

 

Bij de overdekte zwembaden en overdekte natuurlijke zwembaden zijn de omkleedcabines en kleedkamers van het wisseltype zodat de geschoeide en ongeschoeide zone van elkaar gescheiden zijn.

 

In afwijking van de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, hoeven de omkleedcabines en de kleedkamers bij overdekte zwembaden die vóór 1 oktober 2014 vergund of geakteerd zijn, en bij therapiebaden niet van het wisseltype zijn als de exploitant een duidelijk gescheiden zone voor geschoeide en niet-geschoeide bezoekers creëert op een wijze die is goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.


Art. 5.32.8.2.1.5. Sanitaire voorzieningen en stortbaden

§ 1.

De sanitaire voorzieningen voldoen aan de volgende voorwaarden

er zijn voldoende toiletten in functie van de gebruikscapaciteit van de zwemgelegenheid.

In elke toiletruimte is er ten minste één wastafel;

vanaf 1 oktober 2022 zijn alle toiletten in de ongeschoeide zone van het hangtype, dus bevestigd tegen de muur van de toiletruimte;
er zijn afzonderlijke toiletten beschikbaar, zowel in de geschoeide als in de ongeschoeide zone;
de vloer van de sanitaire voorzieningen heeft een helling van 1 tot en met 2% waardoor het afvalwater naar een afvoer wordt geleid die verbonden is met de lozingsinrichting;
als aan de voorwaarden, vermeld in punt 3° en 4°, niet kan voldaan worden, wordt een hygiëneplan opgemaakt met goedkeuring van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

 

§ 2.

Er zijn voldoende stortbaden in functie van de gebruikscapaciteit van de zwemgelegenheid.

 

De stortbaden zijn voorzien van water met aangepaste temperatuur, afkomstig van een warmwaterinstallatie met water van ten minste 60°C. Het mengventiel is in de onmiddellijke nabijheid van het stortbad geplaatst. Bij therapiebaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt deze bepaling vanaf 1 oktober 2022.


Art. 5.32.8.2.1.6. Waterbehandelingssysteem

§ 1.

Het waterbehandelingssysteem voor zwembaden en therapiebaden voldoet aan de volgende voorwaarden:

bij gebruik van chloor als ontsmettings- en oxidatiemiddel wordt elk bad voorzien van een automatisch, efficiënt functionerend chloor- en pH-sturingsmechanisme;
voor het waterbehandelingsprocedé, de bufferbak, de filter en de chemicaliën gelden de volgende voorwaarden:
  a) het waterbehandelingsprocedé omvat ten minste een voorfiltratie, een filtratie, een oxidatie of desinfectie, een pH-aanpassing en een systeem voor de aanvoer van vers water:
  b) elke filter heeft een minimale filterbedhoogte van 1 meter en is voorzien van een kijkglas en van drukmeters
voor en na de filtratie. De maximale filtersnelheid bedraagt 30 meter/uur;
De filters die in inrichtingen die voor 1 oktober 2014 vergund of geakteerd zijn en een filterbedhoogte hebben die kleiner is dan 1 meter, mogen in gebruik blijven zolang ze voldoen aan de kwaliteitsvereisten voor het badwater, vermeld in artikel 5.32.8.1.9, §1. Bij vervanging van de filter, wordt er een filter met een filterbedhoogte van ten minste 1 meter geïnstalleerd;
  c) als chemicaliën worden alleen de producten gebruikt die toegelaten zijn voor de behandeling van drinkwater conform artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie;
de werking van de pompen die voor de injectie van het desinfecterende agens en de pH-correctie zorgen, wordt automatisch onderbroken zodra het debiet van het desbetreffende circulatiesysteem tot minder dan 40 % van het normale daalt.
Als het desinfectans en de pH-correctie op dezelfde leiding geïnjecteerd worden, bevinden de injectiepunten zich op ten minste 2 meter afstand van elkaar.
De pH-corrector wordt bij voorkeur geïnjecteerd vóór de filtratie. Bij therapiebaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt deze bepaling vanaf 1 oktober 2022.

de chemicaliën worden niet rechtstreeks in het zwembad gedoseerd;

de aftapkranen zijn goed toegankelijk en staan ten minste op de volgende plaatsen:
  a) vóór de filtratie en de injectie van reagentia;
  b) achter de filtratie en de injectie van reagentia;
  c) zo dicht mogelijk bij de aanvoer van het water naar elk bad;
de circulatiepompen kunnen ten minste een cyclusduur van vier uur aan. Het water uit een bad wordt ten minste om de vier uur volledig behandeld. Bij een bad met een maximale capaciteit van 100 m3 is de turn-over ten hoogste twee
uur, tenzij hiervoor een toelating door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, is verleend, en op voorwaarde dat de turn-over niet langer dan vier uur duurt. De turn-over wordt gecontroleerd met een efficiënte debietmeter die achter de filtreerinstallatie wordt geplaatst in de deelstroom van elk bad en die een doseerstop beveelt bij een daling tot minder dan 40% van het normale debiet. Bij therapiebaden waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, geldt deze bepaling vanaf 1 oktober 2022;
de waadbakken zijn doorlopend gevuld met behandeld badwater. De turn-over mag ten hoogste tien minuten bedragen. Het vervuilde waadbakwater wordt rechtstreeks afgevoerd naar de lozingsinrichting of naar de waterbehandelingsinstallatie.

 

§ 2.

Het waterbehandelingssysteem voor natuurlijke zwembaden, voldoet aan de volgende voorwaarden:

elk natuurlijk zwembad is aangesloten op een ecologisch zuiveringssysteem waarvan de dimensionering aangepast is aan het zwembadvolume;
het ecologische filtersysteem omvat ten minste een plantenfilter, een mechanische filter en een systeem voor de aanvoer van vers water;
de turn-over van het badwatervolume duurt maximaal twaalf uur. De controle van de turn-over gebeurt met een efficiënte debietmeter.

 


Exploitatie.

Art. 5.32.8.2.1.7. Procedures

De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven. Die procedures worden jaarlijks geëvalueerd en bijgewerkt. Elk personeelslid bezit een kopie van de procedures en kent de inhoud. De procedures worden ook ter inzage gehouden voor de toezichthouder.

 

Voor het bad in gebruik wordt genomen, wordt het watercirculatiesysteem uitgetest, alsook het doorstromingspatroon bij de kleurproef. De kleurproef wordt uitgevoerd volgens de Europese standaard EN15288_2.


Art. 5.32.8.2.1.8. Waterbehandelingsprocedé

§ 1.

Het bad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt een debietmeter geïnstalleerd op het suppletiewater. De analyseresultaten worden getoetst aan de bacteriologische waterkwaliteitsvereisten voor drinkwater. Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks aan de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, overgemaakt.

 

§ 2.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op zwembaden en therapiebaden.

 

De filters worden ten minste twee keer per week gespoeld buiten de openingsuren van het zwembad, zodat het filtermateriaal in fluïdisatie komt, tenzij hiervoor een toelating door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, is verleend.

 

Per bader en per dag wordt minimaal 30 liter vers water toegevoegd op een plaats in het circuit zodat dit suppletiewater door de filters gaat vooral het in het zwembad terechtkomt, tenzij hiervoor een toelating door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, is verleend.

 

§ 3.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op natuurlijke zwembaden.

 

Per bader en per dag wordt voldoende vers water toegevoegd op een plaats in het circuit zodat dit suppletiewater door het ecologische zuiveringssysteem gaat voor het in het natuurlijk zwembad terechtkomt.

 

 


Art. 5.32.8.2.1.9. Onderhoud van het bad

§ 1.

De bodem van therapiebaden, overdekte zwembaden en overdekte natuurlijke zwembaden wordt ten minste om de twee dagen vóór de openingsuren gereinigd en gestofzuigd.

 

De bodem van openluchtzwembaden en openlucht natuurlijke zwembaden wordt ten minste dagelijks vóór de openingsuren gereinigd en gestofzuigd.

 

§ 2.

De wanden worden ten minste één keer per week buiten de openingstijden, ter hoogte van de waterrand of de overloopgoten gereinigd.

 

§ 3.

Om vervuilende stoffen uit het systeem te verwijderen worden de reinigings-planten bij natuurlijke zwembaden minstens één keer per jaar afgeoogst.

 

Zo nodig worden algen en bladafval verwijderd.

 

§ 4.

Als in een bufferbak voorzien is, wordt die minstens jaarlijks gereinigd.


Art. 5.32.8.2.1.10. Reglement van interne orde

§ 1.

De exploitant voert voor de (natuurlijke) zwembaden een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren. Dat reglement wordt in de inrichting opgehangen op plaatsen die voor de bezoekers duidelijk zichtbaar zijn.

 

§ 2.

Het reglement, vermeld in paragraaf 1, omvat minstens de volgende punten:

de directie heeft het recht om elke persoon die een risico kan zijn voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de inrichting te verbieden;
dieren, behalve assistentiehonden in de geschoeide zone, zijn in de inrichting niet toegelaten;
elke bader neemt een stortbad voor hij in het zwemwater gaat;
kinderen van minder dan 6 jaar zijn altijd vergezeld van een toezichthoudende volwassene.

 


Art. 5.32.8.2.1.11. Veiligheid

§ 1.

Het maximum aantal toegelaten baders is nooit hoger dan één bader per 3 m2 wateroppervlakte. Voor baden met een maximale diepte van 50 cm is het maximum aantal toegelaten baders één bader per 2 m2 wateroppervlakte.

 

§ 2.

Er zijn een EHBO-lokaal en een telefoontoestel beschikbaar. Het EHBO-lokaal en het telefoontoestel voldoen aan de volgende voorwaarden:

EHBO-lokaal:

de bepalingen, vermeld in dit punt, zijn alleen van toepassing op zwembaden en natuurlijke zwembaden.
De inrichting beschikt over een lokaal waar de eerste hulp kan worden toegediend. Het lokaal is uitsluitend uitgerust met materiaal voor eerste hulp en reanimatie. Het lokaal en het materiaal zijn rechtstreeks en gemakkelijk toegankelijk voor de verantwoordelijken. De reanimatieapparatuur bestaat ten minste uit een systeem voor zuurstoftoediening. Dat apparaat wordt wekelijks op zijn deugdelijkheid onderzocht.
De redder is vertrouwd met het gebruik van al het materiaal voor eerste hulp en reanimatie.
De reanimatie-apparatuur is aanwezig op een vaste plaats en gemakkelijk bereikbaar voor de redder;

telefoontoestel:
de inrichting is uitgerust met ten minste één telefoontoestel dat een directe buitenlijn heeft. Het toestel is aanwezig op een vaste plaats en is gemakkelijk bereikbaar voor de toezichthoudende persoon.

 

§ 3.

Als er recreatieve voorzieningen zijn die een risicozone vormen, gelden de volgende voorwaarden:

in de onmiddellijke nabijheid van recreatieve voorzieningen is bijkomend een toezichthoudende persoon aanwezig;
de plaats waar de gebruiker van de glijbaan of de springtoren in het bad terecht komt, is ontruimd binnen een straal van 2,5 meter.

 

§ 4.

Het aantal toezichthoudende personen wordt als volgt bepaald:

voor zwembaden en natuurlijke zwembaden gelden de volgende voorwaarden:
  a) de baders staan onder rechtstreeks en constant toezicht van ten minste één redder, die zich uitsluitend aan die activiteit wijdt en zich permanent in de buurt van de kaden bevindt.
Het toezicht is aangepast aan het type van installatie en aan de bezettingsgraad van het zwembad.
Het minimum aantal toezichthoudende personen, van wie ten minste de helft redder is, wordt bepaald volgens de volgende formule, waarbij het resultaat na de komma wordt afgerond naar beneden:
    1)
aantal toezichthoudende personen =

      aantal baders 

     -------------------     +    1;

             50

    2) daarboven, per 150 baders meer, 1 toezichthoudende persoon extra;
    3) ten minste de helft, afgerond naar boven, is redder. De redders zijn in het bezit van het diploma Hoger Redder van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift, goedgekeurd door Sport Vlaanderen;
    4) de regel, vermeld in punt 1), 2) en 3), geldt niet voor baders in baden van minder dan 50 cm diepte;
    5) bij ieder afzonderlijk bad, zwembad of natuurlijk zwembad of bij iedere risicozone staat tenminste één toezichthoudende persoon, ongeacht het resultaat van de formule, vermeld in punt 1) en 2);
  b) als het bad niet als instructiebad gebruikt wordt, gelden, in afwijking van punt a), 1) tot en met 4) de volgende voorwaarden voor de volgende zwembaden en natuurlijke zwembaden:
    1) met maximaal 1,40 meter diepte en met een wateroppervlakte van maximaal 200 m2: de voorwaarde dat de baders onder rechtstreeks en constant toezicht staan van ten minste één persoon die in het bezit is van hetzij een basisreddersdiploma van Sport Vlaanderen, hetzij een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen, hetzij een geldig EHBO-brevet, afgeleverd door een erkende opleidingsverstrekker;
    2) met maximaal 1,40 meter diepte en met een wateroppervlakte van meer dan 200 tot en met maximaal 500 m2 , waarbij de vorm van het bad volledig in het gezichtsveld van één persoon kan liggen: de voorwaarde dat de baders onder rechtstreeks en constant toezicht staan van ten minste, naargelang het maximum aantal baders 94,144 of 166 bedraagt, één, twee, respectievelijk drie toezichthoudende personen die elk in het bezit zijn van hetzij een basisreddersdiploma van Sport Vlaanderen, hetzij een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen, hetzij een geldig EHBO-brevet, afgeleverd door een erkende opleidingsverstrekker;
  c) tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of de akte van de melding, mag de exploitant, als die een toezichtsplan heeft opgesteld en naleeft ter verzekering van de veiligheid van de baders en als dat toezichtsplan ter inzage voor de toezichthouders ligt, in afwijking van punt a), 1), 2) en 3), het aantal redders en toezichters beperken tot de volgende aantallen:
    1) één redder, als de oppervlakte van het bad minder dan 200 m2 bedraagt;
    2) twee toezichthoudende personen, van wie ten minste één redder, als de oppervlakte van het bad 200 m2 of meer bedraagt en de vorm van het bad zo is dat dit volledig in het gezichtsveld ligt van één persoon;
    3) drie toezichthoudende personen, waarvan ten minste twee redders, wanneer de oppervlakte van het bad 200 m2 of meer bedraagt en de vorm van het bad niet volledig in het gezichtsveld van één persoon kan liggen.
    De redders zijn in het bezit van het diploma Hoger Redder van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen;
  d) voor een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van activiteiten in een zwembad of een natuurlijke zwembad gelden de volgende voorwaarden:
    1) een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van activiteiten kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichter onder de volgende voorwaarden:
      i) hij bevindt zich constant op de kade en kan alle baders die tot een groep behoren, rechtstreeks in het oog houden;
      ii) het aantal baders onder zijn toezicht bedraagt maximaal 35;
    2) een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van activiteiten kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van redder onder de volgende voorwaarden:
      i) hij bevindt zich constant op de kade en kan alle baders die tot een groep behoren, rechtstreeks in het oog houden;
      ii) het aantal baders onder zijn toezicht bedraagt maximaal 35;
      iii) hij is in het bezit van het diploma Hoger Redder van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift, goedgekeurd door Sport Vlaanderen;
  e) voor een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten in een zwembad of een natuurlijk zwembad gelden de volgende voorwaarden:
    1) een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichter onder de volgende voorwaarden:
      i) de duikers staan onder constant toezicht van ten minste één persoon. Het toezicht is aangepast aan de beoefende duikdiscipline;
      ii) bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken;
    2) een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van redder onder de volgende voorwaarden:
      i) de duikers staan onder constant toezicht van ten minste één persoon. Het toezicht is aangepast aan de beoefende duikdiscipline;
      ii) bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken;
      iii) hij is in het bezit van het diploma Hoger Redder van Sport Vlaanderen, het brevet Duiker Redder van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift, goedgekeurd door Sport Vlaanderen;
  f) voor het diploma van redder en de bijscholing gelden de volgende voorwaarden:
    1) het afschrift van de voormelde diploma’s of getuigschriften is door de toezichthouder consulteerbaar op de plaats van de exploitatie;
    2) de redders worden ten minste één keer per jaar geoefend in reddings- en reanimatietechnieken. Het getuigschrift van de meest recente bijscholing is door de toezichthouder consulteerbaar op de plaats van de exploitatie. De voormelde bijscholing is erkend door Sport Vlaanderen;
bij therapiebaden gelden de volgende voorwaarden:
  a) de baders staan onder rechtstreeks en constant toezicht van ten minste één toezichthoudende persoon, die zich uitsluitend aan die activiteit wijdt en zich permanent in de buurt van de kaden bevindt;
  b) de toezichthoudende personen zijn vertrouwd met reanimatietechnieken en worden ten minste één keer per jaar in die technieken geoefend. Het bewijs van deelname aan de meest recente bijscholing is door de toezichthouder consulteerbaar op de plaats van de exploitatie.

 


Onderafdeling 5.32.8.2.2.
Hot whirlpools

Architectonische normen.

Art. 5.32.8.2.2.1.

De bodem van een zwembad dat vergund of geakteerd is na 1 oktober 2019, is slipwerend.


Art. 5.32.8.2.2.2. Waterbehandelingssysteem

Als het water ontsmet wordt op basis van chloor, is de hot whirlpool altijd aangesloten op een waterbehandelingssysteem dat deel uitmaakt van een inrichting met een zwembad, of op een bufferbak met een nuttige inhoud van ten minste 20 m3.

 

Het waterbehandelingssysteem voor hot whirlpools is uitgevoerd conform artikel 5.32.8.2.1.6, §1, 1° tot en met 5°.

 

Het water heeft een debiet van 3 m3 per bader per uur en een turn-over van maximaal tien minuten.

 

Bij de doorstroming wordt 100% van het water via de bovenafvoer verwijderd.

 

Bij eenmalig gebruik van de hot whirlpool, hetzij eenmalig door één persoon of eenmalig maar gelijktijdig door verschillende personen, waarbij het aangevoerde water afkomstig is van een buffersysteem na de waterbehandelingsinstallatie, vervallen de vereisten vermeld in het derde en het vierde lid.


Exploitatie.

Art. 5.32.8.2.2.3.

Het bad wordt ten minste dagelijks grondig gereinigd.

 

Tenzij hiervoor een toelating door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, is verleend, worden de filters ten minste twee keer per week gespoeld buiten de openingsuren van het bad, zodat het filtermateriaal in fluïdisatie komt.

 

Als in een bufferbak voorzien is, wordt die minstens jaarlijks gereinigd.


Art. 5.32.8.2.2.4.

Het aantal baders is beperkt tot het aantal zitplaatsen van circa 50 cm per bader.


Subafdeling 5.32.8.3.
Dompelbaden en plonsbaden.


Architectonische normen.

Art. 5.32.8.3.1.

De bodem van een dompelbad dat vergund of geakteerd is na 1 oktober 2019, is slipwerend.


Art. 5.32.8.3.2. Waterbehandelingssysteem

§ 1.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op dompelbaden.

 

Het verse water wordt ingevoerd via bodeminjectie; het water wordt voor 100% afgevoerd langs de bovenkant.

 

Het overlopende water mag gebruikt worden als suppletiewater voor zwembaden op voorwaarde dat het vóór de filter wordt toegevoegd.

 

De verversingsgraad bedraagt minimaal 1 m3/uur. De turn-over is twee uur of korter.

 

§ 2.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op plonsbaden en dit tot en met 31 januari 2022.

 

Er stroomt continu vers suppletiewater door het bad. De verversingsgraad is zo bepaald dat de turn-over één uur of korter is.

 

 


Art. 5.32.8.3.3.

Vanaf 1 oktober 2022 zijn plonsbaden niet meer toegelaten.


Exploitatie.

Art. 5.32.8.3.4.

Voor dompelbaden wordt de toevoeging van vers water uitgevoerd conform artikel 5.32.8.2.1.8, §1.


Art. 5.32.8.3.5.

Ten minste 1 keer per dag wordt het dompelbad geledigd en volledig gereinigd.


Subafdeling 5.32.8.4.
Open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie


Onderafdeling 5.32.8.4.1.
Algemeen

Art. 5.32.8.4.1.1.

Het zwemwater voldoet aan de milieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 1 van deel II van bijlage 2.3.3, die bij dit besluit is gevoegd.


Art. 5.32.8.4.1.2.

Tijdens de week die aan het badseizoen voorafgaat, en daarna ten minste om de veertien dagen tijdens dat seizoen wordt op kosten van de exploitant een bacteriologisch onderzoek op een representatief staal van het zwemwater uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL.

 

Het bacteriologische onderzoek wordt minstens gedurende de uitbating uitgevoerd.

 

Het laboratorium bezorgt de analyseresultaten van het bacteriologische onderzoek rechtstreeks t aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. Als een mogelijke proliferatie van cyanobacteriën wordt vastgesteld, meldt de exploitant dit onmiddellijk aan de Vlaamse Milieumaatschappij.

 

 


Art. 5.32.8.4.1.3.

De meest recente meetresultaten van de uitgevoerde bemonsteringen van het water hangen op goed zichtbare plaatsen in de inrichting.


Art. 5.32.8.4.1.4.

Als het water ververst wordt, wordt er water van betrouwbare kwaliteit gebruikt.


Art. 5.32.8.4.1.5.

Er zijn stortbaden aanwezig. De stortbaden zijn voorzien van water met aangepaste temperatuur, afkomstig van een warmwaterinstallatie met water van ten minste 60 °C. Het mengventiel is in de onmiddellijke nabijheid van het stortbad geplaatst. Bij open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 1 oktober 2019, gelden de tweede en de derde zin van dit artikel vanaf 1 oktober 2022.


Art. 5.32.8.4.1.6.

De exploitant voert een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren. Dat reglement wordt in de inrichting opgehangen op plaatsen die voor de bezoekers duidelijk zichtbaar zijn.

Het reglement, vermeld in het eerste lid, omvat minstens de volgende punten:

de directie heeft het recht om elke persoon die een risico kan zijn voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de inrichting te verbieden;
het is verboden zeep te gebruiken op andere plaatsen dan in de sanitaire voorzieningen;
kinderen van minder dan 6 jaar zijn altijd vergezeld van een toezichthoudende volwassene;
met uitzondering van assistentiehonden op het strand, worden honden of andere huisdieren niet toegelaten in het water of op het strand;
assistentiehonden op het strand worden, als de persoon met een handicap of ziekte in het water gaat, aangelijnd aan de aanlijnplaats voor assistentiehonden.

 


Art. 5.32.8.4.1.7.

De inrichting wordt voorzien van een veilige en gemakkelijk toegankelijke aanlijnmogelijkheid voor assistentiehonden.


Art. 5.32.8.4.1.8.

Het is verboden (potentieel) vervuilende stoffen te storten of te lozen.

 

Op regelmatige basis en naargelang de noodzaak ervan worden de cabines en het sanitair gereinigd en ontsmet. Het strand, de ligweide en de directe omgeving van het water worden dagelijks, onmiddellijk na de sluiting, ontdaan van afval.

 

In de inrichting zijn er voldoende vuilnisbakken aanwezig op gemakkelijk te bereiken plaatsen. De inhoud van die bakken wordt dagelijks afgevoerd.

 


Art. 5.32.8.4.1.9.

Op de bodem van de vijver bevinden zich geen voorwerpen waaraan de bezoekers zich kunnen verwonden.


Onderafdeling 5.32.8.4.2.
Open zwemgelegenheden

Art. 5.32.8.4.2.1.

De bodem is tot op een diepte van 2 meter bedekt met een laag grof zand van tenminste 10 cm om te voorkomen dat slib opdwarrelt, en om de helderheid van het water te verbeteren.

 

Tot een diepte van 2 meter helt de bodem van de zwemgelegenheid langzaam af met een maximum verval van 10%.

 

In de zwemgelegenheid is vissen, roeien of andere waterrecreatie verboden. Als er op dezelfde vijver andere recreatie- of sportactiviteiten plaatsvinden, zijn die zones volledig gescheiden van het zwemgedeelte.

 

De diepte van het water is op een duidelijke en goed zichtbare wijze aangegeven. Die aanduiding is ten minste vereist op het niveau van 1,35 meter diepte.

 

Rond de zwemgelegenheid, op de plaatsen waar de baders het water betreden, is er een strook zand van ten minste 30 cm dik en 10 meter breed.


Art. 5.32.8.4.2.2. Omkleedcabines en stortbaden

Er zijn voldoende omkleedcabines en stortbaden in functie van de gebruikscapaciteit van de zwemgelegenheid. De kleedcabines zijn vervaardigd uit niet-wateropslorpend, gemakkelijk afwasbaar materiaal waaraan de bezoekers zich niet kunnen verwonden.

 

Vóór de kleedcabines is er een gangpad aangebracht dat leidt naar de stortbaden, de toiletten en het strand rond de zwemgelegenheid.

 

De vloer van de kleedcabines en stortbaden is slipwerend, niet-wateropslorpend en gemakkelijk afwasbaar.

 

Bij de kleedcabines zijn alleen stortbaden aanwezig.


Art. 5.32.8.4.2.3.

Er zijn voldoende toiletten in de onmiddellijke omgeving van de zwemgelegenheid in functie van de gebruikscapaciteit van de zwemgelegenheid.

 

De toiletten zijn aangepast aan de leeftijd en het geslacht van de bezoekers.


Art. 5.32.8.4.2.4. Veiligheid

§ 1.

Het EHBO-lokaal en de EHBO-voorzieningen voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.8.2.1.11, §2, 1°, en voldoen vanaf 1 juli 2022 aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.8.2.1.11, §2, 2°, die gelden voor het telefoontoestel.

 

§ 2.

In geval van recreatieve voorzieningen is artikel 5.32.8.2.1.11, §3, 1°, van toepassing.

 

De sport- en spelaccommodaties brengen de veiligheid van de baders niet in gevaar.

 

De plaatsen waar gedoken wordt, zijn afgebakend en niet toegankelijk voor zwemmers. Er wordt niet gedoken in water met een doorkijklengte van minder dan 1 meter.

 

§ 3.

Voor het aantal redders of toezichters is artikel 5.32.8.2.1.11, §4,1°, van toepassing.

 


Onderafdeling 5.32.8.4.3.
Zones voor waterrecreatie, namelijk voor duiksport, surfen, waterskiën en langeafstandszwemmen

Art. 5.32.8.4.3.1.

Behalve als het watervlak alleen gebruikt wordt voor duiksport of als trainingslocatie voor langeafstandszwemmers, zijn in de onmiddellijke omgeving in kleedcabines en toiletten voorzien.


Art. 5.32.8.4.3.2.

De sportbeoefenaars, met uitzondering van de duikers en langeafstandszwemmers, dragen een drijfhulpmiddel (reddingsvest, zwemvest,…), aangepast aan de beoefende sportdiscipline.

 

De sportbeoefenaars staan onder constant toezicht van ten minste één persoon die vertrouwd is met reddings- en reanimatietechnieken. Dat toezicht is aangepast aan de beoefende sportdiscipline.

 

Bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken. Het langeafstandszwemmen wordt nooit alleen beoefend.

 

Als in de vijver of waterloop gesurft of gewaterskied wordt, zijn er stortbaden voorzien, bevindt zich in de onmiddellijke omgeving een lokaal voor eerste hulp bij ongevallen en is de inrichting uitgerust met ten minste één telefoontoestel met een directe buitenlijn. Dat toestel bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van de vijver of waterloop op een vaste plaats en is gemakkelijk bereikbaar door de toezichthoudende persoon.

 

Een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichthoudende persoon of redder conform artikel 5.32.8.2.1.11, §4, 1°, e).


Afdeling 5.32.9.
[...]

N.v.d.r.: Afdeling 5.32.9, die bestaat uit artikel 5.32.9.1.1 tot en met 5.32.9.8.7, werd opgeheven op basis van art. 167, BVR van 3 mei 2019 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw (VLAREM-trein 2017). Verdere toelichting hierover vindt u in het verslag aan de Vlaamse Regering.

Zie nu Afdeling 5.32.8. Vaste baden, open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie

Subafdeling 5.32.9.1.
[...]


Art. 5.32.9.1.1. [...]

Art. 5.32.9.1.2. [...]

Art. 5.32.9.1.3. [...]

Art. 5.32.9.1.4. [...]

Art. 5.32.9.1.5. [...]

Art. 5.32.9.1.6. [...]

Subafdeling 5.32.9.2.
[...]


Art. 5.32.9.2.1. [...]

Art. 5.32.9.2.2. [...]

Subafdeling 5.32.9.3.
[...]


Art. 5.32.9.3.1. [...]

Art. 5.32.9.3.2. [...]

Subafdeling 5.32.9.4.
[...]


Art. 5.32.9.4.1. [...]

Art. 5.32.9.4.2. [...]

Subafdeling 5.32.9.5.
[...]


Art. 5.32.9.5.1. [...]

Art. 5.32.9.5.2. [...]

Subafdeling 5.32.9.6.
[...]


Art. 5.32.9.6.1. [...]

Art. 5.32.9.6.2. [...]

Subafdeling 5.32.9.7.
[...]


Art. 5.32.9.7.1. [...]

Art. 5.32.9.7.2. [...]

Art. 5.32.9.7.3. [...]

Subafdeling 5.32.9.8.
[...]


[...].

Art. 5.32.9.8.1. [...]

Art. 5.32.9.8.2. [...]

[...].

Art. 5.32.9.8.3. [...]

Art. 5.32.9.8.4. [...]

Art. 5.32.9.8.5. [...]

[...].

Art. 5.32.9.8.6. [...]

Art. 5.32.9.8.7. [...]

Afdeling 5.32.10.
Omlopen voor motorvoertuigen en motorvaartuigen


Art. 5.32.10.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.9 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op wedstrijden, test- en oefenritten met, of het recreatief gebruik van, motorvoertuigen en motorvaartuigen die volledig op de openbare weg of de openbare waterweg plaatsvinden, zijnde activiteiten die niet onder de toepassing vallen van de subrubriek 32.9 van de indelingslijst.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op de inrichtingen bedoeld in § 1.

 

De exploitant treft de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken en vermeldt deze in een register. Ook de controle en de wijze van controle op de maatregelen wordt in het register vermeld. Naargelang van de omstandigheden en technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de huidige stand van de techniek wordt hierbij gebruik gemaakt van de oordeelkundige schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties, geluidsisolatie en/of absorptie en/of afscherming.


Art. 5.32.10.2. Verbods- en afstandsregels

§ 1.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.32.10.1, § 1 te exploiteren:

die geheel of gedeeltelijk gelegen is in:
a) een waterwingebied, beschermingszone, woongebied, beschermingszone tot behoud van de Europese vogelstand, natuurgebied met wetenschappelijke waarde, natuurreservaat, natuurpark, bosreservaat, natuurgebied, bosgebied, parkgebied, agrarische gebieden of andere gebieden met ecologisch belang of vallei- en brongebieden;
b) een landschappelijk waardevol agrarisch gebied inzoverre de inrichting tegelijkertijd ook geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen de perimeter van:
- of de speciale beschermingszones aangeduid door het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de EG-richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand;
- of de habitatgebieden in de zin van de EG-richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
- of in de watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als watervogelhabitat, volgens het verdrag van Ramsar van 1971, goedgekeurd bij wet van 22 februari 1979;
- of de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden aangeduid krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
- of de beschermde landschappen.
waarvan de tot de omloop van klasse 1 en klasse 2 behorende rijpisten of waterwegen gelegen zijn op een afstand van 500 m of minder en de tot de omloop van klasse 3 behorende rijpisten of waterwegen gelegen zijn op een afstand van 350 m of minder van een stilte-behoevende inrichting, van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter van een natuurgebied met wetenschappelijke waarde, van een natuurreservaat, van een parkgebied of van een gebied voor verblijfsrecreatie; deze verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op tijdelijke inrichtingen;
waarvan de tot de omloop behorende wegen of waterwegen gelegen zijn op een afstand van minder dan 75 m van individuele woningen, met uitzondering van de woning van de exploitant van de inrichting.

 

De in het eerste lid onder de punten 2° en 3° vastgestelde verbodsbepalingen gelden niet bij het gebruik van motorvaartuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen vastgesteld door het Koninklijk besluit van 23 februari 2005 houdende vaststelling van essentiële veiligheidseisen en van essentiële eisen in verband met de geluids- en uitlaatemissies voor pleziervaartuigen evenmin als bij het gebruik van motorvoertuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht.

 

§ 2.

De in § 1 vermelde afstanden worden gemeten vanaf de buitenste rand van de rijpiste of waterweg.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen beperkingen worden opgelegd betreffende het inrichten van wedstrijden, test- en oefenritten tijdens de broedperiode.

 

§ 4.

De verbodsbepalingen van § 1 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.

Voor de bestaande inrichtingen die niet beantwoorden aan deze verbodsbepalingen moet er een evenwicht bestaan tussen de dagen in de weekends met ingedeelde activiteiten en de dagen in de weekends zonder ingedeelde activiteiten. Dit evenwicht houdt in dat op maandbasis het aantal zaterdagen, zon- en feestdagen met ingedeelde activiteiten niet hoger mag zijn dan het aantal zaterdagen, zon- en feestdagen zonder ingedeelde activiteiten. De vergunningverlenende overheid kan met het oog op het algemeen belang en in functie van de lokale omgevingsfactoren voor het voormelde evenwicht op maandbasis een alternatieve regeling in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit inschrijven mits deze alternatieve regeling gelijkwaardige waarborgen biedt voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu.


Art. 5.32.10.3.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mogen alleen motorvoertuigen die inzake geluidsemissie voldoen aan de volgende voorwaarden worden toegelaten tot de omloop:

ofwel beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht;
ofwel een geluid van maximum 106 dB(A) voortbrengen; het geluid wordt hierbij gemeten als volgt:
a) het geluidsniveau wordt gemeten met een precisie-geluidsniveaumeter waarop de snelle dynamische karakteristiek (fast) en het A-wegingsnetwerk ingesteld worden; eventueel mag het windscherm worden gebruikt;
b) het geluidsniveau wordt gemeten op een afstand van 0,5 m van het einde van de uitlaat en onder een hoek van circa 45° ten opzichte van de as hiervan; de meetmicrofoon moet zich ter hoogte van de uitlaat maar nooit op minder dan 0,2 m van de grond bevinden;
c) het motorvoertuig met draaiende motor staat stil met de versnellingshendel in vrijloopstand; indien het ontkoppelen van de overbrenging onmogelijk is, moet het aangedreven wiel vrij draaien bv. door de motorfiets op zijn standaard te plaatsen;
d) het toerental van de motor moet gelijk zijn aan 70% van het toerental dat overeenkomt met het volle vermogen; het toerental wordt gemeten met een geijkte toerenteller;
e) de motor bevindt zich op de normale bedrijfstemperatuur;
f) het motorvoertuig moet zich op een plaats bevinden waar zich geen akoestische storingen voordoen en die sterk reflecteert, zoals bv. een met beton, asfalt of ander hard materiaal verhard vlak terrein;
g) binnen een straal van 3 m rond de meetmicrofoon mag zich geen enkele hindernis bevinden, met uitzondering van de persoon die de metingen uitvoert en van de bestuurder;
h) het achtergrondgeluidsniveau, met inbegrip van het windgeluid, te weten het geluidsniveau gemeten wanneer de motor van het te testen motorvoertuig is uitgeschakeld, moet tenminste 10 dB(A) lager liggen dan het volgens de bepalingen van dit artikel te meten geluidsniveau van het motorvoertuig.

 

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mogen alleen motorvoertuigen tot de omloop worden toegelaten:

die het voorwerp uitmaken van en/of voorzien zijn van een akoestische steekkaart en/of een immatriculatieplaat, opgesteld door de constructeur en/of de invoerder met vermelding van ten minste de volgende gegevens:
a) de naam en het adres van de constructeur en/of de invoerder;
b) de identificatiegegevens vermeld op het inschrijvingsbewijs (of het chassisnummer);
c) de cilinderinhoud van de motor;
d) het toerental dat overeenkomt met het volle vermogen;
e) een beschrijving en/of de identificatie van de onderdelen (geluidsdemper ea) die het akoestisch gedrag van het motorvoertuig bepalen;
f) het maximum voortgebracht geluid in dB(A) gemeten zoals bepaald in § 1, 2°;
g) een verklaring van de constructeur en/of de invoerder of bij ontstentenis van een milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen dat het beschreven motorvoertuig voldoet aan de bepalingen onder § 1, 1° of 2°;
waarvan de uitrusting die enige impakt heeft op het akoestische gedrag, volledig conform is aan de beschrijving op de akoestische steekkaart en/of immatriculatieplaat bedoeld onder 1°.

 


Art. 5.32.10.4.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. is het gebruik van de omloop met motorvoertuigen die niet beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, verboden:

op zon- en feestdagen;
op de niet in onder 1° bedoelde dagen: van 17 uur tot 7 uur.
op de dagen voor bijhorende oefenritten in functie van één wedstrijd, maar op andere dagen dan de wedstrijddagen, van 18 uur tot 13 uur.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. is het gebruik van de omloop met motorvoertuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, verboden:

op zon- en feestdagen : van 20 uur tot 9 uur;
op de niet in onder 1° bedoelde dagen: van 19 uur tot 7 uur.
op de dagen voor bijhorende oefenritten in functie van één wedstrijd, maar op andere dagen dan de wedstrijddagen, van 18 uur tot 13 uur.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5 is het gebruik van de omloop met motorvaartuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld door het Koninklijk besluit van 23 februari 2005 houdende vaststelling van essentiële veiligheidseisen en van essentiële eisen in verband met de geluids- en uitlaatemissies voor pleziervaartuigen, verboden :

op zon- en feestdagen : van 20 uur tot 10 uur;
op de niet in 1° bedoelde dagen : van 21 uur tot 7 uur.

Art. 5.32.10.5. Specifieke veiligheidsvoorwaarden voor indoorkartings met vaar- of motorvoertuigen met ontploffingsmotoren

§ 1.

De deuren tussen racehal en andere ruimten toegankelijk voor het publiek, zijn goed afgedicht en sluiten automatisch.

 

§ 2.

Alle nodige voorzorgen worden genomen om de veiligheid van het publiek te verzekeren.

 

De nooduitgangen moeten steeds bereikbaar zijn en goed zichtbaar aangeduid.

 

[...]

 

§ 3.

Door middel van waarschuwingsborden moeten de klanten geïnformeerd worden over volgende risico’s :

wegens de mogelijkheid van verhoogde koolstofmonoxideniveaus is de aanwezigheid in de racehall af te raden voor zwangeren, jonge kinderen en hartlijders;
wegens verhoogde geluidsniveaus is het dragen van gehoorbeschermers in de racehall wenselijk.

 


Art. 5.32.10.6. Specifieke geluidsvoorwaarden voor indoorkartings met vaar- of motorvoertuigen met ontploffingsmotoren

Om het gehoor van alle aanwezigen in de racehal te beschermen, mag het geproduceerde equivalent geluidsniveau (LAeq, 2h) niet meer dan 90 dB(A) bedragen bij een puntmeting op 1m hoogte en op 1m van de binnenmuur. Het piekniveau (LA10,2h) bedraagt maximaal 110 dB(A).

 

De uitbater moet gehoorbeschermers ter beschikking hebben voor de aanwezigen.

 

 


Art. 5.32.10.7. Specifieke luchtemmissievoorwaarden voor indoorkartings met vaar- of motorvoertuigen met ontploffingsmotoren

Binnen een periode van zes maanden na het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden op initiatief van en op kosten van de exploitant door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, metingen van CO uitgevoerd in de racehal. Die metingen worden bij normale werking en in de meest slechte omstandigheden uitgevoerd. Deze metingen worden ter evaluatie voorgelegd aan de gezondheidsinspectie en aan de milieudienst van de gemeente.

 

Tijdens het racen moet de racehal steeds optimaal geventileerd worden om de schadelijke uitlaatgassen af te voeren. Het gehalte aan koolmonoxide (CO) wordt als indicator beschouwd. De ventilatie, hetzij natuurlijk, hetzij door middel van extractoren of mechanische ventilatie, moet zo efficiënt zijn dat nergens in de racehal een CO-gehalte van 50 ppm overschreden wordt en dat over een glijdende uitmiddelingstijd van 8 uren de concentratie maximaal 25 ppm bedraagt. Zo nodig wordt een pauze voorzien om de hal optimaal te verluchten.

 

In de racehal wordt een CO-detector met alarm geplaatst op een voor de binnenluchtkwaliteit representatief punt, op afstand van de ventilatie-openingen. De detector geeft een auditief en visueel signaal bij een concentratie van 50 ppm CO in de lucht van de racehal. Bij die concentratie worden onmiddellijk alle activiteiten stilgelegd tot normalisatie van de luchtkwaliteit. De detector wordt jaarlijks door een installateur gekeurd.