Hoofdstuk 6.2.
BEHEERSING VAN OPPERVLAKTEWATERVERONTREINIGING


Afdeling 6.2.1.
Lozing van niet-verontreinigd hemelwater en/of bemalingswater, van huishoudelijk afvalwater afkomstig van woongelegenheden en van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een biologisch afbreekbare organische belasting van maximum 20 inwonersequivalenten in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan nog niet definitief is vastgesteld


Art. 6.2.1.1. [...]

Art. 6.2.1.2. [...]

Art. 6.2.1.3. [...]

Art. 6.2.1.4. [...]

Afdeling 6.2.2.
Lozing van niet-verontreinigd hemelwater en of bemalingswater, van huishoudelijk afvalwater afkomstig van woongelegenheden en van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van maximaal 600 m3/jaar in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld


Subafdeling 6.2.2.1.
Algemeen


Art. 6.2.2.1.1.

1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de lozing van :

1huishoudelijk afvalwater afkomstig van woongelegenheden;
2huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, waarvan het debiet maximaal 600 m3/jaar bedraagt;
3niet-verontreinigd hemelwater;
4niet-verontreinigd bemalingswater; alsook op de werking en het onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties.
Deze bepalingen gelden voor lozingen in die gemeenten waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld.

2.

Voor de lozingen van huishoudelijk afvalwater die niet zijn opgenomen in een van de zuiveringszones, die zijn aangeduid op de zoneringsplannen, gelden de lozingsvoorwaarden die in deze afdeling zijn vastgesteld voor de lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied, tenzij aansluiting mogelik is op het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied. In dit geval gelden de lozingsvoorwaarden die in deze afdeling zijn vastgesteld voor lozingen gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied.

3.

De voorwaarden waaraan de lozing van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m3/jaar, zoals bedoeld in rubriek 3 van de indelingslijst, moet voldoen, zijn opgenomen in deel 4 van dit besluit.


Art. 6.2.2.1.2.

1.

De lozing van huishoudelijk afvalwater in de gewone oppervlaktewateren of in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater is verboden wanneer de openbare weg van openbare riolering is voorzien met uitzondering van lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied. Voor woningen gelegen in het centrale gebied, collectief geoptimaliseerd buitengebied of collectief te optimaliseren buitengebied kan hiervan worden afgeweken als de afstand tussen de woongelegenheid of het lozingspunt en de openbare riolering meer dan 250 meter bedraagt, of als de aansluiting moet uitgevoerd worden via een of meerdere percelen van derden. Bij afwijking worden de lozingsvoorwaarden voor lozingen in het individueel te optimaliseren buitengebied, vermeld in subafdeling 6.2.2.4, nageleefd.

2.

[...]

3.

Een volledige scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, is verplicht op het ogenblik dat een gescheiden riolering wordt aangelegd of heraangelegd, tenzij het anders bepaald is in het uitvoeringsplan.

Voor bestaande gebouwen [...] is de scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, enkel verplicht indien daarvoor geen leidingen onder of door het gebouw moeten worden aangelegd. Onder bestaande gebouwen worden hier de gebouwen bedoeld die gebouwd zijn voor de inwerkingtreding van de gewestelijke verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozen van afvalwater en hemelwater van 1 oktober 2004, zijnde 1 februari 2005, of de gebouwen die niet gevat worden door deze verordening.

4.

Onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of bijzondere milieuvoorwaarden, moet voor de afvoer van hemelwater de voorkeur gegeven worden aan de afvoerwijzen zoals hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld :

1 opvang voor hergebruik;
2 infiltratie op eigen terrein;
3 buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
4 lozing in de regenwaterafvoerleiding (RWA) in de straat.

Slechts wanneer de beste beschikbare technieken geen van de voornoemde afvoerwijzen toelaten, mag het hemelwater overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden geloosd in de openbare riolering.

5.

Niet-verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dat redelijkerwijs niet mogelijk is, moet het niet-verontreinigd bemalingswater geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor hemelwater. Het lozen in de openbare riolering is slechts toegestaan wanneer het conform de beste beschikbare technieken niet mogelijk is zich op een andere manier van het water te ontdoen.


Subafdeling 6.2.2.2.
De lozing van huishoudelijk afvalwater in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied


Art. 6.2.2.2.1.

1.

De lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied is onderworpen aan de volgende algemene voorwaarden :

1het geloosde afvalwater mag noch textielvezels, noch verpakkingsmateriaal in plastic, noch vaste huishoudelijke afvalstoffen van organische of niet organische aard bevatten;
2het geloosde afvalwater mag niet bevatten :
a)minerale olin, ontvlambare stoffen en vluchtige solventen;
b)andere stoffen extraheerbaar met petroleumether, met een gehalte van hoger dan 0,5 g/l;
c)andere stoffen die het rioleringswater giftig of gevaarlijk kunnen maken.

2.

In het centrale gebied en in het collectief geoptimaliseerde buitengebied wordt het huishoudelijk afvalwater bij voorkeur rechtstreeks in de openbare riolering geloosd. Indien de afwateringssituatie of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie het vereist, kan het college van burgemeester en schepenen opleggen dat het afvalwater via een voorbehandelingsinstallatie geleid wordt voordat het in de openbare riolering geloosd wordt.

3.

Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van een tijdelijke sanitaire installatie die geplaatst wordt in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, moet er vanaf een geloosd debiet van 20 m3/d bovendien een uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van de rioolwaterzuiveringsinstallatie verkregen worden. In die toelating kunnen bijkomende voorwaarden in functie van de optimale werking van het afwaartse rioleringsstelsel, inclusief aanwezige overstorten, en van de rioolwaterzuiveringsinstallatie worden opgelegd.


Subafdeling 6.2.2.3.
De lozing van huishoudelijk afvalwater in het collectief te optimaliseren buitengebied


Art. 6.2.2.3.1.

1.

De algemene voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het collectief te optimaliseren buitengebied luiden als volgt :

1 het te lozen afvalwater dat in zodanige hoeveelheden pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
2 de pH van het geloosde water mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen;
3 het biochemisch zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20 C van het geloosde water mag volgende waarde niet overschrijden : 25 milligram zuurstofverbruik per liter;
4 in het geloosde afvalwater mag het volgende gehalte niet overschreden worden : 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
5 bovendien mag het geloosde afvalwater geen stoffen bevatten van bijlage 2C, [...] in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, noch alle andere stoffen, met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora of fauna;
6 een representatief monster van het geloosde afvalwater mag geen olin, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een scheitrechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden.

2.

Voor lozingen in het collectief te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, te zijn voldaan als het afvalwater minstens gezuiverd wordt met een individuele voorbehandelingsinstallatie, die conform de code van goede praktijk gebouwd en uitgebaat is.

Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van meer dan tien tijdelijke sanitaire installaties die geplaatst worden in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, wordt het afvalwater minstens gezuiverd met een individuele behandelingsinstallatie waarvan de capaciteit is afgestemd op de aan te sluiten vuilvracht en voldoet de lozing aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.2.4.1, 1.

3.

Indien het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in een collectief geoptimaliseerd buitengebied is de noodzakelijke afkoppeling van de bestaande individuele voorbehandelingsinstallatie afhankelijk van de afwateringssituatie of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie.

4.

Als het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in het collectief geoptimaliseerde buitengebied, moeten de bestaande individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater in het veranderde gedeelte afgekoppeld worden.


Subafdeling 6.2.2.4.
De lozing van huishoudelijk afvalwater in het individueel te optimaliseren buitengebied


Art. 6.2.2.4.1.

1.

De algemene voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied luiden als volgt :

1 het te lozen afvalwater dat in zodanige hoeveelheden pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
2 de pH van het geloosde water mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen;
3 het biochemisch zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20C van het geloosde water mag volgende waarden niet overschrijden : 25 milligram zuurstofverbruik per liter
4 in het geloosde afvalwater mag het volgende gehalte niet overschreden worden : 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
5 bovendien mag het geloosde afvalwater geen stoffen bevatten van bijlage 2C, [...] in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, noch alle andere stoffen, met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora of fauna;
6 een representatief monster van het geloosde afvalwater mag geen olin, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een scheitrechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden
7 de installatie moet lekvrij zijn, structureel stabiel, duurzaam en corrosiebestendig.

2.

Voor lozingen gelegen in een individueel te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1 te zijn voldaan indien het water minstens wordt gezuiverd door middel van een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, waarvan de capaciteit is afgestemd op het aangesloten IE. Het verwijderingspercentage van deze individuele behandelingsinstallatie bedraagt minimaal 90 % voor biochemisch zuurstofverbruik en minimaal 70 % voor zwevende stoffen.

3.

De inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt verleend voor het bouwen of herbouwen van een gebouw na de vaststelling van het definitief zoneringsplan, moeten onmiddellijk aan de bepalingen van deze subafdeling voldoen.

Voor de inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het bouwen of herbouwen van een gebouw werd verleend vr de vaststelling van het definitief zoneringsplan, gaan de voorwaarden van deze subafdeling die in strengere zin afwijken van de situatie zoals die bestond voor de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan, in voege op de datum vastgesteld in het uitvoeringsplan. Evenwel wordt geacht dat in dit geval met een bestaande individuele behandelingsinstallatie wordt voldaan aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.


Subafdeling 6.2.2.5.
Werking en onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties


Art. 6.2.2.5.1.

De werking en het onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties moeten aan de volgende algemene bepalingen beantwoorden :

1 het lozen van geruimd septisch materiaal in de openbare riolen of in de collectoren is verboden.
2 septisch materiaal moet afgevoerd worden naar een openbare waterzuiveringsinstallatie. De openbare waterzuiveringsinstallatie kan (een deel van) de aangevoerde lading weigeren dewelke moet worden afgevoerd naar een daartoe vergunde verwerker.


Afdeling 6.2.3.
Lozing van bedrijfsafvalwater afkomstig van zwembaden


Art. 6.2.3.1. Het vaste zwembad volledig laten leeglopen, gebeurt in overleg met de beheerder van de ontvangende waterloop of rioolwaterzuiveringsinstallatie.