Afdeling 5.32.10.
Omlopen voor motorvoertuigen en motorvaartuigen


Art. 5.32.10.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 32.9 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op wedstrijden, test- en oefenritten met, of het recreatief gebruik van, motorvoertuigen en motorvaartuigen die volledig op de openbare weg of de openbare waterweg plaatsvinden, zijnde activiteiten die niet onder de toepassing vallen van de subrubriek 32.9 van de indelingslijst.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op de inrichtingen bedoeld in § 1.

 

De exploitant treft de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken en vermeldt deze in een register. Ook de controle en de wijze van controle op de maatregelen wordt in het register vermeld. Naargelang van de omstandigheden en technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de huidige stand van de techniek wordt hierbij gebruik gemaakt van de oordeelkundige schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties, geluidsisolatie en/of absorptie en/of afscherming.


Art. 5.32.10.2. Verbods- en afstandsregels

§ 1.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.32.10.1, § 1 te exploiteren:

die geheel of gedeeltelijk gelegen is in:
a) een waterwingebied, beschermingszone, woongebied, beschermingszone tot behoud van de Europese vogelstand, natuurgebied met wetenschappelijke waarde, natuurreservaat, natuurpark, bosreservaat, natuurgebied, bosgebied, parkgebied, agrarische gebieden of andere gebieden met ecologisch belang of vallei- en brongebieden;
b) een landschappelijk waardevol agrarisch gebied inzoverre de inrichting tegelijkertijd ook geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen de perimeter van:
- of de speciale beschermingszones aangeduid door het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de EG-richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand;
- of de habitatgebieden in de zin van de EG-richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
- of in de watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als watervogelhabitat, volgens het verdrag van Ramsar van 1971, goedgekeurd bij wet van 22 februari 1979;
- of de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden aangeduid krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
- of de beschermde landschappen.
waarvan de tot de omloop van klasse 1 en klasse 2 behorende rijpisten of waterwegen gelegen zijn op een afstand van 500 m of minder en de tot de omloop van klasse 3 behorende rijpisten of waterwegen gelegen zijn op een afstand van 350 m of minder van een stilte-behoevende inrichting, van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter van een natuurgebied met wetenschappelijke waarde, van een natuurreservaat, van een parkgebied of van een gebied voor verblijfsrecreatie; deze verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op tijdelijke inrichtingen;
waarvan de tot de omloop behorende wegen of waterwegen gelegen zijn op een afstand van minder dan 75 m van individuele woningen, met uitzondering van de woning van de exploitant van de inrichting.

 

De in het eerste lid onder de punten 2° en 3° vastgestelde verbodsbepalingen gelden niet bij het gebruik van motorvaartuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen vastgesteld door het Koninklijk besluit van 23 februari 2005 houdende vaststelling van essentiële veiligheidseisen en van essentiële eisen in verband met de geluids- en uitlaatemissies voor pleziervaartuigen evenmin als bij het gebruik van motorvoertuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht.

 

§ 2.

De in § 1 vermelde afstanden worden gemeten vanaf de buitenste rand van de rijpiste of waterweg.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen beperkingen worden opgelegd betreffende het inrichten van wedstrijden, test- en oefenritten tijdens de broedperiode.

 

§ 4.

De verbodsbepalingen van § 1 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.

Voor de bestaande inrichtingen die niet beantwoorden aan deze verbodsbepalingen moet er een evenwicht bestaan tussen de dagen in de weekends met ingedeelde activiteiten en de dagen in de weekends zonder ingedeelde activiteiten. Dit evenwicht houdt in dat op maandbasis het aantal zaterdagen, zon- en feestdagen met ingedeelde activiteiten niet hoger mag zijn dan het aantal zaterdagen, zon- en feestdagen zonder ingedeelde activiteiten. De vergunningverlenende overheid kan met het oog op het algemeen belang en in functie van de lokale omgevingsfactoren voor het voormelde evenwicht op maandbasis een alternatieve regeling in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit inschrijven mits deze alternatieve regeling gelijkwaardige waarborgen biedt voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu.


Art. 5.32.10.3.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mogen alleen motorvoertuigen die inzake geluidsemissie voldoen aan de volgende voorwaarden worden toegelaten tot de omloop:

ofwel beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht;
ofwel een geluid van maximum 106 dB(A) voortbrengen; het geluid wordt hierbij gemeten als volgt:
a) het geluidsniveau wordt gemeten met een precisie-geluidsniveaumeter waarop de snelle dynamische karakteristiek (fast) en het A-wegingsnetwerk ingesteld worden; eventueel mag het windscherm worden gebruikt;
b) het geluidsniveau wordt gemeten op een afstand van 0,5 m van het einde van de uitlaat en onder een hoek van circa 45° ten opzichte van de as hiervan; de meetmicrofoon moet zich ter hoogte van de uitlaat maar nooit op minder dan 0,2 m van de grond bevinden;
c) het motorvoertuig met draaiende motor staat stil met de versnellingshendel in vrijloopstand; indien het ontkoppelen van de overbrenging onmogelijk is, moet het aangedreven wiel vrij draaien bv. door de motorfiets op zijn standaard te plaatsen;
d) het toerental van de motor moet gelijk zijn aan 70% van het toerental dat overeenkomt met het volle vermogen; het toerental wordt gemeten met een geijkte toerenteller;
e) de motor bevindt zich op de normale bedrijfstemperatuur;
f) het motorvoertuig moet zich op een plaats bevinden waar zich geen akoestische storingen voordoen en die sterk reflecteert, zoals bv. een met beton, asfalt of ander hard materiaal verhard vlak terrein;
g) binnen een straal van 3 m rond de meetmicrofoon mag zich geen enkele hindernis bevinden, met uitzondering van de persoon die de metingen uitvoert en van de bestuurder;
h) het achtergrondgeluidsniveau, met inbegrip van het windgeluid, te weten het geluidsniveau gemeten wanneer de motor van het te testen motorvoertuig is uitgeschakeld, moet tenminste 10 dB(A) lager liggen dan het volgens de bepalingen van dit artikel te meten geluidsniveau van het motorvoertuig.

 

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mogen alleen motorvoertuigen tot de omloop worden toegelaten:

die het voorwerp uitmaken van en/of voorzien zijn van een akoestische steekkaart en/of een immatriculatieplaat, opgesteld door de constructeur en/of de invoerder met vermelding van ten minste de volgende gegevens:
a) de naam en het adres van de constructeur en/of de invoerder;
b) de identificatiegegevens vermeld op het inschrijvingsbewijs (of het chassisnummer);
c) de cilinderinhoud van de motor;
d) het toerental dat overeenkomt met het volle vermogen;
e) een beschrijving en/of de identificatie van de onderdelen (geluidsdemper ea) die het akoestisch gedrag van het motorvoertuig bepalen;
f) het maximum voortgebracht geluid in dB(A) gemeten zoals bepaald in § 1, 2°;
g) een verklaring van de constructeur en/of de invoerder of bij ontstentenis van een milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen dat het beschreven motorvoertuig voldoet aan de bepalingen onder § 1, 1° of 2°;
waarvan de uitrusting die enige impakt heeft op het akoestische gedrag, volledig conform is aan de beschrijving op de akoestische steekkaart en/of immatriculatieplaat bedoeld onder 1°.

 


Art. 5.32.10.4.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. is het gebruik van de omloop met motorvoertuigen die niet beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, verboden:

op zon- en feestdagen;
op de niet in onder 1° bedoelde dagen: van 17 uur tot 7 uur.
op de dagen voor bijhorende oefenritten in functie van één wedstrijd, maar op andere dagen dan de wedstrijddagen, van 18 uur tot 13 uur.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. is het gebruik van de omloop met motorvoertuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, verboden:

op zon- en feestdagen : van 20 uur tot 9 uur;
op de niet in onder 1° bedoelde dagen: van 19 uur tot 7 uur.
op de dagen voor bijhorende oefenritten in functie van één wedstrijd, maar op andere dagen dan de wedstrijddagen, van 18 uur tot 13 uur.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5 is het gebruik van de omloop met motorvaartuigen die beantwoorden aan de geluidsnormen, vastgesteld door het Koninklijk besluit van 23 februari 2005 houdende vaststelling van essentiële veiligheidseisen en van essentiële eisen in verband met de geluids- en uitlaatemissies voor pleziervaartuigen, verboden :

op zon- en feestdagen : van 20 uur tot 10 uur;
op de niet in 1° bedoelde dagen : van 21 uur tot 7 uur.

Art. 5.32.10.5. Specifieke veiligheidsvoorwaarden voor indoorkartings met vaar- of motorvoertuigen met ontploffingsmotoren

§ 1.

De deuren tussen racehal en andere ruimten toegankelijk voor het publiek, zijn goed afgedicht en sluiten automatisch.

 

§ 2.

Alle nodige voorzorgen worden genomen om de veiligheid van het publiek te verzekeren.

 

De nooduitgangen moeten steeds bereikbaar zijn en goed zichtbaar aangeduid.

 

[...]

 

§ 3.

Door middel van waarschuwingsborden moeten de klanten geïnformeerd worden over volgende risico’s :

wegens de mogelijkheid van verhoogde koolstofmonoxideniveaus is de aanwezigheid in de racehall af te raden voor zwangeren, jonge kinderen en hartlijders;
wegens verhoogde geluidsniveaus is het dragen van gehoorbeschermers in de racehall wenselijk.

 


Art. 5.32.10.6. Specifieke geluidsvoorwaarden voor indoorkartings met vaar- of motorvoertuigen met ontploffingsmotoren

Om het gehoor van alle aanwezigen in de racehal te beschermen, mag het geproduceerde equivalent geluidsniveau (LAeq, 2h) niet meer dan 90 dB(A) bedragen bij een puntmeting op 1m hoogte en op 1m van de binnenmuur. Het piekniveau (LA10,2h) bedraagt maximaal 110 dB(A).

 

De uitbater moet gehoorbeschermers ter beschikking hebben voor de aanwezigen.

 

 


Art. 5.32.10.7. Specifieke luchtemmissievoorwaarden voor indoorkartings met vaar- of motorvoertuigen met ontploffingsmotoren

Binnen een periode van zes maanden na het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden op initiatief van en op kosten van de exploitant door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, metingen van CO uitgevoerd in de racehal. Die metingen worden bij normale werking en in de meest slechte omstandigheden uitgevoerd. Deze metingen worden ter evaluatie voorgelegd aan de gezondheidsinspectie en aan de milieudienst van de gemeente.

 

Tijdens het racen moet de racehal steeds optimaal geventileerd worden om de schadelijke uitlaatgassen af te voeren. Het gehalte aan koolmonoxide (CO) wordt als indicator beschouwd. De ventilatie, hetzij natuurlijk, hetzij door middel van extractoren of mechanische ventilatie, moet zo efficiënt zijn dat nergens in de racehal een CO-gehalte van 50 ppm overschreden wordt en dat over een glijdende uitmiddelingstijd van 8 uren de concentratie maximaal 25 ppm bedraagt. Zo nodig wordt een pauze voorzien om de hal optimaal te verluchten.

 

In de racehal wordt een CO-detector met alarm geplaatst op een voor de binnenluchtkwaliteit representatief punt, op afstand van de ventilatie-openingen. De detector geeft een auditief en visueel signaal bij een concentratie van 50 ppm CO in de lucht van de racehal. Bij die concentratie worden onmiddellijk alle activiteiten stilgelegd tot normalisatie van de luchtkwaliteit. De detector wordt jaarlijks door een installateur gekeurd.