Hoofdstuk 5.33.
PAPIER


Art. 5.33.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 33 van de indelingslijst.


Art. 5.33.0.2.

§ 1.

In de lokalen waarin meer dan 10 ton papier wordt opgeslagen wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt of meer dan 20 ton papier wordt opgeslagen wanneer de inrichting volledig in een industriegebied ligt, is het verboden wand- en plafondbedekking uit te voeren in licht brandbare materialen, of materialen die bij brand giftige gassen afgeven.

 

Het gebruik van poreuze materialen is slechts toegelaten wanneer deze zelfdovend zijn (NBN S21 - 203 categorie AO). Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 2.

Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties dienen de elektrische installaties van de inrichting regelmatig gecontroleerd door een ter zake bevoegde deskundige. De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.33.0.3. Brandvoorkoming en -bestrijding

§ 1.

De verwarming van lokalen waarin papier wordt opgeslagen mag niet geschieden met toestellen die een vlam of gloeiend oppervlak vertonen.

 

§ 2.

Leidingen met ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 of ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3 volgens de CLP-verordening zijn in lokalen waarin papier wordt opgeslagen, alsmede in de muren, de zoldering en de vloer ervan verboden tenzij de volgende preventieve maatregelen zijn genomen:

het lokaal is voorzien van een blussysteem dat automatisch in werking treedt bij een brand, of het lokaal is voorzien van een brandalarm dat verbonden is met een permanent bewaakte controlekamer;
de leiding met ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 of ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3 volgens de CLP-verordening is voorzien van een afsluiter die de toevoer naar de leiding automatisch afsluit bij een brandalarm. De afsluiter bevindt zich buiten het opslaglokaal;
de leiding is zodanig bevestigd of beveiligd dat ze niet beschadigd kan worden bij het laden of lossen van voorwerpen in het lokaal.

 

§ 3.

Het opslaan van ontvlambare gassen van gevarencategorie 1 of ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 of 3 volgens de CLP-verordening in lokalen waarin papier wordt opgeslagen is verboden.

 

§ 4.

Onverminderd de bepalingen van afdeling 4.1.12 beschikt de inrichting over een voldoend aantal geschikte, gebruiksklare en gemakkelijk te bereiken blustoestellen. Deze blustoestellen worden tenminste jaarlijks op hun goede werking gecontroleerd door de leverancier of een bevoegd deskundige. De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.33.0.4.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden inherent aan de exploitatie van de inrichting verboden op de werkdagen van 19 uur tot 7 uur alsmede op zon- en feestdagen.


Afdeling 5.33.1.
Installaties voor het behandelen van papier en karton, voor het vervaardigen van golfkarton of waren uit papier of karton


Art. 5.33.1.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen ingedeeld in subrubriek 33.3 van de indelingslijst.


Art. 5.33.1.2.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

Parameter

Emissiegrenswaarde

Organische stoffen:

a. in geval van toepassing van met waterverdunbare lijmen die als oplosmiddel uitsluitend ethanol met een massagehalte van ten hoogste 25% bevatten, emissies aan ethanol:

500 mg/Nm³

b. bij gebruik van oplosmiddelhoudende lijmen bij een massastroom van 3000 g/h of meer, emissies aan organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

125 mg/Nm³


Art. 5.33.1.3.

§ 1.

De emissiegrenswaarden voor organische stoffen, vermeld in artikel 5.33.1.2, gelden niet voor de activiteit 16 van bijlage 5.59.1 als de inrichting voor deze activiteit voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk 5.59.

 

[...]

 

 

§ 2.

De regeling van § 1 geldt ook voor inrichtingen waarvoor het oplosmiddel-verbruik van de betrokken activiteit kleiner is dan de drempelwaarde van bijlage 5.59.1. In dat geval zijn de hoogste emissiegrenswaarden van toepassing, voor activiteit 16 van bijlage 5.59.1.