Hoofdstuk 5.43.
Stookinstallaties


Afdeling 5.43.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.43.1.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op stookinstallaties, al dan niet met elektriciteitsproductie of in warmte-krachttoepassing, en ongeacht het toegepaste type brandstof (inbegrepen biomassa), vermeld in rubriek 31.1 en 43 van de indelingslijst.


Art. 5.43.1.2.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende installaties :

installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor directe verwarming, droging of een andere behandeling van voorwerpen of materialen;
2°  naverbrandingsinstallaties voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
installaties voor de regeneratie van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
installaties om zwavelwaterstof om te zetten in zwavel;
reactoren die worden gebruikt in de chemische industrie;
cokesbatterijovens;
windverhitters van hoogovens;
installaties die als brandstof andere afvalstoffen dan biomassa-afvalstoffen gebruiken.
crematoria;
10° stookinstallaties op landbouwbedrijven met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 5 MW of minder die als brandstof uitsluitend onverwerkte mest van gevogelte gebruiken als vermeld in artikel 9, a), van de verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009;
11° terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp;
12° stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 50 MW waarin de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten ter verbetering van de omstandigheden op de arbeidsplaats.

 

In afwijking van het eerste lid zijn artikel 5.43.2.40 en artikel 5.43.3.19 wel van toepassing op de installaties, vermeld in het eerste lid.


Art. 5.43.1.3.

In afwijking van artikel 4.5.3.1, §1 en §3, en artikel 4.5.5.1, §1, wordt voor inrichtingen in warmtekrachttoepassing gelegen in agrarisch gebied, het specifieke geluid, in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, in agrarisch gebied, als vermeld in punt 10° van bijlage 4.5.4, beperkt tot de richtwaarden, vermeld in bijlage 4.5.4, 10°, in plaats van de richtwaarden, vermeld in bijlage 4.5.4, 10°, verminderd met 5 dB(A).


Art. 5.43.1.4.

§ 1.

Voor het verstoken van andere dierlijke vetten dan afvalstoffen zijn de bepalingen van verordening (EG) nr. 142/2011 en verordening (EU) nr.592/2014 ter uitvoering van de verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 van toepassing.

 

§ 2.

Stoomketels voor het verstoken van andere dierlijke vetten dan afvalstoffen worden zo ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat het vet in de stoomketel verdampt en bij een minimumtemperatuur van 1100 °C gedurende ten minste 0,2 seconden wordt verbrand.

 

§ 3.

Stationaire motoren voor het verstoken van andere dierlijke vetten dan afvalstoffen worden zo ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, de dierlijke bijproducten en afgeleide producten gedurende ten minste twee seconden worden behandeld bij een temperatuur van 850 °C of gedurende ten minste 0,2 seconden bij een temperatuur van 1100 °C.

 

Het gas, dat bij het proces ontstaat, wordt op beheerste en homogene wijze verhit tot een temperatuur van 850 °C gedurende ten minste twee seconden of tot een temperatuur van 1100 °C gedurende 0,2 seconden. De temperatuur wordt gemeten dicht bij de binnenwand of op een ander representatief punt van de verbrandingskamer, dat door de toezichthouder is toegestaan.

 

§ 4.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van paragraaf 2 en 3 worden afgeweken als gebruikgemaakt wordt van procesparameters die een equivalent resultaat voor het milieu waarborgen.


Afdeling 5.43.2.
Kleine en middelgrote stookinstallaties


Art. 5.43.2.1.

Deze afdeling is van toepassing op stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 50 MW. Deze afdeling is ook van toepassing op een samenstel van stookinstallaties als vermeld in het tweede en het derde lid, met inbegrip van een samenstel waarvan het totale nominaal thermisch ingangsvermogen 50 MW of meer bedraagt, tenzij dat samenstel een stookinstallatie is die onder de toepassing van afdeling 5.43.3 valt.

 

Een samenstel van twee of meer nieuwe stookinstallaties wordt als één stookinstallatie beschouwd en het nominaal thermisch ingangsvermogen ervan wordt samengeteld voor de berekening van het totale nominaal thermisch vermogen van de installatie als de afgassen van die stookinstallaties via een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten of als de afgassen van die stookinstallaties, met inachtneming van technische en economische factoren, volgens het oordeel van de vergunningverlener via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden uitgestoten. In dat geval zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in deze afdeling, van toepassing op de gemeenschappelijke schoorsteen in relatie tot het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van de als één geheel aangemerkte stookinstallatie.

 

Voor de berekening van het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een samenstel van stookinstallaties als vermeld in het tweede lid, worden afzonderlijke stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW, die vergund zijn vóór 19 december 2017 en die in dienst genomen zijn vóór 20 december 2018, buiten beschouwing gelaten.

 

In afwijking van het derde lid worden afzonderlijke stookinstallaties altijd meegerekend in de berekening van het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een samenstel van stookinstallaties als de emissiemetingen uitgevoerd worden op het gemeenschappelijk afgaskanaal, tenzij dat gebeurt als slechts één installatie van het samenstel in werking is, voor elke afzonderlijke installatie.


Art. 5.43.2.2.

Voor de afgassen die afkomstig zijn van kleine en middelgrote stookinstallaties, gelden de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16, waarbij NOx wordt uitgedrukt als NO2, en organische stoffen worden uitgedrukt als totaal organische koolstof, waarbij HCl betrekking heeft op alle anorganische gasvormige chlorideverbindingen, uitgedrukt als HCl, HF betrekking heeft op alle anorganische gasvormige fluorideverbindingen, uitgedrukt als HF, nikkel betrekking heeft op de som van nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt als nikkel, lood betrekking heeft op lood en zijn verbindingen, uitgedrukt als lood, en vanadium betrekking heeft op vanadium en zijn verbindingen, uitgedrukt als vanadium.

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16, zijn gedefinieerd bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van:

6% voor vaste brandstoffen;
3% voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, die vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruiken. Dierlijke vetten worden als vloeibare brandstoffen beschouwd;
15% voor gasturbines, al dan niet met bijstook, en stationaire motoren.

 

Voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 300 kW, gevoed met andere vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen dan biomassa-afval, zijn geen emissiegrenswaarden van toepassing, tenzij ze deel uitmaken van een samenstel als vermeld in artikel 5.43.2.1.

 

Voor stookinstallaties met minder dan 100 bedrijfsuren per kalenderjaar zijn geen emissiegrenswaarden van toepassing. Dat geldt niet in geval van voeding met vaste brandstoffen. In dat geval geldt voor stof een emissiegrenswaarde van 200 mg/Nm3 voor installaties die vergund zijn vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst genomen zijn, en een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 voor installaties die vergund op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst genomen zijn.

 

Voor stationaire motoren met minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar die noodgeneratoren of bluswaterpompen aandrijven, moet voor de bepalingen van deze afdeling het nominaal thermisch ingangsvermogen maar voor 50% in rekening worden gebracht om het totale nominaal thermisch ingangsvermogen te bepalen.

 

Voor centrale stooktoestellen die in hoofdzaak gebruikt worden voor de verwarming van gebouwen en, optioneel, voor de aanmaak van warm verbruikswater, is het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater van toepassing.


Art. 5.43.2.3.

Bij voeding met steenkool, turf en andere vaste fossiele brandstoffen geldt tot en met 31 december 2024 voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

HCl

HF

bestaande installaties

≥ 0,3 - 20

200

1250

800

250

100

30

≥ 20

200

1250

600

250

100

30

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

≥ 0,3 - 2

150

1250

800

250

100

30

≥ 2 - 5

100

1250

650

250

100

30

> 5 - 20

50

1250

650

250

100

30

≥ 20

50

1250

500

250

100

30

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 2

100

1250

500

250

100

30

≥ 2 - 5

100

1250

400

250

100

30

> 5

50

1250

400

250

100

30

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 5

100

1250

300

200

100

30

> 5

50

1250

300

200

100

30

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

100

1250

300

200

100

30

≥ 1 - 5

50

1250

300

200

100

30

> 5 - 20

20

350

300

200

100

30

≥ 20

20

250

250

200

100

30

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 – 5 (1)

20

400

100

200

100

30

> 5

10

200

100

200

100

30

(1) In afwijking van die emissiegrenswaarden geldt voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot 1 MW een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 voor stof, 1250 mg/Nm3 voor SO2 en 300 mg/Nm3 voor NOX, en voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW tot en met 5 MW een emissiegrenswaarde van 50 mg/Nm3 voor stof en 300 mg/Nm3 voor NOX als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan vaste fossiele brandstoffen te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan.

 

Bij voeding met steenkool, turf en andere vaste fossiele brandstoffen geldt vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

HCl

HF

bestaande installaties

≥ 0,3 - 5

200

1250

800

250

100

30

> 5 - 20

50

1100

400

250

100

30

> 20

30

400

400

250

100

30

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

≥ 0,3 - 2

150

1250

800

250

100

30

≥ 2 - 5

100

1250

650

250

100

30

> 5 - 20

50

1100

400

250

100

30

> 20

30

400

400

250

100

30

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 2

100

1250

500

250

100

30

≥ 2 - 5

100

1250

400

250

100

30

> 5 - 20

50

1100

400

250

100

30

> 20

30

400

400

250

100

30

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 5

100

1250

300

200

100

30

> 5 - 20

50

1100

300

200

100

30

> 20

30

400

300

200

100

30

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

100

1250

300

200

100

30

≥ 1 - 5

50

1250

300

200

100

30

> 5 - 20

20

350

300

200

100

30

> 20

20

250

250

200

100

30

Nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 – 5(1)

20

400

100

200

100

30

> 5

10

200

100

200

100

30

(1) In afwijking van die emissiegrenswaarden geldt voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot 1 MW een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 voor stof, 1250 mg/Nm3 voor SO2 en 300 mg/Nm3 voor NOX, en voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW tot en met 5 MW een emissiegrenswaarde van 50 mg/Nm3 voor stof en 300 mg/Nm3 voor NOX als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan vaste fossiele brandstoffen te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan.

 

Bij voeding met steenkool, turf en andere vaste fossiele brandstoffen geldt vanaf 1 januari 2030 voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, het volgende:

 

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

HCl

HF

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 1

100

1250

500

250

100

30

≥ 1 - 2

50

1100

500

250

100

30

≥ 2 - 20

50

1100

400

250

100

30

> 20

30

400

400

250

100

30

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 1

100

1250

300

200

100

30

≥ 1 - 20

50

1100

300

200

100

30

> 20

30

400

300

200

100

30

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

100

1250

300

200

100

30

≥ 1 - 5

50

1100

300

200

100

30

> 5 - 20

20

350

300

200

100

30

> 20

20

250

250

200

100

30

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 – 5 (1)

20

400

100

200

100

30

> 5

10

200

100

200

100

30

(1) In afwijking van die emissiegrenswaarden, geldt voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot 1 MW een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 voor stof, 1250 mg/Nm3 voor SO2 en 300 mg/Nm3 voor NOX, en voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW tot en met 5 MW een emissiegrenswaarde van 50 mg/Nm3 voor stof en 300 mg/Nm3 voor NOX als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan vaste fossiele brandstoffen te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan.

 


Art. 5.43.2.4.

Bij voeding met vaste biomassa geldt tot en met 31 december 2024 voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

dioxinen en furanen

(in ng TEQ/Nm3) (2)

zware metalen (4)

bestaande installaties

≥ 0,3 - 5

225

450

800

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

200

450

800

300

0,15

(5)

≥ 20

200

450

600

300

0,15

(5)

nieuwe installaties waarvoor

de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

≥ 0,3 - 2

225

450

800

375

0,6 (3)

 

≥ 2 - 5

225

450

650

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

50

450

650

300

0,15

(5)

≥ 20 - 30

50

450

600

300

0,15

(5)

≥ 30

50

450

500

300

0,15

(5)

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 5

225

450

600

375

0,6 (3)

 

> 5 - 30

50

450

600

300

0,15

(5)

≥ 30

50

450

400

300

0,15

(5)

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 5

225

450

600

375

0,6 (3)

 

> 5 - 30

50

450

600

300

0,15

(5)

≥ 30

50

450

300

300

0,15

(5)

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

200

450

600

375

0,6 (3)

 

≥ 1 - 5

50

450

450

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

20

450

350

300

0,15

(5)

≥ 20

20

250

250

300

0,15

(5)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

200

450 (1)

600

375

0,6 (3)

 

≥ 1 - 5

50

450 (1)

450

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

10

450 (1)

300

300

0,15

(5)

> 20

10

250 (1)

200

300

0,15

(5)

(1) Als een andere brandstof dan houtachtige vaste biomassa wordt gestookt, geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 200 mg/Nm3.

(2) De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’.

(3) De emissiegrenswaarde van 0,6 ng TEQ/Nm3 voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 5 MW is alleen van toepassing in geval van voeding met niet-verontreinigd behandeld houtafval. In geval van voeding met andere vaste biomassa geldt voor die installaties geen emissiegrenswaarde.

(4) gemiddelde waarden over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur

(5) Voor installaties, gevoed met niet-verontreinigd behandeld houtafval, gelden de volgende emissiegrenswaarden:

voor de som van cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als cadmium (Cd), en thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als thallium (Tl): 0,15 mg/Nm3;
voor kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg): 0,15 mg/Nm3;
voor de som van antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als antimoon (Sb), arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als arseen (As), lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb), chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr), kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co), koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu), mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als mangaan (Mn), nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni), vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als vanadium (V), tin en tinverbindingen, uitgedrukt als tin (Sn): 2,25 mg/Nm3.

 

Bij voeding met vaste biomassa geldt vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

dioxinen en furanen

(in ng TEQ/Nm3) (2)

zware metalen (4)

bestaande installaties

≥ 0,3 - 5

225

450

800

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

50

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 20 - 30

30

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 30

30

450 (1)

400

300

0,15

(5)

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

≥ 0,3 - 2

225

450

800

375

0,6 (3)

 

≥ 2 - 5

225

450

650

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

50

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 20 - 30

30

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 30

30

450 (1)

400

300

0,15

(5)

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 5

225

450

600

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

50

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 20 - 30

30

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 30

30

450 (1)

400

300

0,15

(5)

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 5

225

450

600

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

50

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 20 - 30

30

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 30

30

450 (1)

300

300

0,15

(5)

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

200

450

600

375

0,6 (3)

 

≥ 1 - 5

50

450

450

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

20

450 (1)

350

300

0,15

(5)

> 20

20

250 (1)

250

300

0,15

(5)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

200

450 (1)

600

375

0,6 (3)

 

≥ 1 - 5

50

450 (1)

450

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

10

450 (1)

300

300

0,15

(5)

> 20

10

250 (1)

200

300

0,15

(5)

(1) Als een andere brandstof dan houtachtige vaste biomassa wordt gestookt, geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 200 mg/Nm3.

(2) De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’.

(3) Die emissiegrenswaarde van 0,6 ng TEQ/Nm3 voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 5 MW is alleen van toepassing in geval van voeding met niet-verontreinigd behandeld houtafval. In geval van voeding met andere vaste biomassa geldt voor die installaties geen emissiegrenswaarde.

(4) gemiddelde waarden over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur

(5) Voor installaties, gevoed met niet-verontreinigd behandeld houtafval, gelden de volgende emissiegrenswaarden:

voor de som van cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als cadmium (Cd), en thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als thallium (Tl): 0,15 mg/Nm3;
voor kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg): 0,15 mg/Nm3;
voor de som van antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als antimoon (Sb), arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als arseen (As), lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb), chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr), kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co), koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu), mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als mangaan (Mn), nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni), vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als vanadium (V), tin en tinverbindingen, uitgedrukt als tin (Sn): 2,25 mg/Nm3.

 

Bij voeding met vaste biomassa geldt vanaf 1 januari 2030 voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

dioxinen en furanen

(in ng TEQ/Nm3) (2)

zware metalen (4)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 1

225

450

600

375

0,6 (3)

 

≥ 1 – 5

50

450 (1)

600

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

50

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 20 - 30

30

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 30

30

450 (1)

400

300

0,15

(5)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 – 1

225

450

600

375

0,6 (3)

 

≥ 1 – 5

50

450 (1)

600

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

50

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 20 - 30

30

450 (1)

600

300

0,15

(5)

> 30

30

450 (1)

300

300

0,15

(5)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

200

450

600

375

0,6 (3)

 

≥ 1 - 5

50

450 (1)

450

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

20

450 (1)

350

300

0,15

(5)

> 20

20

250 (1)

250

300

0,15

(5)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

200

450 (1)

600

375

0,6 (3)

 

≥ 1 - 5

50

450 (1)

450

375

0,6 (3)

 

> 5 - 20

10

450 (1)

300

300

0,15

(5)

> 20

10

250 (2)

200

300

0,15

(5)

(1) Als een andere brandstof dan houtachtige vaste biomassa wordt gestookt, geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 200 mg/Nm3.

(2) De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’.

(3) Die emissiegrenswaarde van 0,6 ng TEQ/Nm3 voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 5 MW is alleen van toepassing in geval van voeding met niet-verontreinigd behandeld houtafval. In geval van voeding met andere vaste biomassa geldt voor die installaties geen emissiegrenswaarde.

(4) gemiddelde waarden over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur

(5) Voor installaties, gevoed met niet-verontreinigd behandeld houtafval, gelden de volgende emissiegrenswaarden:

voor de som van cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als cadmium (Cd), en thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als thallium (Tl): 0,15 mg/Nm3;
voor kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg): 0,15 mg/Nm3;
voor de som van antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als antimoon (Sb), arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als arseen (As), lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb), chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr), kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co), koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu), mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als mangaan (Mn), nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni), vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als vanadium (V), tin en tinverbindingen, uitgedrukt als tin (Sn): 2,25 mg/Nm3.

Art. 5.43.2.5.

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt tot en met 31 december 2024 voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

nikkel

vanadium

bestaande installaties

≥ 0,3 - 20

200

1700

650

250

3

5

≥ 20

200

1700

300

250

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

≥ 0,3 - 2

100

1700

450

175

3

5

≥ 2 - 5

100

1700

600

175

3

5

> 5 - 20

50

1700

400

175

3

5

≥ 20

50

1700

300

175

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 2

100

170

250

175

3

5

≥ 2 - 5

100

1700

600

175

3

5

> 5 - 20

50

1700

400

175

3

5

≥ 20

50

1700

300

175

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 2

100

170

185

175

3

5

≥ 2 - 5

100

1700

525

175

3

5

> 5 - 20

50

1700

400

175

3

5

≥ 20

50

1700

150

175

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 2

50

170

185

175

3

5

≥ 2 - 5 (1)

50

170

185

175

3

5

> 5 - 20

50

170

250

175

3

5

≥ 20

50

170

150

175

3

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 5

5

170

185

175

3

5

> 5 – 20 (2)

10

170

200

175

3

5

> 20 (2)

10

170

150

175

3

5

(1) In afwijking van die emissiegrenswaarden geldt bij voeding met zware stookolie een emissiegrenswaarde van 1700 mg/Nm3 voor SO2 en 525 mg/Nm3 voor NOX, en bij voeding met vloeibare biomassastromen een emissiegrenswaarde van 525 mg/Nm3 voor NOX als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan zware stookolie (zoals gasolie en dergelijke) te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan. 

(2) Bij gebruik van vloeibare recuperatiebrandstoffen kan in de omgevingsvergunning een minder strenge emissiegrenswaarde worden opgenomen, met een maximum van 350 mg/Nm3 voor SO2, 300 mg/Nm3 voor NOx en 20 mg/Nm3 voor stof.

 

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

nikkel

vanadium

bestaande installaties

≥ 0,3 - 5

200

1700

650

250

3

5

> 5 - 20

30

350 (3)

400 (4)

250

3

5

> 20

30

350

300 (4)

250

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

≥ 0,3 - 2

100

1700

450

175

3

5

≥ 2 - 5

100

1700

600

175

3

5

> 5 - 20

30

350 (3)

400 (4)

175

3

5

> 20

30

350

300 (4)

175

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 2

100

170

250

175

3

5

≥ 2 - 5

100

1700

600

175

3

5

> 5 - 20

30

350 (3)

400 (4)

175

3

5

> 20

30

350

300 (4)

175

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 2

100

170

185

175

3

5

≥ 2 - 5

100

1700

525

175

3

5

> 5 - 20

30

350 (3)

400 (4)

175

3

5

> 20

30

350

150

175

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 2

50

170

185

175

3

5

≥ 2 - 5 (1)

50

170

185

175

3

5

> 5 - 20

30

170

250 (4)

175

3

5

> 20

30

170

150

175

3

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 5

5

170

185

175

3

5

> 5 – 20 (2)

10

170

200

175

3

5

> 20 (2)

10

170

150

175

3

5

(1) In afwijking van die emissiegrenswaarden geldt bij voeding met zware stookolie een emissiegrenswaarde van 1700 mg/Nm3 voor SO2 en 525 mg/Nm3 voor NOX, en bij voeding met vloeibare biomassastromen een emissiegrenswaarde van 525 mg/Nm3 voor NOX als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan zware stookolie (zoals gasolie en dergelijke) te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan. 

(2) Bij gebruik van vloeibare recuperatiebrandstoffen kan in de omgevingsvergunning een minder strenge emissiegrenswaarde worden opgenomen, met een maximum van 350 mg/Nm3 voor SO2, 300 mg/Nm3 voor NOx en 20 mg/Nm3 voor stof.

(3) Bij voeding met zware stookolie geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 850 mg/Nm3.

(4) Bij voeding met gasolie geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 200 mg/Nm3.

 

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt vanaf 1 januari 2030 voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO (4)

nikkel

vanadium

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 1

100

170

250

175

3

5

≥ 1 - 2

50

170

250 (3)

175

3

5

≥ 2 - 5

50

350

600 (3)

175

3

5

> 5 - 20

30

350

400 (3)

175

3

5

> 20

30

350

300 (3)

175

3

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 – 1

100

170

185

175

3

5

≥ 1 – 2

50

170

185

175

3

5

≥ 2 – 5

50

350

525 (3)

175

3

5

> 5 - 20

30

350

400 (3)

175

3

5

> 20

30

350

150

175

3

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 2

50

170

185

175

3

5

≥ 2 - 5 (1)

50

170

185

175

3

5

> 5 - 20

30

170

250 (3)

175

3

5

> 20

30

170

150

175

3

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 5

5

170

185

175

3

5

> 5 – 20 (2)

10

170

200

175

3

5

> 20 (2)

10

170

150

175

3

5

(1) In afwijking van die emissiegrenswaarden geldt bij voeding met zware stookolie een emissiegrenswaarde van 350 mg/Nm3 voor SO2 en 525 mg/Nm3 voor NOX, en bij voeding met vloeibare biomassastromen een emissiegrenswaarde van 525 mg/Nm3 voor NOX als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan zware stookolie (zoals gasolie en dergelijke) te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan. 

(2) Bij gebruik van vloeibare recuperatiebrandstoffen kan in de omgevingsvergunning een minder strenge emissiegrenswaarde worden opgenomen, met een maximum van 350 mg/Nm3 voor SO2, 300 mg/Nm3 voor NOx en 20 mg/Nm3 voor stof.

(3) Bij voeding met gasolie geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 200 mg/Nm3.

(4) Voor bestaande installaties geldt een emissiegrenswaarde voor CO van 250 mg/Nm3.

 

Bij voeding met andere dierlijke vetten dan afvalstoffen geldt voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

organische stoffen

HCl

HF

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

20

50

650

180

20

20

4

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

20

50

300

175

20

20

4


Art. 5.43.2.6.

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

nikkel

vanadium

bestaande installaties

≥ 0,3 - 20

200

1700

650

250

3

5

> 20

200

1700

300

250

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

≥ 0,3 - 2

100

1700

450

175

3

5

≥ 2 - 5

100

1700

600

175

3

5

> 5 - 20

50

1700

400

175

3

5

> 20

50

1700

300

175

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 2

100

170

250

175

3

5

≥ 2 - 5

100

1700

600

175

3

5

> 5 - 20

50

1700

400

175

3

5

> 20

50

1700

300

175

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 2

100

170

185

175

3

5

≥ 2 - 5

100

1700

525

175

3

5

> 5 - 20

50

1700

400

175

3

5

> 20

50

1700

150

175

3

5

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014

≥ 0,3 - 2

50

170

185

175

3

5

≥ 2 - 5 (1)

50

170

185

175

3

5

> 5 - 20

50

170

250

175

3

5

> 20

50

170

150

175

3

5

(1) In afwijking van die emissiegrenswaarden geldt bij voeding met zware stookolie een emissiegrenswaarde van 1700 mg/Nm3 voor SO2 en 525 mg/Nm3 voor NOX, en bij voeding met vloeibare biomassastromen een emissiegrenswaarde van 525 mg/Nm3 voor NOX als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan zware stookolie (zoals gasolie en dergelijke) te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan. 

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 5.43.2.7.

Bij voeding met vloeibare brandstoffen geldt tot en met 31 december 2024 voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000

≥ 0,3

50

60

600

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2000 en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen

≥ 0,3

50

60

200

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 27 november 2002 of die na 27 november 2003 in gebruik zijn genomen, en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 0,3

30

60

200

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

30

60

75

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

10

60

75

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60%.

 

Bij voeding met vloeibare brandstoffen geldt vanaf 1 januari 2025 voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 0,3

10

60

200

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010

≥ 0,3

10

60

75

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60%.


Art. 5.43.2.8.

Bij voeding met vloeibare brandstoffen geldt voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000

≥ 0,3

50

60

-

250

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2000 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

50

60

200

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

50

60

150

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60%.

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 5.43.2.9.

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt tot en met 31 december 2024 voor stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

 NOX

CO

org. stoffen

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1993

≥ 0,3

115

60 (2)

1875

575

-

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 1993 en vóór 1 januari 2000

≥ 0,3

75

60 (2)

1500

375

-

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2000 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 3

20

60 (2)

1500

250

-

≥ 3 - 5

20

60 (2)

750

250

-

≥ 5

20

60 (2)

190 (4)

250

-

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2005 en vóór 1 januari 2010

0,3 - 5

20

60 (2)

375

250

60

≥ 5

20

60 (2)

190 (4)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2010 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 5

20

60 (2)

375

250

60

≥ 5

20

60 (2)

130 (4)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

20

60

375

250

60

> 1 - 5

20

60 (3)

190 (4)

250

60

> 5

20

60

130 (4)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

20

60

150

250

60

≥ 1 - 5

20

60

150 (4)

250

60

> 5

10 (1)

60

95

250

60

(1) Bij voeding met gasolie geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm3.

(2) Bij voeding met zware stookolie is die emissiegrenswaarde voor SO2 niet van toepassing. Het maximaal toegelaten S-gehalte in zware stookolie bedraagt 1,00% (in massa-%).

(3) In afwijking van die emissiegrenswaarde voor SO2 geldt bij voeding met zware stookolie een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3 als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan zware stookolie (zoals gasolie en dergelijke) te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan.

(4) Voor dualfuelmotoren geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 225 mg/Nm3.

 

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 voor stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

 

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

org. stoffen

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1993

≥ 0,3 - 5

115

60 (2)

1875

575

-

> 5 - 20

20

60 (3)

190 (5)

250

60

> 20

10 (1)

60 (3)

190 (5)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 1993 en vóór 1 januari 2000

≥ 0,3 - 5

75

60 (2)

1500

375

-

> 5 -20

20

60 (3)

190 (5)

250

60

> 20

10 (1)

60 (3)

190 (5)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2000 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 3

20

60 (2)

1500

250

-

≥ 3 - 5

20

60 (2)

750

250

-

> 5 - 20

20

60 (3)

190 (5)

250

-

> 20

10 (1)

60 (3)

190 (5)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2005 en vóór 1 januari 2010

0,3 - 5

20

60 (2)

375

250

60

> 5 -20

20

60 (3)

190 (5)

250

60

> 20

10 (1)

60 (3)

190 (5)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2010 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 5

20

60 (2)

375

250

60

> 5 -20

20

60 (3)

130 (5)

250

60

> 20

10 (1)

60 (3)

130 (5)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

20

60

375

250

60

> 1 - 5

20

60 (4)

190 (5)

250

60

> 5 -20

20

60

130 (5)

250

60

> 20

10 (1)

60

130 (5)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

20

60

150

250

60

≥ 1 - 5

20

60

150 (5)

250

60

> 5

10 (1)

60

95

250

60

(1) Bij voeding met gasolie geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm3.

(2) Bij voeding met zware stookolie is die emissiegrenswaarde voor SO2 niet van toepassing. Het maximaal toegelaten S-gehalte in zware stookolie bedraagt 1,00 % (in massa-%).

(3) Bij voeding met zware stookolie geldt een emissiegrenswaarde van 120 mg/Nm3.

(4) In afwijking van die emissiegrenswaarde voor SO2 geldt bij voeding met zware stookolie een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3 als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan zware stookolie (zoals gasolie en dergelijke) te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan.

(5) Voor dualfuelmotoren geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 225 mg/Nm3.

 

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt vanaf 1 januari 2030 voor stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

org. stoffen

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 0,3 - 1

20

60 (2)

375

250

60

≥ 1 - 5

20

60 (2)

250

250

60

> 5 -20

20

60 (2)

190 (4)

250

60

≥ 20

10 (1)

60 (2)

190 (4)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2010 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 1

20

60 (2)

375

250

60

≥ 1 - 5

20

60 (2)

250

250

60

> 5 -20

20

60 (2)

130 (4)

250

60

> 20

10 (1)

60 (2)

130 (4)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na

1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

20

60

375

250

60

≥ 1 - 5

20

60 (3)

190 (4)

250

60

> 5 -20

20

60

130 (4)

250

60

> 20

10 (1)

60

130 (4)

250

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

20

60

150

250

60

≥ 1 - 5

20

60

150 (4)

250

60

> 5

10 (1)

60

95

250

60

(1) Bij voeding met gasolie geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm3

(2) Bij voeding met zware stookolie geldt een emissiegrenswaarde van 120 mg/Nm3.

(3) In afwijking van die emissiegrenswaarde voor SO2 geldt bij voeding met zware stookolie een emissiegrenswaarde van 120 mg/Nm3 als:

aansluiting op het aardgasnet onmogelijk is wegens de door de netbeheerders vastgestelde onmogelijkheid het bedrijf aan te sluiten op het aardgasnet of wegens de disproportionele kosten, te betalen door de exploitant, in verhouding tot de bedrijfsrentabiliteit, die een dergelijke aansluiting met zich meebrengt;
het gebruik van andere meer milieuvriendelijke brandstoffen dan zware stookolie (zoals gasolie en dergelijke) te hoge bijkomende kosten met zich meebrengt die niet draagbaar worden geacht door de exploitant of niet in verhouding staan tot de bereikte milieuwinst;
de exploitant in de aanvraag van een omgevingsvergunning op voldoende wijze heeft aangetoond dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, is voldaan.

(4) Voor dualfuelmotoren geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 225 mg/Nm3.

 

Bij voeding met andere dierlijke vetten dan afvalstoffen geldt voor stationaire motoren het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

organische stoffen

HCl

HF

alle installaties 

≥ 0,3

5

30

120

60

5

5

1

 


Art. 5.43.2.10.

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt voor stationaire motoren, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000

≥ 0,3

115

60 (1)

-

575

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2000 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

20

60 (1)

1500

250

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

20

60 (1)

190 (2)

250

(1) Bij voeding met zware stookolie is die emissiegrenswaarde voor SO2 niet van toepassing. Het maximaal toegelaten S-gehalte in zware stookolie bedraagt 1,00 % (in massa-%).

(2) Voor dualfuelmotoren geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 225 mg/Nm3. Voor noodstroomgeneratoren geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 1500 mg/Nm3.

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 5.43.2.11.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt tot en met 31 december 2024 voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

type gas/totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

bestaande installaties

aardgas ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

150

250

aardgas > 5 MW

50

35

300

250

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

50

5

350

250

cokesovengas ≥ 0,3 MW

50

400

350

250

hoogovengas ≥ 0,3 MW

50

800

350

250

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

50

35

350

250

biogas ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

350

250

biogas > 5 MW

50

800

350

250

andere gassen ≥ 0,3 MW

50

35

350

250

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

aardgas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

150

100

aardgas > 5 MW

5

35

300

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 - 5 MW

5

5

200

100

vloeibaar gemaakt gas > 5 MW

5

5

300

100

cokesovengas ≥ 0,3 - 5 MW

5

400

200

100

cokesovengas > 5 MW

5

400

300

100

hoogovengas ≥ 0,3 - 5 MW

10

800

200

100

hoogovengas > 5 MW

10

800

300

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie > 5 MW

50

35

300

100

biogas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

200

100

biogas > 5 MW

5

200

300

100

andere gassen ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

200

100

andere gassen > 5 MW

5

35

300

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

aardgas ≥ 0,3 MW

5

35

150

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

800

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

50

35

200

100

biogas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

200

100

biogas > 5 MW

5

200

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

aardgas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

80 (1)

100

aardgas > 5 MW

5

35

150

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindus- trie ≥ 0,3 MW

30

35

200

100

biogas ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

aardgas ≥ 0,3 - 20 MW

5

35

80

100

aardgas > 20 MW

5

35

100

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

30

35

200

100

biogas ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

aardgas ≥ 0,3 MW

5

35

80

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

30

35

200

100

biogas ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

(1) Voor nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend voor 1 januari 2010, geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 150 mg/Nm3.

 

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

 

type inrichting

type gas/totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

bestaande installaties

aardgas ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

150

250

aardgas > 5 MW

50

35

200

250

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 - 5 MW

50

5

350

250

vloeibaar gemaakt gas > 5 MW

50

5

250

250

cokesovengas ≥ 0,3 - 5 MW

50

400

350

250

cokesovengas > 5 MW

50

400

250

250

hoogovengas ≥ 0,3 - 5 MW

50

800

350

250

hoogovengas > 5 MW

50

200

250

250

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

350

250

industriegas uit ijzer- en staalindustrie > 5 MW

50

35

250

250

biogas ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

350

250

biogas > 5 MW

50

170

250

250

andere gassen ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

350

250

andere gassen > 5 MW

50

35

250

250

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

aardgas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

150

100

aardgas > 5 MW

5

35

200

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 - 5 MW

5

5

200

100

vloeibaar gemaakt gas > 5 MW

5

5

250

100

cokesovengas ≥ 0,3 - 5 MW

5

400

200

100

cokesovengas > 5 MW

5

400

250

100

hoogovengas ≥ 0,3 - 5 MW

10

800

200

100

hoogovengas > 5 MW

10

200

250

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie > 5 MW

50

35

250

100

biogas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

200

100

biogas > 5 MW

5

170

250

100

andere gassen ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

200

100

andere gassen > 5 MW

5

35

250

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

aardgas ≥ 0,3 MW

5

35

150

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 - 5 MW

10

800

200

100

hoogovengas > 5 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

50

35

200

100

biogas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

200

100

biogas > 5 MW

5

170

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

aardgas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

80 (1)

100

aardgas > 5 MW

5

35

150

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

30

35

200

100

biogas ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

aardgas ≥ 0,3 - 20 MW

5

35

80

100

aardgas > 20 MW

5

35

100

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

30

35

200

100

biogas ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

aardgas ≥ 0,3 MW

5

35

80

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

30

35

200

100

biogas ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

(1) Voor nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend voor 1 januari 2010, geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 150 mg/Nm3.

 

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt vanaf 1 januari 2030 voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

 

type inrichting

type gas/totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

bestaande installaties

aardgas ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

150

250

aardgas > 5 MW

50

35

200

250

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

50

5

250

250

cokesovengas ≥ 0,3 MW

50

400

250

250

hoogovengas ≥ 0,3 MW

50

200

250

250

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

50

35

250

250

biogas ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

250

250

biogas > 5 MW

50

170

250

250

andere gassen ≥ 0,3 MW

50

35

250

250

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

aardgas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

150

100

aardgas > 5 MW

5

35

200

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 - 5 MW

5

5

200

100

vloeibaar gemaakt gas > 5 MW

5

5

250

100

cokesovengas ≥ 0,3 - 5 MW

5

400

200

100

cokesovengas > 5 MW

5

400

250

100

hoogovengas ≥ 0,3 - 5 MW

10

200

200

100

hoogovengas > 5 MW

10

200

250

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 - 5 MW

50

35

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie > 5 MW

50

35

250

100

biogas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

200

100

biogas > 5 MW

5

170

250

100

andere gassen ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

200

100

andere gassen > 5 MW

5

35

250

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

aardgas ≥ 0,3 MW

5

35

150

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

50

35

200

100

biogas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

200

100

biogas > 5 MW

5

170

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

aardgas ≥ 0,3 - 5 MW

5

35

80 (1)

100

aardgas > 5 MW

5

35

150

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

30

35

200

100

biogas ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

aardgas ≥ 0,3 - 20 MW

5

35

80

100

aardgas > 20 MW

5

35

100

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

30

35

200

100

biogas ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

aardgas ≥ 0,3 MW

5

35

80

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 0,3 MW

5

5

200

100

cokesovengas ≥ 0,3 MW

5

400

200

100

hoogovengas ≥ 0,3 MW

10

200

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 0,3 MW

30

35

200

100

biogas ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

andere gassen ≥ 0,3 MW

5

35

200

100

(1) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010, geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 150 mg/Nm3.


Art. 5.43.2.12.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

 

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

   

stof

SO2

NOX

CO

bestaande installaties

≥ 0,3 - 5 MW

50

35

150

250

> 5 MW

50

35

300

250

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996

≥ 0,3 - 5 MW

5

35

150

100

> 5 MW

5

35

300

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1996 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 MW

5

35

150

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 5 MW

5

35

80 (1)

100

> 5 MW

5

35

150

100

nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014

≥ 0,3 - 20 MW

5

35

80

100

> 20 MW

5

35

100

100

(1) Voor nieuwe installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend voor 1 januari 2010, geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 150 mg/Nm3.

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 5.43.2.13.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt tot en met 31 december 2024 voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1993

≥ 0,3

12

250

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1993 en vóór 1 januari 2000

≥ 0,3

12

200

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2000 en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen

≥ 0,3

12

150

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 27 november 2002 of die na 27 november 2003 in gebruik zijn genomen, en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 0,3

12

75 (2)

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010

≥ 0,3

12

50

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60%.

(2) Voor NOX geldt een emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm3 als de installatie gevoed wordt door andere gasvormige brandstoffen dan aardgas, en van 100 mg/Nm3 bij gasturbines of STEG’s in een warmte-krachttoepassing.

 

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt vanaf 1 januari 2025 voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen

≥ 0,3

12

150 (2)

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 27 november 2002 of die na 27 november 2003 in gebruik zijn genomen, en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 0,3

12

75 (3)

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010

≥ 0,3

12

50

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60%.

(2) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1993 en die gebruikt worden om gascompressiestations aan te drijven, geldt tot en met 31 december 2029 een emissiegrenswaarde voor NOX van 250 mg/Nm3.

(3) Voor NOX geldt een emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm3 als de installatie gevoed wordt door andere gasvormige brandstoffen dan aardgas, en van 100 mg/Nm3 bij gasturbines of STEG’s in een warmte-krachttoepassing.


Art. 5.43.2.14.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000

≥ 0,3

12

-

250

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 1 januari 2000 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

12

150

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

12

100

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60%.

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 5.43.2.15.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt tot en met 31 december 2024 voor stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

SO2

NOx

CO

org. stoffen, uitgz. methaan

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000

≥ 0,3

 

500 × η/30 (2)

500

-

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3

 

190 × η/30 (3)

250 (5)

-

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2010

≥ 0,3 - 1

 

190 × η/30 (3)

250 (5)

60

> 1

 

190 (3)

250 (5)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 1

 

190 × η/30 (3)

250 (5)

60

> 1 - 5

 

190 (3)

250 (5)

60

≥ 5

 

95 (3)

250 (5)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

 

190 (3)

250 (5)

60

> 1 - 5

 

95 (3) (4)

250 (5)

60

≥ 5

 

95 (3)

250 (5)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 5

15 (1)

95 (3) (4)

250 (5)

60

≥ 5

15 (1)

35 (3)

250 (5)

60

η = nominaal motorrendement

(1) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 40 mg/Nm3.

(2) In afwijking van die emissiegrenswaarde is voor gasmotoren waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1993, geen NOX-emissiegrenswaarde van toepassing tot en met 31 december 2018. Voor gasmotoren waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1993 maar vóór 1 januari 2000, geldt in geval van voeding met biogas een emissiegrenswaarde voor NOX van 1000 x η/30 mg/Nm3.

(3) Voor dualfuelmotoren worden die emissiegrenswaarden voor NOX vermenigvuldigd met een factor 2.

(4) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 190 mg/Nm3.

(5) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor CO van 500 mg/Nm3.

 

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 voor stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

SO2

NOx

CO

org. stoffen, uitgz. methaan

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000

≥ 0,3 - 5

 

500 × η/30 (3)

500

-

> 5

15 (1)

190 (4)

250 (6)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2005

≥ 0,3 - 5

 

190 × η/30 (4)

250 (6)

-

> 5

15 (1)

190 (4)

250 (6)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2005 en vóór 1 januari 2010

≥ 0,3 - 1

 

190 × η/30 (4)

250 (6)

60

> 1

15 (1)

190 (4)

250 (6)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 1

 

190 × η/30 (4)

250 (6)

60

> 1 - 5

 

190 (4)

250 (6)

60

> 5

15 (1)

95 (4)

250 (6)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

 

190 (4)

250 (6)

60

> 1 - 5

 

95 (4) (5)

250 (6)

60

> 5

15 (1)

95 (4)

250 (6)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 5

15 (2)

95 (4) (5)

250 (6)

60

> 5

15 (2)

35 (4)

250 (6)

60

η = nominaal motorrendement

(1) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 60 mg/Nm3.

(2) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 40 mg/Nm3.

(3) Voor gasmotoren waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1993 maar voor 1 januari 2000, geldt in geval van voeding met biogas een emissiegrenswaarde voor NOX van 1000 x η/30 mg/Nm3.

(4) Voor dualfuelmotoren worden die emissiegrenswaarden voor NOX vermenigvuldigd met een factor 2.

(5) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 190 mg/Nm3.

(6) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor CO van 500 mg/Nm3.

 

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt vanaf 1 januari 2030 voor stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

SO2

NOx

CO

org. stoffen, uitgz. methaan

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 0,3 - 1

 

190 × η/30 (3)

250 (5)

60

≥ 1

15 (1)

190 (3)

250 (5)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010 en vóór 1 januari 2014

≥ 0,3 - 1

 

190 × η/30 (3)

250 (5)

60

≥ 1 - 5

15 (1)

190 (3)

250 (5)

60

> 5

15 (1)

95 (3)

250 (5)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2014 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 1

 

190 (3)

250 (5)

60

≥ 1 - 5

15 (1)

95 (3) (4)

250 (5)

60

> 5

15 (1)

95 (3)

250 (5)

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3 - 5

15 (2)

95 (3) (4)

250 (5)

60

> 5

15 (2)

35 (3)

250 (5)

60

η = nominaal motorrendement

(1) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 60 mg/Nm3.

(2) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 40 mg/Nm3.

(3) Voor dualfuelmotoren worden die emissiegrenswaarden voor NOX vermenigvuldigd met een factor 2.

(4) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 190 mg/Nm3.

(5) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor CO van 500 mg/Nm3.


Art. 5.43.2.16.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt voor stationaire motoren, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrens-waarden in mg/Nm3

SO2

NOX

CO

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000

≥ 0,3

 

500 x η/30 (2)

500

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2000 en vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

 

190 x η/30 (3)

250 (5)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 0,3

15 (1)

95 (4)

250 (5)

η = nominaal motorrendement

(1) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 40 mg/Nm3.

(2) Voor gasmotoren waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1993, geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 3750 mg/Nm3. Voor gasmotoren waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 1993 maar vóór 1 januari 2000, geldt in geval van voeding met biogas een emissiegrenswaarde voor NOX van 1000 x η/30 mg/Nm3.

(3) Voor dualfuelmotoren worden die emissiegrenswaarden voor NOX vermenigvuldigd met een factor 2.

(4) In geval van voeding met andere brandstoffen dan aardgas en voor dualfuelmotoren in de gasmodus geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 190 mg/Nm3.

(5) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor CO van 500 mg/Nm3.

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 5.43.2.17.

De exploitant houdt de perioden voor het opstarten en stilleggen van de stookinstallaties zo kort mogelijk.


Art. 5.43.2.18.

§ 1.

Voor gemengde stookinstallaties die gelijktijdig met twee of meer brandstoffen worden gevoed, worden de emissiegrenswaarden als volgt vastgesteld:

door de relevante emissiegrenswaarde voor elke brandstof en elke verontreinigende stof die in de lucht geloosd is, te nemen in overeenkomst met het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van de installatie, vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16;
als voor de brandstof in kwestie geen emissiegrenswaarde kan worden vastgesteld conform punt 1°, wordt voor de polluent in kwestie ofwel de relevante algemene emissiegrenswaarde genomen, vermeld in bijlage 4.4.2, ofwel de relevante emissiegrenswaarde, vermeld in de omgevingsvergunning;
door de gewogen emissiegrenswaarden per brandstof te bepalen. Die waarden worden verkregen door de emissiegrenswaarden, vermeld in punt 1° en 2°, te vermenigvuldigen met de hoeveelheid warmte die elke brandstof levert, en dat product te delen door de warmte, geleverd door alle brandstoffen samen;
door de per brandstof gewogen emissiegrenswaarden bij elkaar op te tellen.

 

 

§ 2.

Voor een stookinstallatie die beurtelings met twee of meer brandstoffen wordt gevoed, zijn de relevante emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16, voor elke gebruikte brandstof van toepassing.


Art. 5.43.2.19.

Als de inrichting voor de zuivering van afgassen van een stookinstallatie is uitgevallen of defect is, is artikel 5.43.3.21 van toepassing. Als dat leidt tot een niet-naleving van de emissiegrenswaarden die bovendien een aanzienlijke achteruitgang van de plaatselijke luchtkwaliteit veroorzaakt, wordt de exploitatie van de stookinstallatie opgeschort totdat de vereisten weer worden nageleefd.


Art. 5.43.2.20.

De vergunningverlenende overheid kan voor een periode van ten hoogste zes maanden een afwijking toestaan van de verplichting om de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide bij stookinstallaties na te leven, vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16, waarin voor dat doel normaliter laagzwavelige brandstof wordt verstookt, als de exploitant wegens een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof ten gevolge van een ernstig tekort aan dergelijke brandstoffen niet in staat is de grenswaarden in acht te nemen.


Art. 5.43.2.21.

De vergunningverlenende overheid kan een afwijking toestaan van de verplichting om de emissiegrenswaarden na te leven, vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16, voor een stookinstallatie, vergund vóór 19 december 2017, die vóór 20 december 2018 in gebruik is genomen en die normaliter uitsluitend gasvormige brandstof gebruikt, maar die als gevolg van een plotselinge onderbreking in de gasvoorziening uitzonderlijk voor een korte periode een andere brandstof moet gebruiken en om die reden met afgaszuiveringsapparatuur zal moeten worden uitgerust. Een dergelijke afwijking wordt toegestaan voor ten hoogste tien dagen, tenzij de exploitant aantoont dat een langere periode gerechtvaardigd is.

 

De exploitant brengt de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, van elk afzonderlijk geval, vermeld in het eerste lid, op de hoogte zodra het zich voordoet.


Art. 5.43.2.22.

Afgassen uit stookinstallaties worden op een gecontroleerde wijze uitgestoten via een schoorsteen.

 

De minimale en maximale hoogte van de schoorsteen kan worden bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Voor middelgrote stookinstallaties wordt de minimale hoogte van de schoorsteen berekend conform het schoorsteenhoogteberekeningssysteem, vermeld in bijlage 4.4.1. De schoorsteen is zo gebouwd dat de metingen, vermeld in artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.28 en artikel 5.43.2.30, mogelijk zijn.


Art. 5.43.2.23.

De concentratie stof, SO2, NOX, CO, organische stoffen, HCl, HF, nikkel en vanadium in afgassen van elke stookinstallatie, als voor die polluenten emissiegrenswaarden voor de installatie in kwestie zijn bepaald als vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16, alsook het zuurstofgehalte, het waterdampgehalte, de temperatuur en de druk worden met de volgende frequentie gemeten, tijdens een periode van normale bedrijvigheid:




 
als de installaties 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn:
a) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 0,3 tot en met 1 MW: ten minste om de vijf jaar in geval van stook met vaste fossiele, vloeibare en gasvormige brandstoffen. Minstens jaarlijks in geval van stook met vaste biomassa;
b) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW tot en met 5 MW: ten minste om de twee jaar in geval van stook met vaste fossiele, vloeibare en gasvormige brandstoffen. Ten minste om de zes maanden in geval van stook met vaste biomassa;
c) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW: ten minste jaarlijks voor HCl, HF, nikkel en vanadium, ten minste om de drie maanden voor de andere parameters in geval van stook met vaste fossiele, vloeibare en gasvormige brandstoffen of andere vaste biomassa dan niet-verontreinigd behandeld houtafval, ten minste om de drie maanden in geval van stook met niet-verontreinigd behandeld houtafval voor NOx en SO2, en continu in geval van stook met niet-verontreinigd behandeld houtafval voor stof en CO;




 
als de installaties minder dan 500 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn:
a) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 0,3 tot 1 MW: ten minste om de vijf jaar;
b) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 tot en met 5 MW: ten minste om de vijf jaar of als 1500 bedrijfsuren zijn verstreken, afhankelijk van welke periode de kortste is;
c) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW tot en met 20 MW: ten minste om de twee jaar;
d) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW: ten minste om de twee jaar of als 500 bedrijfsuren zijn verstreken, afhankelijk van welke periode de kortste is.

 

De metingen, vermeld in het eerste lid, zijn niet vereist in de volgende gevallen:

voor SO2: als het gaat om stookinstallaties die in hoofdzaak gevoed worden met aardgas;
voor SO2: als het SO2-gehalte wordt berekend op basis van het zwavelgehalte van de brandstof als er geen ontzwavelingsuitrusting is;
voor SO2 van stookinstallaties die gevoed worden met uitsluitend houtachtige vaste biomassa: als de exploitant kan aantonen dat de SO2-emissies in geen geval hoger zijn dan de voorgeschreven emissiegrenswaarden;
voor stof, nikkel en vanadium: als het gaat om stookinstallaties die gevoed worden met gasvormige brandstoffen of gasolie.

 


Art. 5.43.2.24.

In geval van stook met vaste biomassa kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegestaan dat de frequentie van de periodieke metingen, vermeld in artikel 5.43.2.23, eerste lid, verlaagd wordt, op voorwaarde dat de exploitant aan de vergunningverlenende overheid kan bewijzen dat de emissies onder alle omstandigheden minder dan 50% bedragen van de vastgestelde emissiegrenswaarden. In dat geval geldt minimaal de meetfrequentie voor vaste fossiele, vloeibare en gasvormige brandstoffen, vermeld in artikel 5.43.2.23, eerste lid.


Art. 5.43.2.25.

In geval van stook met niet-verontreinigd behandeld houtafval kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegestaan dat in plaats van de continue metingen van stof en CO, vermeld in artikel 5.43.2.23, eerste lid, 1°, c), periodieke metingen worden verricht, ten minste om de zes maanden en gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden ten minste om de drie maanden, op voorwaarde dat de exploitant aan de vergunningverlenende overheid kan bewijzen dat de vastgestelde emissiegrenswaarden voor stof en CO in geen geval worden overschreden.


Art. 5.43.2.26.

Als in artikel 5.43.2.23, eerste lid, 1°, artikel 5.43.2.24 en 5.43.2.25 voor de parameters stof, SO2, NOx en CO een meetfrequentie wordt opgelegd van meer dan één keer per kalenderjaar, kan die met toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, maximaal dalen tot de basisfrequentie/4, met een minimum van één keer per jaar. 


Art. 5.43.2.27.

Met behoud van de toepassing van de meetverplichtingen van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.26 van dit besluit gelden specifiek voor stookinstallaties waarin vaste biomassa wordt verbrand, bijkomend de volgende verplichtingen:

de concentratie dioxinen en furanen in de afgassen wordt op initiatief en op kosten van de exploitant gemeten door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010, tijdens een periode van normale bedrijvigheid, waarbij de concentratie dioxinen en furanen wordt gemeten volgens de voorschriften van de norm NBN-EN1948 en waarbij de volgende meetfrequentie wordt nageleefd:

  a) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 5 MW: ten minste om de twee jaar in geval van stook met niet-verontreinigd behandeld houtafval; geen meetverplichting in geval van stook met andere vaste biomassa dan niet-verontreinigd behandeld houtafval;
  b) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW: ten minste één keer per jaar;
de concentratie zware metalen in de afgassen wordt tijdens een periode van normale bedrijvigheid met de volgende frequentie gemeten:
  a) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 5 MW: geen meetverplichting;
  b) voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW: ten minste om de zes maanden in geval van stook met niet-verontreinigd behandeld houtafval; geen meetverplichting in geval van stook met andere vaste biomassa dan niet-verontreinigd behandeld houtafval.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de frequentie van de periodieke metingen voor zware metalen en dioxinen en furanen, vermeld in het eerste lid, verlaagd wordt naar één keer per twee jaar, op voorwaarde dat de emissies als gevolg van verbranding of meeverbranding minder dan 50% bedragen dan de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.2.4. Dat wordt beoordeeld aan de hand van informatie over de samenstelling van de biomassa in kwestie en op basis van metingen van de emissies van de vermelde stoffen.


Art. 5.43.2.28.

Een eerste meting van de emissies wordt uitgevoerd binnen een periode van drie maanden na de ingebruikname van de installatie.


Art. 5.43.2.29.

Bij installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen, kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit tot en met 31 december 2024 worden toegestaan dat als alternatief voor de periodieke metingen, vermeld in artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.25 van dit besluit, andere methoden die goedgekeurd zijn door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010, of een erkende MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), 5), van het voormelde besluit, worden gebruikt om de emissies vast te stellen.

 

In afwijking van artikel 4.4.4.2, §2, derde lid, van dit besluit kan in de omgevingsvergunning voor de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegestaan dat als alternatief voor de periodieke metingen voor SO2, HCl, HF, nikkel en vanadium andere methoden die goedgekeurd zijn door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010, of een erkende MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), 5), van het voormelde besluit, worden gebruikt om de emissies vast te stellen.

 

Bij de toepassing van het eerste en tweede lid worden de CEN-normen gebruikt of, als er geen CEN-normen bestaan, de ISO-normen dan wel nationale of internationale normen die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.

 

Als er geen CEN- of ISO-normen bestaan, mogen metingen vervangen worden door berekeningen op basis van geregistreerde componenten of relevante parameters volgens een code van goede praktijk of door andere geschikte bepalingsmethoden volgens een code van goede praktijk.


Art. 5.43.2.30.

§ 1.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.25 en artikel 5.43.2.29 wordt de concentratie aan stikstofoxiden in de afgassen van een stookinstallatie bepaald door continue meting als ter bestrijding van de emissie van stikstofoxiden injectie van water of stoom, een inert materiaal dan wel ammoniak of ureum wordt toegepast.

 

De continue meetverplichting, vermeld in het eerste lid, mag vervangen worden door discontinue metingen conform artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.25 op voorwaarde dat een logboek wordt bijgehouden waarin de hoeveelheid geïnjecteerde stoom of water, de hoeveelheid toegepast inert materiaal of de hoeveelheid toegevoegde ammoniak of ureum gedurende een kalenderjaar wordt bijgehouden, en als de toepasselijke emissiegrenswaarde, vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16, niet wordt overschreden.

 

§ 2.

Als voor de bestrijding van de emissie van stof, NOx of SO2 nageschakelde zuiveringstechnieken worden gebruikt om aan de emissiegrenswaarden te voldoen, toont de exploitant op onbetwistbare wijze aan dat die nageschakelde zuiveringstechnieken operationeel zijn gedurende de werking van de stookinstallatie.


Art. 5.43.2.31.

Als de exploitant overgaat tot continue metingen, worden die uitgevoerd conform artikel 5.43.3.25, §1, en artikel 5.43.3.30.


Art. 5.43.2.32.

De meet- of berekeningsresultaten worden ter inzage van de toezichthouder gehouden.

 

De exploitant registreert, verwerkt en presenteert de resultaten, vermeld in het eerste lid, op zodanige wijze dat de toezichthouder kan nagaan of de vastgestelde voorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.


Art. 5.43.2.33.

Periodieke metingen zijn alleen vereist voor de periodes waarin de stookinstallatie effectief gebruikt wordt. De werking van de stookinstallatie wordt in dat geval geregistreerd.


Art. 5.43.2.34.

Bij stookinstallaties waarin verschillende brandstoffen worden gebruikt, wordt de monitoring van emissies uitgevoerd tijdens het stoken van de brandstof of het brandstofmengsel dat het hoogste emissieniveau zal opleveren en gedurende een periode onder normale bedrijfsomstandigheden.


Art. 5.43.2.35.

De bemonstering en analyse van de verontreinigende stoffen in kwestie en de metingen van procesparameters worden uitgevoerd conform artikel 4.4.4.2. Aanvullend wordt ook de code van goede praktijk toegepast.


Art. 5.43.2.36.

Voor stookinstallaties waarin biomassa wordt verbrand, gelden de volgende bijkomende verplichtingen:

de toezichthouder wordt vooraf op de hoogte gebracht van de datum en de uitvoerder van periodieke metingen. Als de meting niet uitgevoerd kan worden op het doorgegeven tijdstip, brengt de exploitant de toezichthouder daarvan uiterlijk 24 uur op voorhand op de hoogte;
voor continue metingen bezorgt de exploitant maandelijks het overzicht van de resultaten aan de toezichthouder. De resultaten van de metingen van dioxinen en furanen worden zo snel mogelijk bezorgd, bij voorkeur binnen een maand na de uitvoering van de metingen.

Art. 5.43.2.37.

De installatie voldoet aan de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16, als de resultaten van alle meetcycli of van andere methoden die conform artikel 5.43.2.29 zijn bepaald, de voorgeschreven emissiegrenswaarden niet overschrijden na verrekening van de nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5.


Art. 5.43.2.38.

Als het SO2-gehalte wordt berekend op basis van het zwavelgehalte van de brandstof, mag geen daggemiddelde de toepasselijke emissiegrenswaarde voor SO2, vermeld in artikel 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.16, overschrijden en mag geen uurgemiddelde hoger liggen dan het dubbele van de voormelde emissiegrenswaarde.


Art. 5.43.2.39.

Voor de evaluatie van de resultaten van de continue metingen zijn artikel 5.43.3.33 tot en met 5.43.3.36 van toepassing.


Art. 5.43.2.40.

Bij stookinstallaties waarvoor een kosten-batenanalyse uitgevoerd wordt, worden de opties toegepast waarvan de baten hoger zijn dan de kosten.

 

In afwijking van het eerste lid kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegestaan dat de opties waarvan de baten hoger zijn dan de kosten, niet toegepast worden. Dat is alleen toegestaan als de exploitant in de vergunningsaanvraag of in de vraag tot bijstelling van de vergunningsvoorwaarden aantoont dat daarvoor wettelijke, eigendomsrechtelijke of financiële redenen bestaan.

 

Als in de kosten-batenanalyse rekening wordt gehouden met potentiële warmte- of koudevraagpunten en de baten hoger zijn dan de kosten, is het voldoende dat voor de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallatie voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude.


Art. 5.43.2.41.

De exploitant van een of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer of een persoon die daartoe door de exploitant gemachtigd is, registreert de stookinstallaties met de instrumenten die daarvoor beschikbaar zullen worden gesteld door het Departement. De gegevens van stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW tot 50 MW worden uiterlijk op 19 december 2023 geregistreerd. De gegevens van stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW tot en met 5 MW worden uiterlijk op 19 december 2028 geregistreerd.

 

Bij een significante wijziging aan de stookinstallatie of de uitdienstneming ervan zal de exploitant of een persoon die daartoe door de exploitant gemachtigd is, dat aangeven in de instrumenten, vermeld in het eerste lid.

 

De exploitant van de ingedeelde inrichting die de gevraagde informatie al heeft ingediend samen met zijn digitale vergunningsaanvraag, is vrijgesteld van de verplichtingen, vermeld in het eerste en het tweede lid.


Art. 5.43.2.42.

§ 1.

De exploitant van een of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer houdt de volgende informatie ter beschikking van de toezichthouder:

de vergunning en het bewijs van registratie en, als dat relevant is, de bijgewerkte versie en gerelateerde informatie;
de monitoringresultaten en -informatie, vermeld in artikel 5.43.2.23 tot en met artikel 5.43.2.36;
bij installaties met minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar: een verslag over het aantal bedrijfsuren;
een overzicht van de soort en de hoeveelheid brandstoffen die in de installatie gebruikt zijn, en van eventuele storingen of het uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur;
een overzicht van de gevallen van niet-naleving en de getroffen maatregelen, vermeld in artikel 4.1.12.1.

 

De gegevens en informatie, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 5°, worden ten minste zes jaar lang bewaard.

 

§ 2.

De exploitant stelt de gegevens en de informatie, vermeld in paragraaf 1, zonder onnodige vertraging op verzoek ter beschikking aan de toezichthouder.


Subafdeling 5.43.2.1.
Grote stookinstallaties


Art. 5.43.2.1.1. [...]

Art. 5.43.2.1.2. [...]

Art. 5.43.2.1.3.

[...]

 

§ 7.

De meet- of berekeningsresultaten moeten ter inzage van de toezichthouders worden gehouden.


Art. 5.43.2.1.4. [...]

Art. 5.43.2.1.5. [...]

Art. 5.43.2.1.6. [...]

Subafdeling 5.43.2.2.
Middelgrote stookinstallaties


Art. 5.43.2.2.1. [...]

Art. 5.43.2.2.2. [...]

Art. 5.43.2.2.3.

[...]

 

§ 4.

De meet- of berekeningsresultaten moeten ter inzage van de toezichthouders worden gehouden.


Art. 5.43.2.2.4. [...]

Art. 5.43.2.2.5. [...]

Art. 5.43.2.2.6. [...]

Subafdeling 5.43.2.3.
Kleine stookinstallaties


Art. 5.43.2.3.1. [...]

Art. 5.43.2.3.2. [...]

Art. 5.43.2.3.3.

[...]

 

§ 4.

De resultaten van de bovengenoemde emissiemetingen moeten ter inzage van de toezichthouders worden gehouden.


Art. 5.43.2.3.4. [...]

Afdeling 5.43.3.
Grote stookinstallaties


Art. 5.43.3.1.

Deze afdeling geldt voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer. Deze afdeling geldt ook voor een samenstel van stookinstallaties, conform het tweede tot en met het vierde lid, met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer.

 

Als de afgassen van twee of meer afzonderlijke stookinstallaties via een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten, wordt het samenstel van die installaties voor de toepassing van deze afdeling als één stookinstallatie aangemerkt en wordt hun capaciteit samengeteld voor de berekening van het totale nominaal thermisch ingangsvermogen. In dat geval zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in deze afdeling, van toepassing op de gemeenschappelijke schoorsteen in relatie tot het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie die als één geheel aangemerkt is.

 

Als twee of meer afzonderlijke stookinstallaties waarvoor voor het eerst een vergunning is verleend op of na 1 juli 1987 of waarvoor de exploitanten op of na die datum een volledige aanvraag van een vergunning hebben ingediend, zo worden geïnstalleerd dat de afgassen ervan naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid, met inachtneming van technische en economische omstandigheden, via één gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden uitgestoten, wordt het samenstel van die installaties voor de toepassing van deze afdeling als één stookinstallatie aangemerkt en wordt hun capaciteit samengeteld voor de berekening van het totale nominaal thermisch ingangsvermogen. In dat geval zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in deze afdeling, van toepassing op de gemeenschappelijke schoorsteen in relatie tot het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie die als één geheel aangemerkt is.

 

Voor de berekening van het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een samenstel van stookinstallaties als vermeld in het tweede en het derde lid, worden afzonderlijke stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW buiten beschouwing gelaten.


Art. 5.43.3.2.

Voor de afgassen afkomstig van grote stookinstallaties gelden de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, waarbij NOx wordt uitgedrukt als NO2 en organische stoffen worden uitgedrukt als totaal organische koolstof en waarbij HCl betrekking heeft op alle anorganische gasvormige chlorideverbindingen, uitgedrukt als HCl, HF betrekking heeft op alle anorganische gasvormige fluorideverbindingen, uitgedrukt als HF, nikkel betrekking heeft op de som van nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt als nikkel, lood betrekking heeft op lood en zijn verbindingen, uitgedrukt als lood en vanadium betrekking heeft op vanadium en zijn verbindingen, uitgedrukt als vanadium.

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, zijn gedefinieerd bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van:

6% voor vaste brandstoffen;
3% voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren die vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruiken. Dierlijke vetten worden als vloeibare brandstoffen beschouwd;
15% voor gasturbines, al dan niet met bijstook, en stationaire motoren.

 


Art. 5.43.3.3.

Bij voeding met steenkool, turf en andere vaste fossiele brandstoffen geldt voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, het volgende:xx

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

HCl

HF

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen

≥ 50 - 100

30

300

300

250

100

30

> 100 - 300

20

250

200

250

100

30

> 300

10

100

150

250

30

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 27 november 2002 of die na 27 november 2003 in gebruik zijn genomen, en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 50 - 100

25

200

150

200

30

5

> 100 - 300

15

200

150

200

30

5

> 300

10

100

150

200

30

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010 en vóór 7 januari 2013, of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, als ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50 - 100

20

200

150

200

30

5

> 100 - 300

15

150

100

200

30

5

> 300 (1)

10

100

100

200

30

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50 - 100

10

200

100 (2)

100

30

5

> 100 - 300

10

100

100

100

30

5

> 300

5

50

55

100

30

5

(1) Voor die installaties gelden ook de volgende emissiegrenswaarden als kalenderjaargemiddelden: 6 mg/Nm3 voor stof, 60 mg/Nm3 voor SO2 en 60 mg/Nm3 voor NOX.

(2) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 150 mg/Nm3.


Art. 5.43.3.4.

Bij voeding met vaste biomassa geldt voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, het volgende:xx

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

dioxinen en furanen

(in ng TEQ/Nm3) (2)

zware metalen (4)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen

≥ 50 - 100

30

200

300

250

0,15

(3)

> 100 - 300

20

200

250

250

0,15

(3)

> 300

10

100

150

250

0,15

(3)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 27 november 2002 of die na 27 november 2003 in gebruik zijn genomen, en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 50 - 100

25

200

300

200

0,15

(3)

> 100 - 300

15

200

250

200

0,15

(3)

> 300

10

100

150

200

0,15

(3)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010 en vóór 7 januari 2013, of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, als ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50 - 100

20

200 

225

200

0,15

(3)

> 100 - 300

15

150

150

200

0,15

(3)

> 300

10

75

100 (1)

200

0,15

(3)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50 - 100

10

200

150

200

0,15

(3)

> 100 - 300

10

150

150

200

0,15

(3)

> 300

5

50

55

200

0,15

(3)

(1) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 MW tot 800 MW geldt ook een emissiegrenswaarde van 90 mg/Nm3 voor NOX als kalenderjaargemiddelde.

Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 800 MW geldt ook een emissiegrenswaarde van 60 mg/Nm3 voor NOX als kalenderjaargemiddelde.

(2) De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’. Bij de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt de 0,15 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

(3) Voor installaties, gevoed met niet-verontreinigd behandeld houtafval, gelden de volgende emissiegrenswaarden:

voor de som van cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als cadmium (Cd), en thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als thallium (Tl): 0,075 mg/Nm3;
voor kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg): 0,075 mg/Nm3;
voor de som van antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als antimoon (Sb), arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als arseen (As), lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb), chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr), kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co), koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu), mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als mangaan (Mn), nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni), vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als vanadium (V), tin en tinverbindingen, uitgedrukt als tin (Sn): 0,75 mg/Nm3;

(4) Gemiddelde waarden over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur.


Art. 5.43.3.5.

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

nikkel

vanadium

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen

≥ 50 - 100

30

300

300

175

3

5

> 100 - 300

20

250

200 (1)

175

3

5

> 300

10

100

150

175

1

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 27 november 2002 of die na 27 november 2003 in gebruik zijn genomen, en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 50 - 100

30

300

150

175

3

5

> 100 - 300

15

200

150

175

1

5

> 300

10

100

150

175

1

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010 en vóór 7 januari 2013, of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, als ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50 - 100

20

200

 

150

175

3

5

 > 100 - 300

15

 150

100

 175

1

5

> 300 (2)

10

100

100

175

1

5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50 - 100

10

200

150

100

1

5

> 100 - 300 

10 

100 (3)

100

100

1

5

> 300

5

50

55

100

1

5

(1) Bij voeding met niet-commerciële brandstof geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 300 mg/Nm3.

(2) Voor die installaties gelden ook de volgende emissiegrenswaarden als kalenderjaargemiddelden: 6 mg/Nm3 voor stof, 60 mg/Nm3 voor SO2 en 60 mg/Nm3 voor NOX.

(3) Bij voeding met niet-commerciële brandstof geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 150 mg/Nm3.

 

Bij voeding met andere dierlijke vetten dan afvalstoffen geldt voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

organische stoffen

HCl

HF

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 50

15

80

325

80

15

15

1,5

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 19 december 2017 of die op of na 20 december 2018 in dienst zijn genomen

≥ 50 - 100

10

80

150

80

15

15

1,5

> 100 - 300

10

80

100

80

15

15

1,5

> 300

5

50

55

80

15

15

1,5


Art. 5.43.3.6.

Bij voeding met vloeibare brandstoffen geldt voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

 stof

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen

≥ 50

 50

60

90

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 27 november 2002 of die na 27 november 2003 in gebruik zijn genomen, en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 50

30

60

90

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010 en vóór 7 januari 2013, of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, als ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50

30

60

75

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50

10 (2)

60

50

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60%.

(2) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 30 mg/Nm3.


Art. 5.43.3.7.

Bij voeding met vloeibare brandstoffen geldt voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000

≥ 50

 50

60

200 (2)

250

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2000

≥ 50 -100

 50

60

150

100

≥ 100

 50

60

120

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60%.

(2) Voor gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties die minder dan 150 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 400 mg/Nm³.

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.

 


Art. 5.43.3.8.

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt voor stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO


  1. stoffen 

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 50

125

60 (1)

190

250

-

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010

≥ 50

10 (2)

60

95 (3)

250

60

(1) Bij voeding met zware stookolie is die emissiegrenswaarde voor SO2 niet van toepassing. Het maximaal toegelaten S-gehalte in zware stookolie bedraagt 1,00 % (in massa-%).

(2) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen, alsook bij voeding met gasolie geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm3.

(3) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 130 mg/Nm3.

 

Bij voeding met andere dierlijke vetten dan afvalstoffen geldt voor stationaire motoren het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

organische stoffen

HCl

HF

Alle installaties

≥ 50

5

30

110

30

5

5

0,5

 


Art. 5.43.3.9.

Bij voeding met andere vloeibare brandstoffen dan dierlijke vetten geldt voor stationaire motoren, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO


  1. stoffen 

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 50

125

60 (1)

750 (2)

250

-

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010

≥ 50

20

60 (1)

190 (3) (4)

250

-

(1) Bij voeding met zware stookolie is die emissiegrenswaarde voor SO2 niet van toepassing. Het maximaal toegelaten S-gehalte in zware stookolie bedraagt 1,00 % (in massa-%).

(2) Voor dieselmotoren die minder dan 250 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 1850 mg/Nm3.

(3) Voor dualfuelmotoren geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 225 mg/Nm3.

(4) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 750 mg/Nm3.

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 5.43.3.10.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren het volgende:

type inrichting

type gas/totaal nominaal thermisch ingangsvermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

stof

SO2

NOX

CO

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen

aardgas

5

35

100

100

vloeibaar gemaakt gas

5

5

200 (1)

100 (2)

cokesovengas

5

400

200 (1)

100 (2)

hoogovengas

10

200

200 (1)

100 (2)

industriegas uit ijzer- en staalindustrie

30

35

200 (1)

100 (2)

andere gassen (inclusief biogas)

5

35

200 (1)

100 (2)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 27 november 2002 of die na 7 november 2003 in gebruik zijn genomen, en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

aardgas

5

35

100

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 50 - 300 MW

5

5

200

100

vloeibaar gemaakt gas > 300 MW

5

5

120

100

cokesovengas ≥ 50 - 300 MW

5

400

200

100

cokesovengas > 300 MW

5

200

120

100

hoogovengas ≥ 50 - 300 MW

10

200

200

100

hoogovengas > 300 MW

10

200

120

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 50 - 300 MW

30

35

200

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie > 300 MW

30

35

120

100

andere gassen (inclusief biogas) ≥ 50 - 300 MW

5

35

200

100

andere gassen (inclusief biogas) > 300 MW

5

35

120

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010 en vóór 7 januari 2013, of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, als ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

aardgas ≥ 50 - 100 MW

5

35

100

100

aardgas > 100 - 300 MW

5

35

80

100

aardgas > 300 MW

5

35

80 (4)

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 50 - 100 MW

5

5

150

100

vloeibaar gemaakt gas > 100 - 300 MW

5

 5

100

100

vloeibaar gemaakt gas > 300 MW

5

5

100 (4)

100

cokesovengas ≥ 50 - 100 MW

5

400

150

100

cokesovengas > 100 - 300 MW

5

150

100

100

cokesovengas > 300 MW

5

100 (3)

100 (4)

100

hoogovengas ≥ 50 - 100 MW

10

200

150

100

hoogovengas > 100 - 300 MW

10

150

100

100

hoogovengas > 300 MW

10

100 (3)

100 (4)

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 50 - 100 MW

20

35

150

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie > 100 - 300 MW

15

35

100

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie > 300 MW

15

35

100 (4)

100

andere gassen (inclusief biogas) ≥ 50 - 100 MW

5

35

150

100

andere gassen (inclusief biogas) > 100 - 300 MW

5

35

100

100

andere gassen (inclusief biogas) > 300 MW

5

35

100 (4)

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

aardgas ≥ 50 - 100 MW

5

35

80 (5)

100

aardgas > 100 - 300 MW

5

35

80

100

aardgas > 300 MW

 5

35

55

100

vloeibaar gemaakt gas ≥ 50 – 300 MW

5

5

100

100

vloeibaar gemaakt gas > 300 MW

5

5

55

100

cokesovengas ≥ 50 - 300 MW

5

150

100

100

cokesovengas > 300 MW

5

50

55

100

hoogovengas ≥ 50 - 300 MW

10

150

100

100

hoogovengas > 300 MW

10

50

55

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie ≥ 50 - 300 MW

15

35

100

100

industriegas uit ijzer- en staalindustrie > 300 MW

15

35

55

100

andere gassen (inclusief biogas) ≥ 50 - 300 MW

5

35

100

100

andere gassen (inclusief biogas) > 300MW

5

35

55

100

(1) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 300 MW waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 1996, geldt een emissiegrenswaarde voor NOX van 300 mg/Nm3.

(2) Voor installaties die vergund, gebouwd en in werking waren op 1 juli 1987, geldt een emissiegrenswaarde voor CO van 250 mg/Nm3.

(3 Voor die installaties geldt ook een emissiegrenswaarde voor SO2 van 60 mg/Nm3 als kalenderjaargemiddelde.

(4) Voor die installaties geldt ook een emissiegrenswaarde voor NOX van 60 mg/Nm3 als kalenderjaargemiddelde.

(5) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017, en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 100 mg/Nm3.


Art. 5.43.3.11.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen

≥ 50

12

50 (2) (3)

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 27 november 2002 of die na 27 november 2003 in gebruik zijn genomen, en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2010

≥ 50

12

50 (4)

100

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2010

≥ 50

12

50 (5)

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60 %. Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 27 november 2002, als ze uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik zijn genomen, geldt bij belading van de installatie beneden 60% een emissiegrenswaarde voor NOX van 200 mg/Nm3.

(2)

Voor NOX geldt een emissiegrenswaarde van 75 mg/Nm3 in de volgende gevallen:
  a) gasturbines die in een systeem met warmte-krachtkoppeling worden gebruikt met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 500 MW en met een totaal rendement van meer dan 75%;
  b) gasturbines voor mechanische aandrijving;
  c) bij voeding door andere gasvormige brandstoffen dan aardgas.
Voor NOX geldt een emissiegrenswaarde van 50 x η/35 mg/Nm3 voor singlecyclusgasturbines die niet onder een van de categorieën, vermeld in punt 1°, a), vallen, maar een efficiëntie hebben die hoger is dan 35% (bepaald bij ISO-basisbelastingsomstandigheden), waarbij η de in procenten uitgedrukte efficiëntie van de gasturbine is.

(3) Voor NOX geldt een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3 als de installatie niet meer dan 1500 bedrijfsuur per kalenderjaar in bedrijf is.

(4) Voor NOX geldt een emissiegrenswaarde van 75 mg/Nm3 als de installatie gevoed wordt door andere gasvormige brandstoffen dan aardgas.

(5) Voor die installaties geldt ook een kalenderjaargemiddelde van 45 x η/38 mg/Nm3 (met η = gasturbine-efficiëntie bij ISO-basisbelastingsomstandigheden).


Art. 5.43.3.12.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

SO2

NOX (1)

CO (1)

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000

≥ 50

12

150 (2)

250

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 1 januari 2000

≥ 50 - 100

12

100

100

≥ 100

12

75

100

(1) De emissiegrenswaarden voor NOX en CO worden vermenigvuldigd met een factor 2 bij belading van de installatie beneden 60%.

(2) Voor gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties die minder dan 150 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, is geen emissiegrenswaarde voor NOX van toepassing.

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 5.43.3.13.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt voor stationaire motoren, die 500 of meer bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:.

type inrichting

 

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

NOx

CO

org. stoffen, uitgez. methaan

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, als ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50

95

100

60

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen

≥ 50

35 (1)

100

60

(1) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 19 december 2017 en die vóór 20 december 2018 in dienst zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 75 mg/Nm3.


Art. 5.43.3.14.

Bij voeding met gasvormige brandstoffen geldt voor stationaire motoren, die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, het volgende:

type inrichting

totaal nominaal thermisch ingangs- vermogen in MW

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

NOX

CO

installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend op of na 1 januari 2000

≥ 50

95 (2)

250 (1)

(1) In geval van voeding met biogas geldt een emissiegrenswaarde voor CO van 500 mg/Nm3.

(2) Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend voor 19 december 2017 en die voor 20 december 2018 in dienst zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 190 x h/30 mg/Nm3, waarbij h het nominale motorrendement is.

 

De exploitant van de installaties, vermeld in dit artikel, registreert de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 5.43.3.15.

In afwijking van de geldende emissiegrenswaarden voor NOx en SO2, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, gelden voor stookinstallaties met een beperkte levensduur, waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 7 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, als ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen, voor NOx en SO2 de volgende emissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3:

 

SO2

NOx

bij gebruik van gasvormige brandstoffen

35

300

bij gebruik van vloeibare brandstoffen

300

300

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid, gelden alleen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:

de exploitant van de stookinstallatie heeft er zich in een schriftelijke verklaring die uiterlijk op 1 januari 2014 aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, is voorgelegd, toe verbonden om de installatie vanaf 1 januari 2016 en uiterlijk tot en met 31 december 2023 niet langer dan 17.500 bedrijfsuren in gebruik te nemen;
de exploitant deelt ieder jaar in zijn milieujaarverslag het aantal bedrijfsuren na 1 januari 2016 mee;
aan de stookinstallatie is geen afwijking verleend als vermeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 2001/80/EG.

 


Art. 5.43.3.16.

Voor gemengde stookinstallaties die gelijktijdig met twee of meer brandstoffen worden gevoed, worden de emissiegrenswaarden als volgt vastgesteld:

door de relevante emissiegrenswaarde voor elke brandstof en elke verontreinigende stof die in de lucht geloosd is, te nemen in overeenkomst met het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van de installatie, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14;
als voor de brandstof in kwestie geen emissiegrenswaarde kan worden vastgesteld conform punt 1°, wordt voor de polluent in kwestie ofwel de relevante algemene emissiegrenswaarde genomen, vermeld in bijlage 4.4.2, ofwel de relevante emissiegrenswaarde, zoals vastgesteld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
door de gewogen emissiegrenswaarden per brandstof te bepalen. Die waarden worden verkregen door de emissiegrenswaarden, vermeld in punt 1° en 2°, te vermenigvuldigen met de hoeveelheid warmte die elke brandstof levert, en dat product te delen door de warmte, geleverd door alle brandstoffen samen;
door de per brandstof gewogen emissiegrenswaarden bij elkaar op te tellen.

 

Voor een installatie die beurtelings met twee of meer brandstoffen wordt gevoed, zijn de relevante emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, van toepassing voor elke gebruikte brandstof.


Art. 5.43.3.17.

Bij uitbreiding van een stookinstallatie worden de emissiegrenswaarden, vastgesteld voor het uitgebreide gedeelte van de installatie waarop de verandering betrekking heeft, gerelateerd aan het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van de hele stookinstallatie.

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, die gelden voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen, zijn van toepassing op het uitgebreide gedeelte van de installatie, vermeld in het eerste lid.


Art. 5.43.3.18.

Bij wijziging van een stookinstallatie die volgens de vergunningverlenende overheid gevolgen kan hebben voor mens of leefmilieu en die betrekking heeft op een gedeelte van een installatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, die gelden voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen, van toepassing op het gedeelte van de installatie dat is gewijzigd in relatie tot het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van de hele stookinstallatie.

 

De vergunningverlenende overheid doet daarover uitspraak in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Art. 5.43.3.19.

Voor stookinstallaties waarvoor een kosten-batenanalyse uitgevoerd wordt, worden de opties toegepast waarvan de baten hoger zijn dan de kosten.

 

In afwijking van het eerste lid kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegestaan dat de opties waarvan de baten hoger zijn dan de kosten, niet toegepast worden. Dat is alleen toegestaan als de exploitant in de vergunningsaanvraag of in de vraag tot bijstelling van de vergunningsvoorwaarden aantoont dat daarvoor wettelijke, eigendomsrechtelijke of financiële redenen bestaan.

 

Als in de kosten-batenanalyse rekening wordt gehouden met potentiële warmte- of koudevraagpunten en de baten hoger zijn dan de kosten, is het voldoende dat voor de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallatie voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude.


Art. 5.43.3.20.

Voor een nieuw te exploiteren stookinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer, of de verandering van stookinstallaties waarvoor de oorspronkelijke stedenbouwkundige vergunning of, bij gebrek aan een dergelijke procedure, een omgevingsvergunning of een omgevingsvergunning is verleend op of na 25 juni 2009, en die na verandering een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer hebben, maakt de exploitant een geschikte ruimte op de locatie van de installatie vrij om koolstofdioxide af te vangen en te comprimeren als voldaan is aan de volgende drie voorwaarden:

er zijn geschikte opslaglocaties voor de geologische opslag van koolstofdioxide voorhanden;
de bestaande faciliteiten voor het transport van koolstofdioxide zijn in technisch en economisch opzicht haalbaar;
de installatie is in technisch en economisch opzicht geschikt om voor koolstofdioxideafvang te worden aangepast.

 


Art. 5.43.3.21.

Als de inrichting voor de zuivering van afgassen van een stookinstallatie is uitgevallen of defect is en die zuiveringsinrichting niet binnen 24 uur weer normaal functioneert, legt de exploitant de stookinstallatie geheel of gedeeltelijk stil of houdt hij de stookinstallatie met een weinig vervuilende brandstof in werking.

 

In elk geval wordt de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, binnen 48 uur op de hoogte gebracht van de storing of het uitvallen van de vermelde inrichting.

 

De som van de perioden van werking zonder zuiveringsinrichting mag over een periode van twaalf maanden in geen geval meer bedragen dan 120 uur. De afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, kan uitzonderingen toestaan op de limieten van 24 uur en 120 uur in de volgende twee gevallen:

het is naar haar oordeel absoluut noodzakelijk om de energievoorziening in stand te houden;
de installatie met de uitgevallen inrichting zal anders voor een beperkte tijd vervangen worden door een installatie die, over het geheel genomen, een hogere emissie veroorzaakt.

Art. 5.43.3.22.

De vergunningverlenende overheid kan voor een periode van ten hoogstens zes maanden een afwijking toestaan van de verplichting tot het naleven van de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide bij stookinstallaties, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, waar voor dat doel normaliter laagzwavelige brandstof wordt verstookt, als de exploitant wegens een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof ten gevolge van een ernstig tekort aan dergelijke brandstoffen niet in staat is de emissiegrenswaarden in acht te nemen.


Art. 5.43.3.23.

De vergunningverlenende overheid kan een afwijking toestaan van de verplichting tot het naleven van de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, voor een stookinstallatie die uitsluitend gasvormige brandstof gebruikt, maar die als gevolg van een plotselinge onderbreking in de gasvoorziening uitzonderlijk een andere brandstof gebruikt en om die reden met afgaszuiveringsapparatuur moet worden uitgerust.

 

De afwijking, vermeld in het eerste lid, geldt voor maximaal tien dagen, tenzij er een absolute noodzaak bestaat om de energievoorziening in stand te houden. De exploitant brengt de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, van elk afzonderlijk geval op de hoogte zodra het zich voordoet.


Art. 5.43.3.24.

§ 1.

Afgassen uit stookinstallaties worden op een gecontroleerde wijze uitgestoten via een schoorsteen die een of meer afgasstromen afvoert, waarvan de hoogte zo wordt berekend dat er geen gevaar bestaat voor de menselijke gezondheid of het leefmilieu.

 

De minimale en maximale hoogte van de schoorsteen kan worden bepaald in de omgevingsvergunning.

 

De minimumhoogte van de schoorsteen wordt berekend conform het schoorsteenhoogteberekeningssysteem, vermeld in bijlage 4.4.1.

 

§ 2.

De schoorsteen is zo gebouwd dat de metingen, vermeld in artikel 5.43.3.25 tot en met 5.43.3.28, mogelijk zijn.

 

Ze wordt uitgerust met meetopeningen, die worden uitgevoerd overeenkomstig een code van goede praktijk, met het oog op de uitvoering van controlemetingen in alle veiligheid.


Art. 5.43.3.25.

§ 1.

De concentratie stof, SO2, NOX, en CO in afgassen van elke stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 100 MW of meer wordt continu gemeten.

 

Bij de continue metingen, vermeld in het eerste lid, worden ook de betrokken procesparameters, namelijk zuurstofgehalte, waterdampgehalte, temperatuur en druk, continu gemeten.

 

De continue meting van het waterdampgehalte in de afgassen is niet nodig als het monster van het afgas gedroogd wordt voor de emissies geanalyseerd worden.

 

§ 2.

De continue metingen, vermeld in paragraaf 1, zijn niet vereist in de volgende gevallen:

voor SO2 en stof van stookinstallaties die gestookt worden met aardgas;
voor SO2 van stookinstallaties die gestookt worden met olie waarvan het zwavelgehalte bekend is, als er geen ontzwavelingsuitrusting is;
voor SO2 van stookinstallaties die gestookt worden met biomassa als de exploitant kan aantonen dat de SO2-emissies in geen geval hoger zijn dan de voorgeschreven emissiegrenswaarden.

 

 

§ 3.

In de gevallen, vermeld in paragraaf 2, en voor stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 100 MW worden de concentratie van stof, SO2, NOX en CO in de afgassen, alsook het zuurstofgehalte, het waterdampgehalte, de temperatuur en de druk ten minste om de drie maanden gemeten tijdens een periode van normale bedrijvigheid.

 

Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, kan de meetfrequentie voor CO bij met gas gestookte installaties en voor SO2, NOx en stof maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden.

 

De periodieke metingen, vermeld in het eerste lid, zijn niet vereist in de volgende gevallen:

voor SO2 en stof van gasturbines en gasmotoren die gestookt worden met aardgas;
voor gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn.

 

§ 4.

De concentratie organische stoffen in de afgassen van elke stookinstallatie wordt, als voor de polluent emissiegrenswaarden zijn vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, ten minste om de drie maanden gemeten tijdens een periode van normale bedrijvigheid.

 

§ 5.

De concentratie HCl, HF, nikkel en vanadium in de afgassen van elke stookinstallatie wordt, als voor de polluent emissiegrenswaarden zijn vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, ten minste jaarlijks gemeten tijdens een periode van normale bedrijvigheid.

 

De metingen, vermeld in het eerste lid, zijn niet vereist voor nikkel en vanadium als het gaat om stookinstallaties gevoed met gasolie.

 

§ 6.

In afwijking van artikel 4.4.4.2, §2, derde lid, van dit besluit kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegestaan dat als alternatief voor de periodieke metingen van SO2, NOX, nikkel en vanadium andere methoden, goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010, of door een erkende MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), 5), van het voormelde besluit, worden gebruikt om de emissies vast te stellen.

 

Daarbij worden de CEN-normen toegepast of, als er geen CEN-normen bestaan, de ISO-normen, dan wel nationale of internationale normen die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 5.43.3.26.

§ 1.

Voor stookinstallaties waarin vaste biomassa wordt verbrand, wordt de concentratie dioxinen en furanen op initiatief en op kosten van de exploitant:

ten minste één keer per jaar gemeten door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010, tijdens een periode van normale bedrijvigheid;
op continue wijze bemonsterd met ten minste tweewekelijkse analyses door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het voormelde besluit.

 

De concentratie dioxinen en furanen wordt voor de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, gemeten volgens de voorschriften van de norm NBN-EN1948.

 

De analysefrequentie van de monsters kan worden verminderd conform het schema, vermeld in bijlage 5.2.3bis.1.

 

§ 2.

De vergunningverlenende overheid kan op verzoek van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthouder toestaan dat er geen continue bemonstering van dioxinen en furanen wordt uitgevoerd.

 

§ 3.

Voor stookinstallaties waarin niet-verontreinigd behandeld houtafval wordt verbrand, wordt de concentratie zware metalen ten minste zesmaandelijks gemeten tijdens een periode van normale bedrijvigheid.

 

§ 4.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de frequentie van de periodieke metingen voor zware metalen, vermeld in paragraaf 3, verlaagd wordt naar één keer om de twee jaar, op voorwaarde dat de emissies als gevolg van verbranding of meeverbranding minder dan 50% bedragen van de conform artikel 5.43.3.4 vastgestelde emissiegrenswaarden. Dat wordt beoordeeld aan de hand van informatie over de samenstelling van de biomassa in kwestie en op basis van metingen van de emissies van de vermelde stoffen.


Art. 5.43.3.27.

Als de exploitant voor de stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 100 MW overgaat tot continue metingen, worden die uitgevoerd conform artikel 5.43.3.25.


Art. 5.43.3.28.

Voor met steenkool of bruinkool gestookte installaties wordt de totale kwikuitstoot ten minste één keer per jaar gemeten. De toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, laat niet toe van die frequentie af te wijken.


Art. 5.43.3.29.

De bemonstering en analyse van de verontreinigende stoffen in kwestie en de metingen van procesparameters, alsook de referentiemeetmethoden om de geautomatiseerde meetsystemen te ijken, worden uitgevoerd volgens de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2, of, als er geen meetmethoden zijn vermeld, volgens de CEN-normen.

 

Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, dan wel nationale of andere internationale normen toegepast, die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. Aanvullend wordt ook de code van goede praktijk toegepast.


Art. 5.43.3.30.

§ 1.

De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen wordt uitgevoerd volgens de CEN-normen. Aanvullend op de CEN-normen wordt ook de code van goede praktijk toegepast. De geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden gecontroleerd en worden ten minste om de drie jaar gekalibreerd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010.

 

De toestellen voor continue dioxinebemonstering worden ten minste om de drie jaar gekeurd volgens een code van goede praktijk.

 

§ 2.

De exploitant brengt de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, op de hoogte van de resultaten van de controle van de geautomatiseerde meetsystemen.


Art. 5.43.3.31.

De meet- of berekeningsresultaten worden ter inzage van de toezichthouder gehouden.

 

De exploitant registreert, verwerkt en presenteert die resultaten op zodanige wijze dat de toezichthouder kan controleren of de exploitatievoorwaarden en de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in de vergunning, worden nageleefd.

 

Voor continue metingen, uitgevoerd op stookinstallaties waarin biomassa wordt verbrand, bezorgt de exploitant maandelijks het overzicht van de resultaten aan de toezichthouder.

 

De resultaten van de metingen van dioxinen en furanen worden zo snel mogelijk bezorgd, bij voorkeur binnen een maand na de uitvoering van de metingen.


Art. 5.43.3.32.

Voor stookinstallaties waarin biomassa wordt verbrand, wordt de toezichthouder vooraf op de hoogte gebracht van de datum en de uitvoerder van de periodieke metingen.


Art. 5.43.3.33.

Voor installaties waarvoor de eerste vergunning is verleend vóór 7 januari 2013 of de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013 en de installatie uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik is genomen, geldt dat de installatie voldoet aan de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, als uit de evaluatie van de resultaten van de continue metingen voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar het volgende blijkt:

geen gevalideerd maandgemiddelde is hoger dan de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14;
geen gevalideerd daggemiddelde is hoger dan 110% van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14;
voor stookinstallaties die uitsluitend uit met steenkool gestookte ketels bestaan met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 50 MW, is geen gevalideerd daggemiddelde hoger dan 150% van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14;
95% van alle gevalideerde uurgemiddelden in één jaar is niet hoger dan het dubbele van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14.

Art. 5.43.3.34.

Voor installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen, geldt dat de installatie voldoet aan de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, als uit de evaluatie van de resultaten van de continue metingen voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar het volgende blijkt:

geen gevalideerd maandgemiddelde is hoger dan de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14;
voor CO is geen gevalideerd daggemiddelde hoger dan 110% van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14;
voor CO is 95% van alle gevalideerde uurgemiddelden in één jaar niet hoger dan het dubbele van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14;
voor NOx, SO2 en stof van andere installaties dan gasturbines en stationaire motoren met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 300 MW is geen gevalideerd daggemiddelde hoger dan 150% van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3, 5.43.3.4, 5.43.3.5 en 5.43.3.10;
voor NOx, SO2 en stof van installaties die geen NOx, SO2 en stof van installaties als vermeld in punt 4°, zijn, is geen gevalideerd daggemiddelde hoger dan 110% van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14;
voor NOx, SO2 en stof van andere installaties dan gasturbines en stationaire motoren met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 300 MW is 95% van alle gevalideerde uurgemiddelden in één jaar niet hoger dan 300% van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3, 5.43.3.4, 5.43.3.5 en 5.43.3.10;
voor NOx, SO2 en stof van installaties die geen NOx, SO2 en stof van installaties als vermeld in punt 6°, zijn, is 95% van alle gevalideerde uurgemiddelden in één jaar niet hoger dan het dubbele van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14;
voor stookinstallaties die uitsluitend uit met steenkool gestookte ketels bestaan met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 50 MW, is geen gevalideerd daggemiddelde hoger dan 150% van de toepasselijke emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3.

 


Art. 5.43.3.35.

De gevalideerde gemiddelden, vermeld in artikel 5.43.3.33 en 5.43.3.34, worden vastgesteld op grond van de gemeten geldige uurgemiddelden, na aftrek van de waarde van het betrouwbaarheidsinterval, vermeld in artikel 5.43.3.36.


Art. 5.43.3.36.

§ 1.

Op het niveau van de emissiegrenswaarde mogen de waarden van de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van een individuele meting de volgende percentages van de emissiegrenswaarden niet overschrijden:

voor SO2: 20%;
voor NOx: 20%;
voor stof: 30%;
voor CO: 10%.

 

Een dag waarvan meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn wegens storing of onderhoud van het geautomatiseerde meetsysteem wordt ongeldig verklaard.

 

Als per kalenderjaar meer dan tien dagen ongeldig worden verklaard, treft de exploitant passende maatregelen om de betrouwbaarheid van het geautomatiseerde meetsysteem te verbeteren.

 

§ 2.

Bij de berekening van de gemiddelde emissiewaarden worden de waarden die zijn gemeten in de periodes, vermeld in artikel 5.43.3.21 tot en met 5.43.3.23, en de periodes van opstarten en stilleggen, zoals vastgesteld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, buiten beschouwing gelaten.


Art. 5.43.3.37.

Als continue metingen niet zijn vereist, voldoet de installatie aan de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, als de resultaten van alle meetcycli of van andere methoden, die conform artikel 5.43.3.25 zijn bepaald, de voorgeschreven emissiegrenswaarden niet overschrijden na verrekening van de nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5.


Art. 5.43.3.38.

Als het meetresultaat van de continue bemonstering van dioxinen en furanen de drempelwaarde van 0,15 ng TEQ/Nm3 overschrijdt, gelden al de volgende verplichtingen voor de exploitant:

hij brengt de toezichthouder onmiddellijk op de hoogte;
hij neemt onmiddellijk de nodige maatregelen om de dioxine-emissie te verlagen;
hij laat zo snel mogelijk een meting uitvoeren over een bemonsteringsperiode van minimaal zes en maximaal acht uur volgens de norm NBN-EN 1948.

 

De toezichthouder wordt van de genomen maatregelen, vermeld in het eerste lid, zo snel mogelijk op de hoogte gebracht met een verslag. Hij kan zo nodig aanvullende puntmetingen opleggen.”.


Afdeling 5.43.4.
Immissiecontroleprocedures


Art. 5.43.4.1.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.4 treft de exploitant van een stookinstallatie, ingedeeld in klasse 1, telkens als de weersomstandigheden, onder meer afhankelijk van de vestigingsplaats, ongunstig blijken te zijn voor een goede verspreiding van de verbrandingsgassen, alle nodige schikkingen om de emissies van SO2 alsmede van NOX van die installatie zoveel mogelijk te beperken.


Art. 5.43.4.2.

Iedere verandering van brandstof, van het zwavelgehalte van de vloeibare brandstof en van de uren van buitengebruikstelling, alsook iedere andere verandering die de toepasselijke emissiegrenswaarden beïnvloedt, wordt ingeschreven in een register, dat de exploitant ter beschikking houdt van de toezichthoudende overheid.

 

Bij beduidende veranderingen in de gebruikte brandstof of de wijze van functioneren van elke stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 100 MW of meer moet de toezichthouder daarvan op de hoogte worden gebracht.

 

De toezichthouder beslist of de bestaande monitoringsverplichtingen toereikend zijn dan wel aangepast moeten worden.


Art. 5.43.4.3.

Als het totaal geïnstalleerde nominaal thermisch ingangsvermogen in eenzelfde vestiging meer dan 300 MW bedraagt, worden in de omgeving van stookinstallaties toestellen voor het meten van de immissies van SO2 en NO2 in de lucht bij de grond door en op kosten van de exploitant geïnstalleerd en onderhouden. Het type, de meetplaats, de wijze van controle en de overige gebruiksvoorwaarden van die toestellen worden bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

Het meten van de immissies van SO2, vermeld in het eerste lid, is niet vereist indien de stookinstallaties gevoed worden met aardgas of andere zeer zwavelarme brandstoffen, alsmede met gasolie als noodbrandstof.


Art. 5.43.4.4.

Met behoud van de toepassing van artikel 5.43.4.1 neemt de exploitant de schikkingen, vermeld in artikel 5.43.4.1, in een van de volgende gevallen :

het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde van SO2 in de omgevingslucht, gemeten met de meetposten, vermeld in artikel 5.43.4.3, bedraagt meer dan 125 μg/m3;
het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde van NO2 in de omgevingslucht, gemeten met de meetposten, vermeld in artikel 5.43.4.3, bedraagt meer dan 150 μg/m3;
het gemeten glijdend uurgemiddelde van NO2 in de omgevingslucht, gemeten met de meetposten, vermeld in artikel 5.43.4.3, bedraagt meer dan 200 μg/m3.

 


Art. 5.43.4.5.

De schikkingen, vermeld in artikel 5.43.4.1, worden gehandhaafd zolang niet alle glijdende 24-uurgemiddelden van de waarden voor SO2 en NO2 die zijn gemeten in de meetposten, vermeld in artikel 5.43.4.3, lager liggen dan de waarden, vermeld in punt 1° en 2°, en, in voorkomend geval, tot minstens 24 uur na de laatste overschrijding van de uurgemiddelde waarde voor NO2, vermeld in punt 3°.