Afdeling 5.32.2.
Inrichtingen met muziekactiviteiten


Art. 5.32.2.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.1 van de indelingslijst.

 

In afwijking van het eerste lid is voor de schouwspelzalen enkel artikel 5.32.2.2bis van toepassing. 


Art. 5.32.2.2. Geluid en trillingen

§ 1.

De bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit zijn van toepassing. [...]

 

§ 2.

De exploitatie van de inrichting en het gebruik van (een) elektronische versterker(s) die muziek voortbrengt(en) is, behalve op zon- en feestdagen, verboden vanaf 3 uur tot 7 uur.

 

In afwijking van de in deze paragraaf vermelde verbodsbepalingen kan, in functie van de plaatselijke omstandigheden, elke andere regeling inzake openings- en sluitingsuren worden vastgesteld in de bijzondere voorwaarden.


Art. 5.32.2.2bis.

§ 1.

Muziekactiviteiten met een maximaal geluidsniveau > 85 dB(A)LAeq,15min en ≤ 95 dB(A) LAeq,15min :

het maximaal geluidsniveau mag LAeq,15min 95 dB(A) niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau, gemeten als LAmax,slow 102 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan. Bij het meten van het geluidsniveau wordt zowel het geluid van muziek als het omgevingsgeluid in rekening gebracht;  
het geluidsniveau geldt ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis; 

op initiatief en op kosten van de exploitant wordt LAeq,15min altijd continu gemeten door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis, en kan ook LAmax,slow gemeten worden. Het geluidsniveau, gemeten als LAeq,15min, is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een persoon die hij heeft aangesteld.

De exploitant en de persoon die door hem is aangesteld, zijn ertoe gehouden het maximaal toegestane geluidsniveau na te leven. Als het geluidsniveau, gemeten door middel van de meetapparatuur waarin de exploitant voorziet, het maximaal toegestane geluidsniveau overschrijdt, zijn de exploitant en de persoon die hij heeft aangesteld, verplicht om onmiddellijk het geluidsniveau bij te sturen tot een niveau dat het maximaal toegestane geluidsniveau niet meer overschrijdt. In dat geval is artikel 4.1.5.3 niet van toepassing.

De verplichting tot het meten van het geluidsniveau geldt niet als door de exploitant een geluidsbegrenzer gebruikt wordt die zo is afgesteld dat het maximaal toegestane geluidsniveau gerespecteerd wordt. De geluidsbegrenzer voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis.

De exploitant informeert de bezoekers en de persoon die hij heeft aangesteld, over het maximaal toegestane geluidsniveau. Daarvoor wordt het maximaal toegestane geluidsniveau, weergegeven als LAeq,15min, op een duidelijk zichtbare plaats geafficheerd, zowel ter hoogte van de toegang tot de muziekactiviteit als ter hoogte van de mengtafel;

4°  In afwijking van punt 1° mag het maximaal geluidsniveau LAeq,15min 95 dB(A) overschreden worden, op voorwaarde dat :  
a)  de muziekactiviteit voorafgaand is aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsgrijpt; en 
b)  het college, vermeld in a), de muziekactiviteit toelaat. Met behoud van de toepassing van paragraaf 3, kan die toelating evenwel alleen gegeven worden indien de muziekactiviteit : 
1)  doorgaat tussen 12u en 0u en maximaal 3u duurt; per dag kan maximaal 1 periode van 3 u. toegelaten worden; of 
2)  gekoppeld is aan een bijzondere gelegenheid en doorgaat in een feestzaal of lokaal waarin cumulatief aan de volgende criteria wordt voldaan : 
  maximaal 12 gelegenheden per jaar;
  maximaal 2 gelegenheden per maand; 
  - de sommatie van deze gelegenheden mag zich maximaal over 24 kalenderdagen per jaar spreiden (in geval een muziekactiviteit avonduren alsook morgenuren van de daarop volgende kalenderdag omvat, worden twee kalenderdagen geteld). 

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit, vermeld in het voorgaande lid, toelaat zijn de bepalingen, vermeld in paragraaf 2, van toepassing met uitzondering van de verplichting tot het opmaken van een geluidsplan.

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit toelaat overeenkomstig punt b), 2) zijn de bepalingen vermeld in hoofdstuk 4.5 niet van toepassing.

 

Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsvindt, kan beperkende maatregelen opleggen, bijvoorbeeld voor het maximaal toegelaten geluidsniveau of voor de duur van de muziekactiviteit.

 

§ 2.

Muziekactiviteiten met een maximaal geluidsniveau > 95 dB(A)LAeq,15min [...] :

1°  het maximaal geluidsniveau mag LAeq,60min 100 dB(A) niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau, gemeten als LAeq,15min 102 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan. Bij het meten van het geluidsniveau wordt zowel het geluid van muziek als het omgevingsgeluid in rekening gebracht; 
2°  het geluidsniveau geldt ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis; 
3° 

op initiatief en op kosten van de exploitant worden LAeq,60min en LAeq,15min continu gemeten en wordt LAeq,60min geregistreerd door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis. Het geluidsniveau, gemeten als LAeq,15min, is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een persoon die hij heeft aangesteld.

De geregistreerde gegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder gedurende een periode van ten minste een maand.

De verplichting om het geluidsniveau te meten en te registreren, geldt niet als de exploitant een geluidsbegrenzer gebruikt die zo is afgesteld dat het maximaal toegestane geluidsniveau gerespecteerd wordt. De geluidsbegrenzer voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis.

De exploitant en de persoon die hij heeft aangesteld, zijn ertoe gehouden het maximaal toegestane geluidsniveau na te leven. Als het geluidsniveau, gemeten door middel van de meetapparatuur waarin de exploitant voorziet, het maximaal toegestane geluidsniveau overschrijdt, zijn de exploitant en de persoon, die hij heeft aangesteld, verplicht om onmiddellijk het geluidsniveau bij te sturen tot een niveau dat het maximaal toegestane geluidsniveau niet overschrijdt. In dat geval is artikel 4.1.5.3 niet van toepassing.

De exploitant informeert de bezoekers en de persoon die hij heeft aangesteld, over het maximaal toegestane geluidsniveau. Daarvoor wordt het maximaal toegestane geluidsniveau, weergegeven als LAeq,60min en LAeq,15min, op een duidelijk zichtbare plaats geafficheerd, zowel ter hoogte van de toegang tot de muziekactiviteit als ter hoogte van de mengtafel;

4°  de exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade :
a) het vrij en kosteloos ter beschikking stellen aan alle bezoekers van gehoorbescherming voor eenmalig gebruik; en
b) het opmaken van een geluidsplan om het geluidsniveau in de inrichting te optimaliseren in geval van permanente geluidsinstallaties die tot de inrichting behoren. Het geluidsplan moet tenminste de volgende gegevens bevatten : 
1) de optimale opstelling en keuze van de luidsprekers rekening houdend met een zo efficiënt mogelijke verdeling van het geluid; 
2) de meetplaats; 
3) het geluidsniveau ter hoogte van de meetplaats en ten minste vier andere beoordelingsplaatsen; 
4) de plaats waar het geluidsniveau geregeld wordt; 
5) de plattegrond op schaal van de volledige ruimte die toegankelijk is voor het publiek. 

 

Het geluidsplan wordt opgemaakt door een milieudeskundige die erkend is in de discipline geluid en trillingen. Dat plan maakt in voorkomend geval deel uit van het akoestische onderzoek, vermeld in artikel 5.32.2.3, § 1. Het geluidsplan is aanwezig in de inrichting en ligt ter inzage van de toezichthoudende overheid.

 

§ 3.

Muziekactiviteiten met een geluidsniveau in de inrichting > 100dB(A)LAeq,60min zijn verboden. 


Art. 5.32.2.3.

§ 1.

Naleving van de bepalingen voor geluid door nieuwe inrichtingen als vermeld in rubriek 32.1.2° van de indelingslijst

 

Uiterlijk 10 kalenderdagen vóór de eerste ingebruikname van de inrichting laat de exploitant op zijn kosten een volledig akoestisch onderzoek uitvoeren door een milieudeskundige erkend in de discipline geluid en trillingen.
Betreffende de naleving van de bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit, onverminderd de bepalingen van bijlage 4.5.2. bij dit besluit, bevat het verslag van het akoestisch onderzoek eveneens:
a) een duidelijke beschrijving van de plaats van opstelling en van het vermogen van alle toestellen en installaties die enige impakt kunnen hebben op de geluidsbelasting in de omgeving;
b) een gedetailleerde beschrijving van de meetmethode en de meetomstandigheden zodanig dat de meting steeds onder dezelfde omstandigheden kan worden overgedaan;
c) de gemeten geluidsniveaus in de inrichting en in de omgeving met duidelijke vermelding van de meetpunten.
Het akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd bij het maximaal vermogen dat wordt bereikt tijdens de exploitatie. Dit vermogen wordt vermeld in het verslag.
Het in sub 1° van deze paragraaf vermelde akoestisch onderzoek dient onmiddellijk overgedaan bij enige wijziging aan de plaats van opstelling en/of aan het vermogen van toestellen en installaties. De milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen neemt inzage van het verslag van het vorige volledig akoestisch onderzoek.
Bij niet naleving van de bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit dient onmiddellijk een saneringsonderzoek uitgevoerd door een milieudeskundige erkend in de discipline geluid en trillingen en worden de nodige saneringsmaatregelen getroffen.

Indien de inrichting niet beantwoordt aan de bepalingen van hoofdstuk 4.5. van dit besluit wordt de aanvang van de exploitatie uitgesteld of de verdere exploitatie stopgezet tot de saneringsmaatregelen zijn uitgevoerd.

De vergunningverlenende overheid en de toezichthouder worden door de exploitant schriftelijk in kennis gesteld van de voorziene saneringsmaatregelen. Na het uitvoeren van deze saneringsmaatregelen wordt, in overleg met de toezichthouder een nieuw volledig akoestisch onderzoek uitgevoerd door de voormelde deskundige.

Voor nieuwe inrichtingen dient daarbij evenwel ook de termijn van ingebruikname van toepassing met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit onverminderd nageleefd.

 

§ 2.

Naleving van de bepalingen voor geluid door bestaande inrichtingen als vermeld in rubriek 32.1 van de indelingslijst: in dit geval blijven de algemene voorwaarden van afdeling 4.5.4 en 4.5.5 onverminderd van toepassing, behoudens wat betreft de verplichtingen tot uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek en tot opstelling en uitvoering van een saneringsplan. In dit geval gelden een of meer van deze verplichtingen enkel in zoverre deze is/zijn opgelegd door de vergunningverlenende overheid.

 

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt onder bestaande inrichting verstaan: ingedeelde inrichtingen waarvoor de stedenbouwkundige vergunning voor 1 januari 1999 is verleend en die op 31 december 2012 al uitgebaat of in gebruik waren of zijn.

 

 

§ 3.

De in de §§ 1 en 2 van dit artikel bedoelde onderzoeksverslagen zijn aanwezig in de inrichting. Zij zijn ter inzage van de toezichthouder.


Art. 5.32.2.4. Uitrusting gebouw

[...]


Art. 5.32.2.4bis. Toe- en uitgangswegen

[...]


Art. 5.32.2.5. Brandvoorkoming [...]

§ 1.

De verwarming van het lokaal mag niet geschieden met toestellen die een vlam of gloeiend oppervlak vertonen.

 

§ 2.

Leidingen met ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 of ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3 volgens de CLP-verordening zijn in het danslokaal of in de muren, zoldering en vloer ervan verboden.

 

§ 3.

Het opslaan van gemakkelijk brandbare materialen of producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS01 of GHS02 volgens de CLP-verordening in het danslokaal is verboden.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

[...]


Art. 5.32.2.6. Brandbestrijding

§ 1. Blusmiddelen

De exploitant brengt een uitrusting aan die bestemd is om een begin van brand te bestrijden. Als minimum geldt één bluseenheid per 150 m². De blusmiddelen zijn doelmatig gesignaleerd, makkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Inzake de benodigde brandbestrijdingsmiddelen raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 2. Noodplanning en eerste interventieploeg

De exploitant stelt een intern noodplan op om adequaat te kunnen reageren bij brand of een andere calamiteit. Het noodplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde brandweer. Het goedgekeurde noodplan wordt in het veiligheidsdossier bewaard.

 

Als het gaat om een inrichting met meer dan duizend toegelaten aanwezigen, richt de exploitant een eerste interventieploeg op die uittwee teams bestaat: een team van interventieleden die de brand trachten te controleren in afwachting van de komst van de bevoegde brandweer en een team van evacuatieverantwoordelijken die toezien op een vlotte evacuatie van personeel en publiek. Voor de samenstelling en het functioneren van deze dienst raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer. De lijst van het personeel waaruit deze dienst bestaat, wordt aan het veiligheidsdossier toegevoegd. De interventieploeg houdt minstens eenmaal per jaar een oefening.

 

§ 3. Detectie, waarschuwing en alarmering

Iedere inrichting is voorzien van een adequaat branddetectiesysteem.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem bijkomend voorzien van brandmeldknoppen.

 

Voor inrichtingen met meer dan duizend toegelaten aanwezigen wordt het branddetectiesysteem verbonden met een brandcentrale. De brandcentrale geeft minimaal aan in welke zone de brand gedetecteerd wordt. De locatie van de brandcentrale wordt bepaald in overleg met de bevoegde brandweer. De exploitant beschikt daarnaast over een autonoom oproepsysteem van de interne interventieploeg.

 

Iedere inrichting beschikt over een autonome alarmeringsinstallatie die het personeel en het publiek waarschuwt als bij een incident de inrichting ontruimd moet worden.

 

Voor inrichtingen met meer dan driehonderd toegelaten aanwezigen wordt de muziek automatisch stopgezet en de verlichting aangestoken voordat het ontruimingsalarm afgaat. Het ontruimingsalarm wordt periodiek onderbroken met een vooraf ingesproken ontruimingsinstructie.

 

Voor de uitrusting van branddetectie, -melding en alarmering raadpleegt de exploitant de bevoegde brandweer.

 

§ 4. Evacuatieplannen

Een grondplan van de inrichting met aanduiding van de evacuatiewegen en de locatie van de brandbestrijdingsmiddelen wordt correct georiënteerd opgehangen in de nabijheid van elke in- en uitgang van de publiek toegankelijke ruimten.

 

§ 5. Onderhoud en periodieke controle

Alle delen van de inrichting, de toestellen en de installaties worden goed onderhouden. Het materieel voor brandbestrijding en de elektrische installaties worden maandelijks gecontroleerd op de goede staat door de exploitant of zijn aangestelde. Het waarschuwings- en alarmsysteem worden maandelijks getest. Het brandbestrijdingsmateriaal wordt jaarlijks gecontroleerd door een daarvoor bevoegde instantie. Van die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.

 

§ 6.

De inrichting is uitgerust met ten minste één gemakkelijk te bereiken vast telefoontoestel.

 

§ 7.

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 2 en in paragraaf 3, het tweede, derde en vijfde lid, vanaf 1 juli 2017.