Deel 6.
MILIEUVOORWAARDEN VOOR NIET-INGEDEELDE INRICHTINGEN


Hoofdstuk 6.1.
TOEPASSINGSGEBIED VAN DE MILIEUVOORWAARDEN VOOR NIET-INGEDEELDE INRICHTINGEN


Art. 6.1.0.1. Deze voorwaarden zijn behoudens andersluidende bepaling van algemene toepassing. [...]

Art. 6.1.0.2.

De bepalingen van dit deel van dit besluit zijn getroffen in uitvoering van:

voor wat de bepalingen terzake de lozing van afvalwater betreft:
- artikel 3.1.2 en 3.2.2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018
voor wat de bepalingen terzake verwarmings- en koelinstallaties betreft:
- artikel 1 van de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging;
voor wat de bepalingen terzake bodem- en grondwaterverontreiniging (met name ondermeer stookolietanks) betreft:
- art. 3 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer
voor wat de bepalingen terzake geluidshinder betreft:
- art. 1 van de wet van 18 juli 1973 op de geluidshinder
voor wat de bepalingen terzake lichthinder betreft:
- art. 2 en 3 van de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende straling, infrasonen en ultrasonen
voor wat de bepalingen terzake asbestbeheersing betreft:
- artikel 3.1.2 en 3.2.2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 en art. 1 van de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging.
voor de bepalingen over elektromagnetische golven : artikel 3 van de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende straling, infrasonen en ultrasonen.

voor wat de bepalingen ter zake verbranding in open lucht betreft:

- artikel 1 van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging.
voor de bepalingen over de beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken:
- artikel 1 van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging.

Art. 6.1.0.3.

§ 1.

De overtreding van de bepalingen van dit deel worden opgespoord en bestraft overeenkomstig de wettelijke bepalingen zoals vermeld in art. 6.1.0.2.

 

§ 2.

[...]


Hoofdstuk 6.2.
BEHEERSING VAN OPPERVLAKTEWATERVERONTREINIGING


Afdeling 6.2.1.
Lozing van niet-verontreinigd hemelwater en/of bemalingswater, van huishoudelijk afvalwater afkomstig van woongelegenheden en van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een biologisch afbreekbare organische belasting van maximum 20 inwonersequivalenten in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan nog niet definitief is vastgesteld


Art. 6.2.1.1. [...]

Art. 6.2.1.2. [...]

Art. 6.2.1.3. [...]

Art. 6.2.1.4. [...]

Afdeling 6.2.2.
Lozing van niet-verontreinigd hemelwater en of bemalingswater, van huishoudelijk afvalwater afkomstig van woongelegenheden en van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van maximaal 600 m3/jaar in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld


Subafdeling 6.2.2.1.
Algemeen


Art. 6.2.2.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de lozing van :

huishoudelijk afvalwater afkomstig van woongelegenheden;
huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, waarvan het debiet maximaal 600 m3/jaar bedraagt;
niet-verontreinigd hemelwater;
4° niet-verontreinigd bemalingswater; alsook op de werking en het onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties. 
Deze bepalingen gelden voor lozingen in die gemeenten waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld.

 

§ 2.

Voor de lozingen van huishoudelijk afvalwater die niet zijn opgenomen in een van de zuiveringszones, die zijn aangeduid op de zoneringsplannen, gelden de lozingsvoorwaarden die in deze afdeling zijn vastgesteld voor de lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied, tenzij aansluiting mogelik is op het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied. In dit geval gelden de lozingsvoorwaarden die in deze afdeling zijn vastgesteld voor lozingen gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied.

 

§ 3.

De voorwaarden waaraan de lozing van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m3/jaar, zoals bedoeld in rubriek 3 van de indelingslijst, moet voldoen, zijn opgenomen in deel 4 van dit besluit.


Art. 6.2.2.1.2.

§ 1.

De lozing van huishoudelijk afvalwater in de gewone oppervlaktewateren of in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater is verboden wanneer de openbare weg van openbare riolering is voorzien met uitzondering van lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied. Voor woningen gelegen in het centrale gebied, collectief geoptimaliseerd buitengebied of collectief te optimaliseren buitengebied kan hiervan worden afgeweken als de afstand tussen de woongelegenheid of het lozingspunt en de openbare riolering meer dan 250 meter bedraagt, of als de aansluiting moet uitgevoerd worden via een of meerdere percelen van derden. Bij afwijking worden de lozingsvoorwaarden voor lozingen in het individueel te optimaliseren buitengebied, vermeld in subafdeling 6.2.2.4, nageleefd.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Een volledige scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, is verplicht op het ogenblik dat een gescheiden riolering wordt aangelegd of heraangelegd, tenzij het anders bepaald is in het uitvoeringsplan.

 

Voor bestaande gebouwen [...] is de scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, enkel verplicht indien daarvoor geen leidingen onder of door het gebouw moeten worden aangelegd. Onder bestaande gebouwen worden hier de gebouwen bedoeld die gebouwd zijn voor de inwerkingtreding van de gewestelijke verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozen van afvalwater en hemelwater van 1 oktober 2004, zijnde 1 februari 2005, of de gebouwen die niet gevat worden door deze verordening.

 

§ 4.

Onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of bijzondere milieuvoorwaarden, moet voor de afvoer van hemelwater de voorkeur gegeven worden aan de afvoerwijzen zoals hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld :

opvang voor hergebruik;
infiltratie op eigen terrein;
buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
lozing in de regenwaterafvoerleiding (RWA) in de straat.

Slechts wanneer de beste beschikbare technieken geen van de voornoemde afvoerwijzen toelaten, mag het hemelwater overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden geloosd in de openbare riolering.

 

§ 5.

Niet-verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dat redelijkerwijs niet mogelijk is, moet het niet-verontreinigd bemalingswater geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor hemelwater. Het lozen in de openbare riolering is slechts toegestaan wanneer het conform de beste beschikbare technieken niet mogelijk is zich op een andere manier van het water te ontdoen.


Subafdeling 6.2.2.2.
De lozing van huishoudelijk afvalwater in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied


Art. 6.2.2.2.1.

§ 1.

De lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied is onderworpen aan de volgende algemene voorwaarden :

het geloosde afvalwater mag noch textielvezels, noch verpakkingsmateriaal in plastic, noch vaste huishoudelijke afvalstoffen van organische of niet organische aard bevatten;
het geloosde afvalwater mag niet bevatten :
a)minerale oliën, ontvlambare stoffen en vluchtige solventen;
b)andere stoffen extraheerbaar met petroleumether, met een gehalte van hoger dan 0,5 g/l;
c)andere stoffen die het rioleringswater giftig of gevaarlijk kunnen maken.

 

§ 2.

In het centrale gebied en in het collectief geoptimaliseerde buitengebied wordt het huishoudelijk afvalwater bij voorkeur rechtstreeks in de openbare riolering geloosd. Indien de afwateringssituatie of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie het vereist, kan het college van burgemeester en schepenen opleggen dat het afvalwater via een voorbehandelingsinstallatie geleid wordt voordat het in de openbare riolering geloosd wordt.

 

§ 3.

Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van een tijdelijke sanitaire installatie die geplaatst wordt in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, moet er vanaf een geloosd debiet van 20 m3/d bovendien een uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van de rioolwaterzuiveringsinstallatie verkregen worden. In die toelating kunnen bijkomende voorwaarden in functie van de optimale werking van het afwaartse rioleringsstelsel, inclusief aanwezige overstorten, en van de rioolwaterzuiveringsinstallatie worden opgelegd.


Subafdeling 6.2.2.3.
De lozing van huishoudelijk afvalwater in het collectief te optimaliseren buitengebied


Art. 6.2.2.3.1.

§ 1.

De algemene voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het collectief te optimaliseren buitengebied luiden als volgt :

het te lozen afvalwater dat in zodanige hoeveelheden pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
de pH van het geloosde water mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen;
het biochemisch zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20 °C van het geloosde water mag volgende waarde niet overschrijden : 25 milligram zuurstofverbruik per liter;
in het geloosde afvalwater mag het volgende gehalte niet overschreden worden : 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
bovendien mag het geloosde afvalwater geen stoffen bevatten van bijlage 2C, [...] in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom « indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) » van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, noch alle andere stoffen, met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora of fauna;
een representatief monster van het geloosde afvalwater mag geen oliën, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een scheitrechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden.

 

§ 2.

Voor lozingen in het collectief te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, te zijn voldaan als het afvalwater minstens gezuiverd wordt met een individuele voorbehandelingsinstallatie, die conform de code van goede praktijk gebouwd en uitgebaat is.

 

Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van meer dan tien tijdelijke sanitaire installaties die geplaatst worden in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, wordt het afvalwater minstens gezuiverd met een individuele behandelingsinstallatie waarvan de capaciteit is afgestemd op de aan te sluiten vuilvracht en voldoet de lozing aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.2.4.1, §1.

 

§ 3.

Indien het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in een collectief geoptimaliseerd buitengebied is de noodzakelijke afkoppeling van de bestaande individuele voorbehandelingsinstallatie afhankelijk van de afwateringssituatie of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie.

 

§ 4.

Als het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in het collectief geoptimaliseerde buitengebied, moeten de bestaande individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater in het veranderde gedeelte afgekoppeld worden.

 


Subafdeling 6.2.2.4.
De lozing van huishoudelijk afvalwater in het individueel te optimaliseren buitengebied


Art. 6.2.2.4.1.

§ 1.

De algemene voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied luiden als volgt :

het te lozen afvalwater dat in zodanige hoeveelheden pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
de pH van het geloosde water mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen;
het biochemisch zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20°C van het geloosde water mag volgende waarden niet overschrijden : 25 milligram zuurstofverbruik per liter
in het geloosde afvalwater mag het volgende gehalte niet overschreden worden : 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
bovendien mag het geloosde afvalwater geen stoffen bevatten van bijlage 2C, [...] in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom « indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) » van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, noch alle andere stoffen, met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora of fauna;
een representatief monster van het geloosde afvalwater mag geen oliën, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een scheitrechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden
de installatie moet lekvrij zijn, structureel stabiel, duurzaam en corrosiebestendig. 

 

§ 2.

Voor lozingen gelegen in een individueel te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1 te zijn voldaan indien het water minstens wordt gezuiverd door middel van een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, waarvan de capaciteit is afgestemd op het aangesloten IE. Het verwijderingspercentage van deze individuele behandelingsinstallatie bedraagt minimaal 90 % voor biochemisch zuurstofverbruik en minimaal 70 % voor zwevende stoffen.

 

 

§ 3.

De inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt verleend voor het bouwen of herbouwen van een gebouw na de vaststelling van het definitief zoneringsplan, moeten onmiddellijk aan de bepalingen van deze subafdeling voldoen.

 

Voor de inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het bouwen of herbouwen van een gebouw werd verleend vóór de vaststelling van het definitief zoneringsplan, gaan de voorwaarden van deze subafdeling die in strengere zin afwijken van de situatie zoals die bestond voor de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan, in voege op de datum vastgesteld in het uitvoeringsplan. Evenwel wordt geacht dat in dit geval met een bestaande individuele behandelingsinstallatie wordt voldaan aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

 


Subafdeling 6.2.2.5.
Werking en onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties


Art. 6.2.2.5.1.

De werking en het onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties moeten aan de volgende algemene bepalingen beantwoorden :

het lozen van geruimd septisch materiaal in de openbare riolen of in de collectoren is verboden.
septisch materiaal moet afgevoerd worden naar een openbare waterzuiveringsinstallatie. De openbare waterzuiveringsinstallatie kan (een deel van) de aangevoerde lading weigeren dewelke moet worden afgevoerd naar een daartoe vergunde verwerker.

 


Afdeling 6.2.3.
Lozing van bedrijfsafvalwater afkomstig van zwembaden


Art. 6.2.3.1. Het vaste zwembad volledig laten leeglopen, gebeurt in overleg met de beheerder van de ontvangende waterloop of rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Hoofdstuk 6.3.
BEHEERSING VAN HINDER DOOR LICHT


Art. 6.3.0.1. Onverminderd andere reglementaire bepalingen moet men de nodige maatregelen treffen om lichthinder te voorkomen.

Art. 6.3.0.2. Het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. De verlichting is dermate geconcipieerd dat niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving maximaal wordt beperkt.

Art. 6.3.0.3.

Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan.


Art. 6.3.0.4.

Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.


Art. 6.3.0.5.

Artikel 6.3.0.2, 6.3.0.3 en 6.3.0.4 zijn niet van toepassing bij muziekactiviteiten in openlucht als een toelating is verkregen van het college van burgemeester en schepenen voor die muziekactiviteit als vermeld in artikel 6.7.3, §3. Die uitzondering geldt alleen voor lichtbronnen die worden gebruikt voor het optreden en, als dat nodig is, voor de testperiodes die nodig zijn om de lichtbronnen voorafgaand aan de muziekactiviteit af te stellen.

 

De lichtbronnen worden zo afgesteld dat ze maximaal de doelzone voor het podium verlichten en naburige percelen en panden niet aanstralen. Het is verboden het luchtruim met sky-tracers, zoeklichten of vergelijkbare armaturen te verlichten.


Hoofdstuk 6.4.
BEHEERSING VAN ASBEST


Art. 6.4.0.1.

§ 1.

Overeenkomstig de EG-richtlijn 87/217/EEG van 19 maart 1987 dienen bij het gebruik van asbest en werken met asbesthoudende producten de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat emissies van asbest in het milieu en afvalstoffen van asbest voor zover dat met redelijke middelen mogelijk is aan de bron worden verminderd en voorkomen. Bij gebruik van asbest impliceren deze maatregelen dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technologieën, met inbegrip van recycling of behandeling waar zulks dienstig is.

Tevens dienen de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat:

tijdens het vervoer, het laden en het lossen van afvalstoffen die asbestvezels of asbeststof bevatten, deze vezels en stof niet vrijkomen in de lucht en geen vloeistoffen worden verloren die asbestvezels kunnen bevatten;
afvalstoffen die asbestvezels of -stof bevatten, zodanig worden behandeld, verpakt zijn of afgedekt, met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden, dat er geen asbestdeeltjes in het milieu terechtkomen;
activiteiten die verbonden zijn aan het werken met asbest bevattende produkten geen noemenswaardige milieuverontreiniging door asbestvezels of -stof veroorzaken;
bij de sloop van asbestbevattende gebouwen, constructies en installaties en het verwijderen van asbest of asbesthoudende materialen daaruit, waarbij asbestvezels of asbeststof kunnen vrijkomen geen asbest in het milieu terechtkomt. Tevens zijn hierop van toepassing de emissiegrenswaarden zoals vermeld in bijlage 4.4.2,15°.

 

§ 2.

De volgende asbesthoudende toepassingen kunnen zelf worden verwijderd voor zover deze via eenvoudige handelingen (bvb. vlot losschroeven) kunnen worden weggenomen :

hechtgebonden asbest die niet beschadigd is of waarbij er geen vrije vezels zichtbaar zijn en waarbij verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
hechtgebonden asbest die beschadigd is of waarbij er vrije vezels zichtbaar zijn en die verwerkt is in een buitentoepassing waarbij geen derden aanwezig zijn, voor zover de verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
asbesthoudende koorden, dichtingen of pakkingen, remvoeringen en analoge materialen.

 

Andere toepassingen mogen alleen verwijderd worden door gespecialiseerde bedrijven.

 

§ 3.

Bij de sloop en verwijdering van asbesthoudend materiaal als vermeld in § 2, 1°, 2° en 3°, moet vezelverspreiding en blootstelling van personen aan asbestvezels verhinderd worden door de volgende maatregelen te nemen :

bevochtigen of fixeren van het materiaal;
de elementen één voor één verwijderen, bij voorkeur manueel, gebruik makend van handwerktuigen of in laatste instantie traagdraaiend gereedschap;
de materialen niet gooien;
de materialen niet breken;
de materialen opslaan in gesloten verpakking.

 

Bij de werkzaamheden mogen geen minderjarigen aanwezig zijn.

 

Voor persoonlijke bescherming tegen blootstelling wordt gebruik gemaakt van een stofmasker type P3 of gelijkwaardig stofmasker.

 

§ 4.

De asbesthoudende toepassingen worden afzonderlijk opgeslagen en niet gemengd met het andere sloopafval;

 

§ 5.

Het gebruik van mechanische werktuigen met grote snelheid (schuurschijven, slijpmachines, boormachines, e.d.), hogewaterdrukreinigers en luchtcompressoren, voor het bewerken, snijden of schoonmaken van objecten of ondergronden in asbesthoudend materiaal, objecten of ondergronden bekleed met asbesthoudend materiaal of voor het verwijderen van asbest is verboden.


Hoofdstuk 6.5.
PARTICULIERE STOOKOLIETANKS MET EEN INHOUD VAN MINDER DAN 5.000 KG


Afdeling 6.5.1.
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN


Art. 6.5.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op particuliere opslaginstallaties waarvan de stookolietank een inhoud heeft van minder dan 5.000 kg. Met opslaginstallatie wordt bedoeld het geheel van vaste houder(s), waarschuwings- of beveiligingssysteem, leidingen, in voorkomend geval inkuiping en lekdetectiesysteem en alle toebehoren tot aan de verbrandingsinstallatie en dienstig voor de verwarming van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt.

 

De opslaginstallaties en hun onderdelen dienen gebouwd, getransporteerd, geplaatst en aangesloten volgens de toepasselijke codes van goede praktijk.


Art. 6.5.1.2. De opslaginstallaties dienen beschermd tegen mechanische beschadigingen en elke vorm van aantasting o.a. door corrosie. De dichtheid van leidingen, koppelingen, kranen en toebehoren dient te allen tijde verzekerd. Niet toegankelijke leidingen dienen in een brandstofdichte greppel of buis geplaatst. Deze greppel of buis helt af naar een toegankelijke opvangput.

Art. 6.5.1.3.

De houder dient uitgerust :

met een waarschuwingssysteem waarbij een akoestisch signaal dat steeds hoorbaar moet zijn voor de leverancier en deze verwittigt zodra de te vullen houder voor 95% is gevuld; dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn, ofwel
met een beveiligingssysteem, waarbij de vloeistoftoevoer automatisch wordt afgesloten zodra de te vullen houder voor maximum 98 % is gevuld; dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn;
met een ontluchtingssysteem dat uitmondt op een plaats waar de mogelijke hinder voor de buurt zo beperkt mogelijk is. Alle nodige maatregelen worden getroffen om waterinfiltratie via het ontluchtingssysteem te voorkomen.

 


Art. 6.5.1.4. Alle openingen en aansluitingen aan de houder dienen geplaatst boven het maximumpeil van de opgeslagen brandstof, behalve voor bovengrondse houders dienend voor verwarmingsinstallaties zonder aanzuiging, zoals kachels.

Art. 6.5.1.5. De houder mag alleen gevuld zijn met die brandstoffen waarvoor hij gebouwd is. De nodige maatregelen dienen genomen om het morsen van brandstof tijdens het vullen te voorkomen.

Afdeling 6.5.2.
BEPALINGEN VOOR OPSLAGINSTALLATIES MET BOVENGRONDSE HOUDERS


Art. 6.5.2.1.

Onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones is de opslag van brandstoffen in bovengronds geplaatste houders toegelaten in :

houders uit metaal;
houders uit gewapend thermohardende kunststoffen;
houders uit roestvrij staal;
prefabconstructies bestaande uit een prefab betonnen cilindrische houder waarin een metalen houder is geplaatst;
houders uit kunststoffen andere dan gewapende thermohardende kunststoffen, op voorwaarde dat zij na de plaatsing en voor het in gebruik nemen ervan een drukproef hebben doorstaan gedurende ten minste één uur bij een overdruk of een onderdruk van 30 kPa.
opslagsystemen die naar voorkoming van bodem- en/of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen bieden als voormelde houders; deze opslagsystemen moeten worden aanvaard door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 


Art. 6.5.2.2.

De houders dienen in of boven een inkuiping geplaatst.

 

Dubbelwandige houders en prefabconstructies als vermeld in artikel 6.5.2.1., dienen niet in of boven een inkuiping geplaatst mits ze uitgerust zijn met een permanent lekdetectiesysteem.

 

Een inkuiping mag alleen de houder en zijn toebehoren omvatten. Enkel de leidingen vereist voor de exploitatie van de houder mogen door de inkuiping gevoerd worden en wel boven het peil dat bereikt zou zijn wanneer de inkuiping gevuld zou zijn met de totale nominale inhoud van de erin geplaatste houders.

 

Indien zich hemelwater in de inkuiping kan bevinden dienen de nodige maatregelen getroffen om dit regelmatig te verwijderen zonder vervuiling van het milieu. Ongeacht de hoeveelheid water die zich eventueel in de inkuiping bevindt, moet deze steeds de totale maximale inhoud van de erin geplaatste houders kunnen opvangen. 


Afdeling 6.5.3.
BEPALINGEN VOOR OPSLAGINSTALLATIES MET ONDERGRONDSE HOUDERS


Art. 6.5.3.1.

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones is de opslag van brandstoffen in rechtstreeks in de grond ingegraven houders toegelaten in :

 

dubbelwandige houders uit metaal;
houders uit gewapend thermohardende kunststoffen;
houders uit roestvrij staal;
prefabconstructies bestaande uit een prefab betonnen cilindrische houder waarin een enkelwandige metalen houder is geplaatst;
opslagsystemen die naar voorkoming van bodem- en/of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen bieden als voormelde houders; deze opslagsystemen moeten worden aanvaard door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

 

 

§ 2.

Onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones is de opslag van brandstoffen in houders geplaatst in een groeve toegelaten in :

1°  de opslagwijzen vermeld in § 1;
enkelwandige houders uit metaal.

 

 

§ 3.

Het hoogste punt van de houder moet minstens 0,50 m onder het maaiveld liggen. Het plaatsen van roerende of onroerende lasten boven de houder moet vermeden worden. Indien dit toch gebeurt moeten alle maatregelen genomen zijn om beschadigingen aan de houder te voorkomen o.a. door een voldoende draagkrachtige afdekking die de lasten (met uitzondering van het eventuele opvullings- en afdekkingsmateriaal) niet overdraagt op de houder.


Art. 6.5.3.2. De aanvulling rond de houder dient te gebeuren met inert materiaal dat geen gevaar oplevert voor beschadiging of aantasting van de houder, zijn bekleding en de groeve. Bij metalen houders dient bijzondere aandacht besteed aan de mogelijke corrosie. Het aanvullingsmateriaal moet voldoende doorlatend zijn t.o.v. de brandstof, hiervoor mag de doorval van het zeefmonster door een zeef met maaswijdte 1,25 mm niet meer bedragen dan 15 % van zijn droge massa.

Art. 6.5.3.3.

De houder dient zich te bevinden op ten minste 1 m van de grenzen van de percelen van derden en op meer dan 0,75 m van ondergrondse constructies die niet tot de opslaginstallatie behoren. De onderlinge afstand tussen de houders dient minstens 0,50 m te bedragen.

 

De groeve mag alleen de houder en zijn toebehoren omvatten. Enkel de leidingen vereist voor de exploitatie van de houders mogen door de wanden van de groeve gevoerd worden en wel boven het peil dat bereikt zou zijn wanneer de groeve gevuld zou zijn met de totale nominale inhoud van de erin geplaatste houders, rekening houdend met het eventuele aanvullingsmateriaal.Wanneer de houder een inhoud heeft van meer dan 2.000 liter, moet tussen de wanden van de houder en de wanden van de groeve een vrije ruimte bestaan van minstens 0,50 m breedte om het onderzoek van de houder mogelijk te maken; indien de groeve wordt opgevuld dient deze ruimte minstens 0,30 m te bedragen.


Art. 6.5.3.4. Voor zover er een risico van oplichting van de houder ten gevolge van een onderdompeling in (grond)water bestaat, dient de houder stevig en onvervormbaar bevestigd aan een fundering of ballast waarvan het gewicht groter is dan de grootst mogelijk optredende opwaartse kracht.

Art. 6.5.3.5. De houder moet afhellen onder een helling van minstens 1cm/m in de richting van het mangat of de vul- of peilopening. Van zodra de waterinhoud van de houder gelijk is aan of groter is dan 3.000 liter moet een mangat aanwezig zijn met een opening waarvan de ingeschreven cirkel een diameter van ten minste 0,50 m heeft.

Afdeling 6.5.4.
DE CONTROLE OP DE BOUW VAN DE HOUDERS EN DE PLAATSING VAN EEN OPSLAGINSTALLATIE


Art. 6.5.4.1.

Opslaginstallaties dienen geplaatst [...] onder toezicht van een erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Na de plaatsing maar vóór de ingebruikname stelt [...] de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen een certificaat op waaruit ondubbelzinnig moet blijken dat de opslaginstallatie voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk. Dit certificaat vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van [...] de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.


Art. 6.5.4.2.

Voor de bouw van een opslaginstallatie mag enkel gebruik gemaakt zijn van producten en onderdelen waarvan ofwel de overeenkomst met de toepasselijke code van goede praktijk gecertificeerd is door een erkende certificeringsinstelling ofwel na een beproeving overeenkomstig de toepasselijke code van goede praktijk. Voor wat betreft de prefabconstructie bestaande uit een prefab betonnen cilindrische houder waarin een enkelwandige metalen houder is geplaatst, bestaat het certificaat op zijn minst uit een verklaring van de fabrikant welke hij gemachtigd is af te leveren na keuring van een prototype.


Art. 6.5.4.3.

Binnen de maand na de aanleg van de opslaginstallatie conform de bepalingen van dit hoofdstuk, brengt [...] de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen op de houder een duidelijk leesbare en onuitwisbare groene merkplaat aan waarop onuitwisbaar volgende gegevens dienen aangebracht :

- zijn erkenningsnummer;
- de datum van de plaatsing van de opslaginstallatie;
-

de uiterste datum van de eerstvolgende controle ingeval van opslag in ondergrondse houder.

 

Als de merkplaat ontbreekt, is het verboden de houder te vullen of te laten vullen. 


Art. 6.5.4.4. Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt [...] de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan. De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie.

Afdeling 6.5.5.
PERIODIEKE CONTROLES, ONDERHOUD EN BUITENGEBRUIKSTELLING


Art. 6.5.5.1.
Opslaginstallaties met bovengrondse houders dienen niet onderworpen aan periodieke controles.

Art. 6.5.5.2.

§ 1.

Opslaginstallaties met ondergrondse houders dienen vanaf de datum van de plaatsing ten minste om de vijf jaar onderworpen aan een periodieke controle als vermeld in artikel 6.5.5.3.

 

§ 2.

Van de termijn, vermeld in § 1, kan worden afgeweken bij gebruik van een controlemethode die toelaat de kwaliteit en de levensduur van de ondergrondse houder in te schatten, waarbij maximaal gezocht wordt naar het detecteren van niet-dichte houders en/of het classificeren van houders naargelang de kwaliteitstoestand.

 

De aanvaarding van laatstgenoemde controlemethode en de bijhorende criteria om de maximale termijn voor de hercontrole te bepalen, gebeurt door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en bijkomend moet worden aangetoond dat deze controlemethode als basis dient voor het voorkomen van de milieuschade die kan ontstaan vanaf de eerste controle met dit systeem.


Art. 6.5.5.3.

§ 1.

De periodieke controles vermeld in de artikel 6.5.5.2 moeten worden uitgevoerd door een erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en omvatten :

een visuele controle van de opslaginstallatie met inbegrip van een controle van de wanden van de houder indien mogelijk zonder dat dit het uitgraven van de houder of het verwijderen van het aanvullingsmateriaal vereist;
een controle van de doeltreffendheid van het waarschuwings- of overvulbeveiligingssysteem; 
een controle naar de aanwezigheid van water en slib in de houder;
een controle van de doeltreffendheid van het eventueel aanwezig lekdetectiesysteem;
een nazicht van het certificaat en het proces-verbaal van de vorige controle;
indien mogelijk een meting van het potentiaalverschil tussen de rechtstreeks in de grond ingegraven metalen houder en de omhullende bodem of aanvulling;
de uitvoering van een dichtheidsbeproeving op rechtstreeks in de grond ingegraven houders die niet zijn uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem, bij een overdruk van minstens 30 kPa gedurende minimum 1 uur of bij een onderdruk van hoogstens 30 kPa; beproeving bij een overdruk van meer dan 30 kPa mag enkel geschieden indien de houders daartoe volledig worden gevuld met water; niet toegankelijke enkelwandige leidingen moeten worden beproefd bij een overdruk van ten minste 30 kPa gedurende 1 uur of bij een onderdruk van hoogstens 30 kPa. Een gelijkwaardige beproeving die toelaat de kwaliteit en de levensduur van de houder in te schatten, waarbij maximaal gezocht wordt naar het detecteren van niet-dichte houders en/of het classificeren van houders naargelang de kwaliteitstoestand, uitgevoerd overeenkomstig een door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning aanvaarde code van goede praktijk, is eveneens toegelaten;

 

Ingevolge de controle en vanaf 1 maart 2009 stelt de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen een certificaat op waaruit ondubbelzinning moet blijken of de opslaginstallatie al dan niet voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk. Dit certificaat vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen die de controle heeft uitgevoerd, de datum van de controle en de uiterste datum van de eerstvolgende controle.

 

Al naargelang het resultaat van de controle is de houder gemerkt met een duidelijk leesbare en onuitwisbare groene, oranje of rode merkplaat. Op deze merkplaat wordt onuitwisbaar het erkenningsnummer van de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, de datum van de controle en de uiterste datum van de eerstvolgende controle aangebracht

 

Een groene merkplaat betekent dat de opslaginstallatie voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk en mag worden gevuld, bijgevuld en verder gebruikt worden.

 

Een oranje merkplaat betekent dat de opslaginstallatie niet voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk doch dat de vastgestelde gebreken geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder. De opslaginstallatie mag nog worden gevuld of bijgevuld tijdens een overgangsperiode van maximum 6 maanden die ingaat de eerste van de maand volgend op de maand vermeld op de oranje merkplaat. De exploitant dient alle nodige maatregelen te treffen, overeenkomstig het verslag van de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, om de opslaginstallatie terug in goede staat te brengen. Vóór het verstrijken van voormelde overgangsperiode dient de opslaginstallatie terug aan een controle onderworpen. Het verlenen van een oranje merkplaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje merkplaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit hoofdstuk, gevolgd door een groene of rode merkplaat.

 

In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.

 

Een rode merkplaat betekent dat de opslaginstallatie niet voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk of dat volgend op een periode van maximaal zes maanden met oranje merkplaat nog altijd dezelfde gebreken aan de houder en de installatie worden vastgesteld. In dergelijk geval is het verboden de opslagtank te vullen of te laten vullen. De exploitant dient alle nodige maatregelen te treffen, overeenkomstig het verslag van de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, om de opslaginstallatie terug in goede staat te brengen waarna de opslaginstallatie terug aan een controle dient onderworpen. Binnen de veertien dagen nadat een rode merkplaat aangebracht werd maakt de exploitant of op zijn verzoek de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hiervan melding bij de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor grondwater.

 

Als een merkplaat ontbreekt, is het verboden de houder te vullen of te laten vullen.

 

§ 2.

De periodieke controles die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk voor 1 maart 2009 werden uitgevoerd, blijven onverminderd rechtsgeldig ook wanneer deze in de in § 1 vermelde dichtheidsbeproeving niet hebben omvat.


Art. 6.5.5.4.

De exploitant dient er zorg voor te dragen dat de opslaginstallatie steeds in goede staat van werking en onderhoud verkeert en in het bijzonder dat elke verontreiniging van het milieu wordt voorkomen. Hij draagt er zorg voor dat de merkplaat steeds leesbaar blijft.

 

Indien zich een verontreiniging voordoet of lekkage vastgesteld of vermoed wordt, dienen onverwijld alle maatregelen genomen om de schade en verstoring van het milieu te beperken. Indien verdere verontreiniging van bodem en grondwater niet onmiddellijk tegengehouden kan worden, wordt de opslaginstallatie buiten gebruik gesteld en wordt de houder geledigd. In dit laatste geval wordt de toezichthouder onmiddellijk verwittigd.

 

Behalve in het geval van een ernstige verontreiniging en wanneer de voortschrijding ervan de saneringskosten sterk opdrijft, mag het buiten gebruik nemen van de installatie enkele dagen uitgesteld worden in de periode tussen 1 november en 31 maart om de exploitant en de gebruikers de mogelijkheid te geven om te voorzien in een alternatieve verwarmingsbron.

 

Na vakkundige herstelling mag de houder slechts opnieuw in gebruik worden genomen nadat een attest is afgeleverd door een erkende technicus. Rechtstreeks in de grond ingegraven houders dienen een geslaagde dichtheidsbeproeving als vermeld in artikel 6.5.5.3. te hebben ondergaan.

 

Uit het attest moet ondubbelzinnig blijken dat de houder en de installatie voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk.


Art. 6.5.5.5.

Onverminderd het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen worden de houders van een opslaginstallatie die de eigenaar definitief buiten gebruik stelt, geledigd en gereinigd.

 

Als de bovengrondse houder ook wordt verwijderd, stelt de erkende technicus vanaf 1 oktober 2019 een certificaat op waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de buitengebruikstelling is uitgevoerd volgens de regels van het vak. Dat certificaat vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de erkende technicus.

 

Rechtstreeks in de grond ingegraven houders worden bovendien verwijderd; bij onmogelijkheid om de houder te verwijderen wordt in overleg met een erkende technicus, de houder gevuld met zand, schuim of enig ander inert materiaal. Alle nodige maatregelen worden genomen om milieuverontreiniging te voorkomen.

 

Naar aanleiding van de buitengebruikstelling van de rechtstreeks in de grond ingegraven houder stelt de erkende technicus vanaf 1 maart 2009 een certificaat op waaruit ondubbelzinnig moet blijken dat de buitengebruikstelling werd uitgevoerd volgens de regels van het vak. Dit certificaat vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de erkende technicus.


Afdeling 6.5.6.
ERKENDE TECHNICI [...]


Art. 6.5.6.1.

Onder gecertificeerde onderdelen van een installatie wordt verstaan de onderdelen waarvoor in uitvoering van ofwel de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling, ofwel een andere door de Vlaamse Regering goedgekeurde certificeringprocedure een certificaat van overeenkomst met de code van goede praktijk of technische specificatie werd afgeleverd.


Art. 6.5.6.2. [...]

Art. 6.5.6.3.

De erkende stookolietechnicus is een natuurlijkepersoon, erkend volgens van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

 

Alleen de technici die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming "stookolietechnicus, in het bezit van het certificaat van bekwaamheid [...] inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks” voeren en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen.


Art. 6.5.6.4.

De inrichtingen die de opleiding aanbieden, worden [erkend als opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, volgens] het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

Alleen de inrichtingen die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming "erkende inrichting voor het organiseren van de opleiding en het afleveren van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks" dragen en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen.


Art. 6.5.6.5. [...]

Art. 6.5.6.6. [...]

Afdeling 6.5.7.
VOORWAARDEN VOOR BESTAANDE HOUDERS


Art. 6.5.7.1.

Als bestaande houders worden beschouwd de houders die vóór 1 augustus 1995 een eerste maal zijn gevuld.

 

Bestaande houders dienen uiterlijk op 1 augustus 2000 uitgerust te zijn met een waarschuwings- of beveiligingssysteem zoals bepaald in artikel 6.5.1.3.

 

Onverminderd de overige bepalingen van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van dit hoofdstuk betreffende de verbods- en/of afstandsregels alsmede de constructie- en de installatiewijzen niet van toepassing op bestaande houders.

 

Bij vervanging van de bestaande houder dient de nieuwe houder aan de voorschriften van dit hoofdstuk te voldoen, behalve voor wat betreft de verbods- en/of afstandsregels.


Art. 6.5.7.2.

§ 1.

Opslaginstallaties met bovengrondse houders dienen vóór 1 augustus 2003 onderworpen aan een controle door een erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Deze opslaginstallaties dienen niet onderworpen aan verdere periodieke controles.

 

§ 2.

Opslaginstallaties met ondergrondse houders dienen vóór 1 augustus 2002 onderworpen aan een controle als vermeld in §1 van artikel 6.5.5.3.

Vanaf de datum van deze controle dienen periodieke controles uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van artikelen 6.5.5.2 en 6.5.5.3.

De controles die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk vóór 1 augustus 2000 werden uitgevoerd, blijven onverminderd rechtsgeldig ook wanneer deze de dichtheidsbeproeving niet hebben omvat.


Hoofdstuk 6.6.
NIET-INGEDEELDE INRICHTINGEN VOOR VERWARMING VAN GEBOUWEN


Art. 6.6.0.1.

Voor andere centrale stooktoestellen dan de centrale stooktoestellen, vermeld in rubriek 43 van de indelingslijst, die in hoofdzaak gebruikt worden voor de verwarming van gebouwen en, optioneel, voor de aanmaak van warm verbruikswater, gelden de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater.


Art. 6.6.0.2. [...]

Hoofdstuk 6.7.
Niet-ingedeelde muziekactiviteiten


Art. 6.7.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op activiteiten waarbij muziek geproduceerd wordt en die plaatsvinden in een tent, in de openlucht of in een andere openbare inrichting dan een openbare inrichting als vermeld in rubriek 32.1 of 32.2 en op private inrichtingen.


Art. 6.7.2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

1° openbare inrichtingen : alle inrichtingen, alsook hun aanhorigheden, die, al dan niet tegen betaling, voor het publiek toegankelijk zijn, ook al is de toegang voor bepaalde categorieën van personen beperkt, zoals privéclubs, winkels, restaurants, drankgelegenheden, sportmanifestaties, fitnessclubs; 
2° private inrichtingen : woningen en hun aanhorigheden en tuinen, en in het algemeen, alle plaatsen welke niet voor het publiek toegankelijk zijn; 
3° buurt : alle gebouwen of lokalen die in de onmiddellijke omgeving liggen en waarin zich personen bevinden. 

 


Art. 6.7.3.

§ 1.

In de inrichtingen vermeld in artikel 6.7.1 mag het maximaal geluidsniveau, voortgebracht door muziek, LAeq,15min 85dB(A) [...] niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau gemeten als LAmax,slow 92 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan.

 

§ 2.

Het geluidsniveau geldt op gelijk welke plaats in de inrichting waar zich in normale omstandigheden publiek kan bevinden.

 

§ 3.

Paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing op private inrichtingen. Deze paragrafen zijn evenmin van toepassing op andere activiteiten, vermeld in artikel 6.7.1, op voorwaarde dat :

de muziekactiviteit voorafgaand is aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsgrijpt; en 
het college, vermeld in punt 1°, de muziekactiviteit toelaat. Die toelating kan evenwel alleen gegeven worden indien het geluidsniveau in de inrichting LAeq,60min ≤ 100 dB(A) en de muziekactiviteit gekoppeld is aan een bijzondere gelegenheid. Indien de muziekactiviteit doorgaat in een feestzaal, lokaal of schouwspelzaal moet cumulatief aan de volgende criteria wordt voldaan  
a)  maximaal 12 gelegenheden per jaar; 
b)  maximaal 2 gelegenheden per maand; 
c)  de sommatie van deze gelegenheden mag zich maximaal over 24 kalenderdagen per jaar spreiden (ingeval een muziekactiviteit avonduren alsook morgenuren van de daarop volgende kalenderdag omvat, worden 2 kalenderdagen geteld). 

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit, vermeld in paragraaf 3, toelaat met een geluidsniveau van > 85 dB(A) LAeq,15min en ≤ 95 dB(A) LAeq,15min, zijn de bepalingen vermeld in artikel 5.32.2.2bis, § 1, 1°, 2° en 3°, van toepassing.

 

Als het college van burgemeester en schepenen de muziekactiviteit, vermeld in paragraaf 3, toelaat met een geluidsniveau van > 95 dB(A) LAeq,15min en ≤ 100 dB(A) LAeq,60min, zijn de bepalingen vermeld in artikel 5.32.2.2bis, § 2, van toepassing met uitzondering van de verplichting tot het opmaken van een geluidsplan.

 

Muziekactiviteiten met een geluidsniveau in de inrichting > 100 dB(A)LAeq,60min zijn verboden.

 

Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsvindt, kan beperkende maatregelen opleggen, bijvoorbeeld voor het maximaal toegelaten geluidsniveau of voor de duur van de muziekactiviteit.

 

[...]


Art. 6.7.4.

§ 1.

De muziekactiviteiten, vermeld in artikel 6.7.1, moeten zo ingericht zijn dat de LAeq,1s,max gemeten in de buurt :

niet hoger is dan 5 dB(A) boven de LA95,5min, indien deze lager is dan 30 dB(A); 
niet hoger is dan 35 dB (A) indien de LA95,5min ligt tussen 30 en 35 dB(A); 
niet hoger is dan de LA95,5min indien die hoger is dan 35 dB (A). 

 

LA95,5min wordt gemeten bij uitschakeling van alle muziekbronnen.

 

§ 2.

De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op de muziekactiviteiten, vermeld in artikel 6.7.1, op voorwaarde dat het college van burgemeester en schepenen toelating heeft verleend overeenkomstig artikel 6.7.3, § 3. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsvindt, kan beperkende maatregelen opleggen, bijvoorbeeld voor het maximaal toegelaten geluidsniveau of voor de duur van de muziekactiviteit.

 

§ 3.

De metingen worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen voor binnenshuis, vermeld in artikelen 2 en 3 van bijlage 4.5.1.


Hoofdstuk 6.8.
Niet-ingedeelde installaties met betrekking tot gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen


Afdeling 6.8.1.
Niet-ingedeelde stationaire koelinstallaties


Art. 6.8.1.1.

De volgende werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie:

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
controles op lekkage van koelinstallaties als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.

 

Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen is het bedrijf waar de koeltechnicus werkt, erkend als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de betreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die de werkzaamheden uitvoert aan koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen maar geen ozonlaagafbrekende stoffen bevatten, en die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram, op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.


Art. 6.8.1.2.

Dit artikel is van toepassing op vast opgestelde koelinstallaties die gebruikmaken van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op hermetisch gesloten koelsystemen met een geïnstalleerde drijfkracht van 500 W of minder.

 

Het is verboden chloorfluorkoolstoffen en halonen aan te wenden in of voorhanden te houden voor koelinstallaties.

 

De handelingen, voorafgaand aan de ingebruikname van een koelinstallatie, worden uitgevoerd conform de bepalingen van de norm EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk.

 

De voorwaarden, vermeld in artikel 5.16.3.3, §3, 1°, 2° en 3°, en §4 tot en met §8, gelden ook voor de koelinstallaties, vermeld in dit artikel.


Art. 6.8.1.3. Voor niet-ingedeelde stationaire koelinstallaties gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 5.16.3.3, §3, 4°.

Afdeling 6.8.2.
Niet-ingedeelde stationaire brandbeveiligingsapparatuur


Art. 6.8.2.1.

De volgende werkzaamheden aan stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL:

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
controles op lekkage van brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.

 

Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen moet het bedrijf waar de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur werkt, erkend zijn als bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing, wat brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen, vermeld in artikel 17/2, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor houders of de bijbehorende onderdelen van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen.


Afdeling 6.8.3.
Niet-ingedeelde elektrische schakelinrichtingen


Art. 6.8.3.1.

De volgende werkzaamheden aan elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL:

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.


Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen, vermeld in artikel 17/3, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat de werkzaamheden uitgevoerd worden onder toezicht van een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen.

 

Het eerste lid is tot 1 juli 2017 niet van toepassing voor de installatie, het onderhoud, de reparatie en de buitendienststelling van elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen en voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit andere elektrische schakelinrichtingen dan hoogspanningsschakelaars.


Afdeling 6.8.4.
Niet-ingedeelde stationaire apparatuur die oplosmiddelen bevat


Art. 6.8.4.1.

De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen, vermeld in artikel 17/4, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat de terugwinning uitgevoerd wordt onder toezicht van een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.


Afdeling 6.8.5.
Niet-ingedeelde klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen


Art. 6.8.5.1.

De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen die onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, vallen, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/5, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat de terugwinning uitgevoerd wordt onder toezicht van een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.


Afdeling 6.8.6.
Niet-ingedeelde koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens


Art. 6.8.6.1.

De volgende werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie: 

 

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
controles op lekkage van koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de desbetreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten.


Hoofdstuk 6.9.
BEHEERSING VAN BODEM- EN GRONDWATERVERONTREINIGING


Art. 6.9.0.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op niet ingedeelde lozingen in grondwater, winning van grondwater en boringen.

 


Afdeling 6.9.1.
WINNING VAN GRONDWATER EN BORINGEN


Art. 6.9.1.1.

Grondwaterwinningen en boringen, met uitzondering van grondwaterwinningen voor handpompen, worden aangelegd, gewijzigd, verbouwd en geëxploiteerd volgens de regels van goed vakmanschap, die opgenomen zijn in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vermeld in bijlage 5.53.1, die bij dit besluit is gevoegd. Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning en het uitvoeren en buiten dienst stellen van een boring, met uitzondering van grondwaterwinningen voor handpompen, mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het voormelde besluit, als die activiteit niet uitgesloten is van het toepassingsgebied van een boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het voormelde besluit;

 


Art. 6.9.1.1bis.

De gebruiker van de grondwaterwinning neemt alle voorzorgen teneinde schade aan onroerende goederen binnen de invloedstraal van een grondwaterwinning te vermijden.


Art. 6.9.1.1ter.

Het is verboden grondwaterwinningen en boringen, met uitzondering van peilputten, aan te leggen of te gebruiken als deze zich dieper dan 2,5 m onder het maaiveld bevinden en geheel of gedeeltelijk liggen in een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones.


Art. 6.9.1.2.

Het boorgat wordt bovenaan afgedicht om verontreiniging van de grondwaterlagen te voorkomen. Het is verboden om verschillende watervoerende lagen met elkaar in verbinding te brengen, zowel via meerdere filters in één boorgat als via de ruimte tussen de boorput en de wand van het boorgat. Het plaatsen van kleistoppen ter hoogte van de scheidende lagen of het cementeren van de ruimte tussen de ingebrachte buizen en de wand van het boorgat is verplicht.

 


Art. 6.9.1.3. Voor boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten gelden volgende bepalingen:

§ 1.

De boringen worden gedimensioneerd, ontworpen en onderhouden volgens een code van goede praktijk.

 

De inrichtingen worden minimaal vijfjaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. Daarbij wordt nagekeken of het systeem en de beveiliging correct werken. Ook worden alle uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden beschreven. De exploitant houdt een verslag daarvan ter inzage van de toezichthouder.

 

§ 2.

Alleen als alle druktesten, vermeld in hoofdstuk 3 van bijlage 5.53.1, het bestaan van lekken uitsluiten, kan er aan het water monopropyleenglycol of bietenderivaat worden toegevoegd als antivriesmiddel. De samenstelling van het antivriesmiddel en de mengverhouding met het water wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 3.

De druk in de leidingen wordt automatisch gemonitord. Bij drukverlies moet het systeem automatisch uitvallen. Als het drukverlies het gevolg is van een lek in een lus, wordt de lus in kwestie buiten dienst gesteld conform hoofdstuk 3 van bijlage 5.53.1.

 

§ 4.

Paragraaf 2 en 3 gelden vanaf 1 januari 2015, voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 geïnstalleerd werden.


Art. 6.9.1.4.

§ 1.

Als door het onttrekken van het grondwater voor bemalingen en draineringen zettingsgevoelige gronden, inzonderheid veen en turf, ontwaterd kunnen worden, laat de gebruiker voor de ingebruikname van de grondwaterwinning een plaatsbeschrijving uitvoeren van al de constructies gelegen in zettingsgevoelige gronden die door ontwatering een gevaar zijn voor de stabiliteit van deze constructies binnen de invloedzone. Op deze constructies worden zettingsbakens aangebracht en genivelleerd ten opzichte van een referentiepunt buiten de invloedzone.

 

§ 2.

Het grondwater dat onttrokken wordt bij de bemalingen wordt, in zoverre dit met toepassing van beste beschikbare technieken mogelijk is, zoveel mogelijk terug in de grond ingebracht. Hiervoor kan gebruikgemaakt worden van infiltratieputten, infiltratiebekkens of infiltratiegrachten.

 

Als dat technisch onmogelijk is, mag het water geloosd worden in het openbare of, mits toestemming van de beheerder ervan, het private hydrografische net.

 

De infiltratie of de lozing van het opgepompte grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.

 

In afwijking van het tweede lid mogen volumes hoger dan 10 m³ per uur niet geloosd worden in openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, behoudens de voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van deze installatie.

 

§ 3.

Het grondwater dat onttrokken wordt bij de draineringen wordt, in zoverre dit met toepassing van de beste beschikbare technieken mogelijk is, nuttig gebruikt.

 

Volumes hoger dan 10 m³ per uur mogen niet geloosd worden in openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie behoudens de voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van deze installatie.

 

§ 4.

Het grondwaterpeil in de bemalingsputten, uitgezonderd bemalingen door middel van vacuümpompen, moet zowel met de winning in rust, als in werking, steeds gemeten kunnen worden. Daarom wordt in elk boorgat een rechte onvervormbare peilbuis geplaatst met een binnendiameter van ten minste 18 mm. De peilbuis wordt geplaatst conform de voorschriften in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vermeld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit.

 

Een evenwaardige of betere meetmethode is toegelaten mits voorafgaande goedkeuring van de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor grondwater.

 

§ 5.

Iedere bemaling wordt voorzien van meetinrichtingen zodat het opgepompte volume grondwater per watervoerende laag getotaliseerd kan worden.

 

De meetinrichtingen worden geplaatst voor het eerste aftappunt van het gewonnen grondwater. De meetinrichtingen worden geplaatst volgens een code van goede praktijk.

 

De meetinrichting is ofwel:

een vleugelradmeter of een meter met schroef van het Woltman type;
een dynamische turbinemeter;
een elektromagnetische meter;
een ultrasone meter;
een gecombineerde meter: een meter die binnen hetzelfde huis een combinatie is van de meters, vermeld in de punten 1° tot en met 4°.

 

Een evenwaardige of betere meetmethode is toegelaten mits voorafgaande goedkeuring van de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor grondwater.

 

Op elke meter staan aanduidingen volgens de voorschriften van de betrokken wetgeving. Elke meter wordt herijkt met een periodiciteit en volgens de voorschriften van de betrokken wetgeving. De ijking gebeurt door een keuringsinstelling die daartoe gemachtigd is. De exploitant houdt van elke ijking een attest bij dat op eenvoudig verzoek aan de met toezicht belaste ambtenaren wordt voorgelegd.

 

De stand van iedere meetinrichting en het tijdstip van de registratie van de stand wordt genoteerd in een register. Dit gebeurt minstens op de laatste kalenderdag van elk jaar waarin grondwater werd opgepompt en telkens wanneer, om welke reden ook, de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt en telkens wanneer de bemaling opgestart en stopgezet wordt. Het register wordt ter beschikking gehouden van de toezichthouder.


Afdeling 6.9.2.
INDIRECTE LOZING IN GRONDWATER VAN HUISHOUDELIJK AFVALWATER


Art. 6.9.2.1.

Voor de lozingen van afvalwater die niet zijn opgenomen in een van de op de zoneringsplannen aangeduide zuiveringszones, gelden de lozingsvoorwaarden die in dit besluit zijn vastgesteld voor lozingen in het individueel te optimaliseren buitengebied.

 


Art. 6.9.2.2.

De volgende voorwaarden zijn van toepassing op de indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater :

 

1°  elke lozingsmethode waarbij het afvalwater rechtstreeks in de bodem of in een grondwaterlaag wordt geïnjecteerd, is verboden;
alleen de indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater is toegestaan. Het is verboden hierin afvalstoffen te lozen of te laten toekomen; 
de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput die aan de volgende voorwaarden voldoet:  
a) een maximale diepte van 10 meter onder het maaiveld;  
b) zich bevinden op een afstand van ten minste : 
50 meter van een oppervlaktewater; 
50 meter van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;  
100 meter van een grondwaterwinning; 
100 meter van elke bron van drinkwater, thermaal water of mineraalwater; 
c) geen overloop hebben; 
d) voorzien zijn van een gemakkelijk en veilig bereikbare opening die toelaat monsters te nemen van de materie die zich in de besterfput bevindt;  
de indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien of als het gezuiverde afvalwater, rekening houdend met de afstandsregels, vermeld in punt 3°, b), in een gewoon oppervlaktewater of in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater geloosd kan worden; 
het huishoudelijk afvalwater moet voor het in een besterfput geloosd wordt, behandeld worden [...] volgens de algemene voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.2.3.1 en 6.2.2.4.1, in een gemeente waarvoor het gemeentelijke zoneringsplan definitief is vastgesteld. 

 


Hoofdstuk 6.10.
Vast opgestelde zendantennes voor elektromagnetische golven


Afdeling 6.10.1.
Algemene bepalingen


Art. 6.10.1.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op vast opgestelde zendantennes voor elektromagnetische golven, vermeld in artikel 2.14.1.1, eerste lid, als ze gebruikt worden voor telecommunicatie.


Afdeling 6.10.2.
Milieuvoorwaarden voor vast opgestelde zendantennes


Art. 6.10.2.1.

De bijdrage van elke individuele vast opgestelde zendantenne aan de elektrische veldsterkte in Ѵ/m mag op verblijfplaatsen de grenswaarden voor het Egem, 6 min-niveau, vermeld in de onderstaande tabel, niet overschrijden, waarbij f de frequentie is in MHz en Ejref het referentieniveau voor de elektrische veldsterkte :

 

 

frequentie : f in MHz

elektrische veldsterkte : E in V/m  (Ejref)

10 tot 400

2

400 tot 2 00

0,1√f

2 000 tot 10 000

4,48

 

Het eerste lid is niet van toepassing op vast opgestelde zendantennes met de volgende toepassingen :

telecommunicatie in de luchtvaartsector;
telecommunicatie bij het treinverkeer;
telecommunicatie bij de scheepvaart;
radarsystemen;
het gehele ASTRID-netwerk voor hulp- en veiligheidsdiensten;
militaire toepassingen;
radio- en televisie-uitzendingen;
radioamateurisme.

 

 


Art. 6.10.2.2.

§ 1.

De exploitatie van een vast opgestelde zendantenne of de verandering van een vast opgestelde zendantenne is verboden zonder conformiteitsattest. Het conformiteitsattest wordt afgeleverd door de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven.

 

§ 2.

Voor vast opgestelde zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.1, eerste lid, is in afwijking van paragraaf 1 geen conformiteitsattest vereist voor de exploitatie, op voorwaarde dat de vrije afstand R en de vrije hoogte H van de veiligheidszone minstens de afmetingen hebben, vermeld in de volgende tabel :

 

gemiddeld effectief uit gestraald vermogen (W)

2

3

4

5

6

7

8

9

10

12

15

20

vrije afstand R (m)

V

6,3

7,3

8,1

8,8

9,5

10,1

10,9

11,4

12,6

13,9

15,8

vrije hoogte H (m)

V

5,2

5,7

6,2

6,6

7,0

7,3

7,6

7,9

8,4

9,2

10,3

 

De vrije afstand R en de vrije hoogte H bepalen de minimale afstand en hoogte van de zendantenne tot aan de rand van de veiligheidszone, zoals beschreven in de onderstaande figuur. V geeft aan dat er geen conformiteitsattest vereist is. 

 

 

Voor frequenties boven de 400 MHz mag een correctie van de afstanden toegepast worden in verhouding tot de referentieniveaus bij de frequentie in kwestie (x2/Ejref). Voor gemiddelde effectief uitgestraalde vermogens boven de 20 W is altijd een conformiteitsattest noodzakelijk. 

 

§ 3.

Voor vast opgestelde zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.1, tweede lid, is in afwijking van paragraaf 1 geen conformiteitsattest vereist voor de exploitatie, op voorwaarde dat de vrije afstand R en de vrije hoogte H van de veiligheidszone minstens de afmetingen hebben, vermeld in de volgende tabel :

 

 

gemiddeld effectief uitgestraald vermogen (W)

 2

3

4

5

6

7

8

9

10

12

15

20

vrije afstand R (m)

V

4

4,6

5,1

5,6

6

6,4

6,9

7,2

8

8,8

10

vrije hoogte H (m)

V

3,3

3,6

3,9

4,2

4,4

4,6

4,8

5

5,3

5,8

6,5

 

De vrije afstand R en de vrije hoogte H bepalen de minimale afstand en hoogte van de zendantenne tot aan de rand van de veiligheidszone. V geeft aan dat er geen conformiteitsattest vereist is.

 

Voor frequenties boven de 400 MHz mag een correctie van de afstanden toegepast worden in verhouding tot de referentieniveaus bij de frequentie in kwestie (x13,7/Eiref). Voor gemiddelde effectief uitgestraalde vermogens boven de 20 W is altijd een conformiteitsattest noodzakelijk. 

 

§ 4.

Bij significante wijzigingen in de omgeving van een vast opgestelde zendantenne die relevant zijn voor de blootstelling aan elektromagnetische golven op verblijfplaatsen, kan de toezichthoudende overheid op elk moment een nieuw conformiteitsattest vragen.


Art. 6.10.2.2bis.

§ 1.

Voor vast opgestelde zendantennes als vermeld in artikel 6.10.2.1, is in afwijking van artikel 6.10.2.2, § 1, geen conformiteitsattest vereist voor de exploitatie, op voorwaarde dat de zendtijd per vast opgestelde zendantenne beperkt is tot 175 uur per jaar, dit ongeacht de toepassingen waarvoor ze gebruikt wordt en de geografische zone die wordt bestreken.

 

§ 2.

Voor de vast opgestelde zendantennes, vermeld in paragraaf 1, wordt voorafgaand aan de exploitatie een kennisgeving ingediend via de website van de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven. Deze kennisgeving bevat minstens volgende elementen :

1°  de gegevens van de exploitant : naam van de exploitant, namelijk een rechtspersoon of een natuurlijke persoon, telefoonnummer, e-mailadres, volledig adres; 
2°  de gebruikte frequentie (MHz); 
3°  vermogen, geleverd aan de antenne (dBm); 
4°  hoogte (centerlijn) ten opzichte van de begane grond (m); 
5°  de winst (dBi); 
6°  azimut (°), het noorden is nul, het oosten 90 enzovoort (stralingsrichting); 
7°  antennetype : fabrikant en referentie (indien van toepassing); 
8°  de coördinaten van de antennesite : de coördinaten moeten zowel in WGS84 als in lambert worden opgegeven; 
9°  CRAB-code. 

 

 

§ 3.

De exploitant van de vast opgestelde zendantenne, vermeld in paragraaf 1, legt een logboek aan waarin de zendtijd (per tijdseenheid) wordt bijgehouden.

 

Een journaal als vermeld in artikel 10 van het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs, kan als logboek als vermeld in het eerste lid, gelden.

 

§ 4.

De minister kan verdere voorwaarden voor de kennisgeving, vermeld in paragraaf 2, en voor het logboek, vermeld in paragraaf 3, bepalen.


Art. 6.10.2.3.

De aanvraag van een conformiteitsattest wordt ingediend via de website van de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven.

 

De aanvraag van een conformiteitsattest bevat minstens de volgende elementen :

de gegevens van de aanvrager : naam van de exploitant, namelijk een rechtspersoon of een natuurlijke persoon, telefoonnummer, e-mailadres, volledig adres van de vast opgestelde zendantenne, namelijk straat, nummer, postnummer, gemeente;
de technische karakteristieken, namelijk azimut, afmetingen, hoogte vanaf het grondniveau tot het midden van de zendantenne, frequentie, vermogen, tilt, horizontale openingshoek, verticale openingshoek stralingspatroon en winst van de vast opgestelde zendantennes die nodig zijn om het enkelvoudig SAR te bepalen in de zones buiten de veiligheidszone;
voor zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.1, tweede lid, een plan in horizontale projectie van de zone waar theoretisch een enkelvoudig SAR van die zendantennes van meer dan 0,001 W/kg mogelijk is, met aanduiding van de landschappelijke kenmerken en gebouwen;
voor zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.1, eerste lid, een plan in horizontale projectie van de zone waar theoretisch een enkelvoudig SAR van die zendantenne van meer dan 0,0004 W/kg mogelijk is op verblijfplaatsen, met aanduiding van de landschappelijke kenmerken en gebouwen; 
een verticale projectie waarop de theoretische elektrische veldsterkte wordt aangegeven bij maximaal vermogen;
een bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 6.10.2.8.

 

Als een van de zendantennes, vermeld in de aanvraag, op een plaats buiten de veiligheidszone een enkelvoudig SAR van meer dan 0,001 W/kg kan veroorzaken, attesteert de exploitant door metingen of berekeningen dat door het bijkomende elektromagnetische veld van die zendantenne de grenswaarde voor de samengestelde velden, vermeld in artikel 2.14.2.1, niet overschreden wordt. Die metingen of berekeningen worden gevoegd bij de aanvraag, vermeld in het eerste lid.

 

[...]


Art. 6.10.2.4. De afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven, stelt binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het volledige aanvraagdossier vast of voldaan wordt aan de vereisten voor het afleveren van een conformiteitsattest. Als aan de vereisten voldaan is, kent de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven, het attestnummer toe en stuurt ze het attest elektronisch naar de aanvrager. Als niet aan de vereisten voldaan is, deelt ze de redenen mee aan de aanvrager. [...]

Art. 6.10.2.5.

Een conformiteitsattest wordt alleen afgeleverd als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :

de aanvraag van het conformiteitsattest voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.10.2.3, tweede en derde lid, en artikel 6.10.2.7; 
de berekeningen of metingen op basis van de elementen, vermeld in de aanvraag, zijn correct;
op basis van de metingen of berekeningen voldoet de zendantenne aan de voorwaarden, vermeld in deel 2, hoofdstuk 2.14, afdeling 2.14.2, en deel 6, hoofdstuk 6.10, afdeling 6.10.2.

 


Art. 6.10.2.6.

Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de vast opgestelde zendantenne zich bevindt of zich zal bevinden, wordt door de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven, elektronisch op de hoogte gebracht van de afgifte van het conformiteitsattest. De kennisgeving bevat een niet-technische uitleg van de evaluatie van het elektromagnetische veld ten gevolge van de vast opgestelde zendantenne.

 

In afwijking van het eerste lid wordt niet in een kennisgeving voorzien voor vast opgestelde zendantennes die gebruikt worden voor militaire doeleinden of voor vast opgestelde zendantennes die gebruikt worden om de veiligheid van de luchtvaart te garanderen.


Art. 6.10.2.7. De Vlaamse minister kan verdere voorwaarden voor de aanvraag van een conformiteitsattest bepalen, meer bepaald voor de elektronische aanvraagprocedure en de samenstelling van het aanvraagdossier.

Art. 6.10.2.8.

§ 1.

Elke exploitant die een conformiteitsattest aanvraagt, is een retributie verschuldigd.

 

§ 2.

Voor vast opgestelde zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.1, eerste lid, bedraagt de retributie, vermeld in paragraaf 1, per aanvraag van een conformiteitsattest 200 euro.

 

Het bedrag van de retributie wordt jaarlijks aangepast aan de schommelingen van de gezondheidsindex op basis van de volgende formule : 200 euro x het nieuwe indexcijfer/het basisindexcijfer. Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand oktober van het voorgaande jaar, en het basisindexcijfer is de gezondheidsindex van oktober 2009, namelijk 110,64 met het jaar 2004 als basisjaar.

 

§ 3.

Voor vast opgestelde zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.1, tweede lid, bedraagt de retributie, vermeld in paragraaf 1, per aanvraag van een conformiteitsattest 75 euro.

 

Het bedrag van de retributie wordt jaarlijks aangepast aan de schommelingen van de gezondheidsindex op basis van de volgende formule : 75 euro x het nieuwe indexcijfer/het basisindexcijfer. Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand oktober van het voorgaande jaar, en het basisindexcijfer is de gezondheidsindex van oktober 2009, namelijk 110,64 met het jaar 2004 als basisjaar.

 

§ 4.

Een bewijs van betaling van de retributie word bij de aanvraag van een conformiteitsattest gevoegd.

 

§ 5.

De Vlaamse minister bepaalt de voorwaarden en procedure voor de betaling van de retributie en wijst de ambtenaren aan die belast zijn met de inning en de invordering van de retributie.


Afdeling 6.10.3.
Bepalingen over bestaande vast opgestelde zendantennes


Art. 6.10.3.1.

Bestaande vast opgestelde zendantennes voldoen bij de inwerkingtreding van dit hoofdstuk aan deel 2, hoofdstuk 2.14, afdeling 2.14.2.


Art. 6.10.3.2. Voor bestaande vast opgestelde zendantennes is uiterlijk op 31 december 2011 een attest afgeleverd dat de conformiteit met deel 2, hoofdstuk 2.14, afdeling 2.14.2, bevestigt.

Art. 6.10.3.3.

De volgende documenten gelden als attest, vermeld in artikel 6.10.3.2 :

een conformiteitsattest, vermeld in artikel 6.10.2.2;
een ontvangstbewijs of conformiteitsattest, afgeleverd door het BIPT ter uitvoering van het koninklijk besluit van 29 april 2001 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz, of van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz.

 


Art. 6.10.3.4.

Bestaande vast opgestelde zendantennes voldoen :

uiterlijk op 31 december 2012 aan artikel 6.10.2.1;
uiterlijk op 31 december 2015 aan artikel 6.10.2.2.

 

 


Hoofdstuk 6.11.
Verbranding in open lucht


Art. 6.11.1.

Met behoud van de toepassing van het Veldwetboek, het Bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet Natuurbehoud van 21 oktober 1997, is de verbranding in open lucht van welke stoffen ook verboden, behalve als het gaat om:

het maken van vuur in open lucht in bos- en natuurgebieden, als beheermaatregel wanneer afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is. Die activiteit mag pas plaatsvinden als de gemeentelijke overheid schriftelijke toestemming heeft gegeven of als die activiteit als beheermaatregel is opgenomen in een goedgekeurd beheerplan of vergund door het Agentschap voor Natuur en Bos zoals voorzien in het Bosdecreet en het decreet Natuurbehoud;
de verbranding in open lucht van plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van eigen bedrijfslandbouwkundige werkzaamheden, als afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is;
de verbranding in open lucht van plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van het onderhoud van landschapselementen, als afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is;
de verbranding in open lucht van plantaardige afvalstoffen als dat vanuit fytosanitair oogpunt noodzakelijk is;
het verbranden van droog onbehandeld hout bij het maken van een kampvuur;
het verbranden van droog onbehandeld hout of een vaste fossiele brandstof in een sfeerverwarmer;
het verbranden van dierlijk afval, in overeenstemming met de bepalingen, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013 betreffende dierlijke bijproducten en afgewerkte producten. Die activiteit mag pas plaatsvinden met schriftelijke toestemming van de toezichthouder;
het verbranden van droog brandbaar materiaal, met uitzondering van afvalstoffen, droog onbehandeld hout en onversierde kerstbomen in het kader van folkloristische evenementen. Die activiteit mag pas plaatsvinden als de gemeentelijke overheid schriftelijke toestemming heeft gegeven en de activiteit op een afstand van meer dan 100 meter van bewoning plaatsvindt;
de verbranding in open lucht, met uitzondering van afvalstoffen, in het kader van blusoefeningen, uitgevoerd door de brandweer van een gemeente, regio of bedrijf of door de civiele bescherming.

   


Hoofdstuk 6.12.
Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken


Art. 6.12.1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in openlucht die worden uitgevoerd door een aannemer.

Art. 6.12.2. De uitvoerder van de werken neemt de nodige maatregelen om stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken zo laag mogelijk te houden.

Art. 6.12.3.

De uitvoerder van de werken neemt maatregelen om de stofemissies die afkomstig zijn van breekwerken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen, zagen en slopen, te voorkomen. Daarvoor neemt de uitvoerder van de werken, rekening houdend met de lokale situatie, minstens een van de volgende maatregelen, voor zover ze realiseerbaar zijn rekening houdend met de veiligheidsvoorschriften en met de veiligheid van gebruikers van de openbare weg:

de afscherming van de locatie waar de activiteiten worden uitgevoerd, met doeken of zeilen zodat stofverspreiding naar de omgeving wordt voorkomen;
de beneveling van de locatie waar de activiteiten worden uitgevoerd;
de bevochtiging ter hoogte van de apparatuur die leidt tot stofvorming;
het gebruik van een rechtstreekse stofafzuiging op breekhamers, polijstmachines, slijpschijven, boormachines, freesmachines en schuurmachines.

 

Dit artikel is niet van toepassing op werven waarvan de totale duur van de werken minder dan een dag bedraagt.


Art. 6.12.4. Bij sloopwerkzaamheden onder droge weersomstandigheden of bij wind die tot visueel waarneembare stofverspreiding aanleiding geeft, wordt, voor zover dit verenigbaar is met de veiligheidsvoorschriften en met de veiligheid van gebruikers van de openbare weg, in een verneveling of andere vorm van bevochtiging voorzien om stofverspreiding naar de omgeving te voorkomen. Uitgezonderd zijn de sloopwerkzaamheden die minder dan een dag duren.

Art. 6.12.5. Technische installaties die stofemissies veroorzaken en installaties voor de reductie van stofemissies worden onderhouden en gecontroleerd om stofemissies te voorkomen. Stoffilters worden tijdig vervangen om de goede werking ervan te verzekeren.

Art. 6.12.6. Op bouwwerven rijden voertuigen niet sneller dan 20 kilometer per uur, zodat het opwaaien van stof wordt beperkt. Bij wegwerkzaamheden rijden voertuigen met een brutogewicht van 3500 kg of meer niet sneller dan 30 kilometer per uur en voertuigen met een brutogewicht van minder dan 3500 kg niet sneller dan 40 kilometer per uur, zodat het opwaaien van stof wordt beperkt.

Art. 6.12.7.

De uitvoerder van de werken stelt voor het eigen personeel en het personeel van derden procedures en instructies ter beschikking voor het transport, laden en lossen van stuivende stoffen en voor sloopwerken, breekwerken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen en zagen. Die procedures en instructies bevatten minstens de relevante elementen die worden vermeld in bijlage 6.12.


Art. 6.12.8.

De uitvoerder van de werken moet vanaf 1 januari 2017 voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 6.12.2. tot en met artikel 6.12.7.


Hoofdstuk 6.13.
Beheersing van risico?s van vaste inrichtingen voor het laden van rijwielen, bromfietsen, motorfietsen, personenwagens en bestelwagens (laadpalen en dergelijke)


Art. 6.13.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op vaste inrichtingen voor het laden van rijwielen, bromfietsen, motorfietsen, personenwagens en bestelwagens (laadpalen en dergelijke).


Art. 6.13.2.

De inrichting is uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.


Art. 6.13.3.

Als de inrichting en de aangeschakelde batterij opgesteld zijn in een lokaal en er een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan, wordt het lokaal, onverminderd de voorschriften van de producent, doeltreffend verlucht.


Art. 6.13.4.

Tussen de bovengrondse opslag van gevaarlijke producten, gekenmerkt met gevarenpictogram GHS02, volgens de CLP-verordening en brandbare vloeistoffen enerzijds en de plaats om het voertuig te stationeren tijdens het laden door een inrichting met een geïnstalleerd vermogen van meer dan 10 kW anderzijds, wordt een scheidingsafstand van vijf meter gerespecteerd.

 

Bijkomend wordt een scheidingsafstand van 7,5 meter gerespecteerd tussen een bovengrondse opslagplaats van een gas van groep 1 in verplaatsbare recipiënten met opslagcapaciteit van meer dan 5000 liter of in een vast ongekoeld gasreservoir met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 liter en de plaats om het voertuig te stationeren.