Hoofdstuk 6.3.
BEHEERSING VAN HINDER DOOR LICHT


Art. 6.3.0.1. Onverminderd andere reglementaire bepalingen moet men de nodige maatregelen treffen om lichthinder te voorkomen.

Art. 6.3.0.2. Het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. De verlichting is dermate geconcipieerd dat niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving maximaal wordt beperkt.

Art. 6.3.0.3.

Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan.


Art. 6.3.0.4.

Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.


Art. 6.3.0.5.

Artikel 6.3.0.2, 6.3.0.3 en 6.3.0.4 zijn niet van toepassing bij muziekactiviteiten in openlucht als een toelating is verkregen van het college van burgemeester en schepenen voor die muziekactiviteit als vermeld in artikel 6.7.3, 3. Die uitzondering geldt alleen voor lichtbronnen die worden gebruikt voor het optreden en, als dat nodig is, voor de testperiodes die nodig zijn om de lichtbronnen voorafgaand aan de muziekactiviteit af te stellen.

De lichtbronnen worden zo afgesteld dat ze maximaal de doelzone voor het podium verlichten en naburige percelen en panden niet aanstralen. Het is verboden het luchtruim met sky-tracers, zoeklichten of vergelijkbare armaturen te verlichten.