Hoofdstuk 5.32.
ONTSPANNINGSINRICHTINGEN EN SCHIETSTANDEN


Afdeling 5.32.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.32.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 32 van de indelingslijst.


Art. 5.32.1.2.

Artikel 5.32.1.3 tot en met 5.32.1.9 zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 32.1 en 32.2 van de indelingslijst.


Art. 5.32.1.3.

De exploitant legt een veiligheidsdossier aan waarin alle belangrijke stukken over veiligheid worden bijgehouden. Dat veiligheidsdossier omvat, indien van toepassing, minimaal de volgende documenten:

de afgeleverde keuringsattesten van de elektrische installatie conform artikel 5.32.1.5;
de brandattesten van de gebruikte materialen conform artikel 5.32.1.8;
het goedgekeurde noodplan conform artikel 5.32.2.6, §2, eerste lid, en artikel 5.32.3.8, §2, eerste lid;
de samenstelling van de eerste interventieploeg, conform artikel 5.32.2.6, §2, tweede lid, en artikel 5.32.3.8, §2, tweede lid;
het verslag van de controle van het brandbestrijdingsmateriaal conform artikel 5.32.2.6, §5 en artikel 5.32.3.8, §5;
het keuringsattest van tijdelijke tribunes conform artikel 5.32.3.3, §3, vijfde lid;
het inspectieverslag van het brandgordijn en de hulpapparatuur conform artikel 5.32.4.2, §6;
het inspectieverslag van de rook- en warmteafvoerconform artikel 5.32.4.2, §7.

 

Het veiligheidsdossier, vermeld in het eerste lid, ligt ter inzage van de toezichthouder.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juli 2017.


Art. 5.32.1.4.

De exploitant geeft ter hoogte van de toegang van zijn inrichting duidelijk en ondubbelzinnig het maximaal aantal toegelaten personen van zijn inrichting aan.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, geldt de verplichting, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juli 2017.


Art. 5.32.1.5.

De elektrische installaties binnen de inrichting voldoen aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, afgekort AREI. De afgeleverde keuringsattesten, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het AREI, worden door de exploitant gevoegd in het veiligheidsdossier.

 

Als de normale stroom uitvalt, verzekeren autonome bronnen automatisch en onmiddellijk minstens de werking van onderstaande installaties, indien aanwezig, gedurende minimaal één uur:

de veiligheidsverlichting en de noodverlichting;
de installaties voor melding, waarschuwing en alarm;
de installaties voor rook- en warmteafvoer;
andere installaties of toestellen die bij brand noodzakelijk in dienst moeten blijven.

Art. 5.32.1.6.

Alle bezoekers verlaten de inrichting via toegangen en uitgangen die direct op de openbare weg uitkomen zonder door andere lokalen te gaan, die al dan niet deel uitmaken van de inrichting.

 

De gangen, de deuren en de trapkooien van de toegangs- en uitgangswegen zijn hoog genoeg om een gemakkelijk verkeer mogelijk te maken. De hoogte mag niet minder dan twee meter bedragen.

 

De breedte van de gangen, deuren en trappen van de toegangs- en uitgangswegen staat in verhouding tot het maximaal aantal personen waarvoor ze dienstig zijn. De minimale breedte bedraagt 80 cm en is ten minste gelijk, in centimeters, aan het maximaal toegelaten aantal personen voor de gangen en de deuren, aan dit aantal vermenigvuldigd met 1,25 voor de trappen die naar de uitgangen afdalen, en aan dat aantal vermenigvuldigd met 2 voor de trappen die naar de uitgangen omhoog lopen.

 

Voor inrichtingen waarvoor de vergunning na 1 juli 2014 verleend werd, mogen hellingen van meer dan 10% niet als toegangs- of uitgangsweg worden meegerekend.

 

Alle bezoekers kunnen alle uitgangen gebruiken.

 

De deuren van de toegangs- en uitgangswegen draaien open in de richting van de vluchtzin en hebben geen vergrendeling die de evacuatie op welke wijze dan ook kan belemmeren. Deuren die op de openbare weg uitkomen mogen alleen naar binnen opendraaien als ze, zodra er publiek aanwezig is, volledig openstaan tegen en stevig verankerd zijn aan een vast gedeelte van het gebouw. De deuren waardoor het publiek eventueel zou moeten gaan, openen bij de minste drukking.

 

Het is verboden om in toegangs- en uitgangswegen voorwerpen te plaatsen die de vlotte evacuatie kunnen belemmeren.


Art. 5.32.1.7.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de Codex Welzijn op het Werk omtrent de basiseisen gesteld aan arbeidsplaatsen, meer in het bijzonder de bepalingen omtrent veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, gelden de volgende voorwaarden:

elke uitgang of nooduitgang wordt aangegeven door reglementaire pictogrammen; deze pictogrammen zijn vanuit alle hoeken van de betreffende ruimte duidelijk zichtbaar en worden verlicht door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting;
in afwijking van punt 1° is ook een dynamisch evacuatiesysteem toegestaan dat zo ontworpen is dat op basis van sensoren en alarmsignalen uit de omgeving de meest aangewezen vluchtroute wordt bepaald en aan de bezoekers wordt aangegeven;
de deuren die niet op een uitgang uitkomen, zijn voorzien van een goed leesbaar opschrift "GEEN NOODUITGANG", of een gelijkwaardig pictogram;
de richting van de wegen en trappen die naar de uitgangen en de nooduitgangen leiden, wordt op uniforme wijze aangeduid en verlicht;
in de publiek toegankelijke gebouwdelen wordt de vluchtrichting ook aangeduid door middel van signalisatie op maximaal 40 cm boven de vloer; deze signalisatie wordt ook bij nood verlicht; dit mag gebeuren met nalichtende materialen.

 


Art. 5.32.1.8.

§ 1.

Alle bekleding van verticale wanden, plafonds, vloeren, meubelen en aangebrachte versieringen zijn van die aard dat ze niet tot brandvoortplanting en rookontwikkeling kunnen bijdragen en geven bij brand geen giftige gassen af. Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, geldt deze verplichting vanaf 1 juli 2017.

 

De brandattesten van de materialen, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier.

 

§ 2.

Voor de kunstmatige verlichting en voor de lichtdecoratie wordt alleen elektriciteit toegestaan.

 

§ 3.

Vast opgesteld groen licht mag in de zaal voor geen ander doel gebruikt worden.


Art. 5.32.1.9. Er geldt een algemeen rookverbod in de inrichting. Het rookverbod wordt overeenkomstig de reglementair voorgeschreven pictogrammen op alle nuttige plaatsen aangegeven.

Afdeling 5.32.2.
Inrichtingen met muziekactiviteiten


Art. 5.32.2.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.1 van de indelingslijst.

 

In afwijking van het eerste lid is voor de schouwspelzalen enkel artikel 5.32.2.2bis van toepassing. 


Art. 5.32.2.2. Geluid en trillingen

§ 1.

De bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit zijn van toepassing. [...]

 

§ 2.

De exploitatie van de inrichting en het gebruik van (een) elektronische versterker(s) die muziek voortbrengt(en) is, behalve op zon- en feestdagen, verboden vanaf 3 uur tot 7 uur.

 

In afwijking van de in deze paragraaf vermelde verbodsbepalingen kan, in functie van de plaatselijke omstandigheden, elke andere regeling inzake openings- en sluitingsuren worden vastgesteld in de bijzondere voorwaarden.


Art. 5.32.2.2bis.

§ 1.

Muziekactiviteiten met een maximaal geluidsniveau > 85 dB(A)LAeq,15min en ≤ 95 dB(A) LAeq,15min :

het maximaal geluidsniveau mag LAeq,15min 95 dB(A) niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau, gemeten als LAmax,slow 102 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan. Bij het meten van het geluidsniveau wordt zowel het geluid van muziek als het omgevingsgeluid in rekening gebracht;  
het geluidsniveau geldt ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis; 

op initiatief en op kosten van de exploitant wordt ofwel LAeq,15min, ofwel LAmax,slow continu gemeten door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis. Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon.  Als de geluidsnormen overschreden worden, wordt in afwijking van artikel 4.1.5.3 het maximale geluidsniveau in de inrichting onmiddellijk verlaagd tot een niveau waarbij de geluidsnormen niet meer overschreden worden.

 

De verplichting tot het meten van het geluidsniveau geldt niet als door de exploitant een geluidsbegrenzer gebruikt wordt die zo is afgesteld dat de norm, vermeld in het eerste lid, gerespecteerd wordt. De geluidsbegrenzer moet voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis; 

4°  In afwijking van punt 1° mag het maximaal geluidsniveau LAeq,15min 95 dB(A) overschreden worden, op voorwaarde dat :  
a)  de muziekactiviteit voorafgaand is aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsgrijpt; en 
b)  het college, vermeld in a), de muziekactiviteit toelaat. Met behoud van de toepassing van paragraaf 3, kan die toelating evenwel alleen gegeven worden indien de muziekactiviteit : 
1)  doorgaat tussen 12u en 0u en maximaal 3u duurt; per dag kan maximaal 1 periode van 3 u. toegelaten worden; of 
2)  gekoppeld is aan een bijzondere gelegenheid en doorgaat in een feestzaal of lokaal waarin cumulatief aan de volgende criteria wordt voldaan : 
  maximaal 12 gelegenheden per jaar;
  maximaal 2 gelegenheden per maand; 
  - de sommatie van deze gelegenheden mag zich maximaal over 24 kalenderdagen per jaar spreiden (in geval een muziekactiviteit avonduren alsook morgenuren van de daarop volgende kalenderdag omvat, worden twee kalenderdagen geteld). 

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit, vermeld in het voorgaande lid, toelaat zijn de bepalingen, vermeld in paragraaf 2, van toepassing met uitzondering van de verplichting tot het opmaken van een geluidsplan.

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit toelaat overeenkomstig punt b), 2) zijn de bepalingen vermeld in hoofdstuk 4.5 niet van toepassing.

 

Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsvindt, kan beperkende maatregelen opleggen, bijvoorbeeld voor het maximaal toegelaten geluidsniveau of voor de duur van de muziekactiviteit.

 

§ 2.

Muziekactiviteiten met een maximaal geluidsniveau > 95 dB(A)LAeq,15min [...] :

1°  het maximaal geluidsniveau mag LAeq,60min 100 dB(A) niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau, gemeten als LAeq,15min 102 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan. Bij het meten van het geluidsniveau wordt zowel het geluid van muziek als het omgevingsgeluid in rekening gebracht; 
2°  het geluidsniveau geldt ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis; 
3° 

op initiatief en op kosten van de exploitant wordt LAeq,60min continu gemeten en geregistreerd door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis en kan LAeq,15min gemeten worden. [...] Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon.

 

De geregistreerde gegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid gedurende een periode van ten minste een maand.

 

De verplichting tot het meten en registreren van het geluidsniveau geldt niet als door de exploitant een geluidsbegrenzer gebruikt wordt die zo wordt afgesteld dat de norm, vermeld in het eerste lid, gerespecteerd wordt. De geluidsbegrenzer moet voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis. Als de geluidsnormen overschreden worden, wordt in afwijking van artikel 4.1.5.3 het maximale geluidsniveau in de inrichting onmiddellijk verlaagd tot een niveau waarbij de geluidsnormen niet meer overschreden worden.

4°  de exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade : 
a) het kosteloos ter beschikking stellen aan alle bezoekers van gehoorbescherming voor eenmalig gebruik; en 
b) het opmaken van een geluidsplan om het geluidsniveau in de inrichting te optimaliseren in geval van permanente geluidsinstallaties die tot de inrichting behoren. Het geluidsplan moet tenminste de volgende gegevens bevatten : 
1) de optimale opstelling en keuze van de luidsprekers rekening houdend met een zo efficiënt mogelijke verdeling van het geluid; 
2) de meetplaats; 
3) het geluidsniveau ter hoogte van de meetplaats en ten minste vier andere beoordelingsplaatsen; 
4) de plaats waar het geluidsniveau geregeld wordt; 
5) de plattegrond op schaal van de volledige ruimte die toegankelijk is voor het publiek. 

 

Het geluidsplan wordt opgemaakt door een milieudeskundige die erkend is in de discipline geluid en trillingen. Dat plan maakt in voorkomend geval deel uit van het akoestische onderzoek, vermeld in artikel 5.32.2.3, § 1. Het geluidsplan is aanwezig in de inrichting en ligt ter inzage van de toezichthoudende overheid.

 

§ 3.

Muziekactiviteiten met een geluidsniveau in de inrichting > 100dB(A)LAeq,60min zijn verboden. 


Art. 5.32.2.3.

§ 1.

Naleving van de bepalingen voor geluid door nieuwe inrichtingen als vermeld in rubriek 32.1.2° van de indelingslijst

 

Uiterlijk 10 kalenderdagen vóór de eerste ingebruikname van de inrichting laat de exploitant op zijn kosten een volledig akoestisch onderzoek uitvoeren door een milieudeskundige erkend in de discipline geluid en trillingen.
Betreffende de naleving van de bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit, onverminderd de bepalingen van bijlage 4.5.2. bij dit besluit, bevat het verslag van het akoestisch onderzoek eveneens:
a) een duidelijke beschrijving van de plaats van opstelling en van het vermogen van alle toestellen en installaties die enige impakt kunnen hebben op de geluidsbelasting in de omgeving;
b) een gedetailleerde beschrijving van de meetmethode en de meetomstandigheden zodanig dat de meting steeds onder dezelfde omstandigheden kan worden overgedaan;
c) de gemeten geluidsniveaus in de inrichting en in de omgeving met duidelijke vermelding van de meetpunten.
Het akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd bij het maximaal vermogen dat wordt bereikt tijdens de exploitatie. Dit vermogen wordt vermeld in het verslag.
Het in sub 1° van deze paragraaf vermelde akoestisch onderzoek dient onmiddellijk overgedaan bij enige wijziging aan de plaats van opstelling en/of aan het vermogen van toestellen en installaties. De milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen neemt inzage van het verslag van het vorige volledig akoestisch onderzoek.
Bij niet naleving van de bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit dient onmiddellijk een saneringsonderzoek uitgevoerd door een milieudeskundige erkend in de discipline geluid en trillingen en worden de nodige saneringsmaatregelen getroffen.

Indien de inrichting niet beantwoordt aan de bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit wordt de aanvang van de exploitatie uitgesteld of de verdere exploitatie stopgezet tot de saneringsmaatregelen zijn uitgevoerd.

De vergunningverlenende overheid en de toezichthouder worden door de exploitant schriftelijk in kennis gesteld van de voorziene saneringsmaatregelen. Na het uitvoeren van deze saneringsmaatregelen wordt, in overleg met de toezichthouder een nieuw volledig akoestisch onderzoek uitgevoerd door de voormelde deskundige.

Voor nieuwe inrichtingen dient daarbij evenwel ook de termijn van ingebruikname van toepassing met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit onverminderd nageleefd.

 

§ 2.

Naleving van de bepalingen voor geluid door bestaande inrichtingen als vermeld in rubriek 32.1 van de indelingslijst: in dit geval blijven de algemene voorwaarden van afdeling 4.5.4 en 4.5.5 onverminderd van toepassing, behoudens wat betreft de verplichtingen tot uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek en tot opstelling en uitvoering van een saneringsplan. In dit geval gelden een of meer van deze verplichtingen enkel in zoverre deze is/zijn opgelegd door de vergunningverlenende overheid.

 

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt onder bestaande inrichting verstaan: ingedeelde inrichtingen waarvoor de stedenbouwkundige vergunning voor 1 januari 1999 is verleend en die op 31 december 2012 al uitgebaat of in gebruik waren of zijn.

 

 

§ 3.

De in de §§ 1 en 2 van dit artikel bedoelde onderzoeksverslagen zijn aanwezig in de inrichting. Zij zijn ter inzage van de toezichthouder.


Art. 5.32.2.4. Uitrusting gebouw

[...]


Art. 5.32.2.4bis. Toe- en uitgangswegen

[...]


Art. 5.32.2.5. Brandvoorkoming [...]

§ 1.

De verwarming van het lokaal mag niet geschieden met toestellen die een vlam of gloeiend oppervlak vertonen.

 

§ 2.

Leidingen met ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 of ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3 volgens de CLP-verordening zijn in het danslokaal of in de muren, zoldering en vloer ervan verboden.

 

§ 3.

Het opslaan van brandbare, of producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS01 of GHS02 volgens de CLP-verordening in het danslokaal is verboden.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

[...]


Art. 5.32.2.6. Brandbestrijding

§ 1. Blusmiddelen

De exploitant brengt een uitrusting aan die bestemd is om een begin van brand te bestrijden. Als minimum geldt één bluseenheid per 150 m². De blusmiddelen zijn doelmatig gesignaleerd, makkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Inzake de benodigde brandbestrijdingsmiddelen raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 2. Noodplanning en eerste interventieploeg

De exploitant stelt een intern noodplan op om adequaat te kunnen reageren bij brand of een andere calamiteit. Het noodplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde brandweer. Het goedgekeurde noodplan wordt in het veiligheidsdossier bewaard.

 

Als het gaat om een inrichting met meer dan duizend toegelaten aanwezigen, richt de exploitant een eerste interventieploeg op die uittwee teams bestaat: een team van interventieleden die de brand trachten te controleren in afwachting van de komst van de bevoegde brandweer en een team van evacuatieverantwoordelijken die toezien op een vlotte evacuatie van personeel en publiek. Voor de samenstelling en het functioneren van deze dienst raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer. De lijst van het personeel waaruit deze dienst bestaat, wordt aan het veiligheidsdossier toegevoegd. De interventieploeg houdt minstens eenmaal per jaar een oefening.

 

§ 3. Detectie, waarschuwing en alarmering

Iedere inrichting is voorzien van een adequaat branddetectiesysteem.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem bijkomend voorzien van brandmeldknoppen.

 

Voor inrichtingen met meer dan duizend toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem verbonden met een brandcentrale. De brandcentrale geeft minimaal aan in welke zone de brand gedetecteerd wordt. De locatie van de brandcentrale wordt bepaald in overleg met de bevoegde brandweer. De exploitant beschikt daarnaast over een autonoom oproepsysteem van de interne interventieploeg.

 

Iedere inrichting beschikt over een autonome alarmeringsinstallatie die het personeel en het publiek waarschuwt als bij een incident de inrichting ontruimd moet worden.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt de muziek automatisch stopgezet en de verlichting aangestoken voordat het ontruimingsalarm afgaat. Het ontruimingsalarm wordt periodiek onderbroken met een vooraf ingesproken ontruimingsinstructie.

 

Voor de uitrusting van branddetectie, -melding en alarmering raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 4. Evacuatieplannen

Een grondplan van de inrichting met aanduiding van de evacuatiewegen en de locatie van de brandbestrijdingsmiddelen wordt correct georiënteerd opgehangen in de nabijheid van elke in- en uitgang van de publiek toegankelijke ruimten.

 

§ 5. Onderhoud en periodieke controle

Alle delen van de inrichting, de toestellen en de installaties worden goed onderhouden. Het materieel voor brandbestrijding en de elektrische installaties worden maandelijks gecontroleerd op de goede staat door de exploitant of zijn aangestelde. Het waarschuwings- en alarmsysteem worden maandelijks getest. Het brandbestrijdingsmateriaal wordt jaarlijks gecontroleerd door een daarvoor bevoegde instantie. Van die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.

 

§ 6.

De inrichting is uitgerust met ten minste één gemakkelijk te bereiken vast telefoontoestel.

 

§ 7.

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 2 en in paragraaf 3, het tweede, derde en vijfde lid, vanaf 1 juli 2017.


Afdeling 5.32.3.
Schouwspelzalen


Art. 5.32.3.1.

§ 1.

Deze afdeling is van toepassing op schouwspelzalen als vermeld in rubriek 32.1.2° van de indelingslijst en de volgende schouwspelzalen, vermeld in rubriek 32.2 van de indelingslijst:

bioscopen;
schouwburgen, variététheaters en feestzalen met een speelruimte;
zalen voor sportmanifestaties;
polyvalente zalen waarin een activiteit als vermeld in punt 1°, 2° en 3°, plaatsvindt.

 

Artikel 5.32.3.10 is van toepassing op muziekactiviteiten in polyvalente zalen als vermeld in rubriek 32.2.2° van de indelingslijst.

 

§ 2.

Geen enkele vertoning mag worden gegeven of voortgezet zo om het even welke van de door dit hoofdstuk voorgeschreven veiligheidstoestellen niet in staat is om te werken.


Art. 5.32.3.2. Bouw

§ 1.

Moeten uit metselwerk of beton opgetrokken worden:

de muren van de zaal, van het toneel en van de toe- en uitgangswegen;
de zolderingen en vloeren die de zaal, het toneel en de toe- en uitgangswegen van om het even welke andere lokalen scheiden;
de balkons;
de trappen welke door het publiek kunnen gebruikt worden;
de stutten van voormelde zolderingen, vloeren, balkons en trappen, tenzij zij uit metalen bestanddelen bestaan.

 

 

§ 2.

Alleen voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, mogen de treden en de vloeren van de zaal in hout zijn voor zover ze geplaatst zijn op vaste grond of op een doorlopend schotwerk uit metselwerk of uit beton dat op stutten rust met een brandklasse A1. Voor inrichtingen vergund vanaf 1 juli 2014 mogen de treden en de vloeren van de zaal, de tribune en het toneel, slechts in hout zijn voor zover het hout, eventueel na een behandeling, minimaal in brandklasse B wordt geclassificeerd. De ledige ruimte welke eventueel tussen deze treden of deze vloeren eensdeels, en de vaste grond of het schotwerk anderdeels, bestaat, moet zo klein mogelijk zijn.

 

§ 3.

De eindlaagmaterialen van de dakbedekking behoren tot brandklasse A1 of zijn conform aan de beschikking 2000/553/EG van de Commissie van 6 september 2000 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot het brandgedrag aan de buitenzijde van dakbedekkingen. Als de eindlaagmaterialen niet voldoen aan de vereiste, vermeld in het eerste lid, vertonen de producten of materialen voor dakbedekking de eigenschappen van de brandklasse Broof (t1), vermeld in de beschikking 2001/671/EG van de Commissie van 21 augustus 2001 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot de indeling van het gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde.


Art. 5.32.3.3. Inrichting van de zaal

§ 1. Zitplaatsen

Om een vlotte circulatie bij gebruik en eventuele evacuatie te garanderen, worden volgende eisen gesteld aan de zaalindeling:

iedere zitplaats is minstens 50 cm breed en minstens 75 cm lang. Deze afmetingen worden respectievelijk genomen van as tot as tussen de zitplaatsen van dezelfde rij en van as tot as tussen de rijen zitplaatsen;
elke rij zitplaatsen wordt verdeeld door armleuningen of door elke andere inrichting die het plaatsen van meer dan één persoon per 50 cm breedte verhindert;
de vrije ruimte tussen de stoelenrijen bedraagt minimaal 45 cm. Die breedte mag beperkt worden tot 40 cm als de zitplaatsen geplaatst zijn op treden van ten minste 15 cm hoogte. Bij automatische klapstoelen geldt als vrije ruimte de kleinste van de ruimte tussen enerzijds de achterzijde van de voorgaande stoelenrij en anderzijds de dichtgeklapte stoel of de armleuning;
de zitplaatsen zijn stevig verankerd in de vloer of aan elkaar, met uitzondering van de zitplaatsen van de loges en de benedenloges;
voor het personeel wordt er altijd een voldoende aantal zitplaatsen gereserveerd;
de rijen zitplaatsen mogen niet meer dan tien zitplaatsen omvatten, als er maar één gang voor bestaat. Ze mogen twintig zitplaatsen omvatten als er twee gangen voor bestaan.

 

Een afwijkende indeling van de zitplaatsen kan worden toegestaan door de vergunningverlenende overheid als de exploitant kan aantonen dat de effectiviteit van de ontruiming minimaal gelijkwaardig is. Hij toont dat aan door middel van simulatieberekeningen.

 

§ 2. Staanplaatsen

De staande toeschouwers worden alleen tot de daarvoor speciaal bestemde wandelgangen toegelaten. De plaats die gereserveerd is voor staande toeschouwers, bedraagt minstens een halve vierkante meter per staande toeschouwer.

 

§ 3. Trappen.

De trappen, uitgezonderd tribunetrappen, zijn aan beide kanten van stevige leuningen voorzien. Als de trappen, uitgezonderd tribunetrappen, breder dan 2,40 meter zijn, worden ze bovendien door een of meer leuningen in verscheidene delen gescheiden, zodat de breedte van elk van die delen 2,40 meter niet overtreft en niet minder dan 0,80 meter bedraagt. Tribunetrappen zijn aan de zijde die niet naast de zitplaatsen gelegen is ook van een stevige leuning voorzien.

 

De trappen hebben geen wenteltrapvormige delen. De trappen worden verdeeld door trapbordessen van minstens 1 meter zodat elke traparm niet meer dan zeventien treden telt.

 

De trappen hebben volle stootborden. Voor trappen voor dalende evacuatie geldt deze verplichting niet. Elke trede is minstens dertig cm breed en hoogstens achttien cm hoog. Geen enkele trede mag meer dan vijf cm buiten haar stootbord uitsteken.

 

De helling van de trappen bedraagt maximaal 75 %. Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, geldt deze verplichting vanaf 1 juli 2017.

 

De voorwaarden van deze paragraaf gelden ook voor uitschuifbare of tijdelijke tribunes. Met behoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen ter zake worden de uitschuifbare tribunes jaarlijks onderworpen aan een keuring door een bevoegd persoon of een onafhankelijke keuringsorganisatie. Het keuringsattest wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.

 

Een tijdelijke tribune wordt voor ingebruikname in dienst gesteld door een bevoegd persoon of een onafhankelijk keuringsorganisatie.

De toegang onder uitschuifbare of tijdelijke tribunes wordt onmogelijk gemaakt voor publiek en onbevoegden. Elke vorm van opslag onder de tribune is verboden.

 

§ 4. Inrichtingen voor toegangscontrole.

De inrichtingen voor toegangscontrole zijn stevig verankerd en zodanig opgesteld dat voldaan blijft aan de minimaal vereiste breedte van de toegangs- en uitgangswegen. De aanwezigheid van bezoekers bij de inrichtingen voor toegangscontrole mag evenmin een belemmering vormen in geval van evacuatie.


Art. 5.32.3.4. Elektrische installatie - Verlichting

[...]


Art. 5.32.3.5. Signalisatie

[...]


Art. 5.32.3.6. Verwarming en luchtverversing

§ 1.

De lokalen worden behoorlijk verwarmd en verlucht.

 

§ 2.

Worden slechts toegelaten, de verwarmingsinstallaties:

met warm water;
met stoom onder lage druk;
met warme lucht, voor zover:
a)de warme lucht zich in de generator voortdurend onder een hogere drukking bevindt dan de gassen die doorheen de vuurhaard trekken;
b)de generator uitgerust is met een doeltreffende stoffilter;
c)de verse lucht rechtstreeks in de open lucht aangezogen wordt;
d)de aanvoerkanalen van warme lucht uit metaal zijn, of gebouwd in metselwerk;
e)de temperatuur van de warme lucht in de kanalen, waar deze in de zaal of haar aanhorigheden binnendringen, in geen enkele omstandigheid 80°C overschrijdt;
met elektriciteit, voor zover de temperatuur van de verwarmingsbestanddelen niet boven 100° C stijgt.

 

§ 3.

De stookinstallaties worden geplaatst in een goed verlucht lokaal dat uitsluitend voor dat gebruik is gereserveerd, en zijn volledig gebouwd uit materiaal van brandklasse A1. De lokalen voor stookinstallaties komen niet rechtstreeks uit op de zaal of het toneel .


Art. 5.32.3.7. Rookverbod

[...]


Art. 5.32.3.8.

§ 1. Blusmiddelen

De exploitant brengt een uitrusting aan die bestemd is om een begin van brand te bestrijden. Als minimum geldt één bluseenheid per 150 m². De blusmiddelen zijn doelmatig gesignaleerd, makkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Voor de benodigde brandbestrijdingsmiddelen raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 2. Noodplanning en eerste interventieploeg

De exploitant stelt een intern noodplan op om adequaat te kunnen reageren bij brand of een andere calamiteit. Het noodplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde brandweer. Het goedgekeurd noodplan wordt in het veiligheidsdossier bewaard.

 

De exploitant richt een eerste interventieploeg op. De betreffende ploeg bestaat uit twee teams: een team van interventieleden die de brand proberen te controleren in afwachting van de komst van de brandweer en een team van evacuatieverantwoordelijken die toezien op een vlotte evacuatie van personeel en publiek. Voor de samenstelling en het functioneren van deze dienst raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

De lijst van het personeel waaruit deze dienst bestaat, wordt aan het veiligheidsdossier toegevoegd. De interventieploeg houdt minstens eenmaal per jaar een oefening.

 

§ 3. Detectie, waarschuwing en alarmering

Iedere inrichting is voorzien van een adequaat branddetectiesysteem.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem bijkomend voorzien van brandmeldknoppen.

 

Voor inrichtingen met meer dan duizend toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem verbonden met een brandcentrale. De brandcentrale geeft minimaal aan in welke zone de brand gedetecteerd wordt. De locatie van de brandcentrale wordt bepaald in overleg met de bevoegde brandweer. De exploitant beschikt daarnaast over een autonoom oproepsysteem van de interne interventieploeg.

 

Iedere inrichting beschikt over een autonome alarmeringsinstallatie die het personeel en publiek waarschuwt als bij een incident de inrichting ontruimd moet worden.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt de vertoning automatisch stopgezet en de verlichting aangestoken voordat het ontruimingsalarm afgaat. Het ontruimingsalarm wordt periodiek onderbroken met een vooraf ingesproken ontruimingsinstructie.

 

Voor de uitrusting van branddetectie, -melding en alarmering raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 4. Evacuatieplannen

Een grondplan van de inrichting met aanduiding van de evacuatiewegen en de locatie van de brandbestrijdingsmiddelen wordt correct georiënteerd opgehangen in de nabijheid van elke in- en uitgang van de publiek toegankelijke ruimten.

 

§ 5. Onderhoud en periodieke controle

Alle delen van de inrichting, de toestellen en de installaties worden goed onderhouden. Het materiaal voor brandbestrijding en de elektrische installaties worden maandelijks gecontroleerd op de goede staat door de exploitant of zijn aangestelde. Het waarschuwings- en alarmsysteem worden maandelijks getest. Het brandbestrijdingsmaterieel wordt jaarlijks gecontroleerd door een daarvoor bevoegde instantie. Van die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.

 

§ 6.

De inrichting is uitgerust met ten minste één gemakkelijk te bereiken vast telefoontoestel.

 

§ 7.

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 2 en in paragraaf 3, het tweede, derde en vijfde lid, vanaf 1 juli 2017.


Art. 5.32.3.9. Maatregelen tegen lawaai

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. dienen de nodige maatregelen getroffen om te beletten dat het gerucht dat uit de zaal voortkomt de buren kan hinderen.


Art. 5.32.3.10. Maximaal geluidsniveau van muziekactiviteiten in de inrichting

§ 1.

Het maximaal geluidsniveau in inrichtingen vermeld in rubriek 32.2.2° van de indelingslijst mag LAeq,15min 95 dB(A) niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau gemeten als LAmax,slow 102 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan. Bij het meten van het geluidsniveau wordt zowel het geluid van muziek als het omgevingsgeluid in rekening gebracht;

 

§ 2.

Het geluidsniveau geldt ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis.

 

§ 3.

Bij muziekactiviteiten met een maximaal geluidsniveau > 85 dB(A) LAeq,15min en ≤ 95 dB(A) LAeq,15min wordt op initiatief van en op kosten van de exploitant ofwel LAeq,15min ofwel LAmax,slow continu gemeten door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis. Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon. Als de geluidsnormen overschreden worden, wordt in afwijking van artikel 4.1.5.3 het maximale geluidsniveau in de inrichting onmiddellijk verlaagd tot een niveau waarbij de geluidsnormen niet meer overschreden worden.

 

De verplichting tot het meten van het geluidsniveau geldt niet als door de exploitant een geluidsbegrenzer gebruikt wordt die zo is afgesteld dat de norm, vermeld in het eerste lid, gerespecteerd wordt. De geluidsbegrenzer moet voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis;

 

§ 4.

Paragraaf 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 32.2.2° van de indelingslijst, op voorwaarde dat :

de muziekactiviteit voorafgaand is aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsgrijpt; en 
het college, vermeld in punt 1°, de muziekactiviteit toelaat. Die toelating kan evenwel alleen gegeven worden indien het geluidsniveau in de inrichting LAeq,60min ≤ 100 dB(A) en de muziekactiviteit :  
a) doorgaat tussen 12 u. en 0 u. en maximaal 3 u. duurt; per dag kan maximaal 1 periode van 3 u. toegelaten worden; of 
b) gekoppeld is aan een bijzondere gelegenheid en doorgaat in een schouwspelzaal waarin cumulatief aan de volgende criteria wordt voldaan : 
1)  maximaal 12 gelegenheden per jaar;  
2) maximaal 2 gelegenheden per maand; 
3) de sommatie van deze gelegenheden mag zich maximaal over 24 kalenderdagen per jaar spreiden (ingeval een muziekactiviteit avonduren alsook morgenuren van de daarop volgende kalenderdag omvat, worden twee kalenderdagen geteld). 

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit toelaat, zijn de bepalingen, vermeld in artikel 5.32.2.2bis, § 2, van toepassing met uitzondering van de verplichting tot het opmaken van een geluidsplan.

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit toelaat overeenkomstig punt 2°, b), zijn de bepalingen vermeld in hoofdstuk 4.5 niet van toepassing.

 

Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsvindt, kan beperkende maatregelen opleggen, bijvoorbeeld voor het maximaal toegelaten geluidsniveau of voor de duur van de muziekactiviteit.

 

§ 5.

Muziekactiviteiten met een geluidsniveau in de inrichting > 100 dB(A) LAeq,60min zijn verboden.


Afdeling 5.32.4.
Bijzondere voorschriften ten aanzien van schouwburgen, variététheaters en feestzalen, met een speelruimte langs boven of langs onder uitgerust met mechanische toestellen.


Art. 5.32.4.1.

Onverminderd de voorschriften van afdeling 5.32.3. voldoen de schouwburgen, variététheaters en feestzalen, met een speelruimte langs boven of langs onder uitgerust met mechanische toestellen, daarenboven [...] aan de bepalingen van deze afdeling 5.32.4.


Art. 5.32.4.2.

§ 1.

De scheidingsmuren tussen de inrichting en de aanpalende gebouwen steken minstens 1,50 m boven de voeglijn van die muren met het dak der inrichting uit.

 

§ 2.

Het toneel en zijn aanhorigheden liggen binnen een ringmuur van minstens 28 cm dikte zo hij uit metselwerk, en 15 cm dikte zo hij uit beton is opgetrokken.

 

§ 3.

Het gedeelte van deze muur, dat het toneel en de zaal scheidt, moet tot aan de buitenmuren van deze laatste worden doorgebouwd en 1,50 m boven het dak der zaal uitsteken.

Buiten de toneelopening, mogen in die muur slechts de onontbeerlijke openingen worden aangebracht. Elk van die openingen is voorzien van een deur welke naar de kant der zaal opengaat en automatisch sluit. De deuren hebben een brandwerendheid van minimaal EI160.

 

§ 4.

De trappen, ladders en bruggen voor de bediening van het toneel en zijn aanhorigheden zijn uit materiaal met een brandklasse A1 vervaardigd.

 

§ 5. Brandgordijn

De toneelopening is voorzien van een knikvast metalen brandgordijn ofwel een brandgordijn met brandwerendheid EI 60. Dat brandgordijn is in staat om het doorlaten van rook en het overslaan van het vuur van het toneel naar de zaal te verhinderen.

 

Er kan zich een zelfsluitende deur in het brandgordijn bevinden met brandwerendheid EI160. Het brandgordijn moet in maximaal 30 seconden kunnen neerdalen tot op zijn functionele hoogte. De functionele hoogte wordt bepaald in overleg met de bevoegde brandweer. Duidelijke instructies voor het bedienen van de combinatie van het brandgordijn met de rook- en warmteafvoer moeten bij de bedieningsorganen aangebracht zijn en moeten deel uitmaken van opleiding van het bevoegd personeel. Het brandgordijn is voorzien van een remmechanisme om ongevallen te voorkomen. Het brandgordijn is voldoende stijf of voorzien van wand- en vloergeleiders. De bediening van het brandgordijn bevindt zich in de zaal en op het toneel of de aanhorigheden ervan.

 

§ 6. Controle van het brandgordijn

Het brandgordijn en de hulpapparatuur ervan worden jaarlijks volledig nagezien door een bevoegd persoon of een onafhankelijke keuringsorganisatie. Het inspectieverslag wordt bewaard in het veiligheidsdossier.

 

§ 7. Rook- en warmteafvoer

Er is minstens in de toneeltoren een rook- en warmteafvoer voorzien. De bediening van de rook- en warmteafvoer kan manueel of mechanisch zijn. De bediening bevindt zich zowel op de scène als buiten de toneeltoren. De gewone ventilatie wordt automatisch buiten werking gesteld bij inwerkingtreding van de rookafvoer tenzij ze deel uitmaakt van de rook- en warmteafvoer. De rook- en warmteafvoer wordt gedimensioneerd volgens een code van goede praktijk.

 

De rook- en warmteafvoer en de hulpapparatuur ervan worden jaarlijks volledig nagezien door een bevoegd persoon of een onafhankelijke keuringsorganisatie. Het inspectieverslag wordt bewaard in het veiligheidsdossier.

 

§ 8. Uitgangen van het toneel en van zijn aanhorigheden

Het toneel en zijn aanhorigheden beschikken over uitgangen, waarvan het aantal en de schikking een snelle en veilige ontruiming van het personeel en de artiesten naar de openbare weg toelaten.

 

§ 9. Toneelmeubelen en -schermen

De voor vertoningen bestemde toneelschermen en -meubelen, welke tijdens een vertoning niet worden gebruikt, worden in een volledig uit metselwerk of beton opgetrokken speciaal lokaal geborgen. De deuren hebben een brandwerendheid van EI160 en zijn zelfsluitend


Afdeling 5.32.5.
Bijzondere voorschriften ten aanzien van bioscopen waar ontvlambare films afgedraaid worden.


Art. 5.32.5.1. [...]

Art. 5.32.5.2. Bouw van filmprojectie- en oprolkamertjes

[...]


Art. 5.32.5.3. Uitgangen van de projectie- en oprolkamertjes

[...]


Art. 5.32.5.4. Bouw der deuren

[...]


Art. 5.32.5.5. Schoorstenen

[...]


Art. 5.32.5.6. Openingen van het projectiekamertje

[...]


Art. 5.32.5.7. Elektrische installaties der projectie- en oprolkamertjes

[...]


Art. 5.32.5.8. Projectietoestel

[...]


Art. 5.32.5.9. Bewaring der films

[...]


Art. 5.32.5.10. Materieel der projectie- en oprolkamertjes

[...]


Art. 5.32.5.11. Personeel in de kamertjes

[...]


Art. 5.32.5.12. Toegang tot de projectie- en oprolkamertjes

[...]


Afdeling 5.32.5bis.
Digitale bioscopen


Art. 5.32.5bis.0.

Met behoud van de toepassing van afdeling 5.32.3 voldoen digitale bioscopen daarenboven aan deze afdeling 5.32.5bis.


Art. 5.32.5bis.1.

Digitale bioscopen worden geëxploiteerd overeenkomstig een geluidzorgsysteem.


Het geluidzorgsysteem, vermeld in het eerste lid, voldoet aan de vereisten die de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, vaststelt. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, deelt het geluidzorgsysteem voorafgaandelijk mee aan de Vlaamse Regering.


Art. 5.32.5bis.2.

Het geluidzorgsysteem, vermeld in artikel 5.32.5bis.1., eerste lid, bestaat uit maatregelen die betrekking hebben op het onderhoud en de kalibratie van de zalen, en op instellingen van het digitale geluidsysteem. Dat geluidzorgsysteem bevat ook meet- en registratieverplichtingen, indicatieve geluidsniveaus en maatregelen die de bewustmaking van de bioscoopbezoeker beogen.


Afdeling 5.32.6.
Modelvliegtuigen


Art. 5.32.6.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.6 van de indelingslijst.


Art. 5.32.6.2.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5 zijn alle in de tweede klasse ingedeelde activiteiten met modelvliegtuigen verboden vanaf 19 uur tot 7 uur.


Art. 5.32.6.3.

Alle activiteiten met modelvliegtuigen zijn verboden in natuur- en bosgebieden zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, in het bosdecreet van 13 juli 1990 en in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.


Afdeling 5.32.7.
Schietstanden in een lokaal


Subafdeling 5.32.7.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.32.7.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.7 van de indelingslijst ondergebracht in een gesloten lokaal.

 

§ 2.

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op het gaaischieten met de handboog, andere dan kruisboog, zijnde handelingen die niet onder de toepassing vallen van de subrubriek 32.7 van de indelingslijst.
Zij zijn evenmin van toepassing op de schietstanden waarin bewakingspersoneel wordt getraind. Voor deze schietstanden gelden de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden.
De verbodsbepaling van artikel 5.32.7.2.1, § 2 is niet van toepassing op het ogenblik waarop de schietstand gebruikt wordt voor schietoefeningen georganiseerd door politie- en/of rijkswachtkorpsen, met inbegrip van de schietverenigingen die in deze korpsen bestaan en waarvan uitsluitend de leden van het korps in actieve dienst lid kunnen zijn, alsook door de ambtenaren die bevoegd zijn wapens te dragen.

 

§ 3.

Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden de schietstanden ingedeeld in de volgende vijf categorieën:

categorie A: de in rubriek 32.7.3° van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, waar er geladen, ontladen en op het doel geschoten wordt met volgende wapens en munitie:
a) geweer en karabijn met munitie als normaal gebruikt voor pistool en revolver;
b) pistool en revolver met normale revolver- en pistoolmunitie;
categorie B: de in rubriek 32.7.3° van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, waar er geladen, ontladen en op het doel geschoten wordt met volgende wapens en munitie en waarbij de kinetische energie van de kogel gemeten op 1 meter van de loopmonding niet groter is dan 600 Joule:
a) geweer en karabijn met munitie klein kaliber tot .22 L.R. (Long Rifle) en dezelfde munitie als normaal gebruikt voor pistool en revolver (geen magnummunitie);
b) pistool en revolver met normale revolver- en pistoolmunitie (geen magnummunitie);
categorie C: de in rubriek 32.7.3° van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, waar er geladen, ontladen en op het doel geschoten wordt met volgende wapens en munitie en waarbij de kinetische energie van de kogel gemeten op 1 meter van de loopmonding niet groter is dan 200 Joule:
a) geweer en karabijn met munitie klein kaliber tot .22 met kamerlading;
b) pistool en revolver met munitie klein kaliber tot .22, (geen magnummunitie);
categorie D: de in rubriek 32.7.1 van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, waar er geladen en ontladen en op het doel geschoten wordt enkel met luchtdrukgeweer en/of luchtdrukpistool en/of kruisbogen;
categorie E: de in rubriek 32.7.1 van de indelingslijst ingedeelde schietstanden ondergebracht in gesloten lokalen, binnen een gebouwencomplex gebruikt door een der algemene of bijzondere politiediensten, bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augstus 1992 op het politieambt, waar er geladen en ontladen en op het doel geschoten wordt met munitie zonder metalen kogel zoals plastieken munitie 9 mm, waarvan de kinetische energie van de kogel gemeten op 1 meter van de loopmonding niet meer dan 220 Joule bedraagt, tenzij andere munitie bepaald wordt in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 


Subafdeling 5.32.7.2.
Schietstanden van categorie A


Art. 5.32.7.2.1.

§ 1.

De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie A.

 

§ 2.

Jacht- en oorlogswapens alsmede jacht- en oorlogsmunitie zijn verboden in de schietstand.

 

§ 3.

De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

 

§ 4.

Het gebruik van voorlaadwapens van welke soort ook is verboden.

 

§ 5.

Het gebruik van kogels met hardstalen kern, lichtkogels of lichtspoormunitie en kwikhoudende munitie is verboden.


Art. 5.32.7.2.2. Bouw

§ 1.

De schietstand is ondergebracht in een uitsluitend daartoe bestemd lokaal, gebouwd volgens een code van goede praktijk, waarvan de wanden, vloer en zoldering uit gewapend beton, minstens 19 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid zijn.

 

§ 2.

De vloer is afgewerkt met een laag in een zacht materiaal zoals een gelijmde plankenvloer met de nerfrichting van het hout in de schietrichting, rubber, cementzandbedlaag, e.d.. Het gebruik van tapijt of andere materialen en/of vloerconstructies, die gemakkelijk stof vasthouden of waaronder zich stof kan ophopen, is verboden.

 

§ 3.

De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger zoals bedoeld in artikel 5.32.7.2.3.

 

§ 4.

Het gedeelte van de aanschietbare wand dat niet beschermd is door de kogelvanger, alsmede de zijwanden en het plafond, over een afstand van minimum 10 meter te rekenen vanaf de standplaats van de schutter, zijn bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden, zoals bv. met op regels aangebrachte houtwolcementplaten van een minimum dikte van 50 mm of met vurenhout ten minste 25 mm dik aangebracht op regels van ten minste 30 mm dik.

 

§ 5.

Oneffenheden en uitstekende delen van constructies in de schietstand zoals balken, palen, aandrijfmechanisme van silhouetten, e.d., moeten maximaal vermeden worden. Indien ze constructief nodig zijn moeten ze:

ofwel bekleed met materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden;
ofwel afgeschermd door staalplaten, zodanig aangebracht dat de projectielen op een veilige wijze afketsen naar verder gelegen delen in de schietzone.

 

§ 6.

Tussen de standplaats van de schutter en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.

 

Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.

 

Deze nooduitgangen en vluchtluiken moeten naar buiten opendraaien en mogen niet van buitenaf kunnen geopend worden.

 

§ 7.

Toegangsdeur(en) moet(en) achter de standplaatsen van de schutters zijn gesitueerd en dien(t)en in de vluchtrichting open te draaien.

 

§ 8.

Plaats, verdeling en breedte van de uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van het lokaal toelaten.


Art. 5.32.7.2.3. Kogelvanger

§ 1.

De kogelvanger waarvan sprake in artikel 5.32.7.2.2., §3 dient gelijktijdig de volgende functies te vervullen:

de rechtstreeks aanschietbare wand beschermen tegen de impacten;
het terugketsen van de projectielen in de schietstand voorkomen;
het produceren van loodhoudend stof bij de impact minimaliseren.

 

§ 2.

De kogelvanger moet uitgevoerd worden op een der volgende wijzen:

een kogelvanger bestaande uit een zandlichaam; het talud van het zandlichaam moet gevormd zijn door een laag zand met een dikte van tenminste 0,5 m en mag geen kleinere helling hebben dan 2 (verticaal) op 3 (horizontaal) en de breedte van de bovenzijde is ten minste 1,2 m;
een staalplaat met een Brinell hardheid van 320 - 400 Hb uit één laag met dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70° met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm; op de bodem is voor het opvangen van de projectielen een lade geplaatst uit staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm;
lamellen van staalplaat met een Brinell hardheid van 320 - 400 Hb uit één laag met een dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting met staalplaat met een dikte van ten minste 8 mm;
een stelsel van twee opeenvolgende rijen dicht bij elkaar, evenwel zonder elkaar te raken, kopshangende dikke rubberen strippen, met een minimum breedte per rij van 80 cm., waarbij de eerste rij strippen een zeer lichte hoek dient te vertonen met de as van de schietbaan en de tweede rij strippen een lichte verschuiving vertoont ten opzichte van de eerste; achter deze dubbele rij strippen dient een staalplaat met een minimum dikte van 8 mm aangebracht;
een gebeurlijk ander type kogelvanger dient vooraf ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de Afdeling , bevoegd voor milieuvergunningen.

 

§ 3.

De kogelvanger wordt regelmatig en ten minste om de drie maanden op zijn goede staat nagezien. Bij de uitvoering, vermeld in paragraaf 2, 1° en 2°, wordt nagegaan of er zich in de staalplaten putjes hebben gevormd en in voorkomend geval worden de platen bijgeslepen. Bij de uitvoering, vermeld in paragraaf 2, 3° en 4°, worden de kogels die eventueel in de rubberen strippen of in het zandlichaam zijn blijven zitten, regelmatig verwijderd. Beschadigde strippen worden vervangen.

 

§ 4.

De kogels dienen regelmatig verwijderd zodat geen koekvorming kan optreden en de veiligheid gegarandeerd blijft.


Art. 5.32.7.2.4. Uitrusting gebouw

§ 1.

De brandweerstand Rf van alle wanden, plafonds, deuren, enz. is tenminste één uur (NBN 713.020).

 

§ 2.

Het is verboden wand-, plafond- en vloerbedekking uit te voeren in licht brandbare materialen, of materialen die bij brand giftige gassen afgeven.

 

Het gebruik van poreuze materialen is slechts toegelaten wanneer deze zelfdovend zijn (NBN S21 - 203 categorie AO). Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

 

§ 3.

De verlichtingstoestellen en de elektriciteitsleidingen binnen de schietzone moeten op doeltreffende wijze tegen inslag van projectielen beschermd worden.

 

§ 4.

De schietstand is uitgerust met een veiligheidsverlichting die automatisch in werking treedt bij het uitvallen van de hoofdverlichting.

 

§ 5.

Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties dienen de elektrische installaties van de schietinrichting regelmatig gecontroleerd door een ter zake bevoegde deskundige. De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

 

§ 6.

De verwarming van het lokaal mag niet geschieden met toestellen die een vlam of gloeiend oppervlak vertonen.

 

§ 7.

Leidingen met ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 of ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3 volgens de CLP-verordening zijn in het schietlokaal of in de muren, zoldering en vloer ervan verboden.


Art. 5.32.7.2.5. Onderhoud

§ 1.

Alle plaatsen waar zich stof met onverbrand kruit kan bevinden, inzonderheid vloeren, wanden, ventilatiekokers, stoffilters, enz., moeten regelmatig gereinigd worden. Het verzameld stof moet in afwachting van de verwijdering bevochtigd gehouden worden.

 

Datum en aard van de onderhoudswerkzaamheden moeten genoteerd worden in een register dat deel uitmaakt van het door de exploitant bij te houden veiligheidsdossier dat ter inzage dient gehouden van de toezichthouder.

 

§ 2.

Indien gebruik gemaakt wordt van een stofzuiger, moet het een explosiebeveiligde uitvoering zijn.


Art. 5.32.7.2.6. Brandvoorkoming en -bestrijding

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van afdeling 4.1.12 beschikt de inrichting over een voldoend aantal geschikte, gebruiksklare en gemakkelijk te bereiken blustoestellen. Deze blustoestellen worden tenminste jaarlijks op hun goede werking gecontroleerd door de leverancier of een bevoegd deskundige. De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten bij het veiligheidsdossier gevoegd worden dat ter inzage van de toezichthouder dient gehouden.

 

De blustoestellen mogen zich niet in de schietzone bevinden.

 

§ 2.

Het opslaan van brandbare of ontplofbare stoffen in de schietruimte is verboden.

 

§ 3.

Elke schutter neemt niet meer patronen mee in de schietruimte dan hij nodig heeft voor zijn schietbeurt.

 

§ 4.

Het is verboden in de schietstand te roken.


Art. 5.32.7.2.7. Geluid en trillingen

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. gelden met betrekking tot geluid en trillingen ook de bepalingen van dit artikel.

 

§ 2.

Het in hoofdstuk 4.5. bedoelde specifiek geluid Lsp wordt als volgt gedefinieerd en gemeten:

 

Lsp is de logaritmische som van het niveau van het eigenlijke schietgeluid (Lsch) en van het niveau van het overige geluid veroorzaakt door de schietstand (Lrest);
Lsch wordt berekend volgens de volgende formule:
Lsch = 10 log (Σi=1->n 10Li/10 ) - 23
waarin:
  Li: het geluidsniveau afkomstig van de knal i en de bijhorende inslag;
  n: het totaal aantal schoten per uur is; richtgetallen voor n zijn:
- pistool/revolver: (aantal schietbanen) × 150
- karabijn: (aantal schietbanen) × 90
- geweer: (aantal schietbanen) × 60
Li wordt gemeten als LAeq,1s, LAE of SEL, met instelling van de snelle dynamische karakteristiek;
Lrest is het LA95,1h van het specifiek geluid van de inrichting wanneer niet geschoten wordt.

Art. 5.32.7.2.8. Verluchting - Luchtverontreiniging

§ 1.

De schietstand is voorzien van een mechanische verluchting, zodanig dat de schadelijke stoffen die bij het schieten in de lucht vrijkomen op een doeltreffende wijze worden verwijderd. Het ventilatiesysteem is zodanig ontworpen dat verse lucht wordt aangevoerd achter de schutters en ter hoogte van de kogelvanger wordt weggezogen. De capaciteit is zodanig dat een luchtsnelheid van minimum 0,2 m/sec in de schietrichting wordt verkregen en dit bij een laminaire luchtstroming. De luchttoevoer is uitgerust met een noodstop voor gebruik in geval van brand.

 

Ingeval de schutter een wisselende standplaats inneemt dient een luchtsnelheid van minimum 2 m/sec in de schietrichting verkregen te worden.

 

§ 2.

De nodige maatregelen worden genomen om een abnormale stofemissie te voorkomen.

 

§ 3.

De verspreiding van loodhoudend stof in de omgeving wordt voorkomen door een daartoe doeltreffende en brandveilige filterinstallatie op de uitlaat van het ventilatiesysteem te plaatsen.

 

§ 4.

De uitlaat wordt zodanig geplaatst dat de afgassen zich gemakkelijk voldoende kunnen verspreiden.


Art. 5.32.7.2.9. Veiligheid

§ 1.

Op de buitenzijde van alle toegangsdeuren tot de schietstand wordt het volgende bericht aangebracht in duidelijk leesbare letters:

 

"OPGELET SCHIETSTAND - VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN".

 

§ 2.

Boven elke toegansdeur tot het schietlokaal bevindt zich langs de buitenzijde van het lokaal een rood lichtsignaal dat is aangestoken wanneer de schietstand in werking is.

 

§ 3.

Het is verboden wapens te laden of geladen wapens te hebben in de lokalen of op de terreinen van de inrichting, buiten de eigenlijke schietstand, uitgenomen voor de personen bevoegd een geladen wapen te dragen.

 

§ 4.

De standplaatsen van de schutters moeten goed bepaald zijn zodanig dat uitgeworpen hulzen belendende schutters niet kunnen hinderen.

 

§ 5.

Als de schietstand gelijktijdig gebruikt wordt door meer dan één schutter mag er uitsluitend geladen, eventueel ontladen, en op doel geschoten worden vanop de daarvoor bepaalde plaatsen.

 

§ 6.

Het aantal personen toegelaten op de schietstand is beperkt tot de schutters, al dan niet in opleiding, de schietmonitoren en/of de personen die nodig zijn om de arbitrage en het toezicht uit te oefenen en eventueel publiek.

 

Het maximum aantal aanwezige personen moet bepaald worden in overleg met de bevoegde brandweerdienst. In elk geval moet het publiek minimum 2 meter achter de standplaats van de schutter plaats nemen, waarbij een bezetting van maximum 2 personen per m2 moet gerespecteerd worden.

 

Er moet steeds tenminste een tweede persoon aanwezig zijn gedurende de schietoefeningen.

 

§ 7.

Bij het betreden van de schietzone moet automatisch een alarmsignaal in werking treden, bv. een knipperlicht.

 

§ 8.

De schietstand moet uitgerust zijn met tenminste één gemakkelijk te bereiken telefoontoestel.

 

§ 9.

Een intern ordereglement wordt ter kennis gebracht van de plaatselijke politie of rijkswacht. Dit intern ordereglement bevat: de richtlijnen en verplichtingen in verband met de registratie van de schutters, de modaliteiten aangaande het laden en het ontladen van wapens, de modaliteiten van het schieten o.a. de schietdisciplines en de standplaatsen en aangaande het betreden en evacueren van de schietzone. Het reglement vermeldt uitdrukkelijk dat de schutters de bevelen in verband met de veiligheid van de verantwoordelijke persoon dienen na te leven.

 

Deze reglementering en andere veiligheidsvoorschriften worden ook ter kennis gebracht van de schutters en zijn op een voldoend aantal zichtbare plaatsen aangeplakt.


Art. 5.32.7.2.10. Signalisaties

§ 1.

Elke uitgang of nooduitgang moet aangegeven zijn door reglementaire pictogrammen. Deze pictogrammen moeten vanuit alle hoeken van de schietstand goed zichtbaar zijn. Zij moeten tevens op kniehoogte of lager aangebracht worden. De pictogrammen moeten verlicht worden door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting.

 

§ 2.

De deuren en vluchtruimten die niet op een uitgang uitgeven moeten een goed leesbaar opschrift "GEEN NOODUITGANG", of een gelijkwaardig pictogram, dragen.

 

§ 3.

Aanduidingen die een rookverbod opleggen, moeten op goed zichtbare plaatsen aangebracht worden.


Art. 5.32.7.2.11. Afval

§ 1.

Na iedere schietbeurt moeten de lege hulzen ingezameld worden en in een afgesloten metalen doos worden bewaard.

 

§ 2.

Het verzameld stof met onverbrand kruit moet bevochtigd gehouden worden in afwachting van evacuatie.

 

§ 3.

De lege hulzen en kogelafval moeten ofwel afgegeven voor recyclage ofwel afgevoerd en verwijderd overeenkomstig de ter zake van toepassing zijnde reglementering.

 

Zowel het verzamelde stof als de vervuilde filters (zowel van de afzuiging als van de stofzuiger) dienen afgevoerd overeenkomstig de ter zake van toepassing zijnde reglementering.


Art. 5.32.7.2.12. Exploitatiedossier

§ 1.

De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende:

een veiligheidsdossier dat bevat:
a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;
b) het attest van het bevoegd brandweerkorps betreffende de aard, het aantal en de plaats van de blustoestellen, evenals met betrekking tot het in de schietruimte toegelaten aantal personen;
c) de attesten met betrekking tot de brandweerstand of zelfdovendheid van gebruikte bouwmaterialen;
d) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;
e) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.
het interne ordereglement;
een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts- en onderhoudsbeurten en herstellingswerken;
de naam van de exploitant en de ledenlijst.

 

§ 2.

Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthouder.


Subafdeling 5.32.7.3.
Schietstanden van categorie B


Art. 5.32.7.3.1.

§ 1.

De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie B.

 

§ 2.

De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

 

§ 3.

Het gebruik van voorlaadwapens van welke soort ook is verboden.

 

§ 4.

Het gebruik van kogels met hardstalen kern, lichtkogels of lichtspoormunitie en kwikhoudende munitie is verboden.


Art. 5.32.7.3.2. Bouw.

§ 1.

De schietstand is ondergebracht in een uitsluitend daartoe bestemd lokaal waarvan de wanden, vloer en zoldering uit gewapend beton, minstens 10 cm dik of uit vol metselwerk, minstens 19 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid zijn.

 

§ 2.

De vloer is afgewerkt met een laag in een zacht materiaal zoals een gelijmde plankenvloer met de nerfrichting van het hout in de schietrichting, rubber, cementzandbedlaag, e.d.. Het gebruik van tapijt of andere materialen en/of vloerconstructies, die gemakkelijk stof vasthouden of waaronder zich stof kan ophopen, is verboden.

 

§ 3.

De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger als bedoeld in artikel 5.32.7.3.3.

 

§ 4.

Het gedeelte van de aanschietbare wand dat niet beschermd is door de kogelvanger, alsmede de zijwanden en het plafond, over een afstand van minimum 10 meter te rekenen vanaf de standplaats van de schutter, zijn bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden, zoals bv. met op regels aangebrachte houtwolcementplaten van een minimum dikte van 50 mm of met vurenhout ten minste 25 mm dik aangebracht op regels van ten minste 30 mm dik.

 

§ 5.

Oneffenheden en uitstekende delen van constructies in de schietstand zoals balken, palen, aandrijfmechanisme van silhouetten, e.d., moeten maximaal vermeden worden. Indien ze constructief nodig zijn moeten ze:

ofwel bekleed zijn met materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden;
ofwel afgeschermd zijn door staalplaten, zodanig aangebracht dat de projectielen op een veilige wijze afketsen naar verder gelegen delen in de schietzone.

 

§ 6.

Tussen de standplaatsen van de schutters en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.

Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.

Deze nooduitgangen en vluchtluiken moeten naar buiten opendraaien en mogen niet van buitenaf kunnen geopend worden.

 

§ 7.

De toegangsdeur(en) moet(en) achter de standplaatsen van de schutters zijn gesitueerd en dient(en) in de vluchtrichting open te draaien.

 

§ 8.

Plaats, verdeling en breedte van de uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van het lokaal toelaten.


Art. 5.32.7.3.3. Kogelvanger

§ 1.

De kogelvanger waarvan sprake in artikel 5.32.7.3.2., § 3 dient gelijktijdig de volgende functies te vervullen:

de rechtstreeks aanschietbare wand beschermen tegen de impacten;
het terugketsen van de projectielen in de schietstand voorkomen;
het produceren van loodhoudend stof bij de impact minimaliseren.

 

§ 2.

De kogelvanger moet uitgevoerd worden op een der volgende wijzen:

een staalplaat uit één laag met dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek van 45° met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm; op de bodem is voor het opvangen van de projectielen een lade geplaatst uit staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm;
lamellen van staalplaat uit één laag met een dikte van ten minste 12 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting met staalplaat met een dikte van ten minste 8 mm;
een stelsel van twee opeenvolgende rijen dicht bij elkaar, evenwel zonder elkaar te raken, kopshangende dikke rubberen strippen, met een minimum breedte per rij van 80 cm., waarbij de eerste rij strippen een zeer lichte hoek dient te vertonen met de as van de schietbaan en de tweede rij strippen een lichte verschuiving vertoont ten opzichte van de eerste; achter deze dubbele rij strippen dient een staalplaat met een minimum dikte van 8 mm aangebracht onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70°;
een kogelvanger bestaande uit een zandlichaam; het talud van het zandlichaam moet gevormd zijn door een laag zand met een dikte van ten minste 0,5 m en mag geen kleinere helling hebben dan 2 (verticaal) op 3 (horizontaal) en de breedte van de bovenzijde is ten minste 0,5 m;
een gebeurlijk ander type kogelvanger dient vooraf ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

§ 3.

De kogelvanger wordt regelmatig en tenminste om de drie maanden op zijn goede staat nagezien.

 

Bij de uitvoeringen vermeld onder § 2, sub 1° en sub 2° dient nagegaan of er zich in de staalplaten putjes hebben gevormd en in voorkomend geval moeten de platen bijgeslepen worden.

 

Bij de uitvoering vermeld onder § 2, sub 3° en sub 4° moeten de kogels die eventueel in de rubber strippen of in het zandlichaam zijn blijven zitten regelmatig verwijderd worden. Beschadigde strippen moeten worden vervangen.

 

§ 4.

De opvangbak van de kogelvanger wordt regelmatig geledigd derwijze dat geen koekvorming kan optreden en dat de veiligheid gegarandeerd blijft.


Art. 5.32.7.3.4.

Inzake de uitrusting van het gebouw, het onderhoud, geluid en trillingen, verluchting - luchtverontreiniging, de veiligheid, signalisaties, afval en het exploitatiedossier gelden de voorschriften van respectievelijk de artikelen:

5.32.7.2.4., 5.32.7.2.5., 5.32.7.2.6., 5.32.7.2.7., 5.32.7.2.8., 5.32.7.2.9., 5.32.7.2.10., 5.32.7.2.11. en 5.32.7.2.12.


Subafdeling 5.32.7.4.
Schietstanden van categorie C


Art. 5.32.7.4.1.

§ 1.

De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie C.

 

§ 2.

De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

 

§ 3.

Het gebruik van voorlaadwapens van welke soort ook is verboden.

 

§ 4.

Het gebruik van kogels met hardstalen kern, lichtkogels of lichtspoormunitie en kwikhoudende munitie is verboden.


Art. 5.32.7.4.2. Bouw.

§ 1.

De schietstand is ondergebracht in een uitsluitend daartoe bestemd lokaal waarvan de wanden, vloer en zoldering uit gewapend beton, minstens 10 cm dik of uit vol metselwerk, minstens 14 cm dik of uit materialen met een gelijkwaardige kogelbestendigheid zijn.

 

§ 2.

De vloer is afgewerkt met een laag in een zacht materiaal zoals een gelijmde plankenvloer met de nerfrichting van het hout in de schietrichting, rubber, cementzandbedlaag, e.d.. Het gebruik van tapijt of andere materialen en/of vloerconstructies, die gemakkelijk stof vasthouden of waaronder zich stof kan ophopen, is verboden.

 

§ 3.

De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende kogelvanger als bedoeld in artikel 5.32.7.4.3.

 

§ 4.

Het gedeelte van de aanschietbare wand dat niet beschermd is door de kogelvanger, alsmede de zijwanden en het plafond, over een afstand van minimum 2 meter te rekenen vanaf de standplaats van de schutter, zijn bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden, zoals bv. met op regels aangebrachte houtwolcementplaten van een minimum dikte van 50 mm of met vurenhout ten minste 25 mm dik aangebracht op regels van ten minste 30 mm dik.

 

§ 5.

Oneffenheden en uitstekende delen van constructies in de schietstand zoals balken, palen, aandrijfmechanisme van silhouetten, e.d., moeten maximaal vermeden worden. Indien ze constructief nodig zijn moeten ze:

ofwel bekleed zijn met materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden;
ofwel afgeschermd zijn door staalplaten, zodanig aangebracht dat de projectielen op een veilige wijze afketsen naar verder gelegen delen in de schietzone.

 

§ 6.

Tussen de standplaats van de schutter en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.

Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.

Deze nooduitgangen en vluchtluiken moeten naar buiten opendraaien en mogen niet van buitenaf kunnen geopend worden.

 

§ 7.

De toegangsdeur(en) moet(en) achter de standplaatsen van de schutters zijn gesitueerd en dient(en) in de vluchtrichting open te draaien.

 

§ 8.

Plaats, verdeling en breedte van de uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van het lokaal toelaten.


Art. 5.32.7.4.3. Kogelvanger.

§ 1.

De kogelvanger waarvan sprake in artikel 5.32.7.4.2., § 3 dient gelijktijdig de volgende functies te vervullen:

de rechtstreeks aanschietbare wand beschermen tegen de impacten;
het terugketsen van de projectielen in de schietstand voorkomen;
het produceren van loodhoudend stof bij de impact minimaliseren.

 

§ 2.

De kogelvanger moet uitgevoerd worden op een der volgende wijzen:

een staalplaat uit één laag met dikte van ten minste 5 mm, geplaatst onder een hoek van 45° met zijwanden van staalplaat met een dikte van ten minste 3 mm; op de bodem is voor het opvangen van de projectielen een lade geplaatst uit staalplaat met een dikte van ten minste 5 mm;
lamellen van staalplaat uit één laag met een dikte van ten minste 5 mm, geplaatst onder een hoek tussen 40° en 50°, met een omkasting met staalplaat met een dikte van ten minste 3 mm;
een stelsel van twee opeenvolgende rijen dicht bij elkaar, evenwel zonder elkaar te raken, kopshangende dikke rubberen strippen, met een minimum breedte per rij van 80 cm., waarbij de eerste rij strippen een zeer lichte hoek dient te vertonen met de as van de schietbaan en de tweede rij strippen een lichte verschuiving vertoont ten opzichte van de eerste; achter deze dubbele rij strippen dient een staalplaat met een minimum dikte van 3 mm aangebracht onder een hoek van minimaal 45° en maximaal 70°;
een kogelvanger bestaande uit een zandlichaam; het talud van het zandlichaam moet gevormd zijn door een laag zand met een dikte van ten minste 0,5 m en mag geen kleinere helling hebben dan 2 (verticaal) op 3 (horizontaal) en de breedte van de bovenzijde is ten minste 0,5 m;
een gebeurlijk ander type kogelvanger dient vooraf ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

§ 3.

De kogelvanger wordt regelmatig en tenminste om de drie maanden op zijn goede staat nagezien.

 

Bij de uitvoeringen vermeld onder § 2, sub 1° en sub 2° dient nagegaan of er zich in de staalplaten putjes hebben gevormd en in voorkomend geval moeten de platen bijgeslepen worden. Bij de uitvoering vermeld onder § 2, sub 3° en sub 4° moeten de kogels die eventueel in de rubber strippen of in het zandlichaam zijn blijven zitten regelmatig verwijderd worden. Beschadigde strippen moeten worden vervangen.

 

§ 4.

De opvangbak van de kogelvanger wordt regelmatig geledigd derwijze dat geen koekvorming kan optreden en dat de veiligheid gegarandeerd blijft.


Art. 5.32.7.4.4.

Inzake de brandbestendigheid, de uitrusting van het gebouw, het onderhoud, geluid en trillingen, verluchting - luchtverontreiniging, de veiligheid, signalisaties, afval en het exploitatiedossier gelden de voorschriften van respectievelijk de artikelen:

5.32.7.2.4., 5.32.7.2.5., 5.32.7.2.6., 5.32.7.2.7., 5.32.7.2.8., 5.32.7.2.9., 5.32.7.2.10., 5.32.7.2.11. en 5.32.7.2.12.


Subafdeling 5.32.7.5.
Schietstanden van categorie D


Art. 5.32.7.5.1.

§ 1.

De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie D.

 

§ 2.

Het is verboden in de schietstand gebruik te maken van andere wapens dan luchtdrukgeweren en luchtdrukpistolen met een maximum kaliber van 5,6 mm, en kruisbogen.

 

§ 3.

De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.


Art. 5.32.7.5.2. Bouw.

§ 1.

De schietstand is ondergebracht in een lokaal waarvan de wanden, vloer en zoldering voldoende projectielbestendig zijn.

 

§ 2.

De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende projectielvanger.

 

§ 3.

Tussen de standplaats voor de schutter en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.

 

Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.

 

Eventuele nooduitgangen en vluchtluiken moeten naar buiten opendraaien en mogen niet van buitenaf kunnen geopend worden.

 

§ 4.

De toegangsdeur(en) moet(en) achter de standplaatsen van de schutters zijn gesitueerd en dient(en) in de vluchtrichting open te draaien.

 

§ 5.

Plaats, verdeling en breedte van de uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van het lokaal toelaten.


Art. 5.32.7.5.3. Uitrusting gebouw

§ 1.

De verlichtingstoestellen en de elektriciteitsleidingen binnen de schietstand moeten op doeltreffende wijze tegen inslag van projectielen beschermd worden.

 

§ 2.

De schietstand is uitgerust met een veiligheidsverlichting die automatisch in werking treedt bij het uitvallen van de hoofdverlichting.

 

§ 3.

Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties dienen de elektrische installaties van de schietinrichting regelmatig gecontroleerd door een ter zake bevoegde deskundige. De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

 

§ 4.

Leidingen met ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 of ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3 volgens de CLP-verordening zijn in het schietlokaal of in de muren, zoldering en vloer ervan verboden.


Art. 5.32.7.5.4. Brandvoorkoming en -bestrijding

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van afdeling 4.1.12 beschikt de inrichting over een voldoend aantal geschikte, gebruiksklare en gemakkelijk te bereiken blustoestellen. Deze blustoestellen worden tenminste jaarlijks op hun goede werking gecontroleerd door de leverancier of een bevoegd deskundige.

 

De attesten met de datum en de uitslag van deze controle worden bij het veiligheidsdossier gevoegd dat ter inzage van de toezichthouder wordt gehouden.

 

§ 2.

De blustoestellen mogen zich niet in de schietzone bevinden.

 

§ 3.

De aard, het aantal en de plaats van de blustoestellen moet, onafhankelijk van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, bepaald worden in overleg met de bevoegde brandweer.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

Het opslaan van brandbare of ontplofbare stoffen in de schietstand is verboden.


Art. 5.32.7.5.5. Geluid en trillingen

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. dienen de nodige maatregelen te worden getroffen om te verhinderen dat geluid of trillingen veroorzaakt binnen de schietstand een bron van ongemak zijn voor de buurt of voor aanpalende lokalen, vreemd aan de exploitatie van de schietstand.


Art. 5.32.7.5.6. Veiligheid

§ 1.

Het is verboden wapens te laden of geladen wapens te dragen in lokalen of terreinen van de inrichting, buiten de schietstand.

 

§ 2.

Er mag uitsluitend worden geladen, eventueel ontladen, en op doel geschoten worden vanaf de aangegeven standplaatsen voor de schutters.

 

§ 3.

Er moeten steeds tenminste twee schutters aanwezig zijn gedurende de schietoefening.

 

§ 4.

Op de buitenzijde van alle toegangsdeuren tot de schietstand wordt het volgende bericht aangebracht in duidelijk leesbare letters:

 

«OPGELET SCHIETSTAND - VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN».

 

§ 5.

Elke uitgang of nooduitgang moet aangegeven zijn door reglementaire pictogrammen. Deze pictogrammen moeten vanuit alle hoeken van de schietstand goed zichtbaar zijn. De pictogrammen moeten verlicht worden door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting.

 

§ 6.

De schietstand moet uitgerust zijn met tenminste één gemakkelijk te bereiken telefoontoestel.


Art. 5.32.7.5.7.

§ 1.

De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende:

een veiligheidsdossier dat bevat:
a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;
b) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;
c) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.
het interne ordereglement;
een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts- en onderhoudsbeurten en herstellingswerken;

 

§ 2.

Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthouder.


Subafdeling 5.32.7.6.
Schietstanden van categorie E


Art. 5.32.7.6.1.

§ 1.

De voorwaarden van deze subafdeling zijn van toepassing op schietstanden van categorie E.

 

§ 2.

Het is verboden in de schietstand gebruik te maken van jachtwapens alsmede van jacht- en oorlogsmunitie.

 

§ 3.

De wapens moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

 

§ 4.

Het gebruik van voorlaadwapens van welke soort ook is verboden.

 

§ 5.

Het gebruik van metalen kogels, lichtkogels of lichtspoormunitie en kwikhoudende munitie is verboden.


Art. 5.32.7.6.2. Bouw.

§ 1.

De schietstand is ondergebracht in een lokaal, gebouwd volgens een code van goede praktijk, met wanden, vloer en zoldering uit gewapend beton, minstens 9 cm dik of uit materialen met een voor de toegelaten munitie voldoende projectielbestendigheid.

 

§ 2.

Voor de vloer is het gebruik van tapijt of andere materialen en/of vloerconstructies, die gemakkelijk stof vasthouden, of waaronder zich stof kan ophopen, verboden.

 

§ 3.

De rechtstreeks aanschietbare wand is over een voldoende oppervlakte afgeschermd door een doeltreffende projectielvanger, zoals bedoeld in artikel 5.32.7.6.3.

 

§ 4.

Tussen de standplaatsen voor de schutter en de rechtstreeks aanschietbare wand mogen alleen de noodzakelijke ventilatieopeningen en eventuele uitgangen of vluchtluiken voorkomen.

Deze openingen zijn derwijze afgeschermd dat een projectiel het lokaal niet kan verlaten.


Art. 5.32.7.6.3. Projectielvanger.

§ 1.

De projectielvanger waarvan sprake in artikel 5.32.7.6.2, § 3 dient gelijktijdig de volgende functies te vervullen:

de rechtstreeks aanschietbare wand beschermen tegen de impacten;
het terugketsen van de projectielen in de schietstand voorkomen;

 

§ 2.

De projectielvanger moet uitgevoerd worden op een der volgende wijzen:

een rubberen of synthetisch voorhangscherm, geplaatst op 5 cm van de muur;
een zachte, houten wand van ten minste 2 cm dik, geplaatst op houten latten op 3 cm van de muur;
een gebeurlijk ander type projectielvanger die voldoet aan de voorwaarden bepaald bij § 1 en niet gemakkelijk brandbaar is.

 

§ 3.

De projectielvanger wordt regelmatig en tenminste om de drie maanden, op zijn goede staat nagezien.


Art. 5.32.7.6.4. Uitrusting gebouw.

§ 1.

Het is verboden wand- en plafond- en vloerbedekking uit te voeren in licht brandbare materialen, of materialen die bij brand giftige gassen afgeven.

 

Het gebruik van poreuze materialen is slechts toegelaten wanneer deze zelfdovend zijn (NBN S21 - 203 categorie AO). Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

 

§ 2.

De verlichtingstoestellen en de elektriciteitsleidingen binnen de schietzone, die werken op een spanning hoger dan 24 V, moeten op doeltreffende wijze tegen inslag van de toegelaten projectielen beschermd worden.

 

§ 3.

Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties dienen de elektrische installaties van de schietinrichting regelmatig gecontroleerd door een ter zake bevoegde deskundige. De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

 

§ 4.

De verwarming van het lokaal mag niet geschieden met toestellen die een vlam of gloeiend oppervlak vertonen.

 

§ 5.

Leidingen met ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 of ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3 volgens de CLP-verordening moeten beschermd worden met voor de toegelaten munitie voldoende kogelbestendig materiaal.


Art. 5.32.7.6.5. Verluchting - Luchtverontreiniging

§ 1.

De schietstand is voorzien van een mechanische verluchting, zodanig dat de schadelijke stoffen die bij het schieten in de lucht vrijkomen op een doeltreffende wijze worden verwijderd. Het ventilatiesysteem is zodanig ontworpen dat verse lucht wordt aangevoerd achter de schutters en ter hoogte van de projectielvanger wordt weggezogen. De capaciteit is zodanig dat het volume van de lucht in het lokaal minimum zes maal per uur wordt ververst.

 

§ 2.

De nodige maatregelen worden genomen om een abnormale stofemissie te voorkomen.

 

§ 3.

De uitlaat wordt zodanig geplaatst dat de afvalgassen zich gemakkelijk voldoende kunnen verspreiden.


Art. 5.32.7.6.6. Veiligheid

§ 1.

Op de buitenzijde van alle toegangsdeuren tot de schietstand wordt het volgende bericht aangebracht in duidelijk leesbare letters:

 

«OPGELET SCHIETLOKAAL - VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN».

 

§ 2.

Boven elke toegangsdeur tot het schietlokaal bevindt zich langs de buitenzijde van het lokaal een rood lichtsignaal dat is aangestoken wanneer de schietstand in werking is.


Art. 5.32.7.6.7.

Inzake de bepalingen betreffende onderhoud, brandvoorkoming, geluid en trillingen, signalisatie, afval en het exploitatiedossier gelden de voorschriften van respectievelijk de artikelen 5.32.7.2.5., 5.32.7.2.6., 5.32.7.2.7., 5.32.7.2.10., 5.32.7.2.11. en 5.32.7.2.12.


Afdeling 5.32.8.
SCHIETSTANDEN IN OPENLUCHT


Subafdeling 5.32.8.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.32.8.1.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen vermeld in subrubriek 32.7. van de indelingslijst ondergebracht in openlucht of in een niet-gesloten lokaal.

 

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op het gaaischieten met de handboog, andere dan kruisboog, zijnde handelingen die niet onder de toepassing vallen van de subrubriek 32.7. van de indelingslijst.

 

Elke uitbating van een schietstand in openlucht is verboden in natuur- en bosgebieden als vermeld in :

1°  ontwerpgewestplannen, gewestplannen en andere ruimtelijke uitvoeringsplannen
het bosdecreet van 13 juli 1990;
de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.

 


Art. 5.32.8.1.2. Geluid en trillingen

Behalve voor kleiduifschietstands en traditioneel buksschieten gelden voor het geluid en de trillingen de voorschriften, vermeld in artikel 5.32.7.2.7. Voor kleiduifschietstands gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.8.2.7. Voor buksen gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.8.3.5.


Subafdeling 5.32.8.2.
Kleiduivenschietstanden


Art. 5.32.8.2.1. Het schietterrein

§ 1.

Het schietterrein is volledig eigendom van of op zijn geheel gehuurd door de exploitant van de schietstand. Het bewijs van de eventuele huurovereenkomst dient ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 2.

.

Op de hoekpunten van het schietterrein wordt vóór elke schieting een bord geplaatst waarop duidelijk leesbaar het volgende opschrift is aangebracht:

« GEVAAR - SCHIETTERREIN - HET ACHTERLIGGENDE TERREIN NIET BETREDEN ». 

 

§ 3.

Op de hoeken van het schietveld wordt een goed zichtbare rode vlag geplaatst.


Art. 5.32.8.2.2. Inrichting van de schietstand

§ 1.

De schietstand is ingericht overeenkomstig een code van goede praktijk.

 

§ 2.

De toeschouwers en de schutters, die niet aan de beurt zijn, bevinden zich achter een materiële hindernis, gelegen minstens 5 meter achter de schietplaats.

 

§ 3.

Zodra de kleiduiven en/of de brokstukken ervan ingevolge de weersomstandigheden buiten het schietveld kunnen terechtkomen, moet de schieting onmiddellijk stilgelegd worden.


Art. 5.32.8.2.3. De wapens

§ 1.

De gebruikte geweren zijn jachtgeweren of sportgeweren met gladde loop met maximumkaliber 12. Hun schouderriem is verwijderd.

 

§ 2.

De patronen mogen niet langer zijn dan 70 mm, en hun vulling bedraagt ten hoogste 28 g. De diameter van de staalkorrels is ten hoogste 3 mm en van de tot 1 januari 2010 nog toegelaten loodkorrels ten hoogste 2,55 mm.

 

Het gebruik van zwart kruit en lichtpatronen is verboden.

 

§ 3.

Automatische wapens zijn verboden.

 

§ 4.

Wanneer de schutter niet op de schietplaats is, bevindt zijn wapen zich op een veilige plaats.

 

§ 5.

Vóór de schieting legt de schutter zijn patronen ter controle aan de hoofdscheidsrechter of de verantwoordelijke persoon voor.

 

§ 6.

Het is vanaf 1 januari 2010 verboden op kleiduiven te schieten met loodpatronen of daartoe de gelegenheid te geven. Het is verboden loodpatronen voorhanden te hebben tijdens het schieten op kleiduiven.


Art. 5.32.8.2.4. Het personeel

§ 1.

Het toezicht wordt uitgeoefend door de verantwoordelijke persoon, bijgestaan door één of meer medewerkers en door de wedstrijdleiding. Hun functie is respectievelijk de volgende :


de verantwoordelijke persoon en zijn medewerker(s) staan in voor het veilig verloop van de schieting; zij nemen alle beslissingen die daartoe nodig zijn;

de wedstrijdleiding, bestaande uit één of meer scheidsrechters en juryleden, staat in voor de controle van het schietverloop in enge zin, bijvoorbeeld het beoordelen van de schoten, het toekennen van de punten; zo nodig roepen zij de hulp in van de verantwoordelijke persoon en/of zijn medewerker(s).

 

 

§ 2.

De verantwoordelijke persoon en zijn medewerker(s) alsmede de wedstrijdleiding dragen duidelijk zichtbare, onderling verschillende kentekens.

 

§ 3.

De minimumleeftijd van de verantwoordelijke persoon en zijn medewerker(s) alsmede van de operator(en) is 18 jaar.


Art. 5.32.8.2.5. De schieting

§ 1.

Op de schietplaats vertoeven geen andere personen, dan de schutters die aan de beurt zijn en eventueel de scheidsrechter(s), de juryleden, de initiator of instructeur en de werpleider.

 

§ 2.

De wapens worden slechts geladen op de schietplaats.

 

§ 3.

De schutters mogen de schietplaats slechts verlaten met een ongeladen wapen.

 

§ 4.

De schutter houdt zijn wapen steeds in de richting van het schietveld, tenzij het geopend is.

 

§ 5.

Bij een defect aan een geladen geweer meldt de schutter dit onmiddellijk aan de scheidsrechter.

 

§ 6.

De schieting mag slechts begonnen worden na de expliciete toelating van de verantwoordelijke persoon, die vooraf gecontroleerd heeft of de veiligheid verzekerd is. De verantwoordelijke persoon of zijn hiertoe aangeduide medewerkers houden verder permanent toezicht op het verloop van de schieting.

 

§ 7.

De schieting wordt onmiddellijk stilgelegd wanneer de verantwoordelijke persoon, dit door middel van een rode vlag of door middel van een geluidssignaal aangeeft.

 

§ 8.

Telkens het nodig is dat het schietveld betreden wordt, ontladen de schutters hun wapen.

 

§ 9.

Er mag niet op andere doelen geschoten worden dan op kleiduiven.

 

§ 10.

De schutters mogen elkaar op geen enkele manier hinderen.

 

§ 11.

Iedereen die zich op een onverantwoordelijke manier gedraagt, wordt van het schietterrein verwijderd.


Art. 5.32.8.2.6. Algemene bepalingen

Het is vanaf 1 januari 2010 verboden kleiduiven te gebruiken of voorhanden te hebben die milieugevaarlijke stoffen bevatten in concentraties die de hierna aangegeven waarden te boven gaan :

— de som van anthraceen, benzo[a]anthraceen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, chryseen, phenanthreen, fluorantheen, indeno[1,2,3cd]pyreen, naftaleen en benzo[ghi]peryleen, mag 10 mg/kg niet overschrijden.


Art. 5.32.8.2.7. Geluid

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op kleiduivenschietstanden in openlucht. De schietactiviteiten zijn evenwel enkel toegelaten gedurende de periode van 10 uur tot 19 uur op zon- en feestdagen en van 10 uur tot 21 uur op de andere dagen.

 

De exploitant treft de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken en vermeldt deze in een register. Ook de controle en de wijze van controle op de maatregelen worden in het register vermeld. Het register wordt door de exploitant steeds ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid. Naargelang van de omstandigheden en technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de huidige stand van de techniek wordt hierbij gebruik gemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties en toestellen, geluidsisolatie en/of absorptie en/of afscherming. Het maximale emissieniveau wordt per discipline en per categorie bepaald waarbij rekening gehouden wordt met de best beschikbare verantwoorde technieken; dit maximale emissieniveau wordt ingeschreven in het register.


Art. 5.32.8.2.8. Verbods- en afstandsregels

Het is verboden een kleiduivenschietstand te exploiteren waarvan de schietposten in de schietrichting gelegen zijn :

 

op een afstand van 500 meter of minder van een stiltebehoevende inrichting, van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, van een natuurgebied met wetenschappelijke waarde, van een natuurreservaat, van een parkgebied of van een gebied voor verblijfsrecreatie;
op minder dan 250 m van individuele woningen.

 

Deze verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op tijdelijke inrichtingen.

 

De afstandsregels, vermeld in het eerste lid, gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan. De vergunningverlenende overheid kan met het oog op het algemeen belang en in functie van de lokale omgevingsfactoren een gebruiksbeperking opleggen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Subafdeling 5.32.8.3.
Traditioneel buksschieten


Art. 5.32.8.3.1. Het schietterrein en de inrichting van de schietstand.

Het schietterrein is volledig eigendom van of in zijn geheel gehuurd door de exploitant van de schietstand. Het bewijs van de eventuele huurovereenkomst wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

De schietstand is uitgerust met een of meer schietbomen, elk voorzien van een kogelvanger, en een of meer aanlegpalen. Die worden oordeelkundig geschikt om de geluidsoverdracht naar de omliggende woningen te beperken en de veiligheid van de omwonenden te garanderen.

 

De horizontale afstand van de aanlegpaal tot de as van de overeenkomstige schietboom mag niet minder dan 8 meter en niet meer dan 10 meter bedragen.

 

Het hoogteverschil tussen de onderkant van de hark en het bodemoppervlak bedraagt minstens 14 meter.

 

De hark is uit hout vervaardigd. De hoogte en de breedte van de hark bedragen niet meer dan respectievelijk 2,5 meter en 1,5 meter.

 

Het hoogteverschil tussen de bovenkant van de aanlegpaal en het bodemoppervlak bedraagt minstens 2 meter.

 

De toeschouwers en de schutters die niet aan de beurt zijn, bevinden zich achter een materiële hindernis, die minstens 5 meter achter de schietplaats ligt.

 

De onveilige zone, vermeld in hoofdstuk C1. Veiligheid – reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS, wordt afgebakend met een materiële hindernis.


Art. 5.32.8.3.2. De wapens en de munitie

Als er geen schietactiviteiten plaatsvinden, worden de buksen opgeborgen buiten het bereik van onbevoegden.

 

Het ogief van de kogel mag niet puntig zijn. De lengte van het ogief mag niet groter zijn dan de halve diameter van de kogel.

 

Het kogelgewicht mag niet meer dan 45 gram bedragen.

 

De lading van de kogel wordt los gestort en voldoet chemisch aan het type “rookzwak”.

 

Er wordt alleen geschoten met buksen met kaliber 12, kaliber 16 of luchtbuksen met kaliber 4,5.


Art. 5.32.8.3.3. De schietactiviteit

Er wordt altijd op een zodanige wijze geschoten dat alle kogels afgevangen worden door de kogelvanger.

 

Tijdens het schieten rust de buks altijd op de aanlegpaal. Ongeoefende schutters mogen alleen schieten met toepassing van een affuit. De buksmeester oordeelt of er sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.

 

Voor de aanvang van de schietactiviteit worden de kogelvangers door de exploitant gecontroleerd op hun goede toestand en werking. Bij twijfel wordt er niet geschoten. Als de kogelvanger tijdens het schieten abnormaal reageert, wordt het schieten gestaakt.

 

De kogelvanger wordt altijd op zijn hoogste punt geplaatst voor het begin van de schietactiviteit.

 

De buks mag alleen verplaatst worden op de schietstand door de buksmeester of zijn helper. Dat gebeurt altijd in ongeladen toestand.

 

Aan de aanlegpalen bevinden zich alleen de schutters die aan de beurt zijn, de buksmeester of de helpers.

 

Er bevinden zich tijdens de schietactiviteit geen personen achter de schietboom.

 

De buksmeester, de helper en iedere schutter zijn verplicht er zorg voor te dragen dat het schieten met de buks en het laden ervan zo verloopt dat er geen gevaar voor de omgeving kan ontstaan. Er mag alleen geschoten, geladen en ontgrendeld worden als de buks op de aanlegpaal rust en als de loopmonding gericht is op de kogelvanger waarop geschoten wordt. Alleen het gebruik van de munitie van de vereniging is toegestaan. Die munitie wordt door de buksmeester klaargezet.

 

Een schutter mag geen alcoholische dranken nuttigen zolang hij aan de schietactiviteit deelneemt. Elke schutter ondertekent het aanwezige schietregister of aanwezigheidsregister voor hij begint te schieten.

 

Het is verboden te schieten door het vlak dat gevormd wordt door de as van de aanlegpaal en de as van de overeenstemmende schietboom.

 

Personen bij wie een overtreding van de voorwaarden in deze subafdeling wordt vastgesteld, worden gestraft met een definitieve uitsluiting van de schietingen.


Art. 5.32.8.3.4. Veiligheid

De maatregelen vermeld in hoofdstuk C1. Veiligheid – reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS, zijn van toepassing.


Art. 5.32.8.3.5. Geluid

§ 1.

Tenzij het anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de geluidsnormen, vermeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op het traditionele buksschieten.

 

§ 2.

De schietactiviteiten zijn alleen toegelaten van 10 uur tot 21 uur op werkdagen en zon- en feestdagen. Het aantal schietactiviteiten is beperkt tot maximaal één activiteit per week, met uitzondering van vijf weekends per jaar waarbij in het kader van schuttersfeesten of schietwedstrijden geoefend of geschoten wordt. De maximale duur van een activiteit is beperkt tot drie uur, met uitzondering van vijf weekends per jaar waarbij in het kader van de schuttersfeesten of schietwedstrijden geoefend of geschoten wordt. Die weekends worden voor het begin van elk schietseizoen bekendgemaakt aan de toezichthouder en het gemeentebestuur.

 

§ 3.

Tenzij het anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het aantal schoten per uur beperkt tot 120.

 

§ 4.

De exploitant treft de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht in de omgeving te beperken en vermeldt die in een register. Ook de controle en de wijze van controle op die maatregelen worden in het register vermeld. Het register wordt door de exploitant altijd ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

 

Rekening houdend met de beste beschikbare technieken wordt bij de keuze van de maatregelen gebruikgemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme buksen en kogelvangers, geluidsisolatie of -absorptie of -afscherming.


Art. 5.32.8.3.6. Bodembescherming

De maatregelen, vermeld in hoofdstuk B1. Bodem – reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS, zijn van toepassing.


Afdeling 5.32.9.
Zwembaden


Subafdeling 5.32.9.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.32.9.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.8 van de indelingslijst, met uitzondering van de inrichtingen verbonden aan hotels of appartementsgebouwen die niet voor het publiek worden opengesteld. Deze laatste inrichtingen moeten wel voldoen aan de bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op het waterbehandelingssysteem alsook op de kwaliteitsvereisten van het water en de opslag van chemicaliën.

 

§ 2.

In afwijking van artikel 3.2.1.2, § 3, moeten de bestaande inrichtingen voldoen aan de door deze afdeling voor nieuwe inrichtingen voorgeschreven emissie- of constructienormen met ingang van 1 januari 2001.


Art. 5.32.9.1.2. Brandvoorkoming en -bestrijding

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van afdeling 4.1.12 beschikt de inrichting over een voldoend aantal geschikte, gebruiksklare en gemakkelijk te bereiken blustoestellen. Deze blustoestellen worden tenminste jaarlijks op hun goede werking gecontroleerd door de leverancier of een bevoegd deskundige.

 

De attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 2.

De bouw en inrichting van de gebouwen, alsmede de aard, het aantal en de plaats van de blustoestellen wordt, onafhankelijk van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, bepaald in overleg met de bevoegde brandweer.

 

§ 3.

Het uitgaan van al de personen kan geschieden langs toe- en uitgangswegen welke op de openbare weg uitgeven, zonder door café's, drankzalen of andere lokalen, welke bij de instelling horen, of door belendende eigendommen te gaan.

 

§ 4.

De gangen, de deuren en de trapgangen van deze toe- en uitgangswegen zijn hoog genoeg om een gemakkelijk verkeer toe te laten. Deze hoogte bedraagt niet minder dan 2 m.

 

§ 5.

De breedte van deze gangen, deuren en trappen staat in verhouding tot het aantal personen dat maximaal in de lokalen kan aanwezig zijn.

 

Zij bedraagt niet minder dan 80 cm en is minstens gelijk in centimeters aan het aantal personen dat maximaal in de lokalen kan aanwezig zijn voor de gangen en de deuren, aan dit aantal vermenigvuldigd met 1,25 voor de trappen welke naar de uitgangen afdalen, en aan dit aantal vermenigvuldigd met 2 voor de trappen die naar de uitgangen opstijgen.

 

§ 6.

De zich in de lokalen bevindende personen kunnen alle uitgangen gebruiken.

 

§ 7.

Elke uitgang of nooduitgang is aangegeven door reglementaire pictogrammen. Deze pictogrammen zijn vanuit alle hoeken van de lokalen goed zichtbaar. De pictogrammen worden verlicht door de normale verlichting en door noodverlichting.


Art. 5.32.9.1.3. Elektrische installatie - Verlichting

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Electrische Installaties worden de electrische installaties regelmatig gecontroleerd door een ter zake erkend organisme. De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 2.

De natuurlijke en kunstmatige verlichting zijn van die aard dat de weerspiegeling van het licht in het water tot een minimum beperkt wordt. De verlichting is derwijze uitgevoerd dat de zichtbaarheid van de bodem van het bad vanuit elke invalshoek gewaarborgd is.

 

§ 3.

De verlichtingsinstallatie is uitgerust met twee van elkaar onafhankelijke stroombronnen. Deze bronnen leveren gelijktijdig stroom, tenzij een ervan automatisch stroom levert wanneer de tweede uitvalt.

 

Eén van voormelde stroombronnen voedt de lampen van een verlichting genoemd "algemene verlichting".

 

De andere bron voedt de lampen van een verlichting genoemd "noodverlichting".

 

§ 4.

De verlichtingsinstallatie wordt derwijze ingericht dat het wegvallen van een van de in § 3 bedoelde stroombronnen op geen enkel ogenblik een zo grote duisternis kan teweeg brengen dat het buiten gaan van de toeschouwers en van het personeel er door kan gehinderd worden.


Art. 5.32.9.1.4. Meldingen aan de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid

§ 1.

De exploitant meldt aan de toezichthouder van de Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid:

de datum van de eerste ingebruikname;
de sluitingsperiode voor bv. onderhoud, aanpassingen, enz;
de wederingebruikname van het bad;
alle bouwtechnische veranderingen ook indien deze intern worden doorgevoerd.

 

§ 2.

De exploitant is eveneens verplicht om elke wijziging van de inrichting 3 maanden te voren voor goedkeuring voor te leggen en te bespreken met de toezichthouder van de Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid, onverminderd de ter zake in het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning voorgeschreven procedure.


Art. 5.32.9.1.5.

In afwijking van de in de afdeling 5.32.9 vastgestelde specifieke voorwaarden inzake toezicht en redders, maar onverminderd de voorwaarden inzake het maximum toegelaten aantal baders, geldt voor zwembaden met inbegrip van open zwemgelegenheden in meren en vijvers die niet gebruikt worden als instructiebad :

ofwel met maximaal 1,40 meter diepte en met een wateroppervlakte van maximaal 200 m5;

ofwel met maximaal 1,40 meter diepte en met een wateroppervlakte van meer dan 200 tot en met maximaal 500 m5 en de vorm van het bad zo is dat dit volledig in het gezichtsveld ligt van één persoon;

 

de voorwaarde dat de baders onder rechtstreeks en constant toezicht staan van ten minste :

  in de voornoemde situatie 1° : één persoon die in het bezit is van hetzij een basisreddersbrevet van Sport Vlaanderen, hetzij van een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen, of hetzij van een EHBO-brevet afgeleverd door een gemachtigde instelling voor het inrichten van de cursussen EHBO;
  in de voornoemde situatie 2° : naargelang het maximum aantal baders 94, 144 of 194 bedraagt, één, twee respectievelijk drie personen die elk in het bezit zijn van hetzij een basisreddersbrevet van Sport Vlaanderen, hetzij van een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen, of hetzij van een EHBO-brevet afgeleverd door een gemachtigde instelling voor het inrichten van de cursussen EHBO.

Art. 5.32.9.1.6. Het zwembad volledig laten leeglopen gebeurt in overleg met de beheerder van de ontvangende waterloop of rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Subafdeling 5.32.9.2.
Overdekte circulatiebaden


Art. 5.32.9.2.1. Architectonische normen

§ 1. Bouw

De lokalen zijn gebouwd uit hard en onbederfbaar materiaal.
De vloer is waterdicht. Hij is voorzien van een onbederfbare corrosieweerstandige niet water opslorpende en gemakkelijk afwasbare bekleding, evenals de wanden tot op een hoogte van 3 m.
Alle interne uitrustingen zijn vervaardigd uit corrosieweerstandig en gemakkelijk afwasbaar materiaal.
Tot op een hoogte van 2 m vanaf de begane grond, worden scherpe hoeken en uitstekende elementen vermeden ofwel afgeschermd met een niet kwetsende bekleding. Elke beglazing wordt duidelijk zichtbaar gemaakt en beveiligd.

Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot 2 %. Een alternatief op deze hellingsgraad is aanvaardbaar in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn, indien een hygiëneplan opgesteld en uitgevoerd wordt door de exploitant in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. Dit hygiëneplan bevat minimaal de opdracht om het water, afkomstig van de natte baders, minimaal om de twee uur weg te trekken en om de natte ruimten minimaal dagelijks te ontsmetten. In overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige worden ook vloercontroles opgenomen in het meetprogramma voor de zwemwaterkwaliteit. De resultaten worden maandelijks bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. De vloeren voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten :

parameter        KVE per 25 cm2
Coliforme bacteriën ≤ 150
Fecale Colibacteriën  ≤ 1
Fecale Streptokokken < 1
Pseudomonas aeruginosa ≤ 1
Pathogene Staphylokokken ≤ 10
Dermatofyten  < 1

 

§ 2. Zwemhal en zwembad

De zwemhal is gemakkelijk toegankelijk voor externe hulpdiensten.
De zwembadwand en -bodem bestaan uit hard materiaal en zijn voorzien van een waterdichte, onbederfbare, niet kwetsende en gemakkelijk afwasbare bekleding.
De bodem van het zwembad is in zijn ondiep gedeelte ten minste tot op een diepte van 1.35 m slipwerend.
De aan- en afvoer van het water zijn zodanig uitgevoerd dat in het bad geen dode hoeken met stagnerend water aanwezig zijn. Zij vormen geen gevaar voor de baders.
De recyclage van het zwemwater gebeurt voor tenminste 30 % via de bovenafvoer.
Het diepste punt van de zwembadbodem is voorzien van een afvoer voor een volledige lediging van het bad.
In inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn mag het restwater ook verwijderd worden door middel van een pomp of een alternatief systeem.

 

§ 3. Kaden en vloeren

Elke toegang tot de kaden van het zwembad gebeurt via de stortbaden en een voetwaadbak en/of voetsproeiers.
Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het bad volledig omringd door een kade met een minimumbreedte van 1,5 m.
De rechtstreekse toegang tot de kaden vanuit de kleedkamers of de recreatiezones, bevindt zich bij voorkeur ter hoogte van het ondiepe gedeelte van het bad. Indien dit niet het geval is, belemmert een hindernis een directe toegang tot het diepe deel.
De kaden zijn zó aangelegd dat het water hiervan niet in het zwembad, noch in het recycleringscircuit terecht kan komen. Dit water wordt afgevoerd via een voldoende aantal afvoerpunten met een minimale diameter van 15 cm zodat stilstaand water voorkomen wordt. Het water wordt afgevoerd, hetzij naar een openbare riolering, hetzij naar een oppervlaktewater met inachtname van de voorschriften van dit reglement en de eventueel in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde bijzondere voorwaarden.
Om het reinigen met een waterslang mogelijk te maken, zijn er voldoende wateraftappunten voorhanden, alsmede de geschikte voorzieningen om het gebruikte water te verwijderen.
Indien de kaden niet voldoen aan deze voorwaarden vermeld in het eerste en tweede lid, gebeurt de afvoer van het kuiswater via een volautomatisch systeem met een driewegkraan en wordt de turbiditeit, uitgedrukt in NTU, als extra parameter opgenomen in de maandelijkse waterkwaliteitsanalyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Deze turbiditeit mag maximaal 0,5 NTU zijn.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn alle vloeren waarop blootsvoets wordt gelopen, vervaardigd uit hard, waterdicht, onbederfbaar, slipwerend, niet kwetsend en gemakkelijk afwasbaar materiaal.
De zone die door geschoeide personen wordt betreden is volledig gescheiden van de zone waarop blootsvoets wordt gelopen.

 

 

§ 4. Omkleedcabines

De omkleedcabines en kleedkamers zijn van het wisseltype zodat de geschoeide en de ongeschoeide zone van elkaar gescheiden worden. Indien geen omkleedcabines en kleedkamers van het wisseltype beschikbaar zijn in een bestaande inrichting, creëert de exploitant een duidelijk gescheiden zone voor geschoeide en niet geschoeide bezoekers op een door de milieuarts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid, goed te keuren wijze.
De omkleedcabines zijn vervaardigd uit hard, niet wateropslorpend, onbederfbaar, niet kwetsend en gemakkelijk afwasbaar materiaal.

 

§ 5. Sanitaire voorzieningen

Er zijn afzonderlijke toiletten beschikbaar voor de baders en voor de geschoeide bezoekers. Deze toiletten zijn in voldoende aantal aanwezig.
Voor elke toilettenruimte wordt er ten minste één wastafel voorzien. Indien in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn geen afzonderlijke toiletten beschikbaar zijn wordt een hygiëneplan opgesteld en uitgevoerd in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. Dit hygiëneplan bevat minimaal de opdracht om het water, afkomstig van de natte baders, om de twee uur weg te trekken; en om de natte ruimten minimaal dagelijks te ontsmetten. In overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige worden ook vloercontroles opgenomen in het meetprogramma voor de zwemwaterkwaliteit. De resultaten worden maandelijks bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. De vloeren voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten :
parameter              KVE per 25 cm2
Coliforme bacteriën ≤ 150
Fecale Colibacteriën ≤ 1
Fecale Streptokokken < 1
Pseudomonas aeruginosa ≤ 1
Pathogene Staphylokokken ≤ 10
Dermatofyten < 1

De vloer van de sanitaire voorzieningen heeft een helling van 1 tot 2 %, waardoor het afvalwater naar een afvoer wordt geleid die verbonden is met de lozingsinrichting. Een alternatief op deze hellingsgraad is aanvaardbaar in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn, indien een hygiëneplan opgesteld en uitgevoerd wordt door de exploitant in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. Dit hygiëneplan bevat minimaal de opdracht om het water, afkomstig van de natte baders, minimaal om de twee uur weg te trekken en om de natte ruimten minimaal dagelijks te ontsmetten. In overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige worden ook vloercontroles opgenomen in het meetprogramma voor de zwemwaterkwaliteit. De resultaten worden maandelijks bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. De vloeren voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten :

parameter              KVE per 25 cm2
Coliforme bacteriën ≤ 150
Fecale Colibacteriën ≤ 1
Fecale Streptokokken < 1
Pseudomonas aeruginosa ≤ 1
Pathogene Staphylokokken ≤ 10
Dermatofyten < 1
De toiletten voor de ongeschoeide bezoekers zijn bevestigd aan de muur van de toiletruimten. De staande toiletten van inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn, aanwezig bij de aktename of bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mogen in gebruik blijven mits een hygiëneplan wordt opgesteld en uitgevoerd in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid.
De stortbaden zijn voorzien van water met aangepaste temperatuur, afkomstig van een warmwaterinstallatie met water van ten minste 65°C. Het mengventiel is in de onmiddellijke nabijheid van het stortbad geplaatst.

De waadbakken zijn doorlopend gevuld met vers behandeld zwembadwater; de turnover mag ten hoogste tien minuten bedragen. Het vervuilde waadbakwater wordt rechtstreeks afgevoerd naar de lozingsinrichting of naar de zwembadwaterbehandelingsinstallatie.

 

 

§ 6. Recreatieve voorzieningen

Elke recreatieve voorziening bestaat uit duurzaam en corrosieweerstandig en dampdicht materiaal. Hun oppervlak is onbederfbaar, gemakkelijk afwasbaar en niet kwetsend. De recreatieve voorzieningen mogen de veiligheid van de baders niet in gevaar brengen.
De constructie van de recreatieve voorzieningen strookt met de normen opgesteld door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN).
In de onmiddellijke nabijheid is bijkomend toezichthoudend personeel aanwezig.

 

§ 7. Ventilatie en verwarming

In de zwemhal heerst er een maximale relatieve vochtigheid zonder dat deze evenwel hoger mag zijn dan 65 %, gemiddeld gemeten over de hele ruimte;
De bezoekers worden niet gehinderd door tocht.
Geen enkel afvoersysteem van lucht, damp of rook vormt hinder voor de buren.
In de zwemhal is er op een representatieve plaats een goed werkende thermometer en een hygrometer bevestigd.
De verse lucht wordt rechtstreeks van buiten aangezogen, op een plaats die ver genoeg verwijderd is van de opslagruimte voor chemicaliën. Er wordt geen verse lucht aangezogen via een technische ruimte, tenzij doorheen hermetisch gesloten leidingen.

 

§ 8. Waterbehandelingssysteem

Elk circulatiebad is voorzien van een automatisch, efficiënt functionerend chloor- en pH-sturingsmechanisme.
Het waterbehandelingsprocédé omvat tenminste een voorfiltratie, een filtratie, een oxydatie/ desinfectie, een pH-aanpassing en een systeem voor aanvoer van vers water.
Elke filter heeft een minimum filterbedhoogte van 1 meter en is voorzien van een kijkglas en van drukmeters voor en na de filtratie. De maximum filtersnelheid bedraagt 30 m/h. De filters die in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn [...] een filterbedhoogte hadden kleiner dan 1 meter, mogen in gebruik blijven zolang zij voldoen aan de kwaliteitsvereisten van het zwemwater vermeld in artikel 5.32.9.2.2, § 4. Bij vervanging van de filter, wordt een filter met een filterbedhoogte van minimum 1 meter voorzien.
Als chemicaliën worden enkel die produkten gebruikt die toegelaten zijn voor de behandeling van drinkwater overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 15 maart 1989 betreffende technische reglementering inzake drinkwater.
De metingen van het gehalte aan desinfecterend agens en van de pH gebeuren op een efficiënte chloorspecifieke manier. De meetapparatuur en de methodiek is goedgekeurd en erkend door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
De werking van de pompen die voor de injectie van het desinfecterend agens en de pH-correctie zorgen wordt automatisch onderbroken zodra het debiet van het desbetreffende circulatiesysteem tot minder dan 40 % van het normale daalt. In geval de injectie van het desinfectans en van de pH-correctie op dezelfde leiding geschieden, bevinden de injectiepunten zich op tenminste 2 m afstand van elkaar. De injectie van de pH-corrector gebeurt bij voorkeur vóór de filtratie. De chemicaliën worden niet rechtstreeks in het zwembad ingespoten.
De aftapkranen zijn goed toegankelijk en staan tenminste op volgende plaatsen:
a) vóór de filtratie en de injectie van reagentia;
b) achter de filtratie en de injectie van reagentia;
c) zo dicht mogelijk bij de aanvoer van het water naar elk bad.
De circulatiepompen kunnen tenminste een cyclusduur van 4 uur aan. Het water wordt minimum binnen de 4 uur volledig behandeld (turnover = 4 uur); voor Voor een bad met een capaciteit van 100 m3 of lager is de turnover maximaal twee uur, behoudens toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, en behoudens de turnover de vier uur niet overschrijdt. De controle van deze turnover gebeurt met een efficiënte debietmeter die achter de filtreerinstallatie wordt geplaatst in de deelstroom van elk bad en een doseerstop beveelt bij een daling van het debiet tot minder dan 40 % van het normale.
Indien de ontsmetting op een andere wijze gebeurt, is de goedkeuring van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid vereist.

 

 

§ 9.

De richtwaarde voor het gehalte aan trichlooraminen in de lucht bedraagt 300 μg/m3 en de grenswaarde bedraagt 500 μg/m3.

 

Het gehalte aan trichlooraminen wordt door en op kosten van de exploitant gecontroleerd op gemotiveerd verzoek van de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid.

 

Het tijdstip, de apparatuur en de meetmethode zijn goedgekeurd door de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid.


Art. 5.32.9.2.2. Exploitatie

§ 1. Procedures

De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven. Deze procedures worden jaarlijks geëvalueerd en tijdig bijgewerkt. Elk personeelslid bezit een kopie hiervan en kent de inhoud.Voormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder.

Vooraleer het zwembad in gebruik wordt genomen, wordt het watercirculatiesysteem uitgetest evenals het doorstromingspatroon (kleurproef).

 

§ 2. Opslag chemicaliën

De flessen, toestellen en leidingen die chloor in zuivere of in geconcentreerde toestand bevatten worden in een afzonderlijk lokaal geplaatst, dat op doeltreffende wijze aan de onder- en bovenzijde verlucht wordt. De toegang tot dit lokaal is verboden voor onbevoegden.
Bij nieuwe vergunningen wordt chloorgas geweigerd.
Alle flessen, toestellen en leidingen zijn vervaardigd volgens een code van goede praktijk uit materialen die inert zijn aan het betrokken middel. Daarenboven wordt een installatie die gasvormig chloor onder een druk van meer dan 105 Pa bevat, jaarlijks onderworpen aan een geslaagde waterdrukproef onder een druk gelijk aan anderhalf maal de dienstdruk. Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. De dichtheid van deze apparatuur wordt steeds verzekerd.
Aan de ingang van het lokaal worden een aangepast ademhalingstoestel van een erkend type en aangepaste individuele beschermingsmiddelen voorzien, die steeds bereikbaar en gebruiksklaar zijn, om in geval van een lek of een incident de veiligheid te kunnen verzekeren.
De nodige voorzieningen worden getroffen om de buurt niet te hinderen door uitwasemingen.
Produkten die met elkaar kunnen reageren, worden geplaatst in volledig van elkaar gescheiden lokalen, die uitsluitend daarvoor bestemd zijn; hun respectieve leidingen zijn voorzien van vulkoppelingen die niet met elkaar verenigbaar zijn.
De chemicaliën, zoals chloor, HCl, e.d., worden bewaard in gesloten vaten of houders, voorzien van de reglementaire etikettering. Deze bevinden zich in een inkuiping met een capaciteit die minimaal 110 % bedraagt van het grootste vat of houder. De vaten waaruit chemicaliën worden gedoseerd mogen niet meer produkt bevatten dan nodig voor een exploitatie van 2 dagen.
De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen.
De installaties worden tenminste éénmaal per dag door een bevoegd persoon nagekeken.
Elke levering van chemicaliën gebeurt onder toezicht van een bevoegd persoon die de conformiteit van de levering controleert. De levering van de chemicaliën is verboden tijdens de openingsuren voor de inrichtingen die, ten gevolge van een toegestane afwijking, de voorschriften vervat sub 5° van § 7 van artikel 5.32.9.2.1 niet hebben gerealiseerd.

 

§ 3. Veiligheid bezoekers

De exploitant neemt de nodige maatregelen om de veiligheid van de bezoekers te verzekeren.
Het maximum toegelaten aantal baders - dit zijn personen die zich in het water bevinden - is nooit hoger dan 1 bader per 3 m2 wateroppervlakte. Voor baden met een maximum diepte van 50 cm is één bader per 2 m2 wateroppervlakte toegelaten.
Weliswaar in functie van de evacuatiewegen, zal het maximum aantal aanwezige bezoekers in de zwemhal nooit hoger zijn dan de som van het maximum toegelaten aantal baders, vermeerderd met maximum 1 persoon per 2,4 m2 kade-oppervlakte.
De baders staan onder rechtstreeks en constant toezicht van ten minste één redder, die zich uitsluitend aan deze activiteit wijdt en zich permanent in de buurt van de kaden bevindt. Het toezicht is aangepast aan het type van installatie en aan de bezettingsgraad van het zwembad.
Het minimum aantal toezichthoudende personen, waarvan ten minste de helft redder zijn, wordt bepaald volgens de volgende formule (afronden naar beneden):
a) voor de eerste 150 baders:
b) daarboven, per 150 baders meer, 1 toezichthoudend persoon extra.
Ten minste de helft (afgerond naar boven) is redder.
Deze regel geldt niet voor baders in baden van minder dan 50 cm diepte.
Bij ieder afzonderlijk bad of risicozone staat ten minste 1 toezichthoudend persoon, ongeacht het resultaat van de in deze paragraaf vermelde formule.
De redders zijn in het bezit van het hoger reddersbrevet van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen. Het afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.
De redders worden ten minste éénmaal per jaar geoefend in reddings- en reanimatietechnieken. Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. Bedoelde bijscholing moet erkend zijn door Sport Vlaanderen.
De diepte van het water wordt op regelmatige afstanden aangeduid. Elke plotse verandering van diepte wordt op een opvallende wijze zichtbaar gemaakt.
In het zwembad levert geen enkele aan- en afvoer van water, lucht of andere stoffen, gevaar op voor de baders.
De plaats waar de gebruiker van de glijbaan en/of de springtoren in het bad terecht komt, is ontruimd binnen een straal van 2,5 m.
10° De inrichting beschikt over een lokaal waar de eerste zorgen kunnen worden toegediend en dat uitsluitend uitgerust is met materiaal voor eerste hulp en reanimatie. Dit lokaal en materiaal is rechtstreeks en gemakkelijk toegankelijk voor de verantwoordelijken.
De reanimatieapparatuur bestaat ten minste uit een systeem voor zuurstoftoediening. Dit apparaat wordt wekelijks op zijn deugdelijkheid onderzocht.
De redder is vertrouwd met het gebruik van het aanwezige materiaal.
11° De inrichting is uitgerust met tenminste één telefoontoestel dat een directe buitenlijn heeft. Dit toestel staat in de onmiddellijke nabijheid van het zwembad en het lokaal voor eerste hulp bij ongevallen, en is gemakkelijk bereikbaar door de redders.
12° Elk overlijden of ernstig ongeval binnen het zwembadgebouw wordt binnen een termijn van 24 uur telefonisch of met telefax gemeld aan de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

 

§ 3bis.

Een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van activiteiten in het zwembad, kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichthoudende persoon onder de volgende voorwaarden:

hij/zij moet zich constant op de kade bevinden en alle baders die tot een groep behoren rechtstreeks kunnen gade slaan;
het aantal baders onder zijn/haar toezicht mag maximum 35 bedragen.

Een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van activiteiten in het zwembad, kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichthoudende redder onder de volgende voorwaarden:

hij/zij moet zich constant op de kade bevinden en alle baders die tot een groep behoren rechtstreeks kunnen gade slaan;
het aantal baders onder zijn/haar toezicht mag maximum 35 bedragen;
hij/zij in het bezit is van het Hoger Reddersbrevet van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen.

 

§ 3ter.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag de exploitant in afwijking van § 3 het aantal redders en toezichters beperken tot:

één redder, wanneer de oppervlakte van het bad minder dan 200 m2 bedraagt;
twee toezichthoudende personen, waarvan ten minste één redder, wanneer de oppervlakte van het bad 200 m2 of meer bedraagt en de vorm van het bad zo is dat dit volledig in het gezichtsveld ligt van één persoon;
drie toezichthoudende personen, waarvan ten minste twee redders, wanneer de oppervlakte van het bad 200 m2 of meer bedraagt en de vorm van het bad zo is dat dit niet volledig in het gezichtsveld ligt van één persoon.

De afwijking, bedoeld in het eerste lid, geldt evenwel enkel wanneer de exploitant een toezichtsplan heeft opgesteld en naleeft ter verzekering van de veiligheid van de baders. Dit toezichtsplan ligt ter inzage voor de toezichthouders.

 

§ 3quater.

Een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten in het zwembad, kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichthoudende persoon onder de volgende voorwaarden :

de duikers staan onder constant toezicht van ten minste één persoon. Dit toezicht is aangepast aan de beoefende duikdiscipline;
bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken.

 

Een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten in het zwembad, kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichthoudende redder onder de volgende voorwaarden :

de duikers staan onder constant toezicht van ten minste één persoon. Dit toezicht is aangepast aan de beoefende duikdiscipline;
bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken;
hij/zij is in het bezit van het Hoger Reddersbrevet van Sport Vlaanderen of het brevet Duiker Redder van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen;
de redders worden ten minste éénmaal per jaar geoefend in redding- en reanimatietechnieken; het bewijs van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie; deze bijscholing moet erkend zijn door Sport Vlaanderen.

 

§ 4. Kwaliteitsvereisten van het water

Het water van de overdekte circulatiebaden moet voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten:

parameter

eenheid

grenswaarde

a) chemische parameters:

pH:

pH-eenheid

 

- ondergrens

 

7,0

- bovengrens

 

7,6

vrij beschikbaar chloor (HClO + ClO-):

- ondergrens

mg/l

0,5

- bovengrens

mg/l

1,5

gebonden chloor

mg/l

< 0,6 (1)

Bicarbonaat

mg/l

> 60

Ureum

mg/l

< 2,0

Chloriden

mg/l

< 800
.

Deze norm geldt niet bij gebruik van zout houdend water (> 2.000 mg Cl/l) of bij gebruik van zoutelektrolyse

oxydeerbaarheid
(KMnO4-verbruik in verwarmde oplossing en in zuur milieu)

mg O2/l

< 5

b) bacteriologische parameters:

totaal aantal kiemen bij 37°C

n/ml

<100

coagulase positieve stafylokokken

n/100ml

0

pseudomonas aeruginosa

n/100ml

0

c) fysische parameters:

temperatuur

°C

< 32;
behoudens toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid

helderheid

 

doorzichtig tot op de bodem van het bad

zichtbare verontreiniging

 

afwezig

geur

 

afwezig

schuim

 

afwezig

kleur

 

kleurloos

volume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag)

m3

>

(1) In afwijking van deze emissiegrenswaarde voor gebonden chloor geldt tijdelijk tot en met 31 december 2015 voor zwembaden waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 1 januari 2013, als ze uiterlijk op 1 januari 2014 in gebruik is genomen, een emissiegrenswaarde voor gebonden chloor van < 1,0 mg/l.
De helderheid, de temperatuur, de pH, het vrij beschikbaar chloor en de gebonden chloor worden door en op kosten van de exploitant tenminste driemaal per dag gecontroleerd, met name:
a) vóór de opening van het zwembad voor de bezoekers;
b) tweemaal tijdens het gebruik van het zwembad, evenredig gespreid over de openingsuren;
de apparatuur en de meetmethode zijn goedgekeurd door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
Het zwembadwater wordt op kosten van de exploitant ten minste elke maand bemonsterd en geanalyseerd. Alle sub 1° vermelde parameters worden hierbij onderzocht.
De monsterneming gebeurt door bevoegd laboratoriumpersoneel en behoudens een toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid ten minste twee uur na de opening van het zwembad en op een plaats waar de kwaliteit het minst gunstig wordt geacht.
De analyse van de genomen monsters gebeurt door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein drinkwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:
a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;
b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;
c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;
d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;
e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;
f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;
g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.
Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.
Elke overschrijding van de normen die voor de parameters pH, vrij beschikbaar chloor en doorzichtigheid door 1° zijn bepaald en waarvan de oorzaak niet binnen het half uur gecorrigeerd is vereist de onmiddellijke sluiting van het zwembad.
in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen op advies van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid andere kwaliteitseisen worden opgelegd. Deze kwaliteitsvereisten staan in relatie tot het overeenkomstig artikel 5.32.9.2.1. § 8, 7° toegelaten alternatieve waterbehandelingssysteem.

 

 

§ 5.

Het zwembad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt voorzien in een debietmeter op het suppletiewater.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015.

Tenzij anders in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermeld, is chloor het enig toegelaten ontsmettings- en oxydatiemiddel. Het gebruik van chloorstabilisatoren is niet toegelaten.

De filters worden tenminste tweemaal per week gespoeld buiten de openingsuren van het zwembad en wel zo dat het filtermateriaal in fluidisatie komt.

Per bader en per dag wordt, behoudens toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, minimaal 30 liter vers water toegevoegd, op een plaats in het circuit die een passage van dit suppletiewater doorheen de filters verplicht vooraleer het in het zwembad terechtkomt.

 

§ 6. Onderhoud

De bodem van het zwembad wordt tenminste om de twee dagen vóór de openingsuren gereinigd en gestofzuigd. De wanden van het bad zelf worden tenminste éénmaal per week buiten de openingstijden, gereinigd en gestofzuigd.
De bufferbak wordt minstens eenmaal per jaar gereinigd.
De toezichthouder kan een volledige lediging van het bad eisen, wanneer de reinheid van het bad te wensen overlaat of wanneer de kwaliteit van het water niet in overeenstemming is met de voorschriften van artikel § 4 van dit artikel.

 

§ 7. Reglement van interne orde

De exploitant voert een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren.Dit reglement wordt op voor de bezoekers duidelijk zichtbare plaatsen in de inrichting aangeplakt.
Het sub 1° bedoelde reglement omvat tenminste de volgende punten:
a) de directie heeft het recht om elke persoon die een gevaar blijkt op te leveren voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de instelling te verbieden (dronkenschap, ordeverstoring, niet naleving van dit reglement, e.d.);
b) dieren, tenzij assistentiehonden in de geschoeide zone, worden niet in de inrichting toegelaten;
c) elke bader moet een stortbad nemen alvorens de zwemhal te betreden;
d) kinderen van minder dan 6 jaar zijn steeds vergezeld van een toezichthoudende volwassene.

 


Subafdeling 5.32.9.3.
Niet overdekte circulatiebaden


Art. 5.32.9.3.1. Architectonische normen

§ 1. Bouw

De lokalen zijn gebouwd uit hard en onbederfbaar materiaal.
De vloer is waterdicht. Hij is voorzien van een onbederfbare corrosieweerstandige niet water opslorpende en gemakkelijk afwasbare bekleding, evenals de wanden tot op een hoogte van 3 m.
Alle interne uitrustingen zijn vervaardigd uit corrosieweerstandig en gemakkelijk afwasbaar materiaal.
Tot op een hoogte van 2 m vanaf de begane grond, worden scherpe hoeken en uitstekende elementen vermeden ofwel afgeschermd met een niet kwetsende bekleding. Elke beglazing wordt duidelijk zichtbaar gemaakt en beveiligd.

Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot 2 %. Een alternatief op deze hellingsgraad is aanvaardbaar in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn, indien een hygiëneplan opgesteld en uitgevoerd wordt door de exploitant in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. Dit hygiëneplan bevat minimaal de opdracht om het water, afkomstig van de natte baders, minimaal om de twee uur weg te trekken en om de natte ruimten minimaal dagelijks te ontsmetten. In overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige worden ook vloercontroles opgenomen in het meetprogramma voor de zwemwaterkwaliteit. De resultaten worden maandelijks bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. De vloeren voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten :

parameter KVE per 25 cm2
Coliforme bacteriën ≤ 150
Fecale Colibacteriën ≤  1
Fecale Streptokokken < 1 
Pseudomonas aeruginosa ≤ 1
Pathogene Staphylokokken ≤ 10
Dermatofyten < 1

 

 

§ 2. Zwembad

Het zwembad is gemakkelijk toegankelijk voor externe hulpdiensten.
De zwembadwand en -bodem bestaan uit hard materiaal en zijn voorzien van een waterdichte, onbederfbare, niet kwetsende en gemakkelijk afwasbare bekleding.
De bodem van het zwembad is in zijn ondiep gedeelte ten minste tot op een diepte van 1.35 m slipwerend. De wanden zijn ter hoogte van het diepe gedeelte voorzien van een grijprand of touw en van een staanrand.
De aan- en afvoer van het water zijn zodanig uitgevoerd dat in het bad geen dode hoeken met stagnerend water aanwezig zijn. Zij vormen geen gevaar voor de baders.
De recyclage van het zwemwater gebeurt voor tenminste 30 % via de bovenafvoer.
Het diepste punt van de zwembadbodem is voorzien van een afvoer voor een volledige lediging van het bad. In inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn mag het restwater ook verwijderd worden door middel van een pomp of een alternatief systeem.

 

§ 3. Kaden en vloeren

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het bad volledig omringd door een kade met een minimumbreedte van 1,5 m.
De rechtstreekse toegang tot de kaden vanuit de kleedkamers of de recreatiezones, bevindt zich bij voorkeur ter hoogte van het ondiepe gedeelte van het bad. Indien dit niet het geval is, belemmert een hindernis een directe toegang tot het diepe deel.
De kaden zijn zó aangelegd dat het water hiervan niet in het zwembad, noch in het recycleringscircuit terecht kan komen. Dit water wordt afgevoerd via een voldoende aantal afvoerpunten met een minimale diameter van 15 cm zodat stilstaand water voorkomen wordt. Het water wordt afgevoerd, hetzij naar een openbare riolering, hetzij naar een oppervlaktewater met inachtname van de voorschriften van dit reglement en de eventueel in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde bijzondere voorwaarden.
Om het reinigen met een waterslang mogelijk te maken, zijn er voldoende wateraftappunten voorhanden, alsmede de geschikte voorzieningen om het gebruikte water te verwijderen. Indien de kaden niet voldoen aan deze voorwaarden vermeld in het eerste en tweede lid, gebeurt de afvoer van het kuiswater via een volautomatisch systeem met een driewegkraan en wordt de turbiditeit, uitgedrukt in NTU, als extra parameter opgenomen in de maandelijkse waterkwaliteitsanalyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Deze turbiditeit mag maximaal 0,5 NTU zijn.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn alle vloeren waarop blootsvoets wordt gelopen, vervaardigd uit hard, waterdicht, onbederfbaar, slipwerend, niet kwetsend en gemakkelijk afwasbaar materiaal.
De exploitant verbiedt de baders de toegang tot het zwembad en de kades indien deze niet eerst door een voetwaadbak of langs voetsproeiers en door een stortbad zijn gegaan.

 

§ 4. Omkleedcabines

De omkleedcabines zijn vervaardigd uit hard, niet wateropslorpend, onbederfbaar, niet kwetsend en gemakkelijk afwasbaar materiaal.

 

§ 5. Sanitaire voorzieningen

De toiletten zijn in voldoende aantal aanwezig.
Voor elke toilettenruimte wordt er tenminste één wastafel voorzien.

De vloer van de sanitaire voorzieningen heeft een helling van 1 tot 2 %, waardoor het afvalwater naar een afvoer wordt geleid die verbonden is met de lozingsinrichting. Een alternatief op deze hellingsgraad is aanvaardbaar in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn, indien een hygiëneplan opgesteld en uitgevoerd wordt door de exploitant in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. Dit hygiëneplan bevat minimaal de opdracht om het water, afkomstig van de natte baders, minimaal om de twee uur weg te trekken en om de natte ruimten minimaal dagelijks te ontsmetten. In overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige worden ook vloercontroles opgenomen in het meetprogramma voor de zwemwaterkwaliteit. De resultaten worden maandelijks bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. De vloeren voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten :

parameter KVE per 25 cm2
Coliforme bacteriën ≤ 150
Fecale Colibacteriën ≤ 1
Fecale Streptokokken < 1
Pseudomonas aeruginosa ≤ 1
Pathogene Staphylokokken ≤ 10
Dermatofyten < 1
De stortbaden zijn voorzien van water met aangepaste temperatuur, afkomstig van een warmwaterinstallatie met water van tenminste 65° C. Het mengventiel is in de onmiddellijke nabijheid van het stortbad geplaatst.
De waadbakken zijn doorlopend gevuld met vers behandeld zwembadwater; de turnover mag ten hoogste tien minuten bedragen. Het vervuilde waadbakwater wordt rechtstreeks afgevoerd naar de lozingsinrichting of naar de zwembadwaterbehandelingsinstallatie.

 

 

§ 6. Recreatieve voorzieningen

Elke recreatieve voorziening bestaat uit duurzaam en corrosieweerstandig en dampdicht materiaal. Hun oppervlak is onbederfbaar, gemakkelijk afwasbaar en niet kwetsend. De recreatieve voorzieningen mogen de veiligheid van de baders niet in gevaar brengen.
De constructie van de recreatieve voorzieningen strookt met de de normen opgesteld door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN).

 

§ 7. Waterbehandelingssysteem

Elk circulatiebad is voorzien van een automatisch, efficiënt functionerend chloor- en pH-sturingsmechanisme.
Het waterbehandelingsprocédé omvat tenminste een voorfiltratie, een filtratie, een oxydatie/ desinfectie, een pH-aanpassing en een systeem voor aanvoer van vers water.
Elke filter heeft een minimum filterbedhoogte van 1 meter en is voorzien van een kijkglas en van drukmeters voor en na de filtratie. De maximum filtersnelheid bedraagt 30 m/uur. De filters die in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn [...] een filterbedhoogte hadden kleiner dan 1 meter, mogen in gebruik blijven zolang zij voldoen aan de kwaliteitsvereisten van het zwemwater vermeld in artikel 5.32.9.2.2, § 4. Bij vervanging van de filter, wordt een filter met een filterbedhoogte van minimum 1 meter voorzien.
Als chemicaliën worden enkel die produkten gebruikt die toegelaten zijn voor de behandeling van drinkwater overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 15 maart 1989 betreffende technische reglementering inzake drinkwater.
De metingen van het gehalte aan desinfecterend agens en van de pH gebeuren op een efficiënte chloorspecifieke manier. De meetapparatuur en de methodiek moeten goedgekeurd en erkend zijn door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
De werking van de pompen die voor de injectie van het desinfecterend agens en de pH-correctie zorgen, wordt automatisch onderbroken zodra het debiet van het desbetreffende circulatiesysteem tot minder dan 40 % van het normale daalt. In geval de injectie van het desinfectans en van de pH-correctie op dezelfde leiding geschieden, moeten de injectiepunten zich op tenminste 2 m afstand van elkaar bevinden. De chemicaliën worden niet rechtstreeks in de zwemkom ingespoten. De injectie van de pH-corrector gebeurt bij voorkeur vóór de filtratie.
De aftapkranen zijn goed toegankelijk en staan tenminste op volgende plaatsen:
a) vóór de filtratie en de injectie van reagentia;
b) achter de filtratie en de injectie van reagentia;
c) zo dicht mogelijk bij de aanvoer van het water naar elk bad.
De circulatiepompen kunnen ten minste een cyclusduur van 4 uur aan. Het water uit een groot bad wordt minimum om de 4 uur volledig behandeld (turnover = 4 uur) Voor een bad met een capaciteit van 100 m3 of lager is de turnover maximaal twee uur, behoudens toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, en behoudens de turnover de vier uur niet overschrijdt. De controle van deze turnover gebeurt met een efficiënte debietmeter die achter de filtreerinstallatie wordt geplaatst in de deelstroom van elk bad en een doseerstop beveelt bij een daling van het debiet tot minder dan 40 % van het normale.
Indien de ontsmetting op een andere wijze gebeurt, is de goedkeuring van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid vereist.

 


Art. 5.32.9.3.2. Exploitatie.

§ 1. Procedures

De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven. Deze procedures worden jaarlijks geëvalueerd en tijdig bijgewerkt. Elk personeelslid bezit een kopie hiervan en kent de inhoud. Voormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder.

Vooraleer het zwembad in gebruik wordt genomen, wordt het watercirculatiesysteem uitgetest evenals het doorstromingspatroon (kleurproef).

 

§ 2. Opslag chemicaliën

De flessen, toestellen en leidingen die chloor in zuivere of in geconcentreerde toestand bevatten worden in een afzonderlijk lokaal geplaatst, dat op doeltreffende wijze aan de onder- en bovenzijde verlucht wordt; de toegang tot dit lokaal is verboden aan onbevoegden.
Bij nieuwe vergunningen wordt chloorgas geweigerd.
Alle flessen, toestellen en leidingen zijn vervaardigd volgens een code van goede praktijk uit materialen die inert zijn aan het betrokken middel; daarenboven wordt een installatie die gasvormig chloor onder een druk van meer dan 105 Pa bevat, jaarlijks onderworpen aan een geslaagde waterdrukproef onder een druk gelijk aan anderhalf maal de dienstdruk. Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. De dichtheid van deze apparatuur wordt steeds verzekerd.
Aan de ingang van het lokaal worden een aangepast ademhalingstoestel van een erkend type en aangepaste individuele beschermingsmiddelen voorzien, die steeds bereikbaar en gebruiksklaar zijn, om in geval van een lek of een incident de veiligheid te kunnen verzekeren.
De nodige voorzieningen worden getroffen om de buurt niet te hinderen door uitwasemingen.
Produkten die met elkaar kunnen reageren, worden geplaatst in volledig van elkaar gescheiden lokalen, die uitsluitend daarvoor bestemd zijn. Hun respectieve leidingen zijn voorzien van vulkoppelingen die niet met elkaar verenigbaar zijn.
De chemicaliën, zoals chloor, HCl, e.d., worden bewaard in gesloten vaten of houders, voorzien van de reglementaire etikettering. Deze bevinden zich in een waterdichte inkuiping met een capaciteit die minimaal 110 % bedraagt van het grootste vat of houder. De vaten waaruit chemicaliën worden gedoseerd mogen niet meer produkt bevatten dan nodig voor een exploitatie van 2 dagen.
De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen.
De installaties worden tenminste éénmaal per dag door een bevoegd persoon nagekeken.
Elke levering van chemicaliën gebeurt onder toezicht van een bevoegd persoon die de conformiteit van de levering controleert.

 

§ 3. Veiligheid bezoekers

De exploitant neemt de nodige maatregelen om de veiligheid van de bezoekers te verzekeren.
Het maximum toegelaten aantal baders - dit zijn personen die zich in het water bevinden - is nooit hoger dan 1 bader per 3 m2 wateroppervlakte. Voor baden met een maximumdiepte van 50 cm is één bader per 2 m2 wateroppervlakte toegelaten.
De baders staan onder rechtstreeks en constant toezicht van tenminste één redder, die zich uitsluitend aan deze activiteit wijdt en zich permanent in de buurt van de kaden bevindt. Het toezicht is aangepast aan het type van installatie en aan de bezettingsgraad van het zwembad. Het minimum aantal toezichthoudende personen, waarvan tenminste de helft redder zijn, wordt bepaald volgens de volgende formule (afronden naar beneden):
a) voor de eerste 150 baders:
b) daarboven, per 150 baders meer, 1 toezichthoudend persoon extra.
Ten minste de helft (afgerond naar boven) is redder.
c) Deze regel geldt niet voor baders in baden van minder dan 50 cm diepte.
Ieder afzonderlijk bad of risicozone ligt in het gezichtsveld van ten minste 1 toezichthoudend persoon.
De redders zijn in het bezit van het hoger reddersbrevet van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift erkend door Sport Vlaanderen. Het afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.
De redders worden tenminste éénmaal per jaar geoefend in reddings- en reanimatietechnieken. Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. Deze bijscholing moet erkend zijn door Sport Vlaanderen.
De diepte van het water wordt op regelmatige afstanden aangeduid. Elke plotse verandering van diepte wordt op een opvallende wijze zichtbaar gemaakt.
In het zwembad levert geen enkele aan- en afvoer van water, lucht of andere stoffen, gevaar op voor de baders.
De plaats waar de gebruiker van de glijbaan en/of de springtoren in het bad terecht komt, is ontruimd binnen een straal van 2,5 m.
10° De inrichting beschikt over een lokaal waar de eerste zorgen kunnen worden toegediend en dat uitsluitend uitgerust is met materiaal voor eerste hulp en reanimatie. Dit lokaal en materiaal is rechtstreeks en gemakkelijk toegankelijk voor de verantwoordelijken. De reanimatieapparatuur bestaat ten minste uit een systeem voor zuurstoftoediening. Dit apparaat wordt wekelijks op zijn deugdelijkheid onderzocht. De redder is vertrouwd met het gebruik van het aanwezige materiaal.
11° De inrichting is uitgerust met tenminste één telefoontoestel dat een directe buitenlijn heeft. Dit toestel staat in de onmiddellijke nabijheid van het zwembad en het lokaal voor eerste hulp bij ongevallen, en is gemakkelijk bereikbaar door de redders.
12° Elk overlijden of ernstig ongeval binnen het zwembadgebouw wordt binnen een termijn van 24 uur telefonisch of met telefax gemeld aan de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

 

§ 3bis.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag de exploitant in afwijking van § 3 het aantal redders en toezichters beperken tot:

één redder, wanneer de oppervlakte van het bad minder dan 200 m2 bedraagt;
twee toezichthoudende personen, waarvan ten minste één redder, wanneer de oppervlakte van het bad 200 m2 of meer bedraagt en de vorm van het bad zo is dat dit volledig in het gezichtsveld ligt van één persoon;
drie toezichthoudende personen, waarvan ten minste één redder, wanneer de oppervlakte van het bad 200 m2 of meer bedraagt en de vorm van het bad zo is dat dit niet volledig in het gezichtsveld ligt van één persoon.

De afwijking, bedoeld in het eerste lid, geldt evenwel enkel wanneer de exploitant een toezichtsplan heeft opgesteld en naleeft ter verzekering van de veiligheid van de baders. Dit toezichtsplan ligt ter inzage voor de toezichthouders.

 

§ 3ter.

Een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten in het zwembad, kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichthoudende persoon onder de volgende voorwaarden :

de duikers staan onder constant toezicht van ten minste één persoon. Dit toezicht is aangepast aan de beoefende duikdiscipline;
bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken.

 

Een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten in het zwembad, kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichthoudende redder onder de volgende voorwaarden :

de duikers staan onder constant toezicht van ten minste één persoon. Dit toezicht is aangepast aan de beoefende duikdiscipline;
bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken;
hij/zij is in het bezit van het Hoger Reddersbrevet van Sport Vlaanderen of het brevet Duiker Redder van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen;
de redders worden ten minste éénmaal per jaar geoefend in redding- en reanimatietechnieken; het bewijs van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie; deze bijscholing moet erkend zijn door Sport Vlaanderen.

 

§ 4. Kwaliteitsvereisten van het water

Het water van de niet overdekte circulatiebaden voldoet aan de volgende kwaliteitsvereisten:

Parameter

eenheid

grenswaarde

a) chemische parameters:

pH:

pH-eenheid

 

- ondergrens

 

7,0

- bovengrens

 

7,6

vrij beschikbaar chloor (HClO + ClO-):

- ondergrens

mg/l

0,5

- bovengrens

mg/l

3,0

gebonden chloor

mg/l

< 1,0

Bicarbonaat

mg/l

> 60

Ureum

mg/l

< 2,0

Chloriden

mg/l

< 800

Deze norm geldt niet bij gebruik van zout houdend water (> 2.000 mg Cl/l) of bij gebruik van zoutelektrolyse.

Oxydeerbaarheid
(KMnO4-verbruik in verwarmde oplossing en in zuur milieu)

mg O2/l

< 5

b) bacteriologische parameters:

totaal aantal kiemen bij 37°C

n/ml

<100

coagulase positieve stafylokokken

n/100ml

0

Pseudomonas aeruginosa

n/100ml

0

c) fysische parameters:

Temperatuur

°C

< 32;
behoudens toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid

Helderheid

 

doorzichtig tot op de bodem van het bad

zichtbare verontreiniging

 

afwezig

Geur

 

afwezig

Schuim

 

afwezig

Kleur

 

kleurloos

volume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag)

m3

> 2

De helderheid, de temperatuur, de pH, het vrij beschikbaar chloor en de gebonden chloor worden door en op kosten van de exploitant tenminste driemaal per dag gecontroleerd, met name:
a) vóór de opening van het zwembad voor de bezoekers;
b) tweemaal tijdens het gebruik van het zwembad, evenredig gespreid over de openingsuren;
c) de apparatuur en de meetmethode zijn goedgekeurd door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
Het zwembadwater wordt op kosten van de exploitant tenminste tweemaal per maand bemonsterd en geanalyseerd. Alle sub 1° vermelde parameters worden hierbij onderzocht.
De monsterneming gebeurt door bevoegd laboratoriumpersoneel en behoudens een toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid ten minste twee uur na de opening van het zwembad en op een plaats waar de kwaliteit het minst gunstig wordt geacht.
De analyse van de genomen monsters gebeurt door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein drinkwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:
a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;
b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;
c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;
d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;
e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;
f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;
g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen..

Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder
Elke overschrijding van de normen die voor de parameters pH, vrij beschikbaar chloor en doorzichtigheid door sub 1° zijn bepaald en waarvan de oorzaak niet binnen het half uur gecorrigeerd is vereist de onmiddellijke sluiting van het zwembad.
In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen op advies van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid andere kwaliteitseisen worden opgelegd. Deze kwaliteitsvereisten staan in relatie tot het overeenkomstig artikel 5.32.9.3.1. § 7, 7° toegelaten alternatieve waterbehandelingssysteem.

 

 

§ 5.

Het zwembad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt voorzien in een debietmeter op het suppletiewater.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015.

Tenzij anders in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermeld, is chloor het enig toegelaten ontsmettings- en oxydatiemiddel. Het gebruik van chloorstabilisatoren is niet toegelaten.

De filters worden tenminste tweemaal per week gespoeld buiten de openingsuren van het zwembad en wel zo dat het filtermateriaal in fluïdisatie komt.

Per bader en per dag wordt, behoudens toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, minimaal 30 liter vers water toegevoegd

 

§ 6. Onderhoud

De bodem van het zwembad wordt tenminste dagelijks vóór de openingsuren gereinigd en gestofzuigd. De wanden van het bad zelf worden tenminste éénmaal per week buiten de openingstijden, gereinigd en gestofzuigd.
De bufferbak wordt minstens eenmaal per jaar gereinigd.
De toezichthouder kan een volledige lediging van het bad eisen, wanneer de reinheid van het bad te wensen overlaat of wanneer de kwaliteit van het water niet in overeenstemming is met de voorschriften van § 4 van dit artikel.

 

§ 7. Reglement van interne orde

De exploitant voert een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren. Dit reglement wordt op voor de bezoekers duidelijk zichtbare plaatsen in de inrichting aangeplakt.
Het in § 1 bedoelde reglement omvat tenminste de volgende punten:
a) de directie heeft het recht om elke persoon die een gevaar blijkt op te leveren voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de instelling te verbieden (dronkenschap, ordeverstoring, niet naleving van dit reglement, e.d.);
b) dieren, tenzij assistentiehonden in de geschoeide zone, worden niet in de inrichting toegelaten;
c) elke bader moet een stortbad nemen alvorens de kaden en het zwembad te betreden;
d) kinderen van minder dan 6 jaar zijn steeds vergezeld van een toezichthoudende volwassene.

 


Subafdeling 5.32.9.4.
Hot whirlpools


Art. 5.32.9.4.1.

§ 1.

Indien de ontsmetting van het water gebeurt op basis van chloor, is de hot whirlpool steeds aangesloten op een waterbehandelingssysteem dat deel uitmaakt van een inrichting met een circulatiebad of op een bufferbak met een nuttige inhoud van ten minste 20 m3. Indien de ontsmetting op een andere wijze gebeurt, is de goedkeuring van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid vereist.

 

§ 2.

De hot whirlpools zijn gemakkelijk te bereiken.

 

§ 3.

De hot whirlpools worden ten minste dagelijks grondig gereinigd.

 

§ 4.

Het aantal baders is beperkt tot het aantal zitplaatsen naar rato van 50 cm per bader.

 

§ 5.

Het water heeft een debiet van 3 m3 per bader per uur en een turnover van maximum 10 minuten.

 

De doorstroming is van die aard dat 100 % van het water via bovenafvoer verwijderd wordt.

 

[...]

 

§ 6. Luchtkwaliteit

De richtwaarde voor het gehalte aan trichlooraminen in de lucht bedraagt 300 μg/m3 en de grenswaarde bedraagt 500 μg/m3. Het gehalte aan trichlooraminen wordt door en op kosten van de exploitant gecontroleerd op gemotiveerd verzoek van de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid. Het tijdstip, de apparatuur en de meetmethode zijn goedgekeurd door de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid.


Art. 5.32.9.4.2. Waterkwaliteitsvereisten

§ 1.

Het water van de whirlpools moet voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten:

 

Parameter

eenheid

grenswaarde

a) chemische parameters:

pH:

pH-eenheid

 

- ondergrens

 

7,0

- bovengrens

 

7,6

vrij beschikbaar chloor (HClO + ClO-):

- ondergrens

mg/l

1

- bovengrens

mg/l

3

gebonden chloor

mg/l

< 0,6 (1)

Bicarbonaat

mg/l

 ≤ 40 en richtwaarde ≥ 60

Ureum

mg/l

< 2,0

Chloriden

mg/l

< 800
Deze norm geldt niet bij gebruik van zout houdend water (> 2.000 mg Cl/l) of bij gebruik van zoutelektrolyse.

Oxydeerbaarheid
(KMnO4-verbruik in verwarmde oplossing en in zuur milieu)

mg O2/l

< 5

b) bacteriologische parameters:

totaal aantal kiemen bij 37°C

n/ml

<100

coagulase positieve stafylokokken

n/100ml

0

Pseudomonas aeruginosa

n/100ml

0

Legionella pneumophila* n/100ml niet aantoonbaar
* Eén bepaling per jaar, gedurende de twee eerste maanden van het jaar.

c) fysische parameters

temperatuur

°C

< 38;

behoudens toelating, toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid

helderheid

 

doorzichtig tot op de bodem van het bad

zichtbare verontreiniging

 

Afwezig

geur

 

Afwezig

schuim

 

Afwezig

kleur

 

Kleurloos

volume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag)       

m3

> 2

(1) In afwijking van deze emissiegrenswaarde voor gebonden chloor geldt tijdelijk tot en met 31 december 2015 voor zwembaden waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 1 januari 2013, als ze uiterlijk op 1 januari 2014 in gebruik is genomen, een emissiegrenswaarde voor gebonden chloor van ≤ 1,0 mg/l.

 

§ 2.

De helderheid, de temperatuur, de pH, het vrij beschikbaar chloor en de gebonden chloor worden door en op kosten van de exploitant tenminste driemaal per dag gecontroleerd, met name: .

vóór de opening van het zwembad voor de bezoekers;
tweemaal tijdens het gebruik van het zwembad, evenredig gespreid over de openingsuren; de apparatuur en de meetmethode zijn goedgekeurd door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

 

§ 3.

Het badwater wordt op kosten van de exploitant tenminste elke maand bemonsterd en geanalyseerd. Alle in § 1 vermelde parameters worden hierbij onderzocht.

 

De monsterneming gebeurt door bevoegd laboratoriumpersoneel en behoudens een toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid ten minste twee uur na de opening van het zwembad en op een plaats waar de kwaliteit het minst gunstig wordt geacht.

 

De analyse van de genomen monsters gebeurt door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein drinkwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. De analyses specifiek voor Legionella pneumophila gebeuren door een specifiek hiervoor erkend laboratorium. Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

 

§ 4.

De filters worden ten minste tweemaal per week gespoeld buiten de openingsuren van het bad en wel zo dat het filtermateriaal in fluïdisatie komt.

 

§ 5.

Indien op het circuit van de hot whirlpool een afzonderlijke bufferbak is voorzien, wordt deze tijdig en ten minste eenmaal per jaar gereinigd.

 

§ 6.

De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:

de resultaten van de in § 2 bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;
de resultaten van de in § 3 bedoelde maandelijkse analyses;
de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;
de dagelijkse bezetting van het zwembad;
elke bijzonderheid, incident of ongeval;
de maandelijkse notering van het waterverbruik;
elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.

Dit register, wordt tenminste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.

 

§ 7.

Elke overschrijding van de normen die voor de parameters pH, vrij beschikbaar chloor en doorzichtigheid door § 1 zijn bepaald en waarvan de oorzaak niet binnen het half uur gecorrigeerd is vereist de onmiddellijke sluiting van het bad.

 

§ 8.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen op advies van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid andere kwaliteitseisen worden opgelegd. Deze kwaliteitsvereisten staan in relatie tot het overeenkomstig artikel 5.32.9.4.1. § 1 toegelaten alternatieve waterbehandelingssysteem.


Subafdeling 5.32.9.5.
Dompelbaden


Art. 5.32.9.5.1. Waterkwaliteitsvereisten

§ 1.

De aanvoer van het water is voorzien van een chloreringssysteem. Als het water op een andere manier ontsmet wordt, is de goedkeuring van de milieuarts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd op het toezicht van de volksgezondheid vereist. Aan die goedkeuring kunnen voorwaarden gekoppeld worden.

 

§ 1bis.

Het verse water wordt ingevoerd via bodeminjectie. Het water wordt voor 100% afgevoerd langs de bovenzijde. Het overlopende water mag gebruikt worden als suppletiewater voor circulatiebaden op voorwaarde dat het voor de filter wordt toegevoegd. De verversingsgraad bedraagt minimaal 1 m³/uur, de minimale turnover ≤ 2 uur.

 

§ 1ter.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 1bis, vanaf 1 januari 2015.

 

§ 1quater.

Het water van de dompelbaden moet voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten:

 

parameter

eenheid

grenswaarde

a) chemische parameters:

pH:

pH-eenheid

 

- ondergrens

 

6,8

- bovengrens

 

8

vrij beschikbaar chloor (HClO + ClO-):

- ondergrens

mg/l

1

- bovengrens

mg/l

3

gebonden chloor

mg/l

< 0,6 (1)

Bicarbonaat

mg/l

> 60

Ureum

mg/l

< 2,0

Chloriden

mg/l

< 800

(Deze norm geldt niet bij gebruik van zout houdend water (> 2.000 mg Cl/l) of bij gebruik van zoutelektrolyse.)

Oxydeerbaarheid
(KmnO4-verbruik in verwarmde oplossing en in zuur milieu)

mg O2/l

< 5

b) bacteriologische parameters:

totaal aantal kiemen bij 37°C

n/ml

<100

Coagulase positieve stafylokokken

n/100ml

0

Pseudomonas aeruginosa

n/100ml

0

c) fysische parameters:

Temperatuur

°C

< 20;
behoudens toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid

Helderheid

 

doorzichtig tot op de bodem van het bad

Zichtbare verontreiniging

 

afwezig

Geur

 

afwezig

Schuim

 

afwezig

Kleur

 

kleurloos

(1) In afwijking van deze emissiegrenswaarde voor gebonden chloor geldt tijdelijk tot en met 31 december 2015 voor zwembaden waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 1 januari 2013, als ze uiterlijk op 1 januari 2014 in gebruik is genomen, een emissiegrenswaarde voor gebonden chloor van < 1,0 mg/l.

 

§ 2.

De helderheid, de temperatuur, de pH, het vrij beschikbaar chloor en de gebonden chloor worden door en op kosten van de exploitant tenminste driemaal per dag gecontroleerd, met name:

vóór de opening van het bad voor de bezoekers;
tweemaal tijdens het gebruik van het bad, evenredig gespreid over de openingsuren; de apparatuur en de meetmethode zijn goedgekeurd door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

 

§ 3.

Het badwater wordt op kosten van de exploitant tenminste elke maand bemonsterd en geanalyseerd. Alle in § 1 vermelde parameters worden hierbij onderzocht.

 

De monsterneming gebeurt door bevoegd laboratoriumpersoneel en behoudens een toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid ten minste twee uur na de opening van het zwembad en op een plaats waar de kwaliteit het minst gunstig wordt geacht.

 

De analyse van de genomen monsters gebeurt door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein drinkwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.


Art. 5.32.9.5.2.

§ 1.

De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:

 

de resultaten van de in § 2 van artikel 5.32.9.5.1 bedoelde dagelijkse badwateranalyses;
de resultaten van de in § 3 van artikel 5.32.9.5.1 bedoelde maandelijkse analyses;
de dagelijkse bezetting van het bad;
elke bijzonderheid, incident of ongeval;
de maandelijkse notering van het waterverbruik;
elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het bad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.

Dit register, wordt tenminste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.

 

 

§ 2.

Elke overschrijding van de normen die voor de parameters pH, vrij beschikbaar chloor en doorzichtigheid door artikel 5.32.9.5.1, § 1, zijn bepaald en waarvan de oorzaak niet binnen het half uur gecorrigeerd is vereist de onmiddellijke sluiting van het bad.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4. Onderhoud

Tenminste 1 x per dag wordt het bad geledigd en volledig gereinigd.


Subafdeling 5.32.9.6.
Plonsbaden


Art. 5.32.9.6.1.

De aanvoer van het water is voorzien van een chloreringssysteem. Als het water op een andere manier ontsmet wordt, is de goedkeuring van de milieuarts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid vereist. Aan die goedkeuring kunnen voorwaarden gekoppeld worden.

 

Het bad wordt continu doorstroomd met vers suppletiewater. De verversingsgraad is zo bepaald dat een turnover van 1 uur wordt bereikt.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid, vanaf 1 januari 2015.


Art. 5.32.9.6.2.

De voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.9.3.2, §4, 1° tot en met 5°, zijn van toepassing, behalve voor de pH, waarvoor het volgende geldt:

ondergrens: 6,8;  
2°  bovengrens: 8. 

 


Subafdeling 5.32.9.7.
Therapiebaden


Art. 5.32.9.7.1. Architectonische normen

§ 1. Bouw

De lokalen zijn gebouwd uit hard en onbederfbaar materiaal.
De vloer is waterdicht. Hij is tevens, evenals de zoldering en de wanden van de lokalen, voorzien van een onbederfbare corrosieweerstandige niet water opslorpende en gemakkelijk afwasbare bekleding.
Alle interne uitrustingen zijn vervaardigd uit corrosieweerstandig en gemakkelijk afwasbaar materiaal.
Tot op een hoogte van 2 m vanaf de begane grond, worden scherpe hoeken en uitstekende elementen vermeden ofwel afgeschermd met een niet kwetsende bekleding. Elke beglazing wordt duidelijk zichtbaar gemaakt en beveiligd.

Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot 2 %. Een alternatief op deze hellingsgraad is aanvaardbaar in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn, indien een hygiëneplan opgesteld en uitgevoerd wordt door de exploitant in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. Dit hygiëneplan bevat minimaal de opdracht om het water, http://www.emis.vito.be Belgisch Staatsblad d.d. 10-09-2013 afkomstig van de natte baders, minimaal om de twee uur weg te trekken en om de natte ruimten minimaal dagelijks te ontsmetten. In overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige worden ook vloercontroles opgenomen in het meetprogramma voor de zwemwaterkwaliteit. De resultaten worden maandelijks bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. De vloeren voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten :

parameter

KVE per 25 cm2

Coliforme bacteriën

≤ 150

Fecale Colibacteriën

≤ 1

Fecale Streptokokken

< 1

Pseudomonas aeruginosa

≤ 1

Pathogene Staphylokokken

≤ 10

Dermatofyten

< 1

 

§ 2. Zwemhal en zwembad

De zwemhal is gemakkelijk toegankelijk voor hulpdiensten.
De zwembadwand en -bodem bestaan uit hard materiaal en zijn voorzien van een waterdichte, onbederfbare, niet kwetsende en gemakkelijk afwasbare bekleding.
De bodem van het zwembad is in zijn ondiep gedeelte ten minste tot op een diepte van 1.35 m slipwerend.
De aan- en afvoer van het water zijn zodanig uitgevoerd dat in het bad geen dode hoeken met stagnerend water aanwezig zijn. Zij vormen geen gevaar voor de baders. In inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn mag het restwater ook verwijderd worden door middel van een pomp of een alternatief systeem.


De recyclage van het zwemwater gebeurt voor tenminste 30 % via de bovenafvoer.

Het diepste punt van de zwembadbodem is voorzien van een afvoer voor een volledige lediging van het bad.

 

§ 3. Kaden en vloeren

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het bad volledig omringd door een kade met een minimumbreedte van 1,5 m.
De rechtstreekse toegang tot de kaden vanuit de kleedkamers bevindt zich bij voorkeur ter hoogte van het ondiepe gedeelte van het bad. Indien dit niet het geval is, belemmert een hindernis een directe toegang tot het diepe deel.
De kaden zijn zó aangelegd dat het water hiervan niet in het zwembad, noch in het recycleringscircuit terecht kan komen. Dit water wordt afgevoerd via een voldoende aantal afvoerpunten met een minimale diameter van 15 cm zodat stilstaand water voorkomen wordt. Het water wordt afgevoerd, hetzij naar een openbare riolering, hetzij naar een oppervlaktewater met inachtname van de voorschriften van dit reglement en de eventueel in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde bijzondere voorwaarden.
Om het reinigen met een waterslang mogelijk te maken, zijn er voldoende wateraftappunten voorhanden, alsmede de geschikte voorzieningen om het gebruikte water te verwijderen. Indien de kaden niet voldoen aan deze voorwaarden, gebeurt de afvoer van het kuiswater via een volautomatisch systeem met een driewegkraan en wordt de turbiditeit, uitgedrukt in NTU, als extra parameter opgenomen in de maandelijkse waterkwaliteitsanalyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Deze turbiditeit mag maximaal 0,5 NTU zijn.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn alle vloeren waarop blootsvoets wordt gelopen, vervaardigd uit hard, waterdicht, onbederfbaar, slipwerend, niet kwetsend en gemakkelijk afwasbaar materiaal.
De zone die door baders wordt betreden is volledig gescheiden van de overige delen van de inrichting.

 

§ 4. Omkleedcabines

Eventuele omkleedcabines en kleedkamers zijn van het wisseltype zodat de geschoeide zone (onrein) en de ongeschoeide zone (rein) van elkaar gescheiden worden. Indien geen omkleedcabines en kleedkamers van het wisseltype beschikbaar zijn in een bestaande inrichting, creëert de exploitant een duidelijk gescheiden zone voor geschoeide en niet geschoeide bezoekers op een door de milieuarts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid, goed te keuren wijze.
De omkleedcabines zijn vervaardigd uit hard, niet wateropslorpend, onbederfbaar, niet kwetsend en gemakkelijk afwasbaar materiaal.

 

§ 5. Sanitaire voorzieningen

Er zijn afzonderlijke toiletten beschikbaar voor de baders. Deze toiletten zijn in voldoende aantal aanwezig. Voor elke toilettenruimte wordt er tenminste één wastafel voorzien. Indien in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn geen afzonderlijke toiletten beschikbaar zijn wordt een hygiëneplan opgesteld en uitgevoerd in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. Dit hygiëneplan bevat minimaal de opdracht om het water, afkomstig van de natte baders, om de twee uur weg te trekken; en om de natte ruimten minimaal dagelijks te ontsmetten. In overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige worden ook vloercontroles opgenomen in het meetprogramma voor de zwemwaterkwaliteit. De resultaten worden maandelijks bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. De vloeren voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten :

parameter KVE per 25 cm2
Coliforme bacteriën ≤ 150
Fecale Colibacteriën ≤ 1 
Fecale Streptokokken < 1
Pseudomonas aeruginosa ≤ 1
Pathogene Staphylokokken ≤ 10
Dermatofyten < 1

De vloer van de sanitaire voorzieningen heeft een helling van 1 tot 2 %, waardoor het afvalwater naar een afvoer wordt geleid die verbonden is met de lozingsinrichting. Een alternatief op deze hellingsgraad is aanvaardbaar in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn, indien een hygiëneplan opgesteld en uitgevoerd wordt door de exploitant in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. Dit hygiëneplan bevat minimaal de opdracht om het water, afkomstig van de natte baders, minimaal om de twee uur weg te trekken en om de natte ruimten minimaal dagelijks te ontsmetten. In overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige worden ook vloercontroles opgenomen in het meetprogramma voor de zwemwaterkwaliteit. De resultaten worden maandelijks bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid. De vloeren voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten:

parameter KVE per 25 cm2
Coliforme bacteriën ≤ 150
Fecale Colibacteriën ≤ 1
Fecale Streptokokken < 1
Pseudomonas aeruginosa ≤ 1
Pathogene Staphylokokken ≤ 10
Dermatofyten < 1
De toiletten zijn bevestigd aan de muur van de toiletruimten. De staande toiletten van inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn [...] mogen in gebruik blijven mits een hygiëneplan wordt opgesteld en uitgevoerd in overleg met de milieu-arts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid.
De douches zijn voorzien van water met aangepaste temperatuur.
De waadbakken zijn doorlopend gevuld met vers behandeld zwembadwater. De turnover mag ten hoogste tien minuten bedragen. Het vervuilde waadbakwater wordt rechtstreeks afgevoerd naar de lozingsinrichting of naar de zwembadwaterbehandelingsinstallatie.

 

 

§ 6. Therapeutische voorzieningen

Elke therapeutische voorziening bestaat uit duurzaam en corrosieweerstandig en dampdicht materiaal. Hun oppervlak is onbederfbaar, gemakkelijk afwasbaar en niet kwetsend.

 

§ 7. Ventilatie en verwarming

In de zwemhal heerst er een gemiddelde relatieve vochtigheid van 65 %. De temperatuur van de lucht is ten minste één graad Celsius hoger dan die van het bassin met het grootste wateroppervlak.
De bezoekers worden niet gehinderd door tocht.
Geen enkel afvoersysteem van lucht, damp of rook vormt hinder voor de buren.
In de zwemhal is er op een representatieve plaats een goed werkende thermometer en een hygrometer bevestigd.
De verse lucht wordt rechtstreeks van buiten aangezogen, op een plaats die ver genoeg verwijderd is van de opslagruimte voor chemicaliën. Er wordt geen verse lucht aangezogen via een technische ruimte, tenzij door hermetisch gesloten leidingen.

 

§ 8. Waterbehandelingssysteem

Elk circulatiebad is voorzien van een automatisch, efficiënt functionerend chloor- en pH-sturingsmechanisme.
Het waterbehandelingsprocédé omvat tenminste een voorfiltratie, een filtratie, een oxydatie/ desinfectie, een pH-aanpassing en een systeem voor aanvoer van vers water. Elke filter heeft een minimum filterbedhoogte van 1 meter en is voorzien van een kijkglas en van drukmeters voor en na de filtratie. De maximum filtersnelheid bedraagt 30 m/h. De filters die in inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund of geakteerd zijn [...] een filterbedhoogte hadden kleiner dan 1 meter, mogen in gebruik blijven zolang zij voldoen aan de kwaliteitsvereisten van het zwemwater vermeld in artikel 5.32.9.2.2, § 4. Bij vervanging van de filter, wordt een filter met een filterbedhoogte van minimum 1 meter voorzien. Als chemicaliën worden enkel die produkten gebruikt die toegelaten zijn voor de behandeling van drinkwater overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 15 maart 1989 betreffende technische reglementering inzake drinkwater.
De metingen van het gehalte aan desinfecterend agens en van de pH gebeuren op een efficiënte chloorspecifieke manier. De meetapparatuur en de methodiek is goedgekeurd en erkend door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
De werking van de pompen die voor de injectie van het desinfecterend agens en de pH-correctie zorgen wordt automatisch onderbroken zodra het debiet van het desbetreffende circulatiesysteem op minder dan 40 % van het normale daalt. In geval de injectie van het desinfectans en van de pH-correctie op dezelfde leiding geschieden, bevinden de injectiepunten zich op tenminste 2 m afstand van elkaar. De chemicaliën worden niet rechtstreeks in de zwemkom ingespoten.
De aftapkranen zijn goed toegankelijk en staan tenminste op volgende plaatsen:
a) vóór de filtratie en de injectie van reagentia;
b) achter de filtratie en de injectie van reagentia;
c) zo dicht mogelijk bij de aanvoer van het water naar elk bad.
De circulatiepompen kunnen tenminste een cyclusduur van 4 uur aan. Het water uit een groot bad wordt minimum binnen de 4 uur volledig behandeld (turnover = 4 uur). Het water van een klein bad wordt tenminste om de twee uur volledig behandeld, behoudens toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheiden, en behoudens de turnover in dit kleine bad de vier uur niet overschrijdt. De controle van deze turnover gebeurt met een efficiënte debietmeter die achter de filtreerinstallatie wordt geplaatst.
Indien de ontsmetting op een andere wijze gebeurt, is de goedkeuring van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid vereist.

 

 

§ 9.

De richtwaarde voor het gehalte aan trichlooraminen in de lucht bedraagt 300 μg/m3 en de grenswaarde bedraagt 500 μg/m3. Het gehalte aan trichlooraminen wordt door en op kosten van de exploitant gecontroleerd op gemotiveerd verzoek van de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid. Het tijdstip, de apparatuur en de meetmethode zijn goedgekeurd door de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid.


Art. 5.32.9.7.2.

§ 1. Procedures

De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven. Deze procedures worden regelmatig bijgewerkt. Elk personeelslid bezit een kopie hiervan en kent de inhoud.

Voormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder.

Vooraleer het zwembad in gebruik wordt genomen, wordt het watercirculatiesysteem uitgetest evenals het doorstromingspatroon (kleurproef).

 

§ 2. Opslag chemicaliën

De flessen, toestellen en leidingen die chloor in zuivere of in geconcentreerde toestand bevatten worden in een afzonderlijk lokaal geplaatst, dat op doeltreffende wijze aan de onder- en bovenzijde verlucht wordt; de toegang tot dit lokaal is verboden voor onbevoegden.
Bij nieuwe vergunningen wordt chloorgas geweigerd.
Alle flessen, toestellen en leidingen zijn vervaardigd volgens een code van goede praktijk uit materialen die inert zijn aan het betrokken middel. Daarenboven wordt een installatie die gasvormig chloor onder een druk van meer dan 105 Pa bevat jaarlijks onderworpen aan een geslaagde waterdrukproef onder een druk gelijk aan anderhalf maal de dienstdruk. Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. De dichtheid van deze apparatuur wordt steeds verzekerd.
Aan de ingang van het lokaal worden een aangepast ademhalingstoestel van een erkend type en aangepaste individuele beschermingsmiddelen voorzien, die steeds bereikbaar en gebruiksklaar zijn, om in geval van een lek of een incident de veiligheid te kunnen verzekeren.
De nodige voorzieningen worden getroffen om de buurt niet te hinderen door uitwasemingen.
Produkten die met elkaar kunnen reageren, worden geplaatst in volledig van elkaar gescheiden lokalen, die uitsluitend daarvoor bestemd zijn; hun respectieve leidingen zijn voorzien van vulkoppelingen die niet met elkaar verenigbaar zijn.
De chemicaliën, zoals chloor, HCl, e.d., worden bewaard in gesloten vaten of houders, voorzien van de reglementaire etikettering. Deze bevinden zich in een waterdichte inkuiping met een capaciteit die minimaal 110 % bedraagt van het grootste vat of houder. De vaten waaruit chemicaliën worden gedoseerd mogen niet meer produkt bevatten dan nodig voor een exploitatie van 2 dagen.
De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen.
De installaties worden tenminste éénmaal per dag door een bevoegd persoon nagekeken.
Elke levering van chemicaliën gebeurt onder toezicht van een bevoegd persoon die de conformiteit van de levering controleert.

 

 

§ 3. Veiligheid bezoekers

De exploitant neemt de nodige maatregelen om de veiligheid van de bezoekers te verzekeren.
Het maximum toegelaten aantal baders - dit zijn personen die zich in het water bevinden - is nooit hoger dan 1 bader per 3 m2 wateroppervlakte.
De baders staan onder rechtstreeks en constant toezicht van tenminste één toezichthoudend persoon, die zich uitsluitend aan deze activiteit wijdt en zich permanent in de buurt van de kaden bevindt.
De toezichthoudende personen zijn vertrouwd met de reanimatietechnieken en worden tenminste éénmaal per jaar in deze technieken geoefend. Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.
De diepte van het water wordt op regelmatige afstanden aangeduid en bedraagt maximaal 1.5 meter.
In het zwembad levert geen enkele aan- en afvoer van water, lucht of andere stoffen, gevaar op voor de baders.
De inrichting is uitgerust met tenminste één telefoontoestel dat een directe buitenlijn heeft. Dit toestel staat in de onmiddellijke nabijheid van het zwembad en is gemakkelijk bereikbaar door de toezichthoudende persoon.
Elk overlijden of ernstig ongeval binnen het zwembadgebouw wordt binnen een termijn van 24 uur telefonisch of met telefax gemeld aan de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

 

 

§ 4. Kwaliteitsvereisten van het water

Het water van de overdekte circulatiebaden moet voldoen aan de volgende kwaliteitsvereisten:

parameter

eenheid

grenswaarde

a)chemische parameters:

pH:

pH-eenheid

 

Ondergrens

 

7,0

Bovengrens

 

7,6

vrij beschikbaar chloor (HClO + ClO-):

Ondergrens

mg/l

0,5

Bovengrens

mg/l

1,5

gebonden chloor

mg/l

< 0,6 (1)

Bicarbonaat

mg/l

> 60

Ureum

mg/l

< 2,0

Chloriden

mg/l

< 800

Deze norm geldt niet bij gebruik van zout houdend water (>2.000 mg Cl/l) of bij gebruik van zoutelektrolyse.

Oxydeerbaarheid
(KMnO4-verbruikin verwarmde oplossing en in zuur milieu)

mg O2/l

< 5

b)bacteriologischeparameters:

Totaal aantal kiemen bij 37°C

n/ml

<100

Coagulase positieve stafylokokken

n/100ml

0

Pseudomonas aeruginosa

n/100ml

0

c)fysische parameters:

Temperatuur

°C

< 32;
behoudens een toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid

Helderheid

 

doorzichtig tot op de bodem van het bad

Zichtbare verontreiniging

 

afwezig

Geur

 

afwezig

Schuim

 

afwezig

Kleur

 

kleurloos

Volume circulerend water per bader
(gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag)

m3

> 2

(1) In afwijking van deze emissiegrenswaarde voor gebonden chloor geldt tijdelijk tot en met 31 december 2015 voor zwembaden waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 1 januari 2013, als ze uiterlijk op 1 januari 2014 in gebruik is genomen, een emissiegrenswaarde voor gebonden chloor van ≤ 1,0 mg/l.
De helderheid, de temperatuur, de pH, het vrij beschikbaar chloor en de gebonden chloor worden door en op kosten van de exploitant tenminste driemaal per dag gecontroleerd, met name:
a) vóór de opening van het zwembad voor de bezoekers;
b) tweemaal tijdens het gebruik van het zwembad, evenredig gespreid over de openingsuren;
de apparatuur en de meetmethode zijn goedgekeurd door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
Het zwembadwater wordt op kosten van de exploitant tenminste elke maand bemonsterd en geanalyseerd. Alle sub 1° vermelde parameters worden hierbij onderzocht.
De monsterneming gebeurt door bevoegd laboratoriumpersoneel en behoudens een toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid ten minste twee uur na de opening van het zwembad en op een plaats waar de kwaliteit het minst gunstig wordt geacht.
De analyse van de genomen monsters gebeurt door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein drinkwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.
De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:
a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;
b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;
c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;
d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;
e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;
f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;
g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.

Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.

 

§ 5.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen op advies van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid andere kwaliteitseisen worden opgelegd. Deze kwaliteitsvereisten staan in relatie tot het overeenkomstig artikel 5.32.9.7.1. § 8 7° toegelaten alternatieve waterbehandelingssysteem.


Art. 5.32.9.7.3.

§ 1.

Elke afwijking van de grenswaarden die voor de parameters pH, vrij beschikbaar chloor en doorzichtigheid in artikel 5.32.9.7.2, § 4, 1°, zijn aangegeven en die binnen het half uur niet gecorrigeerd is vereist de onmiddellijke sluiting van het zwembad.

 

§ 2.

Het zwembad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt in een debietmeter op het suppletiewater voorzien.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015.

 

§ 3.

Tenzij anders in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermeld, is chloor het enig toegelaten ontsmettings- en oxydatiemiddel. Het gebruik van chloorstabilisatoren is niet toegelaten.

 

§ 4.

De filters worden tenminste tweemaal per week gespoeld buiten de openingsuren van het zwembad en wel zo dat het filtermateriaal in fluïdisatie komt.

 

§ 5.

Per bader en per dag wordt, behoudens toelating toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, minimaal 30 liter vers water toegevoegd, op een plaats in het circuit die een passage van dit suppletiewater doorheen de filters verplicht vooraleer het in het zwembad terechtkomt.

 

§ 6. Onderhoud

De bodem van het zwembad wordt tenminste om de twee dagen vóór ingebruikname gereinigd en gestofzuigd. De wanden van het bad zelf worden tenminste éénmaal per week buiten de gebruiksperiode, gereinigd en gestofzuigd.
De bufferbak wordt minstens eenmaal per jaar gereinigd.
De toezichthouder kan een volledige lediging van het bad eisen, wanneer de reinheid van het bad te wensen overlaat of wanneer de kwaliteit van het water niet in overeenstemming is met de voorschriften van artikel 5.32.9.7.2, § 4. toezichthouder

Subafdeling 5.32.9.8.
Open zwemgelegenheden en waterrecreatie in meren, vijvers en dergelijke


I. Gemeenschappelijke bepalingen voor open zwemgelegenheden en watersportzones.

Art. 5.32.9.8.1.

§ 1. Hygiëne en ongediertebestrijding

Het storten of lozen van (potentieel) vervuilende stoffen is verboden.

 

Dagelijks worden de cabines en het sanitair gereinigd en ontsmet. Het strand, de ligweide en de directe omgeving van het water worden dagelijks, onmiddellijk na sluiting, ontdaan van afval.

 

Een voldoend aantal vuilnisbakken zijn in de inrichting aanwezig op gemakkelijk te bereiken plaatsen. De inhoud van deze bakken wordt dagelijks, onmiddellijk na sluitingstijd afgevoerd.

 

§ 2. Reglement van inwendige orde

Door de exploitant wordt een reglement van inwendige orde vastgelegd dat tenminste de volgende bepalingen

de toegang tot de zwemgelegenheid wordt verboden voor dronken personen ;
personen aangetast door of verdacht van besmettelijke ziekten worden niet tot het zwemwater toegelaten ;
het is verboden zeep te gebruiken op andere plaatsen dan onder het stortbad ;
met uitzondering van assistentiehonden op het strand worden honden of andere huisdieren niet toegelaten in het water of op het strand;
kinderen van minder dan 6 jaar staan steeds onder het toezicht van een volwassene.
assistentiehonden op het strand worden, als de persoon met een handicap of ziekte in het water gaat, aangelijnd aan de aanlijnplaats voorzien voor assistentiehonden.

Dit reglement hangt uit op goed zichtbare plaatsen in de inrichting samen met de meest recente meetresultaten van de uitgevoerde bemonsteringen van het water. De inrichting wordt voorzien van een veilige en gemakkelijk toegankelijke aanlijnmogelijkheid (voor assistentiehonden)

 

§ 3.

Een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten in de zwemgelegenheid, kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichthoudende persoon onder de volgende voorwaarden :

de duikers staan onder constant toezicht van ten minste één persoon; dit toezicht is aangepast aan de beoefende duikdiscipline;
bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken.

 

Een leerkracht, trainer, lesgever of begeleider van duikactiviteiten in de zwemgelegenheid, kan een lesgeefactiviteit combineren met de functie van toezichthoudende redder onder de volgende voorwaarden :

de duikers staan onder constant toezicht van ten minste één persoon; dit toezicht is aangepast aan de beoefende duikdiscipline;
bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken;
hij/zij is in het bezit van het Hoger Reddersbrevet van Sport Vlaanderen of het brevet Duiker Redder van Sport Vlaanderen of van een ander gelijkwaardig getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen;
de redders worden ten minste éénmaal per jaar geoefend in redding- en reanimatietechnieken; het bewijs van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie; deze bijscholing moet erkend zijn door Sport Vlaanderen.

Art. 5.32.9.8.2. Waterkwaliteit.

§ 1.

Het zwemwater moet voldoen aan de milieukwaliteitsnormen bepaald in artikel 1 van deel II van de bijlage 2.3.3.

 

§ 2.

Indien er een verversing van het water is, gebeurt dit met water van betrouwbare kwaliteit.

 

§ 3.

Tijdens de week die het badseizoen voorafgaat en verder ten minste om de 14 dagen tijdens dit seizoen, wordt op kosten van de exploitant een bacteriologisch onderzoek op een representatief staal van het zwemwater uitgevoerd door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein drinkwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Dit bacteriologisch onderzoek dient minimaal uitgevoerd te worden vanaf 1 mei tot en met 30 september. Een dubbel van deze analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks aan de afdeling van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid gezonden.


II. Open zwemgelegenheden.

Art. 5.32.9.8.3.

§ 1.

Rond de zwemgelegenheid, op de plaatsen waar de baders het water betreden, is een strook zand aanwezig van tenminste 30 cm dikte en een breedte van 10 m.

 

§ 2.

Ten einde het opdwarrelen van slib te voorkomen en de helderheid te verbeteren is tot op een diepte van 2 m de bodem bedekt met een laag grof zand van minimum 10 cm dikte.

 

§ 3.

Tot een diepte van 2 m helt de bodem van de zwemgelegenheid langzaam af met een maximum verval van 10 %.

 

§ 4.

In de zwemgelegenheid is vissen, roeien of andere waterrecreatie verboden. Zo er op dezelfde vijver andere recreatie- of sportactiviteiten plaatsvinden, zijn deze zones volledig gescheiden van het zwemgedeelte.


Art. 5.32.9.8.4.

§ 1.

Er zijn een voldoend aantal omkleedruimten in functie van de gebruikscapaciteit van de zwemgelegenheid. De cabines zijn gemaakt uit hard, glad en rottingsvrij materiaal. Vóór de cabines is een gaanpad aangebracht dat leidt naar de stortbaden, de toiletten en het strand rond de zwemgelegenheid.

 

§ 2.

De vloer van de cabines en stortbaden zijn bekleed met hard, niet poreus, slip- en rottingsvrij materiaal.

 

§ 3.

De toiletten zijn hygiënisch en aangepast aan leeftijd en geslacht. Ze zijn in voldoende hoeveelheid aanwezig in de onmiddellijke omgeving van de zwemgelegenheid. Bij de cabines zijn enkel stortbaden aanwezig. Het water voor de stortbaden voldoet aan de bacteriologische normen voor drinkwater.


Art. 5.32.9.8.5.

§ 1.

De sport- en spelaccommodaties brengen de veiligheid van de baders niet in gevaar. Wanneer een duikplank aanwezig is, is deze, wat hoogte en veerkracht betreft, aangepast aan de diepte van het water.

 

§ 2.

De plaatsen waar gedoken wordt zijn afgebakend en niet toegankelijk voor zwemmers. Er wordt niet gedoken in water met een doorkijklengte van minder dan 1 m.

 

§ 3.

De diepte van het water is op duidelijke en goed zichtbare wijze aangegeven. Deze aanduiding is tenminste vereist op de niveaus 1,35 m.

 

§ 4.

Op de bodem van de vijver zijn geen kwetsende voorwerpen aanwezig.

 

§ 5.

De inrichting beschikt over een lokaal, waar de eerste zorgen kunnen worden toegediend en dat uitsluitend uitgerust is met materiaal voor reanimatie en eerste hulp. Dit lokaal is rechtstreeks en gemakkelijk toegankelijk voor de verantwoordelijken. De reanimatieapparatuur bestaat ten minste uit een systeem voor zuurstoftoediening. Dit apparaat wordt wekelijks op zijn deugdelijkheid onderzocht. De redder is vertrouwd met het gebruik van al het aanwezige materiaal.

 

§ 6.

De baders staan onder rechtstreeks en constant toezicht van tenminste één redder, die zich uitsluitend aan deze activiteit wijdt en zich permanent in de buurt van de kaden bevindt. Het toezicht is aangepast aan het type van installatie en aan de bezettingsgraad van de zwemgelegenheid; het minimum aantal toezichthoudende personen, waarvan tenminste de helft redder zijn, wordt bepaald volgens de volgende formule (afronden naar beneden):

voor de eerste 150 baders:
daarboven, per 150 baders meer, 1 toezichthoudend persoon extra.

Ten minste de helft (afgerond naar boven) is redder.

 

§ 6bis.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag de exploitant in afwijking van paragraaf 6 het aantal redders en toezichters beperken tot:

één redder, wanneer de oppervlakte van het bad minder dan 200 m2 bedraagt;
twee toezichthoudende personen, waarvan ten minste één redder, wanneer de oppervlakte van het bad 200 m2 of meer bedraagt en de vorm van het bad zo is dat dit volledig in het gezichtsveld ligt van één persoon;
drie toezichthoudende personen, waarvan ten minste één redder, wanneer de oppervlakte van het bad 200 m2 of meer bedraagt en de vorm van het bad zo is dat dit niet volledig in het gezichtsveld ligt van één persoon.

De afwijking, bedoeld in het eerste lid, geldt evenwel enkel wanneer de exploitant een toezichtsplan heeft opgesteld en naleeft ter verzekering van de veiligheid van de baders. Dit toezichtsplan wordt ter inzage gehouden van de toezichthouders.

 

§ 7.

De redders zijn in het bezit van een brevet van hogere redding of van een ander getuigschrift goedgekeurd door Sport Vlaanderen. Het afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.

 

§ 8.

De redders worden tenminste éénmaal per jaar geoefend in reddings- en reanimatietechnieken. Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. De bijscholing moet erkend zijn door Sport Vlaanderen.


III. Watersportzones voor duiksport, surfen en waterskieën.

Art. 5.32.9.8.6.

In de onmiddellijke omgeving van de vijver of waterloop bevindt zich een lokaal, uitgerust voor eerste hulp bij ongevallen. Dit lokaal is aangesloten op het telefoonnet.

Daarenboven dienen eveneens omkleedcabines, toiletten en stortbaden met warm water voorzien.

 

De voorwaarden van het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing indien in de vijver of waterloop enkel de duiksport wordt beoefend.


Art. 5.32.9.8.7. Op de bodem van de vijver zijn geen kwetsende voorwerpen aanwezig.

De sportbeoefenaars dragen een reddingsvest, aangepast aan de beoefende sport.

De sportbeoefenaars staan onder konstant toezicht van ten minste één persoon, vertrouwd met reddings- en reanimatietechnieken. Dit toezicht is aangepast aan de beoefende sportdiscipline.

Bij het beoefenen van de duiksport wordt nooit alleen gedoken.

Afdeling 5.32.10.
Omlopen voor motorvoertuigen en motorvaartuigen


Art. 5.32.10.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.9 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op wedstrijden, test- en oefenritten met, of het recreatief gebruik van, motorvoertuigen en motorvaartuigen die volledig op de openbare weg of de openbare waterweg plaatsvinden, zijnde activiteiten die niet onder de toepassing vallen van de subrubriek 32.9 van de indelingslijst.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op de inrichtingen bedoeld in § 1.

 

De exploitant treft de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken en vermeldt deze in een register. Ook de controle en de wijze van controle op de maatregelen wordt in het register vermeld. Naargelang van de omstandigheden en technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de huidige stand van de techniek wordt hierbij gebruik gemaakt van de oordeelkundige schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties, geluidsisolatie en/of absorptie en/of afscherming.


Art. 5.32.10.2. Verbods- en afstandsregels

§ 1.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.32.10.1, § 1 te exploiteren:

die geheel of gedeeltelijk gelegen is in:
a) een waterwingebied, beschermingszone, woongebied, beschermingszone tot behoud van de Europese vogelstand, natuurgebied met wetenschappelijke waarde, natuurreservaat, natuurpark, bosreservaat, natuurgebied, bosgebied, parkgebied, agrarische gebieden of andere gebieden met ecologisch belang of vallei- en brongebieden;
b) een landschappelijk waardevol agrarisch gebied inzoverre de inrichting tegelijkertijd ook geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen de perimeter van:
- of de speciale beschermingszones aangeduid door het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de EG-richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand;
- of de habitatgebieden in de zin van de EG-richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
- of in de watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als watervogelhabitat, volgens het verdrag van Ramsar van 1971, goedgekeurd bij wet van 22 februari 1979;
- of de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden aangeduid krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
- of de beschermde landschappen.
waarvan de tot de omloop van klasse 1 en klasse 2 behorende rijpisten of waterwegen gelegen zijn op een afstand van 500 m of minder en de tot de omloop van klasse 3 behorende rijpisten of waterwegen gelegen zijn op een afstand van 350 m of minder van een stilte-behoevende inrichting, van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter van een natuurgebied met wetenschappelijke waarde, van een natuurreservaat, van een parkgebied of van een gebied voor verblijfsrecreatie; deze verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op tijdelijke inrichtingen;
waarvan de tot de omloop behorende wegen of waterwegen gelegen zijn op een afstand van minder dan 75 m van individuele woningen, met uitzondering van de woning van de exploitant van de inrichting.

 

De in het eerste lid onder de punten 2° en 3° vastgestelde verbodsbepalingen gelden niet bij het gebruik van motorvaartuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen vastgesteld door het Koninklijk besluit van 23 februari 2005 houdende vaststelling van essentiële veiligheidseisen en van essentiële eisen in verband met de geluids- en uitlaatemissies voor pleziervaartuigen evenmin als bij het gebruik van motorvoertuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht.

 

§ 2.

De in § 1 vermelde afstanden worden gemeten vanaf de buitenste rand van de rijpiste of waterweg.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen beperkingen worden opgelegd betreffende het inrichten van wedstrijden, test- en oefenritten tijdens de broedperiode.

 

§ 4.

De verbodsbepalingen van § 1 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.

Voor de bestaande inrichtingen die niet beantwoorden aan deze verbodsbepalingen moet er een evenwicht bestaan tussen de dagen in de weekends met ingedeelde activiteiten en de dagen in de weekends zonder ingedeelde activiteiten. Dit evenwicht houdt in dat op maandbasis het aantal zaterdagen, zon- en feestdagen met ingedeelde activiteiten niet hoger mag zijn dan het aantal zaterdagen, zon- en feestdagen zonder ingedeelde activiteiten. De vergunningverlenende overheid kan met het oog op het algemeen belang en in functie van de lokale omgevingsfactoren voor het voormelde evenwicht op maandbasis een alternatieve regeling in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit inschrijven mits deze alternatieve regeling gelijkwaardige waarborgen biedt voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu.


Art. 5.32.10.3.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mogen alleen motorvoertuigen die inzake geluidsemissie voldoen aan de volgende voorwaarden worden toegelaten tot de omloop:

ofwel beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht;
ofwel een geluid van maximum 106 dB(A) voortbrengen; het geluid wordt hierbij gemeten als volgt:
a) het geluidsniveau wordt gemeten met een precisie-geluidsniveaumeter waarop de snelle dynamische karakteristiek (fast) en het A-wegingsnetwerk ingesteld worden; eventueel mag het windscherm worden gebruikt;
b) het geluidsniveau wordt gemeten op een afstand van 0,5 m van het einde van de uitlaat en onder een hoek van circa 45° ten opzichte van de as hiervan; de meetmicrofoon moet zich ter hoogte van de uitlaat maar nooit op minder dan 0,2 m van de grond bevinden;
c) het motorvoertuig met draaiende motor staat stil met de versnellingshendel in vrijloopstand; indien het ontkoppelen van de overbrenging onmogelijk is, moet het aangedreven wiel vrij draaien bv. door de motorfiets op zijn standaard te plaatsen;
d) het toerental van de motor moet gelijk zijn aan 70% van het toerental dat overeenkomt met het volle vermogen; het toerental wordt gemeten met een geijkte toerenteller;
e) de motor bevindt zich op de normale bedrijfstemperatuur;
f) het motorvoertuig moet zich op een plaats bevinden waar zich geen akoestische storingen voordoen en die sterk reflecteert, zoals bv. een met beton, asfalt of ander hard materiaal verhard vlak terrein;
g) binnen een straal van 3 m rond de meetmicrofoon mag zich geen enkele hindernis bevinden, met uitzondering van de persoon die de metingen uitvoert en van de bestuurder;
h) het achtergrondgeluidsniveau, met inbegrip van het windgeluid, te weten het geluidsniveau gemeten wanneer de motor van het te testen motorvoertuig is uitgeschakeld, moet tenminste 10 dB(A) lager liggen dan het volgens de bepalingen van dit artikel te meten geluidsniveau van het motorvoertuig.

 

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mogen alleen motorvoertuigen tot de omloop worden toegelaten:

die het voorwerp uitmaken van en/of voorzien zijn van een akoestische steekkaart en/of een immatriculatieplaat, opgesteld door de constructeur en/of de invoerder met vermelding van ten minste de volgende gegevens:
a) de naam en het adres van de constructeur en/of de invoerder;
b) de identificatiegegevens vermeld op het inschrijvingsbewijs (of het chassisnummer);
c) de cilinderinhoud van de motor;
d) het toerental dat overeenkomt met het volle vermogen;
e) een beschrijving en/of de identificatie van de onderdelen (geluidsdemper ea) die het akoestisch gedrag van het motorvoertuig bepalen;
f) het maximum voortgebracht geluid in dB(A) gemeten zoals bepaald in § 1, 2°;
g) een verklaring van de constructeur en/of de invoerder of bij ontstentenis van een milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen dat het beschreven motorvoertuig voldoet aan de bepalingen onder § 1, 1° of 2°;
waarvan de uitrusting die enige impakt heeft op het akoestische gedrag, volledig conform is aan de beschrijving op de akoestische steekkaart en/of immatriculatieplaat bedoeld onder 1°.

 


Art. 5.32.10.4.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. is het gebruik van de omloop met motorvoertuigen die niet beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, verboden:

op zon- en feestdagen;
op de niet in onder 1° bedoelde dagen: van 17 uur tot 7 uur.
op de dagen voor bijhorende oefenritten in functie van één wedstrijd, maar op andere dagen dan de wedstrijddagen, van 18 uur tot 13 uur.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. is het gebruik van de omloop met motorvoertuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, verboden:

op zon- en feestdagen : van 20 uur tot 9 uur;
op de niet in onder 1° bedoelde dagen: van 19 uur tot 7 uur.
op de dagen voor bijhorende oefenritten in functie van één wedstrijd, maar op andere dagen dan de wedstrijddagen, van 18 uur tot 13 uur.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5 is het gebruik van de omloop met motorvaartuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld door het Koninklijk besluit van 23 februari 2005 houdende vaststelling van essentiële veiligheidseisen en van essentiële eisen in verband met de geluids- en uitlaatemissies voor pleziervaartuigen, verboden :

op zon- en feestdagen : van 20 uur tot 10 uur;
op de niet in 1° bedoelde dagen : van 21 uur tot 7 uur.

Art. 5.32.10.5. Specifieke veiligheidsvoorwaarden voor indoorkartings met vaar- of voertuigen met ontploffingsmotoren

§ 1.

De deuren tussen racehal en andere ruimten toegankelijk voor het publiek, zijn goed afgedicht en sluiten automatisch.

 

§ 2.

Alle nodige voorzorgen worden genomen om de veiligheid van het publiek te verzekeren.

 

De nooduitgangen moeten steeds bereikbaar zijn en goed zichtbaar aangeduid.

 

[...]

 

§ 3.

Door middel van waarschuwingsborden moeten de klanten geïnformeerd worden over volgende risico’s :

wegens de mogelijkheid van verhoogde koolstofmonoxideniveaus is de aanwezigheid in de racehall af te raden voor zwangeren, jonge kinderen en hartlijders;
wegens verhoogde geluidsniveaus is het dragen van gehoorbeschermers in de racehall wenselijk.

 


Art. 5.32.10.6. Specifieke geluidsvoorwaarden voor indoorkartings met vaar- of voertuigen met ontploffingsmotoren

Om het gehoor van alle aanwezigen in de racehal te beschermen, mag het geproduceerde equivalent geluidsniveau (LAeq, 2h) niet meer dan 90 dB(A) bedragen bij een puntmeting op 1m hoogte en op 1m van de binnenmuur. Het piekniveau (LA10,2h) bedraagt maximaal 110 dB(A).

 

De uitbater moet gehoorbeschermers ter beschikking hebben voor de aanwezigen.

 

 


Art. 5.32.10.7. Specifieke luchtemmissievoorwaarden voor indoorkartings met vaar- of voertuigen met ontploffingsmotoren

Binnen een periode van zes maanden na het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden op initiatief van en op kosten van de exploitant door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, metingen van CO uitgevoerd in de racehal. Die metingen worden bij normale werking en in de meest slechte omstandigheden uitgevoerd. Deze metingen worden ter evaluatie voorgelegd aan de gezondheidsinspectie en aan de milieudienst van de gemeente.

 

Tijdens het racen moet de racehal steeds optimaal geventileerd worden om de schadelijke uitlaatgassen af te voeren. Het gehalte aan koolmonoxide (CO) wordt als indicator beschouwd. De ventilatie, hetzij natuurlijk, hetzij door middel van extractoren of mechanische ventilatie, moet zo efficiënt zijn dat nergens in de racehal een CO-gehalte van 50 ppm overschreden wordt en dat over een glijdende uitmiddelingstijd van 8 uren de concentratie maximaal 25 ppm bedraagt. Zo nodig wordt een pauze voorzien om de hal optimaal te verluchten.

 

In de racehal wordt een CO-detector met alarm geplaatst op een voor de binnenluchtkwaliteit representatief punt, op afstand van de ventilatie-openingen. De detector geeft een auditief en visueel signaal bij een concentratie van 50 ppm CO in de lucht van de racehal. Bij die concentratie worden onmiddellijk alle activiteiten stilgelegd tot normalisatie van de luchtkwaliteit. De detector wordt jaarlijks door een installateur gekeurd.